Tweede Kamer der Staten-Generaal



Vergelijkbare documenten
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Besluit van 2 maart 1994, houdende vaststelling van een reglement van orde voor de ministerraad*

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Wij Willem Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Voorstel van wet. Artikel I. De Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 3 komt te luiden:

REGLEMENT BEZWAARSCHRIFTEN PUBLIEKE OMROEP

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Satuten van het Broederschap der Notariële Studenten te Leiden

Tweede Kamer der Staten-Generaal

HUISHOUDELIJK REGLEMENT VOGELWACHT UTRECHT

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Wet op de loonvorming Wet van 12 februari 1970, houdende regelen met betrekking tot de loonvorming

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Hoofdstuk I. Definities

Eerste Kamer der Staten-Generaal

VERORDENING BESTUURSCOMMISSIE OPENBAAR BASISONDERWIJS WEERT

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Reglement van het Verantwoordingsorgaan

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Regeling Geschillen- en Bezwarencommissie Orionis Walcheren WSW

In het kort de taken en werkwijze van de cliëntenraad. In de statuten staan deze uitgebreid beschreven.

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

HUISHOUDELIJK REGLEMENT

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 1987

Verordening behandeling bezwaarschriften Orionis Walcheren Ambtenaren

Statuten Stichting Actuarieel Instituut

Wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête

Artikel 2 1. De leden van de commissie worden benoemd door de raad van toezicht op voordracht van het bestuur.

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden. RMC-wet Jaargang 2001 Staatsblad

Bijlage behorende bij Eilandsverordering vaststelling diverse ontwerp-landsverordeningen land Curaçao (A.B no. 87)

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Verordening behandeling bezwaarschriften Sociale regelingen Orionis Walcheren

Regeling Geschillen- en Bezwarencommissie Orionis Walcheren WSW

Klachtenregeling VeWeVe

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Samenwerkingsovereenkomst cliëntenraad en Bureau Beckers.

Wet schadefonds geweldsmisdrijven in werking per

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Transcriptie:

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1979-1980 15 997 Machtiging van Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk tot oprichting van een stichting Fonds voor de scheppende toonkunst (Besluit Fonds voor de scheppende toonkunst) Nr. 4 BIJLAGE BIJ DE MEMORIE VAN TOELICHTING Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz. Op de voordracht van Onze Minister van Cultuur, Recreatie en MaatschappelijkWerkvan7juni 1979, Directie Kunsten Nr. U188.299; Gelet op de artikelen 2 en 3 van de Fondsenwet scheppende kunsten; Gezien de adviezen van de Raad voorde Kunst (adviezen van 19 maart 1979); De Raad van State gehoord (advies van Gezien het nader rapport van Onze Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van Hebben goedgevonden en verstaan: Artikel 1 Onze Minister wordt gemachtigd tot de oprichting van een stichting Fonds voor de scheppende toonkunst. Artikel 2 De stichting Fonds voor de scheppende toonkunst heeft ten doel het tot stand komen en het voor gebruik gereed maken van werken van scheppende toonkunst te bevorderen. Zij kan dit nastreven door het verstrekken van financiële uitkeringen welke aan dat doel ten goede komen. Artikel 3 De statuten van de stichting, die voor de eerste maal door Onze Minister worden vastgesteld, kunnen slechts met toestemming van Onze Minister worden gewijzigd. Zij dienen in overeenstemming te zijn met de bepalingen van de Fondsenwet scheppende kunsten en met de bepalingen van dit besluit. Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15997, nrs. 1-4 13

Artikel 4 De bestuursleden van de stichting worden, met inachtneming van hetgeen daarover in de statuten nader is bepaald, benoemd en ontslagen door Onze Minister. De meerderheid van de leden wordt benoemd op voordracht van de Raad voor de Kunst en van organisaties van scheppende toonkunstenaars. Ten minste één van de bestuursleden komt voort uit de kringen van gebruikers van werken van scheppende toonkunst. Artikel 5 Het bestuur van de stichting beslist over de verlening van opdrachten, werkbeurzen en andere uitkeringen na advies van een of meer adviescommissies, waarvan de leden door het bestuur worden benoemd. Bij een en ander wordt aandacht gegeven aan alle vormen van scheppende toonkunst en aan het terrein van de amateuristische muziekbeoefening. Artikel 6 Het bestuur van de stichting doet van een beslissing over de verlening van een opdracht, een werkbeurs of een andere uitkering mededeling aan degene die zich daarvoor tot de stichting heeft gewend. Indien op een aanvraag of een voorstel voor een opdracht, een werkbeurs of een andere uitkering afwijzend is beslist, bevat de mededeling tevens een motivering van die beslissing. Artikel 7 Het bestuur van de stichting dient jaarlijks vóór een door Onze Minister te bepalen datum een werkplan met een begroting voor het komende jaar bij Onze Minister in. Onze Minister vraagt daarover het advies van de Raad voor de Kunst. Artikel 8 Het bestuur van de stichting doet jaarlijks vóór een door Onze Minister te bepalen datum, onder overlegging van een door een registeraccountant goedgekeurde jaarrekening, rekening en verantwoording over zijn in het afgelopen jaar gevoerde financiële beheer. Artikel 9 Het bestuur van de stichting brengt jaarlijks vóór een door Onze Minister te bepalen datum verslag uit over de werkzaamheden van de stichting in het afgelopen jaar en over het gevoerde beleid. In dit verslag, dat door de stichting openbaar wordt gemaakt, wordt vermeld aan wie en tot welke bedragen in het afgelopen jaar opdrachten, werkbeurzen en andere uitkeringen zijn verleend. Onze Minister vraagt over dit verslag het advies van de Raad voor de Kunst. Artikel 10 De stichting kan worden ontbonden door een besluit van het bestuur, welk besluit de goedkeuring van Onze Minister behoeft, alsmede door een besluit van Onze Minister, gehoord het bestuur. In beide gevallen zal aan het liquidatiesaldo een bestemming worden gegeven die zoveel mogelijk in overeenstemming is met het doel van de stichting. Een besluit van het bestuur tot bestemming van het liquidatiesaldo behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15997, nrs. 1-4 14

