FOCUS "Studenten en het leefloon" Nummer 16 September 2016
1
1. Inleiding Jongeren die aankloppen bij het OCMW vormen een specifieke doelgroep voor de OCMW s. Zowel in het recht op maatschappelijke integratie (RMI) 1, maar ook in het recht op maatschappelijke hulp (RMH) 2 zijn er maatregelen gericht naar jongeren. In de voorbereiding tot de invoering van het recht op maatschappelijke integratie via de wet van 26 mei 2002 bleek uit dat het aantal jongeren dat het bestaansminimum 3 als inkomensbron had in de loop der jaren bleef aangroeien. Om deze tendens om te buigen, werd bijzondere aandacht besteed in het uitwerken van de wet aan de jongeren van minder dan 25 jaar. Het was de bedoeling om hen toekomstperspectieven te bieden. De jongere in het leefloon kreeg door de wet van 2002 het recht op tewerkstelling. Dit wordt gerealiseerd via een arbeidsovereenkomst of via een geïndividualiseerd project dat leidt tot een tewerkstelling. De wet voorziet ook dat, wanneer het opleidingsniveau van de jongere onvoldoende blijkt, het OCMW hem kan helpen om zijn studies met volledig leerplan aan te vatten of verder te zetten. Het OCMW dat de jongere begeleidt, sluit met hem een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI) dat de rechten en verplichtingen vastlegt. Het recht op maatschappelijke hulp in het kader van de wet van 2 april 1965 heeft een eerder beperkte aandacht voor jongeren. Enkel voor bepaalde groepen van minderjarigen zijn er maatregelen voorzien: kinderen waarvan de ouder(s) onbekend zijn, de natuurlijke kinderen die door geen van beide ouders erkend zijn en de Belgische kinderen waarvan de moeder niet was ingeschreven in het bevolkingsregister op het moment van de geboorte en die werden achtergelaten bij de geboorte. Er wordt eveneens voorzien in een tussenkomst in de kosten voor maatschappelijke hulp van de noodlijdende minderjarigen over wie niemand het ouderlijk gezag en de voogdij of het materieel toezicht uitoefent. Deze statistische focus besteed belicht de jonge leefloners en in het bijzonder de leefloon studenten. Onder jonge leefloners wordt verstaan, de gerechtigde op het leefloon die de leeftijd van 26 jaar nog niet hebben bereikt. 1 Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. 2 Wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de OCMW's. 3 Het bestaansminimum was de voorloper van het leefloon. 2
2. Jonge leefloners Tijdens de eerste vier maanden van 2016 ontvingen gemiddeld 124.657 personen een leefloon. 33.362 onder hen, ofwel 29,2 %, was jonger dan 25 jaar. Onder de gerechtigden die jonger zijn dan 25 jaar waren er 13.241 studenten, of iets meer dan twee jongere op vijf (40,8 %). Tabel 1: gemiddeld maandelijks aantal leefloners - 2003-2016* Jaar Leefloners Leefloners 25 jaar en meer Leefloners min 25 jaar Leefloon studenten min 25 jaar 2003 74 098 55 554 18 544 4 108 2004 75 583 56 153 19 430 5 112 2005 76 329 55 710 20 619 6 164 2006 78 778 57 203 21 575 7 239 2007 80 484 58 347 22 137 7 983 2008 83 061 59 999 23 062 8 553 2009 91 200 65 338 25 862 9 182 2010 95 633 68 473 27 160 10 016 2011 94 982 68 217 26 765 10 177 2012 95 741 68 207 27 534 10 540 2013 98 980 69 889 29 091 11 354 2014 102 664 72 124 30 540 12 161 2015 116 149 82 787 33 362 13 241 2016* 124 657 88 229 36 