NOTA: standpunt OVB wetsontwerp tot hervorming van de griffierechten

Vergelijkbare documenten
Rolnummer Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T

Rolnummer Arrest nr. 46/2009 van 11 maart 2009 A R R E S T

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL ARREST

niet verbeterde kopie

Rolnummer Arrest nr. 43/2014 van 13 maart 2014 A R R E S T

Wetboek van 30 november 1939 der registratie-, hypotheek- en griffierechten (Vlaams Gewest)

Datum van inontvangstneming : 14/06/2013

Datum van inontvangstneming : 02/02/2016

Datum van inontvangstneming : 06/03/2017

Hof van Cassatie van België

Rolnummer Arrest nr. 156/2014 van 23 oktober 2014 A R R E S T

FORMALITEITEN INDIENING BTW-LISTING ADVOCATEN BEROEPSGE- HEIM GELIJKHEIDSBEGINSEL Rechtspraak

eisers tot cassatie van een arrest, op 25 november 1997 gewezen vertegenwoordigd door mr. Francis Marck, advocaat bij de balie

Rolnummer Arrest nr. 15/2009 van 5 februari 2009 A R R E S T

NOTA AAN DE VLAAMSE REGERING

Hof van Cassatie van België

VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in. de persoon van de Minister-President, met kabinet gevestigd te

Hof van Cassatie van België

Doc. nr. Th gez. en veiligheid zelfst A07 Brussel, MH/FD/LC A D V I E S. over een

BIJLAGEN. bij de MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD. Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat

De gerechtskosten en de verjaring

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

De reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag: aanpassing van de regelgeving noodzakelijk?

Rolnummer Arrest nr. 200/2006 van 13 december 2006 A R R E S T

jurisprudentiële fundamenten meer dan veertig jaar geleden zijn gelegd 2, bevestigd en versterkt.

Datum van inontvangstneming : 16/04/2019

1. Het verslag van de algemene vergadering van 18 april 2007 werd goedgekeurd.

Hof van Cassatie van België

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Ontwerp van decreet. houdende wijziging van het tarief op het recht op verdelingen en gelijkstaande overdrachten. Advies. van de Raad van State

Rolnummer Arrest nr. 55/2015 van 7 mei 2015 A R R E S T

J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en R. Leysen

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

NOTA AAN DE VLAAMSE REGERING

Rolnummer Arrest nr. 108/2014 van 17 juli 2014 A R R E S T

Rolnummers 6797 en Arrest nr. 160/2018 van 22 november 2018 A R R E S T

Hof van Cassatie van België

Datum van inontvangstneming : 17/12/2015

Rolnummer Arrest nr. 84/2003 van 11 juni 2003 A R R E S T

Hof van Cassatie van België

Rolnummer Arrest nr. 121/2011 van 30 juni 2011 A R R E S T

Datum van inontvangstneming : 09/10/2015

ceit Jus la de r ueirépuls isen Co etiit Jus de voor da Hoge

Rolnummer Arrest nr. 169/2005 van 23 november 2005 A R R E S T

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Geachte mevrouw Jadnanansing,

A D V I E S Nr Zitting van dinsdag 2 mei

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

van advocaten vanaf 1 januari Een kort overzicht van de het btw-statuut van de advocaat

Rolnummer Arrest nr. 200/2009 van 17 december 2009 A R R E S T

Hof van Cassatie van België

Toelichting bij het arrest 7/2013 van het Grondwettelijk Hof inzake het beroep tot vernietiging van de zgn. Salduzwet

Rolnummers 4767 en Arrest nr. 53/2010 van 6 mei 2010 A R R E S T

DE ARBEIDSRECHTBANK TE HASSELT.

Rolnummer 618. Arrest nr. 65/94 van 14 juli 1994 A R R E S T

niet verbeterde kopie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België. Arrest

Hof van Cassatie van België

Grondwet gelijkheid en niet-discriminatie WCO gerechtelijke reorganisatie door collectief akkoord artikel 56 WCO beroep tegen homologatievonnis

Hof van Cassatie van België

Rolnummer Arrest nr. 12/2009 van 21 januari 2009 A R R E S T

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

NOTA de Juridische dienst de Groep voorlichting Toegang van het publiek tot documenten van de Juridische dienst van de Raad

niet verbeterde kopie

Rolnummer Arrest nr. 86/2013 van 13 juni 2013 A R R E S T

EUROPEES PARLEMENT Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken ONTWERPVERSLAG

Rolnummer Arrest nr. 181/2009 van 12 november 2009 A R R E S T

RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN

A R R E S T. In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 307bis van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Cassatie.

