52 «JA» Werkgeversaansprakelijkheid

Vergelijkbare documenten
Tekst SDU Publicatie pagina 1 van 7

ECLI:NL:GHDHA:2016:2030

ECLI:NL:GHSHE:2016:2505

ECLI:NL:GHDHA:2013:4308

JAR 2012/ , /01, LJN BU9564

ECLI:NL:GHDHA:2016:3495

ECLI:NL:GHSGR:2006:AX1046

ECLI:NL:GHSHE:2017:3619

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB0648 Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

Zaaknummers: VZ VERZ VZ VERZ beschikking ex artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in

ECLI:NL:GHDHA:2016:3002

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH9935

ECLI:NL:GHSHE:2017:317

ECLI:NL:GHDHA:2016:3477

ECLI:NL:GHSHE:2014:1286 Gerechtshof 's-hertogenbosch Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer HD

ECLI:NL:GHAMS:2016:361 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer /01

ECLI:NL:GHSHE:2015:4179

ECLI:NL:GHSHE:2016:5670

ECLI:NL:GHSHE:2016:2711

hikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Civiel recht kantonrechter locatie Utrecht zaaknummer: UE VERZ MAR/1217

ECLI:NL:GHAMS:2016:4193 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer /01

NADERE INVULLING WERKGEVERSAANSPRAKELIJKHEID VOOR VERKEERSONGEVALLEN VAN WERKNEMERS

ECLI:NL:GHSHE:2016:3591

Het geding in hoger beroep Bij exploot van 26 oktober 2006 is door [Afbouw Noord B.V.] hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d.

Uitspraak. Vindplaatsen Rechtspraak.nl NJF 2013/114 S&S 2013/98 GERECHTSHOF AMSTERDAM DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER BESCHIKKING.

ECLI:NL:GHAMS:2014:5046 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

ECLI:NL:RBAMS:2015:5812

Uitspraak. GERECHTSHOF 's-hertogenbosch. Afdeling civiel recht

Aansprakelijkheid bij Arbeidsongevallen

ECLI:NL:GHARL:2014:3568 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

ECLI:NL:GHDHA:2014:3834

ECLI:NL:GHARL:2014:10207

ECLI:NL:GHAMS:2013:3271 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

Samenvatting. 1. Procesverloop. De Commissie beslist met inachtneming van haar Reglement en op basis van de volgende stukken:

ECLI:NL:GHSHE:2015:3457

ECLI:NL:GHSHE:2016:171

ECLI:NL:GHSHE:2013:5117

ECLI:NL:GHSHE:2013:3446

ECLI:NL:GHSHE:2017:1404

ECLI:NL:GHSHE:2016:1766

ECLI:NL:GHSGR:2008:BH2220

ECLI:NL:GHLEE:2012:BY7476 Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer /01

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA7844 Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

ECLI:NL:GHARL:2015:9831

ECLI:NL:GHDHA:2017:647

ECLI:NL:GHAMS:2016:5140 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer /01

ECLI:NL:GHSHE:2014:1211 Gerechtshof 's-hertogenbosch Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer HD

Kluwer Online Research Bedrijfsjuridische berichten Verruiming van de zorgplicht en werkgeversaansprakelijkheid

Hof: medisch advies behoeft niet te worden overgelegd

SAMENVATTING. het College van Bestuur van C, gevestigd te D, verweerder, hierna te noemen de werkgever gemachtigde: mr. Y.E.M.

ECLI:NL:GHAMS:2010:932 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

ECLI:NL:GHSHE:2009:BH9996 Gerechtshof 's-hertogenbosch Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer HD

ECLI:NL:GHSHE:2004:AR2497 Gerechtshof 's-hertogenbosch Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer C BR

Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:21, Gevolgd In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2016:1717, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB1198 Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

ECLI:NL:GHAMS:2013:CA1764

ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8528

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr (voorzitter, prof. mr. M.L. Hendrikse en mr. C.A. Koopman, secretaris)

ECLI:NL:GHARL:2015:6585

ECLI:NL:GHSHE:2004:AO4119

LJN: BV6124,Voorzieningenrechter Rechtbank Arnhem, Datum uitspraak: Datum publicatie:

Uitspraak. GERECHTSHOF 's-hertogenbosch. Afdeling civiel recht

ECLI:NL:GHAMS:2015:300 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer /01

ECLI:NL:RBMNE:2017:2000

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ0634

ECLI:NL:RBASS:2011:BQ7650

ECLI:NL:GHSGR:2005:AU8542

ECLI:NL:GHARL:2015:350

ECLI:NL:GHSHE:2015:3006

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

ECLI:NL:GHSHE:2016:3604

1.3 De Beroepscommissie heeft het principaal en het incidenteel beroep mondeling behandeld op 25 maart Beide partijen waren aanwezig.

