1 Afdruk is te licht, of afbeeldingen en/of tekens vertonen lege plekken. Controleer of u de juiste afdrukmedia gebruikt. Gebruik media uit een nieuw pak. Zie Richtlijnen voor media. Controleer of u de juiste instelling voor Papiersoort hebt geselecteerd voor de media die u gebruikt. Stel Tonerzwarting in op 4 in het Kleurmenu Maak de LED's schoon. Zie LED's schoonmaken. Als u vermoedt dat één van de cartridges bijna leeg is, verwijdert u deze cartridge. Schud de cartridge voorzichtig heen en weer zodat de toner gelijkmatig wordt verdeeld. Plaats de cartridge terug en probeer de taak opnieuw af te drukken. Vervang de cartridge met de kleur die te licht of helemaal niet wordt weergegeven op de pagina. Zie Tonercartridge vervangen. Vervang de photoconductor-eenheid. Als alleen zwarte afdrukken licht zijn, kunt u volstaan met het vervangen van de photoconductoreenheid voor zwart. Als een van de te licht wordt afgedrukt, vervangt u alledrie de photoconductor-eenheden. Zie Photoconductor-eenheid vervangen.
2 Er verschijnen gekleurde strepen, vlekken of vegen op de afdruk, of de afdruk is wazig of onduidelijk. De pagina bevat tonervlekken. Maak de LED's schoon. Zie LED's schoonmaken. Haal de betreffende tonercartridge uit de printer en schud deze voorzichtig heen en weer zodat de toner gelijkmatig wordt verdeeld. Plaats de cartridge terug en probeer de taak opnieuw af te drukken. Zie Tonercartridge vervangen. Vervang de cartridge met de kleur van de strepen, vlekken of vegen op de afgedrukte pagina. Zie Tonercartridge vervangen. Vervang de photoconductor-eenheden. Als alleen zwarte afdrukken licht zijn, kunt u volstaan met het vervangen van de photoconductoreenhedenvoor zwart. Als een van de te licht wordt afgedrukt, vervangt u alledrie photoconductor-eenheden voor. Zie Photoconductor-eenheid vervangen. Vervang de oliecoatingrol. Zie Supplies bestellen.
3 De toner bedekt de achtergrond van de pagina. Controleer of de betreffende tonercartridge goed is geïnstalleerd. De pagina is volledig bedekt met één kleur. Vervang de photoconductor-eenheden. Als de pagina zwart is, kunt u volstaan met het vervangen van de photoconductor-eenheid voor zwart. Als de pagina een andere kleur heeft, vervangt u alledrie photoconductor-eenheden voor. Zie Photoconductoreenheid vervangen.
4 Er staan lichte strepen of vegen op de afdruk. De pagina is leeg of één van de ontbreekt. Maak de LED's schoon. Zie LED's schoonmaken. Verwijder de cartridge met de kleur van de strepen of vegen op de pagina en schud deze voorzichtig heen en weer om de toner gelijkmatig te verdelen. Plaats de cartridge terug en probeer de taak opnieuw af te drukken. Vervang de photoconductor-eenheden. Als het probleem zich voordoet wanneer u zwart afdrukt, kunt u volstaan met het vervangen van de photoconductor-eenheid voor zwart. Als het probleem zich voordoet wanneer u een van de afdrukt, vervangt u alledriephotoconductor-eenheden voor. Zie Photoconductor-eenheid vervangen. Vervang de cartridge met de kleur van de strepen of vegen op de pagina. Zie Tonercartridge vervangen. Vervang de cartridge met de ontbrekende kleur. Zie Tonercartridge vervangen.
5 Toner geeft af of afdruk hecht niet op pagina. Controleer of u de juiste afdrukmedia gebruikt. Raadpleeg de Card Stock & Label Guide voor meer informatie. Controleer of u de juiste instelling voor Papiersoort hebt geselecteerd voor de media die u gebruikt. Mogelijk moet u het verhittingsstation vervangen. Zie Verhittingsstation vervangen. Afgedrukt materiaal dat met de post wordt bezorgd bevat 'spook'- of spiegelafbeeldingen van de tekst op de pagina. U verzendt als volgt afgedrukt materiaal met de post: Gebruik papier van 90 g/m 2. Gebruik bij voorkeur geen ruw papier; kies papier met een zachtheid van 100 tot 150 Sheffield. Vouw het papier met de tekst naar buiten. Frankeer de enveloppen (eventueel machinaal). Leg enveloppen in bakken en lever ze af bij het postkantoor; gooi enveloppen niet in brievenbussen.
6 Kwaliteit van afgedrukte transparanten is onvoldoende. Kwaliteit van afgedrukte afbeeldingen is onvoldoende. Controleer of u de door Lexmark aanbevolen transparanten gebruikt. Zie Transparanten. Controleer of de transparanten goed zijn geplaatst. Zie Transparanten laden. Stel de papiersoort altijd in op Transparant als u transparanten afdrukt. Zie Papiersoort. Stel het menu-item Kleurcorrectie in op Levendig. Zie Kleurcorrectie. Vermijd vingerafdrukken op de transparanten. Stel Tonerzwarting in op 4 in het Kleurmenu.
7 Er is witruimte zichtbaar tussen vullingen. Zet de printer uit en weer aan. De printer kalibreert de photoconductor-eenheden en het aandrijvingsmechanisme. Dit kan de registratie verbeteren. Zie Afdruk uitlijnen voor meer informatie. Kleuren worden niet zo afgedrukt als verwacht. Controleer of u voor de afdruktaak de juiste waarden voor de opties Kleurcorrectie en Afdrukmodus hebt ingesteld. Raadpleeg Kleurmenu voor meer informatie.