Informatie- brochure Internering Schakelteam Internering
Inhoudstafel Inleiding... 4 1. Wat is internering?... 5 1.1. De interneringsmaatregel... 5 1.2. Gradaties in risico, beveiliging en zorgintensiteit... 5 2. Wettelijk kader... 6 2.1. Wet tot Bescherming van de Maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers van 1 juli 1964 (WBM)... 6 2.1.1. Voorwaarden tot internering... 6 2.1.2. Procedure tot internering... 6 2.1.2.1. Het onderzoek... 8 2.1.2.2. De beslissing... 8 2.1.2.3. De uitvoering... 10 2.2. Wet betreffende de internering van personen van 5 mei 2014... 11 3. De praktijk en knelpunten... 13 4. Initiatieven ter verbetering... 14 4.1. Intramurale verbeteringsinitiatieven... 14 4.1.1. Strategisch plan voor hulp- en dienstverlening aan gedetineerden... 14 4.1.2. Zorgequipes in psychiatrische afdelingen van de gevangenissen en inrichtingen tot bescherming van de maatschappij... 14 4.2. Extramurale verbeteringsinitiatieven... 15 4.2.1. De federale beleidsmeerjarenplannen... 15 4.2.2. Fase 1: Uitbouw categoraal aanbod... 15 4.2.2.1. Medium risk/security... 15 4.2.2.2. Seksuele delinquenten... 15 4.2.2.3. Geïnterneerden met een mentale beperking... 16 4.2.3. Netwerkcoördinatoren... 16 4.2.4. Schakelteams... 17 5. FAQ... 19 5.1. Welke zijn de verschillende strafuitvoeringsmodaliteiten?... 20 5.2. Wat is de taak van de Psychosociale Dienst binnen de gevangenis?... 23 5.3. Hoe wordt een geïnterneerde voorbereid op ontslag uit de gevangenis?... 24 5.4. Wat is het verschil tussen Vrij op Proef en Plaatsing?... 25 5.5. Wat houdt behandeling van de (geïnterneerde) psychiatrische patiënt in?... 26 1
5.6. Wat is risicomanagement en risicotaxatie?... 27 5.7. Wat houdt de verantwoordelijkheid en het beroepsgeheim van de zorg in?... 29 5.8. Wat is de taak van een justitieassistent?... 30 Besluit... 31 Contactgegevens Schakelteam Internering... 32 2
Afkortingenlijst APZ = Algemeen psychiatrisch ziekenhuis Art. = Artikel CBM = Commissie ter Bescherming van de Maatschappij CGG = Centrum Geestelijke Gezondheidszorg EDS = Etablissements de Défense Sociale FAQ = Frequently Asked Questions IBM = Inrichting tot Bescherming van de Maatschappij IOS = Inobservatiestelling JH = Justitiehuis KI = Kamer van Inbeschuldigingstelling PC = Psychiatrisch Centrum PSD = Psychosociale Dienst PZ = Psychiatrisch Ziekenhuis RK = Raadkamer SURB = Strafuitvoeringsrechtbank VDAB = Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding VOCVO = Vlaams Ondersteuningscentrum voor het Volwassenenonderwijs VOP = Vrij op Proef VTE = Voltijds Equivalent WBM = Wet tot Bescherming van de Maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers van 1 juli 1964 3
Inleiding Deze brochure heeft als doelstelling meer informatie te verschaffen over het thema internering. In de maatschappij leven er misverstanden en vooroordelen rond internering, vaak aangestuurd door de berichtgeving in de media. Internering komt meestal aan bod in de media bij ophefmakende rechtszaken. Deze rechtszaken brengen de discussie op gang over (on)toerekeningsvatbaarheid. De publieke opinie wordt vaak gekleurd door dergelijke berichtgeving. Deze brochure wil objectieve informatie geven over de interneringsmaatregel. Eerst wordt besproken wat internering is. Vervolgens wordt er ingegaan op het wettelijk kader van internering. De huidige procedure tot internering wordt geregeld door de Wet tot Bescherming van de Maatschappij tegen Abnormalen en Gewoontemisdadigers van 1964. Deze wet beschrijft de voorwaarden, de procedure en de uitvoering van de interneringsmaatregel. Op 5 mei 2014 werd een nieuw wetsontwerp betreffende de internering van personen gestemd in De Senaat en in De Kamer van Volksvertegenwoordigers. Deze wet is nog niet in werking (de inwerkingtreding is voorzien ten laatste 1 januari 2016), maar de implicaties en veranderingen die deze wet met zich zal meebrengen, worden alvast besproken. Vervolgens wordt er ingegaan op internering in de praktijk en de knelpunten die hiermee gepaard gaan. Er wordt een overzicht gegeven van enkele initiatieven die proberen tegemoet te komen aan deze knelpunten en de zorg aan geïnterneerden willen verbeteren. Op het einde van deze brochure vindt u een (FAQ-)lijst met veel gestelde vragen rond het thema internering en daarop geformuleerde antwoorden. 4
1. Wat is internering? Vooraleer er wordt ingegaan op het wettelijke kader van internering, wordt er eerst een beschrijving gegeven van de interneringsmaatregel. 1.1. De interneringsmaatregel Internering is een beveiligingsmaatregel. Het betreft bijgevolg een maatregel en geen straf. Deze maatregel heeft een dubbele doelstelling. Enerzijds dient deze om de maatschappij te beschermen (= beveiligingsgedachte). Dit om te voorkomen dat de betrokken persoon meer schade aanricht in de maatschappij en/of nieuwe slachtoffers maakt. Anderzijds wordt de interneringsmaatregel uitgesproken om de betrokken persoon een gepaste behandeling te geven (=behandelingsgedachte). De geïnterneerde wordt immers beschouwd als een psychisch ziek persoon, die behandeld dient te worden om terug te kunnen keren naar de maatschappij. Internering is een maatregel van onbepaalde duur. In tegenstelling tot een straf wordt er geen einddatum uitgesproken bij het opleggen van de interneringsmaatregel. Er kan een einde gesteld worden aan de interneringsmaatregel, wanneer de geestestoestand van de betrokken persoon voldoende verbeterd is. Door de interneringsuitspraak krijgt de behandeling een juridisch afdwingbaar karakter. Onder meer door een gebrek aan opvang- en behandelplaatsen, blijven geïnterneerden na de interneringsuitspraak vaak een tijd in de gevangenis. Er dient genuanceerd te worden dat niet elk gerechtelijk onderzoek met een opsluiting gepaard gaat. Wanneer de geïnterneerde persoon reeds in behandeling is, kan de Commissie ter Bescherming van de Maatschappij (cf. 2.1.2.3.) beslissen deze behandeling verder te zetten. 1.2. Gradaties in risico, beveiliging en zorgintensiteit In de praktijk bestaat er veel verwarring over het gebruik van de termen low-, medium- en highsecurity/risk geïnterneerden. Deze termen worden gebruikt om de geïnterneerden in te delen naar gevaarlijkheidsgraad (risico op herval), de vereiste beveiliging (gevaar t.o.v. zichzelf of de samenleving) en de complexiteit (duur en intensiteit) van de nodige zorg. De criteria voor deze onderverdeling zijn echter onduidelijk. Er is geen overeenstemming over de definities van de begrippen low-, medium- en high-security/risk. Bovendien zijn deze begrippen geen statisch maar een dynamisch gegeven. Geïnterneerden kunnen door behandeling naar een lagere risicogroep gaan, of kunnen net door bepaalde omstandigheden een hoger risico vormen. Omwille van deze redenen en de beweging binnen de hulpverlening naar een zorg op maat, gaan er stemmen op om de focus te leggen op de individuele noden van een cliënt. 5
2. Wettelijk kader 2.1. Wet tot Bescherming van de Maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers van 1 juli 1964 (WBM) De procedure tot internering wordt tot op heden geregeld door de Wet tot Bescherming van de Maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers van 1 juli 1964 (WBM). Deze wet beschrijft de voorwaarden om een interneringsmaatregel uit te spreken, alsook de procedure tot internering en de uitvoering ervan. 2.1.1. Voorwaarden tot internering Om een interneringsmaatregel uit te spreken, dient er aan een aantal voorwaarden voldaan te worden. De eerste twee voorwaarden staan beschreven in de WBM 1. Door de rechtspraak is hier een derde voorwaarde aan toegevoegd. De betrokkene moet: 1) een wanbedrijf of misdaad hebben gepleegd: Enkel wanbedrijven (vb. diefstal, slagen en verwondingen, oplichting, ) of misdaden (vb. aanranding van de eerbaarheid, moord, ) kunnen leiden tot de interneringsmaatregel. Overtredingen (vb. verkeersovertreding, geluidsoverlast, ) kunnen dat op basis van de WBM niet. 2) ontoerekeningsvatbaar zijn als gevolg van hetzij een staat van krankzinnigheid, hetzij een ernstige staat van geestesstoornis of zwakzinnigheid, die de betrokkene ongeschikt maakt tot het controleren van zijn daden: m.a.w. dient er een verband te bestaan tussen de aanwezigheid van de geestesstoornis en de gepleegde feiten. 3) in een staat van sociale gevaarlijkheid zijn: Deze voorwaarde is niet in de WBM vermeld, maar werd ontwikkeld door de rechtspraak. 2 De betekenis is niet eenduidig. Voor het gerecht betekent sociale gevaarlijkheid het plegen van misdrijven (recidive). Voor de psychiatrie betekent het de graad van waarschijnlijkheid van (fysiek) geweld in verband met een psychiatrische stoornis. Situationele elementen worden hierbij meer in rekening gebracht. 2.1.2. Procedure tot internering De interneringsprocedure verloopt in 3 fasen, namelijk: - Het onderzoek - De beslissing - De uitvoering Figuur 1 (zie volgende pagina) geeft een schematisch overzicht van de interneringsprocedure. 1 Art. 7 WBM 2 Zie bv. Cass. 26 februari 1934, Pas. 1934, 1, 180. 6
