projectbeschrijving voor de leerkracht PROJECT WIJ ZIJN BIJZONDER Leerlijn Literatuur Thema Identiteit Groep 3 en 4 maart 2018 Klaar voor de start? Gebruik de digitale versie van dit project. Download dit document op je computer voor het beste gebruik. We gaan ervan uit dat je kennis hebt van de opzet van COH. Vraag bij de voorbereiding zo nodig hulp aan je interne cultuurcoördinator of je cultuurcoach (laat je informeren over de scholingsmogelijkheden). Bereid het project bij voorkeur samen met je collega s voor (vergeet de vakleerkrachten niet). Een bezoek aan een voorstelling, tentoonstelling of vaste collectie in een Haagse culturele instelling is van grote meerwaarde. Zie CultuurSchakel voor het actuele aanbod. Nodig als dat lukt een kunstenaar uit die betrokken wordt bij de uitvoering van het project. Zie CultuurSchakel. Bedenk van tevoren bij welke onderdelen je ouders kunt inschakelen. Je mag het project op maat maken, mits je de fasen van het creatieve proces blijft doorlopen. Trek voor het hele project zes tot acht lesmomenten van 45 minuten uit. Kijk ook even op de Facebookpagina van Cultuuronderwijs op zijn Haags voor meer informatie en het gebruikersplatform. Inhoudsopgave 1. Informatie... 1 2. Introductie... 3 3. Oriëntatie... 4 4. Opdracht: Uit de hoge hoed... 6 5. Opdracht: Aangenaam... 10 6. Opdracht: Beeldsonnet... 13 1. Informatie Lees ter voorbereiding van de COH-lessen onderstaande informatie over de invulling en het doel van het project en manieren om het project te promoten. Ook zijn hieronder de algemene benodigdheden en de begrippenlijst opgenomen. 1
Wat doen de leerlingen in dit project? Het thema van dit project binnen de leerlijn Literatuur is Identiteit. Onder de titel Wij zijn bijzonder gaan leerlingen op ontdekkingstocht naar het bijzondere in zichzelf, waarbij de nadruk ligt op gedichten. Wanneer is iets of iemand bijzonder? Wat is bijzonder in en aan gedichten? Wat is bijzonder aan jou en aan de anderen om je heen? Welke dichtvormen zijn er? Hoe herken je jezelf in gedichten? Hoe zeg je door te dichten iets over jouw identiteit? Hoe draag je een gedicht voor? De leerlingen onderzoeken dit met behulp van rijm, vorm, kleur, tekst, betekenis, inhoud, beeld en formaat met verschillende materialen en technieken. Waarom dit project? Jonge kinderen vinden het heerlijk om naar gedichten en liedjes te luisteren. Door hen kennis te laten maken met bijzondere dichtvormen, leren ze gedichten beter te begrijpen en ervaren ze dat dichten op vele manieren kan. Het is belangrijk dat kinderen ervaren hoe zij kunnen omgaan met dichten. Ze leren om hun gevoelens te uiten en zichzelf te identificeren met gedichten. Zo ontstaat er meer begrip voor denkbeelden en zienswijzen van anderen.. Doelen In dit project worden bij de Introductie, de Oriëntatie en de Opdrachten steeds twee kennisdoelen en twee vaardigheidsdoelen benoemd. De volgende houdingsdoelen gelden voor het project in het algemeen: stelt zich met alle zintuigen open voor literatuur in diverse (kunstzinnige) literaire uitingen binnen een thema of onderwerp dat aansluit bij zijn belevingswereld in binnen- en buitenschoolse activiteiten; kan zich bij het experimenteren laten leiden door een manipulerende en onderzoekende houding; is trots op zijn resultaten, zowel oriënterend en onderzoekend als uitvoerend; heeft een betrokken houding; heeft een nieuwsgierige en onderzoekende houding; kijkt met aandacht naar voorbeelden uit de