MNSTERE VAN ONDERWJS EN VOLKSONTWKKELNG EXAMENBUREAU VAK : GESCHEDENS DATUM: VRJDAG 10 JUL 2009 TJD : 07.45 09.00 UUR DEZE TAAK BESTAAT UT 40 TEMS. UNFORM ENDEXAMEN MULO 2009 Suriname: De politieke- en staatkundige ontwikkeling na 1945 Twee beweringen over de grondwet zijn: 1 Het wijzigen van de grondwet kan alleen geschieden na een volksraadpleging. De grondwet geeft de richtlijnen aan hoe er gestemd moet worden bij een grondwetswijziging. Voor deze beweringen geldt: A alleen is juist. B alleen is juist. C en zijn beide juist. D en zijn beide onjuist. Welke ontwikkeling in de democratisering van ons land in de periode 1948-1975 is niet juist? 2 A De Staten van Suriname maakten deel uit van het bestuur. B Het decentralisatieproces in het bestuur werd ingezet. C Meer mensen kregen het kiesrecht. D Verschillende politieke partijen werden opgericht. Grondwetsartikel 8 lid 2 luidt:,,niemand mag op grond van zijn geboorte, geslacht, ras, taal, godsdienst, afkomst, educatie, politieke overtuiging, economische positie of sociale omstandigheden of enig andere status gediscrimineerd worden. Dit betekent dat A alle burgers voor de wet gelijk zijn. B burgers verplicht zijn om een politieke keuze te maken. C discriminatie wegens geloofsovertuiging is toegestaan. D elke burger privileges heeft. 3 4 n welke periode was er in Suriname sprake van beperkt kiesrecht? n de periode A 1937-1948. B 1948-1963. C 1963-1980. D 1980-1987.
5 De Nationale Assemblee heeft onder andere als taak het sociaal-economisch beleid van de regering te controleren. Welke bevoegdheid van De Nationale Assemblee geeft die controlerende taak duidelijk aan? A Het indienen van een motie van wantrouwen tegen een minister. B Het stellen van vragen aan de president. C Het wijzigen van ingediende wetsvoorstellen van de regering. D Het indienen van wetsvoorstellen. Twee beweringen over grondrechten zijn: 6 Sociale grondrechten bieden bescherming tegen handelingen van de overheid. Geestelijke grondrechten bieden bescherming tegen besluiten van religieuze organisaties. Voor deze beweringen geldt: A alleen is juist. B alleen is juist. C en zijn beide juist. D en zijn beide onjuist. Suriname: Sociale ontwikkeling na 1945 Met welk doel wordt een vakbond opgericht? A Om alleen loonsverhogingen van de werkgever af te dwingen. B Om arbeiders te stimuleren lid te worden van een politieke organisatie. C Om arbeidsplaatsen voor jongeren te scheppen na hun studietijd. D Om de belangen van elke arbeider te behartigen. 7 8 Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de term nheemsen gehanteerd in het politiek, sociaal en maatschappelijk gebeuren van ons land. Wie worden met deze term aangeduid? A de Boslandcreolen B de ndianen C zowel de Boslandcreolen als de ndianen D een ieder die zich in het binnenland vestigt. Welke feestdag is geen nationale feestdag in ons land? A Divali B ed-ul-fitre C Kerstfeest D Pasen 9 10 Welke twee gebedshuizen werden in ons land geïntroduceerd met de komst van de Aziatische immigranten? A de synagoge en de tempel B de synagoge en de mandir C de synagoge en de moskee D de tempel en de moskee 11 Volgens het Brokopondoplan dat eindjaren vijftig van de vorige eeuw werd uitgevoerd, moesten de bewoners hun woongebied verlaten en zich ergens anders vestigen. Dit proces heet A immigratie. B remigratie. C transmigratie. D urbanisatie.
