Biologie Universiteit Utrecht Juni 2010
Uitgave: Quality Assurance Netherlands Universities (QANU) Catharijnesingel 56 Postbus 8035 3503 RA Utrecht Telefoon: 030 230 3100 Fax: 030 230 3129 E-mail: info@qanu.nl Internet: www.qanu.nl 2010 QANU Tekst en cijfermateriaal uit deze uitgave mogen, na toestemming van QANU en voorzien van bronvermelding, door middel van druk, fotokopie, of op welke andere wijze dan ook, worden overgenomen. 2 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
INHOUD Voorwoord 5 Voorwoord voorzitter visitatiecommissie 7 Deel I Algemeen deel 9 1. Inleiding 11 2. Taak en samenstelling van de commissie 11 3. Betrokken opleidingen 12 4. Werkwijze van de commissie 13 Deel II Opleidingsdeel 17 1. De bacheloropleiding Biologie en de masteropleiding Biologische Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht 19 Bijlagen 55 Bijlage A: Curricula vitae van de leden van de visitatiecommissie 57 Bijlage B: Domeinspecifiek referentiekader 59 Bijlage C: Bezoekprogramma 63 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 3
4 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
VOORWOORD Dit rapport beschrijft de bevindingen van de visitatiecommissie Biologie 2009 met betrekking tot de opleidingen op het terrein van de biologie die worden verzorgd door vijf Nederlandse universiteiten. Het is onderdeel van de kwaliteitsbeoordeling van universitaire bachelor- en masteropleidingen in Nederland. Het doel van het rapport is om een betrouwbaar beeld te geven van de resultaten van de voor beoordeling voorgelegde opleidingen, om een terugkoppeling te geven naar de interne kwaliteitszorg van de betrokken organisaties en om als basis te dienen voor accreditatie van de betrokken opleidingen door de Nederlands- Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO). De stichting Quality Assurance Netherlands Universities (QANU) beoogt onafhankelijke, objectieve en kritische beoordelingen te laten plaatsvinden en opbouwende kritiek te leveren, zo veel mogelijk uitgaande van een gestandaardiseerde set van kwaliteitscriteria, maar met oog voor specifieke omstandigheden. De visitatiecommissie Biologie 2009 heeft haar taken met grote betrokkenheid uitgevoerd. De opleidingen zijn op een grondige en zorgvuldige manier beoordeeld. Wij verwachten dat de oordelen en de aanbevelingen in zorgvuldige overweging worden genomen door de betrokken instellingen en opleidingen. Wij danken de voorzitter en de leden van de visitatiecommissie voor hun bereidheid deel te nemen aan deze beoordeling en voor de toewijding waarmee ze hun taak hebben uitgevoerd. Onze dank gaat ook uit naar de medewerkers van de betrokken afdelingen en opleidingen voor hun inspanningen en hun medewerking aan deze beoordeling. Quality Assurance Netherlands Universities mr. C.J. Peels directeur drs. J.G.F. Veldhuis voorzitter bestuur QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 5
6 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
VOORWOORD VOORZITTER VISITATIECOMMISSIE De onderwijsvisitatiecommissie Biologie 2009 heeft met veel waardering waargenomen dat het biologieonderwijs in de door haar bezochte instellingen met een groot gevoel van verantwoordelijkheid wordt gegeven en op een alleszins passend niveau. Een visitatiebezoek is een collegiaal bezoek van peers, geen bezoek van een examencommissie. Waar mogelijk zijn complimenten gegeven en heeft de commissie proberen mee te denken met de opleidingen, waar nodig zijn positief kritische opmerkingen gemaakt. De commissie heeft zich bewust verre gehouden van de beoordelingsinflatie zoals die helaas gebruikelijk is geworden in de onderzoekswereld, waar voldoendes inmiddels goede redenen vormen om een groep op te heffen. In lijn met de richtlijnen van de QANU werd voor het oordeel voldoende de omschrijving zoals van een goede academische opleiding verwacht mag worden gebruikt, terwijl het oordeel goed werd bewaard voor een extra compliment. Deze manier van beoordelen maakte het ook mogelijk om echte onvoldoendes te geven wanneer er iets mis was. Dat bleek niet nodig: er is niets mis met de beoordeelde opleidingen. De gesprekken hebben zich alle in een prettige, open en collegiale sfeer afgespeeld, die helaas door het strikte format van de verslaggeving amper in dit rapport is te herkennen. Vooral inhoud en organisatie van de opleiding kregen de aandacht, terwijl steekproefsgewijs werd getest of de opleiding/faculteit/instelling het onderwijsproces onder controle heeft. Overal heeft de commissie gevraagd naar de regie van de opleiding, en heeft zij een indruk proberen te krijgen van de strategische positie van de biologie binnen de universiteit. Ook kregen het arbeidsveld en de relatie tussen de opleiding en de lerarenopleiding overal aandacht. Bij de beoordeling van de opleidingen stond het concept van de eenheid van de biologie centraal. Een goede biologieopleiding is geen verzameling cursussen en stages met een nietje erdoor. Niet alleen ligt deze eenheid aan de basis van het begrip van het levende systeem, zij biedt ook het beste uitgangspunt voor de groeiende samenwerking met andere disciplines op terreinen die door sommigen nu al worden samengevat als de Nieuwe Biologie. De commissie kijkt terug op een geanimeerde en nuttige reeks bezoeken, en hoopt dat de opleidingen hun voordeel kunnen doen met de rapporten. Het protocol voorziet niet in de beoordeling van individuen. Ware dit het geval geweest, dan had de commissie bij alle opleidingen het oordeel excellent gegeven aan die collega s die er met veel inzet in slagen om ondanks de steeds hogere golven, de tegenwind en een inkrimpende bemanning hun schip op koers te houden. De opleidingen weten wel wie dat zijn, de hogere echelons hopelijk ook. Prof.dr Jan W. Kijne Voorzitter onderwijsvisitatiecommissie Biologie QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 7
8 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
DEEL I: ALGEMEEN DEEL QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 9
10 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
1. Inleiding In dit rapport brengt de onderwijsvisitatiecommissie Biologie (hierna: de commissie) verslag uit van haar bevindingen. Het rapport bestaat uit twee delen: een algemeen deel (I) en een opleidingsdeel (II). Het algemene deel gaat in op de taak, de samenstelling en de werkwijze van de commissie en geeft een beschrijving van de uitgangspunten van de commissie. In het opleidingsdeel beschrijft de commissie de beoordeelde opleidingen aan de hand van de onderwerpen en facetten uit het Accreditatiekader bestaande opleidingen van de NVAO. 2. Taak en samenstelling van de commissie Taak van de commissie De taak van de commissie was het uitvoeren van een visitatie van 19 opleidingen op het gebied van de biologie op basis van en in overeenstemming met het Accreditatiekader bestaande opleidingen van de NVAO. De commissie heeft op basis van door of namens de opleidingen aangeleverde informatie en door middel van ter plaatse gevoerde gesprekken een oordeel gegeven over de verschillende aspecten van de kwaliteit van de opleidingen, zoals beschreven in het NVAO-kader. Samenstelling van de commissie Tot voorzitter, tevens lid van de commissie, werd benoemd: prof. dr J.W. (Jan) Kijne, emeritus hoogleraar BioScience, Universiteit Leiden; Tot lid van de commissie werden benoemd: prof. dr J. (Jannie) Borst, Nederlands Kanker Instituut Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis, bijzonder hoogleraar experimentele oncologie, Universiteit van Amsterdam; K.C. (Kimo) van Dijk, Universiteit van Amsterdam, studentlid; prof. dr W.P.M. (Wiel) Hoekstra, emeritus hoogleraar algemene microbiologie, Universiteit Utrecht; prof. dr F. (Frans) Ollevier, emeritus hoogleraar aquatische ecologie, Katholieke Universiteit Leuven; prof. dr J.L. (Jeanine) Olsen, hoogleraar mariene ecologie en evolutie, Rijksuniversiteit Groningen; prof. dr S.E. (Sjoerd) Wendelaar Bonga, emeritus hoogleraar dierkunde, Radboud Universiteit Nijmegen. Drs S. (Sietze) Looijenga, medewerker van het bureau van QANU, was projectleider voor de visitatie en secretaris van de commissie tijdens de bezoeken aan Wageningen Universiteit, de Radboud Universiteit Nijmegen en de Rijksuniversiteit Groningen. Tijdens het bezoek aan de Universiteit Utrecht werd de commissie ondersteund door drs S.E. (Saskia) Tiethoff, destijds medewerker van het bureau van QANU. Tijdens het bezoek aan de Vrije Universiteit QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 11
Amsterdam werd het secretariaat gevoerd door drs ir W.J.A.M. (Wil) Meulepas, freelance medewerker van QANU. Tijdens de startvergadering van de commissie, die door de heren Kijne, Hoekstra en Van Dijk en de dames Borst en Olsen werd bijgewoond, werd de heer Hoekstra gekozen tot vicevoorzitter van de commissie. De heer Kijne heeft, naast zijn inhoudelijke, ook zijn onderwijsdeskundige expertise ingebracht in de visitatie en tijdens de bezoeken van de visitatiecommissie extra aandacht besteed aan de onderwijskundige aspecten van het beoordelingskader. De leden van de commissie hebben allen de onafhankelijkheidsverklaring ondertekend die QANU hanteert voor haar visitaties. De heren Kijne en Van Dijk hebben aan alle bezoeken deelgenomen. De heer Hoekstra heeft aan alle bezoeken behalve dat aan de Universiteit Utrecht deelgenomen, mevrouw Borst aan alle bezoeken behalve dat aan Wageningen Universiteit, de heer Ollevier aan de bezoeken aan de Radboud Universiteit Nijmegen en de Rijksuniversiteit Groningen, mevrouw Olsen aan de bezoeken aan Wageningen Universiteit en de Universiteit Utrecht, en de heer Wendelaar Bonga aan de bezoeken aan Wageningen Universiteit, de Universiteit Utrecht en de Vrije Universiteit Amsterdam. De curricula vitae van de leden van de commissie zijn opgenomen in bijlage A. 3. Betrokken opleidingen De commissie beoordeelde de volgende opleidingen: Instelling: Opleiding (CROHO-nummer): Variant(en): Vervaldatum accreditatie: Wageningen Universiteit: B Biologie (56860) Voltijd 26-04-2011 (bezoek: 19-20 oktober 2009) M Biology (66860) Voltijd 26-04-2011 Radboud Universiteit (bezoek: 29-30 oktober 2009) Rijksuniversiteit Groningen (bezoek: 17-19 november 2009) B Biologie (56860) Voltijd 09-02-2011 M Biology (66860) Voltijd 09-02-2011 M Medische Biologie (60610) Voltijd 09-02-2011 B Biologie (56860) Voltijd 08-05-2011 B Life Science and Technology (56286) Voltijd 31-12-2013 M Biology (66860) Voltijd 08-05-2011 M Biomedical Sciences (66990) Voltijd 08-05-2011 M Ecology and Evolution (60365) Voltijd 08-05-2011 M Marine Biology (60609) Voltijd 08-05-2011 M Medical and Pharmaceutical Sciences (60611) Voltijd 31-12-2013 M Molecular Biology & Biotechnology (60612) Voltijd 08-05-2011 Universiteit Utrecht B Biologie (56860) Voltijd 18-07-2011 (bezoek: 25-26 november 2009) M Biologische Wetenschappen (60293) Voltijd 18-07-2011 Vrije Universiteit Amsterdam (bezoek: 1-2 december 2009) B Gezondheid en Leven (50509) Voltijd 06-04-2011 B Biologie (56860) Voltijd 06-07-2011 M Biology (66860) Voltijd 06-07-2011 M Ecology (60607) Voltijd 06-07-2011 12 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
4. Werkwijze van de commissie Startvergadering Op 18 september 2009 hield de commissie haar startvergadering. Tijdens deze vergadering werd de commissie geïnstalleerd door de voorzitter van het bestuur van QANU, de heer J.G.F. Veldhuis, waarna zij haar taakstelling en werkwijze besprak en het voorstel voor een domeinspecifiek referentiekader voor de visitatie formeel vaststelde. Het domeinspecifiek referentiekader is opgenomen in bijlage B. De commissie heeft tijdens haar startvergadering een voorstel van haar voorzitter voor een aantal algemene uitgangspunten besproken en aanvaard. De voorbereiding op de bezoeken De projectleider heeft de zelfevaluatierapporten van de opleidingen gecontroleerd op kwaliteit en volledigheid en, in overleg met de voorzitter van de commissie, bepaald of de rapporten gebruikt konden worden voor de voorbereidingen op de bezoeken van de commissie. In alle gevallen voldeden de zelfstudies aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. De commissieleden hebben voorafgaand aan elk bezoek de zelfevaluatierapporten van de te beoordelen opleidingen bestudeerd en op basis daarvan vragen en opmerkingen geformuleerd. Zij hebben daarnaast voorafgaand aan elk bezoek enkele bachelor- en masterscripties gelezen die waren geselecteerd en verdeeld door de voorzitter. Tijdens een voorbereidende vergadering aan het begin van elk bezoek heeft de commissie de zelfevaluatierapporten, de vooraf geformuleerde vragen en opmerkingen en de afstudeerscripties besproken en de te voeren gesprekken voorbereid. De bezoeken van de commissie De bezoeken van de commissie hebben plaatsgevonden in de maanden oktober, november en december van het jaar 2009. De commissie heeft per bezoek een bezoekprogramma opgesteld dat voorzag in gesprekken met vertegenwoordigers van alle relevante groepen belanghebbenden (zie bijlage C). De projectleider heeft steeds, voorafgaand aan de bezoeken, nadere afspraken gemaakt met de contactpersoon van de betrokken instelling c.q. opleidingen over de precieze invulling van het programma. De commissie heeft tijdens elk bezoek gesproken met bachelorstudenten, masterstudenten en docenten. Zij heeft verder in alle gevallen een gesprek gevoerd met een vertegenwoordiging van het faculteitsbestuur, met het opleidingsbestuur of -management, een aantal afgestudeerden, de leden van de Opleidingscommissies en Examencommissies en de studieadviseurs of -begeleiders. Verder heeft zij tijdens het bezoek aanvullend materiaal bestudeerd en een spreekuur georganiseerd voor studenten of docenten die de commissie separaat wilden spreken. De commissie gebruikte het grootste deel van de laatste middag van het bezoek voor het formuleren van haar oordeel over de opleidingen en voor de voorbereiding van de mondelinge rapportage. Zij heeft bij de beoordeling de door QANU opgestelde checklist, die het Accreditatiekader van de NVAO volgt, als uitgangspunt gehanteerd. Aan het einde van een bezoek heeft de voorzitter steeds een mondelinge rapportage gegeven van de eerste bevindingen van de commissie. QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 13
De bestudering van het materiaal tijdens de bezoeken De commissie heeft tijdens haar bezoeken aanvullend materiaal bestudeerd dat zij vooraf ter inzage had gevraagd. Zij heeft veelvuldig gebruik gemaakt van de mogelijkheid om informatie uit de zelfstudie of de gevoerde gesprekken te verifiëren met behulp van dat materiaal. De commissie had de opleidingen gevraagd om de volgende documenten ter beschikking te stellen: alle eindwerkstukken of scripties die in de zelfstudie worden vermeld (ook bachelorscripties); de formulieren die worden gebruikt in het kader van de beoordeling van de scripties; voorlichtingsmateriaal (folders, brochures); studiemateriaal: verplichte literatuur, handboeken, syllabi, readers, studiehandleidingen; voorbeelden van werkstukken, portfolio s, onderzoeksverslagen en stageverslagen; scriptiereglementen, richtlijnen voor het maken van werkstukken; stagereglementen, stagehandleidingen; reglementen met betrekking tot tentamens en examens, toetshandleidingen; toetsmaterialen (opdrachten, tentamens en dergelijke); verslagen van recente vergaderingen van de Opleidingscommissie en de Examencommissie; materiaal met betrekking tot de evaluatie van colleges en curricula, studententevredenheidsmonitoren; alumni-enquêtes; verslagen of rapporten van relevante ad hoc-commissies; jaarverslagen (onderwijs, onderzoek, laatste drie jaar). In een aantal gevallen heeft de commissie tijdens een bezoek om aanvullende documentatie gevraagd. De opleidingen hebben naar de overtuiging van de commissie al het mogelijke gedaan om de commissie te voorzien van de informatie die zij wilde bestuderen. De beslisregels Het accreditatiestelsel kent een vierpuntsschaal voor de beoordeling van de facetten (onvoldoende, voldoende, goed of excellent) en een tweepuntsschaal voor de beoordeling van de onderwerpen (voldoende of onvoldoende). De commissie heeft bij het bepalen van haar oordelen voor de facetten de beslisregels van QANU gevolgd. Deze zijn: de beoordeling onvoldoende geeft aan dat de opleiding niet voldoet aan de criteria voor basiskwaliteit die gelden voor het desbetreffende facet; de beoordeling voldoende geeft aan dat de opleiding voldoet aan de criteria voor basiskwaliteit die gelden voor het desbetreffende facet; de beoordeling goed geeft aan dat de opleiding aantoonbaar uitstijgt boven het niveau dat wordt vastgelegd door de criteria voor basiskwaliteit die gelden voor het desbetreffende facet; de beoordeling excellent geeft aan dat de opleiding als een voorbeeld van best practice mag worden beschouwd met betrekking tot het desbetreffende facet. 14 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
De rapporten De commissie heeft ervoor gekozen om bij het schrijven van de beoordelingsrapporten opleidingen te bundelen in één rapport waar dat mogelijk was. Zij heeft zich daarin voor een deel laten leiden door de keuzes van de te beoordelen opleidingen, die zelf hebben bepaald of hun zelfevaluatierapport in het Nederlands of in het Engels is geschreven. Het is in een aantal gevallen onvermijdelijk dat de beoordelingsrapporten (net als de zelfevaluatierapporten) enige overlap vertonen: de opleidingen van een instelling maken gebruik van dezelfde faciliteiten, worden verzorgd door dezelfde groep docenten en hanteren hetzelfde systeem voor de interne kwaliteitszorg. De secretarissen van de commissie hebben, op basis van de bevindingen van de commissie tijdens de bezoeken, voor alle opleidingen conceptrapporten opgesteld. De projectleider heeft de conceptrapporten, in overeenstemming met de binnen de commissie gemaakte afspraken, in eerste instantie uitgebreid besproken met de voorzitter van de commissie en vervolgens verspreid onder de overige commissieleden. De projectleider heeft de opmerkingen van de voorzitter en de overige commissieleden verwerkt in de conceptrapporten en die vervolgens, in het kader van de hoor-wederhoorprocedure, voorgelegd aan de betrokken faculteiten en opleidingen met het verzoek eventuele feitelijke onjuistheden of andere verbeterpunten te identificeren. De reacties van de faculteiten op de conceptrapporten zijn voorgelegd aan de voorzitter van de commissie. De definitieve versie van dit beoordelingsrapport, waarin de opmerkingen en suggesties van de faculteit zijn verwerkt, is vastgesteld in mei 2010. QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 15
