De gemiddelde Nederlander brengt 80 tot 90% van zijn tijd binnen door. Thuis, op kantoor, op school, etc. Daarom is het belangrijk dat de kwaliteit van het binnenmilieu van onze gebouwen zodanig is dat wij ons gezond en comfortabel (blijven) voelen. Hieronder wordt ingegaan op de volgende deelonderwerpen die bepalend zij voor het binnenmilieu: thermisch binnenklimaat, (binnen)luchtkwaliteit, geluid, licht en uitzicht. De gemiddelde Nederlander brengt 80 tot 90% van zijn tijd binnen door. Thuis, op kantoor, op school, in winkels, in ziekenhuizen, etc. Daarom is het belangrijk dat de kwaliteit van het binnenmilieu van onze gebouwen zodanig is dat wij ons gezond en comfortabel (blijven) voelen. De Arbeidsomstandighedenwet biedt een kader dat optimalisering van het binnenmilieu stimuleert. Naast de arbowet bevat ook het Bouwbesluit eisen ten aanzien het binnenmilieu. Hieronder wordt kort ingegaan op de volgende deelonderwerpen die bepalend zij voor het binnenmilieu, te weten: thermisch binnenklimaat, (binnen)luchtkwaliteit, geluid, licht en uitzicht. Thermisch binnenklimaat We spreken van een thermisch behaaglijk binnenklimaat als mensen geen behoefte hebben aan een hogere of lagere temperatuur. Thermische behaaglijkheid wordt daarom uitgedrukt in de mate waarin men tevreden is over het thermisch binnenklimaat. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt naar algemene thermische behaaglijkheid en lokale thermische behaaglijkheid. Met algemene thermische behaaglijkheid wordt aangegeven in welke mate men het koud of warm heeft. In het dagelijks leven praten we in dit verband over de temperatuur in een ruimte. We spreken van lokale thermische behaaglijkheid als de temperatuur in een ruimte op zich goed is, maar een deel van het lichaam te sterk afkoelt of opwarmt, bijvoorbeeld: koude voeten door een te lage vloertemperatuur; hinderlijke sterke warmtestraling dicht voor een kachel of juist te veel warmteverlies door koudestraling bij enkel glas; tocht.
Voorkomen en beperken Ontevredenheid over de algemene thermische behaaglijkheid gedurende de zomermaanden is te voorkomen door de warmteontwikkeling te beperken en door te zorgen dat het gebouw traag opwarmt. Enige concrete aanbevelingen: Minimaliseer de externe warmtelast. Kies in vertrekken op het oosten, zuiden en westen voor buitenzonwering of een vergelijkbaar effectief systeem, bijvoorbeeld tussenzonwering, een klimaatgevel of (niet te donker getinte) zonwerende beglazing. Minimaliseer de interne warmtelast. Gebruik bijvoorbeeld kantoorapparatuur dat weinig warmte afgeeft. Plaats grote warmteproducerende apparatuur (zoals kopieerapparaten en printers) in onbemande ruimten. Laat TL s dicht bij ramen terugschakelen naar een lager verlichtingsniveau als er voldoende daglicht is. Voorzie gedurende de warme maanden in airco of tafel/staande ventilatoren die door gebruikers in meerdere standen zijn in te stellen. Hiermee is de gevoelstemperatuur per werkplek met een graad of 2 à 3 ºC te verlagen. Voor de algemene thermische behaaglijkheid gedurende de wintermaanden zijn de volgende adviezen nuttig. Voorzie elke werkruimte van een thermostaatknop waarmee de ruimtetemperatuur s winters met 2-3 C kan worden verhoogd en verlaagd ten opzichte van het centrale setpoint. Zorg waar mogelijk voor te openen ramen: dit geeft op kamerniveau niet alleen een mogelijkheid tot beïnvloeding van de hoeveelheid verse luchttoevoer maar schept ook een mogelijkheid tot extra warmteafvoer (en dus beïnvloeding van de kamertemperatuur). Binnenluchtkwaliteit De binnenluchtkwaliteit wordt bepaald door de in de ruimte voorkomende verontreinigingen, de hoeveelheid en kwaliteit van de toegevoerde lucht. Klachten als oogirritaties, droge keel, verstopte neus en hoofdpijn, die in de loop van de dag erger worden, zijn in veel gevallen te herleiden tot een slechte binnenluchtkwaliteit.
