Het ouderschapsplan bij informele relaties. Maaike Cuppen



Vergelijkbare documenten
VOORJAARSWIJZIGINGEN FAMILIERECHT mr. L.H.M. Zonnenberg

OUDERSCHAPSPLAN II. juli 2011

De in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding vergeten voogden en het voogdijplan

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding

Het ouderschapsplan; een onderzoek naar de knelpunten van de huidige regeling

Daar is hij dan: de echtscheidingsnotaris!

Tweede Kamer der Staten-Generaal

ECLI:NL:GHARL:2017:2726

A 2011 N 57 PUBLICATIEBLAD

Directoraat-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

De beëindiging van informele relaties en het ouderschapsplan

Echtgenoten die van tafel en bed gescheiden zijn, kunnen om een ontbinding van het huwelijk verzoeken.

Aan de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten

Inhoud Inhoud 5 Voorwoord 13 Introductie van het onderzoek 15 I. Inleiding 15 II. Participatie als juridisch begrip 16 III. Aanleiding tot het onderzo

Gelijkwaardig ouderschap en co-ouderschap; belang van kind doorslaggevend

MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN. 1. Inleiding

Is een prenatale aantekening in het gezagsregister van gezamenlijk gezag van ongehuwde ongeregistreerde ouders mogelijk?

Eerste Kamer der Staten-Generaal Centraal Informatiepunt

Protocol kind en scheiding

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus EA DEN HAAG

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Scheiden en Alimentatie

Ouderschapsplan en omgang; een goede combinatie?

Tweede Kamer der Staten-Generaal

HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:847 (mrs. E.J. Numann, C.E. Drion, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak; A-G mr. L.A.D. Keus)

ECLI:NL:RBOBR:2015:3690

Omgang Ook met de niet-verzorgende ouder!

Ter attentie van de leden van de Vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Het conceptwetsvoorstel lesbisch ouderschap onder de loep

Concept per mail d.d. 28 januari 2005, definitieve versie volgt per reguliere post.

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen

PDF hosted at the Radboud Repository of the Radboud University Nijmegen

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Brochure: Scheiden & Mediation. Scheiden & Mediation. Hoe u kunt scheiden zonder onnodig lijden

Scriptie. Voortgezet ouderschap in Aruba en in Nederland

ECLI:NL:RVS:2017:1856

Samenvatting. Vraagstelling. In het onderhavige onderzoek staan de volgende vragen centraal:

PROTOCOL KIND EN ECHTSCHEIDING

Protocol Kind en echtscheiding

Protocol Kind en echtscheiding

Inhoudsopgave 1. Wat is mediation... 2

ECLI:NL:HR:2010:BL7407

GEDRAGSCODE OUDERLIJK GEZAG EN OMGANG

ECLI:NL:RBHAA:2012:BY6590

Protocol Gezag en omgang na scheiding. Datum 30 januari 2013

Definities van de gehanteerde termen:

PROTOCOL GESCHEIDEN OUDERS. Stichting KBO Haarlem-Schoten

Omgang onder dwang Een onderzoek naar de omgangsplicht en het belang van het kind in Nederland en Duitsland

Samenvatting, conclusies en aanbevelingen

B E L A N G E N B E H A R T I G I N G L E D E N O M / Z M K W A L I T E I T R E C H T S P R A A K

Voorbeeld ouderschapsplan

ECLI:NL:RBMAA:2012:BY2805

Protocol School en Scheiding

Hebben ongehuwde samenlevers recht op alimentatie?

Inhoudsopgave. 1 Inleiding 1

J.G. Kraaijeveld-Wouters, algemeen voorzitter

Scheiden, erkennen, adopteren, gezag uitoefenen over en omgang of contact hebben met minderjarige kinderen anno 2009

Informatieverstrekking aan gescheiden ouders

Het schoolprotocol bij scheiding van ouders

Schoolbeleid

GMR/ Heerenveen, 17 juni 2010

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Beoordeling Bevindingen

Protocol School en Scheiding, KBS De ark en de Ark van Noach

Faculteit der Rechtsgeleerdheid

LANDELIJKE KLACHTENCOMMISSIE VOOR HET KATHOLIEK ONDERWIJS. Advies Klachtnummer 2015 N-3/8 8 april 2015

Uw Scheiding Uw Financieel Planner

Op De Wonderboom: Protocol School en Scheiding

Training complexe echtscheidingen. 1 Regio Gooi en Vechtstreek

Protocol School, gescheiden ouders en ouderlijk gezag

Protocol School en echtscheiding

Als ouders uit elkaar gaan

ECLI:NL:OGEAA:2017:172

Protocol School en scheiding.

ECLI:NL:RBHAA:2012:2572

Ouders hebben een eigen verantwoordelijkheid om SKPC in te lichten over de scheiding of een voorgenomen scheiding.

Artikelen 81 en 82. Ongewijzigd. Artikel 83

Uw Scheiding Onafhankelijk Financieel Planbureau

Protocol informatieverstrekking gescheiden ouders

Ik ga scheiden. Wat nu? Informatie over: procedure kosten financiën woning kinderen

OUDERSCHAPSPLAN als. trait-d union

ECLI:NL:RBMNE:2014:2366

Nevenvoorzieningen bij echtscheidingen

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige

Gezagsdragers hebben (anders dan pleegouders) de plicht te voorzien in het levensonderhoud van het kind waarover zij het gezag uitoefenen.

2. Inhoud van het concept-wetsvoorstel Wet scheiden zonder rechter

ECLI:NL:RBOVE:2015:3739

De rechten van grootouders

Protocol Informatieverstrekking. november 2017

Echtscheiding. Gezag, omgang en informatie Mw. mr. M. (Marianne) Lautenbach

Informatie voorziening aan gescheiden ouders.

Transcriptie:

Het ouderschapsplan bij informele relaties Naam: Maaike Cuppen ANR: S571257 Afstudeerrichting: Rechtsgeleerdheid, accent privaatrecht Examencommissie: Mw. mr. R. de Jong Prof. mr. P. Vlaardingerbroek Afstudeerdatum: 20 december 2010

1

Inhoudsopgave Voorwoord.... 5 Lijst van afkortingen... 6 Hoofdstuk 1 Inleiding... 7 1.1 Aanleiding... 7 1.2 Centrale onderzoeksvraag... 8 1.3 Onderzoeksdoel.... 8 1.4 Maatschappelijke relevantie en wetenschappelijke relevantie... 9 1.5 Opbouw... 10 Hoofdstuk 2 Het ouderschapsplan... 11 2.1 Inleiding.... 11 2.2 De totstandkoming van het ouderschapsplan... 11 2.2.1 Het gezamenlijk ouderlijk gezag... 12 2.2.2 Het EHRM als aanleiding van het ouderschapsplan... 13 2.2.3 De parlementaire geschiedenis van het ouderschapsplan... 15 2.3 Ouderschapsplan bij formele relaties... 18 2.3.1 Art. 815 lid 2 Rv... 18 2.3.2 Art. 815 lid 3 Rv... 20 2.3.3 Art. 815 lid 4 Rv... 21 2.3.4 Art. 815 lid 6 Rv... 21 2.4 Het ouderschapsplan bij informele relaties... 22 2.5 Verschillen in afdwingbaarheid tussen het ouderschapsplan bij formele en informele relaties.. 24 2.6 Conclusie... 25 Hoofdstuk 3 Knelpunten bij het ouderschapsplan voor informele relaties... 27 3.1 Inleiding... 27 3.2 Discussie omtrent de invoering van het ouderschapsplan bij informele relaties... 27 2

