Eerste Kamer der Staten-Generaal i Zitting 1979-1980 Nr. 44e 15 800 VIM Hoofdstuk VIII (Departement van Onderwijs en Wetenschappen) van de begroting van uitgaven van het Rijk voor het jaar 1980; begroting van uitgaven; aanwijzing en raming van de middelen (inclusief het onderwerp Wetenschapsbudget, 15 801) BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS EN WETENSCHAPPEN Aan de heer Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal 's-gravenhage, 3 juli 1980 Hierbij doe ik u toekomen de door mij bij de behandeling van de begroting voor het jaar 1980 toegezegde notitie inzake de overgang van scholen voor kleuter- en gewoon lager onderwijs naar scholen voor basisonderwijs. De Staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, A. J. Hermes 2 vel Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15 800 hoofdstuk VIII, nr. 44e 1
MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN WETENSCHAPPEN Aan: de heer secretaris van de CCOO 's-gravenhage, 9 april 1980 De invoering van de wet op het basisonderwijs (WBO) zal worden geregeld door een overgangswet WBO (OWBO). Departementsambtenaren werken reeds geruime tijd aan de opstelling van een ontwerp-owbo. Een van de belangrijkste procedures die de OWBO moet regelen, is de omzetting van het huidige scholenbestand, bestaande uit ± 7600 kleuter- en ± 8600 lagere scholen, in basisscholen. De Departementale Stuurgroep Invoering Basisonderwijs (DSIB) heeft daartoe in bijgaande beleidsnotities vier overgangsregels geformuleerd. Over deze notitie die uiteraard uitgaat van een gelijkwaardige behandeling van kleuter- en lager onderwijs, willen we graag overleg voeren met de CCOO. De procedure die in de vier overgangsregels is ontworpen, voorziet naar ons oordeel in een bevredigende regeling. Vooral ook omdat de omzetting van het scholenbestand volgens deze regels plaats kan vinden met een minimale bemoeienis van de rijksoverheid. Vanzelfsprekend zullen bij de verdere gitwerking nog verfijningen nodig kunnen blijken en geldt een en ander slechts onder voorbehoud van goedkeuring door de wetgever. Ook moet er bij de uitwerking voor worden gezorgd dat op basis van de te treffen regels de positie van het zittende personeel optimaal wordt gewaarborgd. Uit dien hoofde zal het, voor zover dit thans te overzien is, noodzakelijk zijn voor het toepassen van de eerste overgangsregel te bepalen dat het bevoegd gezag dat via deze overgangsregel een basisschool of basisscholen wil stichten ten minste één jaar het bestuur heeft gevoerd over de school of scholen die bij de overgang zijn betrokken. De rechtspositie van het zittende personeel is uiteraard het gemakkelijkst bevredigend te regelen voor personeel in dienst van besturen die ook na 1 augustus 1983 scholen in stand houden. Waar dit - overigens in een beperkt aantal gevallen - niet het geval zal zijn, kunnen problemen ontstaan. Om deze reden is het van belang dat zulke besturen overwegen of ze deze problemen door fusie kunnen voorkomen. Het ligt overigens in de bedoeling van de eerste ondergetekende zo spoedig mogelijk een notitie over de rechtspositie aan het rechtspositioneel overleg ter bespreking voorte leggen. Overeenkomstig de door de Minister en Staatssecretaris Hermes geparafeerde minute, de Secretaris-Generaal, G. H. Scholten Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15 800 hoofdstuk VIII, nr. 44e 2
HOE WORDEN KLEUTER EN LAGERE SCHOLEN BASISSCHOLEN 1. Algemeen Het ligt in het voornemen om in de Overgangswet Basisonderwijs (OWBO) een viertal regels op te nemen, die de overgang van kleuter- en lagere scholen naar basisscholen regelen. Bij het formuleren van deze regels zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: a. De wet op het basisonderwijs (WBO) gaat in op 1 augustus 1983. b. Per 1 augustus 1983 worden alle kleuter- en lagere scholen als zodanig opgeheven, dat wil zeggen vanaf die datum zijn er nog slechts basisscholen. c. De bestaande kleuter- en lagere scholen moeten bij de transformatie naafbasisscholen op gelijke wijze worden behandeld. d. De transformatie van kleuter- en lagere scholen naar basisscholen moet zoveel mogelijk automatisch geschieden, dat wil zeggen zonder tussenkomst van de rijksoverheid. En wat het bijzonder onderwijs betreft eveneenszonder tussenkomst van de gemeentelijke overheid. e. De opheffingsnormen, zoals die zijn vermeld in art. 92 lid I, WBO vormen de basis voor de grensgetallen, die gelden voor de automatische overgang als bedoeld onder d. 2. Overgangsregels Op de hierbovengenoemde 5 uitgangspunten, zijn de volgende 4 overgangsregels gebaseerd. 