Beheerdocument Risicokaart Een invulling van gemeentelijke beheertaken Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) en Informatie Systeem Overige Ramptypen (ISOR) Opdrachtgever Francien Bolhuis Provincie Fryslân Opgesteld door Bureau Externe Veiligheid Fryslân Datum 20 april 2012 Versie definitief
Inhoudsopgave Pagina 1 Inleiding... 1 1.1 Het RRGS... 1 1.2 Het ISOR Kwetsbare objecten... 1 1.3 Het ISOR-Overige ramptypen... 2 1.4 Provinciale Risicokaart... 2 1.5 Het RRGS en ISOR invoerteam... 2 2 Inrichtingen, kwetsbare objecten en risico-informatie... 3 2.1 Inrichtingen... 3 2.2 Risico-informatie... 3 2.3 Kwetsbare objecten... 4 2.4 Risico-informatie... 4 3 Verzamelen en taken risico-informatie... 5 4 Onderhouden, invoeren en vrijgeven van risico-informatie... 6 5 Gemeentelijke beheerorganisatie... 7 5.1 Coördinator RRGS en ISOR... 7 5.2 Vergunningverlener... 8 5.3 Invoerder RRGS en ISOR... 8 5.4 Autorisator RRGS en ISOR... 9 5.5 Bevoegdheden... 9 6 Overzicht van taken... 9 6.1 Risico's vanwege gevaarlijke stoffen bij bedrijven (inrichtingen)...10 6.1.1 Nieuwe en gewijzigde vergunningen / melding...10 6.1.2 Ingetrokken vergunningen...11 6.1.3 Vijfjaarlijkse actualisatieplicht...11 6.1.4 Kwaliteitsborging...11 6.1.5 Handhaving...11 6.2 Risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen...11 6.3 Overige rampscenario's en kwetsbare objecten...12 6.4 Stimuleren gebruik Risicokaart...13 Bijlage(n): 1: Drempelwaardentabel RRGS 2: Drempelwaardentabel ISOR 3: Gemeentelijke beheerorganisatie 4: Voorbeeldbrief opname risicokaart 5: Registratiebesluit externe veiligheid 6: Regeling provinciale risicokaart 7: Artikel 45 Wet veiligheidsregio s en artikel 12.12 Wet milieubeheer
1 Inleiding 1.1 Het RRGS Het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (afgekort RRGS) is de database voor het registreren van gegevens van inrichtingen, transportroutes en buisleidingen die vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen risicovol zijn. Het RRGS wordt beheerd door de Landelijke Beheer Organisatie (LBO) risicokaart. De koepelorganisatie Interprovinciaal Overleg (IPO) verzorgt het dagelijkse beheer en de helpdesk. Het bevoegd gezag is verplicht gegevens over externe veiligheid en wijzigingen op deze gegevens te registreren. Er is een registratieplicht voor het bevoegd gezag van risicosituaties op grond van artikel 12.12 van de Wet milieubeheer (bijlage 7), nader uitgewerkt in het Registratiebesluit externe veiligheid (bijlage 5). Tevens is er een dergelijke verplichting op grond van artikel 45 van de Wet veiligheidsregio s (bijlage 7), nader uitgewerkt in de Regeling provinciale risicokaart (bijlage 6). Om te bepalen welke inrichtingen met welke kenmerken moeten worden opgenomen in het risicoregister of op de risicokaart, wordt gebruik gemaakt van de Leidraad Risico Inventarisatie - Gevaarlijke Stoffen (LRI-GS) en de daarin opgenomen drempelwaardentabel. In bijlage 1 is de drempelwaardentabel weergegeven. Het doel van de registratie is verwoord in de aanhef van het Registratiebesluit externe veiligheid: "Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels te stellen inzake de registratie van gegevens die een ieder inzicht geeft in de veiligheid buiten inrichtingen, transportroutes en buisleidingen, voor zover die veiligheid kan worden beïnvloed door de mogelijkheid van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen, als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, of door handelingen daarmee, binnen inrichtingen, of als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen via transportroutes of door buisleidingen;..." Voor het bevoegd gezag is een website (www.risicokaartinvoer.nl) ontwikkeld die slechts beperkt toegankelijk is en die is afgeschermd door middel van een gebruikersnaam en wachtwoord. Het bevoegd gezag kan via het internet risicogegevens toevoegen aan, en wijzigingen van gegevens betreffende inrichtingen inbrengen in de RRGS database. 1.2 Het ISOR Kwetsbare objecten Naast het registeren van gegevens in het RRGS is het bevoegd gezag verplicht om het Informatiesysteem Overige Ramptypen (ISOR) bij te houden. Deze verplichting berust op artikel 45 van de Wet Veiligheidsregio s. De uitwerking van de registratieplicht is opgenomen in de Regeling provinciale risicokaart. Voor de risicokaart is het van belang dat naast de objecten die risicoveroorzaker zijn ook de objecten worden getoond die risico-ontvanger zijn. Deze worden kwetsbare objecten Beheerdocument risicokaart 1
genoemd. Op de risicokaart zijn de kwetsbare objecten op twee manieren weergegeven. Enerzijds zijn de gebouwen, waaronder woningen op de topografische ondergrond te zien. Anderzijds worden de zogenaamde 'relevante kwetsbare objecten' weergegeven (groene symbolen). Dit zijn objecten waar grotere groepen mensen aanwezig kunnen zijn, bijvoorbeeld grote scholen, ziekenhuizen, flatgebouwen et cetera. In het ISOR kunnen de gegevens van deze 'relevante kwetsbare objecten' worden geregistreerd. Voor de invoer van de 'relevante kwetsbare objecten' dient de Leidraad Risico Inventarisatie - Overige Ramptypen toegepast te worden. In bijlage 2 is de drempelwaardentabel voor het ISOR weergegeven. 1.3 Het ISOR-Overige ramptypen De provincie verzamelt gegevens voor de overige ramptypen (zoals tunnels, vliegvelden, waterwegen, wegen/spoorwegen, evenementen, geologische structuren, overstromingsgebieden en brandbare natuurgebieden) en voert deze in het ISOR. Aangezien deze invoer geen gemeentelijke aangelegenheid is, wordt in dit document hier niet nader op ingegaan. 1.4 Provinciale Risicokaart De provincies hebben de verplichting om gegevens uit het RRGS te publiceren op een provinciale risicokaart. De provinciale risicokaart wordt gebruikt bij risicocommunicatie en als signaleringssysteem bij de besluitvorming door overheden. De aanwezige risico- en topografische gegevens binnen de Provinciale Risicokaart worden periodiek bijgewerkt vanuit de landelijk beheerde database: Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS) en Informatie Systeem Overige Ramptypen (ISOR). Beiden worden beheerd door de LBO-risicokaart. De Provinciale Risicokaart kent een professionele kaart en een zogenaamde publiekskaart. De publiekskaart is door iedereen te raadplegen. Op deze publiekssites is het slechts mogelijk een beperkte hoeveelheid informatie over risicovolle inrichtingen te raadplegen. Voor professionals (geautoriseerde ambtenaren) zijn alle gegevens uit de database te raadplegen via een beveiligde site (http://nederlandprof.risicokaart.nl). 1.5 Het RRGS en ISOR invoerteam In het kader van het Fries Uitvoeringsprogramma Externe Veiligheid is in de periode 2006-2010 budget beschikbaar gesteld aan de Friese gemeenten voor het actualiseren van het ISOR en het RRGS. In 2011 is gebleken dat het kwaliteitsniveau van de gegevens in het RRGS en het ISOR bij veel gemeenten nog steeds onvoldoende was. Om die reden is opnieuw de Risicokaart als onderwerp in het FUEV 2011-2014 opgenomen. De activiteiten die daarbij horen zijn het compleet en actueel houden van de Risicokaart en het borgen in en uniform houden van werkprocessen voor het actueel houden van de Beheerdocument risicokaart 2
