DE LAATSTE RUSTPLAATS VAN EEN NEOLITHISCH JAGER? In de Drunense duinen ligt een prehistorische woonplaats, die ons enige interessante problemen biedt. De vindplaats is te vinden op kaartblad 44JH. De coördinaten zij n: 406.075 x 136.500. De vindplaats is in mijn kaartsysteem opgenomen onder nummer Dz. De afgelopen jaren is ter plaatse zowel archeologisch als geologisch onderzoek verricht. Algemene beschrijving De gevonden werktuigen werden aangetroffen in het open stuifzand, in een straal van 25 meter rond de bovengenoemde coördinaten. De aan de voet van een uitgestrekte heuvel gevonden artefacten vertegenwoordigen twee verschillende culturen nl. het Mesolithicum J ) en het Neolithicum 2 ). Mogelijkheden voor een systematische opgraving waren niet aanwezig, zoals dat vaak het geval is in stuifzandgebieden. De opi vindplaats D 2 gebruikte vuursteen is van goede kwaliteit. Ook treffen we prehistorisch materiaal aan van de Belgische steensoort grès quartzite. Deze steensoort zit voornamelijk geconcentreerd op de Steenberg te Wommersom bij Tienen en is voor de steentijdkenner uit onze streek het teken, dat hij met materiaal uit het Mesolithicum te doen heeft. Beschrijving van de vondsten We moeten hierbij een duidelijk onderscheid maken tussen het meso- en het neolithische materiaal. Eerst gaan wij over tot bespreking van de vondsten stammend uit de midden-steentijd. 13
Op de vindplaats zijn twee stekers gevonden. Tekening nr. i geeft een RA-steker 3 ) weer, welke werd gevonden door de amateur-archeoloog A. N. van der Lee uit 's-hertogenbosch 4 ). De steker is vervaardigd uit gele vuursteen en is aan diverse zijden bewerkt. Nummer 12 is ook een RA-steker welke gemaakt is van een grès quartzitekling. Jammer genoeg is deze kling gebroken. De klingen 2 en 5 zijn gebruikt als mesjes. Nummer 2 is vervaardigd uit grès quartzite. Het mesje 5 heeft slechts gebruiksretouche en heeft nog wat cortex. 5 ) Dit laatste is ook het geval bij kling 6, die evenals nummer 4 onbewerkt is. De nummers 3, 7, 8, 9, 10 en n zijn schrabbertjes. Nummer 8 is bovendien een dubbelschrabber. Schrabber 3 is vervaardigd uit groffe zandsteen, nummer 9 is van grès quartzite en bij schrabber 11 is een gedeelte van de schrabberkop recentelijk verbrijzeld. Nummer 7 is vervaardigd uit een klein kiezeltje. Op de vindplaats zijn ook vierhoeken aangetroffen. (13, 14, 15 en 18). De vierhoek nummer 13 is niet compleet; nummer 15 is weer gemaakt van grès quartzite. Van spitsen zijn we op vindplaats Dz niet erg goed voorzien. Nummer 16 is erg fraai, mede door de oppervlakteretouche. Nummer 17 is een A-spits, 6 ) welke evenals de reeds eerder vermelde vierhoek nr. 18 zich in de collectie van Dr. F. E. M. Vercauteren uit Waalwijk bevindt 7 ). Hiermede hebben we het mesolithische materiaal in voldoende mate besproken. Het neolithische materiaal omvat een 5-tal pijlbewapeningen, corresponderende met de nummers 19 t/m 23. De transversale pijlpunt nummer 22 komen we zowel bij de mesolithische als bij de neolithische cultuur tegen. In het gegeven geval is een datering in het Neolithicum het waarschijnlijkst. Van de zeer fraaie pijlpunt nummer 19 is een reconstructie gegeven. Door aantasting van vuur is het onderste gedeelte, de baard, verloren gegaan. In tegenstelling tot de andere vondsten van D 2 is pijlpunt 23 praktisch niet aangetast door het windlak-verschijnsel. De Mesolithische concentratie Bij een beschouwing van de gevonden voorwerpen van de middensteentijd valt het ons direkt op, dat deze concentratie niet compleet is. Op Ü2 missen we bv. de afgeknotte klingetjes (vishaakjes) en de kleine A-, B- en C-vormige spitsen. Ook de driehoeken zijn met slechts een exemplaar niet erg goed vertegenwoordigd. Dit kleine en verbrande driehoekje is overigens niet uitgetekend.
