HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 13 maart 2018 met nummer HHC/M/1718/0079 in de zaak met rolnummer 1617/MHHC/0085/M Verzoekende partij de nv EUROGAS BELGIUM vertegenwoordigd door advocaat Theo MARCOURS met woonplaatskeuze op het kantoor te 3980 Tessenderlo, Eersels 56 Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw voor wie optreedt, bij delegatie: de gewestelijke entiteit (het Departement Omgeving afdeling Handhaving) met kantoren te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20 bus 8 vertegenwoordigd door: mevrouw Sigrid RAEDSCHELDERS, afdelingshoofd I. BESTREDEN BESLISSING De verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 24 juli 2017, geregulariseerd op 16 augustus 2017, de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 12 juni 2017, gekend onder nummer 15-AMMC-1646-M. De bestreden beslissing legt aan de verzoekende partij een alternatieve bestuurlijke geldboete op van 2.346 euro (391 euro verhoogd met de opdeciemen) wegens schending van artikel 43 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: VLAREM I), artikel 5.16.4.4.4, 7 en 5.16.4.4.7, 3 en 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: VLAREM II) en van artikel 22 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: Milieuvergunningsdecreet) Aan de verzoekende partij wordt verweten dat zij een LPG verdeelinstallatie met een verdeelpomp geëxploiteerd heeft in strijd met de exploitatievoorwaarden. II. VERLOOP VAN DE RECHTSPLEGING De verwerende partij dient een antwoordnota en het administratief dossier in. De verzoekende partij dient een wederantwoordnota in. 1
De kamervoorzitter behandelt de vordering tot vernietiging op de openbare zitting van 1 maart 2018. Advocaat Filip STOUTHUYSEN loco advocaat Theo MACOURS voert het woord voor de verzoekende partij. Mevrouw Julie CORNELIS voert het woord voor de verwerende partij. Het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (DBRC-decreet) en het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (Procedurebesluit) zijn toegepast. III. FEITEN Op 12 september 2015 begeven twee toezichthouders van de afdeling milieu-inspectie van de Vlaamse overheid (hierna: verbalisanten) zich naar het bedrijf Eurogas aan de Steenweg naar Zwartberg 1 te Houthalen-Helchteren. De verbalisanten stellen vast dat de winkel bij het tankstation gesloten is en de vulpistolen ter hoogte van de zuil niet vergrendeld zijn. Na enige tijd wachten stellen zij vast dat een chauffeur de tank in zijn wagen met LPG vult en na betaling aan de automaat doorrijdt. Die vaststellingen worden opgenomen in het proces-verbaal nr. HA64.H1.0076-15, afgesloten op 6 oktober 2015 en verzonden op 15 oktober 2015. Met een aangetekende brief van 15 oktober 2015 maant de afdeling milieu-inspectie van de Vlaamse overheid de verzoekende partij aan om uiterlijk tegen 31 oktober 2015 het nodige te doen om zich in regel te stellen. Op 26 oktober 2015 meldt de procureur des Konings dat hij niet zal overgaan tot strafrechtelijke vervolging. Met een brief van 1 december 2015 brengt de gewestelijke entiteit de verzoekende partij op de hoogte van haar voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, op te leggen en nodigt zij de verzoekende partij uit om schriftelijk haar verweer mee te delen. De verzoekende partij bezorgt geen schriftelijk verweer en vraagt niet om een hoorzitting. De gewestelijke entiteit legt op 12 juni 2017 de vermelde bestuurlijke geldboete op. Deze beslissing wordt aan de verzoekende partij betekend met een aangetekende brief van 28 juni 2017. De verwerende partij motiveert haar beslissing als volgt: 4. Beoordeling De vastgestelde feiten worden beoordeeld in toepassing van de artikelen zoals vervat in afdeling IV van hoofdstuk IV van titel XVI van het DABM: "De bestuurlijke geldboeten". 4.1 De toerekenbaarheid aan de overtreder 2