Figuur 1. De interneringsprocedure 7
2.1.2.1. Het onderzoek Wanneer iemand verdacht wordt van een misdrijf en er is een vermoeden van krankzinnigheid, zwakzinnigheid of een ernstige geestesstoornis, kan er een deskundige aangesteld worden om een psychiatrisch deskundigenonderzoek uit te voeren. De deskundige dient een geneesheer (niet noodzakelijk een psychiater) te zijn. Verder zijn er geen andere vereisten (behalve het afleggen van een eed). Eventueel kan er ook een college van geneesheren worden aangesteld. De deskundige geneesheer kan zich bij deze opdracht laten bijstaan door andere deskundigen, bijvoorbeeld psychologen of criminologen. De deskundige dient een inschatting te maken van het bestaan van de geestesstoornis op het ogenblik van de feiten en op het ogenblik van het onderzoek, het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de geestesstoornis en de feiten, het gevaar dat de persoon opnieuw misdrijven pleegt en de behandeling (met het oog op re-integratie in de maatschappij). Het psychiatrisch deskundigenonderzoek is niet verplicht. De interneringsmaatregel kan uitgesproken worden zonder dergelijke expertise. Bovendien geeft het psychiatrisch deskundigenonderzoek enkel een advies en is het niet bindend voor de rechter die moet beslissen over het al dan niet opleggen van de interneringsmaatregel. De rechter beslist hier autonoom over. In de wet zijn geen kwaliteitsvereisten opgesteld voor het psychiatrisch deskundigenonderzoek. Er bestaat geen specifieke opleiding tot gerechtspsychiater. Bovendien is er in België een tekort aan gerechtspsychiaters. De betrokkene zelf of zijn vertegenwoordiger kan een tegenexpertise aanvragen. Dit kan tot gevolg hebben dat verschillende psychiaters tot andere conclusies komen wat betreft de (on)toerekeningsvatbaarheid. Naast het psychiatrisch deskundigenonderzoek is er in de WBM de mogelijkheid voorzien tot inobservatiestelling (IOS). 3 De IOS gebeurt in de psychiatrische annex van een strafinrichting en duurt hoogstens één maand, mits eventuele verlengingen van telkens één maand (de IOS mag niet langer dan 6 maanden duren). In de praktijk komt de IOS niet vaak voor. 2.1.2.2. De beslissing De beslissing tot internering kan genomen worden door de onderzoeksgerechten, zijnde de Raadkamer (RK) of Kamer van Inbeschuldigingstelling (KI), of door de vonnisgerechten, zijnde de correctionele rechtbank, het Hof van Beroep, het Hof van Assisen en de Militaire rechtbank. 4 De onderzoeksgerechten kunnen een beslissing tot internering uitspreken wanneer de verdachte in voorlopige hechtenis is. De vonnisgerechten kunnen een persoon interneren die zowel in voorlopige hechtenis als in vrijheid is. Wanneer de verdachte in voorlopige hechtenis zit en er volgt een uitspraak tot internering door de onderzoeksgerechten of de vonnisgerechten, blijft deze persoon opgesloten tot aan de eerste zitting van de Commissie ter Bescherming van de Maatschappij (CBM). Indien de verdachte niet in voorlopige hechtenis zit bij de uitspraak van internering, betekent dit niet noodzakelijk dat de geïnterneerde zal worden opgesloten in de gevangenis. Deze persoon kan in vrijheid blijven tot de verschijning voor de CBM, waarop de 3 Art. 1-6 WBM 4 Art. 7-10 WBM 8
CBM vervolgens kan beslissen tot een vrij op proef of plaatsing in een instelling, waardoor deze persoon niet moet opgenomen worden in de gevangenis. Afhankelijk van het al dan niet toerekeningsvatbaar zijn van de verdachte op het moment van de feiten en op het moment van de berechting, zijn er vier beslissingsmogelijkheden voor de vonnis- en onderzoeksgerechten: Figuur 2. Beslissingsmogelijkheden (on)toerekeningsvatbaarheid Toerekeningsvatbaar? Beslissing Het ogenblik van de feiten JA Het ogenblik van de berechting NEEN Internering JA JA Veroordeling NEEN JA Buitenvervolging NEEN NEEN Internering Bron: Cosyns, P. & Casselman, J. (1995). Gerechtelijke psychiatrie. Leuven: Garant, 69. In België wordt een verdachte dus óf toerekeningsvatbaar óf ontoerekeningsvatbaar bevonden. Een systeem, zoals in Nederland, met gradaties van toerekenbaarheid, bestaat hier niet. Tegen de beslissing tot internering kan de verdachte, alsook het parket, hoger beroep instellen. Aangezien de geïnterneerde als schuldig wordt bevonden, moet hij/zij ook instaan voor de gerechtskosten. Indien het slachtoffer zich burgerlijke partij heeft gesteld, kan de rechter de geïnterneerde veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding. Internering kan ook uitgesproken worden voor veroordeelden (op basis van art. 21 WBM). De persoon werd dan toerekeningsvatbaar geacht op het ogenblik van de feiten en op het ogenblik van de berechting, maar vertoont tekenen van een geestesstoornis (en sociale gevaarlijkheid) tijdens de detentie in de gevangenis. Deze internering kan enkel opgelegd worden door de Minister van Justitie, op advies van de Commissie ter Bescherming van de Maatschappij (CBM). De straf vervalt niet door de interneringsmaatregel, waardoor deze persoon zijn straf alsnog zal moeten uitzitten. 9
2.1.2.3. De uitvoering Na de beslissing tot internering, valt de geïnterneerde onder de bevoegdheid van een Commissie ter Bescherming van de Maatschappij (CBM), die vervolgens bepaalt hoe de maatregel zal worden uitgevoerd. In België zijn er acht CBM s. De CBM s zijn verbonden aan en zetelen in de gevangenissen waar er zich een psychiatrische annex bevindt. 5 In Vlaanderen bevinden deze zich in de gevangenissen van Gent, Antwerpen en Leuven (Hulp). In Wallonië zetelen de CBM s in de gevangenissen van Charleroi, Luik, Bergen en Namen. Daarnaast is er een tweetalige CBM in Vorst. Een geïnterneerde valt onder de bevoegdheid van de CBM van de regio waar het (hoofd)misdrijf werd gepleegd (wat niet noodzakelijk samenvalt met de woonplaats van de persoon). De CBM s bestaan uit drie vaste leden (voorzitter, advocaat en geneesheer). 6 Aan iedere CBM is een secretariaat verbonden dat instaat voor het administratieve beheer en de opvolging van de dossiers. De secretaris, als leidinggevende van dit secretariaat, neemt deel aan de zittingen van de CBM en notuleert. Tijdens de zitting worden de geïnterneerde en zijn advocaat gehoord, alsook de procureur des Konings en de directeur of geneesheer van de inrichting waar de geïnterneerde verblijft. Derden kunnen uitgenodigd worden, zoals de justitieassistent. Al deze personen hebben geen beslissende bevoegdheid, maar een adviesfunctie. De zittingen vinden meestal plaats in de gevangenis, maar de CBM kan de zitting ook op verplaatsing doen, bijvoorbeeld in een gerechtsgebouw of externe hulpverleningsinstantie/zorginstelling. De CBM s beslissen over alle uitvoeringsmodaliteiten. Zo beslissen zij over uitgangspermissies, verloven, beperkte vrijheid, vrij op proef en plaatsing. De CBM s kunnen beslissen om de geïnterneerde persoon te plaatsen (art. 14 WBM) in de gevangenis of in een residentiële voorziening buiten de gevangenis. Bij een plaatsing in de gevangenis wordt de persoon meestal verwezen naar een instelling voor sociaal verweer (IBM/EDS), zoals deze er zijn in de gevangenissen van Turnhout, Merksplas en Brugge. Daarnaast verblijven geïnterneerden ook op de psychiatrische annex van een strafinrichting of in het gewone cellulaire regime. Een plaatsing in een voorziening buiten de gevangenis doet zich meer voor in Wallonië dan in Vlaanderen. De CBM beslist dan in welke inrichting de internering plaats zal vinden. Meestal gebeurt dit in inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij (IBM/EDS). Maar de CBM kan ook beslissen om de persoon te plaatsen in een andere geschikte voorziening, zoals een psychiatrisch ziekenhuis. Wanneer de geestestoestand van de geïnterneerde voldoende verbeterd is en er een degelijk reclasseringsplan voor handen is, kan de CBM beslissen tot een vrij op proef (VOP art. 18 WBM). De CBM legt hierbij voorwaarden op aan de geïnterneerde, waaraan hij/zij zich dient te houden. In de voorwaarden wordt beschreven of de persoon zich residentieel of ambulant dient te laten behandelen/begeleiden. Enerzijds worden er algemene voorwaarden opgelegd die voor alle geïnterneerden gelden, bijvoorbeeld toezicht door het justitiehuis. De geïnterneerde krijgt een justitieassistent aangewezen van het justitiehuis van de regio waar hij/zij verblijft. 5 Art. 12 WBM 6 Art. 12 WBM 10