3.3 Knelpunten bij het ouderschapsplan voor informele relaties.... 28 3.4 De werking van art. 1:253a BW... 29 3.4.1 Beperkte toepasbaarheid....30 3.4.2 Procesvertraging... 31 3.4.3 Aanhouden van het verzoek versus niet-ontvankelijkheid... 32 3.4.4 Rechterlijke toetsing... 33 3.5 Het gebrek aan controle op het opstellen van het ouderschapsplan... 34 3.6 Onbekendheid met het ouderschapsplan.36 3.7 Conclusie... 37 Hoofdstuk 4 Rechtsvergelijking... 38 4.1 Inleiding... 38 4.2 Verschillende benaderingswijzen in Europa... 38 4.2.1 Oostenrijk... 39 4.2.2 Portugal... 40 4.2.3 Slovenië... 41 4.2.4 Servië... 42 4.3 De Europese benaderingswijze in vergelijking met Nederland... 43 4.4 Het Noorse scheidingsrecht en het ouderschapsplan.... 45 4.4.1 Echtscheidingsrecht in Noorwegen... 45 4.4.2. Ouderschapsplan bij informele relaties in Noorwegen... 46 4.4.3 Kan Nederland lering trekken uit het wettelijke systeem van Noorwegen?... 47 4.5 Conclusie... 48 Hoofdstuk 5 Nieuwe inzichten... 50 5.1 Inleiding.... 50 5.2 Ouderschapsakte.....50 5.3 Informeren omtrent de verplichting.... 52 5.4 Positieve stimulatie... 53 3

Hoofdstuk 6 Conclusie en aanbevelingen... 54 6.1 Conclusie... 54 6.2 Aanbevelingen.... 55 Literatuurlijst:... 56 4

Voorwoord Voor u ligt de scriptie met als onderwerp het ouderschapsplan bij informele relaties. Deze scriptie bevat een onderzoek naar de mogelijkheden om ouders met een informele relatie te dwingen tot het opstellen van een ouderschapsplan bij verbreking van deze relatie. Reden waarom ik gekozen heb om dit onderwerp te onderzoeken komt voort uit mijn interesse in het jeugdrecht. Tevens is het ouderschapsplan een nieuw onderwerp en met name met betrekking tot de informele relaties is hierover nog weinig bekend. Ik wil dit voorwoord graag ook gebruiken om mevrouw De Jong te bedanken voor haar hulp en goede adviezen. Tevens wil ik Kirsten van der Linde en Liesbeth Mensink bedanken voor het bekijken van mijn stukken. Ik heb veel gehad aan jullie opmerkingen. Als laatste wil ik mijn ouders bedanken die mij gedurende mijn hele studie hebben gesteund. Arnhem, December 2010 Maaike Cuppen 5

Lijst van afkortingen Art. BW EHRM EVRM IVRK Rv Artikel Burgerlijk Wetboek Europees Hof voor de Rechten van de Mens Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind Wetboek van burgerlijke Rechtsvordering 6

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Zoals door de Amerikaanse onderzoekers Amato en Sobolewski in hun onderzoek naar de effecten van echtscheiding op kinderen is aangetoond, heeft een scheiding waarbij veel ruzie gemaakt wordt door de ouders een negatieve invloed op de kinderen. 1 Deze kinderen presteren slechter op school en vertonen vaker delinquent gedrag in verhouding tot kinderen die een scheiding van hun ouders meegemaakt hebben die zonder al te veel problemen is verlopen. 2 Gesteld kan worden dat het voor een kind dus van groot belang is dat de ouders op een goede manier uit elkaar gaan. Dit is natuurlijk niet door wetgeving te regelen, maar juridisch is hier wel een bijdrage aan te leveren om het voor kinderen zo gunstig mogelijk te maken. In 2009 is de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding in werking getreden. 3 Hieruit volgt onder andere de verplichting tot het opstellen van een ouderschapsplan voor ouders die hun relatie beëindigen. Dit ouderschapsplan dwingt ouders die besluiten om uit elkaar te gaan om samen, eventueel met hulp van een mediator, na te denken over de toekomst van hun minderjarige kinderen. In het ouderschapsplan worden afspraken gemaakt over de opvoeding van de kinderen. Van belang is ook dat zij hierin opnemen op welke wijze zij contact onderhouden met de kinderen. Ouders scheiden namelijk van elkaar, niet van hun kinderen. 4 De verplichting tot het opvoeden van de kinderen door ouders met ouderlijk gezag volgt uit art. 1:247 lid 1 BW. Deze plicht geldt, vanzelfsprekend, niet alleen voor de duur van de relatie tussen de ouders, maar blijft ook bestaan nadat de relatie is verbroken. De verplichting tot opvoeden die in dit artikel naar voren komt ziet op de relatie tussen ouder en kind en niet op de relatie tussen ouders. De plicht tot het opvoeden van kinderen, ook na een scheiding, bestaat voor alle ouders. Ook de ouders die niet met elkaar getrouwd zijn (geweest) of een geregistreerd partnerschap hebben (gehad) zijn verplicht om na te denken over de verdere opvoeding van hun gezamenlijke kinderen na het verbreken van de relatie. Zij hebben dezelfde verplichting tot het opstellen van een ouderschapsplan als ouders die wel een formele relatie zijn aangegaan. Het ouderschapsplan bij informele relaties 5 kan alleen niet op alle punten vergeleken worden 1 Amato 2001, p. 66. 2 De Hoog e.a. 2005, p. 99. 3 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 3. 4 De Hoog e.a. 2005, p. 100. 5 Relaties anders dan een huwelijk of geregistreerd partnerschap. 7

met het ouderschapsplan bij formele relaties. Er bestaat een verschil bij de mogelijkheid tot het dwingen tot en controleren van het opstellen van het ouderschapsplan. Bij formele relaties is het ouderschapsplan een ontvankelijkheidsvereiste bij het indienen van een scheidingsverzoek. Bij informele relaties kan dit niet gesteld worden aangezien deze relatie niet door middel van een rechterlijke uitspraak ontbonden hoeft te worden. In deze scriptie zal besproken worden wat de nadelen zijn van het ontbreken van dit dwangmiddel tot het opstellen van het ouderschapsplan. Tevens zal bekeken worden of de rechten van de kinderen van ouders met een informele relatie door het ouderschapsplan voldoende gewaarborgd worden. 1.2 Centrale onderzoeksvraag Het uitgangspunt bij dit onderzoek is dat voor alle kinderen dezelfde rechten zouden moeten gelden. De rechten van kinderen mogen namelijk niet afhankelijk worden gesteld van de relaties tussen ouders. Dit houdt in dat het voor kinderen niet uit mag maken of zijn of haar ouders een formele of een informele relatie met elkaar zijn aangegaan en deze relatie willen verbreken. Onderzocht zal dus worden of de rechten van kinderen van ouders met een informele relatie gelijk zijn aan de rechten van kinderen van ouders met een formele relatie. Zo nee, dan zal er gekeken worden of er een mogelijkheid is om deze rechten wel gelijkwaardig te maken. De vraag die dan beantwoord dient te worden is: Welke juridische middelen kunnen waarborgen dat, bij beëindiging van een informele relatie, de rechten van de kinderen die volgen uit de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding afdwingbaar zijn? En is er voor Nederland een mogelijkheid om lering te trekken uit de praktijk in omringende landen? 1.3 Onderzoeksdoel Het doel van deze scriptie is de werking van het in de wet verplicht gestelde ouderschapsplan bij informele relaties te evalueren. Er zal dus bekeken worden hoe het ouderschapsplan op dit moment functioneert bij het verbreken van informele relaties. Vervolgens zal ingegaan worden op de verbeteringen die mogelijk zijn om de afdwingbaarheid tot het opstellen van het ouderschapsplan te vergroten. Voor inspiratie met betrekking tot deze verbeteringen zullen verschillende landen met vergelijkbare regelingen worden onderzocht. Er zal hierbij gekeken worden hoe zij met deze problematiek omgaan. 8

