Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1979-1980 16 154 Bouw van een haven in de westelijke Sahara Nr. 1 1 Samenstelling: Portheine (VVD), Mommersteeg (CDA), Van Thijn (PvdA), Van Rossum (SGP). Wolff (CPN), Dankert (PvdA), Van der Stoel (PvdA), Roethof (PvdA), Scholten (CDA), ondervoorzitter. Ter Beek (PvdA), voorzitter. Ploeg (VVD), Waltmans (PPR), Patijn (PvdA), Pronk (PvdA), Van den Broek (CDA), J. de Boer (CDA), Brinkhorst (D'66), Gualthérie van Weezel (CDA), Van den Bergh (PvdA), Van der Linden (CDA), Lubbers (CDA), Bolkestein (VVD), Blaauw(VVD). 2 Samenstelling: Joekes (VVD), Portheine (VVD), Van Dis (SGP), Epema-Brugman (PvdA), voorzitter. Van Amelsvoort (CDA), Jansen (PPR), Salomons (PvdA), Van Houwelingen (CDA), Kolthoff (PvdA), Van der Hek (PvdA), Engwirda (D'66), Braams (VVD), Jacobse (VVD), Spieker (PvdA), Wöltgens (PvdA), Van der Linden (CDA), Va/i Rooijen (CDA), Gerritse (CDA), ondervoorzitter. De Vries (CDA), Zijlstra (PvdA), Van lersel (CDA). 3 Samenstelling: Joekes (VVD), voorzitter, Portheine (VVD), Dankert (PvdA), Van Dis (SGP), Epema-Brugman (PvdA), Van Amelsvoort (CDA), ondervoorzitter, Jansen (PPR), Kombrink (PvdA), Van der Hek (PvdA), Rienks (PvdA), Engwirda (D'66), De Graaf (PvdA), Van Dijk (CDA), Wöltgens (PvdA), Hermans (VVD), Van Rooijen (CDA), De Korte (VVD), Bakker (CDA), De Vries (CDA), Couprie (CDA), Van lersel (CDA). VERSLAG VAN EEN MONDELING OVERLEG Vastgesteld 23 april 1980 De vaste Commissies voor Buitenlandse Zaken, 1 voor Economische Zaken 2 en voor Financiën 3 hebben op verzoek van leden van de P.P.R.-fractie op woensdag 26 maart mondeling overleg gevoerd met de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Financiën, alsmede met Staatssecretaris Beyen van Economische Zaken, aangaande de bouw van een haven in de westelijke Sahara. De bewindslieden werden tijdens het overleg terzijde gestaan door de heren J. W. A. Huibregtse (plaatsvervangend directeur-generaal buitenlandse economische betrekkingen), C. J. Dirkzwager (directie Afrika en Midden- Oosten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken), J. M. van Bosse (van dezelfde directie) en M. W. Sikkel (directie buitenlandse financiële betrekkingen van het Ministerie van Financiën). Vragen en opmerkingen vanuit de commissies Een lid van de P.P.R.-fractie dat om het houden van dit overleg had gevraagd, wees erop dat zijnerzijds op 6 maart schriftelijke vragen waren gesteld over de kwestie van de bouw van een haven in de westelijke Sahara. Enkele leden van de P.v.d.A.-fractie hadden op 7 maart aanvullende vragen hierbij toegezonden. Het lid dat het stellen van deze vragen memoreerde, noemde het opvallend dat deze beide stellen schriftelijke vragen juist op de dag van het mondeling overleg, 26 maart, waren beantwoord (zie Aanhangsel van de Handelingen, nr. 865 en 866, blz. 1695 en 1997). Kunnen de bewindslieden voor deze «toevalligheid» een verklaring geven? Ook gelezen het antwoord op de schriftelijke vragen, bleven bij het aan het woord zijn de lid vragen bestaan. Dit lid wees in de eerste plaats erop dat het hier gaat om een politieke beslissing, niet een technocratische. Toen in mei 1979 een dekkingstoezegging werd afgegeven door de Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij was het reeds bekend dat het hier ging om een investering in een gebied in staat van oorlog, een onrechtmatig bezet gebied. Kan de Regering verklaren waarom zij de medewerking aan deze investering niet in strijd acht met de motie-gualthérie van Weezel-Waltmans (15 800-V, nr. 44)? Het lid dat deze nadere vragen stelde, zou tevens gaarne vernemen of destijds niet is gewezen op de waarschijnlijkheid van reacties van de zijde van het Polisario en Algerije. Heeft de Regering niet beseft dat haar beslissing Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 16 154, nr. 1 1
