ARBEIDSMIGRANTEN OP DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT
Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt Maastricht, februari 2015 Etil Janneke Gardeniers, Msc. Maarten Poeth, Msc. Jeroen de Quillettes, Msc. ROA dr. Didier Fouarge dr. Annemarie Künn Marloes de Hoon, Msc.
INHOUDSOPGAVE Pagina 1 INLEIDING 2 1.1 Vraagstelling & onderzoeksmethode 2 1.2 Definitie & verantwoording 3 1.3 Leeswijzer 5 2 ARBEIDSMIGRANTEN IN LIMBURG 6 2.1 Migranten in Limburg 6 2.2 Werkende arbeidsmigranten in Limburg 8 2.3 Arbeidsmigranten uit MOE-landen 10 2.4 Non-registratie en irreguliere arbeid 10 3 VERDELING ARBEIDSMIGRANTEN NAAR SECTOREN 13 3.1 Werkende arbeidsmigranten naar sector 13 3.2 Werkende arbeidsmigranten naar sector en regio 15 3.3 Werkende MOE-landers naar sector 17 4 ARBEIDSMIGRANTEN EN DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT 18 4.1 Motieven van werkgevers 18 4.2 Loon, dienstverband en werkloosheid van arbeidsmigranten 20 4.3 Verdringing 24 4.4 Tekorten aan personeel in Limburg 27 5 SAMENVATTING & CONCLUSIES 29 5.1 Samenvatting 29 5.2 Conclusies 31 6 AANBEVELINGEN VOOR AANVULLEND ONDERZOEK 34 BIJLAGE A REFERENTIES 36 BIJLAGE B VRAGENLIJST INTERVIEWS 38 BIJLAGE C AFBAKENING EU-26, EU-24 en EU-11 40 BIJLAGE D AANVULLENDE TABELLEN EN FIGUREN 41 Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 1
1 INLEIDING In Nederland werken veel arbeidsmigranten. Zij leveren een bijdrage aan de Nederlandse economie door het verhogen van het bruto nationaal product en verhogen daarmee ook onze welvaart. Gezien haar ligging, de afnemende bevolking en tekorten aan arbeidskrachten profiteert ook de Limburgse economie van een stevige bijdrage van arbeidsmigranten. De Provincie Limburg wil vanuit een integrale visie op arbeidsmigratie haar bijdrage leveren aan het in goede banen leiden van arbeidsmigratie in Limburg. De toenemende stroom arbeidsmigranten stelt de Provincie Limburg naar eigen zeggen voor een dilemma: de Limburgse economie heeft behoefte aan buitenlandse arbeidskrachten (deels extra handen, deels extra hoofden), terwijl het draagvlak in de samenleving en de noodzakelijke voorzieningen daar (nog) niet bij aansluiten. Om meer samenhang, richting en slagkracht te creëren heeft de Provincie Limburg een visie op arbeidsmigratie 1 opgesteld, daarin selecteert ze een viertal prioriteiten: huisvesting arbeidsmigranten: realisatie van voldoende adequate huisvesting voor verschillende groepen arbeidsmigranten; integratie en taal: betere integratie en taalbeheersing van arbeidsmigranten; kennis en beeldvorming: betere kennisvergaring en verspreiding en eerlijke beeldvorming over arbeidsmigratie. Ook adequate informatievoorziening en dienstverlening voor arbeidsmigranten; en arbeidsmarkt: verbetering van de afstemming tussen arbeidsmigratie en de Limburgse arbeidsmarkt. 1.1 Vraagstelling & onderzoeksmethode In het kader van haar ambities op het gebied van kennis en beeldvorming en arbeidsmarkt heeft de Provincie behoefte aan een set van onderzoeksgegevens die een integraal en feitelijk beeld geven van de (ontwikkeling van) en de aanwezigheid van arbeidsmigranten in Limburg. Er is daarom aan Etil en ROA gevraagd onderzoek te doen rond het thema arbeidsmigranten. De centrale doelstelling van het onderzoek is het uitvoeren van een nulmeting: het leveren van een basisset aan gegevens die een integraal en feitelijk beeld geven van de huidige situatie rondom arbeidsmigranten in Limburg. Om tot deze basis aan gegevens te komen is er gebruik gemaakt van een drietal onderzoeksmethoden. Allereerst is er een uitgebreide literatuurstudie gedaan naar bestaand onderzoek rond het thema arbeidsmigratie. Dit zijn vooral landelijke studies. Er is een lijst samengesteld van relevante studies naar arbeidsmigratie (zie bijlage A). Deze rapporten geven inzicht in extra cijfermateriaal, maar ook in relevante trends en ontwikkelingen. Naast de literatuurstudie, is er samengewerkt met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) om gegevens te verkrijgen over arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt. Hiervoor is aangehaakt bij de Migrantenmonitor die het CBS jaarlijks in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) uitvoert. Deze monitor bevat gegevens over het aantal arbeidsmigranten, waar zij werken, wat hun achtergrond- en baankenmerken zijn. Tot slot zijn er een negental interviews gehouden met Limburgse werkgevers, uitzendbureaus en andere veldexperts. In deze interviews zijn enkele veelvoorkomende arbeidsmarktthema s rondom arbeidsmigranten belicht, waaronder keuzemotieven van werkgevers, integratie van arbeidsmigranten, non-registratie en irreguliere arbeid en verdringing (zie bijlage B). De inzichten verkregen via de verschillende onderzoeksmethoden, zijn verwerkt in dit rapport. 1 Provincie Limburg, Strategische Kadernotitie Arbeidsmigratie (mei 2013) Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 2
1.2 Definitie & verantwoording Definitie In dit onderzoek is de groep migranten afgebakend tot de eerstegeneratieallochtonen (herkomstgroepering) die geboren zijn in één van de EU-26 landen, met uitzondering van Nederland, België en Duitsland (en de overzeese gebieden van de EU-lidstaten), en in Nederland wonen en/of werken. België en Duitsland zijn buiten de definitie migranten gelaten omdat de groep mensen die afkomstig is uit deze landen en werkzaam is in Limburg grotendeels uit grenspendelaars bestaat. De reden voor migratie is niet bekend, er kan dus sprake zijn van gezinsmigratie, studiemigratie of migratie met als hoofdreden arbeid. Beschikbare bronnen In dit onderzoek maken Etil en ROA gebruik van openbaar beschikbare bronnen. Er zijn twee manieren waarop arbeidsmigranten in deze bronnen terecht kunnen komen, namelijk: 1. Zij staan ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA, eind 2013 is de GBA omgedoopt tot BRP 2 ). EU-migranten die gedurende een half jaar meer dan vier maanden in Nederland verblijven, moeten zich inschrijven in de GBA en ontvangen een burgerservicenummer (BSN) 3 ; en 2. De werkgever van de arbeidsmigrant betaalt belasting, waardoor deze arbeidsmigrant voorkomt in de Polisadministratie van de Belastingdienst, ook wel bekend als het werknemersbestand (WNB). In het werknemersbestand zijn gegevens opgenomen van elke baan waarvoor in Nederland premies voor werknemersverzekeringen worden afgedragen. Iedere arbeidsmigrant in dienst van een werkgever komt dus terug in het WNB 4. Ten behoeve van dit onderzoek zijn de gegevens uit zowel de GBA als het WNB gecombineerd door het CBS. Het GBA geeft alle langdurig woonachtige migranten weer en daarin zijn zowel werkende als ook de niet werkende migranten opgenomen. Het WNB geeft alle werkende migranten weer. In figuur 1.1 is schematisch weergegeven hoe deze twee bronnen elkaar aanvullen. Figuur 1.1 Arbeidsmigranten in Limburg a. Totaal arbeidsmigranten b. Geregistreerde arbeidsmigranten niet-geregistreerd Geregistreerd (GBA/WNB) WNB GBA 2 Omdat de gegevens in dit onderzoek betrekking hebben op 2012, wordt in dit rapport overal de term GBA gehanteerd. 3 Het is echter niet gezegd dat zij dit ook altijd doen. 4 Migranten die actief zijn als ondernemer zijn niet opgenomen in dit bestand. Ondernemers die staan ingeschreven bij de KvK in Nederland zijn per definitie ook ingeschreven in de GBA. De omvang van de groep zelfstandigen die in eigen land staat ingeschreven blijft hiermee onbekend. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 3
Vaststelling herkomst migranten Voor het onderzoek is het van belang te weten waar arbeidsmigranten vandaan komen. Er zijn twee manieren om vast te stellen waar een arbeidsmigrant vandaan komt: 1. Van de arbeidsmigranten die in de GBA staan ingeschreven, is het geboorteland bekend. Het land van herkomst is gebaseerd op het geboorteland. 2. Voor personen die geregistreerd staan via de WNB, zijn er twee mogelijkheden voor het bepalen van de afkomst: a. Er is een groep mensen die zowel in het WNB als het GBA voorkomen (zie figuur 1.1). Bij deze groep wordt het land van herkomst (net als bij de GBA) gebaseerd op het geboorteland. b. Voor de andere groep geldt dat zij enkel voorkomen in de WNB en er geen geboorteland geregistreerd is. Van deze mensen is echter wel de nationaliteit bekend. In deze gevallen wordt de nationaliteit gebruikt om personen in te delen naar land van herkomst. Daarbij wordt per jaar de meest recente nationaliteit genomen. Gehanteerde termen Het CBS hanteert binnen de Migrantenmonitor twee belangrijke termen, namelijk: 1. Het aantal arbeidsmigranten met een baan in loondienst. Het gaat hier om alle personen met een baan in loondienst (werknemers) 5 of werkend als zelfstandige 6,7. In feite gaat het om werkende arbeidsmigranten. Waar in de rest van het rapport gesproken wordt over werkende arbeidsmigranten, worden daarmee migranten met een baan bedoeld. 2. Het aantal arbeidsmigranten met een baan en/of inschrijving in de GBA. Deze groep omvat alle geregistreerde arbeidsmigranten. Daarbij gaat het allereerst om werkende arbeidsmigranten (zie punt 1) die al dan niet ingeschreven staan in het GBA. Daarnaast behoren tot deze groep de migranten die in het GBA ingeschreven staan, geen baan hebben, maar wel wonen in de Provincie Limburg. Voorbeelden zijn gezinsherenigers, studerende of werkloze arbeidsmigranten. In de rest van dit rapport wordt deze groep aangeduid met de term migranten 8. Als het gaat om de herkomst van arbeidsmigranten worden er in dit rapport meerdere terminologieën gebruikt, namelijk: Buitenlandse EU-burgers: dit betreft arbeidsmigranten afkomstig uit alle 26 landen in de EU ofwel EU-26; Arbeidsmigranten: dit betreft EU-arbeidsmigranten, exclusief België en Duitsland ofwel EU-24; en MOE-landen: dit betreft EU-arbeidsmigranten afkomstig uit Midden- en Oost-Europa ofwel EU-11. In Bijlage C staat een overzicht, welke herkomstlanden onder de indelingen EU-26, EU-24 en EU-11 vallen. 5 Dit kunnen ook expats zijn. 6 Als een persoon zowel werknemer als zelfstandige is, dan wordt hij/zij als werknemer geteld om geen dubbeltellingen te krijgen. 7 De CBS-gegevens over personen in loondienst in dit onderzoek zijn anders opgebouwd en samengesteld dan de werkgelegenheidsgegevens die in RAIL 2014 worden gebruikt. De cijfers die in dit rapport gepresenteerd worden zijn niet een op een vergelijkbaar zijn met de gegevens uit RAIL 2014. 8 Naast het aantal geregistreerde arbeidsmigranten, zijn er ook nog arbeidsmigranten die niet geregistreerd zijn. Paragraaf 2.4 gaat nader in op non-registratie van arbeidsmigranten. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 4
Regionale verdeling migranten Een belangrijk onderdeel van dit onderzoek is de verdeling van arbeidsmigranten over de verschillende regio s binnen Limburg. In eerste instantie wordt daarvoor de woongemeente van arbeidsmigranten gehanteerd. Voor alle migranten die staan ingeschreven in de GBA is het verblijfsadres en dus de woongemeente bekend. Voor de migranten die via het WNB betrokken worden in het onderzoek ligt dit gecompliceerder. Voor een groot deel van deze groep 9 is enkel de werkgemeente bekend. Bij het maken van verdelingen van arbeidsmigranten naar regio, wordt voor deze groep de werkgemeente als uitgangspunt genomen. Hierdoor kan het voorkomen dat er arbeidsmigranten betrokken zijn in het onderzoek die alleen in Limburg werken en er niet wonen. Op basis van de beschikbare gegevens is er echter geen alternatief. 1.3 Leeswijzer Allereerst wordt in hoofdstuk 2 een beeld geschetst van het totaal aantal arbeidsmigranten in Limburg. In hoofdstuk 3 staat het aantal arbeidsmigranten naar sector centraal. In hoofdstuk 4 komen de mogelijke gevolgen van arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt aan bod. Alle bevindingen worden vervolgens in hoofdstuk 5 samengevat en de belangrijkste bevindingen worden op een rij gezet. Het rapport eindigt met enkele suggesties voor vervolgonderzoek (hoofdstuk 6). 9 Namelijk het deel dat niet overlapt met mensen in de GBA. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 5
2 ARBEIDSMIGRANTEN IN LIMBURG In dit hoofdstuk wordt een beeld van het aantal (arbeids)migranten op de Limburgse arbeidsmarkt geschetst 10. Het hoofdstuk gaat in op het aantal migranten in Limburg als geheel, maar besteedt ook aandacht aan de onderliggende regio s en gemeenten. Als uitgangspunt voor deze beschrijving dienen de gegevens van het CBS, de secundaire informatie uit de literatuurstudie en informatie uit de expert-interviews. De gepresenteerde aantallen migranten zijn gebaseerd op officiële registratiecijfers. Uitgaande van de aanname dat er naast geregistreerde arbeid ook niet-geregistreerde (illegale of zwarte arbeid ) door migranten wordt uitgeoefend, zijn de aantallen (arbeids)migranten die in dit hoofdstuk worden gepresenteerd waarschijnlijk een onderschatting van het daadwerkelijk aantal migranten in Limburg. Daarom besteedt dit hoofdstuk ook aandacht aan non-registratie en irreguliere arbeid. 2.1 Migranten in Limburg Sinds lange tijd komen er mensen uit het buitenland om in Limburg te wonen en te werken (Dieteren, 1958). De samenstelling van de groep migranten is in de loop der jaren echter veranderd. Zo kwamen er in eerste instantie met name Italianen en Spanjaarden naar Limburg om in de mijnindustrie te werken. In de jaren daarna volgden veelal personen van Turkse of Marokkaanse afkomst. Tegenwoordig is de stroom migranten uit landen als Polen, Hongarije en Roemenië (Midden- en Oost-Europa) het meest toegenomen. Het aandeel migranten is in Limburg groter dan in Nederland Migranten vormen een belangrijk onderdeel van de Limburgse bevolking. In totaal waren er in 2012 73.750 EU-migranten in Limburg. Uitgedrukt als percentage is dat 6,5% van alle personen 11 in Limburg. Ter vergelijking, in Nederland lag dit percentage op 3,5%. Hieruit blijkt dat er relatief gezien meer migranten in Limburg waren dan landelijk. Iets wat verklaard wordt door de ligging van Limburg en de lange historie die Limburg met migranten heeft. De meeste migranten komen uit Duitsland Verdeeld naar nationaliteit is 42% van alle migranten afkomstig uit Duitsland (30.760 personen), gevolgd door 24% uit Polen (17.770) en 15% uit België (10.900). Hieruit blijkt dat bijna 60% van alle migranten in Limburg afkomstig is uit het naburige België of Duitsland. In hoofdstuk 1 is uitgelegd dat personen afkomstig uit België en Duitsland niet worden meegenomen in dit onderzoek, omdat van deze personen wordt aangenomen dat de meerderheid grenspendelaar is. De focus in dit rapport ligt daarom vanaf dit punt op migranten afkomstig uit de EU-24 landen (oftewel alle landen in de EU, exclusief België en Duitsland). Wanneer in het restant van dit rapport wordt gesproken over (arbeids)migranten, gaat het over personen die afkomstig zijn uit de EU-24 landen, tenzij anders vermeld. 10 In gevallen waar gegevens voor Limburg ontbreken, wordt waar mogelijk landelijke informatie verschaft. 11 Dit zijn personen met een baan en/of inschrijving in de GBA. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 6