16 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
DEEL II: OPLEIDINGSDEEL QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 17
18 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
1. De bacheloropleiding Biologie en de masteropleiding Biologische wetenschappen aan de Universiteit Utrecht Administratieve gegevens Bacheloropleiding Biologie: Naam opleiding: Biologie CROHO-nummer: 56860 Niveau: bachelor Oriëntatie: wo Studielast: 180 EC Graad: Bachelor of Science Variant(en): voltijd Locatie(s): Utrecht Einddatum accreditatie: 18 juli 2011 Masteropleiding Biologische wetenschappen: Naam opleiding: Biologische wetenschappen CROHO-nummer: 60293 Niveau: master Oriëntatie: wo Studielast: 120 EC Graad: Master of Science Variant(en): voltijd Locatie(s): Utrecht Einddatum accreditatie: 18 juli 2011 Het bezoek van de visitatiecommissie Biologie aan de Faculteit Bètawetenschappen van de Universiteit Utrecht vond plaats op 25 en 26 november 2009. 1.0. Structuur en organisatie van de faculteit De bacheloropleiding Biologie en de masteropleiding Biologische wetenschappen worden verzorgd door het departement Biologie, dat valt onder de faculteit Bètawetenschappen van de Universiteit Utrecht. Sinds de vorige onderwijsvisitatie, hebben voor de betrokken opleidingen ingrijpende veranderingen plaatsgevonden. Ten tijde van de vorige onderwijsvisitatie viel de (ongedeelde) opleiding Biologie nog onder een eigen faculteit Biologie. In 2007 is de faculteit Biologie samen met de andere bètafaculteiten van de Universiteit Utrecht opgegaan in de nieuwe faculteit Bètawetenschappen. Biologie is nu één van de zes departementen in deze faculteit. Van 2008 tot juli 2009 heeft het departement Biologie een ingrijpende reorganisatie meegemaakt met ook aanzienlijke personele consequenties. De masteropleiding Biologische wetenschappen valt sinds 2006 onder de Graduate School of Life Sciences (GS-LS). Intussen werd ook het onderwijsrooster aangepast aan het uniforme universitaire rooster. QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 19
1.1. Het beoordelingskader 1.1.1. Doelstellingen opleiding F1: Domeinspecifieke eisen De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk). Beschrijving De eindtermen van de bacheloropleiding Biologie zijn als volgt geformuleerd: De bachelor Biologie: 1. kan de bouw, het functioneren en de evolutie van biologische systemen beschrijven en de fundamentele processen op de verschillende organisatieniveaus verklaren; 2. kan relevante concepten binnen een aantal deelgebieden van de biologie toepassen en kan aangeven hoe deze concepten zijn verkregen; 3. kan de positie van genoemde deelgebieden binnen de biologie en hun relatie tot aangrenzende wetenschapsgebieden aangeven; 4. kan theorieën via wetenschappelijke experimenten toetsen en kan een bijdrage leveren aan theorievorming; 5. kan uiteenzetten wat de mogelijkheden en beperkingen zijn van modelorganismen in wetenschappelijk onderzoek; 6. kan relevante wiskundige, natuurkundige, scheikundige en aardwetenschappelijke kennis en concepten toepassen bij het oplossen van biologische problemen; 7. is in staat om na oriëntatie op de mogelijke studieadviespaden en afweging van maatschappelijke perspectieven, een gefundeerde keuze voor een masteropleiding te maken. Daarnaast beschikt de bachelor Biologie over de volgende (academische) vaardigheden. De bachelor Biologie: 8. is in staat tot zelfreflectie en weet zijn eigen functioneren te evalueren, 9. is in staat om zich nieuwe kennis eigen te maken uit de door hem zelf geselecteerde (Engelstalige) literatuur en kan deze nieuwe kennis integreren in zijn aanwezige kennis, 10. is in staat om een (eenvoudig) wetenschappelijk probleem te vertalen in een experimenteel onderzoeksplan, dat uit te voeren en de resultaten ervan te analyseren en te interpreteren, in relatie tot de relevante literatuur, 11. beschikt over een verscheidenheid aan basale onderzoekstechnieken en kan zich nieuwe technieken eigen maken, 12. kan zijn onderzoeksresultaten op een heldere manier schriftelijk verwoorden, conform de opbouw van een wetenschappelijk artikel, 13. kan een heldere mondelinge presentatie geven over het door hem uitgevoerde onderzoek en/of literatuurstudie, 14. kan een mening vormen over de maatschappelijke en ethische consequenties van biologisch onderzoek en kan deze mening in discussies onderbouwen. De eindtermen van de bacheloropleiding zijn mede gebaseerd op de algemene doelstellingen van de Universiteit Utrecht. Daarnaast hebben de door het decanenoverleg Biologie geformuleerde competenties en eindtermen bijgedragen aan de formulering van de eindtermen. De eindkwalificaties van de bacheloropleiding sluiten aan bij de ingangseisen van de masteropleiding Biologische wetenschappen. Deze opleiding is nauw betrokken bij de 20 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
advisering over het cursusaanbod van de bacheloropleiding. Zij is daarmee indirect van invloed op de eindtermen van de bacheloropleiding. De masteropleiding Biologische wetenschappen is onderverdeeld in verschillende programma s. De masterprogramma s Biology and Biocomplexity en Environmental Biology vallen onder de penvoering van het departement Biologie. De drie andere programma s die deel uitmaken van de opleiding Biologische wetenschappen zijn samenwerkingsprogramma s van meerdere masteropleidingen en vallen onder de verantwoordelijkheid van andere opleidingen in de faculteiten Bètawetenschappen, Geneeskunde en Diergeneeskunde. De eindtermen van de verschillende programma s binnen de masteropleiding Biologische wetenschappen zijn gelijk. De inhoudelijke oriëntatie van de programma s is echter verschillend. Het masterprogramma Biology and Biocomplexity bereidt voor op het verrichten van multidisciplinair onderzoek in de biologische wetenschappen, bioinformatica of biomedische wetenschappen. Het masterprogramma Environmental Biology bereidt voor op het verrichten van moleculair en/of ecologisch onderzoek aan planten, schimmels, plantengemeenschappen of (mariene) ecosystemen. Voor de masteropleiding Biologische wetenschappen zijn de volgende eindtermen geformuleerd. De afgestudeerde master Biologische wetenschappen is in staat: Kennis en inzicht 1. om met de kennis van tenminste één van de deelgebieden van de biologische wetenschappen een wezenlijke bijdrage te leveren aan het ontwikkelen en/of toepassen van wetenschappelijke concepten en methodes, veelal in onderzoeksverband. 2. de belangrijke recente ontwikkelingen binnen de biologische wetenschappen te overzien en de implicaties van die ontwikkelingen voor vakgebied en samenleving aan te geven. 3. om gespecialiseerde vakliteratuur op tenminste één van de deelgebieden van de biologische wetenschappen adequaat te hanteren en te interpreteren. Toepassen kennis en inzicht 4. een probleem uit het domein van de biologische wetenschappen te vertalen in een voor wetenschapsontwikkeling of productontwikkeling relevante en geschikte onderzoeksvraag. 5. bij deze onderzoeksvraag een passend onderzoeksontwerp te formuleren conform de daarbij vereiste methodologische en wetenschappelijke standaard. 6. dit onderzoek op eigen kracht en met de vereiste zorgvuldigheid uit te voeren en de daarbij empirisch verkregen data op juiste wijze te verwerken, te analyseren, te interpreteren en te evalueren. Oordeelsvorming 7. de uitkomsten van empirisch onderzoek te bediscussiëren en te verbinden met de theorie. 8. de relevantie aan te geven van dit onderzoek voor de oplossing van vragen en problemen op het gebied van de biologische wetenschappen, waar mogelijk ook vanuit een maatschappelijk standpunt. 9. kritisch te reflecteren op de eigen inspanningen als onderzoeker op het gebied van de biologische wetenschappen vanuit een maatschappelijk ethisch perspectief. Communicatie 10. de resultaten van onderzoek zowel schriftelijk als mondeling duidelijk over te brengen op een publiek van specialisten en niet-vakdeskundigen in een internationale context. 11. effectief te functioneren in een multidisciplinair samengesteld onderzoeksteam. QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 21
Leervaardigheden 12. de vaardigheid om het eigen leer- en ontwikkelproces tijdens de studie te evalueren en zichzelf zo nodig te motiveren en bij te sturen. 13. zelfstandig te functioneren op een competitieve arbeidsmarkt, door de eigen gemaakte effectieve en resultaatgerichte werkwijze. 14. een promotieopleiding te verkrijgen, dan wel een academische functie op de arbeidsmarkt. De faculteit Bètawetenschappen heeft een externe adviesraad ingesteld om inzicht te krijgen in de verwachtingen van de beroepspraktijk. De opleiding schrijft in haar zelfstudie dat op dit moment over deze verwachtingen weinig bekend is. Oordeel De commissie heeft de eindtermen van de bachelor- en de masteropleiding bestudeerd en vergeleken met haar domeinspecifieke referentiekader. Zij concludeert dat de eindtermen van beide opleidingen aansluiten bij de eisen van vakgenoten en de beroepspraktijk in binnen- en buitenland. De eindtermen van de opleidingen bevatten dezelfde elementen die voorkomen in de algemene eindtermen voor bachelor- en masteropleidingen Biologie die de commissie heeft geformuleerd in haar domeinspecifiek referentiekader. Voor de bacheloropleiding Biologie betreffen dit zaken als kennis van deelgebieden binnen de biologie, kennis van natuurwetenschappelijke basisvakken en kritisch denkvermogen. Voor de masteropleiding Biologische wetenschappen betreffen dit zaken als het vermogen onderzoek te doen op een specialistisch deelgebied van de biologie onder globale supervisie, zelfstandige analyse van wetenschappelijke problemen en inzicht in de maatschappelijke rol van de biologie. Hiermee is voor de commissie vastgesteld dat de eindtermen aansluiten bij de eisen van vakgenoten. De commissie heeft verder vastgesteld dat de eindtermen van de opleiding ook voldoen aan de eisen van de beroepspraktijk. De eindtermen verwijzen naar vaardigheden die studenten nodig hebben wanneer zij na hun opleiding de arbeidsmarkt betreden. Studenten van de bacheloropleiding zijn bijvoorbeeld in staat om relevante concepten toe te passen en om theorieën via wetenschappelijke experimenten te toetsen. Zij beschikken ook over relevante academische vaardigheden. Studenten van de masteropleiding leren om bijdragen te leveren aan het ontwikkelen of toepassen van wetenschappelijke concepten en methodes. Zij zijn ook in staat om onderzoek op te zetten en uit te voeren, om de uikomsten van empirisch onderzoek te bediscussiëren en om de relevantie van onderzoek aan te geven voor de oplossing van vragen en problemen op het gebied van de biologie, waar mogelijk ook vanuit een maatschappelijk standpunt. De commissie concludeert dat beide opleidingen voldoen aan de criteria die gelden voor het facet dat betrekking heeft op de domeinspecifieke eisen. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F2: Niveau: Bachelor en Master De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene, internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor of een Master. Beschrijving De Dublin-descriptoren beschrijven het eindniveau van een bachelor- en masteropleiding aan de hand van vijf competentiegebieden: kennis en inzicht, toepassen van kennis en inzicht, oordeelsvorming, communicatie en leervaardigheden. In de zelfstudies van de 22 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
bacheloropleiding en de masteropleiding is aangegeven dat de Dublin-descriptoren leidend zijn geweest bij het bepalen van het niveau van de eindtermen. In de eindtermen van de bacheloropleiding Biologie wordt een onderscheid gemaakt tussen de vakinhoudelijke eindtermen (eindtermen 1-7) en de algemeen academische eindtermen (eindtermen 8-14). De verwerving en toepassing van kennis en inzicht, overeenkomend met de Dublin-descriptoren 1 en 2, komen in de eerste zeven eindtermen naar voren. Uit de formulering van de eindtermen blijkt dat in de opleiding een bachelorniveau beoogd wordt. Zo is er sprake van het verklaren van fundamentele processen en het toetsen van theorieën via wetenschappelijke experimenten. Dublin-descriptor 3, die betrekking heeft op oordeelsvorming, komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in eindterm 8, waar sprake is van zelfreflectie en het evalueren van het eigen functioneren, en in eindterm 14, volgens welke studenten leren zich een mening te vormen over de maatschappelijke en ethische consequenties van biologisch onderzoek. Dublin-descriptor 4 heeft betrekking op communicatie en komt tot uitdrukking in eindtermen 12 en 13, die betrekking hebben op het schriftelijk en mondeling presenteren van onderzoek. Dublin-descriptor 5 staat in het teken van leervaardigheden en komt tot uitdrukking in eindtermen 7 en 9, die betrekking hebben op, respectievelijk, het maken van een gefundeerde keuze voor een masteropleiding en het verwerven van nieuwe kennis. De eindtermen van de masteropleiding Biologische wetenschappen zijn ingedeeld naar de vijf categorieën van de Dublin-descriptoren. In de formulering van de eindtermen wordt zo een expliciet verband met de Dublin-descriptoren gelegd. Uit de formulering van de eindtermen blijkt dat in de opleiding een masterniveau beoogd wordt. Zo leren studenten belangrijke recente ontwikkelingen binnen het wetenschapsgebied Biologische wetenschappen te overzien, een wetenschappelijk probleem te vertalen in een relevante en geschikte onderzoeksvraag, de uitkomsten van empirisch onderzoek te verbinden met de theorie. Onderzoeksresultaten leren studenten (schriftelijk en mondeling) over te brengen op een publiek van specialisten en niet-specialisten in een internationale context. Oordeel De commissie heeft de eindtermen van de bachelor- en de masteropleiding bestudeerd vanuit het perspectief van het niveau. De commissie heeft allereerst vastgesteld dat in de formulering van de eindtermen duidelijk het verschil in niveau tussen de bacheloropleiding Biologie en de masteropleiding Biologische wetenschappen tot uitdrukking wordt gebracht. Het verschil in niveau blijkt bijvoorbeeld uit de eindtermen die betrekking hebben op het uitvoeren van onderzoek. Aan het einde van de bacheloropleiding is de student in staat om een (eenvoudig) wetenschappelijk probleem te vertalen in een experimenteel onderzoeksplan en dat uit te voeren, waarbij hij gebruik kan maken van een verscheidenheid aan basale onderzoekstechnieken. Aan het einde van de masteropleiding is de student in staat relevante en geschikte onderzoeksvragen te formuleren, deze te vertalen in een passend onderzoeksontwerp en vervolgens het onderzoek op eigen kracht en met de vereiste zorgvuldigheid uit te voeren. De commissie bevestigt dat de Dublin-descriptoren duidelijk ten grondslag hebben gelegen aan de eindtermen en stelt hiermee vast dat de eindtermen van de opleidingen aansluiten bij algemene en internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een academische bachelor- en masteropleiding. Zij komt dus voor beide opleidingen tot het oordeel voldoende voor het facet dat betrekking heeft op het niveau van de eindtermen. QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 23
Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F3: Oriëntatie WO: De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de volgende beschrijvingen van een Bachelor en een Master: De eindkwalificaties zijn ontleend aan eisen vanuit de wetenschappelijke discipline, de internationale wetenschapsbeoefening en voor daarvoor in aanmerking komende opleidingen de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld. Een WO-bachelor heeft de kwalificaties voor toegang tot tenminste één verdere WO-studie op masterniveau en eventueel voor het betreden van de arbeidsmarkt. Een WO-master heeft de kwalificaties om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten of multi- en interdisciplinaire vraagstukken op te lossen in een beroepspraktijk waarvoor een WO-opleiding vereist is of dienstig is. Beschrijving Zowel in de eindtermen van de bacheloropleiding Biologie als in die van de masteropleiding Biologische wetenschappen is aandacht voor de verwerving en verdieping van algemene wetenschappelijke vaardigheden. De bacheloropleiding Biologie kent zeven algemeen academische eindtermen. Deze eindtermen hebben betrekking op zelfreflectie, het zich eigen maken van nieuwe kennis, het opzetten en uitvoeren van een eenvoudig wetenschappelijk onderzoek en het hanteren van een scala aan basale onderzoekstechnieken. Daarnaast komt de verwerving van mondelinge en schriftelijke communicatieve vaardigheden in de eindtermen aan de orde, evenals oordeelsvorming over ethische kwesties. De opleiding geeft rechtstreeks toegang tot de masteropleidingen Biologische wetenschappen en Science Education and Communication aan de Universiteit Utrecht. Daarnaast hebben afgestudeerde bachelorstudenten Biologie toegang tot een aantal researchmasterprogramma s wanneer zij hun keuzevakken in het bachelorprogramma in de richting van de researchmaster kiezen. Het betreft de volgende programma s aan de Universiteit Utrecht: Biogeology, Biomedical Image Science, Biology of Disease, Cancer Genomics and Developmental Biology, Drug Innovation, Energy Science, Epidemiology, History and Philosophy of Science, Immunity and Infection, Science and Business Management, Sustainable Development. Verreweg de meeste afgestudeerde bachelorstudenten kiezen ervoor om een masteropleiding te volgen. In de zelfstudie wordt beschreven dat de kansen op de arbeidsmarkt voor bachelorstudenten beperkt zijn. De eindkwalificaties van de masteropleiding Biologische wetenschappen zijn volgens de zelfstudie ontleend aan de wetenschapsbeoefening op het gebied van de biologische wetenschappen. Zoals onder F1 en F2 staat beschreven, komt in de eindtermen van de masteropleiding een scala aan algemene vaardigheden aan bod, met betrekking tot onder andere reflectie, communicatie en oordeelsvorming. De eindtermen zijn er expliciet op gericht om afgestudeerden in staat te stellen na het afstuderen als promovendus of onderzoeker werkzaam te zijn of een beroep uit te oefenen waarvoor een wetenschappelijke opleiding nodig is. Oordeel De commissie heeft de eindtermen van de bachelor- en de masteropleiding bestudeerd vanuit het perspectief van de oriëntatie. Zij heeft onder F1 al vastgesteld dat de eindtermen 24 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