, geboren te op ' met ondernemingsnummer ~ wonende te. eisende p a r tij: vertegenwoordigd door mr te

Artikel 508/19-1. De advocaat int de aan de

A R R E S T. samengesteld uit voorzitter F. Debaedts en de rechters-verslaggevers L.P. Suetens en P. Martens, bijgestaan door de griffier L.

ADVIES UITGEBRACHT DOOR DE ECONOMISCHE EN SOCIALE RAAD VOOR HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST TIJDENS ZIJN ZITTING VAN 16 DECEMBER 2010.

Rolnummer Arrest nr. 200/2005 van 21 december 2005 A R R E S T

Hof van Cassatie van België

Rolnummer Arrest nr. 65/2010 van 27 mei 2010 A R R E S T

Datum van inontvangstneming : 17/07/2019

Rolnummer Arrest nr. 172/2009 van 29 oktober 2009 A R R E S T

Een juridisch statuut voor pleegouders?

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer,

Datum van inontvangstneming : 06/04/2017

RAAD VAN STATE afdeling Wetgeving

Rechtbank van eerste aanleg Gent, vonnis van 9 september 2010

Duiding bij het KB van 29 maart 2019 (RPV)

NOTA AAN DE VLAAMSE REGERING

Datum van inontvangstneming : 07/08/2014

Hof van Cassatie van België

COMMISSIE VOOR FINANCIËLE HULP AAN SLACHTOFFERS VAN OPZETTELIJKE GEWELDDADEN AAN DE OCCASIONELE REDDERS

Rolnummer Arrest nr. 106/2009 van 9 juli 2009 A R R E S T

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

A D V I E S Nr Zitting van woensdag 9 juli

Transcriptie:

Orde van Vlaamse Balies NOTA: standpunt OVB wetsontwerp tot hervorming van de griffierechten www.advocaat.be Staatsbladsstraat 8 B 1000 Brussel T +32 (0)2 227 54 70 F +32 (0)2 227 54 79 info@advocaat.be ondernemingsnummer 0267.393.267 OVB studiedienst Contactpersoon: Philippe Gérard (philippe.gerard@ordevanvlaamsebalies.be) Samenvatting Het voorgestelde systeem van verhoging van de griffierechten, zoals neergelegd in het wetsontwerp betreffende de hervorming van de griffierechten (Parl.St. Kamer 2014-2015, DOC 54 nr. 0906/001) is onverenigbaar met het recht op toegang tot de rechter. Het wetsontwerp is ingeven door het doel om de rechtzoekende te laten bijdragen tot de werkingskosten van het gerechtelijk apparaat. De opbrengst van de maatregel komt echter ten goede aan de algemene middelen van de Staat. Een verhoging van de griffierechten mag uitsluitend een verbetering van de werking van justitie ten goede komen, zeker nu alle actoren moeten vaststellen dat onverantwoord wordt bespaard op personeel en werkingsmiddelen. De verhoging van de griffierechten zal leiden tot een beperking van het recht op toegang tot de rechter voor een groot aantal rechtzoekenden. Uitoefening van het recht op toegang tot de rechter wordt immers duurder voor een grote groep financieel kwetsbare rechtzoekenden. Een hervorming van de griffierechten dient met respect voor het recht op toegang tot de rechter te worden doorgevoerd. Het wetsontwerp getuigt niet van een dergelijk respect en de Orde sluit zich dan ook aan bij de bedenkingen van de Raad van State ten aanzien van het criterium van de waarde van de vordering. Enerzijds gaat de hervorming volgens de Raad van State te licht over het verband tussen de waarde van de vordering en grootte van het te betalen griffierecht. Anderzijds dient de Raad van State te worden bijgetreden waar hij het verband tussen de waarde van de vordering en de werklast voor het gerechtelijk apparaat in vraag stelt. De regeling geeft aanleiding tot veel rechtsonzekerheid. Zo komt de collectieve vordering op de helling te staan indien een griffierecht per eisende partij dient te worden betaald. De 1

