RAAP. Plangebied Eist-Centraal. Gemeente Overbetuwe Een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP-RAPPORT 891. RMPRAPPORT 0891 pdf

Vergelijkbare documenten
Plangebied Visvijvers te Gendt

RAAP-NOTITIE Plangebied Weideveld. Gemeente Bodegraven Een archeologische begeleiding

4 Conclusies en aanbevelingen

RAAP-NOTITIE Plangebied Houtbeekweg te Stroe Gemeente Barneveld Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek

Plangebied Amanietlaan-Varenlaan- Drieerweg Gemeente Ermelo Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

4 Archeologisch onderzoek

RAAP-NOTITIE Plangebied De Brink te Zuidlaren Gemeente Tynaarlo Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

RAAP-NOTITIE Plangebied Burloseweg Gemeente Winterswijk Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

RAAP-NOTITIE Plangebied De Botter te Hallum Gemeente Ferwerderadiel Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

Heemsteedsekanaaldijk/Overeindse weg

Adviesdocument 768. Oranjerie landgoed Mattemburgh, gemeente Woensdrecht. Project: Projectcode: HOOM2. Opdrachtgever: Brabants Landschap

Plangebied Koekendaal te Doetinchem

Herstructurerings- en ontwikkelingsplan Burdaard Gemeente Ferwerderadiel Archeologisch vooronderzoek: een inventariserend veldonderzoek

Archeologisch onderzoek locaties Oranjehof en Appelgaard

6500 voor Chr. RAAP-NOTITIE 4478 Plangebied Noorderweg 27 te Noordwijk 3750 voor Chr. Gemeente Marum Archeologisch vooronderzoek: een verkennend veldo

Beulakerweg 127 te Giethoorn, gem. Steenwijkerland (Ov.)

RAAP. Plangebled De Bürgt (deelplan Eilanden-Oost) te Barneveld. Gemeente Bameveld Een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP-NOTITIE 774 O 5

Plangebied Wytsmastraat te Burdaard Gemeente Ferwerderadiel Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

Quick scan archeologie, gemeente Loon op Zand, Kaatsheuvel Van Heeswijkstraat / Horst

Archeologie Deventer Briefrapport 27. November Controleboringen Cellarius - De Hullu (project 494)

Plangebied Dorpeldijk/Heldamweg

8 QUICKSCAN 2017 ARCHEOLOGIE KLAVER Gemeente Horst aan de Maas

Adviesnotitie (Quickscan) Middenweg te Horssen

Adviesdocument 434. Project: Adviesdocument, N.C.B.-laan te Veghel, gemeente Veghel. Projectcode: 14714VENCB. Opdrachtgever: Aveco de Bondt

ArcheoPro Archeologische rapporten nr Archeologische bouwbegeleiding Klimmen gemeente Voerendaal. Souterrains Partner of ArcheoPro

Archeologie en cultuurhistorie Strijpsche Kampen

Archeologische Begeleiding Plangebied Plofsluis Gemeente Nieuwegein

RAAP België - Rapport 027 Rupelmonde Kleine Gaanweg, aanleg visvijver (gemeente Kruibeke)

Extern Advies. Gemeentelijke archeologische kaart

Plangebied H.W. Iordensweg te Twello

Hoofdweg 39 te Slochteren (gemeente Slochteren) Een Archeologisch Bureauonderzoek

RAAP. Plangebied Zuiderzijderpolder. RAAP-NOnnE 375. Gemeente Bodegraven Een inventariserend archeologisch onderzoek

Heesch - Beellandstraat

Een Archeologisch Bureauonderzoek voor het bestemmingsplan De Grift 3 in Nieuwleusen (gemeente Dalfsen, Overijssel). Figuur 1.

Plan van Aanpak. Archeologisch vooronderzoek, bureau- en inventariserend veldonderzoek. gemeente Nieuwkoop

Plangebied Elst Centraal, deelgebied Bemmelseweg te Elst

Plangebied De Hullen 4 te Drijber

Ede, Roekelse Bos (gem. Ede)

Bureau voor Archeologie. Plan van Aanpak booronderzoek Achterdijk 2-1, Arkel, gemeente Giessenlanden

Plangebied kapschuur aan de Holte 17 te Onstwedde

Verslag bureauonderzoek Geldermalsen, Prinses Marijkeweg

Onderzoeksgebied Klaver 5 in Sevenum

Tzummarum, Buorren Gem. Franekeradeel (Frl.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek. Steekproefrapport /10

GEMEENTE WIERDEN ARCHEOLOGISCHE INVENTARISATIE EN VERWACHTINGSKAART

Papendrecht, Westeind 25, gemeente Papendrecht (ZH). Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek. Transect-rapport 528 (concept 1.