CODE: D2 NO.: 1-15 1:1. M.T.B.'73.
CODE: D2. :NO.: 16-18. M TB 17 NO: 19/23 CODE: D2 21 22 16
De oorzaak van een eventuele beschadiging van de vindplaats moeten we zoeken bij de militaire oefeningen, die dagelijks ter plaatse worden gehouden. In ieder geval zijn de tot ons gekomen vondsten een restant van een mesolithische concentratie waaraan we aan de hand van de ter beschikking zijnde gegevens verder geen conclusies kunnen verbinden. Ook is het voorshands onmogelijk een juistere datering te geven. De N'eolithiscbe pij [bewapeningen Met de bespreking van de neolithische vondsten komen we bij het interessante aspect van vindplaats Dz. Voordat wij enige conclusies gaan trekken moeten wij bedenken, dat de 5 pijlbewapeningen bij elkaar op ongeveer 2 m 2 gevonden zijn. Bovendien hebben we van het Neolithicum geen andere vondsten gedaan: alléén pijlpunten. Dergelijke pijlpunten vinden we meestal verspreid. Zij geven ons een bewijs; van jachtactiviteiten tijdens de jonge-steentijd. In zo'n geval treffen we één, hoogstens twee, pijlpunten op een bepaalde plaats aan. De situatie bij D2 ligt echter anders. Men zou aan de gevonden 5 pijlpunten de conclusie kunnen verbinden, dat bij Dz tijdens de jonge-steentijd intensief gejaagd is. Doch wie deze mening toegedaan is, denkt in de verkeerde richting. Het gegeven dat de pijlpunten bij elkaar gevonden zijn moge het bewijs leveren, dat de neolithische jager zijn kostbare jachtwerktuigen onmogelijk bij zijn arbeid verloren heeft. Door de situatie waarin de 5 pijlpunten ontdekt zijn rees bij mij het vermoeden, dat op Dz een neolithisch jager gestorven is. De heer A. N. van der Lee houdt het niet voor onmogelijk, dat ter plaatse een inmiddels verstoven graf gelegen heeft. Bij de verstuiving van dit graf zouden de pijlbewapeningen achtergebleven zijn. Ook met deze hypothese denken we ongeveer in dezelfde richting. De ligging in het stuifzand zou een verstuiving van een graf zeer zeker mogelijk maken. Ook werd door mij de provinciale archeoloog voor Noord-Brabant, de heer G. A. C. Beex, geraadpleegd. Ook hij kon geen nadere conclusies trekken. Hij hield beide veronderstellingen, een gestorven jager of een verstoven graf, voor mogelijk. Wij moeten ons terdege realiseren, dat evenals de mesolithische concentratie de vondstsituatie van de neolithische pijlpunten door de militaire oefeningen gestoord kan zijn. De ligging van de neolithische vondsten is echter wel zeer frappant. Misschien dat toekomstige vondsten nog verhelderende gegevens op kunnen leveren. Op dit moment is het echter zo, dat we geen archeologisch belangrijk materiaal meer aantreffen op vindplaats Dz.