aangaande de investering in de West-Sahara gevolgen kon hebben voor de gehele relatie met Algerije ook die betreffende de LNG? Ten slotte stelde het aan het woord zijnde lid de vraag hoe lijf en leden van de werknemers van het Bos-Kalis-concern zullen kunnen worden beschermd. Het genoemde concern heeft gevraagd - zo meende dit lid - om Marokkaanse militaire hulp. Zal juist die militaire hulp van Marokko niet provocerend werken? Een lid van de C.D.A.-fractie zou gaarne vernemen wat precies de chronologie was van de diverse gesprekken en beslissingen. Wanneer is de Nederlandse positie met betrekking tot het in discussie zijnde gebied voor het eerst expliciet naar buiten gebracht? Wanneer werd precies de dekkingstoezegging gegeven? Het lid nu aan het woord zou gaarne vernemen of het überhaupt mogelijk is om tot herverzekering met medewerking van de Staat te komen van werken die worden uitgevoerd in een gebied waar de Regering die de werken uitvoert niet de soevereiniteit heeft. Verschaft de verzekering ook een dekking tegen het risico van geweld? Zo ja, waarom kon de Regering dit risico dan aanvaardbaar achten? Welke eventuele schadeclaims zijn te verwachten? Een tweede lid van de C.D.A.-fractie was eveneens geïnteresseerd in het preciese verloop van het overleg met de Algerijnse regering. Het nu aan het woord zijnde lid wees erop dat de Marokkaanse regering mogelijkerwijs een schadeclaim zal indienen bij het niet doorgaan van het werk. Een lid van de V.V.D.-fractie stelde de vraag of de betaling voor het werk door de staat Marokko wordt gegarandeerd. Voorts informeerde dit lid of men mag aannemen dat het werk, dat door het Bos-Kalis-concern wordt ondernomen, in ieder geval ten goede komt aan de bevolking, ongeacht de soevereiniteit over het gebied. Een lid van de fractie van de P.v.d.A. stelde de vraag of de Ministervan Buitenlandse Zaken positief heeft geadviseerd voordat de dekkingstoezegging werd afgegeven. Dit lid achtte de antwoorden op de beide te stellen schriftelijke vragen niet goed met elkaar te verenigen. In het antwoord op de eerste schriftelijke vraag van het lid Waltmans wordt immers erkend dat het Bos-Kalis-concern een contract heeft afgesloten met een Marokkaans ministerie. In het antwoord op de derde schriftelijke vraag van enkele leden van de P.v.d.A.-fractie wordt niettemin volgehouden dat de beslissing tot herverzekering niet kan worden uitgelegd als een daad van erkenning van de Marokkaanse soevereiniteit. Kan de Minister van Buitenlandse Zaken het verband tussen deze beide antwoorden toelichten? Een tweede lid van de P.v.d.A.-fractie stelde de vraag of, gelezen het antwoord op de derde schriftelijke vraag van enkele leden van de P.v.d.A.-fractie, de Nederlandse Regering ook zou kunnen meewerken aan een herverzekering van eventuele projecten op de westelijke Jordaanoever en tegelijkertijd volhouden dat hiermee geen wijziging komt in het Nederlandse standpunt over de soevereiniteit over dat gebied. Is de genomen beslissing aangaande aanleg van een haven in de West-Sahara geen precedent? Hoe is vol te houden dat het contract met het Marokkaanse ministerie van openbare werken geen erkenning inhoudt, wanneer men ziet hoe omzichtig de Nederlandse Regering optreedt als het gaat om feitelijke relaties met het gebied op de westelijke Jordaanoever? Een derde lid van de P.v.d.A.-fractie informeerde of het Bos-Kalis-concern zelf overleg heeft gevoerd met de Algerijnse ambassadeur te Brussel. Een lid van de G.P.V.-fractie vroeg zich af hoe de stabiliteit in het Saharagebied zou zijn, als Marokko zich vandaar zou terugtrekken. Tweede Kamer, zitting 1979-1980,16 154, nr. 1 2
Antwoord van de bewindslieden De Minister van Buitenlandse Zaken zette uiteen dat zijn departement einde april 1979 was benaderd over deze kwestie. Zijnerzijds was toen naarvoren gebracht dat, formeel gezien, geen politieke bezwaren naar voren konden worden gebracht, daar Nederland immers sinds het tot stand komen van het akkoord van Madrid in 1975 geen uitspraak over de soevereiniteit had gedaan. Wel was daarbij gewezen op het plaatsvinden van militaire operaties in het gebied en op de omstreden status. In februari en maart 1980 hebben in Algiers gesprekken plaatsgevonden met de Algerijnse regering en met het Polisario. Bij geen van deze gesprekken is te kennen gegeven dat het contract gevolgen zou kunnen hebben voor de Nederlands-Algerijnse betrekkingen in het algemeen. Wel werd van de zijde van het Polisario gewezen