428 14 867 2016*: eerste vier maanden van het jaar. De evolutie van het aantal gerechten van jonger dan 25 jaar is, zowel in stijgende, als in dalende lijn, meer uitgesproken wanneer deze vergeleken wordt met de evolutie van de oudere leeftijdsgroepen in het leefloon. In 2015 is het aantal jonge gerechtigden minder snel toegenomen dan het aantal oudere leefloners. Dit moet in verband gebracht worden met de hervorming van de werkloosheidsuitkeringen en met het einde van het recht op de inschakelingsuitkering. De eerste personen van wie het recht op een inschakelingsuitkering ten einde liep waren gemiddeld ouder dan 25 jaar. 3
200503 200506 200509 200512 200603 200606 200609 200612 200703 200706 200709 200712 200803 200806 200809 200812 200903 200906 200909 200912 201003 201006 201009 201012 201103 201106 201109 201112 201203 201206 201209 201212 201303 201306 201309 201312 201403 201406 201409 201412 201503 201506 201509 201512 201603 Tabel 2: evolutie van het aantal jonge leefloners en leefloon studenten - 2003-2016* Jaar Leefloners (LL) Groeipercentage (%) LL LL 25 jaar en meer LL min 25 jaar 2003 74 098 - - - 2004 75 583 2,0% 1,1% 4,8% 2005 76 329 1,0% -0,8% 6,1% 2006 78 778 3,2% 2,7% 4,6% 2007 80 484 2,2% 2,0% 2,6% 2008 83 061 3,2% 2,8% 4,2% 2009 91 200 9,8% 8,9% 12,1% 2010 95 633 4,9% 4,8% 5,0% 2011 94 982-0,7% -0,4% -1,5% 2012 95 741 0,8% 0,0% 2,9% 2013 98 980 3,4% 2,5% 5,7% 2014 102 664 3,7% 3,2% 5,0% 2015 116 149 13,1% 14,8% 9,2% 2016* 124 657 9,6% 9,4% 10,0% 2016*: eerste vier maanden van het jaar. Veranderingspercentages t.o.v. dezelfde periode van het voorgaande jaar. De eerste vier maanden van het jaar 2016 tonen gelijkaardige groeipercentages voor de jonge leefloners en voor oudere leefloners. Grafiek 1: leefloners - kwartaalevolutie over een jaar 20% 15% 10% 5% 0% -5% LL min 25 jaar LL 25 jaar and meer 4
2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 De economische conjunctuur beïnvloedt de evolutie van het aantal leefloners. De volgende grafiek toont de sterke gelijkenissen tussen de groei van het Belgisch Binnenlands Product (BBP), de evolutie van het aantal werkzoekenden en de evolutie van het aantal leefloners. Grafiek 2 jonge leefloners en jonge werkzoekenden - kwartaalevolutie over een jaar 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% -2% -4% -6% -8% -10% -12% -14% -16% -18% BBP naar volume (NBB) Niet-werkende werkzoekende min 25 jaar (NBB) Leeflooners min 25 jaar Zoals onderstaande grafiek aantoont, zijn jonge leefloners gevoeliger voor de conjuncturele evoluties ten opzichte van oudere leeftijdsgroepen met het leefloon. Grafiek 3: oudere leefloners en oudere werkzoekenden - kwartaalevolutie over een jaar 18% 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% -2% -4% -6% -8% -10% -12% -14% -16% -18% BBP naar volume (NBB) Niet-werkende werkzoekende 25 jaar en meer (NBB) Leeflooners 25 jaar en meer 5