Ranst Vaartstraat, Pomuni Trade (gemeente Ranst)

Plangebied Hengelosestraat/Noordsingel Gemeente Haaksbergen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

RAAP-RAPPORT 706 Nieuwbouwlocaties, bedrijventerrein en rotonde in de polder Breeveld Gemeente Woerden Een Aanvullende Archeologische Inventarisatie

Bijlage 4 Archeologisch onderzoek

ArGeoBoor Archeologisch vooronderzoek & advies

Nieuw Delft veld 3 en 8 (westelijk deel)

Plangebied Kasteellaan 2

Figuur 4.1 Stroomschema archeologie gemeente Terneuzen

ADVIES ARCHEOLOGIE 16 dec 2013

RAAP-RAPPORT Plangebied Hoog Dalem Gemeente Gorinchem Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek

Archeologisch vooronderzoek, bureau- en inventariserend veldonderzoek

Zuidnederlandse Archeologische Notities

ArGeoBoor Archeologisch vooronderzoek & advies

Quickscan Archeologie. Bedrijfsunits te Deil. Gemeente Geldermalsen

RAAP. Bedrijventerrein Vorst. Gemeente Boxtel Een Aanvullende Archeologische Inventarisatie RAAP-RAPPORT 697. RAAPRAPPORT 0697.pdf

Archeologisch booronderzoek voor het plangebied Utrechtseweg 82 te Zeist. K oen Hebinck

Heenvliet, Steenhoeck-Welleweg Gem. Bernisse (ZH.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek. Steekproefrapport /11Z

ArGeoBoor Archeologisch vooronderzoek & advies

Bureau voor Archeologie Rapport 273

Nieuwe Waalreseweg 199, Valkenswaard (gemeente Valkenswaard)

Plangebied Koningstraat 10

Plangebied Sportterrein te Lippenhuizen

Plangebied IJsselbos-west te IJsselstein

N76, Zwartberg, gemeente Genk

Plangebied naast Warfhuisterweg 12 te Wehe-Den Hoorn (gemeente De Marne) Een Archeologisch Bureauonderzoek

PlangebiedLingewijk-Noord (GemeenteGorinchem)

Bijlage 1 Aanvullend advies archeologisch onderzoek, Wozoco Giessenburg, Neerpolderseweg 19, Giessenburg, Gemeente Giessenlanden

Plangebied Zijtak OZ 104 te Nieuw Amsterdam Gemeente Emmen Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek

Pagina 1 van 7 Archeologie West-Friesland, Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn, Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Plangebied Groeneweg/Homaat te Westerbork

Archeologisch veldonderzoek Hoogheemraadschap van Delfland

Archeologietoets. locatie kerkstraat 57 Riel gemeente Goirle

Plangebied Heemsteedsekanaaldijk/Overeindseweg

Plangebied Plantsoensingel Zuid te s-heerenberg

Oude Amersfoortseweg 99 te Hilversum rapport 2022

Appeltern, Dijkgraaf de Leeuwweg Gem. West Maas en Waal (Gld.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek. Steekproef-rapport /07

PLAN VAN AANPAK Waarderend booronderzoek

Rotterdamseweg 202 in Delft

Hogeweg 85 te Rossum, gemeente Maasdriel

Gageldijk. GAG: Archeologische begeleiding rond de aanleg van een fietsviaduct aan de Gageldijk, gemeente Utrecht. Basisrapportage Archeologie 109

Delftse Archeologische Notitie 129. Markt 85, Delft. Een archeologische begeleiding. Jorrit van Horssen

Moordrecht, Stevensstraat (gemeente Moordrecht, ZH) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek Steekproefrapport /01

Plan van Aanpak. PvA A I / Johan de Wittlaan 13 te Woerden (gemeente Woerden) 1

ArGeoBoor Archeologisch vooronderzoek & advies

Averboodse Baan (N165), Laakdal

Ruimtelijke onderbouwing archeologie Vijf Akkers-Noord, Moordrecht (gemeente Zuidplas). Notitie TML554

Archeologisch onderzoek te Macharen Kerkstraat

Libau, 10 augustus Tracé Aduard - Dorkwerd Een Archeologisch Bureauonderzoek

Heerenveen, Bloemenbuurt Gem. Heerenveen (Frl.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek. Steekproefrapport /07

MEMO. Alphen aan den Rijn. Stevinstraat CR ALPHEN AAN DEN RIJN. Contactpersoon opdrachtgever Dhr. R. Teunisse; (0172) / (06)

