Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergelijkbare documenten
Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

VIII NIEUW FORENSISCH-TECHNISCH FEIT: DE PIEKENPROFIELEN EN IMPACT OP BEWIJSCONSTRUCTIE HOF

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

De opmerkelijke rol van het NFI (Eikelenboom en Kloosterman) bij de Schiedammer Parkmoord en de Deventer Moordzaak

29200 XVI Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2004

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

De Essenties van forensisch DNA-onderzoek. Samenvatting interpretatie DNA-bewijs

1. Onderwerp van de klacht schending van wetenschappelijke integriteit bij uitbrengen deskundigenbericht aan rechtbank

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Registratie-eisen en toetsingsprocedure Humane DNA-analyse en -interpretatie Versie 1.1 (Juli 2010)

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

WANNEER JE TOCH NIET ALLEEN BLIJKT TE ZIJN

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Oprichting Stichting Nederlandse Veteranendag. Staten-Generaal. Vastgesteld 18 november De voorzitter van de commissie, Van Baalen

Knoops & Partners Advocaten Amsterdam HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

!1! Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Betreft: Brief inzake het verzoek om nader onderzoek op de voet van 461 Sv ingediend namens de veroordeelde [verzoeker] door mr. K.D.

34300 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (VI) voor het jaar 2016

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Rijksrecherche onderzoek schrijfproeven Deventer moordzaak: Geen aanwijzingen voor valsheid in geschrifte

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Complexe DNA-profielen

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

De niet gevonden vlekken

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Rapport. Rapport naar aanleiding van een klacht over het arrondissementsparket te Rotterdam. Datum: 3 augustus Rapportnummer: 2011/226

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Adviescommissie afgesloten strafzaken Postbus EH Den Haag

Rapport. Datum: 12 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/445

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Leerlingenhandleiding

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

De Minister van Justitie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

DNA-onderzoek bij veroordeelden

Rapport. Datum: 6 juni 2007 Rapportnummer: 2007/109

Beslissingen rechtbank op verzoeken raadslieden in strafzaken Hofstadgroep donderdag, 8 december 2005

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 2015, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. ;

Datum 23 november 2012 Onderwerp Nadere informatie n.a.v. de berichtgeving over de secretaris-generaal van mijn ministerie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Lijk in koffer, Ro-erdam 1927

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Samenvatting strafzaken die in 2008 zijn aangemeld bij/afgedaan door de Toegangscommissie

Rapport. Datum: 28 juni 2007 Rapportnummer: 2007/136

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

leerlinghandleiding Afsluitende module Complexe DNA-profielen

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Datum 29 november 2018 Onderwerp Antwoorden Kamervragen over het bericht dat oud-minister Opstelten het minder Marokkanen-proces zou hebben beïnvloed

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

waarneembare persoonskenmerken van het onbekende slachtoffer en de regeling van enige andere voorwerpen

Rapport. Rapport over een klacht over de Dienst Justitiële Inrichtingen. Datum: 31 december Rapportnummer: 2013/221

Tweede Kamer der Staten-Generaal

ECLI:NL:RBOVE:2017:2237

Informatie voor betrokkenen

Rapport. Rapport over een klacht over de (hoofd)officier van justitie te Den Haag en de griffie van de rechtbank Den Haag. Datum: 12 december 2012

Transcriptie:

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2005 2006 30 300 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie (VI) voor het jaar 2006 Nr. 71 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 25 november 2005 De vaste commissie voor Justitie 1 heeft een aantal vragen voorgelegd aan de minister van Justitie in aansluiting op de brief van 4 oktober 2005 inzake de Schiedammer parkmoord (30 300 VI, nr. 5). De minister 2 heeft deze vragen beantwoord bij brief van 22 november 2005. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt. De voorzitter van de commissie, De Pater-van der Meer 1 Samenstelling: Leden: Van de Camp (CDA), De Vries (PvdA), Van Heemst (PvdA), Vos (GL), Rouvoet (CU), De Wit (SP), Albayrak (PvdA), Luchtenveld (VVD), Wilders (Groep Wilders), Weekers (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Voorzitter, Cqörüz (CDA), Verbeet (PvdA), Ondervoorzitter, Wolfsen (PvdA), De Vries (CDA), Van Haersma Buma (CDA), Eerdmans (LPF), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Varela (LPF), Van Fessem (CDA), Straub (PvdA), Nawijn (Groep Nawijn), Van der Laan (D66), Visser (VVD), Azough (GL), Van Egerschot (VVD), Vacature (PvdA) en Vacature (SP). Plv. leden: Jonker (CDA), Dijsselbloem (PvdA), Timmer (PvdA), Halsema (GL), Van der Staaij (SGP), Van Velzen (SP), Tjon-A-Ten (PvdA), Van Baalen (VVD), Blok (VVD), Hirsi Ali (VVD), Aasted Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Van Heteren (PvdA), Arib (PvdA), Buijs (CDA), Sterk (CDA), Kraneveldt (LPF), Joldersma (CDA), Van As (LPF), Ormel (CDA), Van Dijken (PvdA), Lambrechts (D66), Van Schijndel (VVD), Karimi (GL), Örgü (VVD), Kalsbeek (PvdA) en Vergeer (SP). 2 Ik merk op dat ik, mede op verzoek van de nabestaanden van het meisje, tijdens onder meer debatten en openbare documenten geen gewag maak van de voornamen van de betrokken kinderen, maar nog slechts spreek over de jongen en het meisje. Ik verzoek de leden van de Tweede Kamer deze wens eveneens te respecteren. De griffier van de commissie, Coenen KST92941 0506tkkst30300VI-71 ISSN 0921-7371 Sdu Uitgevers s-gravenhage 2005 Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 1