Vermoedelijke overtreder exploiteert een tankstation, waarvoor hij op het ogenblik van de feiten een milieuvergunning had. De inrichting was onder meer ingedeeld in rubriek 16.4.1 van bijlage 1 van VLAREM I. Vermoedelijke overtreder exploiteerde met name een LPG verdeelinstallatie met 1 verdeelpomp. Conform artikel 22 van het Milieuvergunningsdecreet is de exploitant van een inrichting verplicht de exploitatievoorwaarden na te leven. Conform artikel 43 van VLAREM I is de exploitant van een inrichting verplicht de in de milieuvergunning opgelegde algemene, sectorale en bijzondere voorwaarden na te leven. Conform artikel 5.16.4.4.7, 3 van VLAREM II moet de exploitant van het tankstation een bevoegd persoon zijn die volledig op de hoogte is van de exploitatie van het station en van de te nemen maatregelen in geval er zich een incident voordoet. De exploitant moet zich ervan verzekeren dat zijn aangestelde eveneens aan deze eisen beantwoordt. De exploitant (of zijn aangestelde) moet tijdens de bedrijfsuren in het station bestendig aanwezig zijn en verricht zelf de vuloperaties of houdt toezicht vanuit de controlecabine. Conform artikel 5.16.4.4.7, 4 van VLAREM II moeten de nodige maatregelen worden getroffen opdat de voertuigen niet kunnen bevoorraad worden bij de afwezigheid van de exploitant van het tankstation (of zijn aangestelde). Conform artikel 5.16.4.4, 7 van VLAREM II moet het vulpistool kunnen worden afgegrendeld bij zijn ophangpunt. Verbalisant stelde vast dat op 12 september 2015 omstreeks 07:30 uur een persoon in het tankstation van vermoedelijke overtreder LPG kon tanken zonder dat er toezicht was vanuit de controlecabine. De vulpistolen waren niet vergrendeld en de betaalautomaat was niet geblokkeerd. Bovenstaande bepalingen zijn derhalve geschonden. Bovenvermelde feiten maken een schending uit van: VLAREM I: artikel 43; VLAREM II: artikel 5.16.4.4.7, 3 en 4; artikel 5.16.4.4.4, 7; Milieuvergunningendecreet: artikel 22. en vallen daarmee onder de definitie van een milieumisdrijf als bedoeld in artikel 16.1.2, 2 DABM, waarvoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Het milieumisdrijf staat vast in hoofde van overtreder. 4.2. De hoogte van de geldboete Bij de bepaling van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten, de frequentie en de omstandigheden waarin de feiten gepleegd of beëindigd zijn. 4.2.1. De ernst van de feiten De doelstelling van bovenvermelde regelgeving is het voorkomen of beperken van de negatieve milieu- en veiligheidsinvloeden van menselijke bedrijvigheden en handelingen die milieubelastend kunnen zijn, of die gevaarrisico's in zich kunnen dragen. 3
De inrichting is ingedeeld als klasse 1-inrichting. De klasse waarin een activiteit ingedeeld wordt, wordt bepaald door de graad waarin deze activiteit geacht wordt belastend te zijn voor de mens en het leefmilieu. Inrichtingen die ingedeeld zijn in de eerste klasse worden geacht het meest belastend te zijn voor de mens en het leefmilieu. LPG (liquefied petroleum gas) is een zeer licht ontvlambaar gas. Inademing van hoge dampconcentraties kan verzwakking van het centrale zenuwstelsel veroorzaken, leidend tot duizeligheid, een licht gevoel in het hoofd, hoofdpijn en misselijkheid. De dampen van LPG zijn zwaarder dan lucht. Dampen kunnen zich langs het grondoppervlak verplaatsen en bij veraf gelegen ontstekingsbronnen komen, met het gevaar van terugslaande brand. Het niet naleven van de verplichting inzake toezicht en het afsluiten van de LPG-tank bij afwezigheid stelt het leefmilieu, de gezondheid en veiligheid van de bevolking aan een hoger risico. De naleving van de Vlaamse algemene, sectorale en bijzondere bepalingen inzake milieuhygiëne is van cruciaal belang om hinder aan het leefmilieu te voorkomen of minstens tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Een strikte naleving van deze bepalingen wordt opgelegd aan diegenen die ingedeelde activiteiten uitoefenen. De overtreder heeft het misdrijf in professioneel verband gepleegd. Deze feiten zijn derhalve voldoende ernstig om gesanctioneerd te worden met een bestuurlijke geldboete van 4.500 euro (inclusief opdeciemen). 4.2.2. De frequentie Het betreft een eenmalige schending. Er zijn minstens geen indicaties die erop wijzen dat bij overtreder reeds eerder vergelijkbare feiten werden vastgesteld. Het criterium frequentie geeft derhalve geen aanleiding tot een hogere geldboete. 