Het uiteindelijke doel van deze scriptie is erachter te komen of het ouderschapsplan bij informele relaties het juiste middel is om afspraken tussen ouders te regelen. 1.4 Maatschappelijke relevantie en wetenschappelijke relevantie Maatschappelijke relevantie Dit onderzoek is maatschappelijk relevant, aangezien dit onderzoek kan leiden tot een effectiever systeem voor het verplichten van en het controleren tot het opstellen van een ouderschapsplan bij informele relaties. Er mag geen onderscheid gemaakt worden tussen kinderen van getrouwde ouders en kinderen van ouders die een informele relatie met elkaar hebben. Wettelijk gezien wordt er ook geen onderscheid gemaakt tussen deze kinderen, maar er doet zich een probleem voor bij de mogelijkheid tot het dwingen van ouders tot het opstellen van een ouderschapsplan. Bij formele relaties heeft de rechter een effectief middel om ouders te dwingen om een ouderschapsplan op te stellen. Ten eerste al omdat de beëindiging van de relatie bij de rechter bekend is aangezien een scheiding uitgesproken dient te worden. Ten tweede heeft de rechter de mogelijkheid om de scheiding niet uit te spreken zolang het ouderschapsplan niet is opgesteld. Bij informele relaties is deze controle niet aanwezig, omdat bij het beëindigen van een informele relatie geen rechter nodig is. Dus ondanks dat de kinderen wettelijk gezien dezelfde rechten hebben, kunnen zij deze rechten niet op dezelfde wijze afdwingen. Dit zorgt dus voor een onderscheid. Om die reden is het van belang om te onderzoeken of er een verandering plaats moet vinden in het controlesysteem tot het opstellen van een ouderschapsplan bij informele relaties zodat de rechten van kinderen ook daadwerkelijk gelijk zijn. Wetenschappelijke relevantie De wetenschappelijke relevantie komt voornamelijk voort uit de discussie die op dit moment in de literatuur wordt gevoerd. Verschillende wetenschappelijke auteurs stellen dat het ouderschapsplan een goed idee is omdat de rechten van kinderen hierin worden gewaarborgd, maar dat het ouderschapsplan niet helemaal voldoet vanwege de gebrekkige controlemogelijkheden en onvoldoende mogelijkheden tot het dwingen van ouders om een ouderschapsplan op te stellen. Deze problematiek speelt voornamelijk bij de informele relaties. Een wetenschappelijk onderzoek naar de mogelijkheden tot het verplichtstellen van het ouderschapsplan bij informele relaties heeft tot nu toe niets opgeleverd. Tevens is er nog geen wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de vraag of het ouderschapsplan bij informele relaties wel het juiste middel is. 9

1.5 Opbouw In het volgende hoofdstuk zal de totstandkoming van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding met betrekking tot het ouderschapsplan aan de orde komen. Hier zal onder andere uitgebreid ingegaan worden op de achtergrond van de wetswijziging. 6 Vervolgens zullen de artikelen die in de wet zijn opgenomen in navolging van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding worden besproken. Tevens zal in dit hoofdstuk nog ingegaan worden op de verschillen die aan de orde zijn tussen het ouderschapsplan bij formele relaties en het ouderschapsplan bij informele relaties. In het derde hoofdstuk zal uitgebreid ingegaan worden op de knelpunten binnen het ouderschapsplan. Hier zal besproken worden welke onderdelen van het ouderschapsplan bij informele relaties niet optimaal tot hun recht komen. In het vierde hoofdstuk zal ingegaan worden op de wetgeving in de ons omringende landen. Hier zal bekeken worden hoe in andere landen wordt omgegaan met het feit dat het voor informele relaties moeilijk is om een controlesysteem op te stellen dat ervoor waakt dat het ouderschapsplan opgesteld wordt. In het bijzonder zal aandacht besteed worden aan de Scandinavische landen, waar gekozen is voor het systeem van positieve stimulatie met betrekking tot het opstellen van het ouderschapsplan. 7 Tevens zal hier gekeken worden of dit systeem perspectief biedt voor Nederland. Het vijfde hoofdstuk zal bestaan uit aanbevelingen. Hier zal kort aangegeven worden wat er in het ouderschapsplan ontbreekt om het daadwerkelijk effectief te laten zijn bij informele relaties. Vervolgens zal er, indien deze mogelijkheid bestaat, beschreven worden hoe dit ouderschapsplan doeltreffender zou kunnen worden. In het laatste hoofdstuk zal de conclusie van het onderzoek centraal staan. 6 Kamerstukken II 2006/07, 30 145, nr. 24. 7 Jonker 2008, p. 121. 10

Hoofdstuk 2 Het ouderschapsplan 2.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal de totstandkoming van het ouderschapsplan aan de orde komen. De verplichting tot het opstellen van een ouderschapsplan komt voort uit de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding. Deze wet is er gekomen nadat het EHRM een aantal uitspraken heeft gewezen waaruit bleek dat de overheid verantwoordelijkheid draagt bij het laten voortbestaan van contact tussen ouder en kind. Deze uitspraken zullen hieronder, bij de totstandkoming van het ouderschapsplan, besproken worden. Vervolgens zal worden ingegaan op de nieuwe wetsartikelen, die in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding zijn opgenomen. Ten slotte zal nog aandacht besteed worden aan de verschillen die bestaan bij het ouderschapsplan voor formele en informele relaties. 2.2 De totstandkoming van het ouderschapsplan Om de in het vorige hoofdstuk beschreven onderzoeksvraag te beantwoorden zal in deze paragraaf de parlementaire geschiedenis van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding centraal staan. Uit deze wet volgt namelijk de verplichting tot het opstellen van het ouderschapsplan. Alvorens ingegaan zal worden op de totstandkoming van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding en dus op de totstandkoming van het ouderschapsplan, zal eerst kort ingegaan worden op de totstandkoming van het gezamenlijk ouderlijk gezag. In Nederland wordt veel waarde gehecht aan de gelijkheid tussen ouders. 8 Deze gelijkheid komt tot uiting bij het gezamenlijk ouderlijk gezag. 9 Ouders zijn dan in gelijke mate verantwoordelijk voor het kind. Ook na de scheiding blijven zij beiden gezag houden over het kind. Dit betekent dat zij dus ook een gelijke mate van verantwoordelijkheid houden ten opzichte van het kind. Na de scheiding is het wel van belang dat ouders samen afspraken maken omtrent de wijze waarop zij dit ouderschap na de scheiding in willen vullen. Deze afspraken worden door middel van een ouderschapsplan gemaakt. 8 De waarde die hieraan gehecht wordt is terug te voeren op de ommezwaai die sinds 1980 heeft plaatsgevonden binnen het familierecht. Er kwam gelijkheid tussen mannen en vrouwen en om die reden werden ook de taken die mannen en vrouwen hadden als ouders steeds meer gelijk. 9 Kamerstukken II 1979/80, 16 247, nr. 3 (MvT). 11