16.137Ta Beslissing van het College van Toezicht van het Kwaliteitsregister Jeugd, hierna te noemen: SKJ

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr (mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter en mr. W.H. Luk, secretaris)

ECLI:NL:RBROT:2015:6240

ECLI:NL:GHARL:2017:2682

ECLI:NL:GHDHA:2016:2674

ECLI:NL:RBUTR:2009:BL0337

ECLI:NL:RBROT:2016:3340

ECLI:NL:GHAMS:2017:147 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer /01

UITSPRAAK. het College van Bestuur van C, gevestigd te D, verweerder, hierna te noemen de werkgever gemachtigde: mevrouw mr. C.A.C.M.

ECLI:NL:GHLEE:2003:AL3148 Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Rekestnummer

ECLI:NL:GHARL:2015:5534 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

ECLI:NL:GHSHE:2016:4392

LJN: BY3633, Gerechtshof Leeuwarden, /01

ECLI:NL:GHDHA:2014:2773

ECLI:NL:RBROT:2016:4320

UITSPRAAK. het College van Bestuur van Stichting C, gevestigd te B, verweerder, hierna te noemen de werkgever gemachtigde: de heer mr. J.A.

Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, nr (prof. mr. M.L. Hendrikse, voorzitter en mr. C.A. Koopman, secretaris)

ECLI:NL:PHR:2008:BD1383 Parket bij de Hoge Raad Datum uitspraak Datum publicatie

Beroep tegen overplaatsing gegrond vanwege het ontbreken van de instemming van de werkneemster.

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG

ECLI:NL:RBMNE:2014:4759

vonnis in kort geding ex artikel 254 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

Uitspraak GERECHTSHOF AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER. BESCHIKKING van 20 december 2011 in de zaak met zaaknummer

ECLI:NL:GHAMS:2013:2068 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie

ECLI:NL:GHAMS:2008:BG6664 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

ECLI:NL:CRVB:2015:1003

ECLI:NL:CRVB:2014:2895

JIN 2013/174, Hof Arnhem-Leeuwarden, , ECLI:NL:GHARL:2013:6823, , (annotatie) ECLI:NL:GHARL:2013:6823

Transcriptie:

52 «JA» Werkgeversaansprakelijkheid 52 Gerechtshof 's-hertogenbosch 8 december 2015, nr. 200.168.392/01, ECLI:NL:GHSHE:2015:5156 (mr. Smeenk-van der Weijden, mr. Venner-Lijten, mr. Rousseau) Noot mr. V. Oskam Werkgeversaansprakelijkheid. Uitoefening van de werkzaamheden. [BW art. 7:658] Werknemer (medewerker houtzagerij) verlaat na overwerk in de avonduren het bedrijfsterrein samen met een collega. Hiqrbij klimmen zij over het stalen hek (2.30 meter hoog en met metalen punten) aangezien de toenngspoort al op slot zit en zij niet terug willen voor de sleutel. Werknemer blijft met ringvinger hangen aan metalen punt en verliest zijn vinger, waarna sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Het Hof 's-hertogenbosch hanteert net als de kantonrechter (in deelgeschil) een ruime uitleg van het begrip "in de uitoefening van de werkzaamheden" in de zin van art. 7:658 8W. Het hof oordeelt dat de zorgplicht van de werkgever zich uitstrekt over de directe werkomgeving en nauw verband houdt met de zeggenschap van de werkgever over de werkplek. Er is geen sprake van woon-werkverkeer, nu de werknemer zich nog op het bedrijfsterrein bevond. Er wordt een comparitie van partijen gelast om nadere inlichtingen van partijen te verkrijgen. [Producent aanrechtbladen] Nederland BV te [vestigingsplaats], appellante, advocaat: mr. M.J.P.M. van de Westerlo te Helmond, tegen [geïntimeerde] te [woonplaats], geïntimeerde, advocaat: mr. W.Th.G. Hegge te Valkenswaard. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3072845, rolnummer 14-387) (...; red.) 2. Het geding in hoger beroep (...; red.) 3. De beoordeling 3.1. De procedure in eerste aanleg, ontvankelijkheid in hoger beroep - [Geïntimeerde] heeft een op 15 mei 2014 ter griffie ontvangen verzoek ter behandeling van een deelgeschil ex artikel 1019w Rv aanhangig gemaakt en - kort gezegd - verzocht te verklaren voor recht dat [appellante] aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade van [geïntimeerde] ten gevolge van het toerekenbaar tekortschieten van [appellante]. - [Appellante] heeft een verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek, ingediend en - kort gezegd - verzocht vast te stellen dat [appellante] niet aansprakelijk is voor het [geïntimeerde] op 16 april 2011 [bedoeld zal zijn: 20 juni 2013, hoe overkomen ongeval. - Na de mondelinge behandeling op 29 september 2014 heeft de kantonrechter op 31 oktober 2014 een beschikking gegeven en daarbij het verzoek van [geïntimeerde] toegewezen onder begroting van de kosten en veroordeling van [appellante] tot betaling van die kosten. - [Appellante] heeft [geïntimeerde] bij exploot van 30 januari 2015 gedagvaard voor de kantonrechter tegen 19 februari 2015 en - kort gezegd - gevorderd voor recht te verklaren dat [appellante] niet aansprakelijk is voor het [geïntimeerde: op 20 juni 2013 overkomen arbeidsongeval, [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van de bij deelbeschikking vastgestelde kosten, alsmede tot betaling van de kosten van het door Brand Technisch Bureau (hierna BTB) uitgevoerde onderzoek. - Bij brief van 20 februari 2015 heeft de gemachtigde van [appellante] de kantonrechter verzocht om toestemming voor het instellen van hoger beroep tegen de deelbeschikking van 31 oktober 2014. Bij rolbeslissing van 5 maart 2015 heeft de kantonrechter de gevraagde toestemming verleend. Nu is voldaan aan de vereisten van artikel 1019cc lid 3 Rv is [appellante] ontvankelijk in haar hoger beroep. 3.2. De feiten, kort samengevat - [Geïntimeerde], geboren op [geboortedatum] 1987, is op 1 september 2011 voor onbepaalde tijd bij [appellante], producent van onder andere roestvrijstalen aanrechtbladen, in dienst getreden 520 Jurisprudentie Aansprakelijkheid 02.04 2016, ;ill. 3 Sdu www.sdujurisprudentie.n1