3. Leefloon studenten Onder de jongeren die in januari 2015 een leefloon krijgen, heeft meer dan de helft een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI), gesubsidieerd door de POD, ondertekend. Een dergelijk project heeft tot doel de noodzakelijke stappen en doelstellingen in te voeren met het oog op de progressieve sociale en/of professionele inschakeling van alle begunstigden van het recht op maatschappelijke integratie, waarvoor in eerste instantie (nog) geen tewerkstelling mogelijk of wenselijk is. Volgens de noden van de persoon zal het project ofwel betrekking hebben op de professionele inschakeling, via een arbeidscontract na een bepaalde periode, ofwel op een opleiding of studies, ofwel op de maatschappelijke inschakeling. Grafiek 4: verdeling van de jongeren volgens het soort GPMI (januari 2015) 54,3% Bron POD MI - interne berekeningen 46,8% 44,2% 36,9% 39,6% 29,9% 8,8% 7,1% 10,3% 10,8% 5,9% 5,3% 2005 2010 2015 Geen GPMI GPMI studenten GPMI vorming of andere Tewerkstelling Bij de jongeren die geen geïndividualiseerd project maatschappelijke integratie hebben ondertekend, vinden we zowel jongeren terug die omwille van gezondheids- of billijkheidsredenen, niet beschikbaar moeten zijn op de arbeidsmarkt, als jongeren die een dergelijk project hebben ondertekend met het OCMW, maar waarvoor het OCMW geen tussenkomst van de federale Staat vraagt. De OCMW's die de jongeren helpen om studies met volledig leerplan aan te vatten of verder te zetten en op die manier hen betere kansen te geven op de arbeidsmarkt ontvangen een verhoogde federale toelage van 10 %. 6
De wet van 2002 voerde de mogelijkheid in om binnen het leefloon studies met volledig leerplan aan te vatten of verder te zetten. Sindsdien stijgt het aantal jongeren dat een project van het type "studies" ondertekent voortdurend. Er was een sterke stijging in de periode 2003 tot 2008. Sindsdien is het aantal vrij stabiel, met uitzondering van een lichte daling in 2009 die in verband staat met de sterke stijging van het aantal jonge gerechtigden dat jaar. In 2016 studeren twee jonge leefloon gerechtigden op vijf, tegenover één op vijf in 2003 4. Tabel 3: aantal jongeren en studenten 5 onder de leefloners - 2003-2016* Jaar Min 25 leefloners Leefloon studenten (% totaal) (% min 25 leefloners) 2003 25,0% 22,2% 2004 25,7% 26,3% 2005 27,0% 29,9% 2006 27,4% 33,6% 2007 27,5% 36,1% 2008 27,8% 37,1% 2009 28,4% 35,5% 2010 28,4% 36,9% 2011 28,2% 38,0% 2012 28,8% 38,3% 2013 29,4% 39,0% 2014 29,7% 39,8% 2015 28,7% 39,7% 2016* 29,2% 40,8% 2016*: eerste vier maanden van het jaar. De evolutie van het aantal leefloon studenten is seizoensgebonden: een voortdurende stijging tijdens het schooljaar met een piek in juni en een dieptepunt tijdens de zomervakantie. Deze maanden komen overeen met het einde van studies en met de vakantiejobs. Veel OCMW's verplichten hun studenten een baan te zoeken tijdens de zomervakantie. 4 Eigen berekeningen van de POD MI. 5 Het gaat hier om studenten-leefloners die jonger zijn dan 25 jaar. In werkelijkheid zijn ze soms 25 jaar of ouder. De specifieke bepalingen voor studenten blijven echter gelden tot het eind van de studies, ook al bereikt de student die het leefloon ontvangt in de loop van zijn studies de leeftijd van 25 jaar. In 2015 was 91,9 % van de studenten jonger dan 25 jaar. 7
Grafiek 5: leefloon studenten en jonge leefloners - maandelijkse evolutie 22 000 20 000 18 000 16 000 14 000 12 000 10 000 8 000 6 000 4 000 2 000 0 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Leefloon studenten min 25 jaar Leefloon niet-studenten min 25 jaar Hoewel het aantal jonge leefloners sterk gestegen is na de economische en financiële crisis van 2009, werd het aantal leefloon studenten hierdoor minder door beïnvloed, zoals bovenstaande grafiek aantoont 8
