173 Poliomyelitis Ziektebeeld Poliomyelitis is een zeer ernstige, virale infectieziekte. Het merendeel van de infecties met het poliovirus verloopt asymptomatisch (90-95%). Het overige deel (5-10%) leidt tot het kenmerkende ziekteverloop met drie hoofdfasen: de prodromale fase, de non- of preparalytische fase en de paralytische fase. Verlammingsverschijnselen treden op bij maximaal 2% van de gevallen. Prodromale fase (minor illness): In deze fase treden aspecifieke klachten op zoals malaise, vermoeidheid, mogelijk lichte koorts, keelpijn, lichte hoofdpijn, neusverkoudheid en vaak gastro-intestinale klachten. Meestal verdwijnen deze klachten binnen enkele dagen zonder restverschijnselen. Men spreekt van abortieve poliomyelitis (4-8%). Soms echter evolueert de ziekte naar de volgende fase. Non- of preparalytische fase (major illness): Nadat de patiënt zich even beter heeft gevoeld of zonder voorafgaande prodromale fase treden vrij plots ernstigere klachten op van virale meningitis: koorts, braken, hoofdpijn, nek-, rug- en spierpijn, prikkelbaarheid, futloosheid. Volledige genezing is op dit moment nog mogelijk, maar dit komt zelden voor. Meestal gaat de ziekte over in de paralytische fase. Paralytische fase: Over een verloop van een drietal dagen ontwikkelt zich bij 0,1% (kinderen) tot 1% (op latere leeftijd) een slappe paralyse, meestal ter hoogte van de onderste extremiteiten en vaak asymmetrisch. Op dat moment heeft de patiënt koorts. Andere symptomen zijn spierpijn, spasmen in ledematen en rug en zeldzaam gevoelsstoornissen. Meestal zal de verlamming gedurende enkele dagen tot weken stabiel blijven om dan spontaan te verbeteren. Blijvende paralyse is mogelijk (0,1-1%). Wanneer de craniale zenuwen zijn aangetast, spreekt men van bulbaire polio. Deze vorm komt vooral voor bij volwassenen en is vaak zeer ernstig omwille van mogelijke slik- en ademhalingsmoeilijkheden die fataal kunnen zijn (overlijden in 5-10%). Het meest frequent is echter spinale polio, hierbij zijn de craniale zenuwen niet aangetast. Een mengvorm bestaat ook: bulbospinale polio. Encefalitis kan optreden met bewustzijnsstoornissen als meest prominente symptoom. Bij 20-40% van de tevoren verlamde patiënten kan na enkele tientallen jaren (piekincidentie 30-34 jaar na de acute infectie) opnieuw spierzwakte optreden met pijn, vermoeidheid en spieratrofie: het zogenaamde postpoliomyelitissyndroom. De kans hierop is groter bij aanwezigheid van blijvende paralyse en bij vrouwen. Vaccin geassocieerde paralytische poliomyelitis (kortweg VAPP) is een zeer zeldzame (1 op 2,5 miljoen dosissen, met een piek van 1 geval per 750 000 kinderen na hun eerste dosis) verwikkeling na vaccinatie met het oraal poliovaccin (OPV, Sabin) waarbij de gevaccineerde
174 DRAAIBOEK INFECTIEZIEKTEN CLB of een van zijn contacten paralytische polio ontwikkelt na mutatie van het verzwakte vaccinvirus tot een virulente vorm. In België wordt het OPV niet meer gebruikt sinds 2001. Incubatieperiode De incubatieperiode is niet precies gekend. Waarschijnlijk enkele dagen tot het optreden van de prodromale fase en één tot enkele weken tot het optreden van verlammingsverschijnselen (spreiding 3-36 dagen). Ziekteverwekker Poliovirus serotypes 1, 2 en 3, familie Picornaviridae, genus Enterovirus Voorkomen Vroeger kwam polio wereldwijd sporadisch en epidemisch voor. In 2002 werd de Europese Regio van de WGO poliovrij verklaard. Sinds 1970 komen er in België geen gevallen meer voor. Op dit ogenblik is polio enkel nog endemisch in Afghanistan, India, Nigeria en Pakistan. Elders blijven importgevallen mogelijk in vatbare populaties. Polio komt vooral voor bij jonge kinderen ( < 5 jaar). Reservoir De mens is het belangrijkste reservoir. Transmissie Feco-oraal in hoofdzaak; Ook overdracht via druppels (praten, schreeuwen) tijdens de acute fase. Overdracht gebeurt vooral via personen met een subklinische infectie. Besmettelijke periode Polio is zeer besmettelijk. Er is maar een klein inoculum nodig om een infectie te veroorzaken bij vatbare personen. De besmettelijke periode is niet precies gekend. Vermoedelijk is een patiënt het meest besmettelijk gedurende enkele dagen vóór en enkele dagen na het begin van de symptomen.