Deze vormt een brug tussen de cliënt en de CBM en heeft o.a. als taak om de geïnterneerde en zijn/haar opgelegde voorwaarden op te volgen, te verifiëren en te rapporteren aan de CBM. Anderzijds kunnen er specifieke voorwaarden voor een bepaald individu worden opgelegd, zoals het verbod op bepaalde plaatsen te komen. De betrokkene heeft het recht halfjaarlijks voor de CBM te verschijnen. Daarbij kan de betrokkene de vraag stellen naar een bepaalde uitvoeringsmodaliteit of definitieve invrijheidsstelling. In de praktijk kan een VOP gepaard gaan met een opgelegde proefperiode. 7 Het goed doorlopen van deze proefperiode betekent niet automatisch dat men definitief in vrijheid wordt gesteld. De CBM kan beslissen om deze proefperiode te verlengen wanneer de geestestoestand niet voldoende verbeterd is. Wanneer de CBM oordeelt dat de geestestoestand voldoende verbeterd is, kan deze een einde stellen aan de internering d.m.v. een definitieve invrijheidsstelling. Bij elke verschijning voor de CBM heeft de geïnterneerde recht op bijstand door een advocaat. Als de betrokkene geen advocaat heeft, wordt een pro-deo advocaat aangesteld. De beroepsmogelijkheden tegen beslissingen van de CBM zijn beperkt. 2.2. Wet betreffende de internering van personen van 5 mei 2014 Op 5 mei 2014 werd een nieuw wetsontwerp betreffende de internering van personen gestemd in De Senaat en in De Kamer van Volksvertegenwoordigers. Op 9 juli 2014 is deze nieuwe wet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. 8 Er is in de wet voorzien dat deze uiterlijk op 1 januari 2016 in werking zal treden. Hieronder worden enkele veranderingen besproken die deze wet met zich zal meebrengen. Internering wordt in de nieuwe wet als volgt omschreven: de internering van personen met een geestesstoornis is een veiligheidsmaatregel die er tegelijkertijd toe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Ook hier staan de beveiligingsgedachte en behandelingsgedachte centraal. Verder wordt er de nadruk gelegd op een zorg op maat, met een maximaal haalbare vorm van maatschappelijke integratie. 9 Er wordt niet langer meer gebruik gemaakt van de termen krankzinnigheid, ernstige staat van geestesstoornis en zwakzinnigheid. Deze worden vervangen door de term geestesstoornis. De term geestesstoornis omvat zowel de geestesziekten als personen met een beperking. Het psychiatrisch deskundigenonderzoek wordt door de nieuwe wet verplicht. De deskundige die dit onderzoek uitvoert, dient erkend te zijn en de expertise zal moeten beantwoorden aan een aantal kwaliteitsnormen. 10 Het deskundigenadvies blijft niet-bindend. 11 De mogelijkheid tot inobservatiestelling blijft bestaan in de nieuwe wetgeving. 12 7 Art. 20 WBM 8 De volledige tekst van de wet kan u raadplegen via volgende link: http://www.leuvenhulp.be/cbm/wpcontent/uploads/2014/07/wet-betreffende-de-internering-van-personen.pdf 9 Art. 2 Wet betreffende de internering van personen, B.S. 9 juli 2014, 52159 (hierna genoemd: Wet Internering). 10 Art. 5 Wet Internering 11 Art. 9 2 Wet Internering. 12 Art. 6 Wet Internering. 11
De voorwaarden om geïnterneerd te worden zijn gelijkaardig als die van de WBM. De onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten kunnen de internering bevelen van een persoon: die een als misdaad of wanbedrijf omschreven feit heeft gepleegd waarop een gevangenisstraf is gesteld en die op het ogenblik van de beoordeling aan een geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en ten aanzien van wie het gevaar bestaat dat hij ten gevolge van zijn geestesstoornis opnieuw misdrijven zal plegen. 13 De grootste verandering die de wet met zich zal meebrengen is dat niet langer de CBM s zullen belast zijn met de opvolging van de uitvoering van de interneringsmaatregel, maar dat dit de taak wordt van de strafuitvoeringsrechtbanken (SURB). De kamer voor de bescherming van de maatschappij van de SURB zal uitsluitend bevoegd zijn voor interneringszaken. 14 De CBM s houden bijgevolg op met bestaan. De termijnen en vereisten bij het toekennen van vrijheden door de SURB zijn nauwkeuriger omschreven. 15 Door de nieuwe wet wordt bovendien de mogelijkheid gecreëerd om elektronisch toezicht toe te staan aan een geïnterneerde, naast de bestaande mogelijkheden van uitgangsvergunningen, verloven, beperkte detentie, invrijheidstelling op proef en plaatsing. 16 De herroeping, schorsing en herzieningen van deze uitvoeringsmodaliteiten worden nauwkeurig omschreven. 17 Ook de voorwaarden voor een definitieve invrijheidstelling worden nauwkeuriger omschreven. Zo wordt er nu wettelijk een proefperiode (2 jaar, met mogelijkheid tot verlenging) voorzien, vooraleer een geïnterneerde aanspraak kan maken op een definitieve invrijheidstelling. 18 De nieuwe wet brengt een verbetering van de rechtspositie voor de geïnterneerde mee. Zo krijgt bijvoorbeeld de geïnterneerde een inzagerecht in zijn dossier 19 en zijn er meer beroepsmogelijkheden tegen de beslissingen van de SURB 20. Slachtoffers van plegers van een misdrijf die geïnterneerd werden, hadden op basis van de WBM geen rechten. In de nieuwe wet wordt hen het recht voorzien om geïnformeerd en/of gehoord te worden door de SURB. 21 13 Art. 9 Wet Internering. 14 Art. 3 6 Wet Internering. 15 Art. 20-27 Wet Internering. 16 Art. 24 Wet Internering. 17 Art. 59-64 Wet Internering. 18 Art. 66 Wet Internering. 19 Vb. Art. 29 5 Wet Internering. 20 Vb. Art. 78 Wet Internering. 21 Art. 4 Wet Internering 12
3. De praktijk en knelpunten Ondanks het feit dat internering een maatregel is en geen straf, verblijven er toch veel geïnterneerden in de gevangenis, waar de mogelijkheden tot behandeling beperkt zijn. Zorgnet Vlaanderen publiceerde volgende cijfers in hun brochure Geen opsluiting, maar sleutels tot re-integratie. Op 1 februari 2011 waren er in België 4093 geïnterneerden. Van hen verbleven er op dat moment 1158 in de gevangenis. Zij vormen ongeveer 10% van de gevangenispopulatie. België is meerdere malen veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voor zijn behandeling van geïnterneerden. Ook heeft het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing meermaals kritieken hierover geuit. Naast de problemen van overbevolking en een tekort aan behandelingsmogelijkheden, verloopt de doorstroom van geïnterneerden in de gevangenis naar het extern zorgcircuit moeizaam. Deze doorstroom wordt bemoeilijkt door een aantal factoren. In de zorgvoorzieningen zijn er vaak capaciteitsproblemen en lange wachtlijsten. Geïnterneerden worden vaak geweigerd omwille van tal van redenen: op basis van hun pathologie, het risico op nieuwe delicten, aard van de feiten, o.w.v. gebrek aan ervaring in het werken met deze doelgroep, de begeleiding die deel uitmaakt van justitiële voorwaarden, Ook wanneer geïnterneerden reeds een behandeling buiten de gevangenis volgen, verloopt de doorstroom naar een gepaste zorgomkadering niet altijd vlot (bv. doorstroom van categoraal naar regulier aanbod). Geïnterneerden die opgevangen worden door het extern zorgcircuit kunnen teruggestuurd worden naar de gevangenis na het schenden van voorwaarden tijdens een vrij op proef. Eenmaal terug in de gevangenis wordt heropname in het extern hulpverleningscircuit bemoeilijkt. Er bestaat de mogelijkheid dat de therapeutische werkrelatie geschonden wordt en dat de geleverde inspanningen op therapeutisch vlak verloren gaan. Daarnaast kan de geïnterneerde (opnieuw) detentieschade oplopen. Nochtans hebben geïnterneerden, net zoals bij andere psychiatrische patiënten, vaak een chronische problematiek. De behandeling van dergelijke problematiek is een proces met vallen en opstaan en wordt dus gekenmerkt door terug- en hervallen. Dit maakt dat blijvende ondersteuning en omkadering noodzakelijk is, die echter wegvalt wanneer de geïnterneerde terug wordt opgesloten. Crisismomenten zijn niet uitgesloten en vragen een meer gepaste reactie dan terugsturing naar de gevangenis. Het is in kader hiervan zeer belangrijk om een verschil te maken in recidive in delict (het opnieuw plegen van strafbare feiten) en recidive in pathologie (terug-/hervallen die horen bij het behandelingsproces). 13