Werkgeversaansprakelijkheid «JA» 52 als machineoperator B. De arbeidsovereenkomst is per 1 oktober 2014 ontbonden door de kantonrechter. - Op 20 juni 2013 is [geïntimeerde], nadat hij overwerk had verricht, samen met zijn collega [collega van geintmeerde] omstreeks 21.00 uur via de naast de toegangspoort staande afvalbak en/of de klink van de toegangspoort over het stalen hek van 2.30 m. hoog, voorzien van scherpe stalen punten, dan wel de toegangspoort van 2.30 m. hoog en 0,60 m. breed, voorzien van scherpe stalen punten in de vorm van haaientanden, geklommen, omdat de toegangspoort gesloten was. [Geïntimeerde] is daarbij met een ring blijven haken aan één van de stalen punten op de toegangspoort met als gevolg dat de ringvinger van zijn rechterhand is afgescheurd. Deze vinger kon niet behouden worden. - De Inspectie SZW heeft bij brief van 19 december 2013 onder meer het volgende aan partijen bericht: "De arbeidsinspecteur heeft geen verband kunnen vaststellen tussen een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en de oorzaak van het (...) meldingsplichtige ongeval (...). (...) Voor een werknemer, die naar huis wil en een gesloten poort aantreft bij het verlaten van het bedrijfsterrein, gaat veel tijd verloren met de bestaande procedure, want hij moet een sleutelhouder zoeken en vragen om met hem mee te lopen. Dat zou veel eenvoudiger moeten kunnen." - [Appellante] heeft een rapport laten uitbrengen door BTB (met daarbij horend de gedeponeerde dvd). De conclusie van dat rapport d.d. 29 januari 2015 luidt onder meer dat [geïntimeerde] en [collega van geintmeerde] er beiden van op de hoogte waren dat de poort, nadat zij een aanvang met hun overwerk hadden gemaakt, slotvast gesloten was en dat zij verschillende mogelijkheden hadden om de poort te laten openen door sleutelhouders [sleutelhouder 1,1 en/of [sleutelhouder 2], en verder dat de beide genoemde sleutelhouders in ca. 1,5 minuten bij de poort aanwezig hadden kunnen zijn om deze te openen. 3.3. Het (deel)geschil in eerste aanleg [Geïntimeerde] heeft gesteld dat [appellante] toerekenbaar is tekortgeschoten in het naleven van de zorgplicht die [appellante] ten aanzien van haar werknemers op grond van artikel 7:658 BW in acht had moeten nemen. [Appellante] had die maatregelen moeten nemen, die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. [Appellante] heeft volgens [geïntimeerde] door de plaatsing van de afvalbak een onveilige situatie doen ontstaan en laten voortbestaan, [appellante] heeft geen duidelijk beleid aan de werknemers kenbaar gemaakt voor het geval de toegangspoort gesloten was en [appellante] heeft [geïntimeerde] geen instructie over het sleutelbeleid gegeven. [Appellante] is volgens [geïntimeerde] tevens aansprakelijk op grond van artikel 6:173 BW jo. artikel 6:162 BW, omdat [appellante] de afvalbak bij het hek heeft geplaatst en ermee bekend was dat werknemers de afvalbak gebruikten om zo over het hek dan wel de toegangspoort te klimmen als die poort gesloten was. [Appellante] heeft onder meer betoogd dat geen sprake is van schade, die de werknemer, :geïntimeerde], in de uitoefening van de werkzaamheden heeft geleden. Om die reden is volgens haar artikel 7: 658 BW niet van toepassing. Verder heeft zij betoogd dat zij die maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat werknemers schade zouden lijden (sleutelbeleid, duidelijke instructie werknemers hoe te handelen bij het verlaten van het terrein). Zij heeft betwist dat zij een gevaarzettende situatie heeft gecreëerd en dat zij er op bedacht had moeten zijn dat werknemers over de toegangspoort zouden klimmen, die juist zodanig was geconstrueerd dat er niet, althans zeer mo ilijk, en met groot gevaar voor letsel, overheen geklommen kan worden. [Appellante] heeft vo9rts betoogd dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde]. De kantonrechter heeft geoordeeld dat, nu de schade is ontstaan terwijl [geïntimeerde] bezig was het terrein te verlaten, voldoende vast is komen te staan dat de schade is opgetreden in de uitoefening van het werk als bedoeld in artikel 7:658 BW dan wel in voldoende verband staat met de uitoefening van de werkzaamheden. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat voor het aannemen van opzet van [geïntimeerde', onvoldoende door [appellante] is gesteld en dat van bewuste roekeloosheid van [geïntimeerde] niet is gebleken. [Appellante] heeft onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [geïntimeerde', zich daadwerkelijk bewust is geweest van het roekeloze karakter van het klimmen over het hek, aldus de kantonrechter. www.sdujurisprudentie.n1 Sdu Jurisprudentie Aansprakelijkheid 02-04-2016, afl. 3 521