Artikel 11 In de statuten van de stichting wordt hetgeen in dit besluit is bepaald nader geregeld. Artikel 12 Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit Fonds voor de scheppende toonkunst. Onze Minister is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State en aan de Algemene Rekenkamer. ONTWERP-NOTA VAN TOELICHTING Besluit Fonds voor de scheppende toonkunst Reeds in het begin van de jaren zestig werd uit de kring van de componisten, in het bijzonder door het Genootschap van Nederlandse componisten (Geneco), aangedrongen op de oprichting van een Fonds voor de scheppende toonkunst (hierna te noemen Fonds), waardoor zij medezeggenschap zouden krijgen in de uitvoering van het beleid gericht op de bevordering van de scheppende toonkunst. In die tijd kwam wel het vergelijkbare Fonds voor de Letteren tot stand, maar over de wenselijkheid van een fonds voor de scheppende toonkunst was men in die tijd nog niet voldoende eensgezind. Het Fonds kwam er in die tijd daarom niet. In 1972 bracht het Geneco bij minister Engels opnieuw de wenselijkheid van een Fonds ter sprake. De minister bleek niet afwijzend te staan tegenover de gedachte aan de vorming van zulk een Fonds. Hij verzocht het Geneco zijn voorstellen nader uit te werken in meer concrete plannen, daarbij wel wijzende op de gevaren en moeilijkheden die kunnen kleven aan zo'n Fonds, dat immers de componisten plaatst voorde noodzaak in eigen kring selectief te zijn. De toenmalige minister stelde zich het beheer over zulk een Fonds voor als een «beheer door de betrokkenen», waartoe hij niet alleen de componisten maar ook de uitvoerende musici, de subsidiegevers en vertegenwoordigers van het publiek wilde rekenen. De uitnodiging om de gedachten in een meer concrete vorm uit te werken heeft het Geneco aanvaard. Eind 1974 diende het Geneco uitgewerkte voorstellen bij minister Van Doorn in. Deze kon zich in beginsel met de plannen verenigen. Nadat hij het advies had gevraagd van de Raad voor de Kunst werd een werkgroep ingesteld, bestaande uit betrokkenen bij het muziekleven, ten einde de opstelling van het Fonds voor te bereiden. Deze werkgroep diende op 31 maart 1977 een rapportin met ontwerpen voor statuten en huishoudelijk reglement. In de tijd dat er ten departemente aan werd gewerkt om deze voorstellen om te zetten in de oprichting van een Fonds, trad de Comptabiliteitswet 1976 inwerk. Ingevolge artikel 40 van deze wet kan een Fonds als hier bedoeld alleen met een machtiging bij of krachtens een daartoe strekkende wet worden opgericht. Een ontwerp voor zulk een machtigingswet is in de vorm van het ontwerp- Fondsenwet scheppende kunsten bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingediend. Voor een toelichting op de wenselijkheid van fondsen voor de scheppende kunsten in het algemeen wordt naar de memorie van toelichting op dat wetsontwerp verwezen. Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15997, nrs. 1-4 15