De binnenlucht kan verontreinigd zijn door vezels en stof (fijnstof, asbest, steenwol of glaswol vezels, etc.), biologische agentia (mijten, schimmels, pollen, legionella, etc.) en chemische agentia (tabaksrook, kooldioxide, koolmonoxide, etc.). Ten aanzien van de binnenluchtkwaliteit gelden 5 basiseisen: 1. Voldoende toevoer van verse lucht en afvoer van gebruikte lucht door mechanische of natuurlijke ventilatie. 2. Het desbetreffende ventilatiesysteem voert lucht toe die minimaal even schoon is als de lokale buitenlucht. 3. Er is per ruimte een voorziening voor de beïnvloeding van de verse luchttoevoer (door het openen van een raam). 4. De gebruikte bouw- en interieurmaterialen zijn voldoende schoon, vrij van schimmels en dergelijke. 5. Het gebruik van de ruimten is in overeenstemming met de installatieontwerpuitgangspunten. Geluid Geluidshinder is te definiëren als het negatief beleven van geluid. Uit onderzoek naar geluidshinder blijkt dat de volgende factoren een belangrijke rol spelen: Voorspelbaarheid van en de vertrouwdheid met het geluid Een voorbeeld is een scholier die met de radio aan zijn huiswerk kan maken. De muziek uit de radio is voor hem zo vertrouwd dat hij er geen hinder van ondervindt. Als de radio uit is, bestaat de kans dat geluiden uit de omgeving juist een bron van hinder gaan vormen, waardoor hij afgeleid wordt. (Veronderstelde) beheersbaarheid van het geluid De situatie waarin een medewerker door het openen of sluiten van ramen en deuren zelf kan bepalen wanneer het geluid van buiten wordt toegelaten op de werkplek, blijkt in de praktijk veel acceptabeler te zijn dan die waarin het lawaai onbeheersbaar is. Betekenis van het geluid (wel/niet inhoudsvol) Spraakgeluiden hebben invloed op de prestatie, met name op het geheugen. Doordat dergelijke spraakgeluiden altijd informatie bevatten die in het geheugen wordt opgeslagen, vermindert het vermogen om andere informatie op te nemen. Motivatie Het blijkt dat zeer gemotiveerde medewerkers hun werkzaamheden niet door geluid laten beïnvloeden. Maar het kan ook afhangen van de aard van de werkzaamheden. Wie vindt dat hij belangrijk en interessant werk doet, zal zich minder snel laten afleiden dan iemand die bezig is met een routineklus. Individuele geluidgevoeligheid De een is gevoeliger voor storende geluiden dan de ander. Lokaliseerbaarheid van geluid Een voorbeeld is een callcenter in een relatief hoge galmende ruimte. Wanneer er een telefoon rinkelt, is het onmogelijk te bepalen welke telefoon rinkelt, wat weer betekent dat men niet op tijd de juiste telefoon opneemt.
Noodzakelijkheid van geluid De mate van hinder wordt mede bepaald door wat men normaal acht in de betreffende omgeving. Binnen kantoren bijvoorbeeld vindt er een verschuiving plaats in verband met de stiller wordende kantoorapparatuur. Het geluidsniveau van de typekamer van 30 jaar geleden is nu niet meer acceptabel. Frequentie van geluid Laagfrequent geluid (frequentie tussen de 20 en 125 Hz) blijkt extra hinderlijk te zijn. Klachten die zich kunnen voordoen zijn onder andere hoofdpijn, evenwichtsstoornissen, vermoeidheid en druk op de oren. Uit onderzoek blijkt dat de invloed van geluidshinder op de prestatie afhangt van het soort taken dat uitgevoerd wordt. Werkzaamheden waarbij een hogere concentratie vereist is, zoals het schrijven van een rapport, zijn in het algemeen veel geluidsgevoeliger dan eenvoudige, meer routinematige werkzaamheden. Geluidshinder in kantoorruimten kan worden veroorzaakt door collega's in de eigen werkruimte. Dit komt doordat colleag's met name inhoudsvol geluid produceren. ONze hersenen reageren altijd op geluid met inhoud. Dit betekent dat zodra gesprekken gehoord worden men per definitie minder geconcentreerd is. Geluidshinder veroorzaakt door kantoorapparatuur wordt in de eerste plaats niet bepaald door het geluidsniveau, maar veel eerder door de beheersbaarheid (de individuele aanpasbaarheid) en de noodzakelijkheid van het geluid. Voorkomen en beperken Zorg in zowel kleine als grote ruimten voor een goede akoestiek. Zorg dat men bij langere telefoongesprekken kan uitwijken naar aparte ruimte. Let bij de aanschaf van apparatuur op het geluid. Plaats geluid- (en warmte)producerende apparatuur netwerkprinters, kopieerapparaten zo veel mogelijk in onbemande ruimten. Vermijd te grote hoeveelheden personen per kamer. Zorg bijvoorbeeld in kantoren dat het gekozen kamertype in overeenstemming is met het (gewenste) gebruik (concentratiecellen: 1 persoon; kamerkantoor: maximaal 4 personen; groeps- of teamkantoor: 5 tot 10 personen; open kantoor (kantoortuin): meer dan 10 personen).