Risicokaart. Een grote stimulerende rol is daarbij neergelegd bij het Bureau Externe Veiligheid Fryslân (BEVF). Daarnaast is het BEVF namens de provincie Fryslân sinds eind 2011 coördinator van de Risicokaart geworden. Geconstateerd is dat gemeenten behoefte hebben aan ondersteuning bij de invoer/actualisatie van de gegevens in het RRGS en het ISOR. Om die reden kunnen gemeenten gebruik maken van het RRGS en ISOR invoerteam, aanwezig bij het BEVF. Dit team bestaat uit specialisten die gemeenten ondersteunen bij het invoeren en actualiseren van gegevens in het RRGS en ISOR. 2 Inrichtingen, kwetsbare objecten en risico-informatie 2.1 Inrichtingen De Regeling provinciale risicokaart en het Registratiebesluit externe veiligheid definiëren de inrichtingen waarvan bepaalde informatie met betrekking tot de risico's dient te worden opgenomen in het RRGS. Bij overschrijding van de drempelwaarde is een inrichting risicovol en moet deze worden opgenomen in het RRGS. Bij het toetsen aan de drempelwaardentabel is de omgevingsvergunning (onderdeel milieu) (of de aanvraag daarvoor) of melding in de zin van artikel 8.41 van de Wet milieubeheer leidend. Wanneer in de vergunning geen grens is gesteld aan de hoeveelheid gevaarlijke stoffen, dan dient te worden uitgegaan van de maximale hoeveelheid die gezien de fysieke capaciteit binnen de inrichting aanwezig kan zijn. Het verdient in dat geval aanbeveling om (bijvoorbeeld middels een ambtshalve wijziging) de maximale toegestane hoeveelheid in de vergunning vast te leggen. 2.2 Risico-informatie In het Registratiebesluit is bepaald welke gegevens in het RRGS minimaal dienen te worden ingevoerd. Met betrekking tot de inrichtingen die hierboven zijn genoemd dienen de volgende gegevens minimaal in het register te worden ingevoerd. (Artikel 8 van het Registratiebesluit) a. De geografische situering van de inrichtingen, transporten en buisleidingen met behulp van de coördinaten van het Rijksdriehoekstelsel; b. een aanduiding van het bevoegd gezag; c. de ligging van de 10ˉ6 contour van het plaatsgebonden risico en, indien beschikbaar ook de ligging van de 10ˉ5 contour en de 10ˉ8 contour van het plaatsgebonden risico óf de vaste risicoafstanden zoals deze voor de onderscheiden inrichtingen zijn opgenomen in de Regeling externe veiligheid inrichtingen, of een andere wettelijke regeling, en d. de datum waarop de betreffende gegevens in het register laatstelijk zijn gewijzigd. (Artikel 9 van het Registratiebesluit) a. De bedrijfsnaam; Beheerdocument risicokaart 3
b. het adres en de kadastrale aanduiding en de ligging van de aangewezen inrichtingen; c. de datum waarop de vigerende milieuvergunning is verleend of recentelijk is gewijzigd; d. de aard van het risico (b.v. brand, explosie, toxisch risico); e. de chemische naam en het CAS-nummer (indien bekend het UN-nummer) van de voor het risico maatgevende stof of de naam van de voor het risico maatgevende categorie van stoffen, en f. indien beschikbaar het groepsrisico weergegeven in een grafiek. Ten aanzien van inrichtingen die worden gebruikt door de krijgsmacht (artikel 4, onderdeel g van het Registratiebesluit) bevat het register de ligging van de zones waar beperkingen gelden voor bebouwing of de aanwezigheid van personen. (Artikel 10 van het Registratiebesluit) Met betrekking tot LPG-tankstations dienen tevens in het RRGS te worden opgenomen: de plaats van de LPG-opslagtanks, de plaats van de LPG-vulpunten en de plaats van de LPGafleverzuilen (uitgedrukt in de coördinaten van het Rijksdriehoekstelsel). 2.3 Kwetsbare objecten De Regeling provinciale risicokaart definieert kwetsbare objecten en de voorwaarden wanneer een kwetsbaar object opgenomen moet worden in het ISOR. Voor gemeenten is uitsluitend bijlage III, bedoeld in artikel 4 van de regeling provinciale risicokaart van belang. Bij het toetsen aan de drempelwaardentabel is de omgevingsvergunning (onderdeel gebruik) (of de aanvraag daarvoor) of de melding leidend. 2.4 Risico-informatie In de Regeling provinciale risicokaart is bepaald welke gegevens in het ISOR dient te worden ingevoerd. Met betrekking tot de kwetsbare objecten dienen de volgende gegevens minimaal in het register te worden ingevoerd. (Artikel 4 van de Regeling provinciale risicokaart) Op de risicokaart worden de in bijlage III genoemde gebouwen en objecten vermeld die voldoen aan de daarbij vermelde voorwaarden. Friese afspraken Voor wat betreft de invoer van kwetsbare objecten, is in Fryslân (maar ook in meer provincies) in overleg met de hulpverleningsdiensten, afgesproken dat loods, veem en opslagplaatsen > 1000 m2 en garage-inrichting (alleen opslag/stalling) > 1000 m2 niet worden opgenomen. Reden hiervoor is dat de hulpverleningsdiensten hebben aangegeven dat het nut en de noodzaak voor opname van deze objecten niet aanwezig is. De objecten betreffen objecten waarin in de praktijk vaak geen tot weinig mensen aanwezig zijn en als Beheerdocument risicokaart 4
die er zijn, het dan in de regel om zelfredzame personen gaat in plaats van minder zelfredzame mensen. De betreffende objecten kunnen dan ook meer als risicobronnen dan als risico-ontvangers (kwetsbare objecten) worden gezien. Door opname op de risicokaart zouden complete industrieterreinen groen gekleurd worden (kwetsbare objecten), wat een vertekend beeld oplevert. Daarnaast hebben de hulpverleningsdiensten juist verzocht om alle kinderdagverblijven, op de thuisopvang na, op de risicokaart te plaatsen, in plaats van vanaf 50 personen. Landelijk is een project opgestart om de drempelwaardenlijst (bijlage III, bedoeld in artikel 4 van de regeling provinciale risicokaart) aan te passen. 3 Verzamelen en taken risico-informatie Voordat men de risicogegevens in het register kan invoeren, dient men allereerst over de benodigde informatie te beschikken. Deze paragraaf behandeld de wijze waarop de risicoinformatie wordt verzameld. Het overheidsorgaan dat voor de betreffende inrichting is aangewezen als het bevoegd gezag in het kader van de Wet milieubeheer/wabo is verantwoordelijk voor de invoer en het actueel houden van de risico-informatie in het RRGS. In het Besluit omgevingsrecht (Bor) is het bevoegde gezag voor categorieën van inrichtingen aangewezen. Het bevoegde gezag is verantwoordelijk voor het verzamelen van de gegevens met betrekking tot de aard en de grootte van het risico. Het bevoegde gezag in het kader van de Wet milieubeheer/wabo is ook verantwoordelijk voor het verzamelen van de gegevens met betrekking tot de aard en de grootte van het risico. Bij het verzamelen van de benodigde gegevens kan een onderscheidt worden gemaakt in een 'nieuwe situatie' of een bestaande situatie. Onder een nieuwe situatie wordt verstaan de situatie waarbij een vergunning krachtens Artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo wordt verleend en waarbij die vergunningverlening betrekking heeft op de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen en het daarmee samenhangende risico. Of een melding wordt ontvangen in de zin van artikel 8.41 van de Wet milieubeheer. Onder een bestaande situatie wordt verstaan de situatie waarin voor een inrichting ten tijde van inwerkingtreding van het Registratiebesluit externe veiligheid al vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo in werking is getreden, dan wel een melding als bedoeld in artikel 8.41 van de Wet milieubeheer is ontvangen. In het geval een bedrijf is ontheven van de plicht tot het hebben van een vergunning voor het oprichten/veranderen van de inrichting en/of het veranderen van de werking daarvan, volstaat een melding. Indien de gegevens van de melding niet toereikend zijn voor het invoeren van de gegevens in het risicoregister moeten de betreffende gegevens op grond van artikel 12.14 van de Wet milieubeheer schriftelijk worden opgevraagd. Beheerdocument risicokaart 5
In een nieuwe situatie dient de benodigde informatie bij de vergunningaanvraag te worden verstrekt. In een bestaande situatie kan het bevoegd gezag de houder van de inrichting verzoeken de benodigde informatie te leveren. De houder van de inrichting is verplicht deze informatie te leveren (artikel 12.14 van de Wet milieubeheer). In het bovenstaande gaat het strikt genomen om de gegevens die bepalend zijn voor de aard en de grootte van het risico. De volgende gegevens zijn in dit bestek relevant: de aard van het risico (bv. brand, explosie, toxisch risico); de ligging van de 10ˉ5, 10ˉ6 en de 10ˉ8 contouren van het plaatsgebonden risico of de vaste risicoafstanden indien deze voor de onderscheiden inrichtingen zijn opgenomen in de Regeling externe veiligheid inrichtingen, of een andere wettelijke regeling; een berekening van het groepsrisico; indien van toepassing de chemische naam en het CAS-nummer (indien bekent het UNnummer) van de voor het risico maatgevende stof of de naam van de voor het risico maatgevende categorie van stoffen. Om bij een inrichting de aard en de grootte van het risico te bepalen, is ook de volgende informatie van belang: de aard, de hoeveelheid en de locatie van de gevaarlijke stoffen binnen de inrichting; de insluitsystemen waarin de gevaarlijke stoffen voorkomen; de toegepaste maatregelen ter beperking van de risico's. 4 Onderhouden, invoeren en vrijgeven van risico-informatie Wijzigingen van de inrichting De risico-informatie dient actueel te zijn en in overeenstemming met de verleende vergunning. Het bevoegd gezag dient alert te zijn op wijzigingen binnen de inrichting die betekenis zouden kunnen hebben voor de aard en de grootte van het risico. Globaal gaat het om wijzigingen van: de aard, de hoeveelheid en de locatie van de gevaarlijke stoffen binnen de inrichting; de insluitsystemen waarin de gevaarlijke stoffen voorkomen; de toegepaste maatregelen ter beperking van de risico's; alle overige parameters die in een kwalitatieve risicoberekening ten grondslag liggen aan de grootte van het risico; bij LPG-tankstations wijzigingen in de locatie van de LPG-tank, het vulpunt, de LPGafleverzuilen en de doorzet van LPG. Voor wijzigingen binnen de inrichting die een gevolg hebben voor de aard van het risico dan wel een negatief gevolg hebben voor de grootte van het risico dient een vergunning te worden aangevraagd. Beheerdocument risicokaart 6
