Datum van inontvangstneming : 03/07/2012



Vergelijkbare documenten
Datum van inontvangstneming : 01/02/2013

Source: (accessed )

Datum van inontvangstne ming : 24/05/2012

2. In het arrest van 20 september 2001 heeft het Hof uitspraak gedaan over twee prejudiciële vragen die respectievelijk betrekking hadden op:

Datum van inontvangstneming : 25/08/2014

Datum van inontvangstneming : 19/06/2012

Vertaling C-441/13-1. Zaak C-441/13. Verzoek om een prejudiciële beslissing

Datum van inontvangstneming : 09/02/2015

Datum van inontvangstneming : 28/02/2013

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer) 22 september 1988*

Datum van inontvangstneming : 14/06/2013

Date de réception : 01/12/2011

Datum van inontvangstneming : 04/03/2013

Datum van inontvangstneming : 11/03/2014

Datum van inontvangstneming : 26/07/2012

Datum van inontvangstneming : 30/09/2014

Datum van inontvangstneming : 28/06/2012

Zaaknummer : CBHO 2015/033 Rechter(s) : mrs. Olivier, Lubberdink en Troostwijk Datum uitspraak : 7 augustus 2015 Partijen : Appellant en

Date de réception : 24/02/2012

Datum van inontvangstneming : 19/06/2015

MEDEDELING AAN DE LEDEN

Datum van inontvangstneming : 22/05/2014

MEDEDELING AAN DE LEDEN

Datum van inontvangstneming : 28/12/2015

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer) 10 mei 2001 *

Datum van inontvangstneming : 31/08/2015

Datum van inontvangstneming : 15/09/2017

Transcriptie:

Datum van inontvangstneming : 03/07/2012

C-275/12-1 Zaak C-275/12 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 4 juni 2012 Verwijzende rechter: Verwaltungsgericht Hannover (Duitsland) Datum van de verwijzingsbeslissing: 22 mei 2012 Verzoekende partij: Samantha Elrick Verwerende partij: Bezirksregierung Köln BESCHIKKING In het geding van Samantha Elrick [omissis] Engeland, verzoekster, [omissis] tegen Bezirksregierung Köln [omissis] verweerster, betreffende: studiefinanciering, NL

VERZOEK OM EEN PREJUDICIËLE BESLISSING VAN 22. 5. 2012 ZAAK C-275/12 heeft het Verwaltungsgericht Hannover Derde kamer op 22 mei 2012 als volgt beschikt: 1. Het Europese Hof van Justitie wordt overeenkomstig artikel 267 VWEU verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 20 VWEU en 21 VWEU: Staan de artikelen 20 VWEU en 21 VWEU in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan aan een Duits staatsburger die zijn vaste woonplaats in Duitsland heeft en een opleiding volgt aan een opleidingsinstelling in een lidstaat van de Europese Unie, studiefinanciering volgens het Bundesausbildungsförderungsgesetz (BAföG) voor het volgen van deze buitenlandse opleiding wordt geweigerd op grond dat de in het buitenland gevolgde opleiding slechts één jaar duurt, terwijl hij voor een vergelijkbare opleiding in Duitsland die eveneens één jaar geduurd zou hebben, wel studiefinanciering volgens het BAföG had kunnen krijgen? 2. De behandeling van de zaak wordt voor de duur van de prejudiciële procedure geschorst. Motivering 1 Verzoekster vordert vaststelling dat verweerster verplicht is haar voor de opleiding aan het South Devon College in het Verenigd Koninkrijk ter verkrijging van het First Diploma in Travel, Level 2 voor het tijdvak van september 2008 tot juli 2009 studiefinanciering toe te kennen krachten het Bundesausbildungsförderungsgesetz (wet studiefinanciering; hierna: BAföG ). 2 Verzoekster, geboren op 1 juni 1989, is Duits onderdaan, maar verblijft sinds 1998 voornamelijk in het Verenigd Koninkrijk. Nadat zij daar in de zomer van 2008 haar schoolopleiding aan het Shebbear College, Shebbear, Beaworthy, in Devon had voltooid, was zij vanaf 8 september 2009 als voltijdsleerling ingeschreven aan het South Devon College in Paignton, Devon, voor de opleiding First Diploma in Travel, Level 2. Dit was een éénjarige opleiding waarvoor niet vereist was dat voordien een andere beroepsopleiding was gevolgd. 3 Partijen zijn het erover eens dat verzoekster toen, en ook reeds bij aanvang van haar schoolopleiding in het Verenigd Koninkrijk, haar vaste woonplaats bij haar ouders in Duitsland had. 4 Verzoekster diende op 5 juli 2008, bij verweerster ingekomen op 21 juli 2008, een verzoek in om studiefinanciering krachtens het BAföG voor de opleiding aan het South Devon College vanaf september 2008. I. 2