Limburg heeft ruim 32.000 migranten Wanneer België en Duitsland buiten beschouwing worden gelaten, blijkt dat er in Limburg in 2012 32.090 migranten woonachtig en/of werkzaam waren. Uitgedrukt als percentage is dat 2,7% van het totaal aantal personen in Limburg. Landelijk ligt dat percentage iets lager, namelijk 2,5% (dat zijn ruim 417.000 migranten). Het procentuele verschil tussen Nederland en Limburg is, na correctie voor Duitsland en België, beduidend kleiner geworden. 55% van de migranten komt uit Polen Tabel 2.1 laat de top 15 zien van landen van waaruit de meeste migranten naar Limburg komen. De meeste migranten zijn afkomstig uit Polen (55%). Ook in Nederland vormen mensen uit Polen de grootste groep migranten, al is dat aandeel met 42% kleiner dan in Limburg. Verder is te zien dat 8,4% van de migranten in Limburg uit het Verenigd Koninkrijk komt, gevolgd door personen uit Italië (5,6%). Ook in Nederland completeren migranten uit deze landen de top-3. Tabel 2.1 Top 15 migranten naar herkomstland, peildatum december 2012 Limburg Nederland Polen 17.770 55,3% Polen 175.770 42,1% Verenigd Koninkrijk 2.710 8,4% Verenigd Koninkrijk 46.760 11,2% Italië 1.800 5,6% Italië 22.830 5,5% Hongarije 1.140 3,5% Hongarije 16.380 3,9% Spanje 1.120 3,5% Spanje 22.130 5,3% Frankrijk 1.000 3,1% Frankrijk 21.130 5,1% Roemenië 940 2,9% Roemenië 14.290 3,4% Griekenland 790 2,5% Griekenland 12.960 3,1% Voormalig Tsjecho-Slowakije 750 2,3% Voormalig Tsjecho-Slowakije 9.260 2,2% Slowakije 650 2,0% Slowakije 2.950 0,7% Portugal 580 1,8% Portugal 18.420 4,4% Oostenrijk 520 1,6% Oostenrijk 5.740 1,4% Bulgarije 490 1,5% Bulgarije 18.240 4,4% Letland 350 1,1% Letland 4.430 1,1% Tsjechië 330 1,0% Tsjechië 1.500 0,4% Overige landen 1.200 3,7% Overige landen 24.280 5,8% Totaal 32.090 100% Totaal 417.040 100% Bron: CBS Migranten zijn relatief jong Van de ruim 32.000 migranten in Limburg is 54% man. In de Limburgse beroepsbevolking is dit 55%. Naar leeftijd verdeeld zijn de meeste migranten tussen de 25 en 35 jaar oud (34%). In de Limburgse beroepsbevolking zijn de meeste mensen juist tussen de 45 en 55 jaar oud (25%). Van alle migranten is 76% jonger dan 45 jaar, terwijl dit in de Limburgse beroepsbevolking 52% is. De groep migranten is daarmee aanzienlijk jonger dan de Limburgse beroepsbevolking. Figuur 2.1 Migranten en Limburgse beroepsbevolking naar leeftijd, december 2012 Migranten Limburg 8% 20% 16% 22% 34% Limburgse beroepsbevolking 23% 25% 17% 16% 15 tot 25 jaar 25 tot 35 jaar 35 tot 45 jaar 45 tot 55 jaar 55 tot 65 jaar 19% Bron: CBS, RAIL 2014 Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 7
Ook ander onderzoek toont aan dat migranten relatief jong zijn. Zo laat het onderzoek Poolse migranten. De positie van Polen die vanaf 2004 in Nederland zijn komen wonen (Sociaal en Cultureel Planbureau, 2011) zien dat 27% van de Polen die maximaal vijf jaar geregistreerd zijn in de GBA, jonger is dan 25 jaar. Maar liefst 89% is jonger dan 45 jaar. Het rapport Aantallen geregistreerde en niet-geregistreerde burgers uit MOE-landen die in Nederland verblijven (van der Heijden, Cruyff, van Gils, 2013) presenteert schattingen van de omvang en de demografische samenstelling van de groep MOE-landers in Nederland. Het rapport schat in dat er in 2010 ruim 340.000 MOE-landers in Nederland aanwezig waren. Hiervan was 29% tussen de 15 en 25 jaar oud, 42% had een leeftijd tussen de 25 en 35 jaar. De overige 29% was 35 jaar of ouder. 2.2 Werkende arbeidsmigranten in Limburg Tot nu toe is gekeken naar het totaal aantal migranten in Limburg. Zoals aangegeven in paragraaf 1.2, heeft het CBS heeft ook gegevens over het aantal werkende arbeidsmigranten 12. Deze paragraaf gaat specifiek in op de kenmerken van deze groep arbeidsmigranten. Het aandeel werkende arbeidsmigranten is in Limburg groter dan in Nederland Er zijn in Limburg 21.620 werkende arbeidsmigranten. Dat is 4% van het totaal aantal werkenden in Limburg (534.500). In Nederland is 3,4% van het totaal aantal werkenden (bijna 7,5 miljoen) een arbeidsmigrant. Groter aandeel Polen onder werkende arbeidsmigranten De top 15 van landen van waaruit de meeste werkende arbeidsmigranten naar Limburg komen is vrijwel identiek als de top 15 in tabel 2.1. Op het moment dat alleen naar werkende arbeidsmigranten gekeken wordt, groeit het aandeel arbeidsmigranten afkomstig uit Polen in Limburg van 55 naar 68%. Regio s verschillen in aantal werkende arbeidsmigranten Arbeidsmigranten leveren in Limburg een belangrijke bijdrage aan de economie, gezien het feit dat 4% van de werknemers in Limburg een werkende arbeidsmigrant is. Deze economische bijdrage is niet evenredig verdeeld over de regio s. Noord-Limburg telt 12.640 werkende arbeidsmigranten, waarmee arbeidsmigranten ruim 8% vormen van het totaal aantal werkenden in Noord-Limburg. In Midden-Limburg bedraagt dit aandeel van arbeidsmigranten 3,5% (3.930 personen) en in Zuid-Limburg 1,9% (5.050 personen). Het verschil tussen de drie regio s is hoofdzakelijk het gevolg van de onderling sterk verschillende sectorstructuur. In hoofdstuk 3 komen de sectoren waarin arbeidsmigranten in Limburg werkzaam zijn aan bod. Meeste arbeidsmigranten in Venray, Venlo, Horst aan de Maas en Roermond Figuur 2.2 toont de verdeling van zowel het aantal (getal) als het aandeel (kleur) werkende arbeidsmigranten naar gemeente. Met name de gemeenten Venray, Venlo, Horst aan de Maas, Roermond en Maastricht springen eruit qua aantallen werkende arbeidsmigranten. Op het moment dat het aantal arbeidsmigranten wordt uitdrukt als percentage van het totaal aantal werknemers in een gemeente, verandert dit plaatje niet veel. Ook dan hebben de gemeenten Venray (19%), Horst aan de Maas (8%), Roermond (7%) en Venlo (7%) (relatief gezien) de meeste werkende arbeidsmigranten. 12 Het gaat dan specifiek om personen in loondienst. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 8
Figuur 2.2 Aantal (getallen) en aandeel (kleur) arbeidsmigranten per gemeente, 2012 Bron: CBS Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 9
2.3 Arbeidsmigranten uit MOE-landen Op 1 mei 2004 zijn Polen, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Estland, Letland, Litouwen en Slovenië toegetreden tot de Europese Unie. Op 1 januari 2007 volgden Bulgarije en Roemenië. Door de toetreding van de MOE-landen tot de EU en het afschaffen van de tewerkstellingsvergunning is het voor mensen uit deze landen steeds makkelijker geworden om in Nederland te komen werken. Sindsdien is er een toename van MOE-landers in Nederland en dus ook Limburg zichtbaar. Deze paragraaf gaat daarom specifiek in op het aantal arbeidsmigranten uit de MOE-landen in Limburg. 70% van de migranten in Limburg zijn MOE-landers Limburg telde in 2012 bijna 22.770 geregistreerde migranten afkomstig uit één van de MOElanden. Dit betekent dat van alle migranten in Limburg (exclusief Belgen en Duitsers) ongeveer 70% afkomstig is uit de MOE-landen. In heel Nederland is dat aandeel 60%. Limburg heeft dus een groter aandeel MOE-landers dan Nederland. In Limburg minder arbeidsmigranten uit Hongarije en Bulgarije Van alle MOE-landers in Limburg is 78% afkomstig uit Polen (landelijk is dat aandeel 70%). De verdeling van de overige MOE-landers wijkt in Limburg enigszins af van het landelijke beeld. Zo is in Limburg 5% van de MOE-landers afkomstig uit Hongarije. In Nederland is dit 6,5%. Ook de groep personen afkomstig uit Bulgarije is in Limburg kleiner dan in Nederland. Merendeel MOE-landers werkt In totaal zijn er 17.610 werkende arbeidsmigranten uit de MOE-landen in Limburg actief op de arbeidsmarkt. Dat is 3,3% van het totaal aantal werknemers in Limburg (535.000). Landelijk is dit percentage 2,3%. 2.4 Non-registratie en irreguliere arbeid In deze rapportage worden, zoals in de inleiding aangegeven, migranten meegenomen die via de GBA of het WNB geregistreerd staan. Er blijft dan echter een groep arbeidsmigranten buiten beschouwing, namelijk niet-geregistreerde arbeidsmigranten (zie ook figuur 1.1). Zij staan niet in de GBA ingeschreven en er wordt voor hen door werkgevers geen belasting betaald. Deze groep omvat dus in feite zwartwerkende arbeidsmigranten en zij zijn niet opgenomen in de eerder gepresenteerde aantallen arbeidsmigranten in Limburg. De omvang van deze groep is per definitie onbekend, omdat zij nergens ingeschreven staan. Als gevolg daarvan doen de meeste studies die ingaan op arbeidsmigratie geen uitspraak over de omvang van de groep werkende arbeidsmigranten die niet in de officiële cijfers naar voren komen 13. In deze paragraaf wordt door middel van een literatuurstudie en de interviews gekeken wat er wel bekend is over de omvang van de niet-geregistreerde arbeidsmigranten. 13 Bijvoorbeeld: WRR-Policy Brief 1 Roemeense en Bulgaarse arbeidsmigratie in betere banen (2014/1); de Nederlandse migratiekaart (2014) en SEO onderzoek (2008): De economische impact van arbeidsmigratie uit de MOE-landen, Bulgarije en Roemenië. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 10
De arbeidsinspectie controleert jaarlijks werkgevers op overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) 14. De controles vinden risico gestuurd plaats, waardoor cijfers van de Arbeidsinspectie waarschijnlijk een overschatting geven van het percentage werkgevers dat de Wav overtreedt. Bedrijven en sectoren waarvoor het risico op overtreding laag wordt geschat, zullen immers in veel mindere mate worden gecontroleerd. Doordat de Arbeidsinspectie niet alle werkgevers kan controleren, blijft de kans bestaan dat er overtredingen niet geconstateerd worden. Het aantal illegaal tewerkgestelden ligt in werkelijkheid waarschijnlijk hoger. Experts: scala van overtredingen is zeer breed Het aandeel inspecties 15 waarbij sprake is van overtreding op de Wav en/of Wet Minimumloon varieert 16. Uit de inspecties en de cijfers valt (vooralsnog) niet op te maken of er sprake is van een trend, en welke kant deze trend op gaat. De wijze waarop de inspectie te werk gaat heeft grote invloed op het percentage en hierin heeft zich een groot aantal veranderingen voorgedaan. Zo heeft de inspectie SZW controles geïntensiveerd sinds de start van de Aanpak Malafide Uitzendbureaus (AMU). Ook wordt steeds meer samenwerking met interventieteams gezocht, bijvoorbeeld met het Champignon Interventieteam en het Westland Interventieteam (actief in de sector land- en tuinbouw). In 2013 werd het grootste percentage overtredingen door de Inspectie aangetroffen in de sectoren Bouw, Schoonmaak en Intermediairs/AMU. Ook de Studentenregeling en Kennismigrantenregeling kennen relatief hoge overtredingspercentages 17. Onder het aantal aangetroffen illegaal tewerkgestelden (in 2012 en 2013) vormen de Bulgaren in absolute zin de grootste groep, gevolgd door de Roemenen en Chinezen 18. Bovenstaande feiten komen overeen met het beeld dat uit de expert-interviews naar voren. Daarnaast is aangegeven dat de overtredingen die geconstateerd worden, gradaties kennen. Het kan gaan om een missende vergunning tot aan echte uitbuiting van arbeidsmigranten. Dat hele spectrum wordt meegenomen in de overtredingspercentages. Inschatting experts: aantal zwartwerkende arbeidsmigranten in Limburg beperkt Van der Heijden e.a. (2013, 2011) is de enige groep onderzoekers die probeert in te schatten hoe groot de groep niet-geregistreerde migranten is 19. In hun onderzoek richten zij zich alleen op migranten uit de MOE-landen. Van der Heijden e.a. concluderen dat: Het geschatte percentage niet-geregistreerden is het laagst onder Polen (tussen de 11 en 23% afhankelijk van het scenario 20 ). Voor migranten uit de overige MOE-landen ligt het percentage niet-geregistreerden hoger. Dit verschil wordt onder andere veroorzaakt doordat het onderzoek betrekking heeft op het jaar 2010. In 2010 gold voor Poolse migranten dat zij zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland aan het werk konden. Migranten uit bijvoorbeeld Roemenië en Bulgarije hadden wel nog een vergunning nodig om in Nederland te werken. 14 Werkgevers mogen werknemers met een andere nationaliteit voor zich laten werken als zij afkomstig zijn uit een EU-land (m.u.v. Kroatië), Noorwegen, Liechtenstein, IJsland of Zwitserland. Voor werknemers afkomstig uit andere landen heeft de werkgever een tewerkstellingsvergunning nodig of beschikt de vreemdeling over een vreemdelingendocument (verblijfsvergunning, W-document of geprivilegieerdendocument) waaruit blijkt dat arbeid vrij is toegestaan. De werkgever is verplicht te controleren of zijn werknemers in Nederland mogen werken. Laat de werkgever werknemers zonder de benodigde tewerkstellingsvergunning werken, dan legt de Inspectie een boete op. 15 Uitdrukt als % van het totaal aantal inspecties. 16 Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Jaarverslagen 2005-2013. 17 Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Jaarverslag 2013. 18 Idem. 19 Zij doen dit aan de hand van HKS-registraties (Herkenningsdienstsysteem van de politie). 20 Een derde scenario waarin de onrealistische aanname gedaan wordt dat immigranten die zich inschrijven in de GBA vaker verdachte zijn van een delict dan immigranten die zich niet inschrijven in de GBA, wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 11
Sinds 2010 is er echter het nodige veranderd. Zo mogen intussen ook Bulgaren en Roemenen zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland aan de slag. Hierdoor is het te verwachten dat de percentages niet-geregistreerde migranten uit MOE-landen waarvoor het tegenwoordig is toegestaan om zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland te werken, sinds 2010 zijn gedaald. Dit wil echter niet zeggen dat er vanaf 2014 geen illegale arbeid verricht wordt door migranten uit andere EU landen. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om mensen die in het kader van gezinshereniging naar Nederland komen en zwart schoonmaakwerk verrichten (SEO 2008). Ook verwacht SEO dat er legaal in Nederland verblijvende en werkende MOE-landers zijn die naast hun legale werk zwart bijklussen, maar dat deze groep over het algemeen waarschijnlijk slechts een beperkt aantal uren zwart werkt. Experts: veel initiatieven om registratie van arbeidsmigranten te vergroten Uit de expert-interviews blijkt wel dat er veel initiatieven ontplooid worden om de registratie van arbeidsmigranten verder te bevorderen. Voorbeelden daarvan zijn initiatieven als de Registatie Niet-Ingezetenen (RNI) en Registratie Eerste Verblijfadres (REVA). De RNI registreert personen die niet in Nederland wonen, maar die wel een relatie hebben met (meerdere) Nederlandse overheidsinstellingen. Het gaat bijvoorbeeld om mensen die tijdelijk in Nederland werken. Door inschrijving in het RNI ontvangen mensen een BSN-nummer. Sinds 6 januari 2014 kunnen niet-ingezetenen zich inschrijven in de RNI bij inschrijfvoorzieningen bij 18 gemeenten in Nederland, waaronder Heerlen en Venlo. Het RNI maakt sindsdien ook deel uit van het BRP (opvolger GBA). In 2014 is in vijf gemeenten een pilot gestart met een voorziening voor de REVA. Hierbij wordt het eerste verblijfadres geregistreerd bij het eerste contactmoment tussen EUarbeidsmigranten en de Nederlandse overheid. De pilot zal een jaar duren en moet antwoord geven op de vraag of de registratie van het eerste verblijfadres bijdraagt aan het zicht dat gemeenten op de woonomstandigheden van niet-ingezetenen hebben. Verder wordt nagegaan of de registratie in het REVA bijdraagt aan de mogelijkheden om personen op tijd te wijzen op hun plicht tot inschrijving in de BRP (opvolger GBA). In de pilot doen geen Limburgse gemeenten mee. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 12