1t/m4en6 Is het waar dat in het conceptverslag dat is opgemaakt naar aanleiding van het overleg op 19 januari 2001 op het NFI de volgende passages voorkomen: «Het profiel van de 3e persoon komt steeds terug. Het is niet van de verdachte B.» «R. geeft aan dat dat niet het meest betrouwbare profiel oplevert, maar dat op buik en ook hals (veter) het profiel van de 3e persoon wordt aangetroffen.» «Naast de linkerlaars wordt het profiel ook op de veter (hals) aangetroffen.» «Ate geeft opnieuw aan dat niet te zeggen is hoe het ontstaan is maar als er een match gevonden wordt heb je (wellicht) een harde zaak. Nu is alleen duidelijk dat er een 3e persoon is, hoe en wat is niet te verklaren maar hetzelfde profiel wordt steeds weer gezien.» Kan met de aanduiding «mw» in dat conceptverslag iemand anders zijn bedoeld dan de zaaksofficier, gelet op de volgende kennis/uitlatingen die aan haar wordt/worden toegeschreven: «B heeft het gedaan of heeft er naast gestaan.», «Met wat nu bekend is zal B veroordeeld worden», «Mw... meent dat het weinig zinvol om hiermee (het aangetoonde dna profiel 3e pers) door te gaan.». «Mw... zitting is 5 april a.s. Op verzoek advocaat worden nog 24 (al eerder gehoorde) getuigen in maart gehoord.» Zo ja, welke andere vrouwelijke functionaris (die over soortgelijke informatie/ kennis kon beschikken) was bij dat overleg betrokken? Wordt met Ate bedoeld de rapporterend deskundige op DNA-gebied? En op welke profielen doelt hij als hij zegt: «hetzelfde profiel wordt steeds weer gezien»? Bedoelt Ate met dat «steeds weer» dat het DNA-spoor van die 3e ook op andere plekken dan in het nagelvuil en op de linkerlaars is aangetroffen, namelijk onder meer ook op de buik en de hals (veter) of bedoelt hij daarmee dat het spoor van een derde alleen in het nagelvuil en op de laars is aangetroffen? Is het waar dat de diverse gespreksverslagen die zijn opgemaakt naar aanleiding van het overleg op 17 januari 2002 op het NFI de volgende passages voorkomen: * In het verslag van de medewerker van de DNRI/KLPD: «DNA sporen bestaan bijna steeds uit mengprofielen van Nienke en Maikel. Dit komt door contaminatie bij vervoer s.o. in lijkenzak, zonder voorafgaande monsterneming. In een groot aantal van de mengprofielen zit een derde profiel, van een man. Dit is NIET de verdachte.» «Echter, in veel meer dan de drie gerapporteerde uitslagen bleek het DNA van de onbekende man aanwezig te zijn.» * In het verslag van de medewerker van het NFI: «Veel profielen zijn daarom niet geschikt voor identificatie van de dader en niet gerapporteerd («afgekeurd»). Wel wordt in meerdere mengprofielen van de sporen van de PD en van Nienke s lichaam een aantal kenmerken van een mogelijke dader gevonden.» * In het verslag van de AG of de juridisch medewerker: «Dat profiel van onbekend persoon (man), zit in nagelvuil van Nienke en ook op de linkerlaars. Dit profiel komt ook bij andere profielen terug echter in geringe mate geen duidelijk spoor, maar wel een aanwijzing.» Bij brief van 15 september jl., kenmerk 5374792/505, heb ik de conceptverslagen waarover wordt gerept in de vragen al geanonimiseerd aan de Tweede Kamer doen toekomen. Kortheidshalve wordt voor de inhoud van deze conceptverslagen hiernaar verwezen. Deze concepten hebben niet het karakter van een (door de gespreksdeelnemers) vastgesteld verslag. Zoals ik in mijn brief van 15 september 2005 heb aangegeven betreft het conceptverslag van de bespreking op 29 januari 2001 uitsluitend de weer- Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 2

gave van een aantal losse aantekeningen en impressies van één van de aanwezigen. Met betrekking tot de drie conceptverslagen van de bespreking op 17 januari 2002 heb ik opgemerkt dat ook ten aanzien van deze verslagen geldt dat het uitsluitend de persoonlijke weergave betreft van hetgeen volgens de opsteller is besproken. Aangezien deze vragen betrekking hebben op conceptverslagen en de essentie reeds zakelijk is weergegeven in het evaluatierapport van de heer Posthumus acht ik het niet opportuun deze te interpreteren. 5 Was Ate even ervaren, minder ervaren of meer ervaren in het doen van sporenonderzoek dan de onderzoeker? De rapporterend DNA-deskundige is als wetenschappelijk onderzoeker door opleiding en jarenlange ervaring op dit natuurwetenschappelijk terrein op de afdeling biologie van het NFI meer ervaren dan de onderzoeker waar het de interpretatie betreft van DNA analyse resultaten en de verantwoording daarvan in rapportages. 7 Is het waar dat Posthumus over laatstgenoemde passage uit het verslag van de AG of de juridisch medewerker nog toevoegt (op p. 45) dat bij deze passage bij «andere profielen» een pijltje staat dat wijst naar de handgeschreven woorden «veter om hals Nienke». Ja. 8 Acht u het onverantwoord om op basis van de inhoud van die verslagen te concluderen dat alle bij die overleggen aanwezige personen het eens zijn over de constatering dat er, minstgenomen, in (veel) meer mengprofielen dan die afkomstig van de laars en het nagelvuil profielen zijn aangetroffen van een derde? Zo ja, waarom? Ja. Zoals ik reeds eerder heb geantwoord zie ik af van beantwoording van vragen die zien op (de interpretatie van) conceptverslagen. De verslagen hebben niet het karakter van een (door de gespreksdeelnemers) vastgesteld verslag, zij betreffen slechts interne notities. Ten overvloede verwijs ik naar mijn brief van 4 oktober jl. en de passage in het rapport van de heer Posthumus op bladzijde 45 waaruit blijkt dat inderdaad sprake was van een DNA-spoor van een derde onbekend persoon op de laars en in het nagelvuil van het meisje. Ook bevonden zich DNA-kenmerken op de linkerschouder, de buik en de veter. Deze DNA-kenmerken waren echter onreproduceerbaar en niet voor vergelijkend onderzoek geschikt. Dat betekent dat bij herhaling van de DNA-analyse niet steeds dezelfde DNA-kenmerken zichtbaar werden. 9 Heeft een van de bij dat overleg aanwezigen betwist dat er in de mengprofielen een profiel zichtbaar was van een derde? Ik verwijs naar mijn antwoorden op de vragen 1 tot en met 4, 6 en 8. 10 Is het waar dat ook de heer Brouwer zoals blijkt uit de inhoud van zijn brief aan de hoofdofficieren van mening is dat het DNA-onderzoek aan de veter wel resultaat heeft gehad voor wat betreft het vinden van een profiel van een derde, maar dat dat (slechts) geen (verder) resultaat heeft gehad, omdat de vergelijking van het gevonden profiel met de DNA-databank geen «hit» heeft opgeleverd? Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 3