op de veiligheid en wees de Algerijnse regering op het feit dat het Bos-Kalis-concern ook projecten in Algerije heeft lopen. De Minister was van mening dat de vissershaven die zal worden aangelegd onder elk regime van nut zal zijn. De situatie in de westelijke Sahara is niet vergelijkbaar met die in de door Israël bezette gebieden, omdat Nederland aangaande de Israëlische bezetting duidelijke uitspraken heeft gedaan. Ook de internationale uitspraken over het Saharagebied zijn minder duidelijk. De organisatie van Afrikaanse eenheid vraagt bij voorbeeld van Marokko slechts terugtrekking uit het gebied dat vroeger van Mauretanië was. De vissershaven wordt echter aangelegd in dat deel van de voormalige Spaanse Sahara dat na het vertrek van Spanje meteen onder Marokkaans gezag kwam. De Sahara speelt een belangrijke rol in de Marokkaanse politiek. Het Marokkaanse staatshoofd heeft zowel de meer linksgezinde als de andere groeperingen in zijn land achter zich in zijn politiek tegenover dit gebied, maar hij vindt hiervoor binnen de OAE steeds minder steun. De Minister deelde mee dat hij zelf geen overleg had gevoerd met de directie van het Bos-Kalis-concern. De Ministervan Financiën deelde mee dat in mei 1978 een voorwaardelijke dekkingstoezegging was gedaan, terwijl op 22 mei 1979 de definitieve goedkeuring werd gegeven aan de NCM. Dit kon gebeuren omdat Marokko kredietwaardig werd en wordt geacht voor 110 min. gulden. De risico's die worden gelopen tijdens de bouw, staan los van deze verzekering. Bij verbreking van het contract door Bos Kalis kan Marokko - zo kwam het de Minister voor-een bedrag van 110 min. gulden claimen. De Staatssecretaris van Economische Zaken zette uiteen dat het hier niet gaat om een investering maar om de uitvoering van een werk. Deze bewindsman had wél zelf rechtstreeks contact gehad met de leiding van het Bos-Kalis-concern. Toen Bos Kalis in 1978 de offerte uitbracht, was niet voorzien dat de Algerijnse regering en het Polisario zouden reageren op de Nederlandse betrokkenheid bij de aanleg van een vissershaven, als zij nu hebben gedaan. Het betrokken Nederlandse concern is nu - aldus de Staatssecretaris - in een moeilijk parket. Er zijn geen expliciete bedreigingen met betrekking tot de veiligheid gehoord, maar de veiligheid is toch ook niet duidelijk gegarandeerd. Ook is de positie van het Bos-Kalis-concern in Algerije in het geding. De Staatssecretaris meende te weten dat het concern op korte termijn een beslissing zal nemen. Vragen en opmerkingen uit de commissies in tweede termijn Een lid van de P.P.R.-fractie had uit de antwoorden de indruk overgehouden dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken slechts marginaal was betrokken geweest bij deze kwestie. Als dit waar is, dan zou het aan het woord zijn- Tweede Kamer, zitting 1979-1980,16 154, nr. 1 3
de lid dit betreuren. Immers, reeds in oktober 1975 heeft het Internationale Hof van Justitie de Marokkaanse aanspraken verworpen. Dit geschiedde ook door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, door de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en door de Tweede Kamer. Hoe kan men dan stellen dat Nederland zich niet heeft uitgesproken over de soevereiniteit? Het aan het woord zijnde lid beschikte over een aide-mémoire van de ambassadeur van Algerije, dat aan verschillende andere ambassades ter inzage was toegezonden en waarin wordt gesproken over de ernst van de politieke gevolgen van de beslissing van de Nederlandse Regering. Volgens dit aidemémoire, gedateerd 17 maart 1980, had een hoge ambtenaar van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken meegedeeld dat de definitieve beslissing niet eerder dan in 1979 was genomen. Het onderhoud dat de ambassadeur had gehad met deze ambtenaar, was kennelijk zonder enige betekenis geweest. Een lid van de C.D.A.-fractie stelde de vraag of kredietwaardigheid het enige beginsel is, waaraan wordt getoetst bij de beslissing tot verlening van een krediet. Is niet de legaliteit een hieraan voorafgaande norm? Is het ontbreken van garanties voor de veiligheid in 1979 inderdaad in het geheel niet voorzien? Hoeveel van de 110 min. gulden is eventueel te verhalen op de NCM en door deze op de staat? Een tweede lid van de C.D.A.