literaire werken, beeldende kunst en werk van medeleerlingen; luistert met aandacht naar ideeën van medeleerlingen; neemt actief deel aan de diverse gesprekken gedurende het project. Promotie Het project gaat meer leven als er ook buiten de klas aandacht voor is. Denk na over manieren om het project te promoten. Stel ouders op de hoogte van het museumbezoek of de komst van de kunstenaar in de klas. Maak flyers voor de eindpresentatie en verspreid deze in de buurt. Maak foto s of filmpjes van de diverse presentatiemomenten en deel deze via de schoolwebsite, klassenapp of andere kanalen. Zorg dat de redactie van de wijkkrant tijdens de presentatie aanwezig is om een stukje te schrijven. Algemene benodigdheden Maak gedurende het hele project gebruik van de volgende ruimtes en materialen: klaslokaal of speellokaal muziekinstallatie en/of digibord digitaal foto- en filmtoestel 2
(kleuren)printer Begrippenlijst Nederlandse taal Vaktaal Algemene woorden Werkwoorden de illustratie de illustrator de auteur het rijm de dichtregel het dadagedicht de dichtvorm de expositie het collagegedicht het portretgedicht het naamdicht het (beeld)sonnet het fruitsonnet het letterportret het compliment bijzonder het gedicht het verhaal de gebeurtenis de betekenis de werkelijkheid de fantasie het wonder het kenmerk het verschil de overeenkomst de dichter de schrijver het gevoel boos blij schattig verdrietig de uitnodiging de datum het tijdstip de locatie he herkomst de voornaam de achternaam het formaat de uitspraak complimenteren herkennen rijmen verzinnen fantaseren samenstellen voordragen exposeren tentoonstellen associëren toelichten signeren 2. Introductie Kennisdoelen Vaardigheidsdoelen kent het werk van Ted van Lieshout. kan andere leerlingen complimenten geven; kan complimenten van andere leerlingen ontvangen. Benodigdheden gedicht Joris Jan Bas van Ted van Lieshout verkleedkleding leerkracht van andere sekse boek: Wij zijn heel bijzonder, misschien zijn wij een wonder van Ted van Lieshout filmpje Wij zijn bijzonder, misschien zijn wij een wonder van Ted van Lieshout 3
Aan de slag in de klas Het project kan op verschillende manieren worden geïntroduceerd: Laat iedere leerling in de kring een compliment geven aan zijn buurman, beginnend met de zin 'Ik vind het bijzonder dat jij.... Vraag aan de leerlingen of ze ook voor een andere leerling de zin Ik vind het bijzonder dat jij willen afmaken. De leerkracht zegt over iedere leerling wat er zo bijzonder aan hem is. Lees het gedicht Joris Jan Bas van Ted van Lieshout voor. Doe dit als meester in een jurk of met een strik in, als juf in een kostuum of met een cap op. Toon eventueel aansluitend het filmpje waarin Ted van Lieshout het gedicht voorleest uit zijn boek Wij zijn bijzonder, misschien zijn wij een wonder (Leopold, 2012). 3. Oriëntatie Kennisdoelen Vaardigheidsdoelen maakt kennis met het begrip bijzonder door benoemen, uiten, filosoferen en dichten. weet wat een gedicht is. gaat op zoek naar het onderwerp van een verhaal of gedicht op basis van de illustraties en verwoordt voorstelling, gelijkenis en eigen mening; luistert en bespreekt gedichten, waarbij voorstellingsvermogen, begrip en eigen mening centraal staan. Benodigdheden boek Wij zijn heel bijzonder, misschien zijn wij een wonder van Ted van Lieshout uitvergrote kopieën van gedichten uit Wij zijn heel bijzonder, misschien zijn wij een wonder van Ted van Lieshout Aan de slag in de klas Doorloop de vaste