Invoeren en vrijgeven risico-informatie De gegevens van de risicovolle inrichtingen worden door de RRGS-invoerder ingevoerd en vrijgegeven. De RRGS-autorisator autoriseert de gegevens in het RRGS nadat er een collegiale toets is uitgevoerd. Verantwoordelijkheden en taken invoeren in RRGS Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor het invoeren van risico-informatie ingevolge de Wet milieubeheer. Binnen een gemeente worden de taken (invoer, autoriseren) toegewezen aan de medewerkers van de gemeente of het BEVF (zie hoofdstuk 5). 5 Gemeentelijke beheerorganisatie Voor een doelmatig gebruik van de risicokaart is het van groot belang dat deze actuele, juiste en volledige informatie bevatten over de risico-objecten en de (beperkt) kwetsbare objecten. De eigenaren van deze gegevens moeten dan ook zorgen voor een goede beheerorganisatie. In onderstaand schema staat beschreven welke medewerker van welke organisatie verantwoordelijk is voor elke beheersfunctie. In dit hoofdstuk is beschreven hoe de verschillende beheersfuncties toebedeeld kunnen worden aan medewerkers van gemeenten of het BEVF. In paragraaf 5.1 tot en met paragraaf 5.5 zijn de taken en verantwoordelijkheden per functie beschreven. Een overzicht van functies, betrokken organisaties en medewerkers wordt gegeven in bijlage 3. In hoofdstuk 6 wordt een overzicht van taken gegeven. 5.1 Coördinator RRGS en ISOR Om te bereiken dat het RRGS en ISOR betrouwbare gegevens bevatten, heeft het BEVF in 2011 de gemeenten verzocht een ISOR en RRGS contactpersoon (hierna coördinator) aan te wijzen. De vier hoofdtaken van een coördinator zijn hieronder beschreven: 1. het beheren van de gebruikers RRGS, ISOR en professionele risicokaart; 2. het beheren van de gegevens op de Risicokaart; 3. het stimuleren van het gebruik van de Risicokaart; 4. het onderhouden van contacten. Uitwerking van de hoofdtaken: ad 1: het beheren van de gebruikers RRGS, ISOR en professionele risicokaart: het aanvragen van gebruikersnamen en wachtwoorden van ISOR, RRGS en professionele risicokaart voor gebruikers binnen de eigen organisatie; ad 2: beheren van de gegevens op de Risicokaart: actueel (laten) houden van de gegevens in zowel ISOR en RRGS; het jaarlijks (laten) controleren van welke bedrijven de gegevens tegen de houdbaarheid van vijf jaar aanlopen; zorgdragen voor de nauwkeurigheid en volledigheid van de gegevens; het (laten) controleren op eenduidigheid in de aan te leveren gegevens; Beheerdocument risicokaart 7
het (laten) inbrengen van gegevens op een éénduidige manier (dit vereist afstemming tussen de diverse informatieleveranciers); ad 3: stimuleren van het gebruik van het Risicokaart: het (laten) inbedden van het gebruik van het Risicokaart bij de dagelijkse werkzaamheden door gebruik ervan structureel in te bedden in procedures; ad 4: onderhouden van contacten: fungeren als vraagbaak voor de eigen organisatie; onderhouden van contacten met de provinciale coördinator van de Risicokaart (BEVF). 5.2 Vergunningverlener De hoofdtaken van een omgevingsvergunningverlener onderdeel milieu zijn: herkennen van een risicovol bedrijf, zowel bij nieuwe vergunningen en nieuwe meldingen als bij het wijzigen of intrekken van een vergunning; verzamelen van relevante gegevens; doorgegeven van de gegevens aan de RRGS-invoerder; brief versturen aan het bedrijf met de opgenomen gegevens (of door de RRGSinvoerder). De hoofdtaken van een omgevingsvergunningverlener onderdeel gebruik zijn: herkennen van een kwetsbaar object, zowel bij nieuwe vergunningen en nieuwe meldingen als bij het wijzigen of intrekken van een vergunning; verzamelen van relevante gegevens; doorgegeven van de gegevens aan de ISOR-invoerder. 5.3 Invoerder RRGS en ISOR De RRGS invoerder is belast met het beheer van gegevens over risicosituaties gevaarlijke stoffen. De hoofdtaken van een RRGS invoerder zijn hieronder beschreven: 1. controleren van de aangeleverde gegevens over de risicovolle bedrijven van de vergunningverlener; 2. invoeren van gegevens in RRGS en collegiale toetser (bv. de RRGS-autorisator) inlichten; 3. aangeven aan de RRGS-autorisator voor overgaan tot autorisatie; 4. wanneer het RRGS rapport niet wordt goedgekeurd door de RRGS-autorisator, wordt het RRGS rapport teruggezonden naar de RRGS-invoerder. De RRGS-invoerder past de gegevens aan en geeft deze opnieuw door aan de RRGS-autorisator; 5. op aangeven van de coördinator controleert de RRGS invoerder het RRGS in verband met de vijfjaarlijkse actualisatie. De ISOR invoerder is belast met het beheer van gegevens over de kwetsbare objecten. De functieomschrijving van de ISOR invoerder is vergelijkbaar met die van een RRGS invoerder. Beheerdocument risicokaart 8
5.4 Autorisator RRGS en ISOR De hoofdtaken van een autorisator zijn hieronder beschreven: collegiale toets uitvoeren van de ingevoerde gegevens; gegevens collegiale toets goedgekeurd > autoriseren van de gegevens; gegevens collegiale toets niet goedgekeurd > terugkoppelen naar de invoerder. 5.5 Bevoegdheden Het RRGS en ISOR kunnen vanuit verschillende rollen worden benaderd: 1. invoeren, wijzigen en verwijderen; 2. autoriseren van ingevoerde gegevens; 3. het raadplegen van de gegevens. De eerste rol, invoeren, wijzigen en verwijderen, kan voor wat betreft het RRGS weggelegd worden bij een omgevingsvergunningverlener onderdeel milieu en voor wat betreft het ISOR bij een omgevingsvergunningverlener onderdeel gebruik. Het verifiëren van de ingevoerde gegevens en het uitvoeren van een veiligheids- en kwaliteitstoets gebeurt door de autorisator, te onderscheiden in autorisator RRGS en ISOR. Deze autorisatietaken kunnen verenigd zijn in dezelfde persoon. De autorisator moet wel onafhankelijk zijn van de invoerder. Binnen de gemeente wordt (worden) de autorisator(s) benoemd. De derde rol, raadplegen, ligt bij de professionele gebruikers van het systeem, bijvoorbeeld de medewerkers ruimtelijke ordening, vergunningverlening, handhaving en toezicht, integrale veiligheid, rampenbestrijding, verkeer en vervoer en voorlichting. 6 Overzicht van taken De taken en taakverdeling zullen per onderdeel beschreven en behandeld worden. Naast taken ten behoeve van de aanlevering van gegevens voor het systeem, ligt er bij de gemeente ook een taak om het gebruik van de risicokaart te stimuleren. Deze taak ten behoeve van het gebruik komt aan bod in paragraaf 6.4. De taken ten behoeve van de aanlevering van gegevens (het feitelijke beheer) worden besproken in paragraaf 6.1 tot en met 6.3 aan de hand van onderstaande onderverdeling. De Risicokaart komt tot stand door de aanlevering van meerdere soorten gegevens. Het betreft informatie over: 1. risico's vanwege het produceren, opslaan, verwerken van gevaarlijke stoffen. Dit betreft dus bedrijven (inrichtingen) (paragraaf 6.1); 2. risico's vanwege het transporteren van gevaarlijke stoffen over weg, water, spoor en door buisleidingen (paragraaf 6.2); Beheerdocument risicokaart 9