ELRICK 5 Dit verzoek werd door verweerster bij beslissing van 13 augustus 2008 afgewezen op grond dat de door verzoekster gekozen opleiding een opleiding is die te vergelijken is met een éénjarige, op beroepsoriëntering gerichte opleiding aan een Duitse vakschool. Voor een dergelijke opleiding in het buitenland kan geen studiefinanciering worden toegekend. 6 Verzoekster heeft op 11 september 2008 daartegen bezwaar gemaakt. 7 Zij voert aan dat de beperking in het Duitse recht inzake studiefinanciering, op grond waarvan voor een opleiding in een andere lidstaat van de Europese Unie die vergelijkbaar is met een opleiding aan een Duitse vakschool, slechts studiefinanciering kan worden toegekend indien deze opleiding, die ten minste twee jaar moet duren, leidt tot een diploma dat toegang tot een beroep geeft, indruist tegen Europees recht. Indien zij haar diploma aan een vergelijkbare opleiding in Duitsland zou behalen (zou hebben behaald), dan zou voor deze opleiding ook indien deze slechts één jaar zou duren, wel studiefinanciering worden (zijn) toegekend. Zij wordt dus volgens het nationale recht inzake studiefinanciering voor de keuze geplaatst om hetzij haar recht op vrij verkeer binnen de Europese Unie in verband met de keuze van de plaats van haar opleiding hetzij het recht op studiefinanciering volgens het recht van haar land van herkomst op te geven. Daarmee wordt haar recht op vrij verkeer in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie om niet objectief zijn gerechtvaardigde redenen op onaanvaardbare wijze beperkt. 8 Volgens de toepasselijke voorschriften van het Bundesausbildungsförderungsgesetz in de voor het toekenningstijdvak toepasselijke versie van 23 december 2007 (BGBl. I, blz. 3254) zou de verwijzende rechter het beroep moeten verwerpen. De toepasselijke voorschriften luiden als volgt: 9 1 Beginsel II. Op individuele studiefinanciering bestaat voor een bij de belangstelling, capaciteiten en resultaten passende opleiding een aanspraak overeenkomstig deze wet, indien de student niet anderszins beschikt over de voor zijn levensonderhoud en zijn opleiding benodigde middelen. 10 2 Opleidingsinstellingen (1) Studiefinanciering wordt toegekend voor het volgen van: 1. voortgezette algemeen vormende scholen en vakscholen, met inbegrip van de klassen van alle vormen van het voorbereidend beroepsonderwijs, vanaf klas 10 en van een vakschool of middelbaar beroepsonderwijs waarvoor geen 3

VERZOEK OM EEN PREJUDICIËLE BESLISSING VAN 22. 5. 2012 ZAAK C-275/12 voltooide beroepsopleiding vereist is, wanneer de leerling aan de voorwaarden van lid 1 bis voldoet; 11 2. klassen van middelbare beroepsopleidingen en vakscholen waarvoor geen voltooide beroepsopleiding vereist is, voor zover zij, na een programma van ten minste twee jaar, leiden tot een diploma dat toegang tot een beroep geeft; 3. 6. 12 Voor de indeling zijn de aard en de inhoud van het onderwijs beslissend.... 13 (1 bis) Voor het volgen van een opleiding aan de in lid 1, punt 1, bedoelde opleidingsinstellingen wordt studiefinanciering slechts toegekend indien de studerende niet bij zijn ouders woont en 14... 1. vanuit de woning van de ouders niet een vergelijkbare passende opleidingsinstelling bereikbaar is, 2. [omissis] 3. [omissis]... 15 (5) Studiefinanciering wordt alleen toegekend wanneer het onderwijstijdvak minstens een semester scholing of studie omvat en de opleiding voor de studerende algemeen een voltijds activiteit impliceert. Onderwijstijdvak in de zin van deze wet is de tijd die aan opleidingsinstellingen van een bepaald type opleiding, met inbegrip van in verband daarmee vereiste stages, wordt doorgebracht tot het behalen van een diploma of het afbreken van de opleiding.... 16 4 Opleiding in het binnenland Studiefinanciering wordt onverminderd de 5 en 6 toegekend voor een opleiding in het binnenland. 17 5 Opleiding in het buitenland (1) Onder de vaste woonplaats in de zin van deze wet wordt verstaan de plaats die niet slechts tijdelijk het middelpunt van de persoonlijke betrekkingen vormt, ongeacht de wil om zich daar definitief te vestigen; hij die louter voor studiedoeleinden in een plaats verblijft, heeft daar niet zijn vaste woonplaats gevestigd. 4