Locatie OPZ, Stelenseweg, Geel

IJsselbos-west in IJsselstein

Bijlage 4 Bepaling archeologische verwachtingswaarden

ArGeoBoor Archeologisch vooronderzoek & advies

memo Locatiegegevens: Inleiding

Transcriptie:

RAAP RAAP-RAPPORT 891 Plangebied Eist-Centraal Gemeente Overbetuwe Een inventariserend archeologisch onderzoek RMPRAPPORT 0891 pdf

RAAP RAAP-RAPPORT 891 Plangebied Eist-Centraal Gemeente Overbetuwe Een inventariserend archeologisch onderzoek

Colofon Opdrachtgever: gemeente Overbetuwe Project: archeologisch onderzoek Eist-Centraal (gemeente Overbetuwe) Titel: Plangebied ELst-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek Status: eindversie Datum: april 2003 Auteur: drs. N.M.J.E. Boemaars Bestandsnaam: L:\QXPress\2003\0VST\RA891-0VST.qxd Projectcode: OVST Projectleider: drs. N.M.J.E. Boemaars Projectmedewerker: drs. A.M.V. Meij ARCHIS-waarnemingsnummer: niet van toepassing Autorisatie: drs. E. Heunks ISSN: 0925-6229 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. Zeeburgerdijk 54 1094 AE Amsterdam telefoon: 020-463 4848 telefax: 020-463 4949 E-mail: raap@raap.nl Postbus 1347 1000 BH Amsterdam RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2003 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Plangebied Eist-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP Samenvatting In opdracht van de gemeente Overbetuwe heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in januari 2003 een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van geplande werkzaamheden in de omgeving van het treinstation en het voormalige rangeerterrein van de Nederlandse Spoorwegen (NS) in Eist (gemeente Overbetuwe). Doel van het onderzoek was het opsporen van eventueel aanwezige archeologische resten en, indien mogelijk, een eerste indruk geven van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging ervan. Het veldonderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische resten in de ondergrond van het plangebied. Naar verwachting zal er als gevolg van de geplande werkzaamheden dan ook geen verstoring van archeologische waarden optreden. Op basis van de resultaten van het inventariserend archeologisch onderzoek worden derhalve geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan. Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten gelden vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaren en/of beperkingen ten aanzien van de geplande bouwwerkzaamheden. RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [3]

Plangebied Elst-Centraal. gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP Inhoud 3 Samenvatting 5 1 Inleiding 7 2 Bureauonderzoek 2.1 Methoden 2.2 Resultaten 10 3 Booronderzoek 3.1 Methoden 3.2 Resultaten 14 4 Conclusies en aanbevelingen 4.1 Conclusies 4.2 Aanbevelingen 15 Literatuur 16 Gebruikte afkortingen 16 Overzicht van figuren en tabellen 17 Verklarende woordenlijst RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [4]

Plangebied Eist-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP 1 Inleiding In opdracht van de gemeente Overbetuwe heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in januari 2003 een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd naar aanleiding van geplande werkzaamheden in de omgeving van het treinstation en het voormalige rangeerterrein van de Nederlandse Spoorwegen (NS) in Eist (gemeente Overbetuwe; figuur 1). Realisatie van de plannen kan leiden tot aantasting en/of vernietiging van eventueel aanwezige archeologische waarden. Derhalve is voorafgaand aan de realisatie van de plannen een inventariserend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Doel van het onderzoek was het opsporen van eventueel aanwezige archeologische resten en, indien mogelijk, een eerste indruk geven van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging ervan. Het plangebied betreft de omgeving van het treinstation in Eist en het gehele voormalige rangeerterrein van de NS en heeft een oppervlakte van circa 16,5 ha. In het westen wordt het plangebied begrensd door de spoorweg Nijmegen-Arnhem. In het noorden wordt deze doorkruist door de Aamsestraat. Het plangebied ligt grotendeels braak, is deels bebouwd en het meest noordoostelijke deel ervan, ten noorden van de Aamsestraat, is in gebruik als akkerland. Zowel ten noorden als ten zuiden van het plangebied heeft in het recente verleden reeds archeologisch onderzoek plaatsgevonden (Heunks, 2001, 2002a en 2002b). Een inventariserend archeologisch onderzoek bestaat uit twee fasen: - Kartering: het opsporen van archeologische resten; - Waardering: het bepalen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, diepteligging en omvang van de aangetroffen resten. Onderhavig onderzoek is beperkt gebleven tot een karterend onderzoek. Het karterend onderzoek is geheel uitgevoerd conform de normen en richtlijnen die zijn vastgelegd in het Handboek ROB-specificaties (Brinkkemper e.a., 1998) en conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (Voorbereidingscommissie Kwaliteitszorg Archeologie, 2001). Voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden wordt verwezen naar tabel 1. Enkele vaktermen worden achter in dit rapport beschreven. RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [5]