4. Profiel van de leefloon studenten Sinds de invoering van de mogelijkheid voor jonge leefloners om studies met volledig leerplan aan te vatten of verder te zetten was het aantal vrouwen steeds hoger ten opzichte van de mannelijke tegenhangers. Binnen de student leefloners is 57,7 % vrouw in 2015, terwijl dit slechts 50,5 % is voor de leeftijdsgroep 18 tot 24 jaar in de totale Belgische bevolking. Dit aandeel is laag in vergelijking met de Belgische bevolking van de jonge gediplomeerden in 2015 6. Leefloon studenten volgens geslacht, 2015 64,1% 57,7% 49,5% 50,5% 42,3% 35,9% Bevolking 18-24 jaar Leefloon studenten Studenten bevolking 18-24 jaar Mannelijk Vrouwelijk Een studie 7 uitgevoerd door de universiteit van Antwerpen en de katholieke universiteit van Leuven (KUL) toont aan dat drie vierde van de studenten die een leefloon ontvangen uit een arm gezin komen. Trouwens, 39 % van de studenten die aankloppen bij het OCMW volgden middelbaar onderwijs, hetgeen een aanwijzing vormt voor schoolachterstand. 6 Onderwijsniveau van de Belgische bevolking van 15-24 jaar. Bron: ADSEI 7 Onderzoeksrapport Studenten en maatschappelijke hulp: http://www.mi-is.be/fr/etudespublications-statistiques/rapport-de-recherche-etudiants-et-aide-sociale 9
In tegenstelling tot de volledige leefloon bevolking is het aantal "samenwonenden" bij de studenten zeer hoog. In 2015 leefde 70,1 % van de studenten samen met een of meer personen, tegenover 33,1 % voor alle leefloners. Het aantal studenten met een gezin ten laste is, daarentegen, verhoudingsgewijs zeer laag. LL en leefloon studenten volgens gezinssituatie, 2015 70,1% 37,9% 33,2% 24,9% 28,9% 5,0% Samenwonend Alleenstaande Gezinslast Leefloon studenten Leefloners Het aantal studenten met de Belgische nationaliteit is zeer hoog, aangezien de inschrijving in het bevolkingsregister een voorwaarde is voor de toekenning van het leefloon. In verhouding tot hun aanwezigheid in de bevolking van de jonge leefloners studeren de buitenlanders van binnen en van buiten Europa minder. Leefloon studenten volgens nationaliteit, 2015 92,2% 83,4% 4,0% 3,8% 5,7% 11,0% Leefloon studenten Belgen EU-28 Niet-EU-28 LL min 25 jaar 10
Het aantal jongeren dat studeert verschilt niet van de ene cluster 8 tot de andere, met uitzondering van de vijf grote steden waar dit aantal lager ligt. Dit toont aan dat de bevoegdheidsregel effictief is en dat de concentratie aan scholen in de stedelijke omgeving niet leidt tot een toevloed aan studenten bij het OCMW van deze stad. Ter herinnering: het territoriaal bevoegde OCMW is dat van de woonplaats van de student op het ogenblik van de registratie van de aanvraag. Het OCMW blijft bevoegd tijdens de volledige ononderbroken duur van de studies. Tabel 4: aantal jonge leefloners volgens groottecluster - 2003-2015 Leefloon studenten min 25 jaar Gemiddeld maandelijks aantal België Aandeel studenten in het leefloon min 25 jaar Kleine gemeenten Middelgrote gemeenten Grote gemeenten 5 grote steden 2003 4 108 22,2% 24,4% 21,7% 22,2% 21,4% 2004 5 112 26,3% 28,7% 26,4% 27,3% 23,5% 2005 6 164 29,9% 32,5% 30,5% 30,0% 27,4% 2006 7 239 33,6% 34,4% 