ELRICK 18 (2) Aan studenten die een vaste woonplaats op het nationale grondgebied hebben en aan een in het buitenland gelegen opleidingsinstelling studeren, wordt een studiefinanciering toegekend indien: 1.... 2.... 3. een opleiding wordt aangevangen of voortgezet aan een opleidingsinstelling in een lidstaat van de Europese Unie of in Zwitserland en de talenkennis toereikend is.... 19 (4) [omissis]; lid 2, punt 3 geldt alleen voor het volgen van een opleiding aan instellingen die gelijkwaardig is aan in het binnenland gelegen klassen van middelbare beroepsopleidingen als bedoeld in 2, lid 1, punt 2, van hogere vakscholen, universiteiten of hoge scholen. De controle van de gelijkwaardigheid geschiedt ambtshalve in het kader van de toekenningsprocedure. (5)... 20 6 Studiefinanciering voor Duitsers in het buitenland Aan Duitsers in de zin van de grondwet met vaste woonplaats in het buitenland die daar of van daaruit in een aangrenzende staat aan een opleidingsinstelling studeren, kan studiefinanciering worden toegekend indien de bijzondere omstandigheden van het individuele geval dat rechtvaardigen. De aard en de duur van de prestaties alsmede de inaanmerkingneming van inkomen en vermogen geschieden volgens de specifieke verhoudingen in het land van verblijf. [omissis] 21 8 Nationaliteit (1) Studiefinanciering wordt toegekend aan: 1. Duitsers in de zin van de grondwet; 2. burgers van de Unie die een recht op duurzaam verblijf in de zin van de wet inzake de vrijheid van verkeer/eu hebben alsmede andere buitenlanders die een vestigingsvergunning of een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in de zin van de wet inzake verblijf bezitten;... 22 Op grond van deze voorschriften geldt de basisaanspraak op studiefinanciering ( 1 BAföG) allereerst voor opleidingen in het binnenland ( 4 BAföG). Voor opleidingen in het buitenland worden daarvoor verdere voorwaarden ( 5 en 6 5