42.3. De omstandigheden Vermoedelijke overtreder ondernam met de nodige spoed actie om de vastgestelde tekortkomingen weg te werken. De uitbater verklaarde op 18 juni 2014 dat hij de pompen nu mechanisch afsluit op momenten waarop er geen toezicht is. Er bleken eveneens geen aanwijzingen meer te zijn dat nog LPG getankt werd zonder toezicht. Verbalisanten stelden bij een nieuw toezicht na 18 juni 2014 vast dat de pistolen afgesloten zijn wanneer de shop gesloten is. Deze verzachtende omstandigheden geven aanleiding tot een verlaging van de geldboete tot 2.700 euro (inclusief opdeciemen). AMMC ging per schrijven van 1 december 2015 over tot kennisgeving van het voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. Artikel 16.4.37 DABM voorziet dat de afdeling Handhaving een boetebeslissing moet nemen binnen een termijn van honderdtachtig dagen na deze kennisgeving. Deze termijn van 180 dagen is een termijn van orde, waarvan de overschrijding niet gesanctioneerd wordt. Deze beslissingstermijn is inmiddels verstreken. De afdeling Handhaving is in casu evenwel van oordeel dat de feiten voldoende ernstig zijn om alsnog een bestuurlijke geldboete op te leggen. De afdeling Handhaving acht het, wegens de voorliggende overschrijding van de 4
beslissingstermijn en rekening houdende met de concrete elementen in het dossier, passend en redelijk om het boetebedrag verlagen tot 2.346 euro (inclusief opdeciemen). Ten slotte zijn er, wat dit milieumisdrijf betreft, geen verdere bijzondere omstandigheden die in rekening worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de boete. Dit is de bestreden beslissing. IV. ONTVANKELIJKHEID VAN DE VORDERING TOT VERNIETIGING Uit het dossier blijkt dat de vordering tijdig en regelmatig is ingesteld. Er worden geen excepties opgeworpen. V. ONDERZOEK VAN DE MIDDELEN TOT VERNIETIGING ENIG MIDDEL Standpunt van de partijen 1. In het enig middel betwist de verzoekende partij de opgelegde boete omdat zij op 17 maart 2003 een overeenkomst heeft gesloten met de commanditaire vennootschap 4 YOUR SERVICE voor de exploitatie van het tankstation. Daarin komen zij overeen dat de vennootschap 4 YOUR SERVICE de exploitatie van het tankstation op zich zal nemen. Volgens de inhoud van die overeenkomst moet de exploitant er voor zorgen dat wanneer de shop van het station is bemand ook de nodige maatregelen worden getroffen zodat geen LPG getankt kan worden via de terminal. De verzoekende partij stelt dat niet zij, maar haar contractspartner 4 YOUR SERVICE als exploitant moet beschouwd worden. 2. De verwerende partij antwoordt dat de vergunninghouder wordt beschouwd als de exploitant van de inrichting. Zij verduidelijkt dat de meest recente milieuvergunning van de inrichting dateert van 10 november 2010 en werd verleend aan de verzoekende partij. Een overeenkomst met een derde over de exploitatie van de ingedeelde inrichting heeft volgens haar niet tot gevolg dat de exploitant die vermeld staat in de milieuvergunning vrijgesteld is van de verplichtingen die daaruit volgen. De geschonden sectorale milieuvergunningsvoorwaarden richten zich tot de exploitant, zijnde de vergunninghouder. De verwerende partij verwijst naar het arrest MHHC/M/1617/0096 van 20 juni 2017 en stelt dat de verzoekende partij terecht als overtreder werd aangewezen. Bovendien merkt zij op dat de verzoekende partij dat argument niet eerder heeft opgeworpen. Meer zelfs, de verzoekende partij bevestigt in een e-mail van 23 oktober 2015 dat zij zich als overtreder aangesproken voelde om zich in lijn te stellen met de geldende milieuregelgeving. 3. De verzoekende partij reageert dat zij niet te beschouwen is als de exploitant aangezien zij zelf nooit aanwezig was. De artikelen 5.16.4.4.7, 3, 4 en 7 vermelden enkel dat de exploitant gehouden is tot de verplichtingen die daarin vermeld staan. Zij verwijzen niet naar de vergunninghouder. De bepalingen richten zich naar diegene die het station beheert en aanwezig is. 5
Beoordeling door het College 1. De bestreden geldboete steunt in essentie op de niet-naleving van de in de bestreden beslissing vermelde milieuregelgeving bij gelegenheid van de exploitatie van een tankstation. De geschonden geachte bepalingen richten zich tot diegene die de als hinderlijk ingedeelde inrichting exploiteert, ofwel tot de exploitant: Artikel 22 milieuvergunningsdecreet dat onderverdeeld staat onder hoofdstuk III Milieuvoorwaarden en verplichtingen van de exploitant : De exploitant van een inrichting is verplicht de milieuvoorwaarden na te leven. Ongeacht de verleende vergunning treft de exploitant steeds de nodige maatregelen om schade, hinder, en incidenten en ongevallen die de mens of het leefmilieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen. Ongeacht