Nee. De voorzitter van het College heeft in zijn brief aan de hoofdofficieren van justitie verwoord dat er voor gekozen had kunnen worden bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting al dan niet bij het horen van de medewerkers van het NFI mededeling te doen van het feit dat de onderzoeker had aangegeven dat er mogelijk ook DNA-sporen van een derde, niet zijnde B, waren aangetroffen op andere plekken dan op de laars en onder de nagel van het slachtoffer (te weten op de veter om haar nek en op het lichaam). In een bijlage bij de brief is opgemerkt dat het DNA-profiel van Wik H. die later voor deze zaak is veroordeeld, ten tijde van het onderzoek nog niet bekend was. Om die reden heeft de advocaatgeneraal gezegd dat het DNA-onderzoek (aan de veter) geen resultaat heeft gehad en dat daarmee is bedoeld dat de vergelijking (van het profiel op de laars) met de DNA-databank geen «hit» heeft opgeleverd. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 8 al naar voren heb gebracht, zijn door het NFI tijdens het onderzoek in deze zaak in sommige DNA-analyses met betrekking tot de veter nog DNA-kenmerken waargenomen. Deze laatste DNA-kenmerken waren echter onreproduceerbaar en als zodanig niet voor vergelijkend onderzoek geschikt (en dus ook niet geschikt voor vergelijking met de DNA-databank). De conclusie dat DNA-onderzoek aan de veter wel resultaat heeft gehad wat betreft het vinden van een profiel van een derde, maar dat dat (slechts) geen (verder) resultaat heeft gehad, omdat de vergelijking van het profiel van de veter met de DNA-databank geen «hit» heeft opgeleverd, kan derhalve niet getrokken worden hetgeen ook door de voorzitter van het College in zijn brief niet is gedaan. 11 De heer Brouwer merkt in zijn brief aan de hoofdofficieren verder het navolgende op: «Achteraf is gebleken dat de mengprofielen overeenkwamen met het profiel van Wik H. die later voor deze zaak veroordeeld is. Ten tijde van het onderzoek in de zaak Nienke, was het DNA-profiel van Wik H. nog niet bekend. Daarom heeft de AG gezegd dat het DNA-onderzoek (aan de veter) geen resultaat heeft gehad; daarmee is bedoeld zoals ook in de rapportage aan het NFI staat dat de vergelijking met de DNA-databank geen «hit» heeft opgeleverd.» Wat wordt hier bedoeld met de mengprofielen? Is het waar dat ook het DNA-onderzoek (aan de veter) wel een zodanig resultaat had opgeleverd dat op basis daarvan (ook toen al) wel een vergelijking met de profielen in de DNA-databank mogelijk was en is gemaakt? Zou het DNA-onderzoek (aan de veter) op zichzelf al voldoende zijn (geweest) voor een vergelijking met de profielen in de DNA-databank, met andere woorden, zou die vergelijking ook al mogelijk zijn geweest zonder de vondst in het nagelvuil en op de laars? Hoe is dat (technisch) mogelijk? In 2000 zijn van de veter tien bemonsteringen veiliggesteld ten behoeve van DNA-onderzoek. Delen van die bemonsteringen zijn in 2000 onderworpen aan een DNA-onderzoek, waarbij geen profielen zijn verkregen. De resterende delen zijn in 2004 onderworpen aan een DNA-onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van een DNA-isolatietechniek die in 2000 nog niet beschikbaar was. Hierbij is vastgesteld dat enkele van de sporen een autosomaal mengprofiel betreffen van DNA-kenmerken van het meisje met onderliggende kenmerken van ten minste één of twee personen, waarbij in vier gevallen de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid van het celmateriaal van Wik H. niet kon worden uitgesloten. In 2004 zijn van de veter acht nieuwe bemonsteringen veiliggesteld ten behoeve van DNA-onderzoek. Vier van deze bemonsteringen bevatten een autosomaal mengprofiel van DNA-kenmerken van het meisje met onderliggende kenmerken van ten minste één of twee personen. Deze onderzoeken zijn Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 4

