Informatie over de Tussentest Teije de Vos
2010, Boom test uitgevers, Amsterdam. Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912. Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro). No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher. Ontwikkeld door Cedin/Eduforce Omslagontwerp: Philip Stroomberg Verzorging binnenwerk: H&R Communicatieve Vormgeving, Purmerend www.boomtestuitgevers.nl info@boomtestuitgevers.nl
INFORMATIE OVER DE TUSSENTEST De Tussentest is een recent ontwikkelde test die is toegesneden op de vraag van ouders en basisscholen naar een hulpmiddel om bij kinderen in groep 6 van de basisschool te peilen wat hun onderliggende mogelijkheden zijn. Op elke basisschool worden reeds vele jaren de schoolvorderingen bijgehouden via alle mogelijke toetsen. Tot nu toe waren er echter geen middelen waarmee de factoren die aan het leren ten grondslag liggen, konden worden gemeten. De Tussentest biedt inzicht in kennis- en aanlegfactoren, waarmee de samenhang tussen leerprestaties en mogelijkheden zichtbaar gemaakt kan worden. Tevens wordt via een gedragsvragenlijst (de LeerMotivatieTest) bij de leerling nagegaan in welke mate de gedragskenmerken leermotivatie, zelfvertrouwen en doorzettingsvermogen zijn ontwikkeld. Het niveau waarop deze kenmerken in een leerling aanwezig zijn, kan een aanwijzing vormen voor de leerbevorderende dan wel leerbelemmerende invloed ervan. In feite leveren de resultaten op de Tussentest een indicatie op voor de leerpotentie van leerling. Dat wil zeggen dat van een leerling die op de Tussentest een gemiddeld resultaat haalt, verwacht mag worden dat hij of zij ook bij de schoolse vaardigheden tot de gemiddelde leerling mag worden gerekend. Uiteraard moet in de beoordeling hiervan ook rekening worden gehouden met de resultaten op de zojuist genoemde gedragsvragenlijst. Berekening van het IQ Op verzoek kan voor bijzondere doelen tegen een extra vergoeding het IQ van de leerling worden berekend. De Tussentest is nog in het proces van certificering door de Cotan. De IQ score mag daarom (nog) niet gebruikt worden voor indicatiestelling of verwijzing. Het is uitsluitend bestemd om een indicatie te verkrijgen omtrent het denk- en begripsniveau. Opbrengstmeting Behalve om het begrips- en denkniveau van de leerling vast te stellen, kunnen de scores ook gebruikt worden voor een opbrengstmeting van het gegeven onderwijs. De Tussentest op zich is geen instrument voor schoolvorderingen, maar aan de hand van de gegevens van uw leerlingvolgsysteem kunt u, zowel voor de leerling als de groep, nagaan of de resultaten van uw onderwijs (wat komt eruit?) overeenkomen met de gemeten potentie/aanleg (wat zit erin?). De Tussentest wordt dan dus gebruikt om de resultaten van het leerlingvolgsysteem in perspectief te zetten. Van een gemiddelde leerling zouden de leerresultaten idealiter eveneens gemiddeld moeten zijn. Liggen de leerresultaten bij een bepaalde leerling hoger dan verwacht, dan zijn omgevingsfactoren, gedragskenmerken, leerklimaat, e.d. kennelijk zeer gunstig voor de betrokken leerling. Blijven de leerresultaten achter ten opzichte van de verwachting, dan verdient het aanbeveling na te gaan welke factoren kennelijk remmend werken op de ontplooiing van de betrokken leerling.