Vondstenaantal Mesolithicum: Spitsen 2 Vierhoeken 4 Driehoeken. i Stekers 2 Schrabbers 6 Klingen/mesjes 4 Stekerafslagen i Afslag en afval 183 Neolithicum: Pijlbewapeningen 5 Totaal aantal 206 Percentage grès quartzite 5,7 % Percentage verbrand materiaal: 3,2 % Percentage werktuigen: 8,5% Geologisch onderzoek Door Drs. A. van Bezooyen uit Waalwijk werd op verzoek van de Steentijdgroep Jan Ossewaarde" een geologisch onderzoek verricht op vindplaats Ü2. Hierbij citeren wij zijn conclusies 8 ). Het maaiveld ligt op ± 9 m N.A.P. Het onderhavige gebied helt naar het noorden. Uit een voorlopige granulaire analyse 9 ) blijkt dat van boven naar beneden een afwisseling van korrelgrootte voorkomt, en wel grof, fijn, grof, fijn, wat op enige dekzandsoorten kan wijzen. De grovere dekzanden, waarin de vondsten gedaan werden, zijn zeer humus-arm tot uiterst humus-arm. De korrelgrootte-top ligt tussen 177 en 300 Mu, in de diepere sedimenten tussen 177 en 210 Mu. Lemig zand komt voor op een diepte van 2.00 tot 2.80 m. Het vochtgehalte van de erboven liggende lagen is dan ook zeer groot. Het huidige niveau is niet het oorspronkelijke (pollenanalyse) 10 ). Elders vonden wij als Atlanticum gedateerde sedimentaties, die waarschijnlijk ook op Ü2 wel aanwezig zullen zijn geweest, op het 9 meter niveau. Op grond hiervan vindt men de artefacten zelden of nooit in situ". De conclusie van Drs. van Bezooyen, dat we op Ü2 de vondsten zelden of nooit in situ aantreffen is zeer interessant. Door zijn conclusie is de veronderstelling van een verstoven graf nog waarschijnlijker geworden. Een onderzoek van een neolithische woonplaats in de omgeving van Loon op Zand wordt bemoeilijkt door de schaarse aanknopingspunten. Tot op heden hebben we slechts één woonplaats van deze cultuur kunnen localiseren. De laatste tijd komen een aantal losse vondsten tot ons, aan de hand waarvan het in de toekomst misschien mogelijk is een nader verband te 18
kunnen constateren. Enige voorbeelden: de opmerkelijke vondst van twee polijststenen aan het Plakkeven, de op een heemkundige tentoonstelling getoonde pijlpunten 11 ), en de onlangs gedane ontdekking van diverse pfeilschneiders, gemaakt uit afslagen van een gepolijste bijl. De vondst van het vuursteenbewerkingsatelier te Vlijmen door de amateurarcheoloog L. P. van Gestel moeten wij los zien van de vondsten uit de Loonse en Drunense duinen vanwege de bij het atelier aanwezige zeer speciale en zeldzame neolithische cultuur. De gegevens, die we door het onderzoek op vindplaats D 2 hebben kunnen verkrijgen, vormen in ieder geval weer een schakel bij het toekomstige' onderzoek. Waalwijk, MICHEL TER BERG Literatuur A. van Bezooyen en A. N. van der Lee: De pioniers van het Prehistorisch onderzoek in de Loonse en Drunense duinen. Met Gansen Trou 1967 en 1968. Drs. F. J. van Oostrum: De Loonse en Drunense duinen in Met Gansen Trou, nr. 7-8 van I4e jaargang. G. A. C. Beex: Het Neolithicum in Noord-Brabant. Brabants Heem 1959, p. 2-16 en 46-47!) Mesolithicum, of midden-steentijd, is het tijdvak rond 6.000-5.000 jaar vóór Christus, waarbij de jacht en de visserij de belangrijkste bestaansmiddelen vormden. 2 ) Neolithicum, of jonge-steentijd, is de periode rond 3.000-1.600 jaar vóór Christus. In dit tijdvak doet de landbouw opgeld. Gepolijste bijlen, aardewerk en grafheuvels zijn typische elementen voor deze cultuur. 3 ) Een RA-steker heeft op de stekerkop een retouchevlak en een afslagvlak. 4 ) Voor de door de heer A. N. van der Lee verleende medewerking (uitlening van de vondst) ben ik hem zeer erkentelijk. 5 ) Cortex is de oorspronkelijke korst van de vuursteenknol. c ) De A-spits heeft retouche aan één volledige zijde van de kling. 7 ) De collectie van Dr. Vercauteren telt aan vondsten van vindplaats D2 verder nog een 2 5-tal afslagen. 8 ) Ik bén de heer van Bezooyen veel dank verschuldigd voor het door hem verrichte geologische onderzoek. 9 ) Granulaire analyse: korrelgrootte-onderzoek. Dit geschiedt in dit geval met een set zeven, die juist in de dekzandenserie met enige zeven zijn uitgebreid. 10 ) Onder pollenanalyse verstaan we stuifmeelkorrelonderzoek. n ) Heemkundige tentoonstelling van kring Onsenoort", voorjaar 1972, welke gehouden werd in het Buurthuis De Mand" te Vlijmen. Zie: Vondstmeldingen uit een mand door M. ter Berg in Met Gansen Trou, 1972 nummer 6-7.