12 Drie gebeurtenissen in onze geschiedenis zijn: De afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863. De aankomst van de eerste Hindostaanse contractarbeiders op 5 juni 1873. De eerste parlementsverkiezingen op 10 mei 1866. Deze drie gebeurtenissen vonden plaats in: A de eerste helft van de 18 e eeuw. B de tweede helft van de 18 e eeuw. C de eerste helft van de 19 e eeuw. D de tweede helft van de 19 e eeuw. 13 1 Opo kondre man un opo Sranan gron e kari un 2 Wans ope tata komopo Wi mu seti kondre bun 3 Stre def stre wi no sa frede Gado de wi fesi man 4 Heri libi te na dede Wi sa feti gi Sranan Welke twee regels van ons volkslied geven aan dat wij strijd moeten leveren voor Suriname? A 1 en 2 B 1 en 4 C 2 en 3 D 3 en 4 Suriname: Economische ontwikkeling na 1945 14 De meest betrouwbare bron voor onze nationale ontwikkeling is A donorhulp. B eigen besparingen. C hulp van het nternationaal Monetair Fonds. D kredieten van internationale financieringsorganisaties. 15 Op welke sector heeft de uitstraling van de bauxietindustrie geen effect? A de aardoliewinning B de goudwinning C de handel D de rijstsector 16 Mensen die het beroep van,,hosselaar uitoefenen, worden gerekend tot A de primaire sector. B de secundaire sector. C de tertiaire sector. D de informele sector. 17 Hier volgen twee beweringen: De uitbreiding van het dienstenpakket van het S.Z.F vergroot het welzijn van de ambtenaren. Verhoging van de A.O.V.-uitkering vergroot de welvaart van de senioren burgers. Voor deze beweringen geldt: A alleen is juist. B alleen is juist. C en zijn beide juist. D en zijn beide onjuist. Het dekolonisatieproces 18 Welke dekolonisatiegolf kenmerkt zich door de vrijheidsstrijd van de blanken die zich in de koloniën hadden gevestigd? A de eerste dekolonisatiegolf B de tweede dekolonisatiegolf C de derde dekolonisatiegolf D de vierde dekolonisatiegolf
19 Welke personen hebben een belangrijke rol gespeeld bij de onafhankelijkheidsstrijd tijdens de tweede dekolonisatiegolf? A Cecil Rhodes en an Smith B George Washington en Abraham Lincoln C Mahatma Ghandhi en pandit Nehru D Simon Bolivar en José de San Martin 20 Wie was niet actief betrokken bij de onafhankelijkheidsstrijd van Guyana? A Forbes Burnham B Nathaniël Critchlow C Chedi Jagan D Bharrat Jagdeo 21 22 Wanneer de Derde Wereldlanden zelf de handel met het buitenland controleren, spreken we van A culturele dekolonisatie. B economische dekolonisatie. C politieke dekolonisatie. D staatkundige dekolonisatie. 23 Twee externe factoren die het dekolonisatieproces hebben bevorderd zijn: A de economische welvaart in de kolonie en de Tweede Wereldoorlog. B de Koude Oorlog en het nationalisme. C het onderlinge solidariteitsgevoel bij de gekoloniseerde volkeren en het imperialisme. D de oprichting van de Verenigde Naties en het socialisme. Het Arabisch-sraëlisch conflict 24 1 2 3 4 Welke afbeelding is het symbool van de Beweging van Niet-Gebonden Landen? A 1 B 2 C 3 D 4 Een belangrijke oorzaak van het Arabisch- sraëlisch conflict is A de religieuze tegenstellingen tussen Arabieren en Joden. B de uitroeping van de staat sraël in Palestina. C de vervolging van de Joden in de Arabische wereld. D het verbod van Egypte tegen het gebruikmaken van het Suezkanaal door de sraëlische scheepvaart.