TUSSENTEST Beschrijving van de kennis- en aanlegfactoren Verbaal/Theoretisch (VT) WS. Woordenschat De woordenschat is iets wat nodig is voor het begrijpen van alles wat gezegd of gelezen wordt. In de test wordt woordenschat gemeten door te kijken in hoeverre kinderen de synoniemen van een flink aantal woorden kennen. Een woordenschat bouw je als kind op in je thuismilieu, op school, etc. Waar veel gesproken, gelezen en gediscussieerd wordt, kan een woordenschat tot ontwikkeling komen. De taligheid van het milieu kan er dus een bijdrage aan leveren. In Woordenschat zitten ook aspecten van algemene ontwikkeling, zaken waar je als kind mee in aanraking bent gekomen. Een school kan veel doen aan de ontwikkeling van de woordenschat door het uitleggen van begrippen die in leesteksten, kringgesprekken en projecten aan de orde komen. VA. Logisch redeneren met woorden: Analogieën Bij logisch redeneren komt de intelligentie van een kind aan bod. In de test moet het kind een redeneerregel ontdekken door voor zichzelf de relatie tussen twee aangeboden begrippen onder woorden te brengen. Vervolgens moet het kind deze afgeleide regel toepassen door bij in de test cursief en vetgedrukte woorden díe woorden te kiezen die aan de regel voldoen. Deze vaardigheid kan abstract verbaal redeneervermogen genoemd worden. VX. Logisch redeneren met woorden: Exclusie In de test wordt eveneens het logische redeneren van het kind gemeten; per opgave wordt een reeks van vier woorden aangeboden waarvan er één niet in de reeks thuishoort. De drie andere woorden hebben een gemeenschappelijke achtergrond of een gemeenschappelijk kenmerk. Het kind heeft tot taak de gemeenschappelijkheid in drie van de vier woorden vast te stellen. Natuurlijk speelt algemene ontwikkeling een belangrijke rol in dit onderdeel. Wiskundig/Praktisch (WP) RI. Ruimtelijk inzicht Bij deze test moet het kind een aangeboden figuur denkbeeldig aanvullen tot een vierkant. Ruimtelijk inzicht wordt al vele jaren belangrijk gevonden als onderdeel van intelligentietests. Bij dergelijke tests behoort ruimtelijk inzicht tot de performale onderdelen, in tegenstelling tot de verbale onderdelen waarbij taalbegrippen een rol spelen. FR. Logisch redeneren met figuren: Reeksen Net als bij test AN (Logische redeneren met woorden: analogie) moet bij deze test een redeneerregel worden ontdekt. De test bestaat uit een reeks van 4 figuren die van links naar rechts gaand een bepaalde ontwikkeling doormaken. Direct rechts van deze 4 figuren is plaats voor een 5de figuur. Op de
plaats van het 5de figuur staat een vraagteken. Het kind moet aan de hand van de eerste 4 figuren ontdekken volgens welk principe deze ontwikkeling zich voltrekt. Uit een tweede reeks van 5 figuren moet het kind een figuur selecteren die op de plaats van het vraagteken moet staan. Door de juiste figuur aan te geven, geeft het kind er blijk van dat hij of zij dit principe ontdekt heeft. Deze test staat dichtbij wat non-verbale intelligentie kan worden genoemd. FX. Logisch redeneren met figuren: Exclusie Waar het bij test EX (Logisch redeneren met woorden: exclusie) om verbale begrippen gaat, gaat het bij deze test om figuren. De opgaven bestaan uit 4 figuren, waarvan er drie een gemeenschappelijk kenmerk hebben. Het kind moet proberen te ontdekken wat die gemeenschappelijkheid is.
LEERMOTIVATIETEST Beschrijving van de gedragskenmerken Deze test geeft een beeld van de persoonlijkheidsaspecten (Gedragskenmerken) die van belang zijn voor het schoolse leren. Deze aspecten zijn: Leermotivatie, Zelfvertrouwen, Doorzettingsvermogen en Sociale Wenselijkheid. De test is in de vorm van uitspraken, gevolgd door twee of drie mogelijke antwoorden waarvan het kind er één moet kiezen. LM. Leermotivatie Leermotivatie betreft de mate waarin de leerling de behoefte heeft om op school te presteren. Nadrukkelijk wordt erop gewezen, dat het alleen gaat om leermotivatie en niet om motivatie in het algemeen. Lage scores wijzen op een duidelijke tegenzin in het schoolse leren, met name in het leren van theorievakken. Hoge scores wijzen op juist een goede zin in het schoolse leren. ZV. Zelfvertrouwen Zelfvertrouwen geeft aan of de leerling in staat is om met gevoelens van spanning om te gaan die zich kunnen voordoen in schoolse situaties. Te denken valt aan situaties voor het bord, of bij repetities of overhoringen. Leerlingen die het gevoel hebben zich in dat soort situaties zwakker te voelen, hebben over het algemeen een relatief groot gebrek aan zelfvertrouwen. Ze denken al gauw dat ze iets niet kunnen. Het begrip faalangst speelt hierbij een belangrijke rol. Het is het soort angst, dat een