de verleende vergunning treft de exploitant, in geval van incidenten en ongevallen die de mens of het leefmilieu aanzienlijk beïnvloeden, onmiddellijk de nodige maatregelen om de gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu te beperken en om verdere mogelijke incidenten en ongevallen te voorkomen. De Vlaamse regering stelt nadere regels vast in verband met de verplichtingen van de exploitant Artikel 15.16.4.4.4, 7 Vlarem II: Het vulpistool moet kunnen afgegrendeld worden bij zijn ophangpunt. Artikel 5.16.4.4.7, 3 en 4: 3. De exploitant van het station moet een bevoegd persoon zijn, volledig op de hoogte van de exploitatie van het station en van de te nemen maatregelen in geval er zich een incident voordoet. De exploitant moet zich ervan verzekeren dat zijn aangestelde eveneens aan deze eisen beantwoordt. De exploitant of zijn aangestelde moet tijdens de bedrijfsuren in het station bestendig aanwezig zijn en verricht zelf de vuloperaties of houdt toezicht vanuit de controlecabine. 4. De nodige maatregelen worden getroffen opdat de voertuigen niet kunnen bevoorraad worden bij afwezigheid van de exploitant van het tankstation of zijn aangestelde. Wanneer het station niet in dienst is, moet de schakelaar waarvan sprake onder artikel 5.16.4.4.5., 3 zich in de stand "open" bevinden. Artikel 43 VLAREM I dat onderverdeeld staat onder hoofdstuk XI exploitatievoorwaarden en verplichtingen van de exploitant bepaalt: 1. 6
De exploitant van een inrichting is verplicht de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden, alsmede alle andere op de exploitatie van de inrichting van toepassing zijnde wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen, met betrekking tot de bescherming van het leefmilieu, van de oppervlaktewateren en van de externe veiligheid na te leven. 2. Ongeacht de verleende vergunning moet de exploitant steeds de nodige maatregelen treffen om schade en hinder te voorkomen. 3. In geval van een schending van een milieuvoorwaarde inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, inzake voorkoming of beperking van emissies in lucht, water en bodem of inzake voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen, brengt de exploitant van een GPBV-installatie of een inrichting, als vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, de toezichthouder daarvan onmiddellijk op de hoogte en treft de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan. De verzoekende partij betwist de materialiteit van de vermelde tenlasteleggingen niet, doch stelt dat niet zij maar haar contractspartner, aan wie zij de exploitatie heeft overgedragen, als exploitant moet aanzien worden. 2. Artikel 2 Milieuvergunningsdecreet definieert: 2 exploiteren: in werking stellen of houden, gebruiken, installeren of in stand houden van een inrichting, daaronder begrepen het lozen van afvalwater 3 exploitant: elke natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert of voor wiens rekening een inrichting wordt geëxploiteerd 3. Uit de gegevens van de Kruispuntbank blijkt dat de nv 4 YOUR SERVICE gevestigd is op het tankstation Tocan Service en als hoofdactiviteit onder meer detailhandel in brandstoffen heeft. 4. De exploitant is elke natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert of voor wiens rekening een inrichting wordt geëxploiteerd. De verzoekende partij is eigenaar van tankstations en leverancier van brandstoffen. Zij is tevens de milieuvergunninghouder voor de uitbating van het tankstation Tocan Service. Uit de overeenkomst van 2003 blijkt dat de nv 4 YOUR SERVICE het tankstation zal uitbaten en dat de nv EUROGAS daarvoor toestemming geeft. Anders dan hoe de verzoekende partij voorhoudt, volgt uit de vermelde overeenkomst niet dat de gehele exploitatie werd overgedragen in die zin dat de verzoekende partij niet meer als exploitant in de zin van artikel 2 Milieuvergunningsdecreet aangemerkt kan worden. Zo staat in de overeenkomst (art. 3) dat de nv EUROGAS zich ertoe verbindt om het servicestation regelmatig te bevoorraden om er de beste exploitatie van te verzekeren. De overeenkomst (art. 6) vermeldt ook nog dat EUROGAS elke wijziging of omvorming zal mogen aanbrengen die zij nuttig acht met het oog op een meer rendabele exploitatie. Uit de overeenkomst blijkt eigenlijk dat 4 YOUR SERVICE in zijn uitbating een aantal verplichtingen opgelegd door de verzoekende partij moet nakomen. 7