voldoende aansluiten bij de eisen van de discipline (c.q. de vakgenoten in binnen- en buitenland) en de beroepspraktijk. Zij heeft verder geconstateerd dat de eindtermen ook voldoen aan de eisen vanuit de internationale wetenschapsbeoefening. Dit blijkt uit de ruime aandacht in de eindtermen van beide opleidingen voor de verwerving van algemene wetenschappelijke vaardigheden, zoals communicatievaardigheden, methoden en technieken, zelfreflectie en ethiek. De commissie heeft geconstateerd dat de eindtermen en het daarop gebaseerde studieprogramma van de bacheloropleiding het mogelijk maken dat studenten doorstromen naar diverse vervolgopleidingen op masterniveau. Hoewel theoretisch de mogelijkheid bestaat om na afronding van de bacheloropleiding de arbeidsmarkt te betreden, wordt hier door de studenten in de praktijk weinig gebruik van gemaakt. Uit de gesprekken met studenten die zijn doorgestroomd naar de masteropleiding Biologische wetenschappen bleek dat hun eindkwalificaties bij het verlaten van de bacheloropleiding goed aansloten op de instroomeisen van deze masteropleiding. Na afronding van de masteropleiding zijn studenten, blijkens de eindtermen, in staat een promotieplaats te verkrijgen, dan wel een andere academische functie. In de gesprekken met alumni van de masteropleiding werd bevestigd dat hun eindkwalificaties goed aansloten op een promotietraject of de arbeidsmarkt. De commissie concludeert dan ook dat beide opleidingen voldoen aan de criteria die betrekking hebben op de oriëntatie van de eindtermen. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. Oordeel over het onderwerp Doelstellingen opleiding Op basis van de beoordelingen per facet komt de commissie tot een samenvattend oordeel over het onderwerp Doelstellingen opleiding. Voor de bacheloropleiding Biologie is het oordeel voldoende. Voor de masteropleiding Biologische wetenschappen is het oordeel voldoende. 1.1.2. Programma Beschrijving van de programma s De cursussen uit het programma van de bacheloropleiding Biologie zijn verdeeld in drie niveaus: 1 voor inleidende cursussen, 2 voor verdiepende cursussen en 3 voor gevorderde cursussen. De meeste cursussen tellen 7,5 EC, maar het programma kent enkele dubbele cursussen van 15 EC. Het bachelorprogramma is verdeeld in een major van 135 EC (achttien cursussen) en een profileringsruimte van 45 EC (zes cursussen). In het eerste jaar volgen studenten een vast programma van acht cursussen. Daarin komt de biologie integraal aan bod. De studenten volgen de volgende cursussen: Introductie in de biologie, Moleculaire biologie (met Bio-organische scheikunde), Biodiversiteit, Plantenbiologie (met Biologie en onderzoek: de experimenteerweken), Biologie van dieren (met Bio-ethiek), QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 25
Bioinformatica (met Wiskunde en theoretische biologie), Ecologie (met Biologie en maatschappij), Evolutiebiologie (met Geschiedenis en wijsbegeerte van de biologie, Bio-ethiek). De major van het bachelorprogramma omvat, naast de acht verplichte eerstejaarscursussen, nog tien andere cursussen (met een totale omvang van 75 EC). Hiervan zijn de cursus Toegepaste Biostatistiek 1 en de Afstudeeropdracht (scriptie) verplicht. De overige cursussen kiest de student uit de lijst die is opgenomen in de Onderwijs- en Examenregeling. De studenten konden in het collegejaar 2008-2009 kiezen uit 23 cursussen op niveau 2 en 30 cursussen op niveau 3. In het eerste semester van hun tweede studiejaar volgen de studenten cursussen op niveau 2, waaronder de verplichte cursus Toegepaste Biostatistiek 1. Daarna kiezen de studenten cursussen uit het totaalaanbod van cursussen op niveaus 2 en 3 van de major Biologie. Als ingangseis voor de cursussen op niveau 3 geldt dat de studenten tenminste twee cursussen op niveau 2 moeten hebben afgerond. Elke student is verplicht tenminste 15 EC aan cursussen op niveau 2 en 30 EC op niveau 3 te volgen. In het laatste deel van de opleiding schrijft de student een scriptie (in de cursus Afstudeeropdracht). Het programma van de masteropleiding Biologische wetenschappen bestaat uit de volgende onderdelen: Minor onderzoeksproject (inclusief presentatie en verslag) (33 EC); Theoretische cursussen (15 EC); Electives (12 EC); Major onderzoeksproject (inclusief presentatie en verslag) (51 EC); Scriptie (7,5 EC); Life Science seminars (10 x 1,5 EC). Deze onderdelen zijn verspreid over de twee jaar van de masteropleiding. De volgorde van de onderdelen ligt niet strikt vast en is grotendeels te bepalen door de student zelf. F4: Eisen WO Het programma sluit aan bij de volgende criteria voor het programma van een HBO- of een WO-opleiding: Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines. Het programma sluit aan bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën. Het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek. Bij daarvoor in aanmerking komende opleidingen heeft het programma aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen. Beschrijving In de zelfstudie van de bacheloropleiding Biologie is een beschrijving opgenomen van de onderdelen van de leerlijn voor (academische) vaardigheden. Deze leerlijn bevat de volgende elementen: kennismanagement, computervaardigheden, methodologie, specifiek biologische vaardigheden, communicatieve vaardigheden, laboratoriumvaardigheden, metacognitieve vaardigheden en management- en samenwerkingsvaardigheden. Vanaf het begin van het eerste bachelorjaar wordt tijdens de colleges aandacht besteed aan de verwerving van deze vaardigheden. In de zelfstudie wordt beschreven dat de waarborg van de verwerving van de academische vaardigheden in de afgelopen jaren niet altijd goed werkte. 26 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
Daarom komen nu dezelfde algemene academische vaardigheden aan bod in parallelle cursussen. De commissie heeft tijdens het bezoek met de studenten van gedachten gewisseld over de leerlijn voor de (academische) vaardigheden. Hieruit bleek dat studenten het omvangrijke systeem van academische vaardigheden als nuttig ervaren. Tijdens hun studie worden de bachelorstudenten regelmatig in aanraking gebracht met wetenschappelijk onderzoek. De opleiding probeert studenten tijdens de studie kennis te laten maken met het onderzoek van een docent of onderzoeksgroep in het departement Biologie. Bijvoorbeeld, in het eerste jaar, tijdens de experimenteerweken van de cursus Plantenbiologie, werken de studenten in groepjes of individueel aan onderzoeksprojecten. Bij de verwerving van de academische vaardigheden hanteert de opleiding een oplopende lijn. In de cursussen op niveaus 2 en 3 wordt de student op verdiepend en op gevorderd niveau in aanraking gebracht met de onderzoekscyclus. In deze cursussen krijgt de student in toenemende mate de gelegenheid om zelf te participeren in onderzoeksprojecten. De vaardigheden komen op verschillende plekken in het curriculum terug. De competentiecategorie methodologie komt in alle niveaus van de opleiding aan de orde en omvat onder meer het volgende: rubriceren, classificeren en eenvoudige wiskundige berekeningen in niveau 1, analyseren van primaire data en eenvoudige statistiek in niveaus 1 en 2, foutenanalyse en toegepaste statistiek in niveaus 2 en 3 en tenslotte het opzetten van een nieuw wetenschappelijk experiment, het schrijven van een eenvoudige projectaanvraag en het ontwikkelen van eenvoudige nieuwe methodes in niveau 3. Het oplopende niveau van deze vaardigheden tijdens de bacheloropleiding is beschreven in de Blauwdruk bacheloropleiding Biologie. De meeste docenten van de masteropleiding Biologische wetenschappen zijn ook werkzaam als onderzoeker en kunnen daarom in hun onderwijs actuele onderwerpen uit de discipline aan de orde brengen. De onderwerpen voor de cursussen worden ten dele bepaald door de onderzoeksfocus van de betrokken onderzoeksgroepen en de bijbehorende onderzoeksinstituten. Het zelf doen van onderzoek door de studenten neemt een belangrijke plaats in de masteropleiding in. Tijdens de twee stages die zij volgen, komen studenten direct in contact met actueel wetenschappelijk onderzoek. Voor de Life Science seminars zijn studenten verplicht tien seminars te volgen. De studenten kunnen hiervoor kiezen uit een reeks van seminars die wordt aangeboden binnen de Graduate School of Life Sciences. De studenten worden geacht een korte samenvatting te schrijven over de gevolgde seminars. Tijdens deze seminars komen studenten in aanraking met recente ontwikkelingen in de verschillende disciplines binnen de Graduate School of Life Sciences. Tijdens de masteropleiding volgen de studenten twee stages. Het stagevoorstel wordt door de Examencommissie inhoudelijk beoordeeld. Studenten vertelden tijdens het bezoek dat hun eigen stage-idee zo veel mogelijk behouden blijft. Soms moet het stagevoorstel echter aangepast worden, zodat het stageonderzoek past bij lopend onderzoek in een van de onderzoeksgroepen. Tijdens het bezoek vertelden de studenten die al stage gelopen hadden, dat zij zich goed begeleid voelden tijdens de stage. De voorbereiding op de stage vindt voornamelijk op individuele basis plaats. Er zijn voor de studenten geen cursussen op dit gebied. Studenten vertelden dat het soms voorkomt dat zij co-auteur kunnen worden van een wetenschappelijk artikel waarin de resultaten van hun stage gepubliceerd worden. Studenten hebben ook de mogelijkheid om de tweede stage te volgen in het buitenland. Tijdens het bezoek werd het de commissie duidelijk dat studenten over het algemeen graag QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 27
voor een stage naar het buitenland willen. Er bestaan mogelijkheden om beurzen aan te vragen voor een buitenlandse stage, maar de studenten waren verdeeld over de kans om een beurs te verwerven. Als een student stage in het buitenland gaat lopen, blijft altijd een docent van de Universiteit Utrecht verantwoordelijk voor de inhoud van de stage. Deze begeleider keurt het stageplan goed, onderhoudt tijdens de stage contact met de student en de lokale begeleider en beoordeelt tenslotte het stageverslag. Studenten krijgen alleen toestemming voor een buitenlandse stage als de begeleiding ter plaatse gewaarborgd is. Na afloop van de stage worden studenten geacht voor de hele onderzoeksgroep een presentatie over hun onderzoek te geven. Bij deze presentaties zijn ook vaak studenten en docenten van buiten de onderzoeksgroep aanwezig. Zeer recentelijk is de Examencommissie begonnen met het steekproefsgewijs lezen van stageverslagen. Oordeel De commissie heeft de programma s van de bacheloropleiding en de masteropleiding bestudeerd vanuit het perspectief van de eisen die aan een wetenschappelijke opleiding mogen worden gesteld. Zij heeft vastgesteld dat beide opleidingen aansluiten bij recente ontwikkelingen in de discipline en dat er in beide gevallen in voldoende mate sprake is van interactie tussen onderzoek en onderwijs. De commissie heeft tijdens haar bezoek de in de opleidingen gebruikte studieboeken en readers bestudeerd en geconstateerd dat het materiaal adequaat en up-to-date is. De gebruikte boeken zijn over het algemeen standaardwerken, zoals bijvoorbeeld het boek Biology van Campbell en Reece, aan de hand waarvan het eerste jaar van de bacheloropleiding is vormgegeven. De commissie heeft geconstateerd dat er in het studieprogramma van de bacheloropleiding Biologie ruime aandacht is voor het verwerven van onderzoeksvaardigheden en andere algemene academische vaardigheden. De commissie is te spreken over de leerlijn academische vaardigheden, die keurig is vormgegeven en goed wordt uitgevoerd. De commissie heeft zich op grond van de zelfstudies en tijdens het visitatiebezoek een beeld gevormd van de wijze waarop interactie tussen onderwijs en (actueel) wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt. Zij heeft geconstateerd dat zowel in de bachelor- als in de masteropleiding deze interactie in voldoende mate plaatsvindt. Hoewel dit bij een bacheloropleiding vaak maar in beperkte mate mogelijk is, betrekt de staf actueel wetenschappelijk onderzoek bij het onderwijs. Bij practica en ministages komen de studenten, bijvoorbeeld, direct met onderzoek in aanraking. De commissie heeft met instemming kennisgenomen van de recente instelling van ministages in cursussen van niveau 3. Zij acht de ministage onontbeerlijk voor een bacheloropleiding Biologie en vindt dat deze mogelijkheid tot voor kort onvoldoende werd benut. De masteropleiding staat voor het grootste deel in het teken van wetenschappelijk onderzoek. Studenten volgen twee stages: de eerste stage bij een van de onderzoeksgroepen aan de faculteit Bètawetenschappen, de andere stage is vrij en kan eventueel elders of in het buitenland afgelegd worden. Via deze weg maken studenten direct kennis met onderzoek. De commissie staat op zich positief tegenover Graduate School-brede seminars die studenten in de masteropleiding volgen, maar zij zou het beter vinden wanneer studenten ook een overkoepelend onderdeel aan het begin van het programma en gespecialiseerde masterclasses of seminars zouden krijgen over verschillende onderdelen van de biologie om de eenheid van de biologie ook voor masterstudenten te benadrukken. 28 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
De commissie stelt vast dat de studieprogramma s de ontwikkeling van bovengenoemde vaardigheden op respectievelijk bachelorniveau en masterniveau waarborgen en komt tot het oordeel voldoende voor beide opleidingen. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F5: Relatie tussen doelstellingen en inhoud programma Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties, qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen. De eindkwalificaties zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken. Beschrijving De reorganisatie heeft volgens de zelfevaluatie geleid tot het verdwijnen van bepaalde cursussen en studieonderdelen. Ook zijn verschillende cursussen samengevoegd tot nieuwe cursussen. Tijdens het bezoek vertelden de studenten dat zij het op zich niet erg vinden dat een aantal cursussen is samengevoegd, omdat er vroeger tot op zekere hoogte overlap tussen cursussen bestond. De studenten die de cursus Bio-ethiek gevolgd hebben, vonden het een erg nuttig vak en betreurden het dat dit vak niet meer als onafhankelijk vak bestaat. Het oude vak Bio-ethiek werd verzorgd door docenten van Wijsbegeerte. Nu zijn delen van de cursus ondergebracht in andere cursussen. De studenten van de masteropleiding vonden het jammer dat de field excursions als gevolg van de bezuinigingen zijn vervallen. In de studiegids van de bacheloropleiding Biologie staat voor elke cursus uitgebreid beschreven welke leerdoelen en vaardigheden aan de orde komen. Uit deze beschrijving blijkt dat de studenten in elke cursus verschillende leerdoelen en vaardigheden verwerven. De leerlijn voor de (academische) vaardigheden heeft een oplopende moeilijkheidsgraad, die overeenkomt met de opbouw in niveau van het cursusprogramma. De opleiding heeft gewaarborgd dat alle eindtermen op het gebied van de algemene academische vaardigheden door elke student verworden kunnen worden, door gelijke vaardigheden in parallelle cursussen te plaatsen. De opbouw van het programma is gewaarborgd door de indeling van de cursussen in drie niveaus. De drie niveaus onderscheiden zich van elkaar in kennis, diepgang en competentieniveau. De cursussen van het eerste, inleidende niveau sluiten aan op het vwo, die van het tweede niveau zijn verdiepend en die van het derde niveau zijn gevorderd en bereiden voor op doorstroming in een masteropleiding. In een bijlage bij de zelfstudie staat vermeld welke leerdoelen bij de verschillende onderdelen van het programma van de masteropleiding Biologische wetenschappen aan bod komen. Hieruit blijkt dat studenten die alle onderdelen van het masterprogramma gevolgd hebben, alle eindtermen van de opleiding verworven kunnen hebben. Vooral in de twee onderzoeksprojecten, de onderdelen Major Research Project en Minor Research Project, komen de eindtermen met betrekking tot (het toepassen van) kennis en inzicht, oordeelsvorming, communicatie en leervaardigheden aan bod. Oordeel De commissie heeft de studiegids van beide opleidingen bestudeerd en vastgesteld dat alle eindtermen van de bacheloropleiding en de masteropleiding in een of meerdere onderdelen van het programma aan de orde komen. Zij is van oordeel dat beide opleidingen de student in QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 29
staat stellen om de eindkwalificaties te verwerven, omdat alle eindkwalificaties in voldoende mate en op het gewenste niveau aan de orde komen in het programma. De commissie vindt dat de eindtermen die betrekking hebben op algemene en academische vaardigheden op een keurige manier systematisch in het programma van de bacheloropleiding verweven zijn. De commissie heeft geconstateerd dat er bij groepswerk, zowel tijdens de bacheloropleiding als tijdens de masteropleiding, door de docenten voldoende zicht gehouden wordt op de bijdragen van individuele studenten. Hierdoor kan voor alle studenten bijgehouden worden in hoeverre zij de eindtermen van de opleiding verwerven. De studieadviespaden binnen het programma van de bacheloropleiding (zie hieronder, onder F6) verzekeren naar het idee van de commissie dat voor de studenten alle vakinhoudelijke eindtermen in het programma aan de orde komen. In de masteropleiding ligt de nadruk op het zelfstandig verrichten van wetenschappelijk onderzoek. Alle eindtermen die hierop betrekking hebben komen aan bod tijdens de stages, omdat de studenten dan immers met alle facetten van wetenschappelijk onderzoek in aanraking komen. De commissie heeft geconstateerd dat de bacheloropleiding goed gestructureerd is. De Graduate School of Life Sciences is echter, zo heeft de commissie ervaren, nog zoekende naar de beste structuur voor een masteropleiding. De commissie adviseert de Graduate School of Life Sciences om spoedig te zorgen voor heldere en toetsbare leerdoelen voor de programmaonderdelen en voor coherent theoretisch onderwijs in de masteropleiding. Het honoursprogramma van de bacheloropleiding, dat onder andere bestaat uit boeken die elke bioloog gelezen moet hebben, zou naar de mening van de commissie ook bijzonder goed in te passen zijn in de theorieruimte van de masteropleiding. De commissie komt op grond van bovenstaande overwegingen voor dit facet tot het oordeel goed voor de bacheloropleiding en voldoende voor de masteropleiding. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is goed. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F6: Samenhang programma Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend studieprogramma. Beschrijving In het eerste studiejaar van de bacheloropleiding Biologie volgen de studenten een samenhangend programma van acht verplichte cursussen die zijn vormgegeven rond het boek Biology (Campbell & Reece). In de zelfstudie staat beschreven dat de opleiding er bewust voor heeft gekozen in het eerste jaar de cursussen in te delen van laag naar hoog integratieniveau: het eerstejaarsprogramma begint daarom met Moleculaire Biologie en eindigt met Ecologie en Maatschappij en Evolutiebiologie. Het tweede en derde jaar van de bacheloropleiding bestaat voornamelijk uit keuzevakken. De enige verplichte programmaonderdelen zijn Toegepaste Biostatistiek 1 en de Afstudeeropdracht (scriptie). De overige cursussen van de major kiest de student uit de lijst die is opgenomen in de Onderwijs- en Examenregeling. De rest van het bachelorprogramma bestaat uit een profileringsruimte van 45 EC, waarvoor de student geheel vrij is in zijn keuze. Hij kan in het kader van de profileringsruimte ook cursussen aan andere faculteiten van de Universiteit Utrecht volgen. 30 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