3. overige rampscenario's waaraan burgers blootstaan, zoals overstromingen, ongevallen op het water, paniek bij grote bijeenkomsten, et cetera (paragraaf 6.3); 4. kwetsbare objecten en bijzondere kwetsbare objecten, zoals ziekenhuizen, scholen, hotels et cetera (paragraaf 6.3). Voor elk van deze vier onderdelen wordt de informatie op een aparte manier verzameld en toegevoegd aan de risicokaart. 6.1 Risico's vanwege gevaarlijke stoffen bij bedrijven (inrichtingen) Onderstaand is een opsomming gegeven van taken die uitgevoerd moeten worden om een risicovol bedrijf op de risicokaart te plaatsen. Voor risicovolle bedrijven wordt hiertoe de landelijke invoerapplicatie RRGS gebruikt (Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen). Er zijn drie situaties waarbij invoer vereist is: 1. nieuwe en gewijzigde vergunningen / nieuwe en gewijzigde meldingen; 2. ingetrokken vergunningen/meldingen; 3. vijfjaarlijkse actualisatieplicht. 6.1.1 Nieuwe en gewijzigde vergunningen / melding Herkennen van een risicovol bedrijf Met behulp van de zogeheten drempelwaardetabel bepaalt de vergunningverlener of een bedrijf in het RRGS moet worden opgenomen. Verzamelen relevante gegevens en invoer gegevens De vergunningverlener verzamelt de relevante informatie voor het RRGS. De vergunningverlener verzoekt de RRGS-invoerder de gegevens in te voeren. De RRGSinvoerder voert de gegevens in, zodra hij over de juiste gegevens beschikt en geeft deze vervolgens vrij aan het RIVM. Collegiale toets en autorisatie De RRGS-invoerder draait een rapport uit en laat de RRGS-autorisator een collegiale toets uitvoeren. Na goedkeuring heeft de RRGS-autorisator groen licht om de informatie te autoriseren. Dit moet binnen twee weken na het in werking treden van de milieuvergunning gebeurd zijn (zie Registratiebesluit). Versturen brief naar het bedrijf Zodra de gegevens geautoriseerd zijn, meldt de RRGS-autorisator aan de vergunningverlener of de RRGS-invoerder om een brief te sturen naar het bedrijf met daarin de gegevens die worden weergegeven op de risicokaart. In bijlage 4 treft u een voorbeeldbrief aan. Beheerdocument risicokaart 10
6.1.2 Ingetrokken vergunningen Zodra een vergunning wordt ingetrokken, dient dit door de gemeente binnen 2 weken verwerkt te worden in het RRGS. Ook in deze gevallen is het de vergunningverlener die signaleert of het een risicovol bedrijf betreft. In feite loopt de procedure hetzelfde als in paragraaf 6.1.1. 6.1.3 Vijfjaarlijkse actualisatieplicht Op grond van het Registratiebesluit dient het bevoegd gezag de gegevens in het RRGS tenminste eens per vijf jaar te actualiseren. Om die reden controleert de coördinator elk jaar van welke inrichtingen de gegevens in het volgende jaar tegen deze vijfjaarlijkse termijn aanlopen. Voor dergelijke inrichtingen geeft de coördinator opdracht aan de RRGS-invoerder om de gegevens tijdig te actualiseren. Deze vervolgt de procedure in paragraaf 6.1.1. 6.1.4 Kwaliteitsborging De taken van een invoerder en autorisator zijn gescheiden om de kwaliteit te borgen. En door de taak van het invoeren bij een RRGS-invoerder te leggen en niet bij alle vergunningverleners afzonderlijk, wordt ook de kwaliteit geborgd. Voor het invoeren en autoriseren zijn inlogcodes nodig. De coördinator zorgt ervoor dat de RRGS-invoerders en de RRGS-autorisator over een inlogcode beschikken. De taken in dit beheerdocument worden opgenomen in de procedures voor vergunningverlening en handhaving, voor zover relevant. 6.1.5 Handhaving De gegevens in het RRGS zijn gebaseerd op de vergunde situatie. De handhaving van inrichtingen met gevaarlijke stoffen heeft hoge prioriteit. Indien een handhaver bij een inspectie constateert dat de werkelijke situatie niet voldoet aan de vergunde situatie, zal hij de vergunninghouder hierop aanspreken. Indien de geconstateerde situatie kan worden vergund, zal de handhaver de vergunninghouder hierop attenderen en zal hij dit signaleren aan het team vergunningverlening. Na wijziging van de vergunning of melding kan de procedure in paragraaf 6.1.1 opgestart worden. 6.2 Risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen De verantwoordelijkheden voor het invoeren van transportroutes waarover gevaarlijke stoffen gaan, liggen vrijwel volledig bij de provincie en de rijksoverheid. Gegevens met betrekking tot gemeentelijke wegen en binnenwateren worden door de gemeente ingevoerd indien ze risicorelevant zijn: Een weg is relevant als het plaatsgebonden risico op de as van de weg hoger is dan 10ˉ6 per jaar. Beheerdocument risicokaart 11
Een binnenwater is relevant als het plaatsgebonden risico op de oever hoger is dan 10ˉ6 per jaar. In Fryslân komen beide situaties tot op heden niet voor. Indien in de toekomst wijzigingen in wet en of regelgeving plaatsvinden, waardoor gemeenten wegen of binnenwateren in het RRGS moeten invoeren, zullen de coördinatoren daarover worden geïnformeerd door het BEVF. 6.3 Overige rampscenario's en kwetsbare objecten Zoals eerder aangegeven verzameld de provincie gegevens voor de overige ramptypen zoals tunnels, vliegvelden, waterwegen, wegen/spoorwegen, evenementen, geologische structuren, overstromingsgebieden en brandbare natuurgebieden en voert deze in het ISOR. De gemeente voert de kwetsbare objecten, aangegeven in bijlage III van de Regeling provinciale risicokaart in. De gemeente dient dit bestand actueel te houden door middel van de invoer/wijziging van een kwetsbaar object, indien een procedure is opgestart voor een gebruiksvergunning of melding. De taken voor beheer van de gegevens zijn hieronder beschreven: Controleren bestaande gegevens en inventariseren van mogelijke aanvullingen. De ISORinvoerder voert eenmaal per jaar een inventarisatie uit met behulp van de Leidraad Risicoinventarisatie Overige Ramptypen en controleert de gegevens op de risicokaart. Hierbij wordt gekeken of de informatie op de risicokaart nog in orde is. Daarnaast wordt beoordeeld of er aanvullende gegevens ingevoerd moeten worden. De coördinator bewaakt deze planning. Invoeren gegevens De ISOR-invoerder voert de inventarisatie uit en verzorgt ook de invoer. Hierbij dient te worden opgemerkt dat niet alleen gebruik moet worden gemaakt van het bestand gebruiks vergunningen en -meldingen, maar dat meer bronnen geraadpleegd moeten worden, zoals de gemeente gids of een afdeling welzijn, aangezien er ook andere typen kwetsbare objecten zijn die in het ISOR ingevoerd moeten worden. De invoerder stelt de ISORautorisator op de hoogte. De ISOR-aurorisator verifieert de ingevoerde gegevens en voert een volledigheids- en kwaliteitstoets uit. Autoriseren gegevens De ISOR-autorisator controleert de gegevens op juistheid en volledigheid en bekijkt of het proces goed doorlopen is. Zodra alles in orde is autoriseert hij de gegevens. Kwaliteitsborging De taken van invoerder en autorisator zijn gescheiden om de kwaliteit te borgen. De taken van inventariseren en invoeren zijn samengevoegd in de functie van invoerder, omdat deze Beheerdocument risicokaart 12
taken slechts weinig uitgevoerd worden. Op deze manier hoeven minder medewerkers expertise over dit onderdeel op te bouwen. 6.4 Stimuleren gebruik Risicokaart Om het gebruik van het RGGS te stimuleren zet de gemeente in op de ontwikkeling van kennis over de Risicokaart. Dit wordt bereikt door: informatiebijeenkomsten; werkoverleggen. Informatiebijeenkomsten Er worden elk jaar in het kader van het Fries Uitvoeringsprogramma Externe Veiligheid informatiebijeenkomsten georganiseerd voor ambtenaren die met het RRGS en ISOR moeten werken. Werkoverleggen Om te zorgen voor een goede afstemming tussen alle medewerkers die betrokken zijn bij het onderwerp 'veiligheid' binnen een gemeente is het aan te raden om regelmatig overleg te voeren over dit onderwerp, en dan met name externe veiligheid en het beheer van de gegevens. Beheerdocument risicokaart 13
BIJLAGE 1 Drempelwaardentabel
BIJLAGE 2 Drempelwaardentabel ISOR