3 VERDELING ARBEIDSMIGRANTEN NAAR SECTOREN In totaal werken er 21.620 arbeidsmigranten in Limburg afkomstig uit de EU-24 landen. In dit hoofdstuk wordt geanalyseerd in welke sectoren deze arbeidsmigranten werkzaam zijn. Hierbij wordt ingegaan op de provincie Limburg als geheel, wederom worden ook de subregio s en gemeenten belicht. 3.1 Werkende arbeidsmigranten naar sector Limburgers werken relatief vaak in de industrie In Limburg is (net als landelijk) sprake van verdienstelijking van de economie. Met andere woorden, het aandeel van de agrarische sector en de industriële sectoren in de totale regionale werkgelegenheid neemt af, terwijl het werkgelegenheidsaandeel van de commerciële en niet-commerciële groeit. Ondanks deze trend van verdienstelijking toont figuur 3.1 aan dat het aandeel mensen dat in de industrie werkt, in Limburg nog altijd relatief groot is. Samen met de handel en gezondheids- en welzijnszorg, vormt de industrie de grootste sector in termen van het aantal werkenden. Veel arbeidsmigranten in landbouw, industrie en handel Bij arbeidsmigranten is er echter een ander beeld te zien. Zo is de meerderheid werkzaam in de sector verhuur en (58%), gevolgd door landbouw, bosbouw en visserij (10%) en handel (6%). Een belangrijke kanttekening bij deze cijfers is dat in de sector verhuur en ook de werknemers zijn opgenomen die werkzaam zijn via een uitzendbureau. Omdat het grootste deel van de arbeidsmigranten in Nederland werkt via een uitzendbureau, gaat de volgende paragraaf specifiek in op de uitzendbranche. Figuur 3.1 Verdeling werkende arbeidsmigranten en totaal aantal werkenden naar sector, Limburg en Nederland, 2012 Verhuur en Landbouw, bosbouw en visserij Industrie Handel Vervoer en opslag Onderwijs Horeca Gezondheids- en welzijnszorg Specialistische zakelijke Bouwnijverheid 9% 7% 6% 4% 3% 3% 3% 2% 1% 58% 0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% 40% 45% 50% 55% 60% 65% Limburg - EU-24 Limburg - totaal Nederland - EU-24 Bron: CBS Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 13
Merendeel arbeidsmigranten werkt via uitzendbureau Figuur 3.1 laat zien dat 58% van de werkende arbeidsmigranten in Limburg werkzaam is in de sector verhuur en. In deze sector zijn ook de arbeidsmigranten opgenomen die werkzaam zijn via een uitzendbureau. Het daadwerkelijke aandeel uitzendkrachten in de sector verhuur en is echter niet bekend. Wel kan op basis van literatuuronderzoek gesteld worden dat het aandeel arbeidsmigranten in Nederland dat werkzaam is via een uitzendbureau relatief groot is. Zo wordt in het rapport Arbeidsmigranten uit Midden en Oost Europa (Risbo, 2009) gesproken over 43% van de MOElanders dat in Nederland werkzaam is via een uitzendbureau. Voor Poolse arbeidsmigranten geldt zelfs dat meer dan de helft via een uitzendbureau actief is. Tijdelijke arbeidsmigranten werken vaker via een uitzendbureau dan permanent gevestigde arbeidsmigranten. Zo geeft het rapport De economische waarde van arbeidsmigratie (Mathijssen, 2013) aan dat in de regio Rotterdam bijna driekwart van de tijdelijke arbeidsmigranten actief is via een uitzendbureau. Voor permanente migranten is dat ongeveer een op de vijf. Regionaal zijn er grote verschillen in de aandelen werknemers in de uitzendbranche. In Limburg is het aandeel groter dan landelijk. Ook de expert-interviews bevestigen het beeld dat arbeidsmigranten vaak werkzaam zijn via een uitzendbureau. Flexmigranten vooral actief in logistiek, voedingsmiddelenindustrie en tuinbouw Het onlangs gepubliceerde onderzoek Flexmigranten in Nederland van Conclusr Research BV is een landelijk onderzoek onder uitzendbureaus die aangesloten zijn bij de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU). Deze uitzendbureaus bemiddelen een groot aantal flexmigranten 21. Uit dit onderzoek blijkt dat er in de periode 1 juni 2013 1 juni 2014 ruim 89.000 flexmigranten door ABU leden ter beschikking zijn gesteld, waarvan 6,8% werkzaam was in de provincie Limburg. Landelijk is 30% van de flexmigranten werkzaam in de sector logistiek, werkt 25% in de voedingsmiddelenindustrie en is 21% actief in de tuinbouw. Verder is 9% werkzaam in de landbouw en 7% in de metaalindustrie. De overige flexmigranten zijn werkzaam in sectoren als Haven, scheepvaart & visserij, Bouwbedrijf, Reiniging en Detailhandel. Raming werkende arbeidsmigranten naar sector In dit onderzoek is een modelmatige berekening (raming) gemaakt, waarbij de sector verhuur en herverdeeld is naar de sectoren waarin zij daadwerkelijk worden uitgezonden. Hierbij zijn twee aannames gemaakt: - 95% van de arbeidsmigranten in de sector verhuur en (figuur 3.1) is via een uitzendbureau werkzaam in een andere sector. De resterende 5% is werkzaam in de sector verhuur en. - De verdeling van arbeidsmigranten die werkzaam zijn via een uitzendbureau naar sector (gebaseerd op Flexmigranten in Nederland ), is voor Limburg hetzelfde als voor Nederland. Het resultaat van de raming is weergegeven in figuur 3.2. Te zien is dat 26% van de arbeidsmigranten in Limburg werkt in de landbouw, bosbouw en visserij. Dat aandeel is opvallend groter dan landelijk (19%). Oorzaak ligt in de sterke aanwezigheid van land- en tuinbouw in de regio Noord-Limburg. In de sector industrie is na raming, een kwart van de arbeidsmigranten werkzaam. Ook dit aandeel is hoger dan landelijk (21%). Ongeveer een vijfde van de arbeidsmigranten in Limburg werkt in de sector vervoer en opslag. Nu rekening is gehouden met de uitzendkrachten staat de sector handel niet langer in de top 3 van sectoren met het hoogste percentage arbeidsmigranten. 21 Flexmigranten worden in het onderzoek gedefinieerd als uitzendkrachten die door, dan wel in opdracht van uitzendonderneming buiten Nederland geworven worden en/of in Nederland gehuisvest worden met het oogmerk ze in Nederland werkzaamheden te laten verrichten (Artikel 45 van de CAO voor Uitzendkrachten). Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 14
Figuur 3.2 Raming arbeidsmigranten naar sector, Limburg en Nederland, 2012 landbouw, bosbouw en visserij 19% industrie vervoer en opslag handel onderwijs verhuur en specialistische zakelijke horeca gezondheids- en welzijnszorg bouwnijverheid overige sectoren 17% 7% 11% 3% 3% 3% 2% 3% 5% 3% 4% 3% 4% 2% 3% 5% 10% 21% 21% 26% 25% 0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% Limburg Nederland Bron: CBS, Conclusr Research BV, bewerking Etil en ROA 3.2 Werkende arbeidsmigranten naar sector en regio Regionale verschillen in werkende arbeidsmigranten per sector Figuur 3.3 geeft de verdeling van arbeidsmigranten weer naar sector, voor de drie deelregio s in Limburg. Het betreft hier de geraamde verdeling naar sector. Deze raming is op dezelfde wijze tot stand gekomen als in figuur 3.2. Voor de oorspronkelijke sectorverdeling, op basis van de onaangepaste CBS-gegevens, verwijzen we naar Bijlage D (figuur B3.1). In figuur 3.3 valt een aantal zaken op: - In Noord-Limburg zijn de meeste arbeidsmigranten werkzaam in de sector landbouw, bosbouw en visserij (33%). Dit aandeel is bovendien (veel) groter dan in Midden- en Zuid-Limburg. Gezien de aanwezigheid van de vele land- en tuinbouwbedrijven in Noord-Limburg is dat geen verrassend resultaat. - Midden-Limburg volgt in grote lijnen het beeld van de provincie Limburg. Een verschil is dat in Midden-Limburg de meeste arbeidsmigranten werken in de sector industrie. Daarna komt in Midden-Limburg de landbouw, bosbouw en visserij. In Limburg is die volgorde andersom. - In Zuid-Limburg zijn de sectoren landbouw, bosbouw en visserij, en vervoer en opslag relatief klein, vergeleken met de overige twee regio s. Daarentegen zijn de sectoren onderwijs en horeca relatief groot in het zuiden. De relatief grote onderwijssector wordt met name veroorzaakt door de aanwezigheid van de Maastricht University. Daarnaast zorgt de aantrekkingskracht van het toerisme in deze regio voor meer arbeidsmigranten in de horeca. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 15
Figuur 3.3 Raming verdeling werkende arbeidsmigranten in december 2012 naar sector voor deelregio s in Limburg Limburg 26% 25% 21% 7% Noord- Limburg 33% 26% 23% 4% Midden- Limburg 24% 26% 20% 10% 4% Zuid-Limburg 9% 22% 16% 10% 7% 7% 9% 7% Bron: CBS 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% landbouw, bosbouw en visserij industrie vervoer en opslag handel onderwijs verhuur en specialistische zakelijke horeca gezondheids- en welzijnszorg bouwnijverheid overige sectoren Arbeidsmigranten per sector en gemeente Het CBS beschikt ook over gegevens van arbeidsmigranten op het niveau van de Limburgse gemeenten. Deze paragraaf gaat in op deze gemeentelijke informatie. Het betreft hier de niet-geraamde, oorspronkelijke verdeling 22 van arbeidsmigranten naar sector. In bijlage D staan drie tabellen opgenomen die de aantallen werkende arbeidsmigranten per sector en gemeente laten zien. Voor Noord-Limburg geldt dat in de meeste gemeenten het grootste aantal arbeidsmigranten werkzaam is in de sectoren verhuur en en de landbouw, bosbouw en visserij (tabel B3.1). Dit geldt ook voor Venray, de gemeente met het grootste aantal arbeidsmigranten. In de gemeenten Venlo, Gennep en Mook en Middelaar, is de sector industrie de grootste of de op een-na-grootste sector. In Midden-Limburg zijn relatief veel arbeidsmigranten werkzaam in de sector industrie (tabel B3.2). Dit geldt met name voor de gemeenten Roermond en Echt-Susteren. Ook komt de handel vaker terug als een van de belangrijkste sectoren waarin arbeidsmigranten werkzaam zijn, zoals bij Roerdalen en Nederweert. Toch zijn ook in de gemeenten in Midden-Limburg arbeidsmigranten vaak werkzaam in de sectoren verhuur en, en landbouw, bosbouw en visserij. In de gemeenten in Zuid-Limburg zijn naast de sector verhuur en, relatief veel arbeidsmigranten werkzaam in de sectoren industrie, handel en horeca (tabel B3.3). Daarnaast zijn er veel arbeidsmigranten werkzaam in een aantal kleinere sectoren. Zoals eerder werd aangegeven komt dit door het specifieke karakter van Zuid-Limburg, waarbij onder andere het hoge toeristische gehalte van invloed is op de sectorstructuur. Dit geldt hoofdzakelijk voor Maastricht, de gemeente met het grootste aantal werkende arbeidsmigranten. Hier is zichtbaar dat arbeidsmigranten vaak werkzaam zijn in de horeca. Ook het onderwijs speelt een belangrijke rol, als gevolg van Maastricht University. Verder is te zien dat de industrie in veel gemeenten belangrijk is voor veel werkende arbeidsmigranten. 22 In verband met kleine aantallen op gemeentelijk niveau, leidt de herverdeling van de sector verhuur en niet overal tot betrouwbare resultaten. Omwille van die reden worden voor de gemeenten de oorspronkelijke sectorgegevens besproken. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 16
3.3 Werkende MOE-landers naar sector MOE-landers werken vaker als uitzendkracht en in de landbouw dan overige arbeidsmigranten Omdat 70% van de werkende arbeidsmigranten in Limburg uit één van de MOE-landen komt, wordt in deze paragraaf aandacht besteed aan de sectoren waarin MOE-landers werken. In figuur 3.4 is te zien dat 66,4% van de werkende MOE-landers in Limburg werkt in de sector verhuur en. Voor alle arbeidsmigranten in Limburg was dit 58%. Met de aanname in het achterhoofd dat bijna alle arbeidsmigranten in deze sector werken op uitzendbasis, kan daarmee gesteld worden dat MOE-landers vaker als uitzendkracht werken dan arbeidsmigranten uit de overige landen. Verder toont figuur 3.4 dat MOE-landers relatief vaker in de landbouw werken (11,5%) dan het totaal aantal arbeidsmigranten (9,5% - figuur 3.1). Figuur 3.4 Verdeling werkende arbeidsmigranten uit MOE-landen naar sector, Limburg, 2012 Verhuur en 66,4% Landbouw, bosbouw en visserij 11,5% Handel 5,0% Industrie 4,7% Vervoer en opslag 3,1% Gezondheids- en welzijnszorg 2,1% Onderwijs 2,0% Horeca 1,8% Specialistische zakelijke 1,4% Bouwnijverheid 0,7% Bron: CBS 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% MOE-landers werken veelal in landbouw, industrie en vervoer en opslag Ook voor MOE-landers is een raming naar sector gemaakt op basis van het onderzoek onder flexmigranten van Conclusr Research BV. Het resultaat is te zien in figuur 3.5. Van alle werkende MOE-landers in Limburg (inclusief uitzendkrachten) werkt 30% in de landbouw, bosbouw en visserij. Ook werken veel MOE-landers in de sectoren industrie (25%) en vervoer en opslag (23%). Figuur 3.5 Raming MOE-landers naar sector, Limburg, 2012 landbouw, bosbouw en visserij industrie vervoer en opslag handel verhuur en gezondheids- en welzijnszorg onderwijs specialistische zakelijke horeca bouwnijverheid overige sectoren 5% 3% 2% 2% 2% 2% 1% 4% 23% 25% 30% Bron: CBS, Conclusr Research BV, bewerking Etil en ROA 0% 5% 10% 15% 20% 25% 30% 35% Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 17
4 ARBEIDSMIGRANTEN EN DE LIMBURGSE ARBEIDSMARKT In dit hoofdstuk wordt de mogelijke rol van migranten op de Limburgse arbeidsmarkt belicht. Allereerst worden de keuzemotieven van werkgevers bekeken. Vervolgens wordt er een cijfermatige vergelijking gemaakt tussen het jaarloon, soort dienstverband en aantal WWuitkeringen van arbeidsmigranten en werkenden in Limburg. Ten derde wordt op basis van de kennis opgedaan uit de literatuurstudie en de interviews meer inzicht gegeven in het fenomeen verdringing op de Limburgse arbeidsmarkt. Tot slot wordt in dit hoofdstuk stilgestaan bij de vraag of arbeidsmigranten een helpende hand kunnen bieden om toekomstige tekorten aan arbeidskrachten in bepaalde sectoren op te vangen. 4.1 Motieven van werkgevers Deze paragraaf zoekt een antwoord op de vraag waarom werkgevers kiezen voor arbeidsmigranten. Uit de studie In betere banen. De toekomst van arbeidsmigratie in de Europese Unie (WRR, 2012) blijkt dat een belangrijke overweging bij het beoordelen van de vraag van werkgevers naar arbeidsmigranten, is dat wat werkgevers zoeken (kennis en vaardigheden, competenties en bepaalde eigenschappen van werknemers) sterk wordt beïnvloed door wat werkgevers denken te kunnen halen uit het bestaande arbeidsaanbod. Werkgevers worden steeds kieskeuriger Het potentiële aanbod op de arbeidsmarkt (werklozen, inactieven, arbeidsmigranten) is zeer divers. Bovendien verschillen de verwachtingen en motivaties om te werken sterk onder de potentiële arbeidskrachten. Het is daarom niet verwonderlijk dat werkgevers steeds kieskeuriger worden en hogere eisen stellen aan de werknemers die zij nodig hebben. Dit zou kunnen betekenen dat werkgevers soms arbeidsmigranten (vooral bepaalde groepen arbeidsmigranten) verkiezen boven werknemers uit eigen land, omdat ze bepaalde positieve eigenschappen toedichten aan arbeidsmigranten die werknemers uit eigen land niet zouden hebben. Werkgevers: Motivatie, flexibiliteit en kosten zijn belangrijkste argumenten om te kiezen voor arbeidsmigranten Uit de studie Grensoverschrijdend aanbod van personeel. Verschuivingen en nationaliteit en contractvormen op de Nederlandse arbeidsmarkt 2001-2011 (SEO, 2014) blijkt dat er een aantal factoren is waardoor werkgevers een voorkeur voor arbeidsmigranten ontwikkelen. Het belangrijkste motief voor werkgevers om te werken met arbeidsmigranten zijn de lagere kosten. Daarnaast zijn er enkele secundaire motieven die per sector verschillen: flexibiliteit, motivatie, vakmanschap en internationalisering van bedrijven. In het onderzoek van SEO zijn deze motieven als volgt toegelicht: Kosten: arbeidsmigranten hebben een lager reserveringsloon. Dit betekent dat het loon waarvoor arbeidsmigranten bereid zijn om te werken vaak lager ligt dan voor Nederlanders. Werkgevers en werknemersorganisaties uit alle focussegmenten (bouw, tuinbouw, voedingsindustrie en wegtransport) geven daarom aan dat arbeidsmigranten goedkoper zijn dan Nederlandse werknemers (SEO, 2014). Flexibiliteit: arbeidsmigranten zijn relatief jong en hebben in de meeste gevallen geen kinderen, waardoor ze flexibel inzetbaar zijn, ook voor korte periodes. Arbeidsmigranten zijn ook betrekkelijk mobiel: ze wisselen vaak en gemakkelijk van woonplaats, de meerderheid van de migranten woont slechts tijdelijk in Nederland. Werkgevers geven aan specifiek naar flexibel arbeidsaanbod op zoek te zijn, om risico s op onderbenutting van arbeid te minimaliseren. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 18