Plangebied Eist-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoeli R AA P Figuur 1. De ligging van het plangebied (gearceerd); inzet: ligging in Nederland (ster). Periode Datering Nieuwe tijd 15Ö0 ' :: :-: ^i^-.^,.,r heden Late Middeleeuwen 1050 1500 na Chr. Vroege Middeleeuwen 450 1050 na Ghr. Romeinse tijd 12 voor 450 na Chr. Ijzertijd 800,,.:;:::> 12 voor Ghr. Bronstijd 2000 800 voor Ghr. Neolithicum (nieuwe steentijd) 5300 ::;::::;,;.:.::- 2000 voor Chr. Mesolithicum (midden steentijd) 8800 4900 voor Chr. Paleolithicum (oude steentijd) 300.000 8800 voor Chr. Tabel 1, Archeologische tijdschaal. RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [6]

Plangebied E Ist-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP 2 Bureauonderzoek 2.1 Methoden Ter voorbereiding van en in aanvulling op het veldonderzoek is een bureauonderzoek uitgevoerd. Tijdens het bureauonderzoek zijn relevante gegevens met betrekking tot het plangebied geïnventariseerd en bestudeerd. Op grond hiervan is inzicht verkregen in de landschappelijke, bodemkundige en archeologische kenmerken van het plangebied en de directe omgeving. Dit inzicht vormt de basis van elk gebiedsgericht onderzoek. Op grond hiervan kunnen uitspraken worden gedaan. over de genese van het landschap, de bodemopbouw en de ligging en stratigrafische positie van sedimenten waarin archeologische vindplaatsen kunnen zijn ingebed. Ook analyse van historische kaarten vormt, met name door het ontbreken van (sub)recente bebouwing en andere verstoringen, een goede mogelijkheid om de geologische opbouw van het landschap te analyseren. De volgende kaarten zijn in het kader van het bureauonderzoek bestudeerd: - de geologische kaart van Nederland (RGD, 1990); - de geomorfologische kaart van Nederland (Stiboka/RGD, 1985); - de bodemkaart van Nederland (Stiboka, 1975); - de zanddiepte-attentiekaarten van het Gelderse rivierengebied, schaal 1:25.000, blad 24 (Berendsen e.a., 1994); - de archeologische kaart van Nederland, schaal 1:100.000, blad Oostelijk rivierengebied (Willems, 1986); - de Chromotopografische Kaart des Rijks (ROBAS Producties, 1989); - de Grote Historische Atlas van Nederland (Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990). Tevens is gebruik gemaakt van de resultaten van diverse onderzoeken uit het verleden in de nabije omgeving van het plangebied (Heunks, 2001, 2002a en 2002b). Om inzicht te krijgen in het voorkomen van archeologische vindplaatsen in (de nabijheid van) het plangebied zijn het Centraal Archeologisch Archief (CAA) en het Centraal Monumenten Archief (CMA) van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort alsmede het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) geraadpleegd. RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [7]