alle door het NFI uitgevoerd. Vervolgens is in 2004 met betrekking tot een deel van deze bemonsteringen nog Y-chromosomaal onderzoek verricht door het Forensisch Laboratorium voor DNA onderzoek (het FLDO) van het Leids Universitair Medisch Centrum. Met betrekking tot sommige bemonsteringen is door het FLDO geconcludeerd dat onvoldoende DNA aanwezig was om een betrouwbaar autosomaal DNA-profiel te genereren. Met betrekking tot tien bemonsteringen van de veter is een gemengd Y-STR DNA profiel vastgesteld, waarvan is geconcludeerd dat de DNA-profielen van zowel de jongen als Wik H. binnen dit gemengde Y-STR profiel passen. Het DNA-onderzoek aan de bemonsteringen van de veter heeft in 2000/ 2001 geen resultaat opgeleverd op basis waarvan een vergelijking met de DNA-profielen in de DNA-databank mogelijk was of is gemaakt. De additionele DNA-kenmerken die in sommige analyses zijn waargenomen waren onreproduceerbaar en als zodanig niet voor vergelijkend onderzoek geschikt. De vergelijking met de DNA-profielen in de DNA-databank is destijds gemaakt met DNA-kenmerken uit het DNA-profiel van het celmateriaal op de laars (zie het NFI-rapport van 29 maart 2001, blz. 6). Het DNA-onderzoek (aan de veter) zou op zichzelf niet voldoende zijn geweest voor een vergelijking met de profielen in de DNA-databank. 12 Is het onverantwoord op basis van de 1ste alinea van 4.3.7. mede in relatie tot de inhoud van de hiervoor genoemde verslagen te concluderen, dat de deskundige wel van mening was dat het profiel van een onbekende niet alleen waarneembaar was in de mengprofielen van het nagelvuil en de laars, maar ook voorkwam in een of meer van de overige mengprofielen, maar dat die deskundige vond dat die profielen onvoldoende betrouwbaar waren en dat hij die dus en daarom heeft voorzien van de kwalificatie «geen profiel» en buiten de rapportage heeft gelaten? Ja, dat is onverantwoord. Zoals vermeld op blz. 43in paragraaf 4.3.7 was de deskundige van mening dat de DNA-profielen van de veter, de buik en de schouder onvoldoende betrouwbaar waren om conclusies aan te kunnen verbinden. Ik verwijs naar mijn antwoorden op de vragen 14 en 16. 13 Is het waar dat Posthumus in de 2e paragraaf van 4.3.8. (nogmaals) constateert, dat «bijna niet is gerapporteerd dat er ook onreproduceerbare profielen waren gevonden»? Ja. In diezelfde paragraaf staat tevens dat de onreproduceerbare profielen niet in het rapport werden vermeld omdat zij door de onreproduceerbaarheid onbetrouwbaar waren, waardoor geen conclusies konden worden getrokken ten aanzien van die profielen. 14 Waren de mengprofielen van het koord nu wel of niet reproduceerbaar? Of, zo gedeeltelijk, wat wel en wat niet? Ik neem aan dat bij deze vraag met «koord» de bemonsteringen van de veter [ADH670] bedoeld worden. De DNA-mengprofielen van het celmateriaal in de bemonsteringen van de veter waren niet reproduceerbaar. 15 Kan uit het voorgaande worden afgeleid dat Posthumus heeft vastgesteld dat die profielen van een derde wel zijn aangetroffen in de mengprofielen Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 5

die zijn aangetroffen op de bekende vijf plekken? Indien daar onduidelijkheid over is of blijft, kan aan de heer Posthumus dan alsnog worden gevraagd om zich daar alsnog expliciet(er) over uit te laten? Nee. De heer Posthumus schrijft in zijn rapport (paragraaf 4.3.7, blz. 43) dat uit het NFI-deskundigenrapport van 29 maart 2001 niet kan worden afgeleid dat het profiel van een onbekende niet alleen waarneembaar was in het profiel van het nagelvuil en de linkerlaars, maar ook zou kunnen zitten in een of meer van de overige profielen. De twee NFI-medewerkers die het meest bij het DNA-onderzoek betrokken waren, een onderzoeker en een deskundige, verschilden van mening over de interpretatie van de profielen die waren verkregen van de veter, de buik en de linkerschouder van het meisje. Omdat deze profielen onvoldoende betrouwbaar waren heeft de deskundige deze profielen de kwalificatie «geen profiel» meegegeven en ze in de rapportage buiten beschouwing gelaten. De heer Posthumus heeft vastgesteld dat de beide betrokken NFI-medewerkers het erover eens waren dat in de profielen van nagel en laars niet alleen de profielen van het meisje en/of de jongen zaten, maar ook het profiel van een derde, niet zijnde Kees B. De heer Posthumus heeft met andere woorden verwoord wat er door de NFI-medewerkers is verklaard en hierbij geen conclusies getrokken of vaststellingen verwoord over het al of niet aanwezig zijn van het profiel van een derde. 16 Kan uit de constatering (1ste paragraaf van 4.3.7.) dat de onderzoeker en de deskundige van mening verschilden over de interpretatie van de profielen die waren verkregen van de sporen c t/m e (omdat de onderzoeker van mening was dat de kenmerken allemaal wezen in de richting van dezelfde onbekende man maar dat de deskundige zover niet durfde te gaan), worden afgeleid dat die deskundige wel van mening was dat er (ook) in die sporen sprake was van aanwezigheid van het profiel van een onbekende derde? Nee, zoals ook uit paragraaf 4.3.7 van het rapport van de heer Posthumus blijkt, was de rapporterend DNA-deskundige vanaf het moment dat de DNA-profielen ter beschikking stonden de mening toegedaan dat uitsluitend in de DNA-mengprofielen van de linkerlaars en het nagelvuil vastgesteld kon worden dat zich hierin celmateriaal van een onbekende derde bevond (dat niet afkomstig was van de heer B). De profielen van het celmateriaal op de linkerschouder, buik en veter waren op grond van zijn expertise niet voor vergelijkend onderzoek geschikt (voor meer informatie over de onbetrouwbaarheid van deze DNA-profielen verwijs ik naar het eerste deel van de conclusie in mijn brief van 4 oktober 2005). 17 Op basis waarvan kan in de verslagen die zijn opgemaakt naar aanleiding van het overleg op 17 januari 2002 zowel door de AG of de juridisch medewerker, als door de medewerker van de DNRI/KLPD zo stellig worden genoteerd (en vervolgens ook door de heer Posthumus bij de presentatie zo stellig worden beweerd), dat het (derde) profiel dat ook bij de andere profielen dan die afkomstig van nagelvuil en laars terugkomt (zie: de AG of jur.mw.) of in veel meer dan de drie gerapporteerde uitslagen bleek te zitten (zie: de medewerker van de DNRI/KLPD) afkomstig is van een man? Zoals ik mijn antwoord op de vragen 1 tot en met 4 en 6 en 8 reeds heb meegedeeld, betreft het verslagen die nimmer door alle bij het overleg betrokken personen zijn gezien, die niet zijn vastgesteld en bovendien incompleet zijn. Om aan deze verslagen conclusies te verbinden acht ik daarom onverantwoord en ongewenst. Uit het NFI-deskundigenrapport van 29 maart 2001 blijkt overigens dat de conclusie dat er profielen waren Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 6