2.2.1 Het gezamenlijk ouderlijk gezag Het gezamenlijk ouderlijk gezag is ontstaan bij wet van 30 augustus 1984. 10 Hier werden ouders met betrekking tot het gezag over het kind op gelijke voet gesteld. Het gezamenlijk gezag gold toen alleen nog tijdens het huwelijk. 11 Bij de wetswijziging van 6 april 1995 12 kwam hier verandering in. Toen is in de wet opgenomen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag ook na de scheiding blijft doorlopen. Eveneens is toen bepaald dat ouders die geen huwelijksrelatie met elkaar zijn aangegaan, maar slechts een informele relatie 13 met elkaar hebben, voor de duur van hun relatie gezamenlijk ouderlijk gezag kunnen aanvragen door middel van een aantekening in het gezagsregister. Dit komt tot uiting in art. 1:252 BW. Bij wetswijziging van 1 januari 1998 14 is bepaald dat gezamenlijk ouderlijk gezag ook van rechtswege blijft doorlopen voor ouders met een informele relatie. Ten tijde van de invoering van deze wettelijke bepaling, die ervoor zorgde dat het gezamenlijk ouderlijk gezag van rechtswege door bleef lopen, werd vanuit de literatuur niet altijd positief gereageerd. Zo stelt Meindersma 15 dat het wetsvoorstel er ten onrechte vanuit ging dat ouders na hun scheiding op een dergelijke goede voet met elkaar staan dat het gezamenlijk uitoefenen van gezag mogelijk is. In de praktijk zullen ouders die hun relatie verbreken veelal moeilijk met elkaar communiceren. Tevens is zij van mening dat het gezag gekoppeld zou moeten worden aan de zorg. De ouder die niet met de zorg belast is zou ook geen gezag moeten hebben over het kind, aangezien dit gedeelde gezag slechts zal leiden tot vergaande bemoeienis en inmenging in het leven van de verzorgende ouder. 16 Toch heeft de wetgever er wel voor gekozen deze gezamenlijk verantwoordelijkheid in de wet op te nemen. De reden hiervoor ligt voornamelijk in de grondslag dat ouders er samen voor gekozen hebben om kinderen te krijgen en zij hier ook samen de verantwoordelijkheid voor dienen te dragen, ook nadat zij hun relatie beëindigen. 17 Ook indien ouders nimmer met elkaar getrouwd zijn geweest blijft het gezamenlijk ouderlijk gezag om deze zelfde reden van rechtswege doorlopen. 18 Dat ouders gezamenlijk verantwoordelijk blijven voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen na hun scheiding, ligt zoals eerder is aangegeven ten grondslag aan de Wet 10 Kamerstukken II 1979/80, 16 247, nr. 3 (MvT). 11 Punselie 2008, p. 8. 12 Kamerstukken II 1992/93, 23 012, nr. 3 (MvT). 13 Een relatie anders dan een huwelijk of geregistreerd partnerschap. 14 Kamerstukken II 1993/94, 23 714, nr. 3 (MvT). 15 M.B. Meindersma, Landelijke Werkgroep Vrouw en Recht. 16 Meindersma 1997, p. 35. 17 Handelingen II 2006/07, 51, p. 3000. 18 Forder 2005, p. 220. 12

voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding. Ouders hebben samen een primaire verantwoordelijkheid voor de opvoeding van hun kind. In aanvulling hierop is er voor de overheid ook een taak weggelegd. Op grond van art. 8 EVRM en art. 9 IVRK is het de overheid die het verantwoordelijkheidsgevoel van ouders voor de gezamenlijke opvoeding dient te stimuleren. 19 Van de overheid wordt een actieve houding geëist. 20 Ingevolge art. 8 EVRM en art. 9 IVRK heeft de overheid namelijk de plicht om contact tussen ouders en kind te bevorderen en daadwerkelijk mogelijk te maken. 21 Art. 8 EVRM stelt dat een ieder recht heeft op een gezinsleven. Hier wordt onder andere onder verstaan dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat ouders, behoudens uitzonderingen waar contact zich verzet tegen het belang van het kind, recht hebben op omgang met hun kind. Art. 9 IVRK stelt dat een kind het recht heeft niet te worden afgezonderd van zijn ouders en dat het kind bij verbreking van de relatie tussen ouders het kind het recht behoudt om contact te houden met beide ouders. Naar aanleiding hiervan zal hieronder beschreven worden wat deze verdragsartikelen in de praktijk inhouden met betrekking tot de taak die hier voor de overheid is weggelegd. 2.2.2 Het EHRM als aanleiding van het ouderschapsplan Het EHRM heeft in een aantal uitspraken concrete invulling gegeven aan de bovenstaande verdragsartikelen. Hieronder zullen een aantal van deze uitspraken van het EHRM worden besproken. 22 Deze uitspraken vormden de grondslag van de totstandkoming van de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding. 23 Uit deze uitspraken bleek namelijk dat de overheid het belang van het kind tot omgang met zijn ouders mogelijk dient te maken en dient te stimuleren. De Memorie van Toelichting zegt hierover: Uitgangspunt bij de aanpak van de scheidings- en omgangsproblematiek is dat ouders zich gezamenlijk verantwoordelijk (blijven) voelen voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen voor en na de scheiding. Evenals de ouders ten tijde van hun relatie afspraken maken over hun kinderen, dienen zij dit ook na de scheiding te doen. Het opstellen van een ouderschapsplan, al dan niet met behulp van een mediator, past binnen deze verantwoordelijkheid. In aanvulling op deze primaire verantwoordelijkheid van de ouders heeft de overheid op grond van art. 8 EVRM een positieve verplichting om te bevorderen dat 19 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 3 p. 3-4 (MvT). 20 Deze actieve houding volgt het feit dat art. 9 IVRK stelt dat de overheid het recht op gezinsleven moet waarborgen. 21 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 3 p. 4 (MvT). 22 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 3 p. 4 (MvT). 23 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 1. 13

en kind contact heeft met zijn ouders. Dit volgt ook uit art. 9 IVRK. Over de verplichtingen van de overheid bij de effectuering van de omgang heeft het EHRM een aantal uitspraken gedaan. 24 De Memorie van Toelichting doelt hier onder andere op de volgende uitspraken. In de uitspraak van Glaser tegen het Verenigd Koninkrijk 25 blijkt dat de Staat maatregelen dient te treffen die de omgang tussen ouder en kind mogelijk maakt. Het ging hier om een scheiding tussen ouders die samen drie kinderen hadden. De kinderen woonden bij de moeder en de vader had een omgangsrecht. Na een aantal maanden stopte de moeder dit contact en gaf als reden hiervoor dat de kinderen hun vader niet meer wilden zien. Het Engelse County Court stelde dat er contact plaats moest vinden met de vader en regelde een aantal bezoekmomenten waar toezicht bij aanwezig was. Nog geen jaar later verhuisde de moeder met de kinderen zonder overleg naar Schotland. De vader ging naar aanleiding hiervan naar het High Court en verzocht het High Court om contact op te nemen met de moeder om haar te verplichten het contact tussen de vader en de kinderen weer mogelijk te maken. Het Engelse High Court deed vervolgens onvoldoende om het contact tussen vader en de kinderen te herstellen. Het proces sleepte voort zonder dat er concrete maatregelen genomen werden. Er werd zelfs nadat de vader via een privédetective het adres van de moeder had achterhaald, geen actie ondernomen. Het EHRM stelde dat Engeland om deze reden art. 8 EVRM had geschonden. Zij hadden zich onvoldoende ingespannen om het contact tussen vader en zijn kinderen te bevorderen. Hieruit kan de verantwoordelijkheid van de overheid omtrent het bevorderen van het contact tussen ouder en kind worden afgelezen. Bovenstaande uitspraak van het EHRM is niet de enige uitspraak die invulling heeft gegeven aan art. 8 EVRM en art. 9 IVRK. Ook de volgende uitlatingen van het EHRM maken duidelijk dat de overheid actief moet optreden om het contact tussen ouders en kind mogelijk te maken. In de zaak Elsholz tegen Duitsland 26 ging het kort gezegd om een rechter die verzuimd had om nader onderzoek te laten verrichten naar de psychologische achtergronden van betrokkenen. Door dit verzuim kwamen de belangen van het kind niet boven tafel. Ook hiervan vond het EHRM dat dit verzuim tot het doen van onderzoek naar de belangen van het kind leidde tot een schending van art. 8 EVRM. De overheid dient dus beslissingen te nemen die in het belang van het kind zijn. Over het algemeen kan gesteld worden dat contact met ouders in het belang van het kind is. 24 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 3 p. 3-4 (MvT). 25 EHRM 19 september 2000, nr. 32346/96, (Case of Glaser/The United Kingdom). 26 EHRM 13 juli 2000, nr. 31871, (Elsholz/Germany). 14