Plangebied Eist-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP 2.2 Resultaten 2.2.1 Geologie Het plangebied maakt deel uit van een omvangrijk gebied met holocene stroomgordelafzettingen in het zuidelijke deel van de Over-Betuwe. Deze stroomgordel- afzettingen, bestaand uit bedding-, oever- en restgeulafzettingen, worden gerekend tot het stroomsysteem van de Ressense stroomgordel (Berendsen & Stouthamer, 2001). Deze stroomgordel wordt gekenmerkt door een ondiepe ligging van de top van het gefundeerde zand (vanaf ca. 1 tot 2 m -Mv) en wordt doorsneden door een complex stelsel van restgeulen. Terwijl de vroegste fase van de stroomgordel reeds gedateerd kan worden op tenminste 5500 voor Chr., wordt verondersteld dat het systeem pas in de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) inactief werd. Vanaf dat moment groeide de stroomgordel van de huidige Waal in korte tijd uit tot de hoofdafvoer van het Rijnstelsel en verviel de Ressense stroomgordel tot een fossiel systeem. De langdurige activiteit van de stroomgordel, samen met het ondiep voorkomen van zand en de aanwezigheid van vele restgeulen, hebben het gebied reeds vanaf de vroege Prehistorie aantrekkelijk gemaakt voor bewoning, hetgeen tot uitdrukking komt in het relatief grote aantal bekende archeologische vindplaatsen op de stroomgordel. Op de zanddiepte-attentiekaart ligt het grootste gedeelte van het plangebied in een zone waarin het gefundeerde zand begint binnen 1 m -Mv (Berendsen e.a., 1994). In het noorden van het plangebied varieert de zanddiepte van 1,0 tot 1,5 m -Mv. In het uiterste zuiden van het plangebied is op de zanddiepte-attentiekaart een restgeul weergegeven. Het gefundeerde zand begint hier tussen 1,5 en 2,0 m -Mv. Volgens de bodemkaart (Van der Schans & Steeghs, 1957) en de geologische kaart (RGD, 1990) wordt het meest noordelijke deel van het plangebied gekenmerkt door een markante, zuidoost-noordwest georiënteerde restgeul. Uit recenter onderzoek direct ten noorden van het plangebied blijkt echter dat deze brede geul waarschijnlijk eerder noord-zuid georiënteerd is en in het plangebied gezocht moet worden onder of direct ten westen van de spoorlijn Nijmegen-Arnhem (Heunks, 2002a en 2002b). Voor het zuidelijke deel van het plangebied vormen de resultaten van een archeologisch onderzoek in een deel van de zuidelijke tangent een relevante aanvulling op de beschikbare geologische informatie (Heunks, 2001). Tijdens dit onderzoek is een deel van de zone direct ten zuiden van het plangebied door middel van booronderzoek in kaart gebracht. De zanddiepten zijn hier relatief ondiep en variëren van 1,0 tot 1,5 m -Mv. 2.2.2 Archeologie Stroomgordels vormen van oudsher aantrekkelijke locaties voor bewoning. Dit komt tot uitdrukking in de relatief hoge dichtheid aan archeologische vindplaatsen op stroomgordels in het rivierengebied. Verspreid over de zandige afzettingen RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [8]

Plangebied EUt-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoei< RAAP van de Ressense stroomgordel zijn enkele tientallen archeologisch rijke locaties bekend die vaak als een ophoging in het land (zgn. woerd) herkenbaar zijn. Met name de nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd liggen vaak aan restgeulen die gebruikt konden worden als natuurlijke vaargeulen (Berendsen, 1990; Willems, 1986). Het plangebied wordt zowel gekenmerkt door het ondiep voorkomen van zand als door restgeulen, op grond waarvan aan dit gebied een hoge archeologische verwachting mag worden toegekend voor sporen uit de Ijzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen. In de archeologische literatuur en archieven (CAA, CMA en ARCHIS) staan geen archeologische vindplaatsen uit het plangebied geregistreerd. Daarentegen wordt de nabije omgeving van het plangebied gekenmerkt door een hoge dichtheid aan archeologische vindplaatsen. Deze dateren voornamelijk uit de periode IJzertijd- Romeinse tijd. Behalve verschillende nederzettingsterreinen betreft het onder andere de fundamenten van een Romeinse tempel onder de Nederlands Hervormde kerk van Eist (Monumentnummer 4262 en ARCHIS-waarnemingsnummer 25807). Iets ten noorden van het plangebied bevindt zich een rijk nederzettingsterrein met bewoningssporen uit de Ijzertijd t/m Late Middeleeuwen. Het terrein staat bekend onder de namen de 'Hoge Hof en de 'Woerd' (Monumentnummers 1098 en 12472). Iets ten westen van dit monument is in de zomer van 2002 een (tweede) Romeins tempelcomplex vastgesteld (Heunks, 2002a). RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [9]