van een man niet kan worden getrokken op basis van de resultaten van het DNA-onderzoek aan deze sporen, omdat op de laars, in het nagelvuil, op de linker schouder, en op de veter ook DNA-kenmerken zijn gevonden die afkomstig zijn van de jongen. Doordat in deze sporen al mannelijk DNA aanwezig is van de jongen kan niet onderscheiden worden of de extra DNA-kenmerken van een man of van een vrouw afkomstig zijn. Bij het spoor op de buik is het niet duidelijk of daar DNA van de jongen in zit. In vijf van de acht DNA-analyses van het materiaal op de buik is geen aanwijzing verkregen op DNA van een man, in de overige drie wel. 18 Bent u bekend met het feit dat de heer Posthumus bij de presentatie van zijn rapport onder meer expliciet heeft gemeld dat: «in het rapport van het NFI niet terug is te vinden dat er in de monsters van de veter en de schouder een onreproduceerbaar ander profiel had gezeten», «achteraf gezien de rapportage van het NFI vollediger had kunnen zijn», «de twijfels die de NFI-medewerkers aan het OM kenbaar hebben gemaakt, in het bijzonder de 7 defecte sporen die de kant van dezelfde man niet zijnde Kees B. op zouden kunnen wijzen in elk geval ter zitting van het hof gemeld hadden moeten worden»? Ja. 19. Is het waar dat de opvatting van Posthumus, dat «in het bijzonder de 7 defecte sporen die de kant van dezelfde man niet zijnde Kees B. op zouden kunnen wijzen in elk geval ter zitting van het hof gemeld hadden moeten worden» redelijk spoort met zijn constatering onder 4.3.8. («nu bijna niet is gerapporteerd dat er ook onreproduceerbare profielen waren gevonden») en eveneens redelijk spoort met inhoud van de tweede alinea op p. 44 van het rapport, waarin wordt gemeld dat de twee NFI-medewerkers het er (wel) over eens waren dat in deze profielen niet alleen de profielen van Nienke en/of Maikel zaten, maar ook het profiel van een derde en dat zij het er eveneens over eens waren dat het profiel van Kees B. niet terug te vinden was in de mengprofielen? Uit uw vraag begrijp ik dat u doelt op dezelfde kwestie als het mogelijke misverstand tussen de heer Wolfsen en mij tijdens het plenaire debat op 15 september jl.. Dat misverstand zou kunnen zijn veroorzaakt door de tweede alinea op bladzijde 44 van het rapport van de heer Posthumus. Ik verwijs u daarom naar mijn brief van 4 oktober jl, waarin ik op dit mogelijke misverstand ben ingegaan. 20 Is het waar dat de heer De Knijff, beëdigd gerechtelijk DNA-deskundige bij het NFI, op of omstreeks 26 november 2004, op het verzoek van het OM, in de lopende onderzoeken tegen Kees B. en Wik H. het navolgende heeft gemeld: «Wat wij niet expliciet hebben vermeld is dat het YSTR profiel van de veroordeelde ACZ268V [Borsboom] niet binnen de in de sporen aangetroffen gemengde profielen past. Bij deze willen wij daar alsnog op wijzen.» Ja. De heer De Knijff is overigens verbonden aan het Forensisch Laboratorium voor DNA onderzoek (het FLDO) van het Leids Universitair Medisch Centrum en niet aan het NFI. 21 Is het eveneens waar dat de heer De Knijff daar een aantal dagen later nog aan heeft toegevoegd: Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 7