Het EHRM heeft in de zaak Hokanen tegen Finland 27 bepaald dat de overheid verplicht is om mee te werken aan de effectuering van rechterlijke uitspraken waardoor de omgang tussen de ouder en het kind daadwerkelijk mogelijk gemaakt wordt. Het betreft hier dus de fase nadat er afspraken tussen ouders gemaakt zijn. Indien er een omgangsregeling rechterlijk wordt vastgesteld is het de taak van de overheid om ervoor te zorgen dat de ouder dit recht ook daadwerkelijk uit kan oefenen. In de zaak Ignacollo-Zenide tegen Roemenie 28 oordeelde het EHRM dat aan de wil van het kind niet altijd gehoor gegeven hoeft te worden. De kinderen in deze zaak werden door de uitspraak van het EHRM, ondanks dat zij hadden aangegeven dit niet te willen, verplicht tot contactherstel met hun moeder. Hieruit kan dus opgemaakt worden dat zelfs maatregelen die in strijd zijn met de wil van het kind, toch genomen kunnen worden. In casu was het namelijk de vader die de kinderen op een zodanige wijze beïnvloed had dat zij geen contact meer wilden met hun moeder. Er werd hier dus ook gekeken naar het belang van de moeder. Anderzijds dient de Staat zich ook bewust te zijn van het feit dat maatregelen tot contactherstel niet in alle gevallen toegepast kunnen worden. De rechten en belangen van kinderen kunnen dit namelijk beperken. De overheid kan geen maatregelen nemen die schadelijk zijn voor de gezondheid of de ontwikkeling van het kind. Deze afweging dient ten allen tijde gemaakt te worden. 29 Dat het belang van het kind het belangrijkste onderdeel is bij het beslissen of er contact tussen ouders en kind plaats moet vinden, blijkt uit de uitspraak van Zander tegen Nederland. 30 Hier is bepaald dat de beëindiging van de omgangsregeling niet in strijd is met art. 8 EVRM indien door een deskundige is aangetoond dat de voortzetting van de omgangsregeling in strijd is met het belang van het kind. Het belang van het kind zal dus altijd voor het belang van de ouder gaan. 31 Bovenstaande is van belang aangezien de overheid van mening is dat zij door de invoering van het ouderschapsplan voldoen aan de eisen, die het EHRM in de hiervoor besproken uitspraken stelt aan de overheid. 32 2.2.3 De parlementaire geschiedenis van het ouderschapsplan Onder andere naar aanleiding van bovenstaande uitspraken van het EHRM, heeft de Minister van Justitie besloten om een verplicht ouderschapsplan in de wet op te nemen. Dit volgt uit 27 EHRM 23 september 1994, nr. 19823/92, (Hokkanen/Finland). 28 ECRM 25 januari 2000, nr. 31679/96, (Ignacollo-Zenide/Roemenia). 29 EHRM 13 juli 2000, nr. 31871, (Elsholz/Germany). 30 EHRM 5 december 2000, nr. 32048/96, (Zander /The Netherlands). 31 Meuwese 2009, p. 335. 32 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 3 p. 4 (MvT). 15

het hiervoor aangehaalde stuk van de Memorie van Toelichting. 33 Op deze wijze hoopte de minister invulling te geven aan het feit dat de overheid een verplichting heeft om het contact tussen ouders en kind te bevorderen. Dit ouderschapsplan wordt verplicht gesteld in de Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding. 34 Deze wet is op 1 maart 2009 in werking getreden. Een ouderschapsplan verplicht ouders, indien zij hun relatie verbreken, om een document op te stellen waarin afspraken gemaakt worden betreffende de verzorging en opvoeding van hun kind. In het vergaderjaar 2004-2005 is bovenstaand wetsvoorstel voor het eerst in de Tweede Kamer besproken. Over het algemeen wordt de opvoeding van het kind door beide ouders gezien als een belang van het kind en dus lag de achtergrond van deze wetswijziging bij het feit dat ouders na invoering van deze wet verplicht werden om na te denken over de verdeling van de zorg en opvoeding van het kind na hun scheiding. De minister was van mening dat het voor de ontwikkeling van een kind belangrijk is dat ouders zich beiden verantwoordelijk blijven voelen voor de opvoeding. 35 In het verlengde hiervan was het ouderschapsplan tot stand gekomen. Ouders werden toen verplicht om hun afspraken op papier vast te leggen. De reden dat het ouderschapsplan al in 2004 voor het eerst besproken werd in de Tweede Kamer, maar pas in 2009 in werking trad, had te maken met de punten van kritiek die geuit zijn op dit wetsvoorstel. Deze punten van kritiek zullen hieronder kort besproken worden. 2.2.3.1 Commentaar op het ouderschapsplan vanuit de politiek Een eerste bezwaar omtrent het ouderschapsplan komt van de VVD-fractie. Zij stellen dat het ouderschapsplan in de huidige vorm, waar de opstelling van het ouderschapsplan verplicht wordt bij de indiening van de aanvraag tot echtscheiding, door ouders gezien zal worden als een hobbel die nou eenmaal genomen moet worden om de echtscheiding aan te vragen. In de praktijk zou dat kunnen betekenen dat er een modeltekst ontstaat die door de secretaresse van de advocaat wordt ingevuld en bij het verzoekschrift wordt gevoegd. 36 Indien dit het effect zou blijken van het verplichtstellen van het ouderschapsplan, wordt het doel hiervan op geen enkel vlak bereikt en kan de invoering dus als zinloos beschouwd worden aldus de VVDfractie. 37 Een ander bezwaar is het gebrek aan mogelijkheden tot het sanctioneren van ouders indien de afspraken die gemaakt zijn niet nagekomen worden, of indien een van beide partners het 33 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 3 p.4. 34 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 1. 35 Kamerstukken II 2005/06, 30 145, nr. 3 p. 3 (MvT). 36 Kamerstukken II 2005/06, 30 145, nr. 5 p. 10. 37 Kamerstukken II 2005/06, 30 145, nr. 5 p. 10. 16