VERZOEK OM EEN PREJUDICIËLE BESLISSING VAN 22. 5. 2012 ZAAK C-275/12 BAföG) gesteld. Verzoekster heeft op grond daarvan geen recht op studiefinanciering. 23 De verwijzende rechter gaat er, evenals partijen, gelet op 5, lid 1, tweede zinsdeel, BAföG, van uit dat verzoekster in het betrokken tijdvak haar vaste woonplaats in de zin van het BAföG bij haar ouders in Duitsland had, ook al verblijft zij al sinds 1998 voornamelijk in het Verenigd Koninkrijk. Ook is zij in 2007 volgens het nationale recht meerderjarig geworden en zou zij sindsdien juridisch in staat zijn geweest onafhankelijk van haar ouders een vaste woonplaats ook in het buitenland te vestigen. Verzoekster begon in het betrokken tijdvak echter pas met haar beroepsopleiding, waarmee zij direct na het voltooien van haar sinds 1998 aan het Shebbear College gevolgde schoolonderwijs was begonnen. Verzoekster verbleef dus sinds 1998 enkel voor studiedoeleinden, in de zin van 5, lid 1, tweede zinsdeel, BAföG, in het Verenigd Koninkrijk en in het relevante tijdvak in Paignton. 24 Is dientengevolge 5 BAföG op verzoekster van toepassing, dan kan de door haar aanvraag tot toekenning van studiefinanciering niet slagen omdat de voorwaarden van 5, lid 4, eerste alinea, tweede zinsdeel, BAföG niet zijn vervuld. 25 De regeling in 5, lid 4, eerste alinea, BAföG heeft betrekking op het bepaalde in lid 2 van dit voorschrift. Dit lid 2 maakt onder meer onderscheid naargelang de in het buitenland gevolgde opleiding deel uitmaakt van een voor het overige en in beginsel in het binnenland gevolgde opleiding, dan wel of deze in haar geheel het buitenland wordt gevolgd. Het inpassen van een in het buitenland, maar niet noodzakelijkerwijs binnen de Europese Unie of in Zwitserland, te voltooien onderdeel van een voor het overige in beginsel in Duitsland gevolgde en te voltooien opleiding, is geregeld in 5, lid 2, eerste alinea, punten 1 en 2, BAföG, terwijl volgens 5, lid 2, eerste alinea, punt 3, BAföG ook de volledige opleiding in het buitenland kan worden gevolgd of beëindigd, voor zover deze aan een opleidingsinstelling in een lidstaat van de Europese Unie of in Zwitserland wordt aangevangen of voorgezet. 26 5, lid 4, eerste alinea, BAföG neemt deze differentiëring weer op. Het tweede zinsdeel daarvan stelt voor de toekenning van studiefinanciering voor een onder lid 2, eerste alinea, punt 3, van dit voorschrift vallende opleiding bepaalde bijkomende voorwaarden. Op grond daarvan kan onder meer voor het volgen van een opleiding aan een instelling die vergelijkbaar is met een klas van een middelbare beroepsopleiding in Duitsland, slechts studiefinanciering worden toegekend indien is voldaan aan de voorwaarden van 2, lid 1, eerste alinea, punt 2, BAföG, dat wil zeggen indien de opleiding waarvoor studiefinanciering wordt gevraagd, met een programma van ten minste twee jaar leidt tot een diploma dat toegang geeft tot een beroep. 27 Deze voorwaarde was in casu niet vervuld. Het omstreden opleidingsprogramma was, zoals de verwijzende rechter en ook partijen aannemen, vergelijkbaar met 6

ELRICK een, éénjarige, op beroepsoriëntering gerichte klas van een vakschool in Duitsland die niet leidt tot een diploma dat toegang geeft tot een beroep, zoals naast andere opleidingsprogramma s omschreven in 2, lid 1, eerste alinea, punt 1, BAföG. Dit kwam dus niet overeen met het volgen van een klas van een vakschool in de zin van 2, lid 1, eerste alinea, punt 2, BAföG. 28 De verwijzende rechter deelt verzoeksters twijfel of de in casu daaruit voortvloeiende uitsluiting van studiefinanciering verenigbaar is met de Europeesrechtelijke voorschriften. 29 Verzoekster is Duitse in de zin van de Grondwet en dus overeenkomstig artikel 20, lid 1, tweede volzin, VWEU burger van de Unie, zodat zij zich kan beroepen op de bij die status horende rechten, eventueel ook ten opzichte van haar lidstaat van herkomst (zie arrest Hof van 23 oktober 2007, Morgan en Bucher, C-11/06, Jurispr. blz. I-09161, punt 22). 30 Binnen de werkingssfeer van het Gemeenschapsrecht vallen onder meer situaties die betrekking hebben op de uitoefening van de door het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gegarandeerde fundamentele vrijheden. Daartoe behoort met name ook het bij artikel 21 VWEU toegekende recht om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven. Het Hof van Justitie heeft in dit verband vastgesteld dat een nationale regeling die bepaalde eigen onderdanen benadeelt louter omdat zij hun recht om vrij naar een andere lidstaat te reizen en daar te verblijven hebben uitgeoefend, een beperking vormt van de vrijheden die elke burger van de Unie op grond van artikel 21, lid 1, VWEU geniet (zie reeds aangehaald arrest Morgan en Bucher, punt 25). 31 In het onderhavige geval zou verzoekster indien zij met haar onderwijs in het Verenigd Koninkrijk vergelijkbaar schoolonderwijs in Duitsland zou hebben gevolgd, in beginsel recht hebben gehad op studiefinanciering overeenkomstig 1 en 4, lid 2, eerste alinea, punt 1, juncto lid 1 bis, eerste alinea, punt 1, BAföG. 32 De éénjarige opleiding die in casu aan de orde is (First Diploma in Travel, Level 2) kwam, zoals hierboven is uiteengezet, overeen met een binnenlands, éénjarig, beroepsoriënterend opleidingsprogramma op het niveau van de middelbare beroepsopleiding. Dergelijke opleidingen werden destijds ook in Duitsland op verschillende scholen aangeboden. 33 Dat verzoekster deze opleiding niet vanuit de toenmalige woning van haar ouders aan een binnenlandse opleidingsinstelling (die bestonden) heeft gevolgd, kon van haar redelijkerwijs niet worden verlangd in de zin van 2, lid 1 bis, eerste alinea, punt 1, BAföG. III. 7