Motivatie: arbeidsmigranten zijn vaker bereid om fysiek zwaar werk uit te voeren dan het binnenlandse arbeidsaanbod. Dit argument wordt gebruikt door werkgevers in de tuinbouw en de voedingsindustrie. Arbeidsmigranten hebben daardoor in bepaalde werkzaamheden een hogere arbeidsproductiviteit. Vakmanschap: voor bepaalde werkzaamheden is volgens werkgevers het binnenlandse arbeidsaanbod te klein of zelfs bijna geheel afwezig. Internationalisering van bedrijven: bepaalde bedrijven opereren steeds meer internationaal, openen buitenlandse vestigingen of fuseren met een buitenlandse partij. Daardoor wordt steeds meer internationaal samengewerkt en is er behoefte aan internationaal personeel. Het SEO onderzoek geeft verder aan dat de motieven kosten, flexibiliteit en motivatie verklaren waarom werkgevers in enkele specifieke segmenten op grotere schaal kiezen voor arbeidsmigranten. In die segmenten:(1) zijn werkzaamheden (grotendeels) gestandaardiseerd waardoor veel laaggeschoolde arbeid gedaan wordt; (2) zijn werkzaamheden arbeidsintensief en is er sprake van een hoge loonkostenquote; (3) bestaat veel (internationale) prijsconcurrentie, vaak gedreven door de economische crisis; en (4) zijn taal- en opleidingsniveau niet belangrijk voor werkzaamheden. Deze bevindingen uit het SEO onderzoek werden ook bevestigd door de expert-interviews, die in het kader van dit onderzoek gehouden zijn. Werkgevers: Taal is het belangrijkste concurrentievoordeel van autochtone werknemers Een veelgehoord motief om géén arbeidsmigranten in te zetten is de taal. Met name in functies waarbij veel contact is met klanten, leveranciers of met complexe machines is het gewenst om Nederlands te spreken. In de expert-interviews werd de taal zelfs het belangrijkste concurrentievoordeel van autochtone Nederlanders genoemd en bleek dat hoofdzakelijk in industriële sectoren, waar veel wordt gewerkt volgens protocollen en veiligheidsvoorschriften, men grote waarde hecht aan het beheersen van de Nederlandse taal. Keuze voor uitzendwerk en verbetermogelijkheden? In hoofdstuk 3 is geconstateerd dat bijna 60% van de arbeidsmigranten in Limburg werkzaam is in de sector verhuur en dienstverlening en dat een groot deel van deze arbeidsmigranten werkzaam is via een uitzendbureau. Deze constatering roept de vraag op waarom arbeidsmigranten veelal uitzendwerk verrichten en wat er beter kan in de organisatie van flexarbeid voor arbeidsmigranten. De bijlage van het ontwerp SER-advies Arbeidsmigratie (SER, 2014) bevat drie casestudies, die zijn verricht om een goed beeld te hebben en te geven van arbeidsmigratie in Nederland. Het betreft de tuinbouw in het Westland / Haaglanden, de bouw met een focus op de Eemshaven / Noord-Groningen en de ICT in de regio Brainport Eindhoven. De casestudie over het Westland (SER, 2014) laat zien dat in de laatste decennia de inzet van met name Poolse werknemers steeds belangrijker is geworden. Door de komst van Poolse arbeidsmigranten zijn knelpunten in de personeelsvoorziening in de jaren negentig voor de laagste functies in de tuinbouw zo goed als opgelost. Dit is gepaard gegaan met een toename van de flexarbeid in de sector. De inzet van gecertificeerde uitzendbureaus is daarbij van belang geweest. Pogingen om binnenlandse arbeidskrachten in te schakelen waren en zijn minder succesvol geweest. Er zijn weinig aanwijzingen dat de inzet van de arbeidskrachten uit andere EU-lidstaten tot een verdringing van Nederlandse werknemers heeft geleid. De Westland casestudie toont dat in de landbouw de belangrijkste uitdaging is om een betere balans te vinden tussen vaste en flexibele arbeidskrachten en tussen de inzet van lokale arbeidskrachten en die van buiten. Ook kunnen de normen die bij de certificering van Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 19
uitzendbureaus worden gehanteerd scherper en beter aansluiten bij de CAO afspraken en beter worden gehandhaafd. Uit de casestudie komen ook een aantal zaken naar voren om arbeidsmobiliteit in betere banen te leiden en een betere balans te vinden die niet op het niveau van de sector of regio kunnen worden aangepakt: De onbedoelde prikkels voor het gebruik van uitzendbureaus in wet- en regelgeving. De financiële prikkels voor bijstandsgerechtigden om werk te aanvaarden op het niveau van het wettelijk minimumloon. De regels voor de handhaving van het minimumloon en de looninhoudingen die niet goed aansluiten bij de CAO-praktijk en als onduidelijk worden ervaren. Betere handhaving van Europese regelgeving om gebruik van de zogeheten A1 constructie 23 tegen te gaan. Gevreesd wordt dat deze constructie tot een verdere druk op de tarieven zal leiden waardoor pogingen om arbeidsmobiliteit in goede banen te leiden worden bemoeilijkt. Dit zijn allemaal punten die ook in Limburg een rol spelen. Bijvoorbeeld de factor A1 constructies is veelvuldig in de expert-interviews benoemd. De casestudie over de regio Brainport Eindhoven (SER, 2014) laat zien dat Brabant een sterke positie heeft verworven als economische regio in Europa en dat arbeidsmigratie daarbij een belangrijke plaats inneemt. Bovendien is er in de regio structurele schaarste aan technisch personeel, zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht. De vraag naar arbeid is groter dan het aanbod en daarom moet er internationaal geworven worden. Tekorten zitten vooral in de R&D en techniek, technisch geschoolde vakmensen. Hoewel het belang van migratie wordt benadrukt, betekent dit niet dat men geen oog heeft voor het zo goed mogelijk benutten van het huidige (binnenlandse) arbeidsaanbod. Investeren in opleiding en ontwikkelen van mensen blijven van belang voor de economische ontwikkeling van de regio. De Brainport casestudie laat zien dat voor het optimaal benutten van kenniswerkers zowel de aantrekkelijkheid van de regio als de regionaal-economische structuur van belang zijn. Samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen, onderwijs en overheden is ook van groot belang. Tot slot wordt geconstateerd dat de arbeidsmarktinformatie tekort schiet. Beter onderzoek is nodig om het inzicht in de effecten van arbeidsmigratie te vergroten. 4.2 Loon, dienstverband en werkloosheid van arbeidsmigranten Om de positie van arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt te duiden worden er in deze paragraaf vergelijkingen gemaakt tussen arbeidsmigranten en alle werkenden in Limburg. Achtereenvolgens worden het jaarloon 24, het dienstverband en het aantal WWuitkeringen vergeleken. Arbeidsmigranten verdienen minder dan alle werkende Limburgers Lonen hangen vaak samen met de sector waarin iemand werkzaam is. Daarom wordt vaak verondersteld dat arbeidsmigranten minder verdienen dan Nederlandse werknemers. Een werkgever is echter verplicht om arbeidsmigranten het cao-loon of marktconforme loon te betalen. Figuur 4.1 laat zien dat 65% van de werkende arbeidsmigranten in Limburg minder verdient dan 20.000 euro per jaar. Dat is beduidend hoger dan de 42% van alle werkenden in Limburg. Slechts 5% van de arbeidsmigranten in Limburg verdient 40.000 euro of meer. Onder de totale Limburgse populatie is dit 16%. Dit beeld wordt bevestigd in de studie Economische 23 Hierbij gaat het om de zogenaamde A1-verklaring, een formulier dat bevestigt welke sociale zekerheidswetgeving van toepassing is op de arbeidsmigrant en daarmee tevens dat sociale zekerheidswetgeving van andere lidstaten niet van toepassing is. 24 Het jaarloon is het jaarloon dat een werknemer verdiende met de hoofdbaan in december 2012. Het jaarloon is berekend door het maandloon te vermenigvuldigen met 12 maanden, waarbij het maandloon is gecorrigeerd voor het aantal baandagen. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 20
analyse van het aantal internationals in Zuid-Nederland (Decisio, 2014). Hierin staat dat de arbeidsmigrant in Zuid-Nederland in 2012 gemiddeld 21.500 euro op jaarbasis verdiende. Uit het rapport blijkt tevens dat het gemiddelde loon voor de arbeidsmigrant in de periode 2007-2012 niet of nauwelijks is toegenomen. Figuur 4.1 Verdeling werkende arbeidsmigranten en alle werkenden naar jaarloon, Limburg en Nederland, december 2012 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Bron: CBS Regionale verschillen in jaarloon arbeidsmigranten Aangezien lonen vaak samenhangen met de sector waarin men werkt en de sectorstructuur per regio verschilt, bestaan er ook regionale verschillen in jaarlonen tussen de regio s. Deze verschillen zijn weergegeven in figuur 4.2. In Zuid-Limburg is het aandeel arbeidsmigranten dat meer verdient dan 20.000 per jaar bijna gelijk aan datzelfde aandeel onder het totaal aantal werkenden in die regio (respectievelijk 53 en 59%). Door de aanwezigheid van Maastricht University zijn er in Zuid-Limburg meer arbeidsmigranten in de hogere loonklassen dan in de regio s Noord- en Midden-Limburg. In Noord-Limburg verdient 29% van de arbeidsmigranten meer dan 20.000 per jaar, vergeleken met 58% onder alle werkenden in Noord-Limburg. In Midden-Limburg is dit 34 respectievelijk 59%. Figuur 4.2 Verdeling werkende arbeidsmigranten naar jaarloon en regio, december 2012 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% Bron: CBS 65% 30% 3% 2% 42% 41% 11% 54% 34% 39% 41% 13% 5% 6% 5% 7% Limburg - arbeidsmigrant Totaal Limburg Nederland - arbeidsmigrant Totaal Nederland minder dan 20 000 euro 20 000 tot 40 000 euro 40 000 tot 60 000 euro 60 000 euro of meer 65% 30% 71% 68% 27% 28% 3% 2% 2% 1% 3% 3% 47% 39% Limburg Noord-Limburg Midden-Limburg Zuid-Limburg minder dan 20 000 euro 20 000 tot 40 000 euro 40 000 tot 60 000 euro 60 000 euro of meer 8% 6% Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 21
Aard van werk, soort contract en jongere leeftijd verklaren lagere salaris arbeidsmigranten Veelal wordt het relatief lage gemiddelde salaris van arbeidsmigranten veroorzaakt door de aard van de werkzaamheden. Arbeidsmigranten verrichten relatief gezien vaker laaggeschoold werk van tijdelijke aard dan autochtone werknemers. Laaggeschoold werk wordt over het algemeen minder betaald. In het rapport Arbeidsmigranten in Zuid-Limburg (Wonen Limburg, 2012) staat beschreven dat de arbeidsmigrant in Zuid-Limburg meestal werkt op basis van tijdelijke contracten, in conjunctuurgevoelige sectoren en in het lagerelonensegment. Ook blijkt dat arbeidsmigranten met een hogere opleiding meestal beneden hun niveau werken, vaak als gevolg van een taalachterstand. Naast het feit dat arbeidsmigranten vaak laaggeschoold werk verrichten, zijn arbeidsmigranten gemiddeld genomen jonger dan de Limburgse werknemer (paragraaf 2.1). Gemiddeld genomen verdienen jongere werknemers minder dan oudere werknemers. Tot slot blijkt uit de interviews, die in het kader van dit onderzoek verricht zijn, dat arbeidsmigranten eerder geneigd zijn om lager ingeschaald werk te accepteren dan Nederlandse werknemers. In de vijf sectoren waar de meeste arbeidsmigranten werken, staat in tabel 4.1 de verdeling naar jaarloon weergegeven. Te zien is dat in alle sectoren het aandeel werknemers dat minder verdient dan 20.000 euro groter is voor arbeidsmigranten dan alle werkenden. Uitzondering hierop is de sector industrie, waarin dit juist andersom is. Tabel 4.1 Verdeling werkende arbeidsmigranten naar jaarloon, voor de vijf sectoren met meeste arbeidsmigranten in dienst minder dan 20.000 euro Totaal werknemers 20.000 40.000 60.000 tot tot euro of 40.000 60.000 meer euro euro minder dan 20.000 euro Werkende arbeidsmigranten 20.000 40.000 tot tot 40.000 60.000 euro euro Verhuur en 62% 33% 4% 1% 76% 23% 1% 0% Landbouw, bosbouw en visserij 58% 32% 7% 3% 76% 24% 0% 0% Industrie 23% 52% 16% 8% 19% 63% 13% 6% Handel 55% 34% 7% 4% 58% 42% 0% 0% Vervoer en opslag 31% 56% 9% 4% 38% 63% 0% 0% Bron: CBS 60.000 euro of meer Arbeidsmigranten vaker een contract voor bepaalde tijd Uit de interviews die voor dit onderzoek zijn afgenomen blijkt dat veel van de werkzaamheden die arbeidsmigranten verrichten, tijdelijk van aard zijn. Dit wordt bevestigd door de registratiecijfers van het CBS. In Limburg zijn er 21.620 werkende arbeidsmigranten. Verdeeld naar het soort dienstverband heeft 67% van deze groep een contract voor bepaalde tijd (tijdelijk dienstverband) en 33% een contract voor onbepaalde tijd (vast dienstverband). Van de totale werkzame bevolking in Limburg heeft 30% een contract voor bepaalde tijd. Ondanks het gegeven dat arbeidsmigranten vaker een contract voor bepaalde tijd hebben, zijn er naar sector relatief grote verschillen te zien (figuur 4.3) 25. Zo heeft 18% van de werknemers in de sector verhuur en (waar de uitzendbranche onder valt) een contract voor onbepaalde tijd. Ook in de sector landbouw, bosbouw en visserij is dit percentage relatief laag (24%). Daarentegen heeft 70% van de arbeidsmigranten in de sector industrie een dienstverband voor onbepaalde tijd. Dit verklaart deels waarom arbeidsmigranten in de industrie een hoger gemiddeld salaris verdienen (tabel 4.1). 25 Deze verschillen in het type dienstverband naar sector zijn ook hoewel in kleinere mate - aanwezig voor autochtonen. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 22