Aan het niveau is de eis gesteld dat de student tenminste 15 EC aan cursussen op niveau 2 en 30 EC op niveau 3 moet volgen. De samenhang tussen de cursussen wordt bewaakt door de studieadviespaden die in het programma zijn aangebracht. Een studieadviespad bestaat uit een aantal samenhangende cursussen en geeft aansluiting op één of meer programma s van de masteropleiding Biologische wetenschappen of een andere verwante masteropleiding aan de Universiteit Utrecht. In het collegejaar 2008-2009 bestonden de volgende studieadviespaden: Biologie en Biocomplexiteit, Environmental Biology, Biomoleculaire Wetenschappen, Neurobiologie en Gedrag, en Communicatie en Educatie. In de zelfstudie van de bacheloropleiding staat beschreven dat ongeveer de helft van de studenten zijn cursuspakket in de major kiest op basis van een studieadviespad. Met het oplopende niveau van de cursussen, van niveau 1 voor de cursussen in het eerste jaar tot niveau 3 voor de gevorderde cursussen, loopt ook het niveau van de academische vaardigheden op. Tijdens het bezoek werd verteld dat de studieadviespaden ook bijdragen aan de bewaking van de verwerving van academische vaardigheden, omdat hiermee gewaarborgd kan worden dat alle vaardigheden in elk van de studieadviespaden aan de orde komen. Aan het begin van de masteropleiding Biologische wetenschappen vult de student samen met de programmacoördinator een planningsformulier in. De volgorde waarin masterstudenten de onderdelen van het masterprogramma volgen, ligt niet strikt vast, maar studenten moeten wel een planning maken en die ook bijhouden. De twee onderzoeksprojecten, waaronder ook de stages vallen, vormen het belangrijkste deel van het programma. Studenten die een andere invulling aan het programma willen geven, kunnen dit aanvragen bij de Examencommissie. De Examencommissie heeft de beoordeling van deze aanvragen gedelegeerd aan de programmacoördinatoren. Deze beoordelen de aanvragen in het licht van de samenhang van het programma en de eindtermen van de opleiding. Oordeel Het is de commissie duidelijk dat er door de bacheloropleiding Biologie zeer goed is nagedacht over het aanbrengen van samenhang in het programma. Door de indeling van de cursussen in drie niveaus is de opbouw en samenhang van het programma inzichtelijk. Hoewel de studenten een grote mate van keuzevrijheid in het tweede en derde jaar van de bacheloropleiding hebben, zijn er eisen die het niveau van de cursussen bepalen. Zo kan gegarandeerd worden dat studenten niet afwijken naar cursussen van te laag niveau. De inhoudelijke opbouw van het programma wordt tevens gegarandeerd door de studieadviespaden die in de bacheloropleiding zijn aangebracht. De commissie is daarnaast te spreken over de manier waarop samenhang in het systeem van academische vaardigheden is aangebracht. Er zijn in de opleiding afspraken gemaakt aan welke vaardigheden in welke colleges aandacht besteed wordt. De commissie is van mening dat hier op een goede manier conceptueel wordt geprogrammeerd. Zoals hierboven staat beschreven heeft de Examencommissie van de Graduate School of Life Sciences de bewaking van de samenhang in de masteropleiding Biologische wetenschappen gedelegeerd aan de programmacoördinatoren. De commissie ziet hier een probleem omdat op deze manier geen formele controle bestaat op het werk van de programmacoördinator. De commissie heeft overigens geen aanwijzingen dat er wat dit betreft problemen zijn geweest. Waar de commissie de bacheloropleiding Biologie academisch zeer goed gestructureerd vindt, heeft zij gezien dat de Graduate School of Life Sciences nog zoekende is naar de juiste structuur. De commissie moedigt de masteropleiding Biologische wetenschappen aan om in QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 31
het programma een introductiecursus als gezamenlijk inleidend vak op te nemen. Zij heeft het idee dat dit op een belangrijke manier kan bijdragen aan de introductie van de studenten en de coherentie van het programma. De commissie komt op grond van bovenstaande overwegingen tot het oordeel goed voor de bacheloropleiding en voldoende voor de masteropleiding. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is goed. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F7: Studielast Het programma is studeerbaar doordat factoren, die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen. Beschrijving Sinds het collegejaar 2005-2006 hanteert de Universiteit Utrecht een rooster dat bestaat uit vier collegeperiodes van tien weken. Dit roostersysteem is gelijk voor alle bacheloropleidingen aan de universiteit. Het uniforme rooster stelt de studenten in staat om ook cursussen te volgen bij andere opleidingen van de instelling. Per onderwijsperiode volgt de student twee cursussen van 7,5 EC. In de zelfstudie van de bacheloropleiding staat beschreven dat er met betrekking tot de studielast en studeerbaarheid van het programma rekening is gehouden met onder meer de hoeveelheid stof die per cursus wordt behandeld, de samenhang tussen de verschillende cursussen, de gehanteerde werkvormen en hertentamens. Voor de roostering van de cursussen zijn universiteitsbreed vier timeslots per dag ingesteld. De cursussen van de bacheloropleiding Biologie zijn steeds geroosterd in twee gecombineerde timeslots: A/D of B/C. Over indeling van de cursussen in timeslots bleken de studenten tijdens het bezoek over het algemeen goed te spreken. De timeslots werden door de studenten geprezen. Omdat de colleges universiteitsbreed op dezelfde tijden vallen, is het goed mogelijk om cursussen aan andere faculteiten te volgen. Zoals al eerder vermeld, volgen de studenten in het tweede en derde jaar voornamelijk keuzevakken. Op het daarvoor bestemde formulier geven studenten vóór het begin van de nieuwe studieperiode voor elk cluster van timeslots een vak van hun eerste, tweede en derde keus aan. Studenten krijgen ongeveer twee weken voor aanvang van de nieuwe studieperiode te horen welke keus gehonoreerd is. De commissie heeft tijdens het bezoek tegenstrijdige verhalen gehoord over de mate waarin de eerste keus van de studenten gehonoreerd wordt. Volgens de docenten wordt de indeling van de studenten bij de verschillende cursussen nauwkeurig in de gaten gehouden. Er wordt naar gestreefd studenten niet vaker dan eenmaal per collegejaar in te delen bij een vak van de tweede keus, terwijl de indeling bij cursussen van de derde keus zo mogelijk helemaal vermeden wordt. Als een student eenmaal een vak van zijn tweede (of eventueel derde) keus heeft moeten volgen, zal hij volgens vertegenwoordigers van de opleiding daarna steeds bij de cursussen van zijn eerste keus worden ingedeeld. De studenten meenden echter dat het juist vaak voorkomt dat zij niet de cursussen van hun eerste keus kunnen volgen. Zij noemden de mate waarin dit voorkomt zelfs frustrerend. In de studiegids staan voor elk vak de (eventuele) ingangseisen beschreven. Bij de indeling van de studenten bij de verschillende cursussen wordt gekeken of de studenten inderdaad beschikken over de gestelde ingangseisen voor de cursus van hun keuze. 32 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
Door de indeling van de colleges in timeslots zijn meerdaagse practica niet meer mogelijk. Vóór de introductie van de timeslots had de opleiding het idee dat dit erg onpraktisch zou zijn. In de praktijk, zo vertelden vertegenwoordigers van de opleiding tijdens het bezoek, zijn de practica echter goed in de timeslots te passen. Alleen als meerdaagse opstellingen nodig zijn, kan er een probleem ontstaan. Voor derdejaarsvakken, waar de groepen vaak klein zijn en dus maar één practicumruimte nodig is, is het soms mogelijk om een zaal voor meerdere dagen af te huren. Bij de grote eerstejaarsvakken kan dit niet. Oordeel De commissie heeft wisselende verhalen gehoord over het universitaire roostersysteem, waarbij het jaar is ingedeeld in vier periodes van tien weken. Aan de ene kant wordt deze wijze van roostering door de betrokkenen positief gewaardeerd: studenten hebben immers zo de mogelijkheid om eenvoudig cursussen aan andere faculteiten te volgen. Aan de andere kant maakt de roostering het moeilijk voor studenten om cursussen over te doen en wordt meerdaags experimenteel werk belemmerd. De commissie vindt het zelf tot op zekere hoogte een nadeel dat het blokkensysteem het studenten moeilijk maakt om cursussen over te doen, maar de studenten bleken hier zelf geen grote problemen mee te hebben (cf. F11). Struikelvakken is de commissie niet tegengekomen, en de studielast is adequaat verdeeld over het curriculum. De commissie heeft niet goed hoogte kunnen krijgen van de mate waarin studenten ingedeeld worden bij cursussen van hun eerste keus. Zoals hierboven staat beschreven, toonden de studenten zich hierover niet onverdeeld tevreden. Zowel voor de bacheloropleiding als voor de masteropleiding geldt dat studenten over het algemeen langer dan de daarvoor gestelde tijd over de studie doen (cf. F21). De commissie heeft hierover met de studenten gesproken. Studenten bleken hier in veel gevallen zelf voor te kiezen. Het feit dat studenten veelal niet binnen de gestelde tijd afstuderen, wordt niet veroorzaakt door struikelblokken in het programma. De commissie is in het licht van de studieduur te spreken over de harde knip die recentelijk is ingevoerd. Zij acht dit van wezenlijk belang voor de rendementen en voor de studieduur van studenten in de masteropleiding. De commissie beoordeelt het facet dat betrekking heeft op de studeerbaarheid zowel voor de bacheloropleiding als voor de masteropleiding als voldoende. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F8: Instroom Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten: WO-bachelor: VWO, HBO-propedeuse of daarmee vergelijkbare kwalificaties, blijkend uit toelatingsonderzoek. WO-master: bachelor en eventueel (inhoudelijke) selectie. Beschrijving Studenten hebben direct toegang tot de bacheloropleiding Biologie met een vwo-diploma met het profiel Natuur en Gezondheid of Natuur en Techniek, aangevuld met Biologie 1. Met andere profielen hebben studenten toegang als zij de vakken Biologie 1 en 2, Wiskunde 1, Natuurkunde 1 en Scheikunde in hun pakket hebben gehad. Buitenlandse studenten hebben toegang tot de opleiding met een NT2-diploma en een bewijs van beheersing van het Engels op een niveau dat vergelijkbaar is met het Nederlandse vwo-niveau. Het colloquium doctum QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 33
heeft betrekking op de vakken Biologie 1 en 2, Scheikunde 1, Natuurkunde 1 en Wiskunde 1 op vwo-niveau. Als aankomende studenten op deze vakken deficiënties hebben, kunnen zij de deficiënties oplossen door toetsen in de desbetreffende vakken af te leggen bij het James Boswell Instituut van de Universiteit Utrecht. Verreweg de meeste instromende studenten hebben een Nederlands vwo-diploma met het profiel Natuur en Gezondheid. De instroom van studenten met een hbo-propedeuse is zeer beperkt. In de zelfstudie wordt beschreven dat dit slechts 1% van de instroom bedraagt. Dat komt overeen met ongeveer twee studenten per jaar. Tot een aantal jaren geleden was de instroom in de bacheloropleiding steeds ongeveer 200 studenten per jaar. Sinds de bacheloropleiding Biomedische wetenschappen aan de Universiteit Utrecht in 2005 een numerus fixus heeft ingesteld, ligt de instroom in de bacheloropleiding iets hoger. Het betreft hier dus studenten die zich voor de opleiding Biologie inschrijven als tweede keus, nadat zij zijn uitgeloot bij Biomedische wetenschappen. In de zelfstudie wordt beschreven dat een groot deel van deze tweede keus -studenten de studie Biologie echter na het eerste jaar toch voortzet. In de zelfstudie wordt beschreven dat veel van de instromende vwo-studenten moeite hebben om hun studeerhouding aan te passen aan die van een wetenschappelijke opleiding. Vooral het zelfstandig bestuderen van grotere hoeveelheden stof gaat hen, blijkens de zelfstudie, niet altijd eenvoudig af. De cursus Introductie in de biologie aan het begin van het eerste jaar is onder meer bedoeld om een brug te slaan tussen het vwo en de wetenschappelijke opleiding. Tijdens het bezoek heeft de commissie niet gehoord dat er verder problemen met betrekking tot de aansluiting van de instroom bestaan. De formele toelatingseisen voor de masteropleiding Biologische wetenschappen bestaan uit een universitair bachelordiploma Biologie (of een diploma dat daarmee vergelijkbaar is), voldoende inhoudelijke aansluiting bij het thema van het gekozen masterprogramma, voldoende beheersing van de Engelse taal en een goede motivatie. De masteropleiding heeft een toelatingsprocedure ingesteld waarbij elke aangemelde student individueel door een toelatingscommissie wordt beoordeeld op het niveau van de vooropleiding, de taalvaardigheid en persoonlijke kwaliteiten. De programmacoördinator is de praktijk degene die advies geeft over de inhoudelijke aansluiting van de kandidaat en de individuele kwaliteiten. Studenten van de bacheloropleiding Biologie kunnen drempelloos in de masteropleiding instromen. Ongeveer driekwart van de studenten die in de master instroomt, heeft de bacheloropleiding Biologie afgerond. Het aantal buitenlandse studenten in de masteropleiding Biologische wetenschappen is nog beperkt. Studenten met een hbo-diploma moeten een premastertraject van 30 EC aan bachelorvakken volgen voor zij in de masteropleiding kunnen instromen. Het premastertraject is bedoeld om hen voldoende academische vaardigheden aan te leren en eventuele kennisdeficiënties weg te werken. Het aantal ingeschreven studenten in de masteropleiding in 2008 was 65 studenten voor het programma Environmental Biology en 6 voor het programma Biology and Biocomplexity. Er stonden daarnaast nog 6 studenten ingeschreven onder het oude programma Theoretical Biology and Bioinformatics. Zoals blijkt uit bovenstaande cijfers, is het masterprogramma Biology and Biocomplexity niet erg populair. In 2007 is bijvoorbeeld de hele lichting studenten gestopt. Tijdens het bezoek suggereerden de studenten dat de beperkte populariteit 34 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
van het programma Biology and Biocomplexity mede veroorzaakt wordt door de naam: het gebruik van de term complexity in de titel van het programma zou een afstotende werking op potentiële studenten hebben. Oordeel De commissie heeft vastgesteld dat de kwalificaties waarover studenten die instromen in de bacheloropleiding Biologie moeten beschikken, formeel zijn vastgelegd en in overeenstemming zijn met de relevante wettelijke eisen. Zij heeft geen informatie ontvangen die erop wijst dat de studenten niet over de kwalificaties beschikken die nodig zijn om het programma te volgen. Studenten hebben toegang tot de masteropleiding Biologische wetenschappen als zij in het bezit zijn van een universitair bachelordiploma Biologie (of een diploma dat daarmee vergelijkbaar is). De commissie vindt het goed dat er voor instromende studenten die afkomstig zijn van het hbo een premasterprogramma ingesteld is. De instroomeisen van de bachelor- en de masteropleiding komen overeen met die van vergelijkbare opleidingen. De commissie heeft tijdens het bezoek noch voor de bacheloropleiding noch voor de masteropleiding gehoord over problemen met betrekking tot de instroom. De commissie ondersteunt het idee dat de gebrekkige populariteit van het masterprogramma Biology and Biocomplexity voor een deel te wijten kan zijn aan de naam van het programma. Zij vindt ook de naam van het populaire programma Environmental biology, waaronder in Utrecht Plant Biology, Natural resource management en Gedragsbiologie vallen, niet erg gelukkig gekozen, omdat men in het buitenland onder environmental biology milieubiologie verstaat. De commissie concludeert dat zowel de bacheloropleiding als de masteropleiding voldoen aan het criterium dat betrekking heeft op de instroom. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F9: Duur De opleiding voldoet aan formele eisen m.b.t. de omvang van het curriculum: WO-bachelor: in de regel 180 studiepunten. WO-master: minimaal 60 studiepunten, afhankelijk van de opleiding. Beschrijving Het programma van de bacheloropleiding Biologie omvat 180 EC. Het programma van de masteropleiding Biologische wetenschappen omvat 120 EC. Oordeel De bacheloropleiding Biologie voldoet aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. De masteropleiding Biologische wetenschappen voldoet aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 35