2.1. Eerste hoofdregel Deze regel geldt zowel voor het openbaar onderwijs als voor het bijzonder onderwijs en wel voor die bevoegde gezagen, die op 31 juli 1982 binnen een zelfde gemeente zowel kleuter- als lagere scholen besturen. Deze regel luidt: Een bevoegd gezag mag zonder tussenkomst van de rijks- of gemeentelijke overheid zoveel basisscholen vormen als het quotiënt van het gemiddeld aantal kleuters opzijn scholen gedurende het schooljaar 1981/1982 enerzijds en anderzijds het getal x; de uitkomst wordt naar boven afgerond. Het aantal basisscholen, dat het bevoegd gezag op deze wijze mag vormen, kan echter niet groter zijn, dan het aantal lagere scholen met gedurende het cursusjaar 1981/1982 gemiddeld y of meer leerlingen, dat dit bevoegd gezag op 31 juli 1982 bestuurt. In deze formule is, afhankelijk van de gemeentegrootte, bedoeld in artikel 92, lid I, WBO, het getal x resp. 30, 25, 20 en 12 kleuters en het getal y resp. 95, 75, 55 en 38 leerlingen. 2.2. Tweede hoofdregel Deze hoofdregel geldt uitsluitend voor het bijzonder onderwijs en wel voor die besturen, die op 31 juli 1982 hetzij alleen kleuterscholen, hetzij alleen lagere scholen onder hun bestuur hebben. Deze regel luidt: Een bestuur mag zoveel basisscholen vormen als het op 31 juli 1982 hetzij kleuter-, hetzij lagere scholen beheert, mits wordt aangetoond dat deze basisscholen op 1 augustus 1980 ten minste zullen worden bezocht door de aantallen leerlingen, genoemd in artikel 92, lid I WBO. Het bestuur kan dit aantal leerlingen voor elke basisschool, die het wil vormen aantonen door vóór 1 september 1982 bij de gemeenteraad over te leggen een lijst met handtekeningen van ouders enz. die verklaren dat zij hun kind zullen zenden naar de van dat bevoegd gezag uitgaande basisschool. Deze handtekeningenlijst moet aan de volgende voorwaarden voldoen: 1. De handtekeningen mogen slechts betreffen a. indien de aanvraag wordt ingediend door het bestuur van een kleuterschool: Eerste Kamer, zitting 1979-1980, 15800 hoofdstuk VIII, nr. 44e 3
- kleuters, die op 1 september 1982 een van dat bestuur uitgaande kleuterschool bezoeken; - leerlingen, die op 1 september 1982 zijn gezeten in de leerjaren 1 en 2 van een openbare of bijzondere lagere school, die uitgaat van een bevoegd gezag, dat niet ook een openbare of bijzondere kleuterschool bestuurt. b. indien de aanvraag wordt ingediend door het bestuur van een lagere school: - leerlingen, die op 1 september 1982 de leerjaren 1 en 2 van een van dat bestuur uitgaande lagere school bezoeken; - kleuters, die op 1 september 1982 zijn gezeten op een openbare of bijzondere kleuterschool, die uitgaat van een bevoegd gezag, dat niet ook een openbare of bijzondere lagere school bestuurt. 2. De handtekeningenlijst moet, afhankelijk van de gemeentegrootte bedoeld in artikel 92, lid 1 WBO, omvatten: 60 handtekeningen, waarvan minimaal 25 betreffen kleuters en minimaal 25 leerlingen van de leerjaren 1 en 2 van het g.l.o.; 50 handtekeningen, waarvan 20 kleuters en 20 g.l.o."leerlingen; 40 handtekeningen, waarvan 15 kleuters en 15 g.l.o."leerlingen; 25 handtekeningen, waarvan 10 kleuters en 10 g.l.o."leerlingen. Deze procedure is te vergelijken met die van art. 72 e.v. Lager-onderwijswet 1920. Een bevoegd gezag, dat van deze regel geen gebruik wil maken, kan ook zonder meer toepassing van hoofdregel 4 vragen. 2.3. Derde hoofdregel Deze regel geldt alleen voor het openbaar onderwijs. De gemeenteraad kan besluiten, dat een groter aantal openbare basisscholen, dan gevormd op grond van hoofdregel 1 noodzakelijk is om te voorzien in de behoefte aan voldoende openbaar onderwijs. Dit aantal kan echter niet groter zijn, dan het aantal openbare lagere scholen, dat de gemeente op 31 juli 1982 bestuurt. Bestuurt de gemeente op 31 juli 1982 alleen kleuterscholen, dan geldt in plaats van het aantal lagere scholen, het aantal kleuterscholen. Een dergelijk raadsbesluit, dat moet worden genomen voor 1 november 1982 behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten. Deze procedure is te vergelijken met die van art. 19 e.v. Lager-onderwijswet 1920. 