4. Initiatieven ter verbetering De overheid heeft naar aanleiding van de knelpunten in de praktijk, initiatieven genomen om de hulpverlening voor geïnterneerden te verbeteren. Naast verbeteringsinitiatieven binnen de gevangenis (intramuraal), zoals het strategisch plan voor hulp- en dienstverlening aan gedetineerden en de oprichting van de zorgequipes, werkt men ook extramuraal aan een betere zorgverlening voor geïnterneerden. Hierbij spelen o.a. de federale beleidsmeerjarenplannen Plan Onkelinx en Demotte (2007) en Plan Vandeurzen en Onkelinx (2009) een belangrijke rol. De uitvoering van deze beleidsmeerjarenplannen verloopt gefaseerd. In een eerste fase is er voorzien in een gespecialiseerd aanbod voor medium-security/risk geïnterneerden, seksuele delinquenten en geïnterneerden met een mentale beperking. Momenteel bevinden we ons in de tweede fase met de aanstelling van netwerkcoördinatoren internering, schakelteams internering en de zogenaamde verbeterprojecten. 4.1. Intramurale verbeteringsinitiatieven 4.1.1. Strategisch plan voor hulp- en dienstverlening aan gedetineerden Op 8 december 2000 keurde de Vlaamse Regering het strategisch plan hulp- en dienstverlening aan gedetineerden goed. Dit strategisch plan is van toepassing voor iedereen die verblijft in de gevangenis, waaronder ook geïnterneerden binnen de gevangenis. Het idee achter dit plan is dat gedetineerden hun recht op vrijheid verliezen, maar hun andere grondrechten blijven behouden, waaronder ook het recht op maatschappelijke hulp- en dienstverlening. Deze hulp- en dienstverlening strekt zich uit over verschillende domeinen zoals onderwijs, cultuur, tewerkstelling, sport, gezondheid, welzijn, Organisaties die hulp- en dienstverlening op deze domeinen buiten de muren aanbieden aan de vrije burger, trachten dit aanbod ook binnen de muren aan te bieden aan gedetineerden. In alle gevangenissen in Vlaanderen en Brussel wordt hulp- en dienstverlening georganiseerd door een samenwerking tussen vele partners zoals VDAB, De Rode Antraciet, het VOCVO, de CGG, het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, het Justitieel Welzijnswerk, het penitentiair personeel, 22 4.1.2. Zorgequipes in psychiatrische afdelingen van de gevangenissen en inrichtingen tot bescherming van de maatschappij In 2007 werden de multidisciplinaire zorgequipes opgericht in de gevangenissen met een psychiatrische afdeling of een afdeling erkend als inrichting tot bescherming van de maatschappij. 23 Deze zorgequipes zouden minstens samengesteld moeten zijn uit een psychiater, een psycholoog, een maatschappelijk assistent, een ergotherapeut, een psychiatrisch verpleegkundige, een bewegingstherapeut en een opvoeder. In de praktijk zijn de zorgequipes vaak niet volledig geëquipeerd en is de vraag meestal groter dan het zorgaanbod. De zorgequipes streven naar een gelijkwaardige en kwaliteitsvolle gezondheidszorg in de gevangenis. 22 http://www4wvg.vlaanderen.be/wvg/welzijnensamenleving/hulpaangedetineerden/paginas/inhoud.aspx 23 Omzendbrief nr. 1800 van 7 juni 2007. 14
Hun taken zijn psycho-medische begeleiding, crisisopvang of ondersteuning, sociaaladministratieve ondersteuning, individuele begeleiding, groepsaanbod (gaande van therapeutische activiteiten tot een laagdrempelig aanbod gericht op activatie), aanbieden van structuur (dagindeling, activiteiten ) en patiënten motiveren. 4.2. Extramurale verbeteringsinitiatieven 4.2.1. De federale beleidsmeerjarenplannen De twee beleidsmeerjarenplannen opgemaakt door de federale overheid, zijnde Plan Onkelinx en Demotte (2007) en Plan Vandeurzen en Onkelinx (2009), willen voorzien in een betere zorgverlening voor geïnterneerden. Deze plannen hebben als doelstelling de uitbouw van een zorgtraject voor forensisch psychiatrische patiënten. Het basisidee is dat geïnterneerden moeten kunnen genieten van een volwaardig geestelijk gezondheidsaanbod, zodat er voorzien kan worden in een adequate zorg voor geïnterneerden. De filosofie die men wilt volgen, is: regulier waar het kan, specifiek/categoraal waar het moet. Doelstelling is om de specifieke/categorale zorg te behouden voor geïnterneerden die deze zorgen nodig hebben. Wanneer deze gespecialiseerde zorg niet (langer) nodig is, wil men deze geïnterneerden doorverwijzen naar de reguliere zorg. 4.2.2. Fase 1: Uitbouw categoraal aanbod De federale meerjarenplannen hebben voorzien in de uitbouw van een specifiek residentieel hulpverleningsaanbod voor geïnterneerden, met name voor medium-security/risk geïnterneerden, geïnterneerden met een mentale beperking en seksuele delinquenten. Dit residentieel aanbod is een aanvulling op de ambulante forensische zorg, zoals bijvoorbeeld forensische teams verbonden aan centra geestelijke gezondheidszorg. 4.2.2.1. Medium risk/security In 2001 werd er reeds gestart met pilootprojecten voor forensisch psychiatrische mediumeenheden. Deze eenheden werden opgericht voor geïnterneerden met een gemiddeld veiligheids- en gevaarlijkheidsrisico. Hiervoor werden er vanuit Justitie en Volksgezondheid overeenkomsten afgesloten met drie psychiatrische ziekenhuizen in Bierbeek, Rekem en Zelzate. Door het beleidsmeerjarenplan Onkelinx-Demotte (2007) vallen deze eenheden volledig onder de bevoegdheid van Volksgezondheid. Momenteel zijn de forensisch psychiatrische mediumeenheden uitgegroeid tot forensische zorgcircuits met behandelafdelingen van waaruit men kan doorstromen naar forensische psychiatrische verzorgingstehuizen (PVT), beschut wonen en outreach. 4.2.2.2. Seksuele delinquenten Er zijn drie afdelingen opgericht voor de doelgroep seksuele delinquenten (niet enkel geïnterneerden). Dit zijn afdelingen gelegen op de campus van een psychiatrisch ziekenhuis met name; Libra (PZ Asster, Sint-Truiden), Kliniek voor Forensische Psychiatrie (APZ Sint Lucia, Sint- Niklaas) en Fides (PC Sint-Amandus, Beernem). Ook deze zijn uitgegroeid tot zorgcircuits waarnaar men kan doorstromen. 15
4.2.2.3. Geïnterneerden met een mentale beperking Er zijn drie afdelingen opgericht specifiek voor geïnterneerden met een mentale beperking. Het gaat om een convenant tussen het VAPH en de voorziening met telkens 10 plaatsen voor tehuis niet-werkenden. Dit zijn afdelingen gelegen op de campus van een psychiatrisch ziekenhuis met name; Limes (PZ Asster, Sint-Truiden), Itinera (PC Sint-Amandus, Beernem) en Amanis (PC Bethanië, Zoersel). 4.2.3. Netwerkcoördinatoren De beleidsmeerjarenplannen van de federale overheid, voor de opbouw van een zorgtraject voor forensisch psychiatrisch patiënten, voorzien in de aanstelling van netwerkcoördinatoren per hof van beroep. Deze netwerkcoördinatoren vormen een brug tussen justitie en de geestelijke gezondheidszorg. Deze brugfunctie kadert binnen de algemene doelstelling van het meerjarenplan zijnde adequate zorg bieden aan geïnterneerden. Dit door hen onder andere zo veel mogelijk de strafinstellingen te doen verlaten, met het oog op optimale maatschappelijke reintegratie. Vanuit justitie (de vraagzijde) werden coördinatoren extern zorgcircuit geïnterneerden voorzien in elk hof van beroep. Vanuit volksgezondheid (aanbodzijde) werden netwerkcoördinatoren zorgtraject geïnterneerden aangesteld. Opdrachten van de coördinatoren extern zorgcircuit (justitie) zijn: referentiepersoon zijn voor actoren van justitie, initiatieven ontwikkelen om opvang te verbeteren, samenwerking vergemakkelijken en doorstroom faciliteren. Opdrachten van de netwerkcoördinatoren zorgtraject geïnterneerden (volksgezondheid) zijn: de uitbouw van een forensisch zorgtraject, overlegstructuren creëren tussen voorzieningen, een cartografie van de geïnterneerden (zowel de opgesloten als de niet-opgesloten geïnterneerden) en van de zorg opstellen, en de opvolging van de verbeterprojecten (met als doelstelling een optimale zorgverlening aan geïnterneerden en uitstroom uit de gevangenis). De uitbouw van een forensisch zorgtraject dient te kaderen binnen het functioneel model artikel 107. Dit heeft betrekking op artikel 107 van de ziekenhuiswetgeving, die een nieuwe beweging teweeggebracht heeft in de geestelijke gezondheidszorg, zijnde de vermaatschappelijking van de zorg. Dit artikel voorziet in de afbouw van ziekenhuisbedden, waardoor er budget vrijkomt om zorg te organiseren dichter bij de thuisomgeving van de patiënt. Deze zorg wordt georganiseerd rond vijf basisfuncties. Deze functies worden in figuur 3 schematisch voorgesteld. 16