175 Vatbaarheid Personen die niet-immuun zijn door natuurlijke infectie en/of vaccinatie. Bepaalde personen hebben een verhoogd risico op een ernstig verloop: leeftijd: hoe ouder, hoe meer kans op paralyse en complicaties; geslacht: vóór de puberteit treedt paralyse vaker op bij jongens; zwangerschap: de incidentie en de ernst zijn groter bij zwangeren. Vrouwen in de reproductieve levensfase zijn vaak blootgesteld aan infecties bij jonge kinderen. Het laatste trimester van de zwangerschap induceert een relatieve immuunsuppressie, waardoor de zwangere gevoeliger is voor een ernstiger verloop van de ziekte; immunodeficiënties; hevige inspanning: vermoeidheid leidt tot een verhoogde incidentie en hevigheid van de paralyse; injecties of traumata: een paralyse heeft de neiging zich te ontwikkelen in een extremiteit waarin twee tot vier weken voorafgaand aan de infectie intramusculair geïnjecteerd was (provocatieparalyse); tonsillectomie: personen die in het verleden een tonsillectomie ondergingen, hebben een verhoogde kans om een bulbaire poliomyelitis te ontwikkelen. Immuniteit Levenslang na het doormaken van de infectie. Immuniteit is typespecifiek zodat herinfectie met een ander type mogelijk is, doch dit komt zelden voor. Zuigelingen zijn beschermd door maternele antistoffen gedurende enkele maanden na de geboorte. De duur van immuniteit na vaccinatie is niet precies gekend (minstens 25 jaar). Bij blijvende blootstelling wordt een boosterdosis aangeraden om de 10 jaar. Diagnose De diagnose wordt klinisch gesteld met bevestiging in het laboratorium. Laboratoriumdiagnostiek bestaat uit: virusisolatie uit de keel, feces of lumbaal vocht; serologie: bepaling van IgM is vooral zinvol tijdens een epidemie. Behandeling De behandeling is symptomatisch en ondersteunend. Preventie Vaccinatie volgens de aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad.
176 DRAAIBOEK INFECTIEZIEKTEN CLB Maatregelen naar aanleiding van een geval Een vermoeden van een poliogeval betekent alarm! Dringend overleg met de dienst Infectieziektebestrijding van de afdeling Toezicht Volksgezondheid is noodzakelijk. Gevalsdefinitie: Vermoedelijk: patiënt met AFP (acute flaccid paralysis). Geconfirmeerd: klinisch compatibel geval met laboratoriumconfirmatie. Laboratoriumcriteria: Laboratoriumconfirmatie: virusisolatie of PCR uit feces en/of CSV of significante titerstijging (neutraliserende antistoffen). Melding: Elk geval van polio moet zo snel mogelijk gemeld worden aan de dienst Infectieziektebestrijding van de afdeling Toezicht Volksgezondheid. Gevalsopsporing: Bronopsporing is aangewezen aangezien de ziekte niet meer endemisch voorkomt in ons land. Contactonderzoek: nagaan van vaccinatietoestand van nauwe contacten: alle personen met wie de patiënt de laatste maand meer dan één keer langer dan 4 uur aaneengesloten in dezelfde kamer heeft doorgebracht. Bronopsporing en contactonderzoek worden gecoördineerd door de dienst Infectieziektebestrijding. Het CLB kan een rol spelen bij de identificatie van contacten op schoolniveau. Maatregelen te nemen door de CLB-arts bij elk geval van poliomyelitis: Wering van school: Wering van de patiënt is aangewezen, de leerling mag terug toegelaten worden op advies van de behandelende arts. Tijdens een epidemie is wering mogelijk niet meer zinvol: te overleggen met de dienst Infectieziektebestrijding. Contact opnemen met de behandelende arts voor bijkomende informatie en overleg. Bespreken wie de melding op zich heeft genomen of zal nemen. Nagaan van vaccinatiestatus van nauwe contacten op schoolniveau (cfr. gevalsopsporing). Vaccinatie aanbieden aan niet- of onvolledig gevaccineerden volgens de aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad. Zie voorbeeldbrieven. Kinderen en jongeren die in het verleden om een bepaalde reden geen gebruik gemaakt hebben van het volledige, gratis aanbod tot vaccinatie, hebben recht op gratis inhaalvaccinatie(s). Voor vaccinatie tegen kinderverlamming, geldt dit voor alle leerlingen. Informeren van ouders, medeleerlingen en personeel over het ziektebeeld en eventueel advies tot vaccinatie. Belang benadrukken van algemene hygiënemaatregelen ter preventie van feco-orale overdracht van ziekten en druppelinfecties. Zie voorbeeldbrieven. Informeren van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk van de school.
Chemoprofylaxe: Geen 177 Bijkomende hygiënemaatregelen: Geen. Overdracht gebeurt vooral feco-oraal via personen met een subklinische infectie. Een goede hand- en toilethygiëne is echter altijd belangrijk in de preventie van overdracht van besmettelijke ziekten.