aansprakelijkheid van de advocaat komt eveneens in het geding. De OVB benadrukt dat de advocaat geenszins aansprakelijk gesteld kan worden voor de invulling van het bedrag van de waarde van de vordering van zijn cliënt. In ondergeschikte orde is, gelet op de kritiek van de Raad van State is een lineaire verhoging per zaak (en niet per procespartij), gekoppeld aan een uniformisering van de griffierechten, het hoogst haalbare. Standpunt 1. Inleiding Het betreffende wetsontwerp stelt een nieuw stelsel in waarbij de grootte van het te betalen recht afhangt van de waarde van de vordering. De eisende partij moet daartoe bij de akte die ter neerlegging wordt aangeboden een verklaring voegen, opgemaakt volgens het model bepaald bij koninklijk besluit, waarin hij de waarde van zijn vordering dient aan te geven. Voor het overige is de hervorming voornamelijk gericht op het terugdringen van de werklast van de griffies. De vereenvoudiging van de griffierechten is er in gelegen om voor alle rollen (algemene rol, rol van verzoekschriften en rol van het kort geding) één tarief per gerecht en aanleg te creëren. Deze vereenvoudiging gaat tevens gepaard met een verhoging van de griffierechten. De regering rechtvaardigt deze verhoging door te wijzen op het feit dat de griffierechten sinds twintig jaar niet meer zijn aangepast, afgezien van een verhoging met 15 % bij toepassing van de artikelen 94 tot 97 van de programmawet van 22 juni 2012. Bovendien, zo wijst de regering erop, zijn de griffierechten nog steeds een stuk lager dan in de ons omringende EU-lidstaten. 1 Een verhoging van de griffierechten dient Justitie zelfbedruipend te maken. De Orde acht het wetsontwerp strijdig met het recht op toegang tot de rechter. 2. Het wetsontwerp hervorming griffierechten maakt een disproportionele ingreep in het recht op toegang tot de rechter uit Het recht op toegang tot de rechter wordt in de Belgische rechtsorde gewaarborgd door de artikelen 13 en 23, 2 van de Belgische Grondwet, de artikelen 6 en 13 EVRM (zie recent in verband met proceskosten EHRM, Onar t. Turkije, n 13160/07, 2014, overw. 23 en eerder EHRM, Harrison McKee t. Hongarije, n 22840/07, 2014, overw. 29), wat zaken betreft die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen door artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (bijv. HvJ, zaak C 279/09, Deutsche Energiehandels und Beratungsgesellschaft mbh (DEB) t. Bundesrepublik Deutschland, EU:C:2010:811, inzonderheid overw. 61-62).) en tenslotte artikel 14 BUPO-Verdrag. Het recht op toegang tot de rechter wordt door het Grondwettelijk Hof daarenboven als een algemeen rechtsbeginsel bestempeld 2. De heffing van een griffierecht maakt op zich geen schending uit van het recht op toegang tot de rechter. Het recht op toegang tot de rechter is dus niet onbeperkt maar 1 In deze kan worden verwezen naar een vergelijkende studie die de Europese commissie liet uitvoeren in 2007: https://e-justice.europa.eu/content_costs_of_proceedings-37-en.do. 2 Zie bijvoorbeeld GwH 8 mei 2014, arrest nr. 74/2014, overweging B.8.4.