Plangebied Eist-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP 3 Booronderzoek 3.1 Methoden In het rivierkleigebied zijn boringen een doeltreffend middel om nederzettingsresten in kaart te brengen. De locaties waar vroeger langdurige bewoning heeft plaatsgevonden, zijn in kleibodems veelal goed waar te nemen aan de hand van duidelijke concentraties van zogenaamde archeologische verontreinigingen. Langdurig bewoonde nederzettingsterreinen zijn vaak te herkennen aan relatief donkere bodemlagen met onder andere houtskool, fosfaatverkleuringen, botmateriaal en aardewerkfragmenten (zgn. archeologische indicatoren). Nederzettingsterreinen van geringe omvang of met een korte bewoningsperiode en andere vindplaatstypen, zoals grafvelden en akkercomplexen, manifesteren zich doorgaans echter minder duidelijk. Het aantreffen van slechts enkele archeologische indicatoren in een boring kan derhalve aanleiding vormen voor het lokaliseren van een vindplaats. Behalve het aantonen van archeologische vindplaatsen dient het booronderzoek ook om inzicht te verkrijgen in de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Door middel van het booronderzoek is het mogelijk de diepteligging, dikte en stratigrafische positie van de archeologische laag (of lagen) nauwkeurig te bepalen. Daarnaast is booronderzoek een betrouwbare methode om de mate van antropogene verstoring en/of natuurlijke bodemerosie van het te onderzoeken gebied te kunnen bepalen. In beide gevallen kunnen archeologische sporen geheel of gedeeltelijk verdwenen zijn. ' De boringen zijn verricht met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm. Het gehanteerde boorgrid bestaat ter plaatse van het voormalige rangeerterrein van de NS uit drie raaien. De afstand tussen de raaien varieert. Als gevolg van bebouwing en verharde terreindelen is de afstand in het veld plaatselijk aangepast. De boringen in een raai zijn gezet op een onderlinge afstand van 50 m. Ten noorden van de Aamsestraat en ten westen van de spoorlijn zijn de boringen gezet daar waar mogelijk was. De boringen zijn zo evenredig mogelijk verdeeld over dit gedeelte van het plangebied. In totaal zijn 56 boringen geplaatst. Als gevolg van een pakket opgebrachte grond en de hiermee samenhangende droogheid en stugheid van de bodem konden enkele boringen niet verder doorgevoerd worden dan tot circa 2,0 m -Mv. Er is geboord tot maximaal 3,0 m -Mv. Alle boringen zijn volgens vaste richtlijnen geanalyseerd, beschreven, ingemeten en op kaart gezet. De x- en y-coördinaten zijn bepaald met behulp van een meetlint aan de hand van topografische kenmerken in het veld. De boringen zijn beschreven conform NEN 5104 (Nederlands Normalisatie-instituut, 1989). RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [10]

Plangebied EUt-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP 3.2 Resultaten Geologie Op het voormalige rangeerterrein van de NS (ten zuiden van de Aamsestraat en ten oosten van de spoorlijn Arnhem-Nijmegen) is in alle boringen een dikke verstoorde laag aangetroffen, die veel grind en recent puin bevat. Het betreft een pakket opgebrachte grond waarvan de dikte varieert van 50 tot 180 cm. De gemiddelde verstoringsdiepte is circa 1 m -Mv. Onder het pakket opgebracht materiaal is het natuurlijke bodemprofiel nog aanwezig. In de top van dit profiel is in veel boringen nog de oorspronkelijke bouwvoor aangetroffen. Deze is te herkennen aan een donkerbruingrijze kleur, doorworteling en het voorkomen van puindeeltjes. Ten noorden van de Aamsestraat ontbreekt het opgebrachte pakket, maar ook hier is het bodemprofiel over een groot oppervlak tot grote diepte verstoord (variërend van 0,5 tot 0,9 m -Mv). In boring 45 is de verstoringsdiepte 2,05 m -Mv. Ook hier is onder de verstoorde laag een natuurlijk bodemprofiel aangetroffen, maar ontbreekt de oude bouwvoor. Ondanks het opgebrachte pakket en de verspreid voorkomende diepe bodemverstoringen is door middel van het booronderzoek toch een goed beeld verkregen van de geologische opbouw van het plangebied (figuur 2). In grote lijnen stemt deze opbouw overeen met de bevindingen van het bureauonderzoek. De ondergrond in het grootste deel van het plangebied wordt gekenmerkt door zandige, holocene meandergordelafzettingen met een relatief ondiepe ligging van de top van het beddingzand. Op basis van zanddiepte is onderscheid gemaakt tussen drie verschillende profieltypen: - beddingafzettingen met zand beginnend binnen 1,0 m -Mv; - beddingafzettingen met zand beginnend tussen 1,0 en 1,5 m -Mv; - beddingafzettingen met zand beginnend tussen 1,5 en 2,0 m -Mv; De beddingafzettingen worden voornamelijk afgedekt door oeverafzettingen, bestaand uit lichte (zandige) klei. In het pakket met oeverafzettingen zijn in een aantal boringen tevens insluitingen van komafzettingen (zware klei) vastgesteld. De dikte van de lagen komklei varieert in het algemeen van circa 20 tot 50 cm. Als gevolg van het verspreid voorkomen van bodemverstoringen en boringen die niet diep genoeg konden worden gezet, in combinatie met de langgerekte vorm van het plangebied, kunnen de puntwaarnemingen (boringen) niet voldoende nauwkeurig naar geologische vlakken worden vertaald (figuur 2). Naast oever-op-beddingafzettingen kunnen in het plangebied enkele restgeulen worden onderscheiden. De bodemprofielen in deze restgeulen worden gekenmerkt door humeuze zware klei, plantenresten, schelpresten en zandlagen. Tevens is een relatief hoog reductieniveau kenmerkend voor geulprofielen. Een brede restgeul is aangetroffen aan weerszijden van de spoorwegovergang van de Aamsestraat. Deze geul wordt onder andere gekenmerkt door een diepe ligging van het zand (dieper dan 2 m -Mv). De geul sluit aan op de geul direct ten noorden RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [11]