Figuur 4.3 Verdeling werkende arbeidsmigranten naar soort dienstverband, december 2012 Verhuur en Landbouw, bosbouw en visserij Industrie Handel Vervoer en opslag Onderwijs Horeca Gezondheids- en welzijnszorg Specialistische zakelijke Bouwnijverheid Overige sectoren (optelling) 18% 24% 70% 63% 65% 61% 41% 68% 65% 52% 61% 82% 76% 30% 37% 35% 39% 59% 32% 35% 48% 39% 0% 20% 40% 60% 80% 100% Contract onbepaalde tijd Contract bepaalde tijd Bron: CBS Limburgse arbeidsmigranten minder vaak WW-uitkering Werkloosheid onder arbeidsmigranten kan gemeten worden met behulp van het aantal WWuitkeringen dat arbeidsmigranten ontvangen. In Nederland als geheel ontvangen alle werknemers bijna 368.000 WW-uitkeringen in 2012. Met 7.494.500 werknemers in loondienst komt dit neer op 49 WW-uitkeringen per 1.000 werknemers. Onder arbeidsmigranten is deze verhouding 50 WW-uitkeringen op 1.000 werkende arbeidsmigranten. In Limburg zijn er 1.010 arbeidsmigranten met een WW-uitkering en ligt de verhouding op 47 per 1.000 werkende arbeidsmigranten. Onder alle werkenden in Limburg zijn er 51 WWuitkeringen per 1.000 werknemers. Op basis van deze verhoudingen blijkt dat arbeidsmigranten in Limburg minder vaak een WW-uitkering ontvangen dan autochtone Limburgse werknemers en ook minder vaak dan arbeidsmigranten in de rest van Nederland. Werkloosheid op basis van WW-uitkeringen is een onderschatting van het daadwerkelijke aantal werklozen, dat geldt zowel voor autochtone Nederlanders als voor arbeidsmigranten. Zo moet er een arbeidsverleden zijn opgebouwd en geldt er een maximale uitkeringsduur. Op basis van de literatuurstudie is er meer te zeggen over de werkloosheid onder arbeidsmigranten. Zo is er onderzoek gedaan naar werkloosheid en arbeidsmigranten uit Polen. Het onderzoek Nieuw in Nederland (SCP, 2013) heeft gevonden dat 84% van de Polen kort na migratie naar Nederland een betaalde baan heeft. Het merendeel van de recente migranten uit Polen komt dan ook als arbeidsmigrant naar Nederland. Onder Bulgaren heeft 52% werk kort na migratie naar Nederland. Deze resultaten sluiten goed aan bij het onderzoek Poolse migranten. De positie van Polen die vanaf 2004 in Nederland zijn komen wonen (SCP, 2011). Volgens dit rapport was in 2009 12% van de arbeidsmigranten in de beroepsbevolking werkloos. Verder blijkt dat 13% van de Polen in Nederland werkloos was in 2009. Van de werkloze arbeidsmigranten heeft de meerderheid eerder in Nederland gewerkt. Zij zijn als gevolg van ontslag of aflopend contract werkloos geraakt. Ondanks het feit dat Polen vaak een baan hebben (zij komen immers veelal voor werk naar Nederland), wordt aangegeven dat zij kwetsbaar zijn voor werkloosheid. Dit vanwege tijdelijke contracten, seizoensgebonden werk, conjuncturele invloeden en instroomproblemen (taalproblemen, een moeizame aansluiting als gevolg van buitenlandse diploma s etc.). Deze kwetsbaarheid blijkt ook uit het onderzoek Poolse nieuwkomers in Nederland (TNS Nipo, 2009) en Poolse uitzendkrachten in Nederland 2009 (TNS Nipo, 2009). Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 23
Het eerste onderzoek geeft aan dat 33% van de Poolse nieuwkomers in de 12 maanden voorafgaand aan het moment van bevraging ten minste één keer werkloos is geweest. Het tweede onderzoek laat zien dat dit percentage onder Poolse uitzendkrachten iets hoger ligt, namelijk op 37%. Een belangrijke kanttekening bij deze resultaten uit de literatuurstudie, is dat de genoemde studies allen betrekking hebben op 2009. Dit was aan het begin van de economische crisis en in de tussentijd kunnen met name op het gebied van werkloosheid veranderingen verondersteld worden. 4.3 Verdringing Algemeen Een mogelijk gevolg van migratie op de Limburgse arbeidsmarkt is verdringing. Er is sprake van verdringing op de arbeidsmarkt wanneer het aanbod van arbeidsmigranten direct een daling van het aantal banen voor binnenlandse werknemers tot gevolg heeft. Door migratie neemt de pool waaruit werkgevers hun personeel kunnen halen in omvang toe. Doordat het totale arbeidsaanbod toeneemt en werkgevers meer keuze hebben, kunnen er verschuivingen gaan plaatsvinden op de arbeidsmarkt 26. Bij een evenwichtige arbeidsmarkt betekent dit dat ofwel dat de lonen naar beneden gaan of dat er werkloosheid optreedt (Van Dijk en Folmer, 1986) 27. In het laatste geval is vooraf onbekend of de werkloosheid onder migranten of autochtonen plaatsvindt. Dit hangt immers af van de looneisen van beide groepen. Omdat migranten over het algemeen lagere looneisen hebben, bestaat het vermoeden dat er werkloosheid zal optreden onder de autochtonen. Het is echter niet zeker dat er überhaupt verschuivingen op de arbeidsmarkt gaan plaatsvinden. Allereerst is de arbeidsmarkt zelden in evenwicht en is het mogelijk dat migranten eventuele arbeidstekorten opvullen. Bovendien is er veel diversiteit op de arbeidsmarkt, zowel in de vraag naar arbeid als in het aanbod. Indien autochtonen en migranten complementair zijn in hun vaardigheden zal migratie geen dalende lonen en stijgende werkloosheid onder autochtone werknemers tot gevolg hebben. Internationaal geen grote loon- of werkloosheidseffecten van immigratie Internationale studies die zich richten op immigratie naar de Europese Economische Ruimte en de invloed daarvan op werkloosheid en lonen laten zien dat immigratie naar Europa geen grote loon- of werkloosheidseffecten met zich meebrengt (Münz et al., 2006) of dat de zogeheten verdringingseffecten in ieder geval klein zijn, zelfs bij grote immigratiestromen (Kerr en Kerr, 2011). Verschillende studies die de relatie tussen migratie en verdringing in Nederland onderzocht hebben, doen geen harde uitspraken over de grootte van (eventuele) verdringing, maar geven daarentegen zeer grove schattingen. Zo gaan Van de Berg, Brukman en Van Rij (2008) en Matthijssen (2013) er van uit dat tussen 10 en 20% van de banen niet door autochtone werknemers ingevuld kunnen worden als gevolg van arbeidsmigratie 28. Dit betreft enkel banen die autochtone werknemers willen en kunnen doen en waar zij ook (actief) naar op zoek zijn. Uit een nationaal onderzoek naar de economische impact van arbeidsmigratie (SEO, 2014) blijkt dat ondanks de flinke groei van langdurige arbeidsmigranten uit de MOE-landen in de periode 1999-2008 er gemiddeld genomen nauwelijks sprake was van verdringing van Nederlandse werknemers op de arbeidsmarkt. 26 Er zijn vele verschillende type verschuivingen. Verschuivingen van werk naar werkloosheid worden gedefinieerd als verdringing en zijn bij voorbaat negatief voor de autochtonen. Echter, verschuivingen van werk naar werk (in een andere baan of sector) kunnen ook als verdringing worden gezien (zoals in het SEO 2014) rapport maar hiervan kan niet gesteld worden dat dit per definitie negatief is voor de autochtone bevolking of de staat in het geheel. 27 De Migratiekaart (Jennissen en Nicolaas 2013) laat zien dat immigratiestromen naar Nederland afnemen in jaren waar de werkloosheid relatief hoog is. In dit opzicht neemt de werkloosheid dus niet nog meer toe door een toename van migratie in economisch slechtere jaren. 28 De auteurs baseren zich daarbij op voorgaande analyses. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 24
Zo is er amper sprake van een drukkend effect op de lonen en blijft het gemiddelde welvaartsniveau gehandhaafd. Er worden hier met andere woorden geen macro verdringingseffecten gevonden. Nationaal verschuivingen op macroniveau als gevolg van oneerlijke concurrentie In het recent verschenen SEO rapport getiteld: Grensoverschrijdend aanbod van personeel komt naar voren dat het aantal buitenlandse werknemers dat in Nederland werkt sinds 2001 is toegenomen en er verschuivingen op macroniveau zijn ontstaan als gevolg van ongelijke concurrentie. In de sectoren landbouw, industrie, bouw, groothandel en transport is het aantal Nederlandse werknemers gedaald, terwijl tegelijkertijd het aantal buitenlandse werknemers is gestegen. In het SEO rapport wordt dit verklaard door de openstelling van de grenzen voor Oost-Europese werknemers, waardoor het arbeidsaanbod uitgebreid is met werknemers die lagere lonen en hogere flexibiliteit gewend zijn. Het aanstellen van arbeidsmigranten zorgt daardoor voor kostenverlaging. Om oneerlijke concurrentie tegen te gaan is in theorie voor iedereen die in Nederland werkt de Nederlandse cao van toepassing. Diverse schijnconstructies, zoals oneigenlijke zelfstandigheid, oneigenlijke detachering, postbusfirma s en administratieve verschuivingen rondom termijnen zorgen echter voor een oneerlijk kostenvoordeel bij het inhuren van buitenlandse werknemers (SEO, 2014). Ondanks oneerlijk concurrentie, geen massale uitstroom naar werkloosheid of inactiviteit Het recent verschenen SEO rapport geeft ook aan dat ondanks (oneerlijke) concurrentie van arbeidsmigranten, werknemers uit de focussegmenten (bouw, tuinbouw, voedingsindustrie en wegtransport) niet massaal zijn uitgestroomd naar werkloosheid of inactiviteit. De meesten zijn tien jaar later nog steeds (of al weer) aan het werk, vaak als werknemers in dezelfde of in een andere sector. Ook is een groep zelfstandig ondernemer geworden, dit geldt met name in de landbouw en de bouw. De sectorwisselaars uit de focussegmenten zijn niet slechter af dan de sectorwisselaars uit overige sectoren. De verschuivingen die op de arbeidsmarkt hebben plaatsgevonden kunnen daardoor niet per definitie als negatieve gevolgen voor de autochtone bevolking worden bestempeld. Gemiddeld is er in Nederland nog steeds sprake van een toegenomen arbeidsparticipatie, en concludeert het SEO dat grote effecten op microniveau afwezig zijn. Volgens SEO bestaan er echter wel risicogroepen, waarvan de arbeidsparticipatie gedaald is als gevolg van concurrentie met arbeidsmigranten, namelijk traditionele allochtonengroepen, jongeren en laagopgeleiden. Nadere analyses laten zien dat twee van de drie genoemde risicogroepen in Limburg ondervertegenwoordigd zijn: In 2010 was 11% van de Nederlandse beroepsbevolking een niet-westerse allochtoon. Dit percentage ligt veel hoger dan de ruim 5% in Limburg 29. 21,8% van de Limburgse beroepsbevolking bestaat uit jongeren tussen de 20 en 40 jaar. Dit aandeel ligt duidelijk lager dan het Nederlands gemiddelde van 24,8% 30. De ontgroening en de migratie naar andere delen van Nederland worden vaak genoemd als verklaring voor het relatief lage aandeel jongeren in Limburg 31. 26% van de Limburgse beroepsbevolking bestaat uit laag opgeleiden (t/m mboniveau). Landelijk is dit aandeel 22,5%. De groep laag opgeleiden is in Limburg dus groter dan het landelijk gemiddelde 32. Echter, het CBS laat zien dat het aandeel lager opgeleide 25-44 jarigen in Limburg maar iets hoger ligt dan het landelijk gemiddelde 33. 29 Nicolaas, Wobma en Ooijevaar (2010) Demografie van (niet-westerse) allochtonen in Nederland. Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2010:22-34. 30 CBS (statline). 31 Progneff, Provincie Limburg. 32 RAIL (2014). 33 Praag (2003), Utrecht telt meeste hoogopgeleiden, Webmagazine maandag 7 juli 2003. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 25
SER: Oneerlijke concurrentie moet worden tegen gegaan In een concept advies aan de Tweede Kamer wordt door de Sociaal Economische Raad (SER) geen uitspraak gedaan over verdringing op basis van cijfers. Wel concludeert het adviesorgaan dat ontduiking van regels leidt tot oneerlijke concurrentie en daarmee ook tot verdringing. Vertrekpunt voor de Raad is dat arbeidsmobiliteit een gegeven is en een consequentie van enerzijds de interne markt van de EU en anderzijds van de globalisering. Nederland kan zich niet afsluiten van de wereld en moet dat ook niet willen omdat wij voor onze welvaart in grote mate afhankelijk zijn van het buitenland. De Raad wijst erop dat het belangrijk is dat deze mobiliteit in goede banen wordt geleid. Zo moeten huidige regels die gelden ten aanzien van het vrij verkeer van werknemers en het vrij verkeer van /detachering op een goede en doortastende wijze worden gehandhaafd. De raad staat positief tegenover de maatregelen die daarvoor zijn genomen en nog in voorbereiding zijn, zowel door kabinet als sociale partners. Zo is het werklandbeginsel 34 in het leven geroepen om concurrentie op arbeidsvoorwaarden tussen binnen- en buitenlandse werknemers te voorkomen. De raad adviseert het kabinet in overleg met sociale partners te komen tot een actieplan bevordering eerlijke arbeidsmobiliteit in de EU en om dit vervolgens nationaal en internationaal te agenderen. Aanvullend wordt aandacht gevraagd voor 1) het verstrekken van informatie door lidstaten, vakbonden en werkgeversorganisaties van informatie over de gebruikelijk rechten en plichten van werknemers in het werkland 2) De inburgering van EU-arbeidsmigranten en de monitoring van hun maatschappelijke en arbeidspositie en 3) het beter benutten van kwalificaties van de EU-migranten (in veel gevallen zijn deze hoger dan nodig is voor het werk dat zij doen). De raad meent tot slot dat Nederland behoefte heeft aan kennismigranten en dat de regelgeving daarvoor afdoende is, maar meer aandacht voor de uitvoering nodig is. De uitdaging daarbij is vooral om Nederland op het netvlies van potentiële kennismigranten te krijgen. Verdringing in Limburg Helaas is het niet mogelijk om een cijfermatige analyse van verdringing in Limburg te maken. Het thema is echter wel uitgebreid besproken tijdens de expert-interviews: Werkgevers: Verdringing Nederlandse werknemer op Limburgse arbeidsmarkt valt mee De geïnterviewden stellen dat het met verdringing van Nederlandse werknemers op de Limburgse arbeidsmarkt door arbeidsmigranten over het algemeen wel meevalt. Arbeidsmigranten voeren veelal tijdelijk (vaak seizoensgebonden), laaggeschoold werk uit. Ook is het werk vaak fysiek belastend. Nederlandse werknemers zien vaak weinig toekomstperspectief in deze banen en willen dit soort werk dan ook over het algemeen - niet uitvoeren. Nederlandse werknemers hechten meer waarde aan het maken van carrière, hebben ook vaak (minimaal) een vmbo- of mbo-opleiding en willen vaak uitzicht hebben op het werken voor een langere periode. Werkgevers: Keuze arbeidsmigrant of Nederlandse werknemer afhankelijk van werkzaamheden Daarnaast kwam in de interviews naar voren dat mensen die recht hebben op een WWuitkering niet altijd bereid zijn om hun uitkering op te zeggen voor tijdelijk, laaggeschoold werk. Over mensen in de bijstand werd gezegd dat de afstand tot de arbeidsmarkt (te) groot is geworden. Daardoor is men van mening dat er niet gesproken kan worden van verdringing op het moment dat Nederlanders het werk niet willen/kunnen uitvoeren. Dit heeft tot gevolg dat veel uitzendbureaus bij de wervingsprocedure kijken naar de aard van de 34 Dit houdt in dat een (gast-)arbeider verzekerd is voor de sociale verzekeringen in het land waar hij werkt (EU verordening sociale zekerheid 883/2004). Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 26