25 De Palestijnse Kwestie houdt in dat de Palestijnen A de macht willen overnemen in de gebieden waarin zij wonen. B door de sraëliërs verdreven zijn uit de Arabische landen. C strijden voor het stichten van een eigen staat. D twisten over het leiderschap van de Palestijnse verzetsorganisaties. 26 Onder intifada wordt verstaan: A het verzet van de Joden in de bezette gebieden. B het verzet van de Palestijnen in de bezette gebieden. C de militaire acties van de Joden in de Palestijnse kampen. D de militaire acties van de Palestijnen in de Joodse nederzettingen. 27 Het verlangen van de Joden naar een eigen staat wordt genoemd: A diaspora. B pogrom. C semitisme. D zionisme. 28 n 1964 werd de P.L.O. opgericht met het doel: de verschillende Palestijnse organisaties te bundelen; meer hulp te krijgen voor de Palestijnse zaak. Van deze doelstellingen: A is alleen juist. B is alleen juist. C zijn en beide juist. D zijn en beide onjuist. 29 De Arabieren verwierpen het verdelingsplan van de V.N. dat in resolutie 181 was opgenomen, omdat zij A een eind wilden maken aan de oorlog tussen de V.S. en rak. B een oplossing zochten voor het Arabisch- sraëlisch conflict. C Jeruzalem als hun belangrijkste bedevaartplaats beschouwden. D tegen de stichting van een Joodse staat waren. 30 Drie gebeurtenissen die in het jaar 1956 plaatsvonden zijn: Nasser nationaliseerde het Suezkanaal; Engeland en Frankrijk bezetten het Suezkanaal; De V.S. stopte de financiering van de bouw van de Assoewadam. Welk verband tussen deze gebeurtenissen is juist? A Gebeurtenis is een oorzaak van gebeurtenis en. B Gebeurtenis is een oorzaak van gebeurtenis en. C Gebeurtenis is een gevolg van gebeurtenis en. D Gebeurtenis is een gevolg van gebeurtenis en. 31 Wat is geen gevolg van de olieboycot in 1973? A De economische positie van de Derde Wereldlanden verslechterde verder. B De V.S. ondernamen bemiddelingspogingen tot een wapenstilstand in de Oktoberoorlog. C Het Suezkanaal werd door Egypte afgesloten voor landen die sraël steunden. D Westerse landen herzagen hun standpunt met betrekking tot de Palestijnse Kwestie.
32 n het Arabisch-sraëlisch conflict staan militante moslims tegenover militante sraëliërs. Met militant wordt hier bedoeld iemand die A een godsdienstleraar is. B geweld gebruikt om zijn doel te bereiken. C in de frontlijnstaten woont. D zich inzet voor de vredesbesprekingen in het Midden-Oosten. 33 Engeland wordt beschouwd als veroorzaker van het Arabisch-sraëlisch conflict, omdat dit land A zijn mandaat niet terug wilde geven aan de Volkenbond. B aan de Joden een nationaal tehuis beloofde. C Rusland weigerde te betrekken bij de verdeling van het Turkse Rijk. D een overeenkomst sloot met een belangrijke Turkse vorst. Latijns-Amerika en het Caribisch Gebied vanaf de twintigste eeuw 36 Vóór hun onafhankelijkheid vormden de Latijnsamerikaanse landen een eenheid, omdat ze rechtstreeks door de Spaanse koning werden bestuurd. n bovenstaande zin zijn twee beweringen door het woord omdat met elkaar verbonden. Van deze beweringen: A is de eerste waar, maar de tweede niet. B is de tweede waar, maar de eerste niet. C zijn beide waar en op de juiste wijze met elkaar in verband gebracht. D zijn geen van beide waar. Bekijk de kaart goed. 37 34 Welk gebied werd niet door sraël veroverd tijdens de Juni-oorlog in 1967? A de Gazastrook B Libanon C de Sinaï D de West Bank 35 Welk gebied werd volgens de Camp Davidaccoorden aan Egypte teruggegeven? V A de Gazastrook B de Golanhoogte C de Sinaï D de West Bank Welk deel van Latijns-Amerika werd door de Verenigde Staten aangeduid als bananenrepubliek? A gebied B gebied C gebied D gebied V
38 De economie van Latijns-Amerika werd in de 20 ste eeuw gedomineerd door A het gebruik van computers in de industrie. B de grote investeringen in de kleinlandbouw. C de opheffing van het grootgrondbezit. D de werkzaamheden van multinationals. 39 n december 1998 hadden de landen van Latijns-Amerika een conferentie in Suriname waar er werd gepraat over de instelling van de FTAA. FTAA staat voor 40 n 2007 heeft een leider uit Latijns-Amerika te kennen gegeven dat hij zich uit het politieke leven terugtrekt na bijkans vijftig jaar aan de macht te zijn geweest. Het gaat in deze om A Evo Morales van Columbia. B Fidel Castro van Cuba. C Hugo Chavez van Venezuela. D Michelle Bachelet van Chili. A Free Trade Area of the Americas. B Free Trade Area of the Amazone. C Free Trade Association of the Americas. D Free Trade Association of the Amazone.