Figuur 3. Vijf basisfuncties van het functioneel model artikel 107 Het leidt ons te ver binnen deze brochure om verder in te gaan op artikel 107 en de vijf basisfuncties. Meer informatie hierover is terug te vinden op: www.psy107.be. 4.2.4. Schakelteams Een andere opdracht van de netwerkcoördinatoren, aangesteld vanuit Volksgezondheid, was de oprichting van schakelteams. Per Hof van Beroep werd de mogelijkheid voorzien om mobiele equipes op te richten van 4VTE en 10uur psychiater. Voor het Hof van Beroep Brussel werd dit opgesplitst voor het Nederlandstalig en Franstalig gebied in telkens 2VTE en 5uur psychiater. Omwille van de conceptuele verwarring met de mobiele teams, opgericht in het kader van artikel 107, en de reeds bestaande outreachteams, werden de mobiele equipes omgedoopt tot schakelteams. Het schakelteam internering biedt op meerdere vlakken ondersteuning aan de psychosociale diensten (PSD) van de gevangenissen, aan de justitiehuizen (JH) en aan alle mogelijke zorgpartners. Het betreft voornamelijk een casusgerichte ondersteuning. De hoofdtaak van het schakelteam internering bestaat erin ondersteuning te bieden bij het uittekenen van zorgtrajecten van geïnterneerden wanneer dit voor de betrokken partner(s) (PSD, JH en zorg) moeilijk verloopt. Deze ondersteuning is gericht op het zoeken naar mogelijke partners op alle levensdomeinen (psychiatrische, sociale, administratieve aspecten, huisvestiging, opleiding, aangepaste tewerkstelling, ). Bijvoorbeeld kan het schakelteam samen met de PSD op zoek gaan naar de ontbrekende schakels om een reclasseringsplan vorm te geven. Analoog hieraan gaat het schakelteam samen met het JH en zorgpartners een zorgtraject mee vorm geven. Dit kan betekenen dat het schakelteam helpt een vervolgtraject op te stellen na een residentiële behandeling of ondersteuning biedt bij het opmaken van een ambulant zorgtraject. 17
Door het aanbieden van deze ondersteuning wil het schakelteam de doorstroom van geïnterneerden naar maatschappelijke integratie stimuleren, faciliteren en optimaliseren. Anderzijds wil het schakelteam directe terugstroom naar de gevangenis beperken via een optimale trapsgewijze terugschakeling binnen het netwerk. Om dergelijk netwerk op te stellen, kan het zinvol zijn dat het schakelteam een zorgoverleg organiseert, waarbij duidelijke afspraken worden gemaakt tussen de betrokken partners. Het schakelteam biedt ook ondersteuning op vlak van informatie, advies en coaching. Met vragen rond het interneringsstatuut en alles wat hier bij komt kijken, kan men terecht bij het schakelteam. De schakelteams zijn ingebed in hun regio en hebben een goed zicht op de sociale kaart. Zo kan het schakelteam adviseren met welke instanties men in contact kan treden. Anderzijds kan het schakelteam ook coaching aanbieden. Coaching kan betekenen dat het schakelteam mee helpt een inschatting te maken van aanmeldingen van dossiers van geïnterneerden, handvaten probeert aan te reiken voor op de werkvloer, De medewerkers van het schakelteam werken nauw samen met de netwerkcoördinatoren Volksgezondheid, die instaan voor de coaching van de schakelteams. Hierdoor hebben de schakelteams ook een signaalfunctie over te verbeteren structurele aspecten naar de netwerkcoördinatoren. Aanmeldingen bij het schakelteam kunnen gebeuren via de website: www.schakelteam.be. Indien er vragen zijn, mag men ook rechtstreeks contact opnemen met de medewerkers van het schakelteam. 18
5. FAQ In wat volgt, wordt er een antwoord geboden op een aantal veel gestelde vragen uit de praktijk. Indien u een vraag heeft, die niet beantwoord werd in deze brochure, kan u contact opnemen met de medewerkers van het schakelteam. Hun contactgegevens staan op pagina 31 van deze brochure. Volgende FAQ-vragen vindt u hieronder terug: - Welke zijn de verschillende strafuitvoeringsmodaliteiten? (Pag. 20) - Wat is de taak van de psychosociale dienst binnen de gevangenis? (Pag. 23) - Hoe wordt een geïnterneerde voorbereid op ontslag uit de gevangenis? (Pag. 24) - Wat is het verschil tussen Vrij op Proef en Plaatsing? (Pag. 25) - Wat houdt behandeling van de (geïnterneerde) psychiatrische patiënt in? (Pag. 26) - Wat is risicomanagement en risicotaxatie? (Pag. 27) - Wat houdt de verantwoordelijkheid en het beroepsgeheim van de zorg in? (Pag. 29) - Wat is de taak van een justitieassistent? (Pag. 30) 19
RECHTBANK 5.1. Welke zijn de verschillende strafuitvoeringsmodaliteiten? Hieronder vindt u een schematisch overzicht van de verschillende straffen en uitvoeringsmodaliteiten binnen België. De termen die zwart omrand zijn worden nader toegelicht. Boete Autonome werkstraf Opschorting Probatie Uitstel Internering Thuisdetentie Beperkte detentie Effectieve gevangenisstraf Elektronisch toezicht Voorlopige invrijheidstelling Voorwaardelijke invrijheidstelling Ter beschikkingstelling Probatie De probatiewet biedt de rechter de mogelijkheid om de uitspraak van een veroordeling op te schorten of de tenuitvoerlegging van (een gedeelte van) de veroordeling uit te stellen. Daarbij wordt een proeftermijn opgelegd van één tot vijf jaar. De probatiemaatregel kan ingeroepen worden wanneer er sprake is van een misdrijf dat strafbaar is met een criminele straf van maximum 5 jaar. Opschorting van veroordeling: bij opschorting beschouwt de rechter de strafbare feiten als bewezen, maar er wordt geen veroordeling uitgesproken. Uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf: uitstel betekent dat een uitgesproken straf niet wordt uitgevoerd. Aan beide uitspraken kunnen geïndividualiseerde voorwaarden verbonden worden, die gedurende een proeftijd moeten nageleefd worden. Deze voorwaarden kunnen verplichtingen (bv. werk zoeken) en/of verbodsbepalingen (bv. verbod op bepaalde plaatsen te komen) inhouden. In dit geval spreekt men van een probatieopschorting of probatieuitstel. De proeftermijn kan één tot vijf jaar bedragen. De persoon die een probatiemaatregel wordt opgelegd, komt onder het toezicht van een probatiecommissie te staan. De directie van het justitiehuis stelt een justitieassistent aan die de persoon begeleidt en regelmatig verslag bij de probatiecommissie uitbrengt. 20