werkzaamheden. Vragen werkgevers arbeidskrachten voor tijdelijke (of seizoensgebonden) werkzaamheden, dan is een uitzendbureau eerder geneigd tot het aanstellen van een arbeidsmigrant, omdat de ervaring leert dat ze beter aansluiten bij de vraag van de werkgever. Nederlandse werknemers worden juist veel meer voor reguliere werkzaamheden ingezet, met name in de transportsector, food, hoveniers en groenwerk. Uiteraard staat bij uitzendbureaus een gelijke selectieprocedure voorop, maar onbewust werkt men toch vaak met deze ongeschreven routines. Werkgevers: Voldoende kansen voor Nederlandse werknemer in sectoren waar veel arbeidsmigranten actief zijn Toch stelt een aantal veldexperts dat, indien Nederlanders echt willen werken, er in veel gevallen werk te vinden is. Ook in de beroepen waar nu veel arbeidsmigranten werkzaam zijn. Zo hebben Nederlanders vaak een concurrentievoordeel in de taal ten opzichte van arbeidsmigranten. Desondanks geldt dat bepaalde sectoren voor een groot deel vergeven zijn aan arbeidsmigranten. Een voorbeeld dat genoemd wordt in de interviews is de glastuinbouw in Limburg. In deze sector werkt een dermate hoog aandeel arbeidsmigranten, dat het lastig is om deze structuur te wijzigen. Werkgevers in deze sectoren hebben in het verleden immers hun redenen gehad om specifiek voor arbeidsmigranten te kiezen. Zoals eerder in dit rapport is vermeld, heeft dit vaak te maken met motivatie, inzet, en een lager reserveringsloon. Maar bovenal kan men vaak geen Nederlandse werknemers vinden om vacante posities in te vullen. Het is daarom lastig om aan te geven in hoeverre er in dit soort gevallen sprake is van verdringing. 4.4 Tekorten aan personeel in Limburg Het is belangrijk op te merken dat er niet altijd sprake is van verdringing bij een stijgend arbeidsaanbod van migranten. Bijvoorbeeld als het arbeidsaanbod van migranten complementair is aan dat van niet-migranten kan er niet over verdringing gesproken worden. Zo is het mogelijk dat de werkloosheid met name onder hoogopgeleiden hoog is, terwijl de arbeidsmigranten laag gekwalificeerd werk uitvoeren. Van verdringing is dan geen sprake. Hoewel er in deze nulmeting geen informatie beschikbaar is over de beroepen en het beroepsniveau van arbeidsmigranten en autochtonen, kan op basis van de combinatie sector en loon wel een voorzichtige uitspraak gedaan worden over de beroepsgroepen waarin arbeidsmigranten veelal werkzaam zijn. In hoofdstuk 3 is duidelijk geworden dat in heel Limburg de meeste arbeidsmigranten werkzaam zijn in de sector landbouw, bosbouw en visserij, industrie en vervoer en opslag. Bovendien verdient 65% van de arbeidsmigranten in Limburg minder dan 20.000 euro. Verder bleek uit de literatuurstudie dat 37% van de arbeidsmigranten uit MOE-landen op elementair beroepsniveau werkt en 40% op lager beroepsniveau. Op grond van de loongegevens van arbeidsmigranten naar sector, is het waarschijnlijk dat arbeidsmigranten in Limburg over het algemeen in de lagere beroepen werkzaam zijn, met name in de sectoren verhuur en (veelal uitzendbranche) en landbouw, bosbouw en visserij. Met deze kennis in het achterhoofd is het interessant om te kijken hoe de werkgelegenheid in deze (en andere) sectoren in Limburg zich de komende jaren ontwikkelt. Tabel 3.1 laat de drie grootste sectoren per deelregio in Limburg zien. Voor vrijwel al deze sectoren geldt dat tot 2018 een negatieve uitbreidingsvraag verwacht wordt. Dit wil zeggen dat ten opzichte van 2012, de werkgelegenheid in deze sectoren gaat afnemen. Voor alle drie de deelregio s in Limburg geldt daarnaast dat de verwachte uitbreidingsvraag voor de sector verhuur en dienstverlening +0,7% is. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 27
Tabel 4.2 Sectorale uitbreidingsvraag naar Limburgse corop-regio, 2014-2018 Sector 1 Sector 2 Sector 3 Noord Limburg Landbouw, bosbouw en visserij Industrie Handel -2,2% Tussen -2,4 en -1,1% Tussen -0,5 en +0,2% Midden Limburg Industrie Landbouw, bosbouw en Vervoer en opslag visserij -2,2% Tussen -2,4 en -1,1% -0,4% Zuid Limburg Industrie Handel Horeca Tussen -2,3 en -1% Tussen -0,4 en +0,3% -0,5% Bron: Arbeidsmarkt Informatie Systeem (ROA) Naast uitbreidingsvraag is er ook sprake van vervangingsvraag. De komende jaren zal door de vergrijzing van de Limburgse arbeidsmarkt, vooral vervangingsvraag ervoor zorgen dat er baanopeningen gaan ontstaan. Hierdoor zien de verwachte discrepanties op de arbeidsmarkt naar beroep er dan ook heel anders uit (tabel 4.3). Er wordt in RAIL 2014 voor de provincie Limburg tot eind 2018, enige personeelskrapte verwacht voor lagere agrarische beroepen en middelbare transportberoepen. Voor elementaire beroepen, middelbare agrarische beroepen en middelbare technische beroepen worden zelfs grote personeelskrapte voorzien. Tabel 4.3 Lagere en middelbare beroepsgroepen waarvoor in Limburg enige of grote personeelskrapte (typering IPK) wordt verwacht eind 2018 Beroepsgroep Elementaire beroepen Lagere niet-specialistische beroepen Lagere docenten sportvakken Lagere agrarische beroepen Lagere wiskundige, natuurwetenschappelijke beroepen Lagere technische beroepen Lagere (para)medische beroepen Lagere administratieve, commerciële beroepen e.d. Lagere verzorgende beroepen Middelbare agrarische beroepen Middelbare wiskundige, natuurwetenschappelijke beroepen Middelbare technische beroepen Middelbare transportberoepen e.d. Middelbare (para)medische beroepen Middelbare taalkundige, culturele beroepen Bron: RAIL 2014 Te verwachte knelpunten groot groot enige enige groot groot groot groot groot groot groot groot enige groot groot De huidige patronen in arbeidsmigratie bieden mogelijk een oplossing voor de toekomst. Het is mogelijk dat de arbeidsmigranten zich aanbieden op die segmenten van de Limburgse arbeidsmarkt waar de komende jaren personeelskrapte verwacht wordt. Arbeidsmigranten kunnen op die manier bijdragen aan een verdere economische ontwikkeling van de provincie Limburg. Het is echter onduidelijk of deze migratiepatronen ook in de toekomst zullen doorzetten. De mogelijkheid bestaat immers dat er in de toekomst andere soorten migranten naar Limburg komen óf dat de stroom migranten opdroogt. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 28
5 SAMENVATTING & CONCLUSIES De Provincie Limburg wil vanuit een integrale visie haar bijdrage leveren aan het in goede banen leiden van arbeidsmigratie in Limburg. De Provincie heeft daarom aan Etil en ROA gevraagd onderzoek te doen naar arbeidsmigranten in Limburg. De centrale doelstelling van het onderzoek is een nulmeting door het leveren van een basisset aan gegevens die een integraal en feitelijk beeld geven van arbeidsmigranten in Limburg. In alle voorafgaande hoofdstukken is een beeld geschetst van arbeidsmigranten in Limburg, de belangrijkste resultaten worden hieronder eerst samengevat. Vervolgens worden de belangrijkste conclusies voor Limburg op een rij gezet. 5.1 Samenvatting Definitie In dit onderzoek is de groep migranten afgebakend tot de eerstegeneratieallochtonen (herkomstgroepering) die geboren zijn in één van de EU-26 landen, met uitzondering van Nederland, België en Duitsland (en de overzeese gebieden van de EU-lidstaten), en in Nederland wonen en/of werken. Arbeidsmigranten in Limburg - 2,7% van de Limburgse bevolking is EU-migrant: In 2012 waren er 73.750 EUmigranten 35 in Limburg. Bijna 60% van deze groep is afkomstig uit het naburige België of Duitsland. Wanneer België en Duitsland buiten beschouwing worden gelaten, waren er in Limburg 32.090 migranten 36. Uitgedrukt als percentage is dat 2,7% van het totaal aantal personen in Limburg. Landelijk is dat percentage 2,5%. - Merendeel is Pool, man en jonger dan 45: De meeste migranten in Limburg zijn afkomstig uit Polen (55%). Verder komt 8,4% uit het Verenigd Koninkrijk, gevolgd door personen uit Italië (5,6%). Van de ruim 32.000 migranten in Limburg is 54% man en is 76% jonger dan 45 jaar, terwijl dit in de Limburgse beroepsbevolking 52% is. - Werkende arbeidsmigranten: Er zijn in Limburg 21.620 werkende arbeidsmigranten. Dat is 4% van het totaal aantal werkenden in Limburg (534.500). In Nederland is dat percentage 3,4%. Naar deelregio zijn de werkende arbeidsmigranten in Limburg als volgt verdeeld: Noord-Limburg kent 12.640 werkende arbeidsmigranten (8% van het totaal aantal werkenden in Noord-Limburg), Midden-Limburg 3.930 (3,5%) en Zuid- Limburg 5.050 (1,9%). - MOE-landers: Limburg telde in 2012 bijna 22.770 geregistreerde migranten uit de MOE-landen. Dit betekent dat van alle migranten in Limburg ongeveer 70% afkomstig is uit de MOE-landen. In heel Nederland is datzelfde aandeel 60%. Limburg heeft dus een groter aandeel MOE-landers dan landelijk. - Onbekend deel van arbeidsmigranten niet geregistreerd: In deze rapportage zijn zowel GBA geregistreerde arbeidsmigranten als ook niet-gba geregistreerde arbeidsmigranten waarvoor belasting is betaald door de werkgever (geregistreerd in het WNB) meegenomen. Er is dan echter nog een groep arbeidsmigranten, namelijk de werkende arbeidsmigranten die niet GBA-geregistreerd zijn en waarvoor geen loonbelasting betaald wordt. De omvang van deze groep is per definitie onbekend en is dus niet opgenomen in de eerder gepresenteerde aantallen arbeidsmigranten in Limburg. 35 Volgens EU-26 indeling. 36 Volgens EU-24 indeling. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 29
- Inschatting non-registratie arbeidsmigranten beperkt: Van der Heijden e.a. (2013, 2011) is de enige groep onderzoekers die probeert in te schatten hoe groot de groep niet-geregistreerde migranten is. Zij richtten zich op migranten uit de MOE-landen, en schatten in dat het percentage niet-geregistreerde Polen in 2010 het laagst was (tussen de 11 en 23%). Ook wordt geprobeerd door middel van initiatieven als RNI en REVA, de registratie van arbeidsmigranten verder te vergroten. Arbeidsmigranten naar sectoren - Van de 21.620 werkende arbeidsmigranten in Limburg is het merendeel (58%) werkzaam in de sector verhuur en, gevolgd door landbouw, bosbouw en visserij (10%) en handel (6%). De sector verhuur en bevat veelal arbeidsmigranten die werkzaam zijn via een uitzendbureau. Op basis van het rapport Flexmigranten in Nederland van Conclusr Research BV is daarom een modelmatige berekening (raming) gemaakt, waarbij de uitzendkrachten zijn herverdeeld naar de sectoren waarin zij daadwerkelijk worden uitgezonden. Dan blijkt dat 26% van de arbeidsmigranten in Limburg werkt in de landbouw, bosbouw en visserij. Dat aandeel is opvallend groter dan landelijk (19%). Daarnaast werkt 25% in de industrie 21% in de sector vervoer en opslag. - Naar deelregio zijn in Noord-Limburg de meeste arbeidsmigranten werkzaam in de sector landbouw, bosbouw en visserij (33%). Midden-Limburg volgt in grote lijnen het beeld van de provincie Limburg. Een verschil is dat in Midden-Limburg de meeste arbeidsmigranten werken in de sector industrie. In Zuid-Limburg zijn de sectoren landbouw, bosbouw en visserij, en vervoer en opslag juist relatief klein. Daarentegen werken er in het zuiden veel arbeidsmigranten in de sectoren onderwijs en horeca. - Ook voor MOE-landers is een raming naar sector gemaakt op basis van het onderzoek onder flexmigranten van Conclusr Research BV. Van alle werkende MOE-landers in Limburg werkt 30% in de landbouw, bosbouw en visserij, gevolgd door de sectoren industrie (25%) en vervoer en opslag (23%). Arbeidsmigranten en de Limburgse arbeidsmarkt - Het belangrijkste motief voor werkgevers om te werken met arbeidsmigranten zijn de lagere kosten. Andere motieven zijn flexibiliteit, motivatie, vakmanschap en internationalisering. Een veelgehoord motief om autochtone werknemers te verkiezen boven arbeidsmigranten is de gebrekkige kennis van de Nederlandse taal van arbeidsmigranten. In de expert-interviews werd dit zelfs het belangrijkste concurrentievoordeel van autochtone Nederlanders genoemd. - Jaarloon, dienstverband en werkloosheid van arbeidsmigranten in Limburg: Arbeidsmigranten verdienen minder dan alle werkenden in Limburg: 65% van de arbeidsmigranten in Limburg verdient minder dan 20.000 euro per jaar, vergeleken met 42% van alle werkenden in Limburg. De aard van het werk, het soort contract en de jongere leeftijd verklaren deels het lagere salaris van arbeidsmigranten. Verder blijkt uit studies dat arbeidsmigranten eerder geneigd zijn om werk te accepteren tegen een lager loon dan Nederlandse werknemers. Slechts 5% van de arbeidsmigranten verdient 40.000 euro of meer. Onder alle werknemers in Limburg is dit 16%. Dit betreft voornamelijk migranten die in sectoren als industrie, handel en vervoer en opslag werken Gemiddeld verdienen arbeidsmigranten in Zuid-Limburg (en dus ook de gemeenten Maastricht, Heerlen en Sittard) beter dan in Noord- of Midden- Limburg. Dit verschil wordt grotendeels verklaard door de aanwezigheid van Maastricht University. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 30
Merendeel arbeidsmigranten heeft een tijdelijk contract: twee derde van de werkende arbeidsmigranten heeft een contract voor bepaalde tijd. Het aantal WW-uitkeringen onder arbeidsmigranten in Limburg ligt lager dan landelijk. In Nederland zijn er onder arbeidsmigranten 50 WW-uitkeringen op 1.000 werkende arbeidsmigranten en in Limburg is die verhouding 47 op de 1.000. - Er is sprake van verdringing op de arbeidsmarkt wanneer het aanbod van arbeidsmigranten direct een daling van het aantal banen voor binnenlandse werknemers tot gevolg heeft. Uit een recent onderzoek naar de economische impact van arbeidsmigratie in Nederland (SEO, 2014) blijkt dat ondanks de flinke groei van langdurige arbeidsmigranten uit de MOE-landen, er gemiddeld genomen nauwelijks sprake was van verdringing van Nederlandse werknemers (in termen van werkloosheid) op de arbeidsmarkt. Wel zorgen diverse schijnconstructies voor een oneerlijk kostenvoordeel bij het inhuren van buitenlandse werknemers. Ook de SER concludeert dat ontduiking van regels leidt tot oneerlijke concurrentie en daarmee ook tot verdringing. Ondanks deze oneerlijke concurrentie heeft er geen massale uitstroom naar werkloosheid of inactiviteit plaatsgevonden onder autochtone werknemers. - Er bestaan echter wel risicogroepen, waarvan de arbeidsparticipatie gedaald is als gevolg van concurrentie met arbeidsmigranten, namelijk traditionele allochtonengroepen, jongeren en laagopgeleiden. Met name jongeren en traditionele allochtonengroepen zijn in Limburg ondervertegenwoordigd, laagopgeleiden zijn daarentegen sterker vertegenwoordigd in Limburg. - Arbeidsmigranten in Limburg werken over het algemeen in de lagere en middelbare beroepen in de sectoren landbouw, bosbouw en visserij, industrie en vervoer en opslag. In RAIL 2014 wordt voor de provincie Limburg tot eind 2018, enige personeelskrapte verwacht voor lagere agrarische beroepen en middelbare transportberoepen. Voor elementaire beroepen wordt zelfs grote personeelskrapte voorzien. 5.2 Conclusies In Limburg krimpt de beroepsbevolking Een belangrijke doelstelling van het economische beleid in Limburg is de beschikbaarheid van voldoende personeel dat aansluit bij de wensen van werkgevers. Zowel demografische als economische ontwikkelingen bemoeilijken deze doelstelling. Zo is er in Limburg sprake van een bevolkingskrimp, een trend die een grote invloed heeft op de Limburgse arbeidsmarkt. Met de daling van de bevolking, neemt namelijk ook het aanbod van arbeid af. De arbeidsparticipatie neemt weliswaar toe, maar die groei is onvoldoende om de afnemende potentiele beroepsbevolking te compenseren. Tot 2018 krimpt de beroepsbevolking in Limburg dan ook met ongeveer 2,1% 37 (RAIL, 2014). de werkgelegenheid neemt de komende jaren weer toe Tegenover de beroepsbevolking staat de vraag naar arbeid. Volgens de recente Decemberraming van het Centraal Planbureau (CPB) groeit de landelijke economie in 2015 met 1,5%. Hierdoor neemt ook de werkgelegenheid 38 in 2015 toe (met 0,75%). In RAIL (2014) werd duidelijk dat de werkgelegenheid in Limburg in de periode 2014-2018 met name groeit in de sectoren groothandel, bouw, zakelijke dienstverlening, en cultuur, recreatie en overige. 37 Ten opzichte van peildatum 2013. 38 In arbeidsjaren. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 31