Licht Om goed te kunnen werken is het niet alleen nodig dat er voldoende licht op de betreffende taak valt. Ook de kwaliteit van het licht, de manier waarop het invalt, verblinding, spiegeling en kleur spelen een rol. De eisen die aan daglicht en kunstlicht worden gesteld, zijn met de opkomst van het beeldschermwerk flink veranderd. In het kader van arbeidsomstandigheden is het gewenst dat het oog de werkzaamheden zo goed mogelijk kan zien en daarbij zo weinig mogelijk wordt vermoeid, gehinderd of afgeleid. Een visueel comfortabele werkplek heeft dan ook een aantal eigenschappen: de taak is goed zichtbaar; de werkruimte is niet eentonig verlicht; er treedt daglicht binnen in de ruimte; er zijn geen hinderlijke contrasten (spiegeling of verblinding); kunstlicht en daglicht zijn in balans. Bij visueel comfort speelt het begrip verlichtingsterkte een belangrijke rol. De verlichtingssterkte is een maat voor de hoeveelheid licht die op een vlak valt. De gewenste verlichtingssterkte kan per werkzaamheid sterk verschillen. Voor de meeste kantoorwerkzaamheden is een verlichtingsterkte tussen 300 en 750 lux optimaal. Niveaus hoger dan 500 lux kunnen bij kantoortaken zelfs hinderlijk zijn. Voor oudere werknemers kan een verlichtingsniveau tot 750 lux gewenst zijn. Op hogere leeftijd neemt de gezichtsscherpte van de mens namelijk af. Voorkomen en beperken Klachten over kunstlicht kunnen worden beperkt (of worden voorkomen) door de volgende maatregelen: Realiseer bij normale kantoorwerkzaamheden een verlichtingssterkte tussen 500 en 750 lux. Zorg bij beeldschermwerk voor een verlichtingsniveau van 300-500 lux. Realiseer voor ouderen een verlichtingsniveau van ca. 750 lux met mogelijkheid voor individuele beïnvloeding (dimmer/bureaulamp). Zorg ervoor dat de verlichtingsinstallatie in werkruimten in elk geval per zone (zowel aan raamzijde als aan gangzijde) apart aan en uit te schakelen is. Zorg voor individuele beïnvloeding van de verlichting door iedere ruimte van een eigen schakelaar te voorzien (eventueel aangevuld met bijvoorbeeld aanwezigheidsdetectie).
Voorkomen en beperken Hinder door tegen het kunstlicht inkijken of door reflectie ervan op het beeldscherm is als volgt te voorkomen of te beperken: Pas verlichtingsarmaturen toe die voldoende afgeschermd zijn in alle richtingen. Zorg ervoor dat armaturen in kleine groepen kunnen worden geschakeld. Maak gebruik van platte beeldschermen (LCD of TFT). Het werken met beeldschermen in ruimten met daglicht leidt vaak tot problemen. Deze problemen manifesteren zich door de direct door medewerkers ervaren discomfort ( tegen het licht in moeten kijken, hinderlijke spiegeling van een raam in het beeldscherm, het scherm is slecht leesbaar door opvallend zonlicht ). Ook kan daglicht bij beeldschermwerk onbewust tot gezondheidsklachten leiden. Voorbeelden van dergelijke klachten zijn hoofdpijn, oogklachten, oogirritaties en vermoeidheid. De hierboven genoemde daglichtproblemen bij beeldschermwerk zijn door een combinatie van de volgende maatregelen te voorkomen: adequate beeldschermopstelling ten opzichte van het raam (kijkrichting evenwijdig aan het raam); aanwezigheid en gebruik van goede en voldoende lichtdichte helderheidswering; beperkte toepassing van reflecterende afwerkmaterialen of reflectievlakken. Uitzicht In de praktijk is gebleken dat slecht uitzicht aanleiding kan geven tot ontevreden medewerkers. Uitzicht op groen of het waarnemen van veranderde weersomstandigheden is dan ook erg belangrijk. Indien u wilt weten hoe het gesteld is met het binnenmilieu van uw kantoorruimte(n), dan kunt u door onze arbeidshygiënisten metingen laten verrichten naar onder andere het thermisch binnenklimaat, de (binnen)luchtkwaliteit, het geluid, het licht en de mate waarin het uitzicht toereikend is. Klik op de link voor meer informatie over deze dienstverlening. Bron: AI-24: Binnenmilieu, 2e druk 2009