Bij een positief verloop van de probatie wordt de zaak afgesloten na afloop van de vastgestelde proeftermijn. Wanneer de voorwaarden niet nageleefd worden zal de probatiecommissie dit melden aan de procureur des Konings, die de zaak terug voor de rechtbank kan brengen. Ook als er nieuwe strafbare feiten aan het licht komen, kan de opschorting of het uitstel herroepen worden. Thuisdetentie Thuisdetentie is een vereenvoudigde variant op het bestaande systeem van elektronisch toezicht. Het kan toegepast worden bij straffen van 8 maanden of minder. Gedurende thuisdetentie is er geen systematische begeleiding door een justitieassistent en worden er geen begeleidingsvoorwaarden opgelegd. Eén dag thuisdetentie komt overeen met één dag gevangenisstraf. De veroordeelde mag de woning enkel verlaten om te werken of een erkende professionele opleiding te volgen. Per dag worden een beperkt aantal vrije uren toegekend. De aanwezigheid in de woning wordt gecontroleerd via spraakherkenning (met een beveiligde telefonische lijn). Beperkte detentie (halve vrijheid/beperkte vrijheid) Beperkte detentie betekent dat de veroordeelde toestemming krijgt om overdag de gevangenis te verlaten. Dit om bijvoorbeeld een opleiding of therapie te volgen, te gaan werken of werk te zoeken, of voor familiale verplichtingen. De persoon moet bepaalde voorwaarden naleven. Deze voorwaarden zijn aangepast aan diens situatie. Bij veroordeelden is één van de voorwaarden dat er opvolging is door een justitieassistent. Bij geïnterneerden wordt opvolging door het justitiehuis niet opgenomen in de voorwaarden. Elektronisch toezicht Elektronisch toezicht is een manier om een gevangenisstraf uit te voeren, waarbij de veroordeelde verblijft op een vaste woonplaats. De veroordeelde draagt een elektronische enkelband. Er wordt op zijn woonplaats een bewakingsbox geïnstalleerd. De enkelband zendt via die bewakingsbox een signaal uit naar een centrale computer die registreert of de veroordeelde al dan niet thuis is. Het Nationaal Centrum voor Elektronisch Toezicht volgt die gegevens dan op. Aan de maatregel zijn een aantal voorwaarden verbonden (bv. een opleiding of therapie volgen, werken of werk zoeken). Deze voorwaarden zijn aangepast aan diens situatie. Eén van de voorwaarden is dat de persoon zich laat opvolgen door een justitieassistent. Deze zal samen met de persoon een uurrooster opmaken, nagaan of er problemen zijn bij het naleven van de voorwaarden en verslag uitbrengen aan de strafuitvoeringsrechtbank (SURB). Voorlopige en voorwaardelijke invrijheidsstelling De wet inzake de voorwaardelijke invrijheidsstelling maakt het mogelijk om een veroordeelde gedetineerde (met een straf langer dan drie jaar), die één derde van zijn gevangenisstraf heeft uitgezeten in vrijheid te stellen. Er moeten bepaalde voorwaarden nageleefd worden, zoals opvolging door een justitieassistent. Deze brengt verslag uit aan de Strafuitvoeringsrechtbank. 21
De voorlopige invrijheidstelling is niet op wettelijke basis gebaseerd (uitsluitend op omzendbrieven). De gevangenisdirecteur kan veroordeelden met een straf van maximaal drie jaar een voorlopige invrijheidstelling toekennen. Dit betekent dat de veroordeelde wordt vrijgelaten voor het einde van diens gevangenisstraf, waarbij de gevangenisdirecteur bepaalde voorwaarden kan opleggen. De naleving van deze voorwaarden wordt door een justitieassistent opgevolgd, die verslag uitbrengt aan de directie Detentiebeheer van de FOD Justitie die toezicht houdt op het dossier. Ter beschikkingstelling De terbeschikkingstelling (TBS) van de Strafuitvoeringsrechtbank is een bijkomende straf die in de door de wet bepaalde gevallen moet of kan worden uitgesproken met het oog op de bescherming van de maatschappij tegen personen die bepaalde ernstige strafbare feiten plegen die de integriteit van personen aantasten. Deze bijkomende straf gaat in na het verstrijken van de effectieve hoofdgevangenisstraf en kan tussen de 5 en 15 jaar duren. Het komt erop neer dat de veroordeelde, nadat zijn hoofdvrijheidsstraf is afgelopen, onder toezicht komt te staan van de strafuitvoeringsrechtbank. Deze beslist de terbeschikkingstelling uit te voeren hetzij onder de vorm van een vrijheidsbeneming, hetzij via een invrijheidstelling onder toezicht. 22
5.2. Wat is de taak van de Psychosociale Dienst binnen de gevangenis? De psychosociale dienst (PSD) is een multidisciplinair samengestelde equipe van psychiaters, psychologen en maatschappelijk assistenten. Aan elke gevangenis is een PSD verbonden. In eerste instantie verzorgen zij het psychosociaal onthaal van elke gedetineerde die de gevangenis binnenkomt. In een onthaalgesprek wordt uitleg gegeven over hoe er beroep kan gedaan worden op sociale, psychosociale, juridische en familiale bijstand. Daarnaast staan zij in voor de penitentiaire omkadering en begeleiding. Deze begeleiding staat in functie van het voorbereiden van de psychosociale re-integratie op belangrijke momenten tijdens de strafuitvoering. De kerntaak van de PSD is het adviseren van de gevangenisdirectie over de toekenning van verschillende strafuitvoeringsmodaliteiten (cf. FAQ strafuitvoeringsmodaliteiten pag. 20), alsook de evaluatie van het reclasseringsplan. Men adviseert hierover aan de bevoegde juridische instantie (bv. SURB/CBM). Wanneer een opgesloten geïnterneerde voor de CBM dient te verschijnen om een reclasseringsplan voor te leggen, schrijft de PSD een adviesverslag voor de CBM. Dit adviesverslag bevat informatie over de voorgeschiedenis van de persoon, de gepleegde feiten, de pathologie, risico-inschatting, het gedrag binnen de gevangenis, alsook een advies over reclassering. Dit verslag is niet bindend voor de CBM. Wanneer de CBM een beslissing heeft genomen over het te volgen reclasseringsplan, onderneemt de PSD stappen om dit reclasseringsplan te realiseren. Bijvoorbeeld wanneer de CBM beslist dat de geïnterneerde zich moet laten behandelen in een psychiatrisch ziekenhuis, zal de PSD samen met de betrokken persoon beslissen welke ziekenhuizen zullen worden aangeschreven om een aanmelding in te dienen. Samenwerking met andere diensten is noodzakelijk en draagt bij tot een kwaliteitsverbetering van het werk. De PSD heeft samenwerkingspartners binnen en buiten de gevangenis. Tenslotte overlegt de PSD met de gevangenisdirectie over het regime van gedetineerden. Op deze wijze verleent de PSD haar medewerking aan een rechtsconforme, veilige en humane uitvoering van de vrijheidsberovende straffen en maatregelen. 23
5.3. Hoe wordt een geïnterneerde voorbereid op ontslag uit de gevangenis? Een geïnterneerde persoon kan door verschillende diensten voorbereid worden op ontslag uit de gevangenis. Buiten de psychosociale dienst en de zorgequipes zijn er ook externe diensten die begeleiding en ondersteuning aanbieden binnen de gevangenis. Psychosociale Dienst (cf. FAQ PSD pag. 23) Multidisciplinaire zorgequipes In alle gevangenissen erkend als inrichting ter bescherming van de maatschappij of met een psychiatrische afdeling, zijn er zorgequipes opgericht. Deze zorgequipes zijn multidisciplinair samengesteld (zouden minstens samengesteld moeten zijn uit: psychiater, psycholoog, maatschappelijk assistent, ergotherapeut, psychiatrisch verpleegkundige, bewegingstherapeut en opvoeder). Zij hebben als doel de fysieke, psychische en sociale noden van de geïnterneerde vast te stellen, te bevorderen en optimaal te houden. Op deze manier wil men de geïnterneerde persoon voorbereiden op de overgang naar een volgende behandelingsfase buiten de gevangenis. Zij doen dit via een individueel (bv. individuele gesprekken) en een groepsaanbod (bv. groepsgesprekken, groepstherapieën zoals creatieve therapie, werkateliers, ). In sommige gevangenissen hebben ze een aparte afdeling voor bepaalde doelgroepen (vb. psychose-project te Turnhout voor gedetineerden met een psychotische problematiek), waarbij ze de personen zoveel mogelijk proberen voor te bereiden op een psychiatrische setting door middel van groepsleven, vaste dagstructuur, Externe diensten Enkele externe diensten bieden, in het kader van het strategisch plan voor hulp- en dienstverlening aan gedetineerden (cf. pag. 14) ondersteuning en begeleiding aan binnen de gevangenis en helpen gedetineerden zich voor te bereiden op ontslag. Voorbeelden van deze diensten zijn: VDAB, De Rode Antraciet, VOCVO, CGG, Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, Justitieel Welzijnswerk, Zij helpen de gedetineerden bij de praktische uitwerking van hun reclassering, zoals op zoek gaan naar een daginvulling. Anderzijds trachten zij de gedetineerden ook psychologisch voor te bereiden op een re-integratie in de maatschappij. Ook deze diensten kunnen zowel een individueel als groepsaanbod voorzien. Afspraken rond informatieoverdracht en beroepsgeheim Belangrijk om op te merken is dat tussen PSD en zorgequipes in de gevangenis het beroepsgeheim van toepassing is. Dit omdat de PSD een adviserende functie heeft m.b.t. de strafuitvoeringsmodaliteiten naar de hierover beslissende bevoegdheden. De zorgequipe heeft een andere finaliteit, namelijk therapeutische opvang. Ook de externe diensten die een aanbod bieden binnen de gevangenis zijn gebonden aan beroepsgeheim. Wanneer de gedetineerde hiermee instemt is er communicatie mogelijk tussen deze diensten. 24