maken van afspraken weigert. Reden voor de regering om een sanctiesysteem achterwege te laten is om te voorkomen dat ouders de problemen met elkaar over de hoofden van de kinderen uitvechten doordat partners meer juridische middelen in handen krijgen om het elkaar moeilijker te maken. Daarbij is de regering van mening dat er al voldoende middelen zijn die de scheidings- en omgangsproblematiek verminderen. 38 De PvdA en de VVD-fracties stellen dat deze redenering van de regering niet opgaat aangezien een sanctiesysteem juist dient te voorkomen dat er juridische procedures gestart worden. Een sanctiesysteem zal partijen juist afschrikken om hun verplichtingen niet na te komen. 39 De SP-fractie kan zich wel wat voorstellen bij het feit dat de strijd tussen ouders vaker over de hoofden van de kinderen uitgevochten zal worden, maar is wel van mening dat er voor schrijnende gevallen toch een sanctiemogelijkheid dient te bestaan. Met name in de situatie waar de ene ouder geheel machteloos tegenover de onwillige andere ouder staat. 40 Een ander punt, dat wordt aangehaald door de D66-fractie, is dat het verplichtstellen van het ouderschapsplan, ook al zijn er een aantal effectieve dwangmiddelen, niet te realiseren is bij ouders die geen ouderschapsplan op willen stellen. Het opstellen van het ouderschapsplan behoeft namelijk wel een bepaalde mate van welwillendheid. Tevens geeft de D66-fractie hier aan dat het ouderschapsplan voor de ouders die wel bereid zijn met elkaar te praten ook niet veel voordelen zal hebben aangezien zij ook zonder deze verplichting afspraken zullen maken die de verzorging en opvoeding van het kind betreffen. Daarbij geeft de GroenLinks-fractie nog aan dat bij scheidingen waarbij de bereidwilligheid van ouders naar elkaar toe ver te zoeken is, het verplichtstellen van het ouderschapsplan de scheidingsprocedure onnodig lang kan vertragen. Dit is in het nadeel van het kind, aangezien het kind niet gebaat is bij een lange ruzie tussen ouders. Ondanks deze punten van kritiek heeft het verplichte ouderschapsplan toch invulling gekregen in de wet, zonder dat er een oplossing is gekomen voor de gebreken die er volgens de politieke partijen nog zijn. De waarborgen die het ouderschapsplan heeft om de belangen van het kind te beschermen, wogen zwaarder dan eventuele problemen die zich bij de uitvoering hiervan voor kunnen doen. Aangezien het ouderschapsplan de belangen van het kind waarborgt, zouden deze belangen voor alle kinderen moeten gelden. Niet alleen voor kinderen van ouders die een formele relatie verbreken door middel van een rechterlijke procedure, maar ook voor kinderen van 38 Kamerstukken II 2005/06, 30 145, nr. 5 p. 7. 39 Kamerstukken II 2005/06, 30 145, nr. 5 p. 8. 40 Kamerstukken II 2005/06, 30 145, nr. 5 p. 9. 17

ouders die hun informele relatie verbreken. In navolging van het belang van deze kinderen is door mevrouw Pater-Van der Meer 41 een amendement ingediend. 42 Zij stelde hierin dat het ouderschapsplan ook zal moeten gelden voor ouders die hun relatie op informele wijze verbreken. Door het ouderschapsplan alleen verplicht te stellen voor kinderen van ouders met een formele relatie, wordt er een onderscheid gemaakt tussen kinderen. Door het ouderschapsplan in de wet op te nemen voor alle ouders met gezamenlijk ouderlijk gezag wordt dit onderscheid weggenomen. 43 Op het eerste gezicht leek dit amendement een logische redenering, uitgaande van het feit dat rechten voor alle kinderen gelijk zouden moeten zijn. Uit het verslag van de vergadering waarin dit amendement besproken werd, bleken er echter wel een aantal haken en ogen aan vast te zitten. Met name de controle tot het opstellen van het ouderschapsplan bleek erg lastig uit te voeren. Dit omdat ouders voor het verbreken van hun relatie geen bezoek aan de rechter hoeven te brengen. Ondanks het ontbreken van deze controlemogelijkheden werd besloten het ouderschapsplan voor informele relaties ook wettelijk verplicht te stellen. De verplichting tot het opstellen van een ouderschapsplan voor formele relaties komt tot uiting in art. 815 lid 2 Rv en zal hieronder besproken worden. Uit dit artikel blijkt wat de betekenis is van het ouderschapsplan en wat de verplichting tot het opstellen van het plan concreet inhoudt. De verplichting tot het opstellen van het ouderschapsplan bij informele relaties volgt uit art. 1:247a BW en zal verderop aan bod komen. 2.3 Ouderschapsplan bij formele relaties Zoals hierboven is aangegeven is het ouderschapsplan in maart 2009 ingevoerd in de wet. Het ouderschapsplan is een overeenkomst tussen ouders van minderjarige kinderen, die hun relatie beëindigen. Hierin maken zij afspraken betreffende deze minderjarige kinderen. Deze verplichting tot het opstellen van het ouderschapsplan komt tot uiting in art. 815 lid 2 t/m 4 en 6 Rv. Deze artikelen zullen hieronder besproken worden. 2.3.1 Art. 815 lid 2 Rv Art. 815 lid 2 Rv stelt dat het verzoekschrift tot scheiding een ouderschapsplan dient te bevatten. Onder scheiding wordt een echtscheiding, scheiding van tafel en bed 44 of de ontbinding van geregistreerd partnerschap verstaan. Dat de ontbinding van het geregistreerd 41 Kamerlid CDA. 42 Kamerstukken II 2006/07, 30 145, nr. 5 p. 24. 43 Kamerstukken II 2006/07, 30 145, nr. 24. 44 Bij een scheiding van tafel en bed blijven partners volgens de wet getrouwd, maar bepaalde rechten en plichten die het huwelijk met zich meebrengt, gelden niet meer. 18

partnerschap ook een ouderschapsplan behoeft, blijkt uit de schakelbepaling van art. 828 Rv, die de artikelen met betrekking tot de echtscheiding ook van toepassing verklaard op het geregistreerd partnerschap. 45 Geregistreerd partnerschap hoeft niet in alle gevallen ontbonden te worden door een rechterlijke uitspraak. Bij wederzijds goedvinden op alle punten waar afspraken over gemaakt moeten worden, kan volstaan worden met een beëindigingovereenkomst die wordt opgesteld door een advocaat of notaris. 46 Dit blijkt uit art. 1:80d BW. Indien ouders geen ouderschapsplan kunnen overleggen is ontbinding zonder rechterlijke tussenkomst niet mogelijk. Ouders worden dan door de advocaat of notaris doorverwezen naar de rechter en deze zal dezelfde eisen stellen aan het ontbinden van het geregistreerd partnerschap als aan het ontbinden van het huwelijk. 47 Het opstellen van het ouderschapsplan op grond van art. 815 lid 2 Rv is alleen van toepassing op ouders die hun formele relatie (huwelijk, geregistreerd partnerschap of scheiding van tafel en bed) beëindigen. Dit blijkt uit het feit dat dit artikel in het hoofdstuk met betrekking tot echtscheidingen is opgenomen. Een echtscheiding als bedoeld in art. 815 Rv is namelijk alleen van toepassing op formele relaties. Uit dit artikel valt af te leiden dat het opstellen van het ouderschapsplan een processuele eis is bij het verzoek tot echtscheiding. 48 Als sanctie tot het niet opstellen van het ouderschapsplan heeft de rechter namelijk de mogelijkheid om het verzoek tot scheiding op te schorten tot het moment dat het ouderschapsplan is opgesteld. De wetgever heeft hiermee willen bereiken dat ouders bij de scheiding direct na gaan denken over de gevolgen die de scheiding met zich meebrengt voor de kinderen en over hoe zij na de scheiding invulling willen geven aan de opvoeding van de kinderen. 49 Uit art. 815 lid 2 Rv blijkt ook ten aanzien van welke kinderen een ouderschapsplan opgesteld dient te worden. Na een amendement van mevrouw Bouchibti 50 is dit duidelijk geworden. 51 In de omschrijving die voor het amendement in het wetsvoorstel stond opgenomen bleek dat voor alle kinderen een ouderschapsplan opgemaakt diende te worden. Na de aanneming van dit amendement is een ouderschapsplan verplicht voor: a. hun gezamenlijke minderjarige kinderen over wie de echtgenoten al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen; b. de minderjarige kinderen over wie de echtgenoten ingevolge artikel 253sa of 253t het 45 Nuytinck 2009 p. 217. 46 Boele- Woelki 2007, p. 36. 47 Asser-serie 2006, p. 546. 48 Nauta 2008, p. 1163. 49 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 4, p. 1. 50 Kamerlid PvdA. 51 Kamerstukken II 2006/07, 30 145, nr. 19. 19