33,9% 34,6% 31,3% 2007 7 983 36,1% 37,9% 36,0% 36,4% 34,6% 2008 8 553 37,1% 40,0% 38,4% 36,4% 34,7% 2009 9 182 35,5% 39,1% 38,7% 34,2% 31,3% 2010 10 016 36,9% 40,5% 40,1% 35,4% 32,8% 2011 10 177 38,0% 41,8% 39,9% 37,6% 33,8% 2012 10 540 38,3% 42,0% 40,0% 37,9% 34,0% 2013 11 354 39,0% 41,9% 41,1% 39,1% 34,2% 2014 12 161 39,8% 41,8% 41,6% 40,7% 34,8% 2015 13 241 39,7% 41,2% 40,3% 41,4% 35,3% 2016* 14 867 41,1% 42,7% 41,8% 42,7% 36,5% * Eerste vier maanden van het jaar. 8 Ter herinnering: de OCMW werden onderverdeeld in clusters volgens een groottecriterium van hun populatie: kleine gemeenten (1-15000); middelgrote gemeenten (15001-50000); grote gemeenten (50001-150000) en de vijf grote steden (Antwerpen, Brussel, Charleroi-Gent-Luik). 11
5. Traject na leefloon student Welk professioneel traject leggen de leefloon studenten af na hun studies? Om deze vraag te beantwoorden, werden de gegevens van de jonge leefloners, leefloon studenten en niet-studenten, gekruist met de gegevens van het datawarehouse arbeidsmarkt en sociale bescherming van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid (KSZ). Twee groepen van leefloon gerechtigden werden gevolgd. Enerzijds gaat het om leefloon studenten en anderzijds om jongeren jonger dan 27 jaar 9 die een leefloon ontvangen, maar geen student zijn en niet werden tewerkgesteld tijdens het jaar 2012 10. Voor elk individu van de twee groepen werd de socio-economische situatie een jaar na het verlies van het statuut van leefloon (student) nagegaan. Niet minder dan 6.852 leefloon studenten en 23.239 niet-studenten met een leefloon werden op vier momenten van het jaar 2012 geselecteerd. De door het datawarehouse verstrekte socio-economische situaties zijn de volgende: werk werkloosheid begunstigde van een ander vervangingsinkomen dan een leefloon leefloon andere situatie: worden hier vermeld, alle individuen die niet werken, niet werkloos zijn, geen vervangingsinkomen of leefloon ontvangen. 9 98,5 % van de studenten-leefloners was jonger dan 27 jaar in 2015. 10 Op het ogenblik van de analyse dateerden de meest recente beschikbare gegevens in het Datawarehouse van de KSZ van 2013. Het is dus nodig om een jaar terug te gaan om de individuen te selecteren die zouden kunnen worden opgevolgd. 12
1.1. Algemeen Van de 6.852 gevolgde leefloon studenten had 30,2 % een baan een jaar na het verlies van het statuut leefloon student, tegenover 23,7 % voor vergelijkingsgroep van jonge leefloners. Voor beide groepen was meer dan 95 % van de werknemers loontrekkende en minder dan 5 % zelfstandige. Tabel 5: verdeling van leefloon studenten en niet-studenten volgens de socioeconomische situatie - situatie over een jaar Situatie over een jaar Leefloon studenten Leefloon niet-studenten Werk 30,2% 23,7% Werkloosheid 11,1% 22,1% Vervangingsinkomen anders dan leefloon 20,9% 11,1% Leefloon 26,2% 22,7% Andere situatie 11,6% 20,4% Totaal 100% 100% Slechts 11,1 % van de leefloon studenten was een jaar na het verlies van het statuut van student werkzoekende, tegenover 22,1% voor de gerechtigden die geen student waren. 