5.4. Wat is het verschil tussen Vrij op Proef en Plaatsing? Vrij op Proef (VOP) De CBM kan beslissen om een geïnterneerd persoon Vrij op Proef te laten, op basis van art. 18 van de Wet tot Bescherming van de Maatschappij. Bij een VOP tekent de betrokkene zijn akkoord om vrij te gaan met opgelegde voorwaarden en deze ook na te leven. De CBM geeft in zijn beslissing aan hoe de reclassering dient uitgewerkt te worden. Er zijn een aantal algemene voorwaarden zoals het doorgeven van een adreswijziging, het niet plegen van strafbare feiten e.d. Daarnaast worden een aantal specifieke of bijzondere voorwaarden, aangepast aan het individu en in functie van recidivebeperking, opgelegd. Dit kan bijvoorbeeld zijn geen middelenmisbruik of een geschikte daginvulling of werk vinden. Deze voorwaarden hebben een verplichtend karakter t.o.v. de geïnterneerde persoon zelf, maar niet t.o.v. de behandelaars. De justitieassistent heeft als opdracht de geïnterneerde persoon te begeleiden, op te volgen en hierover te rapporteren aan de CBM. Deze rapportage vindt plaats om de zes maanden. Men kan ook een rapportage opmaken wanneer dit nuttig geacht wordt (bijvoorbeeld wanneer er problemen zijn; meldingsverslag) of wanneer dit gevraagd wordt. Het is de taak van de CBM om te beslissen over het intrekken van een VOP na het niet naleven van de voorwaarden. Bij het plegen van strafbare feiten (een eventueel onderzoek of aanhoudingsmandaat) kan de persoon terug opgesloten worden. Het is niet steeds noodzakelijk om een VOP in te trekken. Dit dient op casusniveau afgewogen te worden. Derden kunnen advies geven over wat er bijvoorbeeld binnen het behandelingskader opgenomen kan worden (zoals alcohol- of druggebruik). Plaatsing De CBM kan beslissen tot Plaatsing, op basis van art. 14 van de Wet tot Bescherming van de Maatschappij. De CBM beslist dan in welke inrichting de internering plaats zal vinden. Meestal gebeurt dit in inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij (IBM) georganiseerd door de federale overheid. Maar de CBM kan ook beslissen, om therapeutische redenen, de persoon te plaatsen in een andere geschikte instelling, zoals een psychiatrisch ziekenhuis. De voorziening kan een overheidssubsidie ontvangen bij het opnemen van een geplaatst persoon (voor de verblijfskosten). Andere financiële lasten (bv. een kappersbezoek) kunnen aangevraagd worden bij justitie. Een geïnterneerd persoon die geplaatst is, heeft geen voorwaarden en geen opvolging door een justitieassistent. Indien er toch vraag is naar vrijheden dient de zorg rechtstreeks met de bevoegde CBM contact opnemen. 25
5.5. Wat houdt behandeling van de (geïnterneerde) psychiatrische patiënt in? Over het algemeen zijn er veel overeenkomsten tussen een psychiatrische patiënt met een interneringsstatuut en een psychiatrische patiënt zonder interneringsstatuut. Zo kan een psychische aandoening vergelijkbaar zijn bij deze twee groepen. Er kan sprake zijn van een acute maar ook van een chronische problematiek. In dit laatste gaat het om personen die een blijvende omkadering en ondersteuning nodig hebben. Herval en crisismomenten kunnen niet uitgesloten worden. Dezelfde doelstellingen staan voorop, namelijk het stabiliseren van de psychische problematiek, het aanbieden van een gepaste behandeling, ondersteuning en omkadering. Alsook het mogelijk maken van een optimale re-integratie in de maatschappij. Bij personen met een interneringsstatuut komen voorwaarden van justitie, opgelegd door de CBM, mee. In opdracht van de CBM volgt de justitieassistent de geïnterneerde en de naleving van de voorwaarden op en rapporteert hierover aan de CBM. De justitieassistent is een betrokken partner in het reclasseringstraject van de geïnterneerde persoon (cf. FAQ justitieassistent pag. 30) Bij behandeling van personen met een interneringsstatuut moet men rekening houden met risicofactoren. Deze zijn individueel, per persoon af te wegen. Men moet op de hoogte zijn van de context waarin een delict werd gepleegd. Was dit bijvoorbeeld onder invloed van drugs of te kaderen binnen bepaalde stresssituaties e.d. (cf. FAQ risicomanagement en risicotaxatie pag. 27) Eveneens moeten de beschermende factoren in kaart worden gebracht. Men moet nagaan wat de persoon nodig heeft om niet te hervallen (zowel een decompensatie binnen de pathologie en middelenmisbruik, als herval in feiten). Beschermende factoren kunnen bijvoorbeeld een gestructureerde daginvulling en voldoende omkadering van het sociale netwerk zijn. 26
5.6. Wat is risicomanagement en risicotaxatie? Risicomanagement Bij de behandeling van personen met een psychiatrische problematiek speelt het beheersen van deze problematiek een belangrijke rol. Daarbij wordt er samen met de cliënt op zoek gegaan naar strategieën of omgangsmethoden die helpen om de eerste tekenen van problematisch gedrag te herkennen en acties te ondernemen om dit gedrag te voorkomen. Het kan dan gaan over het in de perken houden van impulsief of agressief gedrag, het herkennen van symptomen, het vermijden van of leren omgaan met stresserende omstandigheden, en dergelijke. Het ultieme doel is het beheersbaar maken en houden van de risico s op herval (in pathologie of problematisch gedrag). Hulpmiddelen zijn bijvoorbeeld signaleringsplannen of crisisplannen om tijdig de nodige acties te ondernemen. Meestal steunt dit op klinische inschattingen van de behandelaars in nauwe samenwerking met de cliënt zelf. Wanneer de persoon naast zijn psychiatrische problematiek ook een delict heeft gepleegd, is het voorkomen van dergelijke delict (recidief gedrag) een belangrijke gegeven. Er kunnen naast de factoren die te maken hebben met herval in pathologie, nog andere elementen meespelen die het herval in delictgedrag kunnen bevorderen of juist bescherming kunnen bieden. Binnen de forensische werking wordt op indicatie gebruik gemaakt van geëigende risicotaxatie-instrumenten om deze factoren te bepalen en een inschatting te maken van het toekomstige risico. Hierbij wordt ook rekening gehouden met uitgewerkte strategieën ter beheersing van deze factoren. Ook hier worden signalerings- en crisisplannen opgemaakt met de cliënt, waarin zowel het risico op herval in pathologie als het risico op delictrecidive betrokken worden. Bijvoorbeeld 1: Een geïnterneerd persoon heeft feiten gepleegd tijdens een psychotische opstoot. Als gemerkt wordt dat deze persoon meer psychotisch is, kan een adequate dosering van antipsychotica ervoor zorgen dat eventuele risico s worden ingeperkt. Een belangrijk element in het risicomanagement wordt dan het toetsen van het daadwerkelijk gebruik van de antipsychotica. Bijvoorbeeld 2: Wanneer alcohol- en/of druggebruik een belangrijke rol speelt in het risico op delictgedrag, kan er samen met de betrokkene een plan opgemaakt worden. Hierbij worden onder andere risicosituaties op gebruik beschreven en wordt er samen met de cliënt bekeken hoe hij kan omgaan met deze risicosituaties en met craving naar gebruik. Risicotaxatie Risicotaxatie is het inschatten van de grootte van het risico dat iemand in de toekomst (opnieuw) gewelddadig gedrag gaat vertonen van bepaalde aard en omvang (recidivisme). De aan- of afwezigheid van bepaalde statische of dynamische risicofactoren kunnen de kans op recidivisme verhogen of verlagen. Statische variabelen veranderen niet doorheen de tijd. Hierbij denken we bv. aan het criminele verleden, de ontwikkelingsgeschiedenis en aangeboren factoren. Dynamische variabelen kunnen wel veranderen doorheen de tijd, zoals bv. psychologische factoren. Naast statische of dynamische risicofactoren dient men tevens onderscheid te maken tussen risicofactoren en beschermende (protectieve) factoren. Risicofactoren zijn factoren waarbij via wetenschappelijk onderzoek is aangetoond dat zij in relatie staan tot een verhoogd risico van recidive in gewelddadig gedrag (bv. persoonskenmerken). 27