F10: Afstemming tussen vormgeving en inhoud Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen. De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept. Beschrijving De gebruikte onderwijsvormen in de bacheloropleiding Biologie zijn: hoorcolleges, werkcolleges, practica, computerondersteund onderwijs (COO) en ministages. In de zelfstudie wordt beschreven dat de te bereiken eindtermen en competenties in de opvolgende cursusniveaus toenemen in complexiteit. De daarbij behorende werkvormen sluiten daarop aan. De colleges worden interactiever naarmate studenten verder in het curriculum komen. Voor het eerste jaar volgt de opleiding het didactisch concept van het boek Biology (cf. F4). Dit houdt in dat de voor biologie belangrijke steunvakken scheikunde en wiskunde niet meer worden aangeboden als zelfstandige onderdelen, maar zijn geïntegreerd in de verschillende biologische cursussen. Tijdens het bezoek werd het de commissie duidelijk dat de studenten de integratie van scheikunde en wiskunde in biologische vakken erg waarderen. De vakken worden hiermee volgens hen beter benaderbaar en de toepassing in de biologie is duidelijker. In het kader van de reorganisatie heeft de bacheloropleiding Biologie besloten om niveau 2 practicumluw te maken. Deze maatregel was nodig omdat hetzelfde onderwijs nu door minder stafleden verzorgd moet worden. Van alle cursussen van niveau 2 is vastgesteld of het practicum absoluut noodzakelijk is. Volgens vertegenwoordigers van de opleiding is uit dit onderzoek gebleken dat de practica bij een aantal cursussen minder nodig waren, omdat andere werkvormen eveneens voldeden om de leerdoelen van het vak te halen. Eén van de cursussen is van niveau 2 naar niveau 3 opgewaardeerd, omdat het practicum in dit vak onmisbaar bleek. De studenten vertelden tijdens het bezoek dat zij het jammer vinden dat de opleiding deze (nood)maatregel heeft moeten nemen. Hoewel zij begrijpen dat deze maatregel nodig was, missen zij toch de practica in de cursussen van niveau 2. De opleiding heeft, mede ter compensatie van het practicumluwe niveau 2, in de cursussen van niveau 3 de ministage geïntroduceerd. Ministages duren één collegeperiode (dat wil zeggen tien weken half tijd). In deze tijd moeten studenten met een klein groepje van drie of vier studenten een onderzoek opzetten, uitvoeren, verwerken en verslaan. De ministage wordt door de studenten gewaardeerd, evenals het feit dat er in de cursussen van niveau 3 wel practica zijn. Het didactisch concept dat ten grondslag ligt aan de masteropleiding Biologische wetenschappen is onderzoeksgericht onderwijs. Studenten moeten in de masteropleiding, volgens de brochure Onderzoeksgericht onderwijs, optimaal kunnen profiteren van de aanwezigheid van hooggekwalificeerde onderzoekers in hun directe nabijheid. In het programma van de masteropleiding neemt leren onderzoeken door onderzoek te doen een belangrijke plaats in. Dit wordt in de praktijk gebracht doordat studenten een groot deel van de master besteden aan het lopen van stage bij één van de betrokken onderzoeksgroepen. Omdat de groepen klein zijn en de studenten individueel stage lopen, wordt in de opleiding veel maatwerk geleverd. Individuele begeleiding is goed mogelijk, doordat de groepen klein zijn. De zelfstudie beschrijft dat op basis van de verwachtingen en de leerbehoeften van de individuele student accenten worden gelegd op die onderdelen van de onderzoekscyclus waar de student nog lacunes vertoont of zich specifiek wil ontwikkelen. Oordeel De commissie heeft vastgesteld dat er voor de bacheloropleiding als geheel geen specifiek didactisch concept is omschreven, maar dat er een gestructureerde variëteit aan didactische 36 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
werkvormen wordt gehanteerd. Zij is van mening dat de gekozen werkvormen over het algemeen logisch aansluiten op de inhoud en doelstellingen van de vakken. De commissie betreurt de noodmaatregel die de opleiding heeft doorgevoerd door niveau 2 practicumluw te maken, maar begrijpt de achterliggende noodzaak. Experimenteel onderwijs zit in het hart van een opleiding Biologie, en elke reductie heeft directe gevolgen voor de onderwijskwaliteit. De commissie vindt het dan ook positief dat de opleiding in het derde jaar de ministage heeft geïntroduceerd, waarin grotere experimentele of experimenteeltheoretische opdrachten worden uitgevoerd. Evenals de opleiding vindt de commissie het belangrijk dat er kleinschalig onderwijs wordt gegeven. Op dit moment is dat in de bacheloropleiding zeker het geval, al zijn door de reorganisatie de groepen over het algemeen groter geworden. De commissie betreurt dit. Met de huidige studentenaantallen zijn de groepen nog net hanteerbaar, maar als er in de toekomst meer studenten voor de opleiding kiezen (waar gelet op demografische gegevens alle kans op is), zal de verwerving van academische vaardigheden in het werkgroeponderwijs, naar de mening van de commissie, onder druk komen te staan. Het didactisch concept dat ten grondslag ligt aan de masteropleiding Biologische wetenschappen is geformuleerd als onderzoeksgericht onderwijs. Dit didactisch concept wordt in de praktijk gebracht door studenten een groot deel van de masteropleiding stages te laten lopen. Hierdoor komen zij direct in aanraking met wetenschappelijk onderzoek. De commissie is van mening dat de masteropleiding Biologische wetenschappen binnen de Graduate School meer en beter gestructureerd zou moeten worden. Onderzoeksgericht onderwijs is meer dan onderzoek leren doen, en betreft ook de ontwikkeling van een onderzoekende houding en van een juiste balans tussen de eenheid van de biologie en de nieuwe perspectieven van multidisciplinariteit. De commissie ziet wel een visie op papier, maar zij is van mening dat vorm en uitvoering grotendeels nog moeten volgen. De commissie concludeert dat beide opleidingen voldoen aan de criteria die betrekking hebben op de didactische vormgeving. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F11: Beoordeling en toetsing Door de beoordelingen, toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd. Beschrijving In de studiegids van de bacheloropleiding Biologie staat voor elk vak de manier van toetsing beschreven. Hieruit blijkt dat bij de meeste cursussen het eindcijfer tot stand komt op basis van verschillende toetsen, die tijdens en aan het einde van het blok worden afgenomen. Presentaties, werkstukken/essays en practicumopdrachten maken bij veel van de colleges deel uit van de toetsing. Zo wordt het eindcijfer van de cursus Neurobiologie bepaald door een schriftelijk tentamen met open vragen, een schriftelijk verslag en een PowerPoint presentatie. De toetsing van praktische vaardigheden neemt toe naar mate de studie vordert. In eerstejaarstoetsen wordt nog veel theorie gevraagd, terwijl studenten in het tweede en derde jaar meer verslagen maken, presentaties houden en ministages volgen. In de zelfstudie staat QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 37
beschreven dat het gebruikelijk is dat meerdere beoordelaars betrokken zijn bij het opstellen van de toetsen en de beoordeling van de studenten. In de studiegids van de bacheloropleiding staat het portfolio beschreven als een (eventueel digitale) map, waarin de student vorderingen op het gebied van de studie en academische vaardigheden bijhoudt. Tijdens de gesprekken bleek dat het niet voor alle studenten duidelijk is of het portfolio nog bestaat. Sommige studenten houden een portfolio bij en anderen niet. De docenten vragen er de studenten over het algemeen niet naar. Bij de beoordeling van practica wordt gekeken naar de mate van participatie van individuele studenten. Bij practica zijn meerdere begeleiders aanwezig, die de studenten bij naam kennen. Zo kan elke student individueel beoordeeld worden. Practica worden beoordeeld op actieve deelname, maar niet met een cijfer. Als de student in onvoldoende mate bij een practicum aanwezig is geweest, krijgt de student geen eindcijfer voor de hele cursus. Tijdens het bezoek werd verteld dat er bij eerstejaarspractica ongeveer twee docenten of andere begeleiders op dertig studenten zijn. Bij practica in het derde jaar is er ongeveer één docent op vier studenten. Practica in het eerste jaar worden begeleid door docenten en student-assistenten, practica in het derde jaar door aio s en postdocs. Het aantal herkansingsmogelijkheden per cursus is, in overeenstemming met de universitaire rechtlijnen, beperkt: per vak zijn twee reguliere tentamengelegenheden. Studenten krijgen dus één herkansing. Studenten mogen alleen deelnemen aan de herkansing als het eindcijfer voor de cursus niet lager is dan een (niet-afgeronde) vier. Als het cijfer lager is dan een vier, moeten studenten de cursus opnieuw volgen. Deze richtlijn geldt voor alle opleidingen aan de UU. Als studenten zakken voor de herkansing, moeten zij de cursus nogmaals volgen. Hierdoor lopen zij wel enige studievertraging op. Van de studenten vernam de commissie tijdens het bezoek dat zij dit over het algemeen niet als een bezwaar zien: omdat de opleiding zo breed is, kunnen zij allerlei kanten op en vele interessante cursussen volgen. De studenten vertelden dat zij, als zij een vak na twee tentamengelegenheden nog niet gehaald hebben, vaak voor een ander vak kiezen in plaats van het oorspronkelijke vak nogmaals te volgen. Voor de verplichte cursussen geldt deze mogelijkheid uiteraard niet. Studenten kunnen klachten over de beoordeling en toetsing melden bij de cursuscoördinator, de studieadviseur, de examencommissie en de departementale klachtencoördinator. Daarnaast bestaat de mogelijkheid in beroep te gaan bij het College van Beroep voor de Examens. In de zelfstudie wordt vermeld dat de examencommissie slechts zelden (minder dan één per jaar) klachten krijgt over de toetsingen en de cursusbeoordelingen. Voor de bachelorscriptie kunnen de studenten kiezen uit twee mogelijkheden: literatuuronderzoek (tien weken half tijd) of literatuuronderzoek gecombineerd met een ministage (tien weken voltijd). Sinds 2007 vallen de programma s van de masteropleiding Biologische wetenschappen onder de examencommissie van de Graduate School of Life Sciences. Dit had veranderingen met betrekking tot regels van de examinering tot gevolg. In de zelfstudie worden de afgelopen paar jaar omschreven als een typische overgangsperiode en daarom soms wat onrustig. De zelfstudie meldt dat op dit moment het proces in rustiger vaarwater terecht is gekomen. De Examencommissie van de Graduate School of Life Sciences bestaat uit acht leden, die afkomstig zijn van verschillende departementen in de faculteit Bètawetenschappen. Omdat de 38 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
Examencommissie erg breed is, heeft zij de goedkeuring van studiepaden van studenten in de masterprogramma s gedelegeerd aan programmacommissies. In deze programmacommissies zitten de coördinatoren van de verschillende masterprogramma s. De programmacommissies beoordelen namens de Examencommissie de studiepaden van de individuele studenten. Zeer recentelijk is de Examencommissie begonnen met het steekproefsgewijs lezen van stageverslagen. Het grootste deel van het masterprogramma bestaat uit onderzoeksprojecten, waarbij studenten stage lopen bij een van de onderzoeksgroepen in de faculteit Bètawetenschappen. Hieruit volgt dat studenten beoordeeld worden door een zeer diverse groep van begeleiders. Daarom zijn voor alle opleidingen binnen de Graduate School of Life Sciences uniforme beoordelingscriteria voor de stages opgesteld. Naast de labtechnische en algemene onderzoeksvaardigheden wordt bij de beoordeling aandacht besteed aan de professionele houding van de masterstudent. De cijfers worden vastgesteld door de examinator, die altijd een lid van de vaste staf van de Universiteit Utrecht is. Als de dagelijkse begeleiding van de masterstudent tijdens de stage gedaan is door een aio of een externe begeleider, wordt het cijfer door de examinator in overleg met hen bepaald. Het stageverslag en de eindpresentatie van de student worden ook beoordeeld door een tweede beoordelaar die niet direct bij het project betrokken is geweest. Naast de stages volgen de studenten in de masteropleiding ook verschillende cursussen. Deze cursussen zijn voornamelijk theoretisch. De beoordeling komt tot stand middels een individuele (mondelinge of schriftelijke) toets in combinatie met een groepsopdracht. Voor elke cursus staan de toetsvormen beschreven in de universitaire catalogus. Oordeel De commissie heeft tijdens haar bezoek vastgesteld dat de bacheloropleiding Biologie en de masteropleiding Biologische wetenschappen gevarieerde toetsvormen hanteren die voldoende aansluiten op de werkvormen en de leerdoelen van de onderdelen van de programma s. Zij heeft tentamens, toetsen en schriftelijke werkstukken bestudeerd en komt op basis daarvan tot de conclusie dat de kwaliteit en het niveau van de toetsing die van een goede academische opleiding zijn. Tijdens het bezoek heeft de commissie gesproken met de examencommissies van de bacheloropleiding en de Graduate School of Life Sciences. Het functioneren van beide examencommissies baarde de commissie enige zorgen. De commissie vond dat de Examencommissie van de bacheloropleiding vrij veel overlaat aan de studiepadcoördinatoren. De Examencommissie van de Graduate School heeft een deel van haar taken gedelegeerd aan de programmacoördinatoren. Dit is voor de commissie een punt van zorg: de formele verantwoordelijkheid ligt hiermee immers niet bij de bevoegde instantie. De commissie is van mening dat de Examencommissie van de Graduate School te breed is samengesteld om inhoudelijk haar wettelijke taken uit te voeren. In de bachelor- en masteropleiding worden verschillende toetsvormen gebruikt: er wordt niet alleen schriftelijk getoetst, maar ook door middel van werkstukken en presentaties. De commissie is van mening dat de toetsen over het algemeen passen bij de aangeboden werkvormen. Zij heeft gezien dat de opleidingen per cursus verschillende toetsmomenten en -vormen hanteren. Zij is van mening dat door deze variatie en combinatie van toetsvormen alle leerdoelen van de cursus adequaat getoetst kunnen worden. De commissie vindt het opmerkelijk dat het portfolio in de praktijk niet meer gebruikt wordt. QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 39
Voor elk vak worden per jaar twee tentamenmogelijkheden gegeven. De commissie juicht dit toe en onderschrijft de strenge regels die de opleiding hanteert ten aanzien van de hertentamens. De commissie heeft de beoordelingsformulieren van stages in de masteropleiding bestudeerd. Zij heeft vastgesteld dat er op het formulier slechts minimaal ruimte is voor het expliciteren en nader onderbouwen van de beoordeling. Hierdoor had de commissie nauwelijks een idee hoe de cijfers voor de stages tot stand gekomen zijn. Zij is van mening dat het beter zou zijn wanneer de beoordeling van de student tijdens de stage uitgebreider in woorden wordt beschreven. De commissie concludeert dat beide opleidingen voldoen aan de criteria die betrekking hebben op de toetsing en de beoordeling. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. Oordeel over het onderwerp Programma Op basis van de beoordelingen per facet komt de commissie tot een samenvattend oordeel over het onderwerp Programma. Voor de bacheloropleiding Biologie is het oordeel voldoende. Voor de masteropleiding Biologische wetenschappen is het oordeel voldoende. 1.1.3. Inzet van personeel F12: Eisen WO De opleiding sluit aan bij de volgende criteria voor de inzet van personeel van een WO-opleiding: Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied. Beschrijving Vrijwel de gehele wetenschappelijke staf van het departement Biologie is gepromoveerd. De promotiegraad onder de hoogleraren en de universitair hoofddocenten is 100%, die onder de universitair docenten 99%. De meeste docenten hebben naast hun onderwijstaak ook een onderzoekstaak. Een beperkt aantal stafleden heeft een aanstelling als docent, waarin de onderwijstaak het grootste deel van de aanstelling omvat. In de masteropleiding worden studenten tijdens de onderzoeksprojecten ingeschakeld bij het lopende onderzoek aan een van de onderzoeksgroepen van de faculteit Bètawetenschappen en daarbij direct begeleid door de onderzoekers. Oordeel De commissie heeft vastgesteld dat voor beide opleidingen geldt dat verreweg de meeste leden van de wetenschappelijke staf die onderwijs verzorgen, gepromoveerd zijn en onderzoek verrichten dat regelmatig en positief wordt beoordeeld door internationaal samengestelde visitatiecommissies. De commissie heeft geconstateerd dat de onderzoekers die verantwoordelijk zijn voor het onderwijs in de bachelor- en masteropleiding over het algemeen actieve onderzoekers zijn. De meeste stafleden hebben een aanstelling die zowel onderwijs- als onderzoekstaken omvat en doen onderzoek binnen één van de onderzoeksgroepen van de faculteit Bètawetenschappen. 40 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
De faculteit is onlangs begonnen met benoemingsprocedures voor twee nieuwe leerstoelhouders. Omdat de groepen Landschapsecologie en Plantenecologie gefuseerd zijn, is een nieuwe vacature Ecologie en Biodiversiteit ontstaan. Bij het programma Biology and Biocomplexity is eveneens een vacature voor een hoogleraar Cellulaire Dynamica. De commissie komt, mede op basis van haar eigen kennis van de biologie in Nederland, tot het oordeel dat beide opleidingen het criterium dat betrekking heeft op de wetenschappelijke kwaliteit van de staf ruimschoots overstijgen en beoordeelt dit facet voor zowel de bachelorals de masteropleiding als goed. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is goed. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is goed. F13: Kwantiteit personeel Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen. Beschrijving De recente reorganisatie heeft het departement Biologie zwaar getroffen. Voor de reorganisatie was de omvang van de wetenschappelijke staf van het departement 70 fte. Op dit moment bestaat de wetenschappelijke staf nog uit 58 fte. In het collegejaar 2009-2010 zijn veel van de ontslagen werknemers nog werkzaam binnen het departement, omdat zij tot augustus 2010 onder de ontslagbescherming vallen. De effecten van de reorganisatie zullen daarom pas in collegejaar 2010-2011 in hun volle omvang zichtbaar worden, en des te meer wanneer populariteit en gewicht van de opleidingen verder toenemen. Op het moment dat de zelfstudie werd afgerond bedroeg de beschikbare onderwijscapaciteit voor de bacheloropleiding ongeveer 26 fte. Na afronding van de reorganisatie zal er voor deze opleiding nog ongeveer 21 fte beschikbaar zijn. Voor de masteropleiding en het onderwijs dat het department voor andere opleidingen verzorgt (als belangrijkste Biomedische Wetenschappen en het University College Utrecht) is ongeveer 5 fte aan onderwijscapaciteit nodig. Volgens het departement is in totaal 26,2 fte nodig om de programma s te verzorgen. Tijdens het bezoek werd het de commissie duidelijk dat de resterende staf een nieuw evenwicht moet vinden. In sommige gevallen moeten docenten nieuwe vakken geven. Voor de colleges waar op dit moment de benodigde expertise niet in de Universiteit Utrecht aanwezig is, worden voorlopig docenten van buiten ingehuurd. Vertegenwoordigers van de opleiding verklaarden dat dit op dit moment noodzakelijk is om de breedte van het onderwijs te behouden. De stafleden vertelden tijdens het bezoek dat zij door de spagaat tussen onderzoek en onderwijs de werkdruk over het algemeen redelijk hoog vinden. De werkdruk wordt momenteel door de reorganisatie als hoger dan andere jaren ervaren. Toch benadrukten de stafleden met klem dat zij nog steeds in staat zijn om onderwijs van voldoende kwaliteit te verzorgen. Oordeel De commissie heeft met zorg kennis genomen van de effecten die de reorganisatie gehad heeft op het departement Biologie: het departement heeft ongeveer 17% van haar formatie verloren. De commissie is van oordeel dat op dit moment, mede gelet op het aantal QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 41