gezag gezamenlijk uitoefenen. 52 Het is dus niet nodig om een ouderschapsplan op te maken voor kinderen uit een eerder huwelijk of eerdere verbintenis, waarover geen gezamenlijk gezag wordt uitgeoefend. 53 2.3.2 Art. 815 lid 3 Rv Uit art. 815 lid 3 Rv blijkt omtrent welke onderwerpen ouders afspraken dienen te maken, die opgenomen moeten worden in het ouderschapsplan. Dit artikel stelt dat er in ieder geval afspraken gemaakt moeten worden over: a. de wijze waarop de echtgenoten de zorg- en opvoedingstaken, bedoeld in artikel 247 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, verdelen of het recht en de verplichting tot omgang, bedoeld in artikel 377a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vormgeven; b. de wijze waarop de echtgenoten elkaar informatie verschaffen en raadplegen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarige kinderen; c. de kosten van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen. 54 Afspraken over deze onderwerpen zijn verplicht. Zij kunnen gezien worden als een minimumvereiste. Het is aan de ouders om deze afspraken vrijwillig aan te vullen. 55 De bovenstaande onderwerpen zijn door de wetgever verplicht gesteld, omdat in de praktijk blijkt dat omtrent deze onderwerpen de meeste conflicten bestaan. De SP-fractie stelt dat nu de regering ouders slechts verplicht stelt om afspraken te maken over de zorg- en opvoedingstaken, de wijze van informatieverschaffing en de kosten in verband met de verzorging, er een aantal belangrijke afspraken worden vergeten. Afspraken over overige zaken zoals verdeling van de gemeenschap, het huis en partneralimentatie worden niet verplicht gesteld. 56 Het is echter wel mogelijk om hier afspraken over te maken. Volgens de SP-fractie is het een gemis dat dit niet verplicht is. 57 Toch heeft de wetgever ervoor gekozen om dit niet mee te nemen in het ouderschapsplan. Dit is naar mijn mening terecht aangezien het ouderschapsplan opgesteld wordt voor de kinderen en er dus bij het ouderschapsplan ook alleen gekeken moet worden naar hun belangen. Door ook onderwerpen als partneralimentatie mee te nemen, wordt het ouderschapsplan omvangrijker en kan er meer onenigheid over ontstaan, wat het opstellen zeer kan vertragen. 52 Art. 815 lid 2 Rv. 53 Kamerstukken II 2006/07, 30 145, nr. 17. 54 Art. 815 lid 3 Rv. 55 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 3, p. 6 (MvT). 56 Kamerstukken II 2005/06, 30 145, nr. 5 p.11. 57 Kamerstukken II 2005/06, 30 145, nr. 5 p.11. 20

2.3.3 Art. 815 lid 4 Rv Ten aanzien van de afspraken is nog van belang dat ouders hun kind bij het opstellen hiervan betrekken. De mate van betrokkenheid die hiervoor vereist is, is afhankelijk van de leeftijd van het kind. Deze eis is opgenomen omdat de rechter moet kunnen toetsten of de afspraken daadwerkelijk in het belang van het kind gemaakt zijn. 58 Niet alleen de mate waarin kinderen betrokken worden bij het opstellen van het ouderschapsplan is van belang, ook de wijze waarop dient een rol te spelen. Art. 815 lid 4 Rv stelt om bovenstaande reden dan ook dat in het ouderschapsplan opgenomen dient te worden op welke wijze de kinderen betrokken zijn geweest bij het opstellen van het ouderschapsplan. 59 Tevens stelt art. 815 lid 4 Rv dat er in het ouderschapsplan opgenomen moet worden omtrent welke onderdelen overeenstemming is bereikt door de ouders en over welke voorzieningen nog steeds verschil van mening bestaat. Dit geeft de rechter enig houvast bij het beoordelen of het ouderschapsplan goedgekeurd kan worden of niet. Zo zal bijvoorbeeld ook een mislukte mediation opgenomen moeten worden in het verzoekschrift. 60 Zo kan de rechter zien dat ouders wel hun best gedaan hebben tot het opstellen van het ouderschapsplan. Tevens moeten de gronden die gezorgd hebben voor het blijven bestaan van verschil van mening in het ouderschapsplan vastgelegd worden. 61 Dit artikel sluit aan bij de substantiëringsplicht van art. 111 lid 3 Rv. 62 Dit betekent dat alle argumenten die de ouders hebben aangevoerd in het verzoekschrift opgenomen moeten worden. 2.3.4 Art. 815 lid 6 Rv Indien door de ouders het ouderschapsplan is opgesteld, dient dit door beide ouders ondertekend te worden. Indien dit niet mogelijk is, kan een van de ouders een eenzijdig ouderschapsplan opstellen en dit plan dient dan tevens een gegronde reden te bevatten waarom het ouderschapsplan niet gezamenlijk door de ouders opgesteld is. 63 De rechter stelt wel een aantal eisen bij dit alternatieve ouderschapsplan. Zo moet duidelijk zijn dat de ouder die het ouderschapsplan heeft opgesteld wel degelijk moeite heeft gedaan om de andere ouder te bewegen mee te werken aan het ouderschapsplan. Dit volgt uit art 815 lid 6 Rv. Dit artikel luidt: Indien het ouderschapsplan, bedoeld in het tweede lid, of de stukken, bedoeld in het vijfde lid, 58 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 3, p. 6. 59 Nuytinck 2009, p. 217. 60 Nauta 2008, p. 1164. 61 Nuytinck 2009, p. 217. 62 Nauta 2008, p. 1164. 63 Art. 815 lid 6 Rv. 21

