Thema 2 Activiteit 9 Griez(e)len Auteur Kristoff Vosters van radiowaka.be Coördinatie Yves Bondue en Steef Coorevits beweging - drama / muzisch taalgebruik - beeld - muziek - media 1 x 50' Doelen 1 De leerlingen kunnen zich inleven in een personage qua beweging, geluid. 2 De leerlingen kunnen een ritme en melodie nazingen. 3 De leerlingen kunnen eenvoudige ritmische bouwstenen klappen. 4 De leerlingen kunnen bij eenvoudige ritmische bouwstenen woorden zoeken die passen in het ritme. 5 De leerlingen kunnen zelf een spreektekst maken a.d.h.v. ritmekaarten. Eindtermen en leerplandoelen Leermiddelen Materiaal ET GO! OVSG VVKBaO 2.2 2.4 2.5 6.3 6.4 Lied Griez(e)len 2.1a 2.2e 2.4a 2.4f 2.5a Partituur Lied Griez(e)len Bouwstenen (ritmekaarten) A4-bladen MV-MUZ-LZ-4 MV-MUZ-LZ-5 MV-MUZ-LZ-6 MV-MUZ-LZ-7 MV-MUZ-LZ-9 MV-MUZ-LZ-18 MV-MUZ-LZ-19 MV-MUZ-SI-3.1 MV-MUZ-SI-3.2 MV-MUZ-SI-3.3 MUZ-2.2 MUZ-3.1 MUZ-3.2 MUZ-10.3 MUZ-12.1 MV-ALG-13 MV-ALG-15 1
1 Instap Klasgesprek A4-bladen 2 Kern Klasgesprek 1.1 Intro lied beluisteren Laat het eerste deel van het lied Griez(e)len horen (intro, deel 1, deel 2). Vraag aan de kinderen waar ze aan denken als ze deze muziek horen? De kinderen antwoorden: spannende muziek, griezels, donker, monsters, Halloween 1.2 Woordspin Halloween Maak nu samen met de kinderen op het bord of per groep van twee of drie kinderen op een flap of blad een woordspin rond Halloween. Noteer alles waar de kinderen aan denken rond het woordje Halloween op het bord of op het blad. (Deze woordspin kun je later in je les nog gebruiken, dus die mag best uitgebreid zijn.) 2.1 Bewegen als griezels, monsters Hoe beweegt of stapt een griezel? De kinderen denken na en tonen enkele bewegingen. Mogelijke bewegingen: - Traag - grote stappen - handen, vingers in de lucht - Zet het lied Griez(e)len terug op en stap als griezels door de ruimte. Zet de muziek luid genoeg zodat de kinderen zich goed kunnen inleven. Spoor de kinderen aan om te overdrijven in hun bewegingen. Bespreek wat je gezien hebt, laat hen nog even tonen en stap een nogmaals rond in de ruimte. 2.2 Griezeltaal Stel enkele vragen: - Welk (grom/grauw)geluid maakt een griezel? - Wat zouden ze tegen elkaar zeggen terwijl ze bewegen? De kinderen denken na en laten enkele geluiden horen. Enkele geluiden: - zware stem - diepe lach - hoog stemmetje van een heks - kreet van een Noteer eventueel de monsterwoorden/geluiden op het bord. Bespreek samen met de kinderen hoe je die geluiden moet schrijven. 2.3 Bewegen en zeggen Zet het lied opnieuw op en laat de kinderen bewegen als griezels en hun geluid/kreet/woord hardop zeggen. (eventueel na een bepaald teken van de leerkracht) 2
2.4 Aanleren lied Griez(e)len Spreektekst: Zeg de spreektekst fluisterend, spannend zin per zin voor. De kinderen zeggen na: Spoken, spoken, ik zie ze overal! Monsters, griezels en heksen op het bal! Zeg nu heel de spreektekst voor, kinderen zeggen na. Herhaal dit een aantal keer. Refrein: Zing of speel elke zin voor, de kinderen zingen na: Griez(e)len, griez(e)len, dat is Halloween. Al die pompoenen, zeker meer dan tien! Griez(e)len, griez(e)len, dat is Halloween. Ga jij ook nog zingen aan de deur misschien? Zing nu heel het refrein voor, kinderen zingen na. Herhaal dit een aantal keer. Oefen nu de spreektekst (strofe 1) en refrein achter elkaar. 