5 juni 2009 No. 5352 Het Hof van Discipline Beslissing naar aanleiding van het hoger beroep van A.J. Martens. wonende te Someren, klager, tegen: mr. C.J.A. Boskamp, voormalig deken van de Orde van Advocaten in het Arrondissement 's-hertogenbosch en destijds advocaat te Eindhoven, verweerder. 1. Het geding in eerste aanles Het hof verwijst naar de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort 's-hertogenbosch (verder: de raad) van 3 november 2008, onder nummer B40-2008, aan partijen toegezonden op 4 november 2008, waarbij van een klacht van klager tegen verweerder de onderdelen 1 en 3 ongegrond zrjn verklaard en klager niet-ontvankeliik is verklaard in onderdeel 2.
vervols beslissine no. 5352-2- 2. Het geding in hoger beroep 2.1 De memorie waarbij klager van deze beslissing in hoger beroep is gekomen en de aanvullende memorie zrln op 14 resp. 30 november 2008 ter griffie van het hof ontvangen. 2.2 Het hof heeft voorts kennis genomen van: - de stukken van de eerste aanleg; - het aanvullende beroepschrift d.d. 30 november 2008. 2.3 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld ter openbare zitting van 30 maart 2009, waar klager, vergezeld door zijn gemachtigde prof. dr. ir. A.F.P. van Putten, en verweerder ziin verschenen. 3. De klacht De klacht houdt het volgende in: 1. Verweerder is tekort geschoten in de ondersteuning van klager in zijn klachten tegen mrs. Van A en S.; 2. Verweerder heeft zich bij de behandeling van deze klachten in een gesprek met klager in weinig flatterende en seksistisch beladen termen uitgelaten over de toenmalige algemeen deken; 3. Verweerder heeft de tegen hem gerichte klacht niet onmiddellijk doorgezonden naar de raad, maar deze ter behandeling in handen gesteld van de plaatsvervangende deken en toen deze wegens persoonlijke omstandigheden niet in staat bleek de klacht te behandelen in handen van een lid van de raad van toezichl 4. De feiten 4.1 Het volgende is komen vast te staan:
HOF VAN DISCPLINE vervolg beslissing no. 5352 4.2 Bij brief van 9 september 2005, gericht aan verweerder in zijn hoedanigheid van deken, heeft klager zich beklaagd over mrs. Van A. en S. Het betrof klachten over de wijze van behandeling van door klager aan rnrs. Van A. en S. toevertrouwde zaken en de wijze van afrekening. Verweerder heeft in de klacht tegen mr. Van A. bemiddeld met als resultaat dat het geschil is voorgelegd aan de Geschillencommissie Advocatuur en de klacht tegen mr. S. ter behandeling is doorgezonden aan de raad. 4.3 Bij brief van 21 maart 2007 heeft klager arrr verweerder, opnieuw in zijn hoedanigheid van deken, geschreven dat hij een tuchtklacht tegen hem indient omdat hij van oordeel was dat verweerder in de behandeling van de klachten tegen mrs. Van A. en S. emstig was tekortgeschoten en dat hij door verweerder was misleid. Klager achtte het de taak van verweerder hem in deze klachten naar behoren te ondersteunen, hetgeen door verweerder was verzaafd. Klager deed een beroep op verweerder om hem te ondersteunen bij het correct opstellen van de tuchtklacht tegen verweerder zelf. 4.4 Naar aanleiding van deze klacht tegen hemzelf heeft verweerder klager omgaand geschreven dat hij het niet juist acht dat hij klager ondersteunt bij het correct opstellen van de tuchtklacht en dat hij de brief van 27 maart 2007 had doorgeleid naar de waarnemend deken die contact met klager zou opnemen, hetgeen overigens, in verband met ziekte van de waarnemend deken, niet is gebeurd. In plaats daarvan heeft de plaatsvervangend waamemend deken het dossier ter behandeling onder zich genomen. Bij brief van 20 aprll 2007 heeft deze aan klager bericht dat hij tot de conclusie kwam dat klager niet zou kunnen worden ontvangen in zrln klachten tegen verweerder voor zover het betrof het niet voortvarend of onjuist behandelen van de klachten tegen mrs. Van A. en S. Voorts schreef de plaatsvervangend waarnemend deken: o'voor de volledigheid wil ik er wel op wijzen dat wanneer u zrw klachten toch zou willen doorzetten de klacht zal worden gedeponeerd bij de voorzitter van de Raad van Discipline, die op de voet van artikel 46c, lid 4 Advocatenwet de klacht vervolgens aan een andere Deken in behandeling zal geven.,,.