Plangebied Eist-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoelc RAAP 750 t35750 I < _ 1 f 1 "S 1 I o J3.nil 111 iij I I z e «01 du O. O ti 'S g -s aj c Of O» g ^ ID I I 13 a B ^ P s s ^ 1 iti C ^ 't- "flï s en Q. o. en O. ^^.^ 3 ê s f> T3 C c c o «5 S S S b ai at c en "S ^ c ^ ^ ^ ^ i :É ü c? i' c S'a «0» c s o «4) <H 5 =1 IA Ai Plang Gerne tg 1 3 1 tr c 1 ^ 1 1 S 1 -a c C 1 o O Figuur 2. Resultaten booronderzoel<. RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [12]

Plangebied Elst-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP van het plangebied (Heunks, 2002a) en komt overeen met de door Van der Schans & Steeghs (1957) gekarteerde geul (zie 2.2.1). In tegenstelling tot de geul die door Van der Schans & Steeghs is gekarteerd, is onderhavige geul noord-zuid georiënteerd en ligt onder en direct ten westen van de spoorlijn. Wel lijkt een enkele boring op de oostelijke flank van de restgeul te zijn geplaatst (figuur 2: o.a. boringen 9 en 21). Ter plaatse van de door Van der Schans & Steeghs gekarteerde restgeul (in het plangebied) is weliswaar een mogelijke restgeul aangetroffen, maar deze is zeer smal en weinig geprononceerd. Waarschijnlijk betreft het een kleinere (kronkelwaard)geul. In het uiterste zuiden is in één boring een geulvulling vastgesteld, waarvan de ligging aansluit op een door Heunks (2001) gekarteerde, oost-west georiënteerde restgeul. Tenslotte zijn ook in het uiterste noordoosten aanwijzingen voor de aanwezigheid van een restgeul aangetroffen (boringen 7 en 8). De oriëntatie van deze geul is niet duidelijk. Archeologie Tijdens het karterend booronderzoek zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische resten. Vondsten uit boringen ontbreken en er zijn ook geen oppervlaktevondsten aangetroffen. Ondanks het over een groot oppervlak voorkomende pakket opgebrachte grond, blijkt de onderliggende bodem (inclusief de oude bouwvoor) met mogelijke archeologische resten, nog op veel plaatsten intact te zijn. Op grond van het ontbreken van archeologische indicatoren kan echter worden geconcludeerd dat in het plangebied geen (belangrijke) archeologische resten zijn te verwachten. RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [13j

Plangebied Eist-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP 4 Conclusies en aanbevelingen 4.1 Conclusies Uit het inventariserend archeologisch onderzoek in plangebied Eist-Centraal (gemeente Over-Betuwe) kan worden geconcludeerd dat op het voormalige rangeerterrein van de NS een circa 1 m dik pakket (verstoorde) grond is opgebracht. Uit de boringen blijkt echter dat onder dit opgebrachte pakket nog het natuurlijke bodemprofiel aanwezig is, waarbij op veel plaatsen een intacte oude bouwvoor is aangetroffen. De op grond van het bureauonderzoek verwachte geologische opbouw van dit landschap stemt in grote lijnen overeen met de resultaten van het booronderzoek. Het plangebied wordt gekenmerkt door relatief ondiep liggende, zandige holocene beddingafzettingen en enkele restgeulen. Aan het plangebied kan een hoge archeologische verwachting worden toegekend voor archeologische resten uit de Ijzertijd, Romeinse tijd en Middeleeuwen. Het veldonderzoek heeft echter geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische resten in de ondergrond van het plangebied. Naar verwachting zal er als gevolg van de geplande werkzaamheden dan ook geen verstoring van archeologische waarden optreden. 4.2 Aanbevelingen Op basis van de resultaten van het inventariserend archeologisch onderzoek worden geen aanbevelingen voor vervolgonderzoek gedaan. Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische resten gelden vanuit archeologisch oogpunt geen bezwaren en/of beperkingen ten aanzien van de geplande bouwwerkzaamheden. Met betrekking tot de bevindingen van onderhavig onderzoek dient contact opgenomen te worden met de provinciaal archeoloog van Gelderland (drs. F. de Roode). RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [1^]