2.5 Zingen van het lied, bewegen als griezels en griezeltaal Opbouw lied Griez(e)len Intro: 4 maten: diepe, lage toon Deel 1: 8 maten: bewegen als griezels Deel 2: 8 maten: bewegen als griezels en griezeltaal Deel 3: 8 maten: fluisterspreektekst (strofe 1) Deel 4: 8 maten: refrein zingen Deel 5: idem deel 1 bewegen Deel 6: idem deel 2 bewegen en griezeltaal Deel 7: 8 maten zelfgemaakte spreektekst (strofe 2) Deel 8: idem deel 4 refrein Deel 9: idem deel 2 bewegen en griezeltaal Deel 10: idem deel 4 refrein Zet het lied vanaf het begin op. Oefen met de kinderen de verschillende delen in, terwijl ze bewegen, spreken, zingen. Bouwstenen 2.6 Zelf een spreektekst maken We gaan nu zelf ook een deeltje (strofe 2) samen maken, namelijk een tweede spreektekst (zoals deel 2 van het lied). Hang de verschillende bouwstenen op het bord. Klap elke bouwsteen voor, de kinderen klappen na. Zeg ondertussen ook mee met bv. pam of ta. Het teken is een rust, hier knip je in je vingers. Bouwsteen 1: pam / rust of ta / rust Bouwsteen 2: pam / pam of ta / ta Bouwsteen 3: pam pam / pam of titi / ta Bouwsteen 4: pam pam / pam pam of titi / titi Klap een bouwsteen of meerdere, kinderen raden welke bouwsteen je als leerkracht klapte. Of laat een kind een bouwsteen klappen, de andere kinderen zeggen welke bouwsteen ze horen. Eventueel 2 (3 of 4) bouwstenen achter elkaar klappen, de kinderen zeggen dan bijvoorbeeld 2-1 (bouwsteen 2, nadien bouwsteen 1). 3
Oefen dit vooraf ook goed zelf in. Daarna herhaal je dit dikwijls met de kinderen, zodat ze de bouwstenen echt kennen en kunnen klappen. Zoek nu samen met de kinderen welk(e) woord(en) passen onder welke bouwsteen. Gebruik hiervoor je woordspin (instap les). Bijvoorbeeld: Bouwsteen 1: heks, herfst, spook, spin Bouwsteen 2: pompoen, masker, verkleed, monster, vampier, zombie, snoepjes Bouwsteen 3: griezelen, pompoenen, Halloween Bouwsteen 4: spookkastelen, griezelmonsters, spoken-zombies... Oefen met de kinderen elke bouwsteen goed in door de bouwsteen te klappen en ondertussen het gevonden woord mee te zeggen. Bijvoorbeeld: je klapt 1x in je handen en je zegt heks. Zorg dat de kinderen de woorden ook geloofwaardig meezeggen (stem, dramatische expressie). Bouw nu samen met de kinderen een ritme met woorden van ofwel 16 bouwstenen of 8 bouwstenen (en herhaal die dan), dus een ritme van 8 maten in 4/4. Bijvoorbeeld: Masker, monster, spookkastelen, spin. Snoepjes, zingen, pompoenen, vampier, heks. (2x) Oefen dit ritme in stukjes samen met de kinderen door voor- en nazeggen. Nadien oefen je heel het ritme. Zorg dat de kinderen deze spreektekst goed kunnen opzeggen, want dit wordt de tweede strofe van het griezellied. Zet het lied op en oefen de spreektekst. Je kunt eventueel als geheugensteun afbeeldingen gebruiken (op computer afdrukken of door kinderen laten tekenen of schilderen, elk kind één tekening). En die dan ophangen zodat kinderen de spreektekst (strofe 2) kunnen zeggen en ondertussen kunnen kijken naar de afbeeldingen. 2.7 Het volledige lied oefenen Oefen nu samen met de kinderen het volledige lied (zie opbouw lied). Je kunt op het bord eventueel a.d.h.v. pictogrammen de opbouw van het lied tonen, bv. deel 1 bewegend monster, deel 2 kreet... 3 Afsluiter Bewegen als... Zet het griezellied op en laat de kinderen bewegen als... Zoek samen met de kinderen enkele voorbeelden: - een griezelmonster met grote klauwen - een oude, mankende heks met een kat - een deftige vampier die flappert met zijn cape - een boze, stampende trol - een vliegend spook - een skelet dat dringend moet plassen -... 4
4 Tips Bij deze les zijn nog tal van mogelijkheden op elk domein van muzische vorming of andere vakken. Hier zijn er nog enkele: - Met textiel monsters, spoken of heksen knutselen (eventueel om op te hangen met touwtjes, bezem, als marionetten...) - Een schrijfopdracht: een toverdrank voor een heks verzinnen (wat heb je nodig, hoe ga je te werk, hoe gebruiken?) of heksen- / toverspreuken verzinnen - Schimmenspel, poppenspel verzinnen en in groepjes spelen - Bezemparcours maken en afleggen (eventueel in de turnles) - Heksenfeest: griezelkaart / flyers, griezelslingers maken, groene limonade mixen, toverbal / slangensnoepjes / taart / koekjes / heksenpompoensoep... 5