Bovendien blijkt dat de verzoekende partij de milieuvergunning voor het bewuste tankstation niet heeft overgedragen overeenkomstig artikel 19 Milieuvergunningsdecreet aan 4 YOUR SERVICES. Zulks wordt overigens bevestigd doordat de verzoekende partij op 20 april 2015 de vernieuwing en uitbreiding van haar milieuvergunning heeft gevraagd en op 1 oktober 2015 heeft verkregen. De milieuvergunning heeft een zakelijk karakter (Zie p. 11 memorie van toelichting Milieuvergunningsdecreet over art. 19): Normaliter wordt een vergunning voor een bepaalde duur verleend aan een exploitant van een inrichting van een bepaalde klasse. Verandert de inrichting van klasse of wordt zij door een nieuwe exploitant overgenomen, dan stelt zich de vraag of de nog niet verlopen vergunning verder blijft gelden. Artikel 19 geeft aan deze vraag een bevestigend antwoord : de vergunning blijft in beide gevallen geldig tot de termijn waarvoor de vergunning verleend is, verstreken is. Bij de overname kan het voorkomen dat de lopende vergunning nog slechts voor een beperkte termijn geldig is. In dat geval kan de overnemer steeds een nieuwe vergunning aanvragen die hem in staat kan stellen voor een langere termijn te exploiteren. De nieuwe vergunning heft de lopende vergunning dan op. Voorafgaande melding van de nieuwe exploitant aan de overheid die de vergunning heeft verleend, is nodig om het toezicht op de vergunde inrichting vlot te laten verder verlopen. Uit dit artikel blijkt dat de vergunning als een zakelijk recht kan overgedragen worden. De verzoekende partij toont niet aan dat zij de milieuvergunning heeft overgedragen of daarvan melding heeft gemaakt conform artikel 42 Vlarem I zodat de verzoekende partij nog steeds als exploitant moet beschouwd worden. Bij gebreke van overdracht van de milieuvergunning voert de nv 4 YOUR SERVICES de exploitatie enkel uit voor rekening van de verzoekende partij. De Raad van State oordeelt in zijn arrest met nummer 91.489 van 7 december 2000 gelijkluidend: Het is dan ook de "exploitant" in de zin van de definitie die het milieuvergunningsdecreet aan die term geeft, die uitsluitend de adressaat is van de rechten en de verplichtingen die voortspruiten uit het milieuvergunningsdecreet. Dit is ook logisch, vermits het hele milieuvergunningssysteem onwerkbaar zou zijn, indien de exploitant zich zou kunnen verschuilen achter allerlei juridische constructies om aan de uit het milieuvergunningsdecreet voortspruitende verplichtingen te ontsnappen. Ook in het arrest met nummer 121.150 van 1 juli 2003 koppelt de Raad van State het begrip exploitant aan de houder van de vergunning en het feit dat de overname van de vergunning werd gemeld volgens artikel 42, 2 VLAREM I. De Raad van State oordeelde met name dat niet de aanvrager de exploitant is, maar wel de vergunninghouder aangezien de vergunning werd overgedragen. Vermits niet betwist is dat de verzoekende partij nog steeds houder is van de milieuvergunning en de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen bijgevolg niet heeft overgedragen, minstens de overname niet heeft gemeld overeenkomstig de geldende regelgeving, oordeelt het College dat de verwerende partij de verzoekende partij terecht aanduidt als exploitant. Ten overvloede dient opgemerkt dat de verzoekende partij als milieuvergunninghouder volgens artikel 22 Milieuvergunningsdecreet en de hieraan gekoppelde verplichting opgelegd door artikel 8
43 Vlarem I, welke beide artikelen ook als geschonden geacht worden vermeld in de bestreden beslissing, een algemene zorg(vuldigheids)plicht heeft. Deze houdt onder meer in dat de voorwaarden van de milieuvergunning moeten nageleefd worden en dat de nodige voorzorgsmaatregelen moeten genomen worden om schade, hinder, en incidenten en ongevallen die de mens of het leefmilieu aanzienlijk beïnvloeden, te voorkomen. Het middel wordt verworpen. BESLISSING VAN HET HANDHAVINGSCOLLEGE 1. Het College verwerpt het beroep. 2. Het College legt de kosten van het beroep, bepaald op 100 euro, ten laste van de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel in openbare zitting van 13 maart 2018 door de eerste kamer. De toegevoegd griffier, De voorzitter van de eerste kamer, Chana GIELEN Marc VAN ASCH 9