instromende studenten, de bodem voor het departement bereikt is en dat er niet verder bezuinigd kan worden. De commissie heeft uitgebreid met vertegenwoordigers van de opleidingen en met studenten gesproken over de effecten van de reorganisatie op het onderwijs. Alle partijen benadrukten met klem dat er op dit moment binnen het departement voldoende personeel is om de opleiding en met de gewenste kwaliteit te verzorgen. De commissie heeft deze verzekering geaccepteerd. De commissie heeft respect voor de manier waarop het departement Biologie erin slaagt om binnen de lopende reorganisatie opleidingen aan te bieden die de normen en waarden van een academische bachelor- en masteropleiding overeind houden. Desondanks vindt de commissie dat de formatie niet verder kan worden ingekrompen, omdat een verdere reductie onvermijdelijk gevolgen voor de kwaliteit van het onderwijs zal hebben. Zij heeft opgemerkt dat er hier en daar zijn als gevolg van de reorganisatie al dunne plekken in het programma zijn ontstaan. De commissie beoordeelt het facet dat betrekking heeft op de omvang van de staf voor beide opleidingen als voldoende, maar is ervan overtuigd dat de kwaliteit van de opleidingen onder de maat wordt als de omvang verder afneemt. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F14: Kwaliteit personeel Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke, onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma. Beschrijving Om in aanmerking te komen voor een vaste baan moeten docenten aan de Universiteit Utrecht de Basiskwalificatie Onderwijs (BKO) hebben. Leidinggevende docenten moeten beschikken over de Seniorkwalificatie Onderwijs (SKO). In het kader van het halen van de BKO kunnen docenten trainingen volgen aan het Interfacultair Instituut voor Lerarenopleiding, Onderwijsontwikkeling en Studievaardigheden (IVLOS). Tijdens het bezoek vernam de commissie dat de reorganisatie ertoe heeft geleid dat het curriculum door de hiertoe ingestelde curriculumcommissie opnieuw vorm is gegeven. De stafleden vertelden dat de aanpassing van het curriculum ertoe geleid heeft dat er onderwijskundig goed naar de cursussen gekeken is. Volgens hen is dit de onderwijskundige onderbouwing van het programma ten goede gekomen. De opleidingen gaven aan dat op dit moment niet de expertise in huis is om alle vakken aan te bieden. Daarom wordt voor sommige colleges hulp van docenten van buiten het departement ingeroepen. De bezetting van de nieuwe leerstoelen zal bijdragen aan een verbetering van deze situatie. In de zelfstudie wordt vermeld dat in het voorjaar van 2009 een Education seminar van de Graduate School of Life Sciences is gehouden met als thema Research-oriented education. Docenten van de Graduate School of Life Sciences hebben tijdens dit seminar verschillende workshops over dit onderwerp gevolgd. Het streven is om jaarlijks een dergelijke studiedag te organiseren. Hiermee zullen de docenten in de master beter in staat zijn het didactisch concept in de colleges toe te passen. 42 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
Oordeel De commissie accepteert dat het inhuren van docenten van buiten de Universiteit Utrecht voorlopig de beste oplossing voor het docententekort is, maar benadrukt met klem dat dit geen structurele oplossing kan zijn. Zij wil dan ook benadrukken dat de herbezetting van de betreffende leerstoelen absoluut noodzakelijk is. De commissie waardeert de serieuze aanpak van de professionalisering van het personeel door de Universiteit Utrecht, die destijds als eerste universiteit in Nederland de basiskwalificatie onderwijs (BKO) en de seniorkwalificatie onderwijs (SKO) heeft ingevoerd. Omdat de BKO een voorwaarde is voor het krijgen van een vaste aanstelling, zijn veel van de docenten van het departement Biologie in het bezit van deze kwalificatie. De commissie heeft de indruk dat docenten een goede begeleiding krijgen bij het behalen van de BKO en de SKO. De commissie is van mening dat de BKO en de SKO met name in het onderwijs van de bacheloropleiding zeer positieve effecten hebben. Docenten geven daar immers onderwijs aan grotere groepen studenten binnen een conceptueel curriculum. In de masteropleiding heeft de onderwijskwalificatie naar de mening van de commissie momenteel minder invloed, omdat de begeleiding van de studenten daar voornamelijk aan de laboratoriumtafel plaatsvindt en omdat de didactiek van onderzoeksgericht onderwijs nog in ontwikkeling is. Tenslotte betoont de commissie veel respect voor de grote inzet waarmee staf en studenten de negatieve effecten van de reorganisatie hebben omgesmolten tot een herzien en alleszins acceptabel bachelorcurriculum. De commissie komt op grond van bovenstaande overwegingen tot het oordeel goed voor de bacheloropleiding en tot het oordeel voldoende voor de masteropleiding. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is goed. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. Oordeel over het onderwerp Inzet van personeel Op basis van de beoordelingen per facet komt de commissie tot een samenvattend oordeel over het onderwerp Inzet van personeel. Voor de bacheloropleiding Biologie is het oordeel voldoende. Voor de masteropleiding Biologische wetenschappen is het oordeel voldoende. 1.1.4. Voorzieningen F15: Materiële voorzieningen De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren. Beschrijving De colleges van de opleidingen Biologie en Biologische wetenschappen worden gegeven in het F.A.F.C. Wentgebouw en het H.R. Kruytgebouw. Deze gebouwen liggen beide op het universiteitscentrum De Uithof. Het Wentgebouw zal in collegejaar 2010-2011 gesloten worden. Het onderwijs verhuist dan naar het Buijs Ballotlaboratorium. In de gebouwen bevinden zich zowel de onderwijsruimten als de laboratoria. In het Wentgebouw zijn, onder meer, acht practicumzalen, drie computerzalen en grote collegezalen (waarvan één met 125 en één met 225 zitplaatsen). De collegezalen vanaf 40 zitplaatsen zijn standaard uitgerust met audiovisuele hulpmiddelen en een internetaansluiting. In de zelfstudie staat vermeld dat de QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 43
twee grootste collegezalen uit het Wentgebouw tot ongeveer 2015 in gebruik blijven. In het Kruytgebouw bevinden zich eveneens practicum- en computerzalen. De bacheloropleiding heeft als beleid dat al het onderwijs van het eerste jaar plaatsvindt in het Wentgebouw. Hierdoor is er voor de eerstejaars geen onduidelijkheid over de locaties van colleges en practica. De mastercursussen zijn over het algemeen kleinschalig. Bij de meeste cursussen kan gebruik worden gemaakt van onderwijszalen voor maximaal 40 deelnemers. Tijdens onderzoeksprojecten krijgen studenten een werkplek op de afdeling van de onderzoeksgroep waar zij hun stage volgen. Alle studenten kunnen gebruik maken van de faciliteiten van de Universiteitsbibliotheek en van de elektronische voorzieningen van de UU. Studenten hebben een inlogpagina (MyUU) op internet met toegang tot OSIRIS-student, waarin zij kunnen beschikken over hun eigen studiegegevens en zich kunnen inschrijven voor cursussen en tentamens. Oordeel De commissie heeft met de docenten en de studenten gesproken over de beschikbare materiële voorzieningen. Zij heeft naast positieve verhalen alleen klachten over de computerfaciliteiten gehoord. Zowel over het Wentgebouw als over het Buijs Ballotlaboratorium heeft de commissie gehoord dat er soms te weinig computerruimte voor individueel werk beschikbaar is. In het Wentgebouw komt dit doordat de zalen soms voor colleges worden gereserveerd. In het Buijs Ballotlaboratorium zijn ook de departementen Natuurkunde en Sterrenkunde gehuisvest, waardoor vaak veel studenten tegelijkertijd van de computers gebruik willen maken. De studenten waren te spreken over de beschikbaarheid en de inrichting van de laboratoria. De studenten waren er erg blij mee dat colleges worden opgenomen, waarmee zij de mogelijkheid hebben de colleges later op internet terug te kijken. De commissie heeft vernomen dat er voldoende collegezalen voor relatief kleine groepen zijn, maar dat grote collegezalen vanaf ongeveer 200 zitplaatsen niet altijd beschikbaar zijn. Daarom worden colleges soms gegeven in zalen die eigenlijk iets te klein zijn, zodat er niet voldoende ruimte voor alle studenten is als de opkomst voor het college groot is. Zoals hierboven staat beschreven, zal het Wentgebouw in collegejaar 2010-2011 gesloten worden. De commissie constateert dat er dan een huisvestingsprobleem dreigt. De commissie heeft met instemming in de zelfstudie gelezen dat de twee grootste collegezalen uit het Wentgebouw tot ongeveer 2015 in gebruik blijven. Zij dringt er op aan dat er tijdig gezocht wordt naar een structurele oplossing voor het dreigende tekort aan grote collegezalen. De commissie beoordeelt de materiële voorzieningen waarover de de bachelor- en de masteropleiding kunnen beschikken als voldoende. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F16: Studiebegeleiding De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten zijn adequaat met het oog op studievoortgang. De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten sluiten aan bij de behoefte van studenten. 44 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
Beschrijving In het eerste jaar van de bacheloropleiding Biologie krijgt elke student een tutor toegewezen. De tutoren zijn docenten van het departement Biologie, die ook betrokken zijn bij de eerstejaarscursus Introductie in de biologie. Omdat de cursus Introductie in de biologie aan het begin van het eerste jaar gegeven wordt, hebben de studenten in de eerste blok wekelijks contact met hun tutor. De zelfstudie beschrijft dat de tutor de studenten daarna minimaal twee keer uitnodigt voor een individueel gesprek. Tijdens het bezoek van de commissie vertelden de studenten dat zij in wisselende mate contact hebben met hun tutor: sommigen hebben weinig contact met hem en anderen vragen hun tutor vaker om advies, bijvoorbeeld over de keuze voor het studieadviespad. Met ingang van het studiejaar 2008-2009 hanteert de opleiding het bindend studieadvies (BSA). Studenten die in het eerste jaar van hun inschrijving voor minder dan vijf van de acht verplichte cursussen slagen (en dus minder dan 37,5 EC behalen), mogen de studie Biologie niet voortzetten. Zij mogen zich bovendien drie jaar lang niet meer voor deze opleiding inschrijven. In januari van het eerste jaar krijgen de studenten een eerste tussentijds advies. Dit advies is gebaseerd op de tot dan behaalde studieresultaten. Het tussentijdse advies kan positief, twijfelachtig of negatief zijn. Aan het eind van het studiejaar krijgen de studenten het definitieve BSA. Studenten die vanwege overmacht het vereiste aantal studiepunten niet hebben behaald, krijgen een aangehouden advies en kunnen onder voorwaarden hun studie voortzetten. Tegen een negatief bindend studieadvies kan binnen vier weken beroep worden ingesteld bij het universitaire College van Beroep voor de Examens. Studenten worden geïnformeerd over de verschillende masteropleidingen en -programma s tijdens mastervoorlichtingsbijeenkomsten, die over het algemeen s avonds georganiseerd worden. Per avond kunnen studenten zich voor drie masterprogramma s inschrijven. Tijdens het bezoek bleek echter dat studenten vonden dat zij voornamelijk zelf achter informatie over de verschillende mogelijkheden in de masteropleiding aanmoesten. De studenten toonden zich tijdens het bezoek tevreden over de begeleiding tijdens de colleges, practica en stages. Zij noemden de begeleiding van student-assistenten bij de practica in het eerste jaar goed. De studenten van de Opleidingsadviescommissie (OAC) gaven tijdens het gesprek met de commissie aan dat zij zouden willen dat studenten meer feedback tijdens de colleges krijgen. Volgens hen moet je als student voornamelijk zelf zorgen dat er feedback wordt gegeven, terwijl de studenten van de Onderwijsadviescommissie het beter zouden vinden als de docenten wat dit betreft meer eigen initiatief zouden tonen. Het departement Biologie beschikt over een eigen studieadviseur. De taken van de studieadviseur bestaan uit het geven van uitleg aan de studenten over de Onderwijs- en Examenregeling en de studiegids en het adviseren bij keuzemogelijkheden in het programma. De studieadviseur heeft een vast spreekuur, maar verklaarde dat zijn deur sowieso altijd voor de studenten open staat. Soms organiseert hij aan het einde van het eerste jaar bijeenkomsten om studenten te adviseren over de verschillende studieadviespaden. De studieadviseur heeft meer aanloop van bachelorstudenten dan van masterstudenten. Masterstudenten gaan over het algemeen bij vragen of problemen eerder naar de programmacoördinator, die inhoudelijk meer betrokken is bij de programma s. In vergelijking met de bacheloropleiding staat de masteropleiding Biologische wetenschappen in haar geheel in het teken van het zelfstandig leren verrichten van wetenschappelijk onderzoek. De wijze van studiebegeleiding is hieraan aangepast: studenten worden niet meer bij de hand genomen, maar moeten leren om zelf om ondersteuning te vragen als zij het gevoel hebben er QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 45
niet uit te komen. Masterstudenten worden voornamelijk begeleid door leden van de staf. Inhoudelijke problemen bespreken zij over het algemeen direct met de onderzoeksbegeleider. De programmacoördinator heeft goed zicht op de programma s van de individuele studenten en ondersteunt studenten daarom bij meer algemene vragen en problemen met betrekking tot de studieplanning en studieaanpak. Dyslexie is de meest voorkomende studiebelemmering. Dyslectische studenten krijgen op verzoek bij de schriftelijke tentamens extra tijd. Indien gewenst krijgen zij ook het tentamen in een groter lettertype aangeleverd. Oordeel Tijdens het bezoek heeft de commissie vernomen dat het tutorsysteem functioneert naar de behoefte van de studenten: studenten die veel behoefte hebben aan begeleiding door de tutor kunnen vaak bij hem terecht, maar er is geen dwang voor studenten die deze behoefte niet hebben. De commissie heeft de indruk dat de studenten goed weten bij wie zij terecht kunnen in geval van vragen en problemen. De commissie heeft tijdens het bezoek gehoord over de manieren waarop studenten tijdens de bacheloropleiding geïnformeerd worden over de verschillende masteropleidingen. Zij heeft de klacht van de studenten dat de informatievoorziening wat dit betreft nog niet optimaal was genoteerd. De commissie raadt de bacheloropleiding dan ook aan om de voorlichting op dit punt te verbeteren. De commissie heeft met instemming vernomen dat het bindend studieadvies in de bacheloropleiding geïntroduceerd is. Zij is ervan overtuigd dat dit ertoe zal bijdragen dat de rendementen van de opleiding groter worden (cf. F21). Omdat studenten in de masteropleiding geen persoonlijke begeleiding krijgen bij het samenstellen van hun masterprogramma, vindt de commissie het onwenselijk dat de Examencommissie geen zicht op deze programma s heeft (cf. F11). De commissie concludeert dat de bacheloropleiding en de masteropleiding voldoen aan de criteria die betrekking hebben op de begeleiding en de informatievoorziening. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. Oordeel over het onderwerp Voorzieningen Op basis van de beoordelingen per facet komt de commissie tot een samenvattend oordeel over het onderwerp Voorzieningen. Voor de bacheloropleiding Biologie is het oordeel voldoende. Voor de masteropleiding Biologische wetenschappen is het oordeel voldoende. 1.1.5. Interne kwaliteitszorg F17: Evaluatie resultaten De opleiding wordt periodiek geëvalueerd, mede aan de hand van toetsbare streefdoelen. Beschrijving De bacheloropleiding Biologie heeft een Examencommissie en een opleidingsadviescommissie, de OAC-Biologie. De OAC-Biologie bestaat uit zes docenten en zes studenten en vergadert 46 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