«De bewijswaarde van niet geaccrediteerde methoden hangt af van de conclusie. Als ik, op grond van niet geaccrediteerde methoden, een verdachte kan uitsluiten als donor van een cruciaal biologisch spoor, dan zal i.h.a. niemand hier bezwaar tegen hebben, zolang het bewijs maar betrouwbaar is. Dit is relevant omdat het verkrijgen van accreditatie tijdrovend kan zijn. Echter wordt een verdachte uitsluitend o.g.v. niet geaccrediteerde methoden geïncludeerd, dan zal dit bewijsmateriaal niet mogen/ kunnen meegenomen worden in het eindoordeel van de rechter.» In het tweede opsporingsonderzoek naar de Schiedammer Parkmoord (na de bekentenis van Wik H.) zijn zowel door het NFI als door het FLDO onderzoeken verricht en rapporten uitgebracht met betrekking tot het aangetroffen sporenmateriaal. Het OM en het NFI hebben op 27 oktober 2004 een bespreking gehad waarin is besloten materiaal door het FLDO te laten onderwerpen aan zogenaamd Y-chromosonaal onderzoek, onderzoek dat niet door het NFI maar wel door het FLDO kon worden verricht. De schriftelijke opdracht aan het FLDO om het aangeboden materiaal te onderzoeken en te vergelijken met het DNA-profiel van zowel Wik H. als Kees B. is eveneens op 27 oktober 2004 gemaakt. Met betrekking tot de in de vraag geciteerde opmerkingen is door het OM een rapport van het FLDO ontvangen van 19 november 2004. In aanvulling op dat rapport zijn de geciteerde opmerkingen van de heer De Knijff door hem verwoord in een brief van 26 november 2004. Op 29 november 2004 zijn door de officier nog nadere vragen gesteld aan het FLDO; deze zijn bij brief van 30 november 2004 beantwoord. Bij deze beantwoording zijn de in vraag 21 geformuleerde citaten verwoord. 22 Wat brengt u, gelet op al het voorgaande, tot de opvatting dat die (thans heldere en logische) 2e alinea van p. 44 moet worden gewijzigd? Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 19. 23 In noot 2 van uw brief wordt gemeld dat de data in de Netwerk-tabel een zeer gedeeltelijke en selectieve weergave vormen van de totale ruwe data die in de verschillende analysegangen werden verkregen. Kan worden aangegeven wat feitelijk onjuist is aan die gegevens en wat niet, omdat die tabel kennelijk wel is gebruikt als cursusmateriaal? Zoals eerder vermeld in mijn brief van 4 oktober 2005 aan de Tweede Kamer heeft de Netwerk-tabel geen deel uitgemaakt van het NFI-zaaksdossier en was deze niet bekend bij de DNA-deskundige die verantwoordelijk was voor de rapportage aan het openbaar ministerie. Deze of een soortgelijke tabel is voor zover bekend niet gebruikt als cursusmateriaal bij cursussen die door het NFI zijn gegeven aan OM en aan de zittende magistratuur. De gegevens in de Netwerk-tabel zijn een gedeeltelijke en selectieve weergave van de totale ruwe data die in de verschillende analysegangen zijn verkregen bij het DNA-onderzoek aan de vermelde sporen. De motivering voor de gedeeltelijke en selectieve weergave van de data in de Netwerk-tabel is mij niet bekend. 24 Waren de profielen uit die tabel wel of niet al bekend voor de veroordeling van Kees B.? En is de A-G van het bestaan van ál die profielen wel of niet op de hoogte gebracht tijdens het overleg op het NFI op 17 januari 2002? En past Wik H. in alle getoonde profielen, ja, neen of gedeeltelijk? De DNA-analyses waarop de Netwerk-tabel vermoedelijk is gebaseerd, waren bekend voor de veroordeling van Kees B. op 29 mei 2001. Bij het Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 8

overleg van 17 januari 2002 is de advocaat-generaal op de hoogte gebracht van de conclusies van het DNA-onderzoek, gebaseerd op alle profielen. Pas in 2005 zijn van het celmateriaal op de veter een aantal betrouwbare DNA kenmerken van een derde geïdentificeerd. Voor het antwoord op de vraag in welke profielen uit 2005 het DNA profiel van Wik H. past verwijs ik naar het deskundigenrapport van het NFI van 31 maart 2005. 25 Wie, welke functionaris, wordt in het conceptrapport van de teambespreking op 19 januari 2001 aangeduid met A die als opvatting had: «rapporteer welke sporen zijn gevonden + een DNA-profiel van een onbekende man.» Over de identiteit van personen wordt geen mededeling gedaan. 26 Hoe duidt u de uitlating van «Mw» waarin ze kort nadat A zijn opvatting kenbaar had gemaakt «stelt dat het belangrijk is dat de rapportage zodanig geschreven wordt dat de advocatuur er niet mee «op pad» gaat» en «er moet worden uitgesloten dat zoiets gebeurt.» Zoals al eerder is geantwoord zijn de verslagen nimmer door alle bij het overleg betrokken personen gezien, niet vastgesteld en incompleet. Om met betrekking tot deze verslagen nadere opmerkingen te maken, dan wel aannames te verwoorden, acht ik daarom onverantwoord en ongewenst. Inmiddels is overigens ruimschoots aan de orde gekomen wat in het rapport is verwoord en waarom het op die wijze is verwoord. 27 Kunt u uitsluiten dat de deskundige rekening heeft gehouden met deze wens van «Mw» en (mede) dus en daarom heeft afgezien van het melden van de aan Ate toegeschreven opvatting/uitlating «Nu is alleen duidelijk dat er een 3e pers is, hoe en wat is niet te verklaren maar hetzelfde profiel wordt steeds weer gezien». In de herinnering van de rapporterend DNA-deskundige heeft hij zich niet gestuurd gevoeld door hetgeen in de vraagstelling van de vragen 26 en 27 wordt gesuggereerd. 28 Hoe is te verklaren dat in het rapport dat op 1 oktober 2004 is opgemaakt, NFI-Zaaksnummer: NFI 2000.06.26003, en dat in de strafzaak tegen Wik H. betrekking heeft op hetzelfde sporenmateriaal, met betrekking tot spoor 1 (ADH670#1; veter) wèl kon worden geconcludeerd dat de (dan reeds) veroordeelde (Kees B.) kan worden uitgesloten als een van de DNA donoren in dat spoor, terwijl er ook daar maar «net voldoende DNAextract (werd) ontvangen voor één DNA-analyse? De reden dat in 2004 wel kon worden geconcludeerd dat de (dan reeds) veroordeelde (Kees B.) kan worden uitgesloten als een van de DNA donoren in de bemonstering [ADH670]#1 van de veter is dat in 2004 gebruik is gemaakt van een onderzoekstechniek die in 2000/2001 nog niet beschikbaar was, namelijk de Promega Powerplex-Y kit voor Y-chromosomaal DNA-onderzoek die sinds 2004 op de markt is en waar het FLDO sinds 9 november 2004 de accreditatie voor heeft. De reden dat maar «net voldoende DNA-extract (werd) ontvangen voor één DNA-analyse» is dat bij het onderzoek in 2000/2001 al het mogelijke is gedaan om reproduceerbare resultaten te verkrijgen. Daarbij is nagenoeg Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 9