no.5352 4.5 Bij brief van2i apt'rl2007, gericht aan de voorzitter van de raad, heeft klager een nieuwe klacht tegen verweerder ingediend. De klacht houdt in hetgeen hiervoor onder 3 sub 3 is verwoord (het moedwillis niet doorzenden van de klacht naar de voorzitter van de raad). 4.6 Bijbeslissingvan2mei}}}T van de voorzitter is deze klacht ex art. 46c lid 4 Advocatenwet (Aw) voor onderzoek en behandeling verwezen naar de deken in het arrondissement Breda. De door de plaatsvervangend waamemend deken te 's- Hertogenbosch aan de voorzitter toegezonden klacht van 31 maart 2001 is bij brief van 31 mei2007 eveneens in handen gesteld van deze deken te Breda ter behandeling. Beide klachtbrieven zijn door de deken gezamenlijk behandeld en ter beoordeling aan de raad toesezonden. f. De beoordelins 5.1 Het hof stelt voorop dat het optreden van een deken als zodanig in beginsel niet onder tuchtrechtelijke controle staat, maar indien hij zich bij de vervulling van zljn taak als deken zodanig gedraagt dat daardoor het vertrouwen van derden in de rechtshulp door de deken of het vertrouwen in de advocatuur in het algemeen wordt geschaad, zal sprake kunnen zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt waarvan hem een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. 5.2. Met betrekking tot de grieven I en 2 leidt het onderzoek niet tot andere beschouwingen en gevolgtrekkingendan waartnee het hof zich verenist. die vervat in de beslissing van de raad, 5.3 Het hof acht de derde grief - die zich keert tegen de beoordeling van klachtonderdeel 3, namelijk dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen - gegrond. 5.4 Het hof neemt het volgende in aanmerking. Ingevolge art. 46c lid 1 Aw dienen klachten tegen advocaten schriftelijk te worden ingediend bij de deken en is de deken, indien de klager daarom verzoekt, hem behulpzaam bij het op schrift stellen van de
veruolg beslissing no. 5352 klacht. Ingevolge art. 46c lid 4 Aw worden klachten tegen een deken ingediend bij of terstond doorgezonden aan de voorzitter van de raad. Deze verwijst de zaak nzuff een deken van een andere Orde in zijn ressort, teneinde haar te onderzoeken en af te handelen op een vnjze als in dit artikel en de artikelen 46d en 46e omschreven. Uit de inhoud en het onderling verband van deze wetsartikelen valt op te maken dat de wetgever de behandeling en de inhoudelijke instructie van een tegen een deken van een Orde ingediende klacht - waaronder te begrijpen valt het behulpzaan zijn bij het op schrift stellen van de klacht - niet aan hem, de plaatsvervangend of waamemend deken of aan een ander lid van zijnraad van toezicht heeft willen opdragen, maar aan een door de voorzitter van de raadte benoemen andere deken in het ressort. 5.5. Verweerder heeft deze regelgeving miskend door de klacht in handen te stellen van zijn (plaatsvervangend) waamemend deken ter behandeling, naar het hof begrijpt om klager behulpzaam te zijn bij het op schrift stellen van de klacht tegen verweerder. Weliswaar schrijft de plaatsvervangend waarnemend deken dat als klager de klacht wenst door te zetten hij de stukken in handen zal stellen van de voorzitter van de raad voor de aanwijzing van een andere deken, maar deze vijze van behandeling is in strijd met de bedoeling van de wetgever. Verweerder had de stukken terstond en zonder tussenkomst van de waarnemend deken aan de voorzitter van de raad dienen door te zenden. Door zulks na te laten heeft verweerder het vertrouwen van klager in de door de deken hem, klager, te verstrekken rechtshulp geschaad. Van dit nalaten kan de deken een verwijt worden gemaakt. 5.6 Nu verweerder anders heeft gehandeld dan is bepaald in artikel 46c Aw is de derde grief gegrond en dient de beslissing van de raad op het derde klachtonderdeel te worden vemietigd. Het klachtonderdeel is gegrond. Ten aarvien van de op te leggen maatregel overweegt het hof als volgt. 5.7 Uit de gewisselde stukken en hetgeen door partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van deze klacht is meegedeeld, is voor het hof komen vast te staan dat de gewraakte werkwijze van verweerder voor klager niet tot enige materiele schade heeft geleid. Wel dat klager zich gekrenkt voelt in zijn rechtsgevoel. Voor het hof is
HOF VAN DISCPLINE no.5352 daamaast niet komen vast te staan dat de beslissing van verweerder om de klacht niet onmiddellijk naar de voorzitter van de raad door te zenden een moedwillig handelen was om de afhandeling ervan te traineren of te beinvloeden, zoals klager stelt. Verweerder heeft de klacht wijwel onmiddellijk in handen heeft gesteld van de (plaatsvervangend) waamemend deken ter behandeling en deze heeft uiteindelijk de klachten ter verwijzing heeft doorgezonden niur de voorzitter van de raad. Het hof acht op deze gronden geen termen aartwezig voor het opleggen van een straf of maatregel aan verweerder. 6. De beslissins Het hof: - vernietigt de beslissing van de Raad van Discipline in het ressort 's- Hertogenbosch van 3 november 2008, voor zover daarbij klachtonderdeel3 ongegrond is bevonden; en in zoverre opnieuw beslissende: verklaart klachtonderdeel 3 alsnog gegrond; bekrachtigt de beslissing van de raad voor het overige. Aldus gewezen door mr. W.H.B. den Hartog Jager, voorzitter, mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, M.A. Goslings, G.J. Niezink en G.R.J. de Groot, leden in tegenwoordigheid van mr. I.F. Schouwink, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2009.
HOF VAN DISCPLINE griffier voorzitter