ongeveer tien keer per jaar. Uit de OAC-Biologie zijn een docent en een student vertegenwoordigd in de facultaire Opleidingscommissie (OC). De faculteit Bètawetenschappen heeft één Opleidingscommissie voor alle bacheloropleidingen gezamenlijk. In deze facultaire Opleidingscommissie worden algemene facultaire zaken besproken en best practices uit specifieke opleidingen uitgewisseld. De docent en student die afgevaardigd zijn in de facultaire Opleidingscommissie zorgen voor terugkoppeling naar de OAC-Biologie. De OAC-Biologie heeft tot taak: (gevraagde en ongevraagde) advisering van het departementsbestuur, advisering over de Onderwijs- en Examenregeling en evaluatie van het onderwijsprogramma. Vertegenwoordigers van de opleiding verklaarden dat de OAC-Biologie belangrijker is dan de facultaire Opleidingscommissie. De OAC-Biologie is immers verantwoordelijk voor de evaluaties en heeft direct contact met cursuscoördinatoren en studenten. Evaluatie-enquêtes worden door koppels bestaande uit een student en een docent uit de OAC-Biologie geëvalueerd. De mate waarin evaluatie-enquêtes worden ingevuld nam sterk af toen men overging van papieren evaluatieformulieren op elektronische evaluatieformulieren. Op dit moment is de respons, volgens leden van de OAC-Biologie, zo laag dat er geen sprake meer is van een objectieve steekproef. Zowel docenten als studenten toonden zich bewust van de noodzaak de respons omhoog te brengen. Docenten worden daarom nu aangespoord om tijdens de colleges tijd in te ruimen om de enquêtes in te vullen. Studenten van de OAC-Biologie hebben geopperd om cursussen te evalueren middels panelgesprekken, maar de docenten waren niet enthousiast voor dit idee. Studenten van de OAC-Biologie overwegen nu om dit idee alsnog zelf uit te voeren. In de zelfstudie staat vermeld dat de onderwijsdirecteur van de opleiding tevens is lid van de facultaire Board of Studies van de Undergraduate School, waarin alle bacheloropleidingen administratief verenigd zijn. Tijdens het bezoek bleek echter dat de Undergraduate School voor veel docenten en studenten een virtueel begrip is. Voor de evaluatie van onderdelen uit het programma van de masteropleiding Biologische wetenschappen is de opleidingsadviescommissie van de Graduate School (OAC-GS) verantwoordelijk. Dit is een gemeenschappelijke opleidingsadviescommissie voor alle opleidingen binnen de Graduate School. Tijdens het bezoek werd verteld dat de OAC-GS zich de afgelopen tijd nog in de opbouwfase bevond, maar dat alles nu goed loopt. De taken van de OAC-GS omvatten het uitvoeren van evaluaties van (onderdelen van) de masteropleidingen, het voeren van overleg met mastercoördinatoren en het bespreken van jaarverslagen van de opleidingen. De OAC-GS hanteert de volgende streefdoelen voor de evaluaties: Alle studenten zijn in staat om de geformuleerde eindtermen te halen. Het slagingspercentage voor de studieonderdelen is minstens 75%. 3.8 op een tevredenheidsschaal van 1-5 is het minimumcriterium voor de totaalscore van een studieonderdeel. Als de waardering van de cursus blijkens evaluaties tussen 3.0 en 3.8 ligt wordt een nadere analyse van de resultaten gemaakt. Bij een score onder de 3.0 volgt een advies aan de Board of Studies (BoS) van de Graduate School, die eindverantwoordelijk is voor de kwaliteit van de masteropleidingen. QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 47
Een cursuscoördinator kan zelf vragen toevoegen aan het standaard evaluatieformulier. Na afloop van de evaluaties wordt de cursuscoördinator gevraagd feedback te geven op de uitkomsten. Ook stages worden geëvalueerd. Oordeel De commissie heeft geconstateerd dat de cursussen in de bachelor- en de masteropleiding periodiek en systematisch worden geëvalueerd aan de hand van een evaluatieschema. De resultaten van de evaluaties worden overgebracht aan en zo nodig besproken met de opleidingsdirecteur. De commissie onderschrijft de zorg van de opleidingen dat de respons op de evaluaties gedaald is met de invoering van het elektronisch evalueren. Zij moedigt de opleidingen aan om de respons te verhogen, zodat de enquêtes weer representatieve steekproeven zullen zijn. Tenslotte zet de commissie een vraagteken bij de huidige meerwaarde van de Undergraduate School. Een echte Undergraduate School is geen bestuurlijke organisatie, maar een levende onderwijsorganisatie waarin een groep verwante bacheloropleidingen vanuit een gezamenlijke visie niet alleen onderwijs in de hoofdrichting aanbiedt, maar ook onderwijs van andere studierichtingen, leidend tot een geïntegreerd en algemeen vormend pakket. Als er twee groepen direct betrokken zijn bij een Undergraduate School, zijn dat docenten en studenten. De Undergraduate School vervult nu een functie die elders tot grote tevredenheid wordt uitgeoefend binnen het reguliere overleg van opleidingsdirecteuren. Voor deze functie is de vorm van een School niet nodig. Wanneer deze taken worden geformaliseerd in een extra laag, bestaat bovendien het risico dat de afstand tussen faculteit en werkvloer wordt vergroot, met alle ongemakken van dien. De commissie heeft vastgesteld dat de bachelor- en de masteropleiding voldoen aan het criterium dat betrekking heeft op de evaluatie van resultaten en komt voor beide opleidingen daarom tot het oordeel voldoende voor dat facet. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F18: Maatregelen tot verbetering De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan realisatie van de streefdoelen. Beschrijving De maatregelen ter verbetering die in de zelfstudies beschreven staan, zijn uitsluitend maatregelen die de opleidingen in de toekomst willen uitvoeren. De commissie heeft slechts beperkt zicht gekregen op de maatregelen ter verbetering die de opleidingen de afgelopen tijd concreet hebben doorgevoerd. Tijdens het bezoek heeft de commissie vernomen dat er met enige regelmaat maatregelen ter verbetering doorgevoerd worden op grond van resultaten van evaluaties: zo zijn er in de bacheloropleiding bijvoorbeeld twee cursussen omgedraaid, teneinde de onderlinge samenhang te versterken. Oordeel De commissie heeft gemerkt dat een deel van de problemen die de vorige visitatiecommissie constateerde, zoals het ontbreken van structurele contacten met het werkveld en matige rendementen, nog steeds niet opgelost is. De commissie is van mening dat het aan de reorganisatie te wijten is dat de opleidingen er niet toe gekomen zijn deze problemen aan te 48 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
pakken. De commissie is daarnaast van mening dat de problemen die zijn blijven liggen, voornamelijk zaken op hoger niveau zijn, die niet direct ten nadele van de studenten zijn. De commissie is van mening dat de opleidingen voorkomende problemen op vakniveau adequaat oplossen. Voor de masteropleiding geldt dat er veel plannen op papier staan. De commissie heeft tijdens haar bezoek geen zicht gekregen op de mate waarin deze plannen al tot uitvoering zijn gebracht. De commissie concludeert dat beide opleidingen voldoen aan het criterium dat betrekking heeft op de maatregelen tot verbetering. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F19: Betrekken van medewerkers, studenten, alumni en beroepenveld Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers, studenten, alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken. Beschrijving Uit de zelfstudie en tijdens het bezoek heeft de commissie een indruk gekregen van de mate waarin studenten, medewerkers, alumni en het afnemend beroepenveld bij de kwaliteitszorg van de opleiding betrokken zijn. Studenten hebben onder meer invloed op de kwaliteitszorg door deelname aan evaluaties. Daarnaast heeft een deel van de studenten tevens een adviserende rol door lidmaatschap van de opleidingsadviescommissies (OAC-Biologie en OAC-GS), de opleidingscommissies en de faculteitsraad. Ook medewerkers van de opleidingen zijn in deze gremia vertegenwoordigd. Met name de studenten en medewerkers die zitting hebben in de OAC-Biologie en de OAC- GS zijn direct betrokken bij de interne kwaliteitszorg, onder andere omdat zij evaluatieenquêtes voor de waardering van het onderwijs afnemen en uitwerken. Op dit moment is betrokkenheid van alumni bij de opleidingen Biologie en Biologische wetenschappen nog niet structureel vormgegeven. Er is een alumni-enquête gepland, maar deze is nog niet uitgevoerd (cf. F20). Voor de bacheloropleiding Biologie zijn de masteropleidingen van de Graduate School of Life Sciences het belangrijkste afnemend veld : verreweg de meeste afgestudeerde bachelorstudenten kiezen er immers voor om door te stromen naar een masteropleiding. De bacheloropleiding Biologie heeft daarom de mastercoördinatoren gevraagd hoe de optimale voorbereiding op de masteropleiding eruitziet en of er discrepanties bestaan tussen de eindtermen van de opleiding en de ingangseisen van de masteropleiding. De zelfstudie beschrijft dat de faculteit Bètawetenschappen sinds januari 2009 beschikt over een externe adviesraad, die advies kan geven over het onderwijs en de aansluiting daarvan op de arbeidsmarkt. Oordeel De commissie heeft geconstateerd dat studenten en medewerkers door hun vertegenwoordiging in de opleidingscommissies, maar vooral ook door hun vertegenwoordiging in de opleidingsadviescommissies actief bij de bewaking van de kwaliteit QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 49
van de opleidingen betrokken zijn. De samenwerking tussen staf en studenten is goed en productief. De commissie heeft vastgesteld dat het werkveld en de alumni slechts in beperkte mate betrokken zijn bij de interne kwaliteitszorg. De betrokkenheid van alumni is bij de opleidingen Biologie en Biologische wetenschappen nog niet structureel vormgegeven. De coördinatoren van de masteropleidingen hebben als afnemend veld tot op zekere hoogte invloed op de kwaliteit van de bacheloropleiding. Op de mate waarin de externe adviesraad van de faculteit Bètawetenschappen inmiddels invloed heeft op de interne kwaliteitszorg van de opleidingen, heeft de commissie geen zicht gekregen. De commissie komt tot het oordeel dat beide opleidingen voldoen aan het criterium dat verwijst naar de betrokkenheid van medewerkers, studenten, alumni en het werkveld bij de interne kwaliteitszorg. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. Oordeel over het onderwerp Interne kwaliteitszorg Op basis van de beoordelingen per facet komt de commissie tot een samenvattend oordeel over het onderwerp Interne kwaliteitszorg. Voor de bacheloropleiding Biologie is het oordeel voldoende. Voor de masteropleiding Biologische wetenschappen is het oordeel voldoende. 1.1.6. Resultaten F20: Gerealiseerd niveau De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau, oriëntatie en domeinspecifieke eisen. Beschrijving Ieder commissielid heeft voor het bezoek één bachelorwerkstuk en twee masterscripties gelezen, met als doel zich een beeld te vormen van het gerealiseerde niveau van de bacheloropleiding Biologie en de masteropleiding Biologische wetenschappen. De commissie heeft zich tevens een beeld kunnen vormen van het gerealiseerde niveau van de opleidingen door tijdens het bezoek te spreken met alumni. Zoals al eerder is vermeld, stromen vrijwel alle afgestudeerde bachelorstudenten door naar een masteropleiding. De meeste studenten gaan één van de masteropleidingen aan de faculteit Bètawetenschappen van de Universiteit Utrecht volgen. Tijdens het bezoek vertelden de afgestudeerde bachelorstudenten dat de overgang naar de masteropleiding Biologische wetenschappen goed en probleemloos is verlopen. Een deel van de alumni van de masteropleiding Biologische wetenschappen waarmee de commissie gesproken heeft, had een plaats als aio of oio aan de Universiteit Utrecht gekregen. Een ander deel van de alumni was werkzaam bij een adviesbureau. Eén van de alumni volgt nu een tweede studie. Alle alumni zeiden dat zij zich in hun opleiding goed voorbereid voelden op hun werk na de studie. De vakinhoudelijke kennis die zij tijdens hun studie opgedaan hebben, komt in hun huidige baan over het algemeen goed van pas. Dit geldt zowel voor de studenten die werkzaam zijn als onderzoeker, als voor de studenten die buiten de 50 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
universiteit terecht zijn gekomen. Ook bleken de studenten veel baat gehad te hebben bij het brede scala aan academische vaardigheden dat zij tijdens de studie hebben verworven. Uit de gesprekken met de alumni bleek ook dat een groot deel van hen bijzonder te spreken was over de cursus arbeidsmarktoriëntatie, verzorgd door een bioloog van de Radboud Universiteit Nijmegen, omdat deze cursus voor veel studenten een erg nuttige eyeopener bleek te zijn. De studenten die de cursus volgden, vinden dat deze cursus een verplichte cursus in de Graduate School zou moeten zijn. Daar staat tegenover dat de cursus wellicht niet per se nodig is voor studenten die er al van overtuigd zijn te willen promoveren. De faculteit heeft een enquête gepland waarin alumni en hun werkgevers bevraagd worden over, respectievelijk, waar zij na hun studie terecht zijn gekomen en wat hun ervaringen zijn met deze alumni. Deze enquête is nog niet uitgevoerd. Oordeel Om zich een beeld te vormen over het gerealiseerde niveau van de opleiding heeft de commissie voor het bezoek een aantal bachelorwerkstukken en masterscripties gelezen. In totaal zijn door de commissieleden zes bachelorwerkstukken en twaalf masterscripties opgevraagd. Over het algemeen was de commissie te spreken over het niveau van de scripties en over de becijfering. Bij de meeste scripties kwam het door de opleiding gegeven cijfer overeen met de eigen bevinding. Het niveau van de masterscripties is zeker aan de maat: naar het oordeel van de commissie reflecteren de scripties de hoge kwaliteit van de onderzoeksgroepen. Uit de scripties blijkt duidelijk dat studenten voldoende mathematisch en statistisch onderlegd zijn. In de betreffende scripties komen bijvoorbeeld hoogwaardige statistische analyses voor. De commissie concludeert daarom dat zowel de bachelorwerkstukken als de masterscripties voldoen aan de eisen die gesteld mogen worden aan wetenschappelijke afstudeerwerken. Van de alumni van de bacheloropleiding Biologie begreep de commissie dat de overgang naar de masteropleiding probleemloos is verlopen. Uit de gesprekken met de afgestudeerden van de masteropleiding Biologische wetenschappen bleek eveneens dat zij weinig moeite hadden met de overgang van de universiteit naar een plaats als onderzoeker of een andere baan op academisch niveau. Zowel de vakinhoudelijke kennis als de academische vaardigheden die zij tijdens de opleiding leerden bleken te voldoen. De commissie concludeert dat de gerealiseerde eindkwalificaties in overeenstemming zijn met de nagestreefde eindkwalificaties en komt dus zowel voor de bacheloropleiding Biologie als voor de masteropleiding Biologische wetenschappen tot het oordeel voldoende voor dit facet. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. F21: Onderwijsrendement Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen. Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers. Beschrijving In de zelfstudie staat beschreven dat de bacheloropleiding Biologie er de afgelopen jaren naar streefde om 70% van de eerstejaars binnen vijf jaar met een diploma af te leveren. Met de invoering van het bindend studieadvises in het collegejaar 2008-2009 is deze streefnorm QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 51
aangepast: 80% van de studenten met een positief bindend studieadvies aan het einde van het eerste jaar moet binnen vier jaar afstuderen. Deze streefcijfers zijn in overeenstemming met de streefcijfers van de andere bacheloropleidingen binnen de faculteit Bètawetenschappen. De daadwerkelijke afstudeerrendementen liggen lager: van de studenten die in 2002 zijn begonnen is 67% afgestudeerd, van de lichting van 2003 is 71% afgestudeerd en van de lichting 2004 61%. Van de cohorten 2006 en later zijn nog geen studenten afgestudeerd. De masteropleiding Biologische wetenschappen hanteert als norm dat 70% van de studenten na twee jaar een masterdiploma behaalt heeft en 90% van de studenten na drie jaar. Voor de masterprogramma s Environmental Biology en Biology and Biocomplexity zijn nog geen rendementcijfers beschikbaar. Bij de voorgangers van deze programma s (Plant Biology en Natural Resources Management) studeerde ongeveer de helft van de studenten binnen twee jaar af en gemiddeld 86% binnen drie jaar. Oordeel De commissie heeft kennis genomen van de rendementen van beide opleidingen. Zij heeft vastgesteld dat de streefcijfers die de opleidingen hanteren realistisch en voldoende ambitieus zijn. Zij heeft geconstateerd dat de rendementen van de opleidingen nu nog niet voldoen aan de eigen streefcijfers. De commissie heeft er echter vertrouwen in dat het recent ingevoerde bindend studieadvies in de bacheloropleiding en de harde knip voor de masteropleiding voldoende zullen zijn om de rendementen te vergroten. Gezien de omstandigheden, en gezien het feit dat de lage rendementen een meer algemeen probleem vormen in Nederland, vindt de commissie de gerealiseerde rendementen voldoende, ook al is zij van oordeel dat ze zeker verbeterd kunnen worden. In dit opzicht bestaat er geen verschil tussen de opleidingen van de Universiteit Utrecht en de overige opleidingen. De commissie komt op grond van bovenstaande overwegingen zowel voor de bacheloropleiding Biologie als voor de masteropleiding Biologische wetenschappen tot het oordeel voldoende. Bacheloropleiding Biologie: het oordeel van de commissie is voldoende. Masteropleiding Biologische wetenschappen: het oordeel van de commissie is voldoende. Oordeel over het onderwerp Resultaten Op basis van de beoordelingen per facet komt de commissie tot een samenvattend oordeel over het onderwerp Resultaten. Voor de bacheloropleiding Biologie is het oordeel voldoende. Voor de masteropleiding Biologische wetenschappen is het oordeel voldoende. 52 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
Samenvatting van de oordelen van de commissie Bacheloropleiding Biologie: Onderwerp Oordeel Facet Oordeel 1. Doelstellingen Voldoende 1. Domeinspecifieke eisen Voldoende van de opleiding 2. Niveau Voldoende 3. Oriëntatie Voldoende 2. Programma Voldoende 4. Eisen WO Voldoende 5. Relatie doelstellingen en programma Goed 6. Samenhang programma Goed 7. Studielast Voldoende 8. Instroom Voldoende 9. Duur Voldoet 10. Afstemming vormgeving en inhoud Voldoende 3. Inzet van personeel Voldoende 4. Voorzieningen Voldoende 5. Interne kwaliteitszorg Voldoende 6. Resultaten Voldoende 11. Beoordeling en toetsing Voldoende 12. Eisen WO Goed 13. Kwantiteit personeel Voldoende 14. Kwaliteit personeel Goed 15. Materiële voorzieningen Voldoende 16. Studiebegeleiding Voldoende 17. Evaluatie resultaten Voldoende 18. Maatregelen tot verbetering Voldoende 19. Betrokkenheid van medewerkers, Voldoende studenten, alumni en beroepenveld 20. Gerealiseerd niveau Voldoende 21. Onderwijsrendement Voldoende Masteropleiding Biologische wetenschappen: Onderwerp Oordeel Facet Oordeel 1. Doelstellingen Voldoende 1. Domeinspecifieke eisen Voldoende van de opleiding 2. Niveau Voldoende 3. Oriëntatie Voldoende 2. Programma Voldoende 4. Eisen WO Voldoende 5. Relatie doelstellingen en programma Voldoende 6. Samenhang programma Voldoende 7. Studielast Voldoende 8. Instroom Voldoende 9. Duur Voldoet 10. Afstemming vormgeving en inhoud Voldoende 11. Beoordeling en toetsing Voldoende QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 53