52 «JA» Werkgeversaansprakelijkheid De kantonrechter heeft tot slot geoordeeld dat [appellante] niet heeft voldaan aan haar zorgplicht, die meebrengt dat zij haar bedrijfsterrein, en dus ook de omheining daarvan, zodanig dient in te richten als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer schade lijdt. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat het regelmatig is voorgekomen dat de poort ook 's avonds open was en/of dat een werknemer vergeet eerst naar de sleutelhouder te gaan voordat hij zich naar de poort begeeft. Er kan ongeveer 10 minuten gemoeid zijn met het teruglopen naar de bedrijfshal en het zoeken naar de sleutelhouder indien men voor een gesloten poort komt. Gelet op het feit dat [appellante] niet heeft weersproken dat zich eerder een incident had voorgedaan waarbij [collega van geintmeerde] over de poort was geklommen en gelet op het feit dat in de directe nabijheid van de poórt een prullenbak van ca. 75 cm. hoogte op e.en paal geplaatst was, diende [appellante] er redelijkerwijs rekening mee te houden dat een werknemer, indien hij na het verrichten van overwerk voor een gesloten poort komt te staan, niet de moeite neemt alsnog de sleutelhouder te waarschuwen gezien het tijdsbeslag dat daarmee gemoeid kan zijn en het ervaringsfet dat een werknemer na het verrichten van overwerk in het algemeen zo snel mogelijk huiswaarts zal willen gaan. De kantonrechter verklaarde voor recht dat [appellante] aansprakelijk is voor de materiële en immateriële schade van [geïntimeerde] ten gevolge van het tekortschieten van [appellante]. De totale door [appellante] te betalen kosten als bedoeld in 1019aa Rv. begrootte de kantonrechter op C 2.422,89. 3.4. Grief 1 [Appellante] heeft in haar eerste grief, met verwijzing naar de door haar overgelegde notitie van prof. mr. [prof mr.] d.d. 26 januari 2015, gesteld dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de schade is geleden in de uitoefening van de werkzaamheden als bedoeld in artikel 7:658 lid 2 BW. Deze grief faalt. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat "in de uitoefening van de werkzaamheden" ruim moet worden uitgelegd (vgl. HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:BB6178). De zorgplicht van de werkgever als bedoeld in artikel 7:658 BW strekt zich uit tot de werkomgeving en houdt nauw verband met de zeggenschap van de werkgever over de werkplek. Daartoe behoort ook het hekwerk, daaronder begrepen de toegangspoort, dat het bedrijfsterrein van de werkgever, [appellante], omgeeft. Naar het oordeel van het hof is hier geen sprake van woon-werkverkeer, welk verkeer buiten de verantwoordelijkheid van de werkgever ` appellante], valt en daarmee niet onder de reikwijdte van artikel 7:658 BW, nu [geïntimeerde] zich nog op het bedrijfsterrein van [appellante], te weten op het hiervoor bedoelde hekwerk bevond toen het ongeval zich voordeed. 3.5. Comparitie van partijen Het hof heeft een onvoldoende duidelijk beeld van de relevante feiten en omstandigheden voor de beantwoording van de vraag of [appellante] aansprakelijk is voor de schade van [geïntimeerde] in verband met het ongeval, ook omdat partijen met betrekking tot een aantal punten verschillende lezingen geven. Alvorens verder te beslissen heeft het hof daarom behoefte aan nadere inlichtingen van partijen. Het hof zal daartoe een meervoudige comparitie van partijen gelasten. Gesproken zal onder meer worden over de toedracht van het ongeval, het sleutelbeleid en het rapport van BTB. De gedeponeerde dvd zal tijdens de zitting bekeken kunnen worden. De comparitie van partijen zal tevens worden benut om te bezien of partijen tot een vergelijk kunnen komen, waarbij ook de mogelijkheid van verwijzing naar mediation aan de orde kan komen. 3.6. Ieder verdere beslissing wordt aangehouden. 4. De uitspraak Het hof: bepaalt dat partijen [geïntimeerde] in persoon en [appellante] deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder rechtsoverweging 3.5. vermelde doeleinden; verwijst de zaak naar de rol van 22 december 2015 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 22 februari 2016 tot en met 14 april 2016; 522 lurisprutkniii: Aansprakelijkheid 02.0,1 2016, all. 3 Sdu www.sdujurisprudentie.rd