onderdelen a tot en met c, redelijkerwijs niet kunnen worden overgelegd, kan worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter. 64 De rechter zal genoegen nemen met deze andere stukken die het ouderschapsplan vervangen indien het adres van de andere ouder onbekend is en de ouder die het verzoek tot echtscheiding indient duidelijk kan maken op welke wijze hij of zij heeft geprobeerd om het adres te achterhalen. Het eenvoudig stellen dat het adres onbekend is, is onvoldoende. Een andere reden waarom het ouderschapsplan achterwege gelaten kan worden en er toch een echtscheiding uitgesproken wordt, is wanneer de communicatie tussen ouders dermate slecht is dat redelijkerwijs verwacht kan worden dat er geen reëel ouderschapsplan uit voort kan komen. Tevens laat de rechter de plicht tot het opstellen van het ouderschapsplan achterwege indien een van beide ouders zich bevindt in de gevangenis of in een blijf-van-mijn- lijfhuis. 65 Ook indien de kinderen uit huis geplaatst zijn voor een langere tijd, kan het ouderschapsplan achterwege blijven. Mevrouw Ackermans-Wijn 66 zet hier, naar mijn mening terecht, vraagtekens bij. Indien kinderen namelijk in een dergelijke kwetsbare positie zitten, zoals het geval is wanneer zij uit huis geplaatst zijn, is het juist van belang dat ouders met elkaar op een lijn zitten. Dit in verband met weekendbezoeken en de alimentatieregeling. 67 Een laatste mogelijkheid om het ouderschapsplan bij de scheiding buiten toepassing te laten is als het kind binnen een zeer korte tijd de leeftijd van 18 jaar bereikt. Voor kinderen van die leeftijd is het ouderschapsplan namelijk niet meer verplicht. 68 Bovenstaand wetsartikel is, zoals eerder is aangegeven, alleen van toepassing op ouders die hun formeel geregistreerde relatie willen beëindigen. Maar dat de relatievorm die ouders hebben niet van belang is bij de plicht tot het opstellen van het ouderschapsplan, blijkt uit de volgende paragraaf, waarin de totstandkoming van art. 1:247a BW zal worden besproken. 2.4 Het ouderschapsplan bij informele relaties Zoals hiervoor is aangegeven is het ouderschapsplan niet alleen verplicht voor ouders die hun formele relatie verbreken, maar ook voor ouders die een informele relatie beëindigen. De uitwerking van het amendement van Pater- Van der Meer, waarin deze verplichting tot uiting komt, is opgenomen in art. 1:247a BW. Artikel 1:247a BW stelt dat: 64 Art. 815 lid 6 Rv. 65 Ackermans-Wijn 2009, p. 182. 66 Vice-President team volwassenen bij de sector familie en jeugd van de rechtbank Arnhem. 67 Ackermans-Wijn 2009, p. 182. 68 Ackermans-Wijn 2009, p. 182. 22

Indien een aantekening als bedoeld in artikel 252, eerste lid, is geplaatst en de ouders hun samenleving beëindigen, stellen zij een ouderschapsplan op als bedoeld in artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Uit dit artikel kan worden opgemaakt dat alle ouders die belast zijn met gezamenlijk ouderlijk gezag bij het verbreken van hun relatie een ouderschapsplan op dienen te stellen. Hieruit kan dus geconcludeerd worden dat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen ouders die getrouwd zijn of ouders die een informele relatie met elkaar hebben. 69 Het belang van het kind moet leidend zijn, niet de relatievorm van de ouders. 70 Ouders met een informele relatie dienen zich op dezelfde wijze bezig te houden met de toekomst van hun kinderen na de (feitelijke) scheiding. Een probleem dat zich hier voordoet is dat de relatie niet formeel beëindigd hoeft te worden. Het tijdstip waarop de relatie is geëindigd is dan lastig aan te wijzen. 71 Uit de wet blijkt echter dat het ouderschapsplan bij informele relaties niet vrijblijvend is. De verplichting is niet anders dan bij beëindiging van formele relaties. 72 Toch is het bij informele relaties niet mogelijk om het opstellen van het ouderschapsplan als voorwaarde voor de scheiding te stellen. Het is voor de ouders met een informele relatie namelijk niet nodig om hun relatie door tussenkomst van de rechter te verbreken. Dit brengt met zich mee dat kinderen van ouders met een informele relatie achtergesteld worden met betrekking tot de controle van het opstellen van een ouderschapsplan ten aanzien van kinderen met getrouwde ouders. De wetgever heeft hier echter wel een oplossing voor bedacht. Deze oplossing komt tot uiting in artikel 1:253a lid 3 BW en komt in het volgende hoofdstuk uitgebreid aan bod. Kort gezegd houdt dit artikel in dat de rechter de mogelijkheid heeft om geen uitspraak te doen omtrent geschillen tussen ouders zolang het ouderschapsplan niet opgesteld is. Hier zullen eerst nog de verschillen omtrent de afdwingbaarheid tussen het ouderschapsplan bij formele en informele relaties besproken worden, aangezien hierdoor duidelijk wordt waar de tekortkoming bij het verplichte ouderschapsplan voor informele relaties precies zit. 69 Er wordt dus wel onderscheid gemaakt tusen ouders die hun informele relatie verbreken met gezamenlijk ouderlijk gezag en ouders die nooit gezamenlijk ouderlijk gezag hebben aangevraagd. Hieruit volgt dat, ondanks dat gestreefd is om de rechten voor alle kinderen op een lijn te zetten, dit recht op een ouderschapsplan toch niet voor alle kinderen geldt. 70 Kamerstukken II 2006/07, 30 145, nr. 24 p. 1-2. 71 Nuytinck 2009, p. 216. 72 Kamerstukken II 2006/07, 30 145, nr. 24, p. 1-2. 23

2.5 Verschillen in afdwingbaarheid tussen het ouderschapsplan bij formele en informele relaties Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven zullen hier de verschillen omtrent het ouderschapsplan bij formele en informele relaties aan de orde komen. Dit ter verduidelijking van het volgende hoofdstuk waarin specifiek wordt ingegaan op het ouderschapsplan bij informele relaties en de knelpunten die zich hierbij voordoen. Het ouderschapsplan bij formele relaties met minderjarige kinderen heeft, zoals omschreven in de diverse kamerstukken, een efficiënt systeem dat ervoor zorgt dat het ouderschapsplan opgesteld wordt. Een opgesteld ouderschapsplan is namelijk een ontvankelijkheidsvereiste bij het indienen van een scheidingsverzoek. Het verbreken van een geregistreerd partnerschap voor ouders met minderjarige kinderen zonder de aanwezigheid van een ouderschapsplan is, zoals eerder is aangegeven, niet mogelijk. Indien deze verbreking toch door middel van een beëindigingovereenkomst plaatsvindt, heeft dat de nietigheid van de verbreking tot gevolg. 73 De methode die ervoor zorgt dat een ouderschapsplan bij een formele relatie wordt opgesteld is effectief. Zonder ouderschapsplan is scheiden namelijk niet mogelijk. Het betreft hier alleen het opmaken van het ouderschapsplan. De naleving van het ouderschapsplan wordt hier buiten beschouwing gelaten. 74 Een dergelijke methode die ervoor zorgt dat een ouderschapsplan wordt opgesteld bij informele relaties die worden verbroken is derhalve een stuk minder effectief. Bij informele relaties is het namelijk in de meeste gevallen onmogelijk om vast te stellen of het ouderschapsplan daadwerkelijk opgesteld wordt, aangezien er geen instantie is die op de hoogte is van het verbreken van de relatie. Tevens is er geen instantie waar de verbreking gemeld dient te worden. Toch is het ouderschapsplan ook in deze gevallen verplicht. Bij beide verbrekingen zijn namelijk minderjarige kinderen betrokken en voor alle kinderen dienen dezelfde rechten te gelden. Wettelijk gezien gelden voor ouders met een informele relatie dus dezelfde eisen als voor ouders met een geregistreerde relatie. Er bestaat dus geen verschil tussen de relatievormen ten aanzien van het ouderschapsplan, maar in de praktijk speelt dit onderscheid wel een rol. Vraag die hierbij wel gesteld dient te worden is in hoeverre kinderen van ouders met een informele relatie eigenlijk gebaat zijn bij het verplichte ouderschapsplan. Het ouderschapsplan voor informele relaties is namelijk, doordat de verbreking niet bekend is, een niet afdwingbare 73 Kamerstukken II 2004/05, 30 145, nr. 4, p. 2. 74 Met betrekking tot de naleving van het ouderschapsplan is er ook veel kritiek bij formele relaties op de wijze waarop dit wordt gecontroleerd. Deze naleving valt echter buiten het bereik van deze scriptie en zal hier ook niet verder worden besproken. 24