Drempelwaardentabel ISOR ( Kwetsbare objecten Voorwaarde voor opname op de risicokaart Friese afspraken 1.Gebouwen met een woonfunctie Tehuizen Alle Alle Kloosters/abdijen Alle Alle Gevangenissen Alle Alle Bejaardenoorden Alle Alle Asielzoekerscentra Alle Alle 2. Gebouwen met een loglesfunctle Hotel > 10 personen > 10 personen Pension/nachtverblijf > 10 personen > 10 personen Dagverblijf > 50 personen > 50 personen Kampeerterrein > 250 personen > 250 personen Jachthaven > 250 personen > 250 personen 3. Gebouwen met een 'onderwijsfunctie Onderwijsinstelling (leerl. < 12 jr.) Alle Alle Onderwijsinstelling (leerl. > 12 jr.) > 250 personen > 250 personen Kinderdagverblijf > 50 personen Alle, echter geen thuisopvang 4. Gezondheidszorggebouwen Klinieken (poli-, psychiatrische) Alle Alle Ziekenhuizen Alle Alle Verpleegtehuizen Alle Alle 5. Bedrijfsgebouwen Kantoren, > 250 personen > 250 personen Fabrieken > 250 personen > 250 personen Loods, veem, opslagplaats > 1000 m2 NIET Studio's (bijv. opname TV) Alle Alle 6. Gebouwen voor wegverkeer Garage-inrichting (alleen opslag / stalling) > 1000 m2 NIET 7. Objecten met een publieksfunctie Theater, schouwburg, bioscoop, aula > 250 personen > 250 personen Museum, bibliotheek > 250 personen > 250 personen Buurthuis, ontmoetingscentrum, wijkcentrum > 250 personen > 250 personen Gebedshuis > 250 personen > 250 personen Tentoonstellingsgebouw > 250 personen > 250 personen Cafés, discotheek, restaurant > 250 personen > 250 personen Sporthal, stadion > 250 personen > 250 personen Zwembad alle alle Winkelgebouwen > 500 personen > 500 personen Stationsgebouwen > 1000 m2 > 1000 m2 Tijdelijke bouwsels > 250 personen > 250 personen Alle gebouwen vanaf 25 verdiepingen >24 verdiepingen >24 verdiepingen
ISOR Overige Ramptypen Voorwaarde voor opname op de risicokaart 1. Tunnels Alle weg-, spoor-, tram-, lightrail- en metrotunnels langer dan 250 m. 2. Vliegvelden 1. Vliegvelden waarvoor zgn. LVL-maatscenario geldt, 2. Militaire (oefen)terreinen voor vliegtuigen en helikopters. 3. Waterwegen en water(sport)gebieden 1. Vaarroutes voor schepen met minstens 25 opvarenden. 2. Zeehavens voor schepen met minstens 25 opvarenden. 3. Watersportgebieden met meer dan 2000 ligplaatsen voor pleziervaartuigen in open binnenwater van meer dan 500 ha. 4. Wadlooproutes voor groepsgrootten van minimaal 25 personen. 5. Aanlandingslocaties indien zij worden vermeld in een rampenplan, rampbestrijdingsplan, coördinatieplan of calamiteitenplan. 4. Wegen en spoorwegen 1. Autosnelwegen. 2. Overige rijks(auto)wegen. 3. Provinciale autowegen. 4. Spoorlijnen voor intercity of ICE-verkeer. 5. Spoorlijnen voor hogesnelheidsverkeer. 5. Evenementen- en activiteitenlocaties Locatiespecifieke en periodieke evenementen met bijeenkomsten van minstens 5000 personen per keer op een gedefinieerd, beperkt gebied. 6.Geologische structuren Gebieden c.q. plaatsen waar bevingen kunnen optreden met een intensiteit van VI of hoger op de Europese Macroseismische Schaal (EMS). 7. Overstromingsgebieden 1. Door primaire of regionale waterkeringen beschermde gebieden, waarbij een scenario wordt getoond van falen van deze waterkeringen omstreeks maatgevende omstandigheden. 2. Overstroombare gebieden langs rivieren, beken, meren, estuaria en kustwateren die niet door een genormeerde waterkering worden beschermd, voor een scenario met een terugkeertijd van 10, 100 onderscheidenlijk 1000 jaar. 3. Bergingsgebieden in de zin van de Waterwet. 8. Natuurgebied 1. Gemengd bos en naaldbosgebied met een aaneengesloten omvang van minstens 100 ha. 2. Heide, (hoog)veen- en duingebied met een aaneengesloten omvang van minstens 100 ha.
BIJLAGE 3 Beheerorganisatie
Beheersfunctie Organisatie Medewerker Algemeen coördinator Gemeente X Medewerker afdeling/team X RRGS vergunningverlener Milieudienst / Gemeente X Vergunningverlener RRGS-invoerder BEVF/ Gemeente X RRGS specialist RRGS-autorisator Gemeente X Coördinator ISOR vergunningverlener GemeenteX Vergunningverlener ISOR-invoerder BEVF/ Gemeente X ISOR specialist ISOR-autorisator Gemeente X Coördinator
BIJLAGE 4 Voorbeeldbrief
Onderwerp: Risicokaart Geachte heer/mevrouw, De gemeenten in de provincie Fryslân informeren de inwoners over mogelijke risico s in de provincie, onder andere via een digitale risicokaart. Sinds oktober 2001 worden enkele gegevens over risicovolle objecten op de Risicokaart van Fryslân getoond. Deze kunt u raadplegen op www.fryslan.nl of via de websites van de Friese gemeenten. Eind 2006 heeft de Provincie de nieuwe Risicokaart van Fryslân via het internet beschikbaar gesteld. Op deze kaart staan objecten die mogelijk een risico voor de omgeving vormen in het geval van een ongeluk. Aanleiding voor het maken van deze risicokaart is de veranderde wetgeving in de Wet milieubeheer (registratie gegevens externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen) en de Wet Veiligheidsregio s. Naast bedrijven waar gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen worden ook andere risico-objecten (verkeersaders, brandbare natuurgebieden, overstromingsgebieden, et cetera) en kwetsbare objecten (scholen, verzorgingshuizen, et cetera) op deze kaart getoond. Van de nieuwe Risicokaart van Fryslân is een publieke (openbare) en een afgeschermde professionele versie gemaakt. De professionele kaart toont meer informatie dan de publieke versie en vormt een belangrijke informatiebron voor hulpverleningsinstanties. Omdat uw bedrijf, vanwege de aanwezigheid van een XXXX, onder de regeling provinciale risicokaart/ het Registratiebesluit externe veiligheid valt, worden er gegevens over uw bedrijf weergegeven op de risicokaart. In de regeling provinciale risicokaart/ het Registratiebesluit externe veiligheid is een drempelwaardentabel van stoffen opgenomen welke de basis vormt voor opname in de risicokaart. Het hangt dus niet samen met een vergunning dan wel meldingsplicht. De gegevens die op de risicokaart worden getoond zijn niet nieuw of vertrouwelijk, maar komen uit bestaande openbare bronnen van de handhaver. De vermelde gegevens betreffen uw bedrijfsnaam en adres, de bedrijfsactiviteit, gegevens van de stoffen die in uw bedrijf aanwezig zijn en de instantie die de vergunning heeft afgegeven. Heeft u vragen of wilt u meer informatie over de Risicokaart van Fryslân dan kunt u mailen naar risicokaart@fryslan.nl. Op de internetsite www.risicokaart.nl kunt u terecht voor achtergrondinformatie. Wanneer de gegevens van uw bedrijf wijzigen of niet correct vermeld staan, kunt u contact opnemen met de heer/ mevrouw XXXXX van de gemeente XXXXX. Hoogachtend, burgemeester en wethouders van Leeuwarden, namens dezen,
BIJLAGE 5 Registratiebesluit externe veiligheid
(Tekst geldend op: 20-04-2012) Besluit van 28 november 2006, houdende regels met betrekking tot de registratie van gegevens externe veiligheid inrichtingen, transportroutes en buisleidingen (Registratiebesluit externe veiligheid) Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 maart 2006, nr. DJZ2005203937, Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Economische Zaken; Gelet op de artikelen 12.11, tweede lid, 12.12, tweede, vierde en vijfde lid, en 12.13, tweede en derde lid, 12.16, derde lid, en 21.8 van de Wet milieubeheer; De Raad van State gehoord (advies van 24 mei 2006, nr. W08.06.0083/V); Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 22 november 2006, nr. DJZ 2006290246, Directie Juridische Zaken, afdeling Wetgeving, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze Minister van Economische Zaken; Hebben goedgevonden en verstaan: Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. bestrijdingsmiddel: gewasbeschermingsmiddelen of biociden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. b. gevaarlijke afvalstof: afvalstof als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, voor zover die afvalstof een of meer eigenschappen, genoemd in artikel 4, tweede lid, onderdelen a tot en met c, e en f, van die regeling bezit; c. groepsrisico: cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting, een transportroute of een buisleiding en een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding waarbij een gevaarlijke stof betrokken is; d. invloedsgebied: gebied waarin volgens door Onze Minister bij ministeriële regeling op grond van artikel 15, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico; e. opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen: opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit risico s zware ongevallen 1999; f. plaatsgebonden risico: risico op een plaats buiten een inrichting, een transportroute of een buisleiding, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting, op die transportroute of met die buisleiding, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is; g. categorie K1: een product niet zijnde een brandbaar gas met een vlampunt dat, bepaald met het toestel van Abel-Pensky, bij een druk van 100 kpa lager is dan 21 C; h. categorie K2: een product met een vlampunt dat, bepaald met het toestel van Abel-Pensky, bij een druk van 100 kpa ligt tussen de 21 C en 55 C; i. categorie K3: een product met een vlampunt dat, bepaald met het toestel van Pensky-Martens, bij een druk van 100 kpa hoger is dan 55 C en lager is dan 100 C; j. maatgevende stof of maatgevende categorie van stoffen: gevaarlijke stof of categorie van gevaarlijke stoffen die door zijn gevaarseigenschappen in combinatie met de hoeveelheid die van die stof of van die categorie in een inrichting aanwezig mag zijn, meer dan alle andere voor die inrichting vergunde gevaarlijke stoffen bepalend is voor de ligging van de 10-6 per jaar
contour voor het plaatsgebonden risico van die inrichting; k. register: register als bedoeld in artikel 12.12 van de wet; l. bijlage A van het ADR: de door Onze Minister ingevolge artikel 5.4.1 van het Vuurwerkbesluit aangewezen of bekendgemaakte vertaling van bijlage A bij de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (Trb. 1959, 171); m. wet: Wet milieubeheer. 2. Voor de berekening van het groepsrisico en het plaatsgebonden risico van inrichtingen en spoorwegemplacementen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen alsmede voor de wijze van toepassing van de afstanden waarbij wordt voldaan aan het plaatsgebonden risico, indien deze afstanden door Onze Minister zijn voorgeschreven op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, zijn de daarvoor krachtens het Besluit externe veiligheid inrichtingen vastgestelde regels van overeenkomstige toepassing. Artikel 2 Als gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 12.11, tweede lid, van de wet worden aangewezen: a. de in bijlage I, deel 1, van het Besluit risico s zware ongevallen 1999 onder de nummers 2a tot en met 2d en 15 genoemde stoffen; b. distikstofoxide; c. bestrijdingsmiddelen; d. gevaarlijke afvalstoffen. Paragraaf 2. Aanwijzing van inrichtingen, transportroutes en buisleidingen Artikel 3 Als inrichtingen als bedoeld in artikel 12.12, tweede lid, van de wet worden aangewezen: a. inrichtingen waarop het Besluit risico s zware ongevallen 1999 van toepassing is; b. inrichtingen bestemd voor de opslag in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit risico s zware ongevallen 1999, waar gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage I van het Besluit risico s zware ongevallen 1999 worden opgeslagen in hoeveelheden groter dan de in kolom 2 van de delen 1 onderscheidenlijk 2 van bijlage I van het Besluit risico s zware ongevallen 1999 genoemde hoeveelheden; c. door Onze Minister krachtens artikel 2 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen aangewezen spoorwegemplacementen die gebruikt worden voor het rangeren van wagons met gevaarlijke stoffen; d. andere door Onze Minister krachtens artikel 2 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen aangewezen categorieën van inrichtingen dan de inrichtingen, bedoeld in de onderdelen a tot en met c, waarvan het plaatsgebonden risico, berekend volgens bij die regeling gestelde regels, hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de wet; e. LPG-tankstations als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit LPGtankstations milieubeheer; f. inrichtingen waar verpakte gevaarlijke afvalstoffen, of verpakte gevaarlijke stoffen, niet zijnde nitraathoudende kunstmeststoffen groep 2 als bedoeld in PGS 7, verpakte gevaarlijke afvalstoffen of verpakte bestrijdingsmiddelen worden opgeslagen in een hoeveelheid van meer dan 10 000 kg per opslagvoorziening, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a of d, indien: - brandbare gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen, of - binnen een opslagvoorziening zowel brandbare gevaarlijke stoffen als gevaarlijke stoffen met fluor-, chloor-, stikstof- of zwavelhoudende verbindingen worden opgeslagen; g. inrichtingen waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is met een hoeveelheid van meer dan 1500 kg ammoniak, niet zijnde een inrichting als bedoeld in onderdeel a, d of h; h. andere door Onze Minister krachtens artikel 2 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen aangewezen categorieën van inrichtingen dan de inrichtingen, bedoeld in de onderdelen e tot en
met g, en artikel 4, waarvan het plaatsgebonden risico, berekend volgens bij die regeling gestelde regels, hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de wet. Artikel 4 Als inrichtingen als bedoeld in artikel 12.12, tweede lid, van de wet worden eveneens aangewezen: a. inrichtingen waarop artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet van toepassing is; b. inrichtingen, met uitzondering van in de territoriale zee gelegen inrichtingen, die krachtens artikel 1 van de Mijnbouwwet zijn aangewezen als mijnbouwwerken en waarvan het plaatsgebonden risico hoger is dan 10-6 per jaar; c. inrichtingen waar meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen al dan niet in combinatie met het bewerken daarvan in de zin van het Vuurwerkbesluit; d. inrichtingen waar professioneel vuurwerk al dan niet tezamen met consumentenvuurwerk in de zin van het Vuurwerkbesluit wordt opgeslagen of bewerkt in de zin van het Vuurwerkbesluit; e. inrichtingen als bedoeld in categorie 3.1 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingsrecht, waar meer dan 10 kg ontplofbare stoffen aanwezig is of meer dan 100 kg netto explosieve massa aan munitie aanwezig is, met uitzondering van volgens bijlage A van het ADR tot klasse 1.4 behorende patronen dan wel onderdelen daarvan voor vuurwapens met een kaliber van niet meer dan 13,2 mm; f. inrichtingen waar meer dan 1000 kg distikstofoxide aanwezig is, niet zijnde inrichtingen die behoren tot een categorie als aangewezen onder 23.1 van bijlage I, onder C, bij het Besluit omgevingrecht; g. inrichtingen die worden gebruikt door de Nederlandse krijgsmacht of door een bondgenootschappelijke mogendheid voor zover buiten die inrichtingen ruimtelijke beperkingen gelden in verband met die inrichtingen. Artikel 5 Als transportroutes als bedoeld in artikel 12.12, tweede lid, van de wet worden aangewezen transportroutes waarvan het plaatsgebonden risico voor wegen en spoorlijnen op de as van de transportroute, of voor vaarwegen op de oever, hoger is dan 10-6 per jaar. Artikel 6 1. Als buisleidingen als bedoeld in artikel 12.12, tweede lid, van de wet worden aangewezen: a. aardgasleidingen met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 1600 kpa; b. buisleidingen voor het vervoer van brandbare vloeistoffen van de categorieën K1, K2 of K3, met een uitwendige diameter van meer dan 100 mm; c. buisleidingen voor andere gevaarlijke stoffen dan bedoeld onder a en b, waarvoor het plaatsgebonden risico op een afstand van 5 m gemeten vanaf het hart van de buisleiding hoger is dan 10-6 per jaar. 2. Onze Minister is bevoegd gezag voor andere buisleidingen dan bedoeld in artikel 12.11, eerste lid, onderdeel a, onder 8, van de wet. Artikel 7 1. Onverminderd de artikelen 3 tot en met 6, eerste lid, kunnen door het bevoegd gezag inrichtingen, transportroutes en buisleidingen worden gemeld aan het RIVM voor opneming in het register indien het groepsrisico hoger is dan 10-5 per jaar voor 10 slachtoffers, 10-7 per jaar voor 100 slachtoffers of 10-9 per jaar voor 1000 slachtoffers. 2. Bij ministeriële regeling kunnen in overeenstemming met Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Verkeer en Waterstaat regels worden gesteld omtrent de wijze