enige beperking mag het recht niet in zijn essentie aantasten, moet een gerechtvaardigd doel dienen en dient proportioneel te zijn. De reden dat de rechtzoekende een verhoogd griffierecht dient te betalen, ligt in de noodzaak de werking van justitie als dienst van algemeen belang veilig te stellen. Ook de burger dient bij te dragen aan de werkingskosten die verbonden zijn met het uitoefenen van een van de meest fundamentele rechten, zijnde het recht op toegang tot de rechter ter uitoefening van een doeltreffende rechtsmiddel. De vraag is of de hervorming van de griffierechten er inderdaad op gericht is Justitie zelfbedruipend te maken en of de burger bijdraagt tot deze publieke dienst door hogere griffierechten te betalen. Een verhoging van de griffierechten mag uitsluitend een verbetering van de werking van justitie ten goede komen. Justitie is immers reeds het slachtoffer van onverantwoorde besparingen, niet in het minst wat betreft personeel en werkingsmiddelen. Nu is het zo dat de verhoogde rechten toekomen aan de algemene middelen, zonder dat er garanties zijn dat de inkomsten ten goede komen aan justitie. De OVB pleit dan ook voor een fonds, bijvoorbeeld gericht op de informatisering van justitie, waarin de (bijkomende) griffierechten worden gestort. De opbrengsten kunnen bijvoorbeeld ook toekomen aan het Fonds voor Tweedelijnsbijstand. Wat de eerbiediging van het proportionaliteitsbeginsel betreft kan de OVB redenering van de regering niet volgen. De memorie van toelichting wijst in dit verband op het volgende: De sociaal en economisch zwakkere partij kan een gedeeltelijke, dan wel een volledige vrijstelling bekomen van het betalen van de gerechtskosten indien hij aantoont dat zijn inkomsten ontoereikend zijn.. De vraag rijst of niet een groot aantal rechtzoekenden door de onderhavige hervorming ontmoedigd zullen worden gebruik te maken van hun recht op toegang tot de rechter, nu zij bovendien, door een inkomen dat net te hoog ligt, geen aanspraak maken op juridische bijstand. Een dergelijk gevolg is voor de Orde van Vlaamse Balies onaanvaardbaar. De kloof tussen rechtzoekenden die juridische bijstand (geen hogere griffierechten, geen rechtsplegingsvergoeding en geen btw-plicht in hoofde van pro-deo advocaten) ontvangen en zij die er net geen vangen vergroot daardoor. Ook de kloof ten aanzien van rechtzoekenden die sowieso voldoende financiële draagkracht hebben vergroot. De Orde stelt dat de verhoging van de griffierechten in het voorgestelde systeem dan zal leiden tot een beperking van het recht op toegang tot de rechter voor een groot aantal rechtzoekenden. De Orde van Vlaamse balies ziet deze hervorming als de zoveelste verhoging van de kosten om een gerechtelijke procedure te voeren. Deze laatste stap dient cumulatief beoordeeld te worden in het licht van eerdere hervormingen zoals de rechtsplegingsvergoeding (het griffierecht zal ten laste vallen van de in het ongelijk gestelde partij, die daarenboven ook nog griffierechten dient te betalen; bovendien dient de overheid wanneer zij optreedt in het algemeen belang geen rechtsplegingsvergoeding te betalen in tegenstelling tot de rechtzoekende burger), de bijdragen aan het Fonds voor Tweedelijnsbijstand en de onderwerping van advocaten aan de btw-plicht (en de daarmee gepaard gaande kloof tussen niet-btw-plichtige en btw-plichtige cliënten, voor wie de btw aftrekbaar is). De relatieve laagte van de griffierechten in verhouding tot de ons omringende buurlanden, kan bovendien geen sluitend argument zijn om de verhoging te legitimeren. Het hogere griffierecht in Nederland en Duitsland bijvoorbeeld is niet moeilijk te verklaren, gegeven het hogere aandeel van de justitiekost in het bbp (België 2 à 3 %, Nederland en Duitsland 5 à 6 %).