-fractie stelde de vraag of de Algerijnse ambassadeur, geaccrediteerd in Den Haag, hier een démarche heeft ondernomen en het genoemde aide-mémoire heeft overhandigd. Is de Nederlandse ambassadeur in Algiers bij de Algerijnse regering ontboden? Een derde lid van de C.D.A.-fractie achtte het de meest wezenlijke vraag of er in het betrokken gebied al dan niet sprake is van militair geweld. Kan een exportkredietverzekering worden gegeven voor een gebied waar militair geweld waarschijnlijk is? Een lid van de V.V.D.-fractie zou gaarne vernemen wanneer precies het Bos-Kalis-concern zijn beslissing denkt te nemen. Een lid van de P.v.d.A.-fractie meende dat de eerder gestelde vraag over de onderlinge verenigbaarheid van de antwoorden op schriftelijke vragen nog niet beantwoord was. Dit lid zou voorts gaarne vernemen ten laste van welke begroting eventuele rentesubsidie komt. Ten slotte vroeg dit lid of de NCM zelfstandig een land al of niet kredietwaardig kan noemen. Zo ja, impliceert de beslissing over de kredietwaardigheid dan ook een erkenning van de soevereiniteit? Een tweede lid van de P.v.d.A.-fractie meende dat de Minister van Buitenlandse Zaken destijds beter zou hebben gedaan door het hele project in duidelijke taal af te raden. Dit lid meende dat het dank zij de financieringsvoorzieningen van de Nederlandse overheid mogelijk wordt om dit project uitte voeren en dat hierin een erkenning is gelegen van de Marokkaanse soevereiniteit. Antwoord van de Regering in tweede termijn De Minister van Buitenlandse Zaken deelde mee dat de Nederlandse ambassadeur in Algiers op 4 maart was ontboden op het Algerijnse Ministerie van Buitenlandse Zaken. De ambassadeur was op deze kwestie niet voorbereid en vroeg derhalve om nadere instructies die hij ontving op 6 maart. Op 14 maart had de ambassadeur een nieuw gesprek met de Algerijnse regering en op 17 maart had een medewerker een gesprek ter ambassade met een vertegenwoordiger van het Polisario. De Minister had de indruk dat de mededelingen uit het aide-mémoire zoals deze in het mondeling overleg waren overgebracht, niet geheel overeenstemmen met de aan hem gerapporteerde feiten. Tweede Kamer, zitting 1979-1980,16 154, nr. 1 4
Destijds was vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken wel degelijk gewezen op de gevaren in het betrokken gebied. De Minister had echter geen oordeel kunnen geven over de omvang van de gevaren in het specifieke gebied waar de haven wordt aangelegd. Het was hem in 1979 niet zonder meer duidelijk dat het contract door Bos Kalis met de Marokkaanse regering werd gesloten. Dit deed ook niet ter zake, daar het sluiten van een contract tussen twee partijen nooit voor de Nederlandse Staat, die daarbij geen partij is, volkenrechtelijke consequenties kan hebben. De Minister van Financiën meende dat de Nederlandsche Credietverzekering Maatschappij slechts te beoordelen had de legaliteit van de contractpartner van het Bos-Kalis-concern, het Koninkrijk Marokko. Die legaliteit is onbetwistbaar. De Minister van Buitenlandse Zaken adviseert in deze procedure over de de jure en de facto soevereiniteit. Het was de aan het woord zijnde Minister niet geheel duidelijk in hoeverre het goedkeuren van de herverzekering inderdaad een zekere erkenning van de claims op het betrokken gebied inhoudt. Als het Bos-Kalis-concern het contract verbreekt, dan is de schade niet te verhalen op de NCM. De Staatssecretaris van Economische Zaken deelde mee dat de rentesubsidies komen ten laste van het Ministerie van Economische Zaken, het zogenaamde matching-fonds. Dit is pas geschied toen de kredietverzekering was toegezegd. De bewindsman nu aan het woord meende dat het Bos-Kalis-concern snel met zijn beslissing zal komen. De voorzitter van de vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken, Ter Beek De voorzitter van de vaste Commissie voor Economische Zaken, Epema-Brugman De voorzitter van de vaste Commissie voor Financiën, Joekes De griffier van de vaste Commissie voor Buitenlandse Zaken, De Beaufort Tweede Kamer, zitting 1979-1980,16 154, nr. 1 5