Plangebied Eist-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP Literatuur Berendsen, H.J.A., 1990. River courses in the Central Netherlands during the Roman period. Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 40: 243-249. Berendsen, H.J.A., E.L.J.H. Faessen & H.F.J. Kempen, 1994. Zand in banen. Zanddiepte-attentiekaarten van het Gelders rivierengebied. Provincie Gelderland, Arnhem. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001. Paleogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Koninklijke Van Gorcum, Assen. Brinkkemper, 0., e.a., (redactie), 1998. Handboek ROB-specificaties. Rijksdienst >: voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Heunks, E., 2001. Zuidelijke Tangent, gemeente Overbetuwe; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI). RAAP-rapport 674. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Heunks, E., 2002a. Plangebied Westeraam, omgeving tempelcomplex, gemeente Overbetuwe; een geomorfologisch onderzoek. RAAP-rapport 848. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Heunks, E., 2002b. Plangebied Westeraam; zuid van Aamse Pad, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek (kartering en waardering). RAAP-notitie 204. RAAP Archeologisch Adviesbureau, Amsterdam. Nederlands Normalisatie-instituut, 1989. Nederlandse Norm NEN 5104, Classificatie van onverharde grondmonsters. Nederlands Normalisatieinstituut, Delft. RGD, 1990 (concept). De geologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, kaartblad 40 West Arnhem. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. ROBAS Producties, 1989. Historische Atlas Gelderland, Chromotopografische Kaart des Rijks, schaal 1:25.000, blad 511. ROBAS Producties, Den lip. RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [15]

Plangebied Eist-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP Schans, R.P.H.P. van der & B.H. Steeghs, 1957. De bodemgesteldheid van een gedeelte van de Over-Betuwe (ten zuiden van de Linge en ten westen van de Rijksweg Arnhem-Nijmegen). Stiboka-Rapportnr. 462. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Stiboka, 1975. De bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, kaartbiad 40 West Arnhem. Stichting voor Bodemkartering, Wageningen. Stiboka/RGD, 1985. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, kaartbiad 40 Arnhem. Stichting voor Bodemkartering/Rijks Geologische Dienst, Wageningen/Haarlem. - - - Voorbereidingscommissie Kwaliteitszorg Archeologie, 2001. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Eindrapport van de Voorbereidingscommissie Kwaliteitszorg Archeologie. Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Den Haag. Willems, W.J.H., 1986. Romans and Batavians. A regional study in the Dutch Eastern River Area (dissertatie). Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Amersfoort. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990. Grote Historische Atlas van Nederland, schaal 1:50.000; Deel 3: Oost-Nederland 1830-1835, blad 112. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, Groningen. Gebruikte afkortingen ARCHIS ARCHeologisch Informatie Systeem CAA Centraal Archeologisch Archief CMA Centraal Monumenten Archief Mv maaiveld ROB Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek Overzicht van figuren en tabellen Figuur 1. De ligging van het plangebied (gearceerd); inzet: ligging in Nederland (ster). Figuur 2. Resultaten booronderzoek. Tabel 1. Archeologische tijdschaal. RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [16]

Plangebied Eist-Centraal, gemeente Overbetuwe; een inventariserend archeologisch onderzoek RAAP Verklarende woordenlijst antropogeen fluviatiel genese Holoceen kom meander meandergordel oeverafzetting prehistorie reductieniveau stratigrafisch stroomgordel ten gevolge van menselijk handelen (door mensen gemaakt/ veroorzaakt) door rivieren gevormd, afgezet wording, ontstaan jongste geologisch tijdvak (vanaf de laatste IJstijd: ca. 8800 jaar voor Chr. tot heden) laag gebied waar na overstroming van een rivier vaak water blijft staan en klei kan bezinken min of meer regelmatige lusvormige rivierbocht (meanderen = zich bochtig door het landschap slingeren) dat gedeelte van een stroomgordel waarbinnen de bedding van de rivier zich heeft verplaatst rug langs een rivier, bestaande uit overwegend kleiafzettingen dat deel van de geschiedenis waarvan geen geschreven bronnen bewaard zijn gebleven het niveau waaronder in de bodem anaerobe omstandigheden heersen (gewoonlijk vanwege een permanente verzadiging met grondwater) de ligging der lagen betreffend het geheel van rivieroeverwal-, rivierbedding- en kronkelwaardafzettingen, al dan niet met restgeul(en) RAAP-rapport 891 / eindversie 23-04-2003 [17]