waardoor werkgevers in een behoorlijk aantal beroepsgroepen te maken krijgen met krapte Wanneer vervolgens vraag en aanbod van arbeid tegen elkaar worden afgezet, blijkt dat werkgevers in Limburg in een groot aantal beroepsgroepen, op enig moment te maken krijgen met personeelskrapte (RAIL, 2014). Zo wordt voor technische beroepen grote krapte voorzien op alle beroepsniveaus. Voor commerciële, administratieve beroepen ontstaan grote kraptes op lager beroepsniveau. Ook voor elementaire beroepen wordt voor Limburg grote personeelskrapte verwacht. Arbeidsmigranten: de oplossing voor toekomstige tekorten op de arbeidsmarkt? In dit rapport is gebleken dat arbeidsmigranten een belangrijke rol spelen in de Limburgse economie. Zo werd duidelijk dat er in Limburg 21.620 werkende arbeidsmigranten actief zijn, 4% van het totaal aantal werkenden (534.500). In Nederland is 3,4% van het totaal aantal werkenden (bijna 7,5 miljoen) een arbeidsmigrant. Een voorzichtige conclusie die op grond van deze gegevens getrokken kan worden, is dat arbeidsmigranten een prominentere rol spelen op de Limburgse arbeidsmarkt dan landelijk. Wanneer er op termijn tekorten ontstaan in verschillende beroepsgroepen, wordt de rol van arbeidsmigranten zo mogelijk nog prominenter. Hierbij moet echter onderscheid gemaakt worden tussen verschillende type sectoren. Dit rapport maakt duidelijk dat arbeidsmigranten in Limburg veelal werken in de sectoren landbouw, bosbouw en visserij, industrie, en vervoer en opslag. Voor vrijwel al deze sectoren geldt dat tot 2018 een negatieve uitbreidingsvraag verwacht wordt. Dit wil zeggen dat ten opzichte van 2012, de werkgelegenheid in deze sectoren gaat afnemen. Op grond van deze gegevens lijkt het onwaarschijnlijk dat er tekorten in deze sectoren zullen ontstaan waardoor er meer behoefte aan arbeidsmigranten ontstaat. Echter, in Limburg speelt naast uitbreidingsvraag, ook de vervangingsvraag (als gevolg van vergrijzing) een grote rol. Daardoor ziet de arbeidsmarkt naar beroep er heel anders uit. Zo wordt voor de provincie Limburg tot eind 2018, enige personeelskrapte verwacht voor lagere agrarische beroepen en middelbare transportberoepen. Voor elementaire beroepen wordt zelfs grote personeelskrapte voorzien. Op grond van de loongegevens van arbeidsmigranten, is het waarschijnlijk dat arbeidsmigranten in Limburg over het algemeen in de lagere beroepen werkzaam zijn, met name in de sectoren verhuur en (veelal uitzendbranche) en landbouw, bosbouw en visserij. Het lijkt er dus op dat de arbeidsmigranten zich aanbieden op die segmenten van de Limburgse arbeidsmarkt waar de komende jaren personeelskrapte verwacht wordt. Dit betreft dan vooral sectoren en beroepsgroepen waar reeds veel arbeidsmigranten werken. Met andere woorden, de infrastructuur is afgestemd op zowel de werving van arbeidsmigranten, als de uitvoering van werkzaamheden van arbeidsmigranten. Een goed voorbeeld hiervan vormt de land- en tuinbouw in Noord-Limburg. Deze regio herbergt veel arbeidsmigranten. Tijdens de interviews met experts werd door uitzendbureaus aangegeven dat bepaalde deelsectoren zelfs volledig vergeven zijn aan arbeidsmigranten. Dit betreft dan veelal werkzaamheden die autochtone werknemers niet willen doen. Voor dit type sectoren is het in de toekomst waarschijnlijk gemakkelijker om in te spelen op eventuele tekorten door middel van het werven van nieuwe groepen arbeidsmigranten 39. Anders is het echter voor sectoren waar momenteel geen, of slechts een beperkt aantal arbeidsmigranten werkzaam is. Tijdens de interviews met experts werd door enkele bedrijven aangegeven dat zij momenteel geen arbeidsmigranten in dienst hebben, simpelweg vanwege het feit dat het aanbod van autochtone werknemers voldoende is om in de vraag te voorzien. Daarbij werd ook gesteld dat de infrastructuur vaak nog niet is afgestemd op de werving van arbeidsmigranten. Indien er tekorten ontstaan, is het mogelijk dat werkgevers het beleid met 39 Hiermee wordt niet gesteld dat tekorten in deze sectoren in de toekomst niet voorkomen. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 32
betrekking tot arbeidsmigranten, en de bijbehorende infrastructuur, moeten herzien. Zo zal allereerst het contact met wervingsbureaus moeten worden opgezocht. Ook zal men zich moeten verdiepen in de verschillende opleidingsniveaus van arbeidsmigranten. Belangrijk is ook dat protocollen (bijvoorbeeld veiligheidsprotocollen) nu vaak worden uitgelegd (in schrift) in het Nederlands. In hoofdstuk 5 werd duidelijk dat taal vaak een belangrijke barrière vormt voor werkgevers om arbeidsmigranten in dienst te nemen. In het geval er tekorten ontstaan en arbeidsmigranten een mogelijke oplossing vormen, moet men in dat geval investeren in scholing zodat de taal, competenties en vaardigheden aansluiten bij de vraag. Het aantal arbeidsmigranten neemt naar verwachting toe Door de tekorten die ontstaan op de Limburgse arbeidsmarkt, ligt het voor de hand dat de vraag naar arbeidsmigranten de komende jaren verder toeneemt. Zoals gezegd zullen verschillende sectoren zich hier wel nog op moeten voorbereiden. De verwachte toename van arbeidsmigranten heeft meer gevolgen voor de Limburgse economie. Zo is er het risico op schijnconstructies. Volgens de SER dient er voldoende aandacht te worden besteed aan mogelijke oneerlijke concurrentie, als gevolg van bijvoorbeeld schijnconstructies. De raad adviseert het kabinet in overleg met sociale partners te komen tot een actieplan bevordering eerlijke arbeidsmobiliteit in de EU en om dit vervolgens nationaal en internationaal te agenderen. Momenteel is er vanuit SZW wetgeving in de maak rond dit thema. Aan de ene kant vormen arbeidsmigranten een mogelijke oplossing voor het invullen van toekomstige tekorten op de Limburgse arbeidsmarkt. Aan de andere kant bestaat de mogelijkheid dat een groei van arbeidsmigranten leidt tot (een toenemende mate van) verdringing in sectoren waar geen tekorten worden verwacht. Tot op heden is er gemiddeld genomen nauwelijks sprake van verdringing van Nederlandse werknemers en er is dus weinig reden om aan te nemen dat dit in de toekomst wel het geval zal zijn. Er bestaan echter wel risicogroepen, waarvan de arbeidsparticipatie gedaald is als gevolg van concurrentie met arbeidsmigranten (SEO, 2014). Echter, twee van de drie risicogroepen, namelijk jongeren en traditionele allochtonen, zijn in Limburg ondervertegenwoordigd vergeleken met het Nederlands gemiddelde. In het kader van mogelijke verdringing op de Limburgse arbeidsmarkt, verdient daarom vooral de derde risicogroep laagopgeleiden extra aandacht. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 33
6 SUGGESTIES AANVULLEND ONDERZOEK De opdrachtgever van dit onderzoek is in eerste instantie geïnteresseerd in een groot aantal gegevens over arbeidsmigranten in Nederland, Limburg en onderliggende gemeenten. Het onderzoek dient een basisset aan cijfermateriaal op te leveren die inzicht geeft in de feitelijke situatie van arbeidsmigranten in Limburg op basis van bestaande gegevens; een zogenaamde nulmeting. Veel van de gewenste gegevens bleken gaandeweg het onderzoek echter niet beschikbaar in bestaande databestanden. Het onderzoek heeft door middel van kwalitatieve analyses (literatuurstudie) een zo compleet mogelijk overzicht gegeven beschikbare informatie in secundaire bronnen. Dit betreft met name studies voor Nederland in zijn geheel. Er zijn slechts een paar studies die expliciet ingaan op (delen van) Limburg. Nieuwe dataverzameling op basis van de Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden (SSB) en de polisadministratie 2012 heeft inzicht gegeven in variabelen die niet eerder gerapporteerd zijn, zoals type dienstverband en het inkomen van arbeidsmigranten. Voor Limburg is er nu informatie over aantallen geregistreerde arbeidsmigranten per deelregio en voor sommige variabelen zelfs op gemeenteniveau beschikbaar. Ook is er informatie beschikbaar over de sector waarin arbeidsmigranten werkzaam zijn en het inkomen van deze groep per sector. Ondanks al deze nieuwe informatie blijven er ook vragen onbeantwoord; de zogenaamde witte vlekken. In dit hoofdstuk geven de onderzoekers daarom enkele suggesties voor aanvullend onderzoek. Uitzendbranche Hoewel de sectorale verdeling van arbeidsmigranten in Limburg in dit rapport in kaart is gebracht, bleek uit de gegevens in hoofdstuk 2 dat veel arbeidsmigranten actief zijn in de sector Verhuur en. In deze sector zitten echter veelal personen die via een uitzendbureau werkzaam zijn, vooral onder arbeidsmigranten een grote groep. Op basis van aannames en een raming is in dit rapport toch inzicht gegeven in welke sector deze personen daadwerkelijk uitgezonden zijn. Aanvullend onderzoek zou de gedane aannames moeten controleren en kan meer inzicht bieden in welke sectoren de personen vanuit de uitzendorganisaties daadwerkelijk terechtkomen. Dit kan bijvoorbeeld door het houden van een enquête of interviews onder Limburgse uitzendbureaus. Opleidings- en beroepsniveau Van de gewenste lijst aan gegevens ontbreekt onder andere informatie over het opleidingsniveau en beroepsniveau van arbeidsmigranten, maar ook informatie over huisvesting of gezinssamenstelling. Het CBS heeft aangegeven dat hierover niet genoeg geregistreerde informatie beschikbaar is, omdat deze variabelen enkel via de Enquête Beroepsbevolking (EBB) ontsloten kunnen worden (en dus niet in de GBA, SSB en/of Polisadministratie). Door het steekproefkarakter van de EBB zijn er echter niet genoeg arbeidsmigranten om betrouwbare uitspraken te doen over deze variabelen. Zelfs op Nederlandse niveau is de grootte van de steekproef niet voldoende. Ook over de beroepen of beroepssoorten die arbeidsmigranten betrekken is het vanwege de geringe steekproef onder arbeidsmigranten in de EBB niet mogelijk om uitspraken te doen. Nader onderzoek op deze punten is gewenst. Daarbij kan gedacht worden aan een werkgeversenquête onder bedrijven voor het beroepsniveau van autochtone werknemers en arbeidsmigranten of een werknemersenquête onder alle werkenden in Limburg om het beroeps- en opleidingsniveau in beeld te krijgen. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 34
Jaar-op-jaarontwikkeling ROA en Etil stellen voor de gegevens over arbeidsmigratie naar gemeenten in Limburg, zoals gepresenteerd in dit rapport, jaarlijks uit te breiden. Op deze manier kunnen ontwikkelingen in arbeidsmigratie in de provincie Limburg en haar onderliggende gemeentes in kaart worden gebracht. Door het toevoegen van een tijdsdimensie wordt het daarnaast mogelijk om (voorzichtige) conclusies te trekken met betrekking tot verdringing. Aan de hand van ontwikkelingen in de tijd in het aantal arbeidsmigranten en de ontwikkeling van werkloosheid kunnen uitspraken worden gedaan over de macro-effecten van arbeidsmigratie op de werkloosheid in een gemeente of provincie 40. ROA en Etil stellen daarom jaarlijkse metingen voor, waarbij de cijfers uit deze rapportage als nulmeting worden gehanteerd. Verschillende typen verdringing en aanpassingsmechanismen per gemeente De ontwikkeling in het aantal arbeidsmigranten kan eveneens worden gekoppeld aan de loonontwikkeling per gemeente. Verdringing op de arbeidsmarkt kan immers ook resulteren in een daling van de lonen (Van Dijk en Folmer, 1986). Informatie over de loonontwikkeling per gemeente is beschikbaar in de administratieve data van het CBS (SSB Banen). Ditzelfde databestand biedt tevens de mogelijkheid om op microniveau na te gaan welke (individuele) verschuivingen op de arbeidsmarkt zich voordoen na een toename in het aantal arbeidsmigranten. Er kan worden nagegaan in hoeverre Nederlandse werknemers door toenemende concurrentie gemeten aan de stijging van het aantal arbeidsmigranten al dan niet gedwongen van sector of baan zijn gewisseld, zelfstandig aan de slag zijn gegaan of inactief zijn geworden. Bovendien kan worden gekeken in hoeverre werknemers met verschillende opleidingsniveaus (geschat op basis van lonen) van elkaar verschillen in gebruikte aanpassingsmechanismen. Dit is met name interessant omdat de groep laagopgeleiden de meest vertegenwoordigde risicogroep in Limburg is. In grote lijnen zou dit deelonderzoek naar microverschuivingen het gepubliceerde onderzoek van het SEO volgen. Het is interessant om deze studie te herhalen voor de Provincie Limburg, omdat Limburg een unieke positie in Nederland heeft met relatief weinig uitwijkmogelijkheden gezien de relatief lage baandichtheid (Adviescommissie Deetman, 2011). Bovendien zou het onderzoek zich niet beperken tot de focussectoren zoals het geval is bij het SEO 2014 rapport maar zouden alle sectoren meegenomen worden. Alleen dan is het mogelijk te kijken in hoeverre bepaalde ontwikkelingen op de arbeidsmarkt al dan niet samenhangen met arbeidsmigratie. Verbinding RAIL De gegevens uit de bestanden van CBS beschrijven werknemers in loondienst. In RAIL 2014 worden werkgelegenheidsgegevens beschreven uit het Vestigingen Register Limburg. Het gaat daarbij om arbeidsplaatsen. Tussen deze twee definities zitten verschillen. Zo kan een medewerker bijvoorbeeld meerdere arbeidsplaatsen bezetten. Om trends en ontwikkelingen in de toekomst te kunnen bekijken voor arbeidsmigranten in Limburg, is het handig als beide gegevens met elkaar vergelijkbaar zijn. Aanvullend onderzoek kan aandacht besteden aan het vergelijkbaar maken van de gegevens over arbeidsmigranten en de arbeidsmarktgegevens in RAIL. 40 Voorlopig heeft het CBS slechts voor een beperkt aantal (grote) steden werkloosheidscijfers. Voor Limburg is de informatie beperkt tot de gemeenten Heerlen, Maastricht, Roermond, Sittard-Geleen en Venlo. Echter, het CBS is momenteel in samenwerking met het ROA bezig om door middel van Small Area Estimations voor alle Nederlandse gemeenten het werkloosheidspercentage te schatten. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 35
BIJLAGE A REFERENTIES Adviescommissie Deetman (2011), Ruimte voor waardevermeerdering. Eindrapportage Adviescommissie Deetman Bevolkingskrimp Limburg. Berkhout, E., Bisschop, P. & Volkering, M. (2014). Grensoverschrijdend aanbod van personeel. Verschuivingen en nationaliteit en contractvormen op de Nederlandse arbeidsmarkt 2001-2011. SEO economisch onderzoek, Amsterdam. Berkhout, E., Hof, B. (2012). De economische bijdrage van tijdelijke arbeidsmigranten. Een realistisch beeld Conclusr Research BV (2014). Flexmigranten in Nederland Decisio (2014). Economische analyse van het aantal internationals in Zuid-Nederland Dieteren, R. (1959). De migratie in de Mijnstreek 1900-1935: Een sociaal-historische studie. Sociaal Historisch Centrum. Engbersen, G., Ilies, M., Leerkes, A., Snel, E., Van der Meij, R.(2011). Arbeidsmigratie in vieren. Erasmus Universiteit Rotterdam. Engbersen, G., Jansen, J., Faber, M., Leerkes, A., Snel, E. (2014) Migratiepatronen in dynamisch perspectief. Een pilotstudie naar veranderde patronen van arbeidsmigratie uit Polen, Bulgarije en Roemenië. Erasmus Universiteit Rotterdam. Heyma, A., Berkhout, E., Werff, S. van der, Hof, B. (2008). De economische impact van arbeidsmigratie uit de MOE-landen, Bulgarije en Roemenië. Een studie naar omvang, aard en economische effecten van arbeidsmigratie Holtslag, J., Kremer, M., Schrijvers, E.(2012). In betere banen. De toekomst van Arbeidsmigratie in de Europese Unie, Wetenschappelijk Raad Regeringsbeleid Den Haag. Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Jaarverslagen 2005-2013 Jennissen, R. (2013). De Nederlandse migratiekaart: Achtergronden en ontwikkelingen van verschillende migratietypen. Kerr, S. P., Kerr, W. R. (2011). Economic impacts of immigration: a survey Mathijsen, M. (2013). De economische waarde van arbeidsmigratie. Een focusgroeponderzoek naar het belang van arbeidsmigranten voor de Stadsregio Rotterdam Münz, R., Straubhaar, T., Vadean, F., Vadean, N. (2006). The costs and benefits of European immigration Nicolaas, H., Wobma, E. en Ooijevaar, J. (2010) Demografie van (niet-westerse) allochtonen in Nederland. Bevolkingstrends, 4e kwartaal 2010:22-34 Pinotti, P. en Mastrobuoni, G. Legal status and the criminal activity of immigrants, American Economic Journal: Applied Economics (te verschijnen) Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 36