Beschermende factoren zijn factoren die toelaten het risico op een bepaald gedrag te reduceren (bv. sociale relatie, werk, een vaste verblijfplaats). Er zijn risicotaxatie-instrumenten die louter gebaseerd zijn op risicofactoren, andere instrumenten nemen ook beschermende factoren mee in rekening. Risicotaxatie werd reeds van bij zijn ontstaan opgedeeld in twee kampen: de actuariële invalshoek en de klinische invalshoek. Risicotaxatie ACTUARIEEL KLINISCH Gestructureerd Ongestructureerd De actuariële invalshoek is een risicotaxatie op grond van kansberekening, toegepast op een lijst van relevante factoren. Deze factoren kunnen betrekking hebben op delictgeschiedenis, ziektebeeld, sociaal netwerk, Al deze factoren krijgen een score naargelang de aan- of afwezigheid ervan. Op basis van deze scores komt men tot een risicoinschatting. De klinische invalshoek gaat uit van de kennis van experten en de professionele beoordeling en kan zowel gestructureerd als ongestructureerd zijn. Bij het ongestructureerd klinisch oordeel wordt er geen gebruik gemaakt van een vooropgesteld instrument, maar komt de clinicus tot een risico-inschatting door middel van gesprekken met de betrokkene en dossieronderzoek. Bij het gestructureerd klinisch oordeel maakt de clinicus een inschatting van een aantal risico- en/of beschermende factoren a.d.h.v. een vooropgesteld instrument, zonder deze factoren te scoren. Men moet voorzichtig zijn met het interpreteren van de resultaten van een risicotaxatie. Bij voorkeur wordt de risicotaxatie multidisciplinair afgenomen. Bovendien is de context waarin het instrument wordt afgenomen bepalend voor de interpretatie van de resultaten. Risicotaxatie is één van de vele elementen waarop men zich kan baseren om een inschatting van de persoon te maken. 28
5.7. Wat houdt de verantwoordelijkheid en het beroepsgeheim van de zorg in? Vanuit de zorg stelt men zich weleens de vraag welke verantwoordelijkheid men draagt bij de behandeling en begeleiding van een geïnterneerde en welke rol het beroepsgeheim hierin speelt. Verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid van de zorgpartners bestaat erin dat men ten alle tijden moet kunnen verantwoorden waarom men bepaalde beslissingen neemt. Bij het nemen van deze beslissingen is het belangrijk om rekening te houden met de voorwaarden opgelegd aan de geïnterneerde persoon. De zorg kan, mits een motivering, vragen om een uitbreiding van vrijheden (uitstappen, verloven, overstap naar een andere zorgvorm, ) van de geïnterneerde persoon. De Commissie ter Bescherming van de Maatschappij (CBM) beslist of het aangewezen is de vrijheden uit te breiden en bijgevolg de voorwaarden aan te passen. De opvolging van het naleven van deze voorwaarden gebeurt door de justitieassistent. De zorg is niet belast met deze vorm van controle -taak. Beroepsgeheim De zorgpartners zijn, zoals bij andere psychiatrische patiënten, gebonden aan beroepsgeheim. De zorgpartner beslist wanneer iets relevant is om te melden aan justitie (justitieassistent of CBM). Belangrijk daarbij is om te kaderen waarom iets gemeld wordt en wat de verwachtingen zijn naar justitie. Een voorbeeld hiervan is een geïnterneerde die zijn voorwaarden heeft geschonden door alcohol te drinken, maar waarbij de zorg dit verder wil opnemen in hun behandelingskader. Het is de CBM die autonoom beslist welk gevolg er gegeven wordt aan een melding (bv. verderzetting behandeling of terugsturing gevangenis). Belangrijk is de betrokken geïnterneerde in te lichten over de melding. 29
5.8. Wat is de taak van een justitieassistent? Wanneer de Commissie ter Bescherming van de Maatschappij (CBM) beslist dat een geïnterneerde persoon vrij op proef (VOP) mag, wordt er een justitieassistent aangesteld. Deze justitieassistent behoort tot het justitiehuis van de regio waarbinnen de geïnterneerde verblijft. In elk gerechtelijk arrondissement is een justitiehuis aanwezig. In Vlaams-Brabant is er een justitiehuis gelegen in Leuven en in Brussel. Wanneer de geïnterneerde geplaatst is, wordt er geen justitieassistent aangesteld. Wanneer een geïnterneerde vrij op proef gaat, legt de CBM een aantal voorwaarden op waaraan deze zich dient te houden (cf. FAQ VOP en plaatsing pag. 25). De justitieassistent heeft als belangrijkste taak het opvolgen van het naleven van de voorwaarden door de geïnterneerde. Daarnaast biedt een justitieassistent ondersteuning aan een geïnterneerde, probeert hem/haar te motiveren en helpt met re-integratie in de maatschappij. De justitieassistent heeft hiertoe regelmatig een gesprek met de geïnterneerde. Dit gesprek kan plaatsvinden op het justitiehuis, maar kan ook plaatsvinden op de woonplaats van de geïnterneerde. Wanneer een geïnterneerde residentieel behandeld wordt, kan dit gesprek doorgaan binnen deze voorziening (vb. een psychiatrisch ziekenhuis). De justitieassistent dient hierover te rapporteren aan de CBM. De justitieassistent heeft een meldingsplicht aan de CBM. De justitieassistent fungeert als verbindingspersoon tussen de cliënt, de zorg en de CBM. De justitieassistent kan een uitbreiding van vrijheden, uitstappen, verloven, aanpassing van de voorwaarden, aanvragen bij de CBM op advies van de zorg. Wanneer er zich moeilijkheden voordoen tijdens een behandeling, kan men hierover in overleg gaan met de justitieassistent, om te bekijken hoe men met deze moeilijkheden kan omgaan. De justitieassistent zal hierover rapporteren aan de CBM, die de beslissingsbevoegdheid heeft. Een justitieassistent kan ook belast worden met het uitvoeren van een maatschappelijke enquête of een beknopt voorlichtingsverslag. Wanneer een geïnterneerde de vraag stelt om bijvoorbeeld op verlof te gaan bij familie, kan de CBM vragen om eerst een maatschappelijke enquête uit te voeren om een zicht te krijgen op het opvangmilieu van de geïnterneerde. Voor meer informatie over de justitiehuizen: http://justitie.belgium.be/nl/binaries/justitiehuizen_tcm265-157368.pdf 30
Besluit Wij hopen u via deze brochure meer informatie verleend te hebben over internering, alsook over de laatste bewegingen binnen justitie en de geestelijke gezondheidszorg om te voorzien in een gepaste zorg voor geïnterneerden. Indien u na het lezen van deze brochure nog vragen heeft met betrekking tot dit thema, kan u contact opnemen met de medewerkers van het schakelteam. 31
Contactgegevens Schakelteam Internering Hof van Beroep Brussel Nederlandstalig (Vlaams-Brabant en Nederlandstalig Brussel) Medewerkers Schakelteam Internering: Regio Vlaams-Brabant Oost: Sylvia Merckx, sylvia.merckx@schakelteam.be, 0477/90 69 79 Regio Vlaams-Brabant West: Saskia Dziergwa: saskia.dziergwa@schakelteam.be, 0471/12 27 16 Psychiaters Schakelteam: Dr. Karolien Dockx : karolien.dockx@fracarita.org Dr. Thomas Marquant : thomas.marquant@fracarita.org Netwerkcoördinator Internering Volksgezondheid: Mieke Goyens: mieke.goyens@schakelteam.be, 0476/88 15 56 Netwerkcoördinator Internering Justitie: Annemie Deckers: Annemie.Deckers@just.fgov.be Ter info Netwerkcoördinator Internering Waals-Brabant en Franstalig Brussel: Virginie Eeman, virginie.eeman@chjt.be, 0473/68 70 26 32
Hof van Beroep Antwerpen (Antwerpen en Limburg) Medewerkers Schakelteam Internering: Nadika Hoyberghs (Reling): nadika.hoyberghs@schakelteam.be, 0494/57 46 55 Joke Nauwelaerts (GGZ Kempen): joke.nauwelaerts@schakelteam.be, 0494/57 46 54 Jolien Debehets (SaRA): jolien.debehets@schakelteam.be, 0494/57 46 53 Hanne Eerdekens (Noolim): hanne.eerdekens@schakelteam.be, 0496/38 16 96 Netwerkcoördinator Internering Volksgezondheid: Karolien Gijsbers, karolien.gijsbers@schakelteam.be, 0490/65 44 30 Netwerkcoördinator Internering Justitie: Annemie Deckers: Annemie.Deckers@just.fgov.be 33
Hof van Beroep Gent (Oost- en West-Vlaanderen) Medewerkers Schakelteam Internering: Joyce Vanspeybroeck: joyce.vanspeybroeck@schakelteam.be, 0474/81 62 18 Koen Mattheeuws: koen.mattheeuws@schakelteam.be, 0474/81 02 92 Charlotte Volckaert: charlotte.volckaert@schakelteam.be, 0474/81 63 43 Netwerkcoördinator Internering Volksgezondheid: Joris Dheedene, joris.dheedene@schakelteam.be, 0476/96 22 74 Psychiater schakelteam: Dr. Jan De Varé : jan.de.vare@fracarita.org, 093/42 28 35 Netwerkcoördinator Internering Justitie: Katelijne Seynnaeve: katelijne.seynnaeve@just.fgov.be 34
Redactie: Saskia Dziergwa en Mieke Goyens medewerkers Schakelteam Internering Hof van Beroep Brussel Nederlandstalig In samenwerking met de netwerkcoördinatoren internering Justitie en Volksgezondheid Hof van Beroep Brussel Nederlandstalig. Versie datum: 1/10/2015 35