waarop de contouren van de in het eerste lid bedoelde inrichtingen, buisleidingen en transportroutes worden vastgesteld, met dien verstande dat voor zover het inrichtingen betreft waarop de Mijnbouwwet van toepassing is, deze regels worden gesteld in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken. Paragraaf 3. Inhoud van het register Artikel 8 Het register bevat ten aanzien van inrichtingen, transportroutes en buisleidingen aangewezen ingevolge de artikelen 3 tot en met 6, eerste lid, en 7, eerste lid, slechts de volgende gegevens: a. de geografische situering van de inrichtingen, transportroutes en buisleidingen, weergegeven met behulp van de coördinaten van het stelsel van de rijksdriehoeksmeting, bedoeld in artikel 52 van de Kadasterwet; b. een aanduiding van het bevoegd gezag; c. de ligging van de 10-6 per jaar contour van het plaatsgebonden risico en, indien beschikbaar, de 10-5 per jaar contour en de 10-8 per jaar contour van het plaatsgebonden risico, dan wel de afstanden die overeenkomen met deze waarden voor het plaatsgebonden risico indien deze afstanden door Onze Minister zijn voorgeschreven alsmede de veiligheidsafstanden die gelden voor inrichtingen als bedoeld in artikel 4, onderdelen c en g, en d. de datum waarop de betreffende gegevens in het register laatstelijk zijn gewijzigd. Artikel 9 1. Onverminderd artikel 8 bevat het register ten aanzien van inrichtingen aangewezen ingevolge de artikelen 3, 4 en 7, eerste lid, tevens de volgende gegevens: a. de bedrijfsnaam; b. het adres, de kadastrale aanduiding en de ligging van de aangewezen inrichtingen; c. de datum waarop de voor de risico s relevante geldende vergunning is verleend of laatstelijk is gewijzigd; d. de aard van het risico; e. de chemische naam en het CAS-nummer en voor zover bekend het UN-nummer van de voor het risico maatgevende stof of de naam van de voor het risico maatgevende categorie van stoffen en f. indien beschikbaar het groepsrisico uitgedrukt in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers of de gemiddelde bevolkingsdichtheid binnen het invloedsgebied rondom de desbetreffende inrichting. 2. Ten aanzien van inrichtingen als bedoeld in artikel 4, onderdeel g, bevat het register de ligging van de zones waar beperkingen gelden voor de bebouwing of de aanwezigheid van personen. Artikel 10 1. Het register bevat voor LPG-tankstations als bedoeld in artikel 3, onderdeel e, tevens de plaats van de LPG-opslagtanks, de LPG-vulpunten en de LPG-afleverzuilen, uitgedrukt in coördinaten volgens het stelsel van de rijksdriehoeksmeting, bedoeld in artikel 52 van de Kadasterwet. 2. Voor inrichtingen met zowel een voor het toxisch risico maatgevende stof als voor het risico van brand of explosie maatgevende stof bevat het register de in artikel 9, eerste lid, onderdelen d en e, bedoelde gegevens ten aanzien van beide maatgevende stoffen. 3. Bij de berekening van de in de in artikel 8, onderdeel c, bedoelde gegevens wordt uitgegaan van de in de vergunning genoemde maximale hoeveelheid maatgevende stof of maatgevende categorie van stoffen, zonodig gecorrigeerd voor strikt voorzienbare, incidentele wijzigingen in deze hoeveelheid over het jaar. Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden over de wijze waarop de maximale hoeveelheid maatgevende stof of maatgevende categorie van stoffen wordt vastgesteld.
Artikel 11 1. Onverminderd artikel 8 bevat het register ten aanzien van buisleidingen aangewezen ingevolge de artikelen 6 en 7 tevens de volgende gegevens: a. indien beschikbaar het groepsrisico van de buisleidingen, uitgedrukt in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers per kilometer lengte van de buisleiding en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers; b. de eventuele naam of aanduiding waaronder de buisleidingen bekend zijn; c. de naam van de eigenaar en de eventuele gebruikers van de buisleiding; d. de uitwendige diameter van de buisleiding in millimeters; e. de maximale werkdruk uitgedrukt in kilopascal; f. de wanddikte van de buis in millimeters en g. de ligging van de bovenkant van de buisleiding ten opzichte van het maaiveld, in centimeters. 2. Artikel 9, eerste lid, onderdelen d en e, is van overeenkomstige toepassing op buisleidingen aangewezen ingevolge de artikelen 6 en 7. Artikel 12 Onverminderd artikel 8 bevat het register ten aanzien van transportroutes aangewezen ingevolge artikel 5 en 7 tevens de volgende gegevens: a. indien beschikbaar het groepsrisico van de transportroutes, uitgedrukt in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers per kilometer lengte van de transportroute en op de verticale as de cumulatieve kansen per jaar op ten minste dat aantal slachtoffers; b. de eventuele naam of aanduiding waaronder de transportroutes bekend zijn. Artikel 13 Onverminderd de artikelen 8 en 10, eerste lid, bevat het register een overzicht op een kaart waaruit de geografische ligging van de inrichtingen, transportroutes en buisleidingen waarover in het register gegevens zijn opgenomen blijkt. Op de kaart worden opgenomen de ligging van de 10-6 per jaar contour van het plaatsgebonden risico, en indien beschikbaar, de 10-5 per jaar contour en de 10-8 per jaar contour van het plaatsgebonden risico als bedoeld in artikel 8, onderdeel c, alsmede de afstanden die gelden voor inrichtingen als bedoeld in artikel 4, onderdelen c en g. Artikel 14 Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de gegevens die het register bevat en de verdere inrichting en vorm van het register. Paragraaf 4. Termijnen voor de verstrekking van gegevens aan het RIVM Artikel 15 1. De verstrekking van gegevens als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10 aan het RIVM, met betrekking tot inrichtingen vindt plaats binnen twee weken na: a. het in werking treden van een besluit tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of artikel 15, onderdeel b, van de Kernenergiewet; b. de ontvangst van een melding als bedoeld in artikel 8.41, tweede lid, van de wet; c. een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State of een uitspraak van de Voorzitter van die Afdeling, inzake een besluit, als bedoeld in de onderdelen a of c, of een melding als bedoeld in onderdeel b. 2. De verstrekking van gegevens als bedoeld in de artikelen 8, 11 en 12 aan het RIVM, met betrekking tot transportroutes of buisleidingen vindt plaats:
a. op basis van vooraf geraamde gegevens binnen twee weken na in gebruik name van de nieuw aangelegde of gewijzigde transportroute of buisleiding en b. op basis van tijdens het gebruik van de transportroute of buisleiding verzamelde gegevens binnen zes maanden na ingebruikname van de nieuw aangelegde of gewijzigde transportroute of buisleiding. 3. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid, draagt het bevoegd gezag ervoor zorg dat de gegevens in het register ten minste eens per vijf jaar worden geactualiseerd. Artikel 16 1. In afwijking van artikel 15, eerste lid, vindt verstrekking aan het RIVM van gegevens als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 10 voor inrichtingen ten aanzien waarvan ten tijde van het in werking treden van dit besluit reeds een besluit als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a of c, in werking is getreden, een melding als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdeel b, is ontvangen of een uitspraak als bedoeld in artikel 15 eerste lid, onderdeel d, is gedaan, plaats binnen twaalf maanden na het in werking treden van dit besluit voor zover de gegevens ingevolge een wettelijk voorschrift beschikbaar zijn of behoren te zijn. 2. In afwijking van artikel 15, eerste lid, vindt verstrekking aan het RIVM van gegevens als bedoeld in artikel 8 tot en met 10 voor inrichtingen als bedoeld in artikel 3, onderdelen a, b, e en g, en artikel 4, onderdelen a, c en f, indien voor die inrichtingen ten tijde van het inwerkingtreden van dit besluit de gegevens als bedoeld in artikel 8 niet ingevolge een wettelijk voorschrift beschikbaar zijn of behoren te zijn, plaats binnen twaalf maanden na het in werking treden van dit besluit. 