Een verhoging van de griffierechten dient met respect voor het recht op toegang tot de rechter te worden doorgevoerd. De Orde meent dat het wetsontwerp niet aan een dergelijk respect beantwoordt en sluit zich dan ook volmondig aan bij de bedenkingen van de Raad van State ten aanzien van het criterium van de waarde van de vordering. Enerzijds gaat de hervorming volgens de Raad van State te licht over het verband tussen de waarde van de vordering en grootte van het te betalen griffierecht. Het is immers niet zo dat er een noodzakelijk verband is tussen de waarde van de vordering en de financiële draagkracht van de rechtzoekende die het griffierecht dient te betalen. De Raad van State merkte terecht op dat in de gevallen waar het verband niet bestaat, het recht op toegang tot de rechter in het gedrang zou kunnen komen doordat een persoon met een zwakkere draagkracht toch een hoger recht dient te betalen. Het verschil in de hoogte van de verschuldigde griffierechten mag derhalve niet, zonder enige mogelijkheid tot afwijking of correctie, gebaseerd zijn op de gemiddelde of de (vermoede) meest voorkomende situatie. (Parl.St. Kamer 2014-2015, DOC 54 nr. 0906/001, 39). Anderzijds dient de Raad van State te worden bijgetreden waar hij het verband tussen de waarde van de vordering en de werklast voor het gerechtelijk apparaat in vraag stelt. Een dergelijk verband wordt eveneens te gemakkelijk aanvaard. De Raad besloot dan ook dat de werklast die de behandeling van een zaak met zich meebrengt en de moeilijkheidsgraad van een zaak, (immers niet af hangen) van de financiële waardering van de eis. De in het ontworpen artikel 269, eerste lid, van het W.Reg. vervatte regeling doorstaat derhalve ook niet de toets aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie (artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 14 van het EVRM en artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie). (Parl.St. Kamer 2014-2015, DOC 54 nr. 0906/001, 39). De OVB betreurt ten zeerste dat geen rekening werd gehouden met het gezaghebbende advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Gelet op de kritiek van de Raad van State is in ondergeschikte orde een lineaire verhoging van de griffierechten per zaak (en niet per procespartij), gekoppeld aan een uniformisering van de griffierechten, het hoogst haalbare. In ondergeschikte orde kan verder gedacht worden aan een verhoging van de registratierechten (of een verlaging van de drempel van 12500 ), nu deze ook bepaald worden op basis van de waarde van het geding, doch op een ogenblik dat hieromtrent zekerheid bestaat. Daarnaast waarschuwt de OVB voor de grote rechtsonzekerheid door de verhoging van de griffierechten in functie van de waarde van de vordering: quid met vorderingen van 1 euro, declaratoire vorderingen, de actio negatoria, meerdere schuldeisers, feitelijke verenigingen, burgerlijke maatschappen en collectieve vorderingen. Zo rijst de vraag of bij het instellen van een collectieve vordering één griffierecht dient te worden betaald, dan wel een griffierecht per eisende partij die zich bij de collectieve vordering aansluit. Zulks kan niet achteraf geregeld worden in omzendbrieven of uitvoeringsbesluiten. Ook kan men zich de vraag stellen waarom een echtpaar verhuurders dat een vordering instelt met betrekking tot achterstallige huurgelden twee maal een griffierecht dient te betalen, terwijl het echtpaar de facto slechts een griffierecht betaalt, indien de andere echtgenoot later tussenkomt.

De regeling doet ook moeilijkheden met betrekking tot de aansprakelijkheid van de advocaat rijzen. De minister wees reeds op de deontologische plicht van de advocaat om zijn cliënt correct te informeren. De OVB benadrukt dat de advocaat geenszins aansprakelijk gesteld kan worden voor de correcte invulling van het bedrag van de waarde van de vordering van zijn cliënt: een advocaat is per definitie partijdig, en dient de belangen van zijn cliënt behartigen. Een oordeel over een fiscale heffing in hoofde van zijn cliënt afleveren is hiermee fundamenteel tegenstrijdig. In dit kader moet erop gewezen worden dat het ontbreken van een pro fisco-verklaring verhindert dat de eiser zijn verzoek rechtmatig indient, waardoor de zaak niet aan de rechtbank kan worden voorgelegd. De verjaringstermijn wordt dus niet geschorst. De OVB is aldus in principe tegen de verplichting voor de advocaat om een pro fisco-verklaring af te leggen. In ondergeschikte orde wenst de OVB te benadrukken dat deze verklaring slechts een uiterst voorlopige en voorwaardelijke schatting betreft. 3. Griffierechten familierechtbanken De Orde van Vlaamse Balies schat ten slotte de hervorming positief in voor zover zij betrekking heeft op het griffierecht voor de familierechtbank. Het vaste griffierecht van 100 in eerste aanleg is in dit opzicht toe te juichen: het risico op een dubbele betaling voor rolstelling inzake de voorlopige maatregelen enerzijds en de procedure ten gronde anderzijds verdwijnt nu. Toch maakt de OVB een bedenking: wat is het objectief criterium op basis waarvan een onderscheid wordt gemaakt ten aanzien van een zaak voor de familierechtbank? Is daar minder werklast mee verbonden (betwisting ouderlijk gezag, voorlopige maatregelen, ten gronde, vereffening en verdeling) en zo neen, ligt dan geen ongeoorloofde discriminatie voor? Een ander onderscheid ligt in het hogere griffierecht dat kinderloze feitelijk samenwonenden dienen te betalen, in verhouding tot feitelijk samenwonenden met kinderen. De zaak van deze laatsten komt in een familierechtelijke context immers voor de familierechtbank, waar een lager griffierecht verschuldigd is. *****