al het beschikbare DNA-extract verbruikt. Volledigheidshalve merk ik op dat de helft van de oorspronkelijke hoeveelheid van het DNA-extract is geconserveerd voor een eventueel later uit te voeren contra-onderzoek. Dit deel van het DNA-extract is nog steeds in de vriezers van het NFI aanwezig. 29 Hoe is de ongevraagde expliciete ontkenning van de AG in haar requisitoir over de resultaten van het DNA-onderzoek («Onderzoek aan de veter waarmee Nienke was gestranguleerd heeft geen resultaat gehad, ook niet met de zgn LCN-methode.») te verklaren en te waarderen nu bekend is dat: in het verslag van de AG of de juridisch medewerker het navolgende staat vermeld: «Dat profiel van onbekend persoon (man), zit in nagelvuil van Nienke en ook op de linkerlaars. Dit profiel komt ook bij andere profielen terug echter in geringe mate geen duidelijk spoor, maar wel een aanwijzing.», Posthumus over laatstgenoemde passage uit dat verslag nog toevoegt dat bij deze passage bij «andere profielen» een pijltje staat dat wijst naar de handgeschreven woorden «veter om hals Nienke», Posthumus bij de presentatie heeft opgemerkt, dat «de twijfels die de NFI-medewerkers aan het OM kenbaar hebben gemaakt, in het bijzonder de 7 defecte sporen die de kant van dezelfde man niet zijnde Kees B. op zouden kunnen wijzen in elk geval ter zitting van het hof gemeld hadden moeten worden», en de AG met zowel de onderzoeker als met de deskundige expliciet over het tegendeel van die mededeling heeft gesproken? Bij de beantwoording van vraag 10 is opgemerkt dat het DNA-profiel van Wik H. die later voor deze zaak is veroordeeld, ten tijde van het onderzoek nog niet bekend was. Om die reden heeft de advocaat-generaal gezegd dat het DNA-onderzoek (aan de veter) geen resultaat heeft gehad. Daarmee is bedoeld dat de vergelijking (van het profiel op de laars) met de DNA-databank geen «hit» heeft opgeleverd. In de bijlage van de brief van de voorzitter van het College aan de hoofdofficieren waar de voorgaande opmerkingen aan ontleend zijn is eveneens opgemerkt dat de advocaat-generaal heeft gezegd dat zij geen indicatie heeft dat het profiel in het nagelvuil en op de linkerlaars daderprofielen zijn en dat zij daarbij leunt op wat de DNA-deskundige heeft gezegd op de zitting van 18 oktober 2002. Meerdere malen is al verwoord waarom in het rapport geen melding is gemaakt van de twijfels over de betrokkenheid van Kees B. bij het delict die mondeling door de NFI-medewerkers, onder andere, aan de advocaat-generaal zijn gemeld. Ook hier kan worden herhaald dat er voor gekozen had kunnen worden bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting, al dan niet bij het horen van de deskundigen van het NFI, mededeling te doen van het feit dat medewerkers van het NFI hadden aangegeven dat er mogelijk ook DNA-sporen van een derde, niet zijnde B, waren aangetroffen. 30 Bij de personen die waren betrokken bij het evaluatieonderzoek wordt onder andere de naam genoemd van mr. E. E. van der Bijl, Landelijk Officier Forensische Research (NFI). Vervulde die officier die functie ook al ten tijde van het eerste strafrechtelijk onderzoek naar de Schiedammer Parkmoord? Wat is de functie van zo n officier bij het NFI en welke taak en rol had deze officier tijdens dit evaluatieonderzoek? En wat is haar concrete bemoeienis geweest met het onderzoek in de Schiedammer Parkmoord? De functie van Landelijk Officier Forensische Research bestaat sinds 1 januari 2005 en derhalve nog niet ten tijde van het eerste strafrechtelijke Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 10

onderzoek naar de Schiedammer Parkmoord. De Landelijk Officier Forensische Research verzorgt als liaison tussen het OM en het NFI de juridische afstemming tussen beide organisaties en coördineert namens het OM binnen de organisatie van het NFI de behandeling en verwerking van onopgeloste ernstige misdrijven. Sinds 1 januari 2005 wordt deze functie vervuld door de genoemde officier. Zij was in haar vorige functie (december 2000 juli 2004) verantwoordelijk voor het (inmiddels opgeheven) Landelijk Team Kindermoord. Bij het evaluatieonderzoek van de heer Posthumus naar de Schiedammer Parkmoord is de gestandaardiseerde en beproefde werkwijze gevolgd van dat toenmalige Landelijk Team Kindermoord. Vanwege haar kennis van deze werkwijze, heeft de genoemde officier leiding gegeven aan het politieteam dat geassisteerd heeft bij het evaluatieonderzoek naar de Schiedammer Parkmoord (zie p. 9 van het rapport Posthumus). 31 Bent u bekend met de volgende bewijsoverwegingen uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam tegen Wik H.: «Ten slotte zijn op de plaats van het delict diverse sporen veiliggesteld en bemonsterd ten behoeve van DNA-onderzoek. Deze sporen zijn door de deskundigen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) en het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoeken (FLDO) onderzocht. Uit die onderzoeken zijn de volgende resultaten gebleken: a. op de wreef van de linker laars van [slachtoffer 4] is een DNA-mengprofiel aangetroffen, waarbij verdachte niet wordt uitgesloten; b. dezelfde conclusie is getrokken met betrekking tot het onderzoek naar het nagelvuil van [slachtoffer 4], de veter om de hals van [slachtoffer 4] (meerdere bemonsteringen), de hiel van de linkerlaars en de broek van [slachtoffer 4]; (...) Met betrekking tot de resultaten van de onderzoeken naar biologische sporen en DNA-onderzoeken blijkt verder het volgende. Bij de bepaling van het YSTR profiel is het vrouwelijke DNA uitgesloten (vrouwen hebben immers geen Y-chromosoom). Blijkens het rapport van het FLDO van 19 november 2004 (FLDO N04-121) betreffende het onderzoek van de mengsporen op de bemonsterde veter die om de hals van [slachtoffer 4] is aangetroffen, passen acht van de tien onderzochte bemonsteringen van dat sporenmateriaal de YSTR DNA-profielen van de verdachte en van [slachtoffer 5] binnen de gemengde YSTR DNA-profielen. (...) Bij gebruikmaking van de LCN-methode kunnen op het DNA-profiel pieken tevoorschijn komen die er in werkelijkheid niet zijn dan wel echte pieken onzichtbaar blijven. Om deze effecten te elimineren wordt het DNA-profiel een aantal malen vastgesteld. Het resultaat kan zijn dat er uiteindelijk geen betrouwbaar DNA-profiel vast te stellen valt. Als er uiteindelijk een betrouwbaar DNA-profiel wordt verkregen is dat profiel net zo betrouwbaar als een DNA-profiel dat is vastgesteld zonder gebruikmaking van de LCN-methode. Dat is wetenschappelijk onderzocht. Wij vermelden in onze rapporten niet hoeveel maal, na gebruikmaking van de LCN-methode, het DNA-profiel is verkregen om eerder genoemde effecten te elimineren. Wanneer een DNA-profiel wordt bepaald wordt er door 2 analisten naar gekeken. Als zij onderling tot een ander resultaat komen wordt er een derde analist bijgehaald die de doorslag moet geven.»? Op basis waarvan konden acht van de tien mengsporen op de veter in deze strafzaak wel als bewijs worden gebruikt? Waarom geldt hier niet de wetenschappelijke norm dat sporen reproduceerbaar moeten zijn? Was de werkwijze m.b.t. de LCN-methode zoals hiervoor beschreven en de wijze van rapporteren en besluitvorming in het onderzoek tegen Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 11