2.4. Vierde hoofdregel Deze hoofdregel geldt alleen voor het bijzonder onderwijs. De besturen van bijzondere scholen kunnen voor 1 september 1982 een verzoek bij de minister indienen om meer basisscholen te mogen vormen dan zij kunnen vormen op grond van hoofdregel 1 en hoofdregel 2. Het maximum aantal scholen, dat zij opgrond van de hoofdregels 1, 2 en 4 kunnen vormen, bedraagt echter - ter keuze van het bestuur - of het aantal kleuterscholen of het aantal lagere scholen, dat dat bestuur OD 31 juli 1982 bestuurt. De beoordeling van een dergelijk verzoek geschiedt in principe op basis van dezelfde criteria als thans worden gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken op grond van art. 96, lid 3, Lager-onderwijswet 1920. Deze criteria zijn: - de levensvatbaarheid, gelet op de opheffingscriteria van de WBO; - de plaatselijke situatie (de enige school ter plaatse of de enige school van een bepaalde richting in een plaats); - de verkeerssituatie; - andere bijzondere omstandigheden (bij voorbeeld het zijn van stimuleringsschool of het hebben van grote groepen leerlingen uit culturele minderheden); - de financiële gevolgen (en verder vervoerskosten versus stichtings- en instandhoudingskosten). Eerste Kamerzitting 1979-1980,15 800 hoofdstuk VIII, nr. 44e 4
3. Slotopmerking Het ligt niet in het voornemen om ter gelegenheid van de invoering van de WBO ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de eigendomstoestand van de schoolgebouwen. Dit betekent in principe: a. dat bij de toepassing van de hoofdregels 1,3 en 4 de betreffende bevoegde gezagen op 1/8/1983 in het bezit blijven van de schoolgebouwen, die zij voordien ook bezaten, tenzij deze gebouwen als niet meer voor het basisonderwijs benodigd, buiten gebruik kunnen worden gesteld; b. dat alleen bij de toepassing van hoofdregel 2 een wijziging in de eigendomstoestand kan optreden in die gevallen, waarin bijvoorbeeld het bestuur van een kleuterschool na 1 augustus 1983 wel een basisschool in stand zal houden en het bestuur van een lagere school niet. Ter verduidelijking zijn in een bijlage enkele voorbeelden voor de toepassing van de onder 2 bedoelde hoofdregels toegevoegd. VOORBEELDEN I. Eerste hoofdregel Gemeente Aaantal inwoners70000, norm exart. 92, lid 1 WBO 100. Openbaar onderwijs: 10 scholen LO en 5 scholen KO, als volgt verdeeld: 1. 230II. 1. 61 kl. 2. 13911. 2. 33 kl. 3. 8611. 3. 18 kl. 4. 21011. 4. 54 kl. 5. 10011. 5. 96 kl. 6. 9811. Totaal 262 kl. 7. 6711. 8. 3511. 9. 8011. 10. 200II. Berekening: 262 : 25 = 11 (absoluut maximum) Echter aantal lagere scholen 10, waarvan 8 voldoen aan de norm (75 of meer II.). Aantal automatisch te stichten basisscholen derhalve 8. Voor 2 scholen nl. met 67 en 35II. is toepassing hoofdregel III eventueel mogelijk. Indien deze groep scholen onder één bijzonder schoolbestuur zou vallen, zou het aantal automatisch te stichten basisscholen gelijk zijn. De 2 scholen met minder dan 75 II. vallen onder hoofdregel IV. II. Tweede hoofdregel In de gemeente A heeft schoolbestuur B 2 lagere scholen: a. 203II., waarvan 52 II. in leerjaar 1 en 2; b. 70II., waarvan 18 II. in leerjaar 1 en 2. Voor automatische transformatie naar basisschool zijn vereist minimaal 50 handtekeningen, waarvan minstens 20 uit de leerjaren 1 en 2 (eigen school) en minstens 20 kleuters uit een kleuterschool van een bestuur, openbaar of bijzonder, dat geen lagere school beheert. Er is in de gemeente A één kleuterschool met 31 kleuters uitgaande van een bestuur zonder l.o. scholen. Indien schoolbestuur B ten behoeve van l.o.-school a (203II.) ook 20 handtekeningen van de kleuterschool kan verzamelen, kan het een verzoek tot de gemeenteraad richten om een basisschool te stichten. Eerste Kamerzitting 1979-1980,15800 hoofdstuk VIII, nr.44e 5
Het is eveneens mogelijk dat het initiatief uitgaat van de kleuterschool die dan behalve over 20 handtekeningen betreffende de eigen kleuters ook over 20 handtekeningen van de l.o.-scholen a en b moet beschikken. Het is duidelijk dat school b niet onder hoofdregel II kan vallen omdat niet over voldoende II. in de leerjaren 1 en 2 wordt beschikt. Deze school is aangewezen op hoofdregel IV. Hoofdregel III en IV Deze worden toegepast indien niet kan worden voldaan aan hoofdregel I en II en de noodzaak tot instandhouding aanwezig is. Eerste Kamer, zitting 1979-1980,15800 hoofdstuk VIII, nr. 44e 6