Werkgeversaansprakelijkheid «JA» 52 bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen; houdt iedere verdere beslissing aan. NOOT 1. In dit korte tussenarrest bevestigt het Hof 's- Hertogenbosch het oordeel van de kantonrechter dat een ruime uitleg van het begrip "in de uitoefening van de werkzaamheden" in de zin van art. 7:658 BW dient te worden gehanteerd (zie Rb. Oost-Brabant 31 oktober 2014, «JA» 2015/20, m.nt. V. Oskam). 2. Het ongeval van de werknemer vond plaats bij het verlaten van het bedrijfsterrein. De poort van het terrein was al gesloten en de werknemer wilde zich de moeite besparen om een sleutel te gaan halen, dus besloot hij om met een prullenbak als opstapje over het hek te klimmen. Hierbij bleef hij met de ringvinger van zijn rechterhand aan een metalen punt hangen, waardoor zijn vinger afscheurde. Hoewel de werknemer zich dus nog wel op het terrein van zijn werkgever bevond, had hij in feite zijn werkzaamheden reeds afgerond. 3. Om de aansprakelijkheid van de werkgever te beoordelen, is relevant of in dit geval nog sprake is van "in de uitoefening van de werkzaamheden" in de zin van art. 7:658 BW. De specifieke omstandigheden van dit geval lenen zich wat mij betreft zowel voor een bevestigende als ontkennende beantwoording. De kantonrechter en nu dus ook het hof, oordelen dat de situatie wel onder het bereik van art. 7:658 BW valt. Hiertoe is relevant dat de werknemer zich nog op het terrein van de werkgever bevond na zojuist (over)werk te hebben verricht. Er is dus een sterk verband met de werkzaamheden van de werknemer. Zoals ik in mijn eerdere annotatie bij de beschikking van de kantonrechter in deelgeschil aangaf («JA» 2015/20, m.nt. V. Oskam), zal de omstandigheid dat het de werkgever in kwestie is die de zeggenschap heeft over de inrichting (en hiermee de veiligheid) van het bedrijfsterrein en het de werkgever is die ondanks eerdere incidenten heeft besloten de situatie niet aan te passen, ten grondslag hebben gelegen aan de eerdere beslissing van de kantonrechter om te spreken over een situatie ex. art. 7:658 8W. Juist ook deze omstandigheden zullen in het vervolg van de beoordeling (is er aansprakelijkheid ex. art. 7:658 BW) in het kader van de te toetsen kelderluikcriteria een rol spelen. Ik veronderstel dat het hof ter invulling hiervan nu de comparitie heeft gelast om de nadere feiten (toedracht van het ongeval, sleutelbeleid, nadere rapportage) te onderzoeken en vervolgens te wegen teneinde tot een oordeel over de aansprakelijkheid te komen. 4. Waar ik de beoordeling van de kantonrechter in deelgeschil besprak in de eerdere annotatie, gaf ik aan wel argumenten te zien om te oordelen dat in deze situatie geen sprake is van "schade geleden in de uitoefening van de werkzaamheden ex art. 7:658 BW" Aanvullend vraag ik mij af of het voldoende is dat de schade enig verband met het werk heeft. Bij woonwerkverkeer bestaat dit verband immers ook, maar uit de rechtspraak volgt dat dit in beginsel niet valt onder de uitoefening van zijn werkzaamheden door de werknemer (zie bijv. HR 16 november 2001, JOL 2001, 671 (Quant/Stichting Volkshogeschool)). 5. Het hof beantwoordt deze vraag net als de kantonrechter in eerste aanleg bevestigend en oordeelt dat sprake is van "in de uitoefening van de werkzaamheden': Zij verwijst naar het arrest Knoppen/NCM (HR 30 november 2011, «JA» 2008/32, m.nt. E. Van Orsouw en J. Potharst). Ook in dat arrest was sprake van een werkneemster die na afloop van haar werk onderweg was naar huis. De werkneemster overkwam daarbij een ernstig ongeval. De Hoge Raad oordeelde dat het vereiste dat de schade door de werknemer is geleden "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" ruim moet worden uitgelegd, maar overwoog daarbij ook expliciet dat woonwerkverkeer hier niet onder valt. In die zaak was van dit laatste sprake en het verkeersongeval van de werkneemster onderweg van haar werk viel daarom niet onder de zorgplicht van art. 7:658 BW. 6. Zoals ook uit Knoppen/NCM volgt, hangt de zorgplicht van de werkgever ex art. 7:658 BW nauw samen met de zeggenschap van de werkgever over de werkplek en zijn bevoegdheid de werknemer aanwijzingen te geven ter zake van de (wijze van) uitoefening van diens werkzaamheden. Deze achtergrond heeft de doorslag gegeven voor het oordeel van het Hof 's-hertogenbosch. Het hekwerk van het bedrijfsterrein valt onder de werkomgeving waarover de werkgever zeggenschap heeft en aldus valt het ongeval www.sdujurisprudentie.nl Sdu Jurisprudentie Aansprakelijkheid 02-04-2016, afl. 3 523