Kees B. in 2000 dezelfde als hier wordt beschreven? Zo neen, waarom niet en waarin zit het verschil? Was tijdens het onderzoek tegen Kees B. de genoemde wetenschappelijke norm, dat sporen die zijn verkregen met behulp van de LCN-methode reproduceerbaar moesten zijn om te kunnen gebruiken als bewijs, de internationaal wetenschappelijk gangbare norm, was dat onderdeel geweest van de accreditatieprocedure of was dat een in het bijzonder bij het NFI gehanteerde norm? Zo neen, waar is of was die norm (toentertijd) dan wel op gebaseerd? De voormelde passages uit het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 27 april 2005 in de zaak tegen Wik H. komen voor in de bewijsoverwegingen 3.4.7 en 3.4.10. De tien mengsporen op de veter in deze strafzaak betroffen aparte bemonsteringen van verschillende delen van één en dezelfde veter. Kennelijk werden voor acht van de tien bemonsteringen profielen verkregen die door de FLDO-onderzoeker betrouwbaar geoordeeld werden. In twee gevallen werd kennelijk geen of geen betrouwbaar profiel verkregen. Een mogelijke verklaring is dat deze twee bemonsteringen geen of onvoldoende celmateriaal bevatten van deze zelfde persoon of van enige andere persoon. De wetenschappelijke norm dat sporen reproduceerbaar moeten zijn, geldt altijd. Het concept van herhaalbaarheid en de gevolgde werkwijze is ook bij het DNA-onderzoek in 2001 gebruikt. Er was inmiddels wetenschappelijke literatuur van de Forensic Science Service in Engeland beschikbaar. De wijze van rapporteren en besluitvorming in het onderzoek in 2000 was dezelfde als hierboven beschreven in het vonnis van de rechtbank. Vanaf 4 oktober 2001 heeft het NFI een formele accreditatie voor Low Copy Number (LCN) DNA-onderzoek. 32 Is het waar dat (toentertijd) volgens internationale gebruiken profielen die met de LCN-methode zijn verkregen gereproduceerd moesten kunnen worden? Is het eveneens waar dat in de Schiedammer Parkmoord een deel van de profielen niet gereproduceerd kon worden aan zichzelf? Is het voorts waar dat het terugkeren van (delen van) dezelfde profielen op dezelfde plaats delict op zichzelf genomen wel een reproductie vormde die volgens internationale normen geaccepteerd werd en wordt? Zo ja, waarom hield het NFI zich niet aan die normen? Ja, de eis van reproduceerbaarheid geldt voor alle wetenschappelijk onderzoek (zie ook het antwoord op vraag 31). Uitsluitend in de DNA-mengprofielen van de linkerlaars en het nagelvuil konden de DNA-kenmerken van de onbekende derde worden gereproduceerd. Aan de hand van deze analyses is in 2001 een partieel DNA-profiel van een onbekende derde afgeleid. Met het partiele afgeleide DNA-profiel van het celmateriaal op de laars is in 2001 (zonder succes) een zoekactie in de DNA-databank ondernomen. In de DNA-profielen van de verschillende analyses van het celmateriaal op de linkerschouder, buik en veter zijn de extra DNA-kenmerken als artefacten beoordeeld. Er is geen internationale norm voor reproductie van profielen zoals bedoeld in het laatste deel van de vraag. 33 In de gehele discussie over de Schiedammer Parkmoord heeft de directie van het NFI publiekelijk geen standpunt ingenomen. Betekent dit dat die directie zich geheel conformeert aan uw standpunt, inclusief de correctie die door u is aangebracht? Ja. Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 12

34 Mag de directie van het NFI zich wel publiekelijk mengen in dit debat? Zo neen, wat zegt dat dan over de zogenaamd onafhankelijke positie die forensisch deskundigen en een forensisch instituut in het veld moeten innemen? Forensisch deskundigen zijn volledig onafhankelijk in hun onderzoeksopzet en in hun oordeelsvorming. Dat is zo en dat moet vooral zo blijven. Het Nederlands Forensisch Instituut valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Justitie. Dat laatste betekent dat de minister bijvoorbeeld om politieke of publicitaire redenen besluiten kan nemen waaraan elk Justitie onderdeel zich heeft te houden. In casu is dat ook gebeurd, zodra duidelijk werd dat het rapport Posthumus voorzien zou worden van een politieke reactie van de minister van Justitie. Tweede Kamer, vergaderjaar 2005 2006, 30 300 VI, nr. 71 13