3. In afwijking van artikel 15, eerste lid, vindt verstrekking aan het RIVM van gegevens als bedoeld in artikel 8, voor inrichtingen als bedoeld in artikel 3, onderdeel f, en artikel 4, onderdelen b, d en e, indien voor die inrichtingen ten tijde van het in werking treden van dit besluit de gegevens als bedoeld in artikel 8 niet ingevolge een wettelijk voorschrift beschikbaar zijn of behoren te zijn, plaats binnen twaalf maanden na het in werking treden van dit besluit. 4. In afwijking van artikel 15, tweede lid, vindt verstrekking aan het RIVM van gegevens als bedoeld in artikel 8 met betrekking tot transportroutes als bedoeld in artikel 5 en buisleidingen als bedoeld in artikel 6 die voor het in werking treden van dit besluit zijn aangelegd, plaats binnen twaalf maanden na het in werking treden van dit besluit. Paragraaf 5. Overige bepalingen Artikel 17 Onze Minister kan gegevens als bedoeld in de artikelen 8 tot en met 12 aanwijzen die uitsluitend zijn in te zien bij het bevoegd gezag. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop toegang kan worden verkregen tot de aangewezen gegevens. Artikel 18 Voor het vervaardigen van afschriften van in het register opgenomen gegevens wordt een vergoeding in rekening gebracht die wordt berekend volgens de normen van het Besluit tarieven openbaarheid van bestuur. Artikel 19 [Wijzigt het Besluit externe veiligheid inrichtingen.] Artikel 20 [Wijzigt het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.] Paragraaf 6. Slotbepalingen
Artikel 21 Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel 22 Dit besluit wordt aangehaald als: Registratiebesluit externe veiligheid. Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
BIJLAGE 6 Regeling provinciale risicokaart
(Tekst geldend op: 20-04-2012) Regeling provinciale risicokaart De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Gelet op artikel 6a, derde lid, van de Wet rampen en zware ongevallen; Besluit: Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: a. wet: de Wet veiligheidsregio s; b. risicokaart: de via internet toegankelijke provinciale risicokaart, bedoeld in artikel 45 van de wet. Artikel 2 1. Op de risicokaart worden met inachtneming van de artikelen 3 en 4 de in de provincie aanwezige plaatsgebonden en geografisch te onderscheiden risico s vermeld met betrekking tot de volgende categorieën rampen: a. ongevallen met brandbare of explosieve stoffen in inrichtingen of tijdens het transport; b. ongevallen met giftige stoffen in inrichtingen of tijdens het transport; c. kernongevallen; d. luchtvaartongevallen; e. ongevallen op water; f. verkeersongevallen op land; g. ongevallen in een tunnel; h. brand in een groot gebouw; i. instorting van een groot gebouw; j. paniek in een menigte; k. verstoring van de openbare orde; l. overstroming; m. natuurbrand. 2. Op de risicokaart worden tevens de in het eerste lid genoemde risico s in de aangrenzende provincie vermeld binnen een afstand van ten minste15 kilometer van de provinciegrens. Artikel 3 1. Op de risicokaart worden risico s in verband met de in artikel 2, eerste lid, onderdelen a en b, genoemde ongevallen met stoffen vermeld indien de hoeveelheid van de bedoelde stoffen de in bijlage I genoemde drempelwaarde overschrijdt. 2. Op de risicokaart worden risicolocaties in verband met de in artikel 2, eerste lid, onderdelen d tot en met m, genoemde categorieën rampen vermeld indien zij voldoen aan de in bijlage II vermelde voorwaarden. Artikel 4 1. Op de risicokaart worden de in bijlage III genoemde gebouwen en objecten vermeld die voldoen aan de daarbij vermelde voorwaarden. 2. Op de risicokaart worden in ieder geval de in bijlage IV genoemde onderdelen vermeld in verband met overstroming als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel l. Artikel 5 De colleges van burgemeester en wethouders maken voor levering van de gegevens aan
gedeputeerde staten gebruik van het systeem van elektronische invoer dat ook wordt gebruikt voor de levering van de gegevens aan het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu ten behoeve van het openbare register, bedoeld in artikel 12.12 van de Wet milieubeheer. Artikel 6 Gedeputeerde staten vermelden de door het college van burgemeester en wethouders, het bestuur van een waterschap of de Minister van Verkeer en Waterstaat geleverde gegevens op de risicokaart, nadat het college, het bestuur respectievelijk de minister heeft bevestigd dat de geleverde gegevens op de juiste wijze zijn verwerkt. Artikel 7 1. Indien op de risicokaart vermelde gegevens die afkomstig zijn van de gemeente niet langer juist zijn, levert het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken na het tijdstip waarop de gegevens zijn gewijzigd, de nieuwe gegevens aan gedeputeerde staten. 2. Indien in het overleg, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet, blijkt dat de inventarisatie van risico s die ten grondslag ligt aan het risicoprofiel van de veiligheidsregio afwijkt van de door de colleges van burgemeester en wethouders geleverde gegevens die op de risicokaart worden weergegeven, levert het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van wie de gegevens afkomstig zijn, gedeputeerde staten binnen vier weken aangepaste gegevens. Artikel 8 1. Gedeputeerde staten produceren de risicokaart overeenkomstig het door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vastgestelde functioneel ontwerp, waarin de uitgangspunten en de specificaties voor het informatiesysteem voor het landelijk model van de risicokaart zijn beschreven. 2. Gedeputeerde staten kunnen van het functioneel ontwerp afwijken indien de afwijking op de risicokaarten van alle provincies wordt toegepast. 3. Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat op de risicokaart niet de afstanden worden getoond, waarbinnen doden en/of gewonden kunnen vallen, in het geval zich een ongeval voordoet met de in artikel 3, eerste lid, bedoelde stoffen. Artikel 9 [Vervallen per 01-10-2010] Artikel 10 [Vervallen per 01-10-2010] Artikel 11 [Vervallen per 01-10-2010] Artikel 11a Deze regeling berust op artikel 45, derde lid, van de wet en op de artikelen 3.4, zevende lid, en 4.9, derde lid, van het Waterbesluit. Artikel 12 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling provinciale risicokaart.
BIJLAGE 7 Artikel 45 Wet veiligheidsregio s en artikel 12.2 Wet milieubeheer
Artikel 45 Wet veiligheidsregio s 1. Gedeputeerde staten dragen zorg voor de productie en het beheer van een geografische kaart waarop de in de veiligheidsregio aanwezige risico s zijn aangeduid, op basis van het risicoprofiel, bedoeld in artikel 15. De risicokaart vermeldt de plaatsgebonden en geografisch te onderscheiden risico s alsmede de gegevens die zijn opgenomen in het openbare register, bedoeld in artikel 12.12 van de Wet milieubeheer. De kaart is openbaar. 2. De colleges van burgemeester en wethouders in de provincie en de directeur-generaal van het Rijksinstituut voor volksgezondheid en milieu leveren gedeputeerde staten de voor de uitvoering van het eerste lid benodigde gegevens. 3. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de in de risicokaart op te nemen categorieën van rampen en crises, over de productie, het beheer en de vormgeving van de risicokaart, over de wijze waarop en de frequentie waarmee de daarvoor benodigde gegevens dienen te worden aangeleverd en over de wijze waarop toegang kan worden verkregen tot onderdelen van de risicokaart. Artikel 12.12 Wet milieubeheer 1. Er is een openbaar register dat gegevens bevat over de externe veiligheid. 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden de categorieën van inrichtingen, transportroutes en buisleidingen aangewezen dan wel mede de gevallen waarover het register gegevens bevat inzake de externe veiligheid. 3. Het register wordt beheerd door het RIVM. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gegevens die door het RIVM in het register worden opgenomen. 5. Bij of krachtens de in het vierde lid bedoelde maatregel kunnen tevens regels worden gesteld omtrent de vorm, inrichting en de toegankelijkheid van het register en de wijze waarop het register wordt bijgehouden.