VERZOEK OM EEN PREJUDICIËLE BESLISSING VAN 22. 5. 2012 ZAAK C-275/12 34 Volgens de in dit verband in het gehele bondsgebied toegepaste circulaire inzake het BAföG (BAföG-VwV; bron: http://www.das-neue-bafoeg.de/de/308.php), die als uitleggingsrichtsnoeren door het daarvoor bevoegde bondsministerie zijn vastgesteld en door de bevoegde autoriteiten als grondslag voor de juridische beoordeling worden gebruikt, geldt als niet redelijk: het volgen van een opleiding aan instellingen die de studerende vanuit de woonplaats van de ouders met openbaar vervoer niet binnen passende tijd kan bereiken. Wat daaronder moet worden verstaan is nader toegelicht in punt 2.1 a.3 van de circulaire. Een opleidingsinstelling is volgens dat punt niet binnen passende tijd bereikbaar wanneer de studerende bij gebruik van de gunstigste verkeersverbindingen ten minste op drie weekdagen voor de heen- en terugweg meer dan twee uur onderweg is. 35 Dat zou in casu voor verzoekster het geval zijn geweest. Vanaf de toenmalige woning van de ouders zou zij voor het volgen van de dichtstbijzijnde middelbare beroepsopleiding met een éénjarig opleidingsprogramma op commercieeleconomisch respectievelijk toeristisch gebied, met het openbaar vervoer per traject telkens meer dan een uur onderweg zijn geweest. 36 Indien verzoekster dus zou zijn gaan wonen in de plaats waar een vergelijkbare binnenlandse opleiding was, zou zij in wezen recht op studiefinanciering krachtens 2, lid 1, eerste alinea, punt 1, juncto lid 1 bis, eerste alinea, punt 1, BAföG hebben gehad. 37 In zijn arrest van 23 oktober 2007 in de gevoegde zaken C-11/06 en C-12/06 (Morgan en Bucher) heeft het Hof van Justitie onder meer vastgesteld dat wanneer een lidstaat een stelsel van studietoelagen hanteert waarbij studenten voor een dergelijke toelage in aanmerking komen indien zij in een andere lidstaat studeren, dient hij ervoor te zorgen dat de modaliteiten voor die toelage geen ongerechtvaardigde beperking van het recht van vrij verkeer in het leven roepen. De verwijzende rechter vat deze uitspraak aldus op dat hij geen betrekking heeft op een bepaalde concrete opleiding, maar op de coherentie van het stelsel van studiefinanciering als zodanig. 38 In het onderhavige geval is er sprake van een situatie waarin voor de door verzoekster voltooide schoolopleiding in het Verenigd Koninkrijk geen studiefinanciering krachtens het BAföG kan worden toegekend, terwijl voor een vergelijkbare opleiding in het binnenland wel studiefinanciering zou zijn toegekend. Verzoekster moest bijgevolg kiezen tussen het opgeven van de uitoefening van de fundamentele vrijheid van vrij verkeer of het opgeven van studiefinanciering. De verwijzende rechter ziet geen toereikende gronden voor de daarin schuilende beperking van het recht van vrij verkeer. 39 [omissis] 8 [omissis]

ELRICK [omissis] 9