26,2 % van de ex-leefloon studenten ontving een jaar nadat zij hun statuut van student hadden verloren nog steeds een leefloon. Dit wordt verklaard door het feit dat de nieuwe werkzoekenden het einde van hun inschakelingsstage moeten afwachten vooraleer zij een werkloosheidsuitkering kunnen ontvangen. Bij de niet-studenten leefloners bedroeg het aantal dat het daaropvolgende jaar een leefloon ontving 22,7 %. 20,9% van de ex-leefloon studenten ontving een sociale uitkering maar niet langer het leefloon. Dit cijfer is moeilijk te interpreteren, want het bevat eveneens de gerechtigden op kinderbijslag. Tot slot had 11,6 % een andere situatie (geen werknemers, geen werkzoekenden, geen gerechtigden op een sociale uitkering). 13
1.2. Situatie volgens geslacht De tewerkstellingspercentages van jonge mannen en vrouwen een jaar nadat zij hun door de PODMI gefinancierde studies hebben beeindigd liggen zeer dicht bij elkaar: 29,6 % voor de mannen, tegenover 30,6 % voor de vrouwen. Dezelfde vaststelling geldt voor de werkloosheidspercentages. Tabel 6: verdeling van de gerechtigden-studenten en niet-studenten volgens geslacht en socio-economische situatie - situatie over een jaar Leefloon studenten Mannelijk Vrouwelijk Werk 29,6% 30,6% Werkloosheid 10,4% 11,6% Vervangingsinkomen anders dan leefloon 20,9% 20,9% Leefloon 27,0% 25,5% Andere situatie 12,0% 11,4% Totaal 100% 100% Ondanks een lager tewerkstellingspercentage en een hoger werkloosheidspercentage dan hun tegenhangers ex-studenten, merken we geen echt verschil op tussen mannen en vrouwen niet-studenten. Leefloon niet-studenten Mannelijk Vrouwelijk Werk 23,7% 23,8% Werkloosheid 21,8% 22,4% Vervangingsinkomen anders dan leefloon 9,5% 12,6% Leefloon 22,2% 23,2% Andere situatie 22,7% 18,0% Totaal 100% 100% 1.3. Situatie volgens gezinscategorie Wanneer de ex-leefloon studenten alleenstaand zijn presteren zij beter in vergelijking met de twee andere categorieën leefloon gerechtigden. 36,6 % onder hen heeft een baan, die gefinancierd wordt door de PODMI, een jaar na het beëindigen van hun studies, tegenover 27,6 % en 26,6 % voor de exstudenten die samenwonen of een gezin ten laste hebben. Merk op dat deze laatste groepen slechts 6,8 % vertegenwoordigd van het totale aantal gevolgde studenten. Tabel 7: verdeling van de leefloon studenten en niet-studenten volgens categorie en socio-economische situatie - situatie over een jaar Leefloon studenten Alleenstaande Samenwonend Gezinslast Werk 36,3% 27,6% 26,6% Werkloosheid 11,0% 10,6% 16,6% Vervangingsinkomen anders dan leefloon 13,4% 25,6% 10,6% Leefloon 26,9% 25,1% 32,8% Andere situatie 12,5% 11,0% 13,4% Totaal 100% 100% 100% 14
Leefloon niet-studenten Alleenstaande Samenwonend Gezinslast Werk 26,3% 22,5% 22,0% Werkloosheid 23,9% 17,9% 30,1% Vervangingsinkomen anders dan leefloon 10,1% 12,0% 10,6% Leefloon 20,4% 27,1% 15,5% Andere situatie 19,4% 20,6% 21,7% Totaal 100% 100% 100% We stellen een groter aantal ex-studenten vast die nog steeds een leefloon ontvingen een jaar na de studies, onder de individuen met gezinslast. De gerechtigden niet-studenten tonen lagere tewerkstellingspercentages en hogere werkloosheidspercentages dan hun tegenhangers ex leefloon studenten, ongeacht de categorie die wordt onderzocht. Wanneer de vrouwelijke leefloon studenten een gezin ten laste hebben, vertonen zij een lager tewerkstellingspercentage en een hoger werkloosheidspercentage dan mannen in dezelfde situatie. We vinden een zelfde aandeel