Provincie Limburg, Strategische Kadernotitie Arbeidsmigratie, mei 2013 Provincie Limburg, RAIL 2014, juni 2014 Provincie Limburg, Progneff Schothorst, Y. (2009). Poolse uitzendkrachten in Nederland. TNS Nipo Schothorst, Y. (2009). Poolse nieuwkomers in Nederland. TNS Nipo SER (2014) Arbeidsmigrantie. Advies 14/09 Sociaal en Cultureel Planbureau (2011). Poolse migranten. De positie van Polen die vanaf 2004 in Nederland zijn komen wonen Sociaal en Cultureel Planbureau (2013). Nieuw in Nederland Traag, T.(2003), Utrecht telt meeste hoogopgeleiden, Webmagazine maandag 7 juli 2003. Van der Heijden, P., Cruyff M. en Van Gils G. (2011). Aantallen geregistreerde en nietgeregistreerde burgers uit MOE-landen die in Nederland verblijven: rapportage schattingen 2008 2009, Universiteit Utrecht. Van der Heijden, P., Cruyff, M. en Van Gils, G. (2013). Aantallen geregistreerde en nietgeregistreerde burgers uit MOE-landen die in Nederland verblijven: rapportage schattingen 2009 en 2010, Universiteit Utrecht. Van Dijk, J. en Folmer, H. (1986). Verdringing op de arbeidsmarkt: migranten en werklozen in Noord-Nederland, Maandschrift Economie, 50:475-486 Weltevrede, A., De Boom, J., Rezai, S., Zuijderwijk, L. en Engbersen, G.(2009). Arbeidsmigranten uit Midden en Oost Europa. Risbo BV Wonen Limburg (2012). Arbeidsmigranten in Zuid-Limburg Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 37
BIJLAGE B CHECKLIST INTERVIEWS DEEL A. INTRODUCTIE Algemeen - Introductie van het onderzoek (doel onderzoek; doel interview) - Introductie van geïnterviewde (functie, belangrijkste taken) - Introductie organisatie (core business, sector, omvang) o Hoeveel werknemers in dienst op 1 januari 2014? Dit betreft zowel werknemers met een vaste aanstelling als werknemers met een tijdelijk contract. o In welke sector (of branche) is uw bedrijf actief? Definitie - Term arbeidsmigranten definiëren (wat wordt eronder verstaan, Moe-landers?) DEEL B. Situatie arbeidsmigranten - Heeft u in 2013 met arbeidsmigranten (Moe-landers?) gewerkt? Dit kan zijn: in loondienst, gedetacheerd, ingehuurd via uitzendbureau/onderaannemer/loonbedrijf. o Hoeveel arbeidsmigranten? - Op welke basis werken arbeidsmigranten veelal voor uw bedrijf: in loondienst/aannemer/uitzendbureau/zzp er/gedetacheerd/anders o Eventueel schattingen van aandelen Motivatie - Hoe kijkt u als werkgever (een werkgever) tegen arbeidsmigranten aan? - Wat zijn de motieven om een arbeidsmigrant aan te nemen (of: waarom niet) (denk hierbij ook aan kostenmotieven)? - In de media wordt vaak gesproken over malafide praktijken omtrent arbeidsmigranten. Bovendien hebben arbeidsmigranten vaak een negatief imago. Hoe kijkt u hier tegen aan? Bent u hier zelf al eens tegen aan gelopen? Ontwikkeling - Is het aantal arbeidsmigranten de afgelopen jaren toegenomen, vergeleken met het verleden? Wat is hiervan de reden? - Hoe denkt u dat het aantal arbeidsmigranten zich in de toekomst ontwikkelt, en waarom? Zijn er hier nog verschillen naar sector? Economie/economische bijdrage - Waar ligt de economische bijdrage van arbeidsmigranten (aansluiting onderwijs/arbeidsmarkt/tekorten; goedkope werknemers etc.)? - Stelling: arbeidsmigranten voorkomen knelpunten, waardoor werkgevers in Limburg blijven en niet naar een andere regio vertrekken. - Stelling: arbeidsmigranten vullen met name vacatures voor werk dat Nederlandse werknemers niet willen doen. - Is het aanbod van arbeidsmigranten voldoende, ook naar behoefte bezien (opleidingsniveau, leeftijd etc.)? - Heeft de economische crisis invloed gehad op het beleid met betrekking tot arbeidsmigranten? Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 38
Opleiding en onderwijs - Richt u zich bij het werven van arbeidsmigranten op mensen vanuit bepaalde landen (bijv. Moe-landers)? Verschilt dit voor verschillende opleidingsniveaus? - Hoe ziet de toekomstige arbeidsmigrant eruit (opleidingsniveau, afkomst etc.)? Hoe verschilt dit van de huidige arbeidsmigrant? a. Zit hier een discrepantie tussen? Zo ja, wat is er voor nodig om deze te verkleinen? Hoe is de bereidheid tot scholing onder arbeidsmigranten? - Blijft een migrant meestal werken op hetzelfde opleidingsniveau? Vormen zij later concurrentie voor hoger opgeleide Nederlandse werknemers? Wordt hen een langlopende carrière in het vooruitzicht gesteld, of zijn de contracten slechts tijdelijk? - Worden er ook migranten voor hogere functies (opleidingsniveaus) aangenomen? Wat is dan het salaris? - In het geval er hoogopgeleide arbeidsmigranten werkzaam zijn: wat is hiervan het percentage Moe-landers? Verdringing - Had uw bedrijf openstaande vacatures in 2013? - In hoeverre heeft u arbeidsmigranten nodig om vacatures in te vullen? - Is er bij het aannemen van een arbeidsmigrant sprake van een gelijke sollicitatieprocedure, of wordt er direct gekozen voor een arbeidsmigrant? - Is er sprake van een verandering van het werkproces om de toestroom van arbeidsmigranten te faciliteren? Het is bijvoorbeeld mogelijk dat bedrijven meerdere lager opgeleiden aannemen, hetgeen ten koste gaat van vooral middelbaar (of hoger) opgeleiden. - Stelling: er is sprake van verdringing van Nederlandse werknemers door arbeidsmigranten (in het algemeen en indien mogelijk, in de specifieke branche). Overige vragen - Kunt u een inschatting geven van het percentage arbeidsmigranten dat niet geregistreerd is? DEEL C. AFSLUITING - Vragen, opmerkingen, suggesties Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 39
BIJLAGE C AFBAKENING EU-26, EU-24 en EU-11 EU-26 EU-24 Bulgarije Bulgarije Estland Estland Hongarije Hongarije Letland Letland Litouwen Litouwen Polen Polen Roemenië Roemenië Slovenië Slovenië Slowakije Slowakije Tsjechië Tsjechië Voormalig Tsjecho-Slowakije Voormalig Tsjecho-Slowakije België - Cyprus Cyprus Denemarken Denemarken Duitsland - Finland Finland Frankrijk Frankrijk Griekenland Griekenland Ierland Ierland Italië Italië Luxemburg Luxemburg Malta Malta Oostenrijk Oostenrijk Portugal Portugal Spanje Spanje Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk Zweden Zweden EU-11 Polen Hongarije Slowakije Voormalig Tsjecho-Slowakije Roemenië Tsjechië Letland Litouwen Bulgarije Estland Slovenië Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 40
BIJLAGE D AANVULLENDE GRAFIEKEN EN TABELLEN Tabel B2.1 Aantal werkende arbeidsmigranten, naar herkomstland, peildatum december 2012 Limburg Nederland Polen 14.710 68,0% Polen 138.900 54,4% Verenigd Koninkrijk 1.240 5,7% Verenigd Koninkrijk 23.690 9,3% Italië 750 3,5% Italië 10.370 4,1% Hongarije 650 3,0% Hongarije 10.390 4,1% Slowakije 630 2,9% Slowakije 2.620 1,0% Spanje 470 2,2% Spanje 9.970 3,9% Voormalig Tsjecho-Slowakije 450 2,1% Voormalig Tsjecho-Slowakije 4.790 1,9% Frankrijk 430 2,0% Frankrijk 9.880 3,9% Roemenië 340 1,6% Roemenië 5.800 2,3% Griekenland 340 1,6% Griekenland 5.820 2,3% Portugal 330 1,5% Portugal 11.120 4,4% Tsjechië 290 1,3% Tsjechië 1.080 0,4% Letland 230 1,1% Letland 2.900 1,1% Oostenrijk 170 0,8% Oostenrijk 2.280 0,9% Litouwen 160 0,7% Litouwen 4.400 1,7% Overige landen 450 2,1% Overige landen 11.300 4,4% Totaal 21.620 100% 255.300 100% Bron: CBS Tabel B2.2 Arbeidsmigranten uit MOE-landen naar herkomstland, peildatum december 2012 Limburg Nederland Polen 17.770 78,0% Polen 175.770 70,2% Hongarije 1.140 5,0% Hongarije 16.380 6,5% Roemenië 940 4,1% Roemenië 14.290 5,7% Voormalig Tsjecho-Slowakije 750 3,3% Voormalig Tsjecho-Slowakije 9.260 3,7% Slowakije 650 2,9% Slowakije 2.950 1,2% Bulgarije 490 2,2% Bulgarije 18.240 7,3% Letland 350 1,5% Letland 4.430 1,8% Tsjechië 330 1,4% Tsjechië 1.500 0,6% Litouwen 290 1,3% Litouwen 6.410 2,6% Estland 50 0,2% Estland 1.070 0,4% Slovenië 10 0,0% Slovenië 240 0,1% Totaal MOE-landen 22.770 100% Totaal MOE-landen 250.540 100% Bron: CBS Tabel B2.3 Werkende arbeidsmigranten uit MOE-landen naar herkomstland, peildatum december 2012 Limburg Nederland Polen 14.710 83,5% Polen 138.900 79,7% Hongarije 650 3,7% Hongarije 10.390 6,0% Slowakije 630 3,6% Slowakije 2.620 1,5% Voormalig Tsjecho-Slowakije 450 2,6% Voormalig Tsjecho-Slowakije 4.790 2,7% Roemenië 340 1,9% Roemenië 5.800 3,3% Tsjechië 290 1,6% Tsjechië 1.080 0,6% Letland 230 1,3% Letland 2.900 1,7% Litouwen 160 0,9% Litouwen 4.400 2,5% Bulgarije 120 0,7% Bulgarije 2.680 1,5% Estland 30 0,2% Estland 560 0,3% Slovenië 0 0,0% Slovenië 160 0,1% Totaal MOE-landen 17.610 100% Totaal MOE-landen 174.280 100% Bron: CBS Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 41
Figuur B3.1 Verdeling werkende arbeidsmigranten naar sector voor deelregio s in Limburg, december 2012 (NIET GERAAMD) Limburg 58% 9% 7% 6% 4% 4% Noord-Limburg 0% Midden-Limburg 0% Zuid-Limburg Bron: CBS Tabel B3.1 Aantal werkende arbeidsmigranten naar sector in Limburg, Noord-Limburg en de gemeenten in Noord-Limburg, december 2012 Totaal verhuur en landbouw, industrie handel overige bosbouw en sectoren Limburg visserij 21.620 12.550 (58%) 2.050 (9%) 1.610 (7%) 1.390 (6%) 4.020 (19%) Noord-Limburg Beesel Bergen (L.) Gennep Mook en Middelaar Venlo Venray Horst aan de Maas Peel en Maas Totaal verhuur en landbouw, bosbouw en visserij industrie handel overige sectoren 12.640 8.850 (70%) 1.680 (13%) 600 (5%) 510 (4%) 1.010 (8%) Totaal landbouw, verhuur en industrie handel overige bosbouw en sectoren visserij 80 20 (25%) 20 (25%) 10 (13%) 10 (13%) 20 (25%) Totaal landbouw, bosbouw en visserij verhuur en industrie handel overige sectoren 160 60 (38%) 40 (25%) 30 (19%) 20 (13%) 10 (6%) Totaal verhuur en industrie handel landbouw, overige bosbouw en sectoren visserij 310 230 (74%) 20 (6%) 20 (6%) 10 (3%) 30 (10%) Totaal industrie horeca gezondheids- en welzijnszorg landbouw, bosbouw en visserij overige sectoren 50 20 (50%) 10 (25%) 10 (25%) 0 (0%) 0 (0%) Totaal verhuur en industrie handel onderwijs overige sectoren 3.630 2.340 (65%) 290 (8%) 250 (7%) 210 (6%) 530 (15%) Totaal verhuur en landbouw, bosbouw en visserij industrie handel overige sectoren 5.650 5.120 (91%) 200 (4%) 90 (2%) 70 (1%) 170 (3%) Totaal landbouw, verhuur en industrie handel overige bosbouw en sectoren visserij 1.900 990 (52%) 670 (35%) 90 (5%) 50 (3%) 90 (5%) Totaal 31% 54% verhuur en 70% 12% landbouw, bosbouw en visserij handel industrie overige sectoren 860 430 (49%) 210 (24%) 100 (11%) 60 (7%) 70 (8%) Bron: CBS, bewerking Etil/ROA. 10% 10% 9% 7% 10% 13% 9% 5% 4% 4% 4% 7% 7% 7% 8% 0% 10% 20% 30% 40% 50% 60% 70% 80% 90% 100% verhuur en industrie vervoer en opslag horeca specialistische zakelijke landbouw, bosbouw en visserij handel onderwijs gezondheids- en welzijnszorg overige sectoren 1% Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 42
Tabel B3.2 Aantal werkende arbeidsmigranten naar sector in Limburg, Midden-Limburg en de gemeenten in Midden-Limburg, december 2012 Totaal verhuur en landbouw, industrie handel overige sectoren bosbouw en Limburg visserij 21.620 12.550 (58%) 2.050 (9%) 1.610 (7%) 1.390 (6%) 4.020 (19%) Midden-Limburg Nederweert Roermond Weert Leudal Maasgouw Roerdalen Echt-Susteren Totaal verhuur en industrie handel landbouw, bosbouw en visserij overige sectoren 3.930 2.120 (54%) 380 (10%) 380 (10%) 350 (9%) 700 (18%) Totaal handel verhuur en landbouw, bosbouw en visserij industrie overige sectoren 200 60 (30%) 50 (25%) 40 (20%) 30 (15%) 20 (10%) Totaal verhuur en industrie handel vervoer en opslag overige sectoren 1.850 1.360 (74%) 120 (6%) 110 (6%) 50 (3%) 210 (11%) Totaal verhuur en landbouw, bosbouw en visserij industrie handel overige sectoren 880 420 (48%) 110 (13%) 100 (11%) 100 (11%) 150 (17%) Totaal verhuur en landbouw, bosbouw en visserij industrie handel overige sectoren 460 180 (38%) 110 (23%) 50 (11%) 50 (11%) 80 (17%) Totaal vervoer en opslag verhuur en industrie handel overige sectoren 150 40 (25%) 30 (19%) 20 (13%) 20 (13%) 50 (31%) Totaal verhuur en handel landbouw, bosbouw en visserij industrie overige sectoren 160 40 (25%) 30 (19%) 20 (13%) 20 (13%) 50 (31%) Totaal landbouw, bosbouw en visserij industrie verhuur en waterbedrijven en afvalbeheer overige sectoren 230 40 (17%) 40 (17%) 40 (17%) 20 (9%) 90 (39%) Bron: CBS, bewerking Etil/ROA. Tabel B3.3 Aantal werkende arbeidsmigranten naar sector in Limburg, Zuid-Limburg en de gemeenten in Zuid-Limburg, december 2012 Totaal verhuur en landbouw, bosbouw industrie handel overige sectoren en visserij Limburg 21.620 12.550 (58%) 2.050 (9%) 1.610 (7%) 1.390 (6%) 4.020 (19%) Zuid-Limburg Totaal verhuur en industrie handel horeca overige sectoren 5.050 1.580 (31%) 630 (12%) 500 (10%) 440 (9%) 1.900 (38%) Totaal verhuur en industrie landbouw, delfstoffenwinning overige sectoren bosbouw en visserij Onderbanken 90 50 (63%) 30 (38%) 0 (0%) 0 (0%) 0 (0%) Totaal verhuur en handel industrie horeca overige sectoren Landgraaf 150 40 (25%) 30 (19%) 20 (13%) 20 (13%) 50 (31%) Totaal industrie vervoer en opslag verhuur en handel overige sectoren Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 43
Beek 130 40 (33%) 20 (17%) 20 (17%) 10 (8%) 30 (25%) Totaal verhuur en industrie handel horeca overige sectoren Brunssum 310 200 (61%) 20 (6%) 20 (6%) 20 (6%) 70 (21%) Totaal verhuur en industrie handel gezondheids- en overige sectoren welzijnszorg Heerlen 650 170 (26%) 90 (14%) 90 (14%) 70 (11%) 240 (36%) Totaal verhuur en industrie handel gezondheids- en overige sectoren welzijnszorg Kerkrade 290 100 (36%) 50 (18%) 30 (11%) 30 (11%) 70 (25%) Totaal verhuur en onderwijs horeca industrie overige sectoren Maastricht 1.750 500 (29%) 250 (14%) 210 (12%) 170 (10%) 620 (35%) Totaal verhuur en industrie handel vervoer en opslag overige sectoren Meerssen 80 20 (25%) 10 (13%) 10 (13%) 10 (13%) 30 (38%) Totaal handel verhuur en overige industrie gezondheids- en overige sectoren zakelijke welzijnszorg Nuth 90 30 (38%) 30 (38%) 10 (13%) 10 (13%) 0 (0%) Totaal verhuur en industrie horeca gezondheids- en overige sectoren welzijnszorg Schinnen 60 20 (40%) 10 (20%) 10 (20%) 10 (20%) 0 (0%) Totaal handel horeca verhuur en landbouw, overige sectoren bosbouw en visserij Simpelveld 30 10 (33%) 10 (33%) 10 (33%) 0 (0%) 0 (0%) Totaal vervoer en opslag verhuur en overige handel specialistische overige sectoren zakelijke zakelijke Stein 350 150 (43%) 140 (40%) 20 (6%) 20 (6%) 20 (6%) Totaal handel verhuur en overige industrie horeca overige sectoren zakelijke Vaals 80 20 (25%) 20 (25%) 10 (13%) 10 (13%) 20 (25%) Totaal landbouw, horeca verhuur en gezondheids- en overige sectoren bosbouw en visserij welzijnszorg Voerendaal 40 10 (25%) 10 (25%) 10 (25%) 10 (25%) 0 (0%) Totaal verhuur en horeca industrie handel overige sectoren Valkenburg aan de 100 30 (30%) 20 (20%) 10 (10%) 10 (10%) 30 (30%) Geul Totaal industrie handel horeca specialistische overige sectoren zakelijke Gulpen-Wittem 50 10 (17%) 10 (17%) 10 (17%) 10 (17%) 20 (33%) Totaal verhuur en industrie handel specialistische overige sectoren zakelijke Sittard-Geleen 680 210 (31%) 160 (24%) 80 (12%) 40 (6%) 190 (28%) Totaal specialistische zakelijke onderwijs landbouw, bosbouw en visserij industrie overige sectoren Eijsden-Margraten 110 40 (31%) 20 (15%) 10 (8%) 10 (8%) 50 (38%) Bron: CBS, bewerking Etil/ROA. Arbeidsmigranten op de Limburgse arbeidsmarkt 44