blokkerende werking heeft en waarbij zelfs lichamelijke verschijnselen kunnen optreden. Te denken valt aan stotteren, blozen, transpireren en misselijkheid. Lage scores wijzen op een gebrek aan zelfvertrouwen en een zekere mate van faalangst. Hoge scores wijzen op het tegendeel. DV. Doorzettingsvermogen Doorzettingsvermogen betreft de mate waarin de leerling juist een bepaalde spanning nodig heeft om tot optimale prestaties te kunnen komen. Het gaat als het ware om een spanning in relatief ongestructureerde situaties, die een kind juist extra aanzet tot het leveren van een goede prestatie. Kinderen met lage scores hebben de neiging om taken, die niet zonder meer op te lossen zijn, met tegenzin of zelfs helemaal niet uit te voeren. Hoge scores wijzen op een zekere volharding bij het willen uitvoeren van taken. Het kind zet bij wijze van spreken de tanden in de opgedragen taak om er iets goeds van te maken. SW. Sociale Wenselijkheid Sociale Wenselijkheid is de neiging zichzelf in een onrealistisch gunstig daglicht te stellen. Een lage score wijst erop dat het kind niet de neiging heeft om het beeld van zichzelf aan te passen in de hoop meer waardering te krijgen. Leerlingen met een lage score hebben zelfvertrouwen en zullen niet een té positief en onrealistisch beeld van zichzelf geven. Met zeer veel sociaal wenselijke antwoorden krijgen we te weinig zicht op de leerling zelf. Kinderen met een hoge score zijn er vaak niet zozeer op uit waardering te krijgen, maar trachten eerder afkeuring te vermijden. Ze zijn geneigd hun gedrag te richten naar de norm en toe te geven aan de eisen van anderen. In feite blijkt hieruit een gebrek aan
zelfvertrouwen. Een hoge score roept tevens de vraag op of de leerling wel zijn of haar eigen mening heeft weergegeven. Bij een hoge score moet men er daarom op bedacht zijn dat de leerling ook op de andere kenmerken een te positief beeld schildert van zichzelf. Verklaring van de uitslag Het Leerlingprofiel Op het leerlingprofiel wordt de hoogte van de scores, die op elk onderdeel zijn behaald, weergegeven door een grijze balk. De scores op de subtesten van de Tussentest kunnen de volgende waarden hebben: 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 (hoewel zeer prematuur, corresponderen de waarden met het te verwachten schooladvies, van PrO t/m VWO, naar analogie met de Drempeltest). Op het profiel wordt het Totaal als extra afgezet op een aparte schaal met een eigen frequentieverdeling (van de Totaalscores). Deze weergave is dus niet een optelsom van de grijze balkjes (!). Deze schaal geeft de score niet alleen weer in relatie tot de elf vakjes, maar tevens in relatie tot de Citoverdeling E t/m A (10, 15, 25, 25 en 25 procent van de populatie). Tevens wordt op het Leerlingprofiel de Totaalscore uitgedrukt in een Percentiel (de positie van de leerling op een schaal van 0 tot 100). Is ook het IQ gemeten, dan vindt u op dezelfde rij (tussen de blokken KENNIS en AANLEG en GEDRAGSKENMERKEN) van links naar rechts het VIQ (Verbaal/ Theoretisch), het NIQ (Wiskundig/Praktisch) en het IQ Totaal. Bij de Gedragskenmerken worden de scores in decielen uitgedrukt, dwz. ze worden verdeeld over tien vakjes en aangeduid met de termen laag, gemiddeld en hoog. Het Groepsoverzicht Het groepsoverzicht geeft een numerieke weergave van de normscores op de onderdelen en het percentiel van de totaalscore en de daarvan afgeleide niveau-score (Cito). Dit laatste is toegevoegd om een beeld te krijgen van de groepsprestatie en de Tussentest te kunnen gebruiken in het kader van opbrengstmeting. Betekenis van de afkortingen: Tussentest WS = Woordenschat VA = Logisch redeneren met woorden: Analogieën VX = Logisch redeneren met woorden: Exclusie RI = Ruimtelijk inzicht: Vierkantjes maken FR = Logisch redeneren met figuren: Reeksen FX = Logisch redeneren met figuren: Exclusie Leermotivatietest LM = Leermotivatie ZV = Zelfvertrouwen DV = Doorzettingsvermogen SW = Sociale Wenselijkheid
VOORBEELDRAPPORTAGE
TUSSENTEST LEERLINGPROFIEL GROEP 6 Leerling 03-3770BC Geboortedatum: 01-01-2000 Testdatum: 19-04-2010 Normgroep: 6 (april t/m juli) School 2010, Boom test uitgevers Teije de Vos
TUSSENTEST GROEPSOVERZICHT GROEP 6 Testdatum: 19-04-2010 Normgroep: 6 (april t/m juli) NR WS VA VX RI FR FX Perc Cito LM ZV DV SW 01 2 5 5 3 5 3 16 D 3 3 3 9 02 6 9 3 4 8 8 47 C 9 6 10 9 03 9 4 9 5 5 2 31 C 7 4 5 8 04 6 7 8 4 2 2 23 D 4 9 1 7 05 7 3 7 10 6 7 50 C 1 5 6 9 06 7 9 11 6 9 6 77 A 7 5 9 1 07 6 8 11 6 9 6 73 B 1 10 8 3 08 10 5 10 11 6 7 80 A 1 2 5 2 09 1 7 9 3 7 1 19 D 7 5 5 9 10 9 10 3 1 2 6 26 C 1 10 3 4 11 10 10 10 4 7 8 78 A 10 9 6 8 gem 6,6 7,0 7,8 5,2 6,0 5,1 4,6 6,2 5,5 6,3