terug voor de vrouwen die een leefloon krijgen een jaar na het einde van hun studies. Merk op dat 94,2 % van de ex leefloon studenten met een gezing ten laste vrouwen zijn. We merken weinig verschillen tussen mannen en vrouwen in de andere categorieën van gerechtigden, behalve een kleiner aantal alleenstaande vrouwen dan mannen met een leefloon een jaar na het einde van de studies: 24,7 % voor alleenstaande vrouwen, tegenover 30 % voor alleenstaande mannen. Tabel 8: verdeling van de gerechtigden-studenten volgens categorie, geslacht en socio-economische situatie - situatie over een jaar Leefloon studenten - Vrouwelijk Alleenstaande Samenwonend Gezinslast Werk 37,1% 28,0% 26,1% Werkloosheid 11,6% 10,6% 17,4% Vervangingsinkomen anders dan leefloon 14,2% 26,2% 10,8% Leefloon 24,7% 24,6% 32,8% Andere situatie 12,3% 10,6% 12,8% Totaal 100% 100% 100% Leefloon studenten - mannelijk Alleenstaande Samenwonend Gezinslast Werk 35,1% 27,3% 33,3% Werkloosheid 10,0% 10,7% 3,7% Vervangingsinkomen anders dan leefloon 12,1% 24,8% 7,4% Leefloon 30,0% 25,7% 33,3% Andere situatie 12,7% 11,6% 22,2% Totaal 100% 100% 100% 15
1.4. Situatie volgens afkomst Tabel 9: verdeling van de gerechtigden-studenten en niet-studenten volgens afkomst en socio-economische situatie - situatie over een jaar Leefloon studenten Afkomst Belgische Europese niet-europese Onbekend Werk 36,3% 32,4% 26,1% 23,6% Werkloosheid 12,1% 15,9% 9,2% 9,1% Vervangingsinkomen anders dan leefloon 19,8% 20,5% 22,1% 17,9% Leefloon 21,6% 19,7% 31,0% 29,0% Andere situatie 10,2% 11,5% 11,6% 20,4% Totaal 100% 100% 100% 100% Leefloon niet-studenten Afkomst Belgische Europese niet-europese Onbekend Werk 25,9% 24,1% 23,5% 16,9% Werkloosheid 26,3% 21,7% 19,2% 17,7% Vervangingsinkomen anders dan leefloon 12,3% 11,2% 10,5% 8,4% Leefloon 18,1% 19,6% 29,4% 23,2% Andere situatie 17,4% 23,3% 17,4% 33,9% Totaal 100% 100% 100% 100% De ex-studenten van niet-europese 11 afkomst vertonen een lagere tewerkstellingsgraad dan hun tegenhangers van Belgische of Europese afkomst. Zij hebben een lager werkloosheidspercentage, maar zij ontvangen vaker dan hun tegenhangers van Belgische of Europese afkomst een leefloon een jaar na het einde van hun studententraject. 11 Vier criteria zijn noodzakelijk om de afkomst te bepalen: de huidige nationaliteit van de betrokkene, de nationaliteit van geboorte van de betrokkene, nationaliteit van geboorte van de vader en nationaliteit van geboorte van de moeder. Wanneer één van de 4 criteria niet de Belgische nationaliteit is, wordt de betrokkene beschouwd als een persoon van vreemde afkomst. 16
Meer cijfers? In deze focus worden slechts enkele kerncijfers besproken in verband met enkele maatregelen die door de POD MI gefinancierd wordt. U vindt ook andere interessante cijfer per gewest, provincie, arrondissement en gemeente, per leeftijdsklasse, volgens geslacht, nationaliteit, categorie of statuut op onze Internetsite. Naast tal van downloadbare tabellen vindt u er eveneens onze andere statistische publicaties. Bijkomende inlichtingen? Indien u meer informatie wenst, gelieve contact op te nemen met de dienst Communicatie op het volgende nummer: 02/508.85.85 of via onze website: http://www.mi-is.be/nl/contact Bronvermelding POD MI - Maatschappelijke integratie 17