De bevordering van het tot stand komen van muzikale composities-duidelijk vallende onder een der doelstellingen van het Directoraat-Generaal voor Culturele Zaken van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, namelijk de ontwikkeling van culturele waarden - leent zich goed voor een afzonderlijke behandeling door een fonds. Het gaat hier immers om een beperkt en duidelijk afgebakend terrein, dat door deskundigen goed kan worden overzien. De middelen, uitkeringen aan en ten behoeve van componisten, zijn voor die deskundigen zonder ingewikkelde structuren toe te passen. Door het invoeren van controlemogelijkheden en van openbaarheid kan voldoende objectiviteit worden gewaarborgd. Enerzijds is voorts de muziekwereld betrekkelijk klein, zodat men eikaars handel en wandel pleegt te kennen en dus het handelen van het fonds goed zal kunnen volgen; anderzijds is zij niet zo klein dat het gevaar zou ontstaan van een gesloten gemeenschap, die de buitenwereld weert. In het Fonds zal de deskundigheid op het gebied van de scheppende kunst essentieel zijn. Die kan gevonden worden bij de componisten zelf en bij de gebruikers. Daaronder zijn vooral te rekenen degenen, die als beroepsmusici of amateurs ook muziek van hedendaagse componisten plegen uittevoeren. De werkzaamheden die het Fonds zal gaan verrichten, het verlenen van opdrachten, werkbeurzen en eventueel andere uitkeringen aan en ten behoeve van componisten, geschiedden tot nu toe door de Minister die zich daartoe door speciale adviescommissies liet bijstaan. Deze werkzaamheden zullen sneller en efficiënter door het Fonds kunnen geschieden. Daar komt bij, dat het zuiverder is wanneer degenen die oordelen over artistieke kwaliteiten daarvoor ook de formele verantwoordelijkheid gaan dragen. Tot nu toe werd die verantwoordelijkheid gedragen door de Minister, die zich weliswaar liet bijstaan door adviescommissies en van hun artistieke oordeel zelden of nooit is afgeweken, maar zijn verantwoordelijkheid daarop niet kan overdragen. Belangrijk is ook dat door dit Fonds de betrokkenen een aanzienlijke mate van geformaliseerde inspraak krijgen over de besteding van overheidsgelden op hun terrein. Dit past in het streven van de Regering de burgers meer te betrekken bij de beslissingen over zaken die hen raken. In dit streven past voorts, dat gebruikers van scheppende toonkunst bij het bestuur worden betrokken. Ook de openbare verantwoording welke is voorgeschreven, draagt daartoe bij. Over het belang van de scheppende toonkunst voor ons culture- Ie leven hoeft hier niet te worden gesproken. Het is in het verleden vele malen uiteengezet en blijkt ook uit de beschikbaarstelling van gelden voor dat doel door de begrotingswetgever. De oprichting van het Fonds zal - zo blijkt wel uit het voorgaande - tegemoetkomen aan een reeds lang door betrokkenen gekoesterde en door de rijksoverheid als gerechtvaardigd erkende wens. De algemene maatregel van bestuur geeft vooreerst de ingevolge de wet vereiste machtiging voorde oprichting van het Fonds. Zijn taak zal -in overeenstemming met de wet - bestaan uit het bevorderen van de totstandkoming en voor het gebruik gereedmaken van composities door het verstrekken van uitkeringen voor dat doel. Dat zullen in hoofdzaak uitkeringen zijn om componisten in staat te stellen scheppende arbeid te verrichten en eventueel ook om hun partituren te laten vermenigvuldigen. Voor het uitvoeren van hedendaagse muziek zullen de gelden - in verband met de Fondsenwet scheppende kunsten - niet kunnen worden gebruikt. Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15997, nrs. 1-4 16

Het ontwerp-besluit bevat voorts enkele globale richtlijnen, waaraan het fonds en zijn statuten zullen moeten voldoen. Een gedetailleerde regeling van bestuurssamenstelling en werkwijze hoort niet thuis in een algemene maatregel van bestuur, maar in de statuten en eventueel in een huishoudelijk reglement. Artikel 3 Uit de oprichting door de Minister volgt dat deze voor de eerste maal de statuten moet vaststellen. Uit het min of meer autonome karakter volgt, dat het voor de hand ligt dat de mogelijkheid van wijziging van de statuten geregeld wordt in die statuten. In verband met zijn wettelijke basis en met de verantwoordelijkheid die de rijksoverheid heeft door haar delegatie van bepaalde bevoegdheden aan het Fonds, is het min of meer vanzelfsprekend dat statutenwijziging slechts met goedkeuring van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk kan plaatsvinden. Artikel 4 Het ligt ook voor de hand dat de Minister de bestuursleden zal benoemen, en dat daartoe met de muziekwereld overleg wordt gepleegd. Op welke wijze dat zal gebeuren zal in de statuten worden geregeld. Artikel 5 Ter waarborging van zo objectief mogelijke beslissingen wordt voorgeschreven, dat het bestuur zich zal moeten doen bijstaan door adviescommissies. Ook hier wordt de regeling van de wijze waarop dit moet geschieden aan de statuten overgelaten. Voorgeschreven wordt dat aan alle vormen van scheppende toonkunst aandacht moet worden geschonken en dat ook het terrein van de amateuristische muziekbeoefening de nodige aandacht moet krijgen. Artikel 6 Overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zullen de aanvragers een - zo nodig gemotiveerd - antwoord moeten krijgen. Bij gebreke daarvan zullen zij AROB-beroep kunnen instellen. Artikel 7 Het bestuur zal jaarlijks een werkplan met een begroting moeten indienen, waarover de Minister het oordeel vraagt van de Raad voor de Kunst. Artikel 9 Zowel aan de hand van werkplan en begroting als van het jaarverslag kunnen de werkzaamheden van het fonds worden geëvalueerd. Het advies van de Raad voor de Kunst kan daarbij moeilijk worden gemist. De Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, M. H. M. F. Gardeniers-Berendsen Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15997, nrs. 1-4 17