53 «JA» Werkgeversaansprakelijkheid onder het bereik van art. 7:658 BW. Waar de kantonrechter niet inging op de vraag of sprake was van woon-werkverkeer, overweegt het hof expliciet dat dit niet het geval is. Anders dan bij woon-werkverkeer bevond de werknemer zich nog op het bedrijfsterrein - namelijk op het hek zelf - en was volgens het hof daarom (nog) sprake van "in de uitoefening van de werkzaamheden': 7. Ik merkte al op dat dit oordeel ook anders uit had kunnen vallen. Een vergelijking met het arrest van het Hof Amsterdam van 26 augustus 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:3540) is wat mij betreft nog steeds relevant. In die zaak liep de werknemer schade op bij het inrijden in de parkeergarage van zijn werk. Het hof oordeelde dat de werknemer nog niet met zijn werkzaamheden was begonnen en dat derhalve sprake was van woon-werkverkeer. Art. 7:658 BW was niet van toepassing. Opmerkelijk is dat de werknemer zich in die situatie eveneens op het terrein van de werkgever bevond, namelijk de garage onder het pand. Wellicht dat doorslaggevend was dat de parkeergarage werd gebruikt door zowel het personeel van de werkgever als door (het personeel van) de andere huurders. Ook wordt in de uitspraak gesproken over een beheerder van de garage, niet zijnde de werkgever. De garage was daarmee misschien in mindere mate aan te merken als werkomgeving waarover de werkgever zeggenschap heeft, zoals dat wel het geval was bij het bedrijfsterrein en het hek in de onderhavige zaak, al blijkt niet duidelijk uit de feiten of dit terrein wellicht door derden werd gebruikt en/of bij een derde in beheer was. Dit lijkt echter een vrij kleine nuance om het verschil tussen "in de uitoefening van de werkzaamheden" en woon-werkverkeer te rechtvaardigen. V. Oskam, advocaat bij Van Traa Advocaten te Rotterdam 53 Gerechtshof 's-hertogenbosch 19 januari 2016, nr. 200.160.342/01, ECLI:NL:GHSHE:2016:133 (mr. Venner-Lijten, mr. Pols, mr. Bruning) Noot mr. M.S.A. Vegter Psychische schade. Zorgplicht. Omkeringsregel. PM art. 7:611, 7:658; Arbowet art. 3 lid 2) Een anesthesie-assistent wordt op non-actief gesteld na een klacht over seksuele intimidatie. Een onderzoeksbureau concludeert dat het gedrag van de werknemer een ernstige berisping rechtvaardigt en dat de verhoudingen tussen de werknemer en een aantal personen ernstig zijn verstoord. De werkgever vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar de kantonrechter wijst het verzoek af. Daarbij overweegt de kantonrechter dat de werkgever de werkverhoudingen zoveel mogelijk moet normaliseren. De werkgever geeft de werknemer vervolgens een officiële waarschuwing en kondigt een begeleidingstraject aan. De werknemer verricht gedurende enige tijd passend werk, maar meldt zich daarna ziek. Hij stelt dat hij psychisch ziek is geworden door de situatie op het werk en dat de werkgever zijn zorgplicht jegens hem heeft geschonden. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer tot vergoeding van schade af. In hoger beroep oordeelt het hof dat de werkgever in de periode tot en met de ontbindingsbeschikking niet is tekortgeschoten in zijn zorgplicht. Na de afwijzing van het ontbindingsverzoek had de werkgever de terugkeer van de werknemer echter actiever moeten begeleiden en had hij zich moeten inspannen om de werknemer in staat te stellen om zonder psychosociale arbeidsbelasting zijn werk te doen. De werkgever heeft niet duidelijk kunnen maken in hoeverre de werknemer begeleiding heeft gekregen. De mogelijkheid een mediationtraject in te gaan, heeft de werkgever onbenut gelaten, terwijl de werknemer daar uitdrukkelijk om had verzocht. Niet is gebleken dat de werkgever passende maatregelen heeft genomen tegen degenen die niet (meer) met de werknemer wilden samenwerken. Aldus is de werkgever tekortgeschoten in zijn zorgplicht ex art. 3 Arbowet De werknemer lijdt aan psychische klachten die het gevolg kunnen zijn van dit tekortschieten. Het hof neemt daarom 524 Jurisprudentie Aansprakelijkheid 02 04 2016, afl. 3 Sdu www.sdujurisprudentie.nl