Onderwerp Oordeel Facet Oordeel 3. Inzet van Voldoende 12. Eisen WO Goed personeel 13. Kwantiteit personeel Voldoende 14. Kwaliteit personeel Voldoende 4. Voorzieningen Voldoende 15. Materiële voorzieningen Voldoende 5. Interne kwaliteitszorg Voldoende 6. Resultaten Voldoende 16. Studiebegeleiding Voldoende 17. Evaluatie resultaten Voldoende 18. Maatregelen tot verbetering Voldoende 19. Betrokkenheid van medewerkers, Voldoende studenten, alumni en beroepenveld 20. Gerealiseerd niveau Voldoende 21. Onderwijsrendement Voldoende Eindoordeel van de commissie over de bacheloropleiding Biologie en de masteropleiding Biologische wetenschappen De commissie komt, op grond van haar oordelen voor de onderwerpen en facetten uit het accreditatiekader, tot het volgende eindoordeel: De bacheloropleiding Biologie voldoet aan de eisen voor basiskwaliteit die een voorwaarde zijn voor accreditatie. De masteropleiding Biologische wetenschappen voldoet aan de eisen voor basiskwaliteit die een voorwaarde zijn voor accreditatie. 54 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
BIJLAGEN QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 55
56 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
Bijlage A: Curricula vitae van de leden van de visitatiecommissie Prof. dr J.W. (Jan) Kijne (1947) is emeritus hoogleraar BioScience aan de Universiteit Leiden. Hij studeerde biologie in Leiden en promoveerde in 1979 bij prof. Ton Quispel op een proefschrift over symbiotische stikstofbindende wortelknolletjes van de erwt, een onderwerp dat zijn verdere onderzoeksactiviteiten bleef bepalen. Hij bezette de Leidse leerstoelen Fytotechnologie (i.s.m. TNO, 1994 1997), Plantenfysiologie (1997 2006) en BioScience (2006 2010), en bekleedde een gastprofessoraat Microbiologie aan de Universiteit van Tromsø, Noorwegen (1995 2000). Daarbij was hij opleidingsdirecteur Biologie (1996 2002), vice-decaan van de Faculteit der Wiskunde en Natuurwetenschappen (2002 2008) met de portefeuille onderwijs, en wetenschappelijk directeur van het Pre-University College (2004 2008). Prof. dr J. (Jannie) Borst (1957) is verbonden aan het Nederlands Kanker Instituut Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis en is bijzonder hoogleraar experimentele oncologie aan de Universiteit van Amsterdam. Zij studeerde biologie en scheikunde aan de Universiteit Leiden. Het onderzoek dat zij verrichtte voor haar promotie vond plaats aan het Dana-Farber Cancer Institute van de Harvard Medical School in Boston. Zij promoveerde in 1985 aan de Universiteit Leiden. In 1992 verwierf zij een positie aan het NKI-AVL, waar zij in 2002 hoofd werd van de Divisie Immunologie. Sinds 1999 is zij ook hoogleraar Experimentele Oncologie aan de Universiteit van Amsterdam. Jannie Borst leidt een groep van ongeveer tien onderzoekers en is de auteur van meer dan 150 peer-reviewed artikelen. Haar onderzoek richt zich op dit moment vooral op celoverleving en op cell death signaling pathways in lymphocytes and tumor cells. K.C. (Kimo) van Dijk (1985) studeert Biologie (specialisatie Ecology and Evolution) aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is vanaf zijn tweede studiejaar vele jaren actief geweest als student-voorlichter met de diverse taken die daarbij horen. Daarnaast is hij student-assistent geweest voor practica, veldwerk en Basiskwalificatie Onderwijs (BKO). Hij is niet alleen actief in onderwijsgerelateerde activiteiten, maar ook bij maatschappelijke (jongeren)organisaties op het gebied van natuur en duurzaamheid. Prof. dr W.P.M. (Wiel) Hoekstra (1939) studeerde Scheikunde (met als bijvak Microbiologie) aan de Universiteit Utrecht en promoveerde in 1966 aan diezelfde universiteit. Nadat hij onder meer postdoc was geweest aan de University of Edinburgh werd hij in 1980 hoogleraar Algemene Microbiologie aan de Universiteit Utrecht. Hij was decaan van de Faculteit Biologie van 1998 tot 2003 en voorzitter van de Biologische Raad van 1991 tot 2000. Na zijn emeritaat in 2004 was hij van 2004 tot 2006 directeur van de Instituten Levenswetenschappen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Hij is lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en Officier in de Orde van Oranje Nassau. Prof. dr F. (Frans) Ollevier (1942) is emeritus hoogleraar aquatische ecologie aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij behaalde in 1970 zijn licentiaat in de Wetenschappen aan de Afdeling Dierkunde van de Katholieke Universiteit Leuven en in 1977 zijn doctoraat aan dezelfde universiteit. Na verschillende andere functies te hebben bekleed, werd hij in 1988 benoemd tot gewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven, tot hoofd van het Laboratorium voor Aquatische Ecologie en tot hoofd van de Afdeling Systematiek en Ecologie der Dieren. Hij was onder meer lid van de evaluatiecommissie Aquatic Sciences van de International Foundation for Science, gasthoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel, QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 57
en lid van de wetenschappelijke raad van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Hij ging in 2007 met emeritaat. Prof. dr J.L. (Jeanine) Olsen (1952) is hoogleraar mariene ecologie en evolutie aan de Rijksuniversiteit Groningen en voorzitter van het Department of Marine Benthic Ecology and Evolution (MarBEE). Zij promoveerde in 1986 aan de University of California at Berkeley in de plantenbiologie. Zij was verder onder meer co-director van het Laboratory of Molecular Systematics en Curator of Botany aan het Smithsonian Institution in Washington DC. Sinds 1990 is zij verbonden aan het Department of Marine Biology van de Rijksuniversiteit Groningen. Haar onderzoek richt zich vooral op population genetics/genomics and phylogeography of marine algae, seagrasses, fish and invertebrates. Zij heeft meer dan 130 peerreviewed artikelen gepubliceerd. Jeanine Olsen is onder meer lid van de Raad voor Aard- en Levenswetenschappen van de KNAW en coördinator van het Zostera marina genome sequencing project. Zij is onlangs gekozen als lid van de Scientific Advisory Board van het Leibniz Institute for Marine Sciences in Kiel (Duitsland) en van het Centre for Marine Evolution and Biodiversity van de universiteit van Gothenburg (Zweden). Prof. dr S.E. (Sjoerd) Wendelaar Bonga (1943) promoveerde aan de Vrije Universiteit Amsterdam, waar hij zich specialiseerde in dierfysiologie. Hij begon zijn wetenschappelijke loopbaan bij de vakgroep Biologie aan de Rijksuniversiteit Groningen en was hoogleraar dierfysiologie en ecofysiologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zijn onderzoek was vooral gericht op adaptatiefysiologie, in het bijzonder op de mechanismen van adaptatie aan environmental stressors. Van 1993 tot 1998 was hij tevens directeur van de Research School for Environmental Chemistry and Toxicology van Wageningen Universiteit. Van 1989 tot 1992 en van 1998 tot 2006 was hij decaan van de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de Radboud Universiteit Nijmegen. Wendelaar Bonga is lid van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Hij ging in 2008 met emeritaat. 58 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
Bijlage B: Domeinspecifiek referentiekader Het domein van de biologie is het leven. De levende natuur, met inbegrip van de mens, is een groot geïntegreerd systeem met eenheid, zelfregulatie en zelforganisatie, signalen en interacties (biotisch en abiotisch), reproductie, en evolutie als centrale concepten. Ten behoeve van de analyse van het systeem worden verschillende deelgebieden en organisatieniveaus onderscheiden. Hoewel deze aanpak een grote hoeveelheid verschillende puzzelstukjes oplevert, is het voor biologen volstrekt duidelijk dat zij aan een en dezelfde legpuzzel werken. Het is de eenheid in de grote verscheidenheid van aspecten van het leven, die in elke opleiding Biologie centraal moet staan. De mens gebruikt momenteel meer hulpbronnen voor zijn bestaan dan de aarde kan bieden. Wie dit urgente probleem op een duurzame manier wil oplossen en het evenwicht tussen mens en natuur wil herstellen zal optimaal gebruik moeten maken van biologische kennis, temeer omdat de levende natuur nog veel geheimen heeft en vaak nog onbekend is welke gevolgen een ingreep heeft op andere delen van het systeem of op het systeem als geheel. Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat door de ontwikkeling van gedrag en communicatie van de mens veel maatschappelijke aspecten een biologische component hebben, waarmee de biologie vaste voet aan de grond heeft gekregen in de sociale wetenschappen en in het onderzoek naar culturele evolutie. Biologische kennis is onmisbaar op de gebieden van, bijvoorbeeld, gezondheid en ziekte, management van kringlopen, duurzame energie, natuurbeheer en behoud van biodiversiteit, voedselbeschikbaarheid en veiligheid, en forensische methoden, en evolutionair denken biedt inspiratie aan psychologen, taalkundigen, archeologen, sociologen en economen. Bovendien brengt de studie van de levende cel een groot aantal innovatieve technologieën voort, zoals bijvoorbeeld genetische modificatie, synthetische biologie, toepassing van stamcellen, artificiële fotosynthese, fermentatietechnologie, bioinformatica, en biomathematische modellen. De uiteenlopende maatschappelijke posities waarop biologen gewenst zijn stellen de opleidingen voor de uitdaging om studenten voor te bereiden op een werkkring in de gebieden van fundamenteel onderzoek, toegepast onderzoek en technologie, educatie, communicatie en beleid, zowel in de biologie als in de grensgebieden met andere wetenschappen. Elke opleiding Biologie lijkt door dit alles op een spin, die actief is in een groot maatschappelijk web. Van deze spin vormen de centrale concepten van de biologie het lijf, terwijl de poten in aantal en kleur afhankelijk zijn van de onderzoeksthema s binnen de instelling en van de mogelijkheden tot directe samenwerking met andere fundamentele en toegepaste wetenschappen en maatschappelijke instellingen. De doelstelling van de opleiding Biologie moet zijn om de student een diep inzicht te verschaffen in de samenhang en complexiteit van biologische systemen, in interactie met de abiotische omgeving. De student moet de academische en technische vaardigheden opdoen die hem/haar toestaan om zelf nieuwe inzichten aan te dragen. Verwondering over en bewondering voor de wijze waarop de natuur functioneert en georganiseerd is zullen de student inspireren om zelf aan kennisvermeerdering bij te dragen - waarmee een nieuwe onderzoeker is geboren - of om de verworven kennis uit te dragen naar de samenleving, als leraar, voorlichter, politicus of anderszins. Tenslotte kan deze inspiratie leiden tot nieuw ondernemerschap, waarbij de kennis over biologische systemen wordt gebruikt om deze te beschermen, dan wel deze op verantwoorde wijze te benutten voor de maatschappij. QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 59
De opleiding Biologie bestaat uit een driejarige bacheloropleiding en een tweejarige masteropleiding. De bachelor opleiding is een basis-vakopleiding, de master opleiding leidt op tot junior-onderzoekers met een eigen specialisatie. De doelstellingen van de bacheloropleiding Biologie zijn het bijbrengen van voldoende kennis, inzicht en vaardigheden om de afgestudeerde in staat te stellen om onder supervisie, op academisch niveau, een bijdrage te leveren aan het herkennen, aandragen en oplossen van vraagstukken binnen het domein van de biologie, en het bereiken van een goede startpositie om binnen de biologie en haar grensgebieden met succes een masteropleiding te kunnen volgen. De Bachelor of Science in de biologie: heeft kennis van en inzicht in de mechanismen die ten grondslag liggen aan de opbouw en het dynamisch functioneren van het levende systeem, en kan aangeven hoe de diverse organisatieniveaus in de natuur hiervan afhankelijk zijn; heeft inzicht in de positie van de verschillende deelgebieden binnen het geheel van de biologie en hun relatie tot aangrenzende wetenschapsgebieden; heeft een zodanige kennis van natuurwetenschappelijke basisvakken dat hij inzicht heeft in het belang van andere natuurwetenschappen voor de biologie, en omgekeerd; heeft het vermogen om kritisch te denken, te abstraheren en een wetenschappelijke vraagstelling te analyseren; heeft inzicht in de wijze waarop gangbare hypothesen via experimenten kunnen worden getoetst en hoe verworven kennis kan leiden tot theorievorming; heeft voldoende theoretische en praktische vaardigheden om onder (strikte) supervisie onderzoek te kunnen uitvoeren; heeft inzicht in het belang en de beperkingen van het gebruik van modelorganismen; heeft de vaardigheid om met vakgenoten te communiceren over onderzoeksresultaten; heeft voldoende kennis en begrip van de maatschappelijke rol van de biologie om vanuit opgedane kennis te kunnen reflecteren op wetenschappelijke en maatschappelijke problemen; is na oriëntatie op de mogelijke afstudeervarianten en afweging van maatschappelijke perspectieven in staat een gefundeerde keuze te maken voor een masteropleiding. De doelstellingen van de masteropleiding Biologie zijn het bijbrengen van voldoende kennis, inzicht en vaardigheden om de afgestudeerde in staat te stellen om zelfstandig, op academisch niveau, een originele bijdrage te leveren aan het herkennen, aandragen en oplossen van vraagstukken binnen het domein van de biologie, over deze bijdrage met vakgenoten te kunnen discussiëren, niet-specialisten op heldere en ondubbelzinnige wijze te kunnen informeren over conclusies en overwegingen die aan het onderzoek ten grondslag liggen, en om binnen de biologie en haar grensgebieden met succes een promotieopleiding te kunnen volgen, al dan niet in combinatie met voorbereiding op een andere positie op de arbeidsmarkt dan in het (biologisch) onderzoek. De Master of Science in de biologie: heeft zodanige theoretische en praktische kennis op een of meer specialistische deelgebieden van de biologie dat hij/zij onder globale supervisie onderzoek kan uitvoeren; heeft het vermogen tot zelfstandige analyse van wetenschappelijke problemen, analyse van relevante vakliteratuur, formulering van toetsbare hypothesen, het opzetten en uitvoeren van onderzoek, en kritische reflectie op eigen onderzoek en dat van anderen; heeft het vermogen om verschillende deelgebieden van de biologie met elkaar in verband te brengen en te integreren; 60 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
kan interdisciplinair denken; heeft het vermogen tot heldere mondelinge en schriftelijke presentatie van eigen onderzoeksresultaten, en de vaardigheid om met vakgenoten te communiceren en zijn haar onderzoeksresultaten als congresbijdrage of als (onderdeel van een) wetenschappelijke publicatie te presenteren; heeft voldoende inzicht in de maatschappelijke rol van de biologie om daarover te kunnen reflecteren en mede daardoor te komen tot een ethisch verantwoorde attitude en overeenkomstige beroepsuitoefening. Eisen die aan de opleiding gesteld mogen worden de beoogde eindkwalificaties van de opleiding zijn wat betreft inhoud, niveau en oriëntatie geconcretiseerd en voldoen aan internationale eisen; het programma, het personeel en de opleidingsspecifieke voorzieningen maken het voor de instromende studenten mogelijk om de beoogde eindkwalificaties te realiseren; de oriëntatie van het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek en de beroepspraktijk; de opleiding beschikt over een adequaat systeem van toetsing en toont aan dat de beoogde eindkwalificaties worden gerealiseerd; de opleiding beschikt over een adequaat systeem van communicatietraining, en voelt zich medeverantwoordelijk voor de opleiding van academische leraren; de opleiding biedt verschillende werkvormen aan (hoorcolleges, al dan niet ondersteund door werkcolleges en vaardigheidsoefeningen, practica, literatuuronderzoek, onderzoekstages en zelfstudie), gericht op bevordering van zelfwerkzaamheid; de opleiding stimuleert de reflectie op raakvlakken tussen biologie en maatschappij, en besteedt aandacht aan academische vorming; de opleiding biedt voldoende mogelijkheden om een deel van de studie in het buitenland door te brengen. Randvoorwaarden Om de doelstellingen te realiseren zal de opleiding tenminste aan de volgende randvoorwaarden moeten voldoen: een strategische visie van opleiding en/of faculteit; een sterke strategische positie binnen de instelling om deze visie te kunnen effectueren; beschikbaarheid van goede faciliteiten m.b.t. het onderzoek en de onderscheiden studiefasen; beschikbaarheid van docenten die naast hun eigen onderzoeksspecialisatie een breed overzicht over de biologie hebben, zodat de eenheid van de biologie een centrale rol in de opleiding kan spelen; goed personeelsbeleid met resultaat- en ontwikkelingsgesprekken, een belangrijke rol van onderwijs bij carrièreperspectief en deskundigheidsbevordering; een evenwichtige verhouding tussen onderwijs- en onderzoeksinspanning bij de staf goede voorlichting, studie- en keuzebegeleiding; doordachte roostering en reglementering; goed monitorsysteem ten aanzien van studieresultaten; een goed functionerend systeem voor kwaliteitszorg waarbij studieonderdelen, studiefasen en de gehele studie met regelmaat worden geëvalueerd. QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 61
62 QANU / Biologie, Universiteit Utrecht
Bijlage C: Bezoekprogramma Programma voor het bezoek van de visitatiecommissie Biologie aan de Universiteit Utrecht op 25 en 26 november 2009 Dag 1: 11:00 14:00 Voorbereidende bijeenkomst van de visitatiecommissie: bespreking van de zelfevaluatierapporten en de afstudeeropdrachten van de te beoordelen opleidingen; bestuderen documenten 14:00 15:00 Gesprek met inhoudelijk verantwoordelijken (opleidingsdirecteur, afdelingsvoorzitter, verantwoordelijk hoogleraar, opstellers zelfevaluatierapport, opleidingscoördinatoren etc.) 15:00 15:45 Bachelorstudenten (ongeveer 3 per jaar, maximaal 10) 15:45 16:30 Masterstudenten (6 tot 8) 16:30 17:15 Docenten (maximaal 10) 17:15 17:45 Alumni (6 tot 8) 19:00 21:00 Diner voor commissieleden, evt. met vertegenwoordiger CvB, decaan, opleidingsdirecteur Dag 2: 09:00 09:30 Studenten van de opleidingscommissie 09:30 10:00 Docenten van de opleidingscommissie 10:00 10:30 Examencommissie en studieadviseur 10:30 11:00 Rondleiding en eventueel spreekuur 11:00 11:30 Overleg commissie, voorbereiding op gesprek met formeel verantwoordelijken 11:30 12:30 Afsluitend gesprek met formeel verantwoordelijken (faculteitsbestuur, opleidingsdirecteur) 12:30 13:00 Lunch 13:00 16:00 Opstellen voorlopige bevindingen 16:00 16:30 Mondelinge rapportage voorlopig oordeel, afsluiting bezoek 16:30 17:00 Receptie QANU / Biologie, Universiteit Utrecht 63