oriëntatie-onderdelen: het filosofisch gesprek en het uitvoeren van de eerste opdracht. Het filosofisch gesprek Voer naar aanleiding van de introductie een filosofisch gesprek. Stel hierbij (een aantal van) onderstaande vragen: Wanneer is iemand bijzonder? Moet of kun je bijzonder zijn leren? Hoe weet je dat het (niet) kunt leren? Worden mensen bijzonder geboren of niet? Leg eens uit. Kan iemand bijzonder zijn en dat niet weten? Als iedereen bijzonder is, is bijzonder zijn dan hetzelfde als gewoon zijn? Oriëntatieopdracht 4
Voer onderstaande opdrachten in volgorde uit: 1. Selecteer de gedichten die je wilt voorlezen uit het boek Wij zijn bijzonder, misschien zijn wij een wonder van Ted van Lieshout (Leopold, 2012). 2. Introduceer bijvoorbeeld elke ochtend een gedicht door een voorwerp of onderdeel uit het gedicht te tonen of aan te trekken. 3. Laat de bijbehorende illustratie zien en laat de leerlingen verzinnen waar het gedicht over gaat. 4. Lees daarna het gedicht voor en bespreek het aan de hand van onderstaande vragen. Over de inhoud: Wat gebeurt er in het gedicht? Wat is bijzonder? Heb je ooit zoiets gehoord of gezien? Kan het echt gebeuren? Kun je het je voorstellen? Kun je het begrijpen? Is het een wonder? Is iedereen bijzonder? Over de gedichten: Hoe weet je dat dit een gedicht is? Wat is het verschil tussen een verhaal en een gedicht? Staan er regels in het gedicht die je mooi vindt? Welke en waarom? Is het een gedicht om snel of langzaam te lezen? Waarom? Over de illustraties: Wat is er te zien? Wat vind je van de illustratie, tekening of foto? Zijn de illustraties, tekeningen of foto s heel verschillend of juist niet? Waarom past deze illustratie, tekening of foto bij het gedicht? Met welke bijzondere mensen, dieren en voorwerpen heb je voor het eerst kennisgemaakt? Wat was daar zo bijzonder aan? Wie of wat vond je het meest bijzonder? Waarom? Alle gedichten zijn geschreven door één dichter, Ted van Lieshout. Wat valt je op aan de gedichten? Waaraan zie je dat de illustraties, tekeningen en foto s door Ted van Lieshout gemaakt zijn? Zijn er gedichten bij die over Ted van Lieshout zelf gaan? Hoe weet je dat? 5
4. Opdracht: Uit de hoge hoed In deelopdracht 1 onderzoeken de leerlingen gedichten met en zonder rijm. Zij doen dit door te luisteren naar gedichten, waarbij ze letten op inhoud, structuur en begrip. Op basis van dit onderzoek schrijven de leerlingen zelf een gedicht, waarbij emotie, inhoud, vorm en structuur een grote rol spelen. Vervolgens maken zij van bestaande gedichten een samengesteld gedicht, waarbij zij letten op kleur en vorm. Inspiratiebron hiervoor is een dadagedicht. Zij laten zichzelf zien door de gedichten voor te dragen en stellen een nieuw gedicht samen uit regels van gedichten van klasgenootjes. Kennisdoelen Vaardigheidsdoelen kent verschillen en overeenkomsten tussen gedichten en verhalen; maakt kennis met gedichten zonder rijm. maakt een gedicht en verwerkt daarin een emotie; maakt geïnspireerd op een dadagedicht een collagegedicht met uitgeknipte woorden en let daarbij op vorm en kleur. Benodigdheden hoge hoed boek: Wij zijn heel bijzonder, misschien zijn wij een wonder van Ted van Lieshout gedichten: o Ik schreef eens van Toon Tellegen o Oote van Jan Hanlo o De mus van Jan Hanlo schrijfgerei voorbeelden van dadagedichten oude tijdschriften en/of kranten om woorden uit te knippen scharen behangerslijm in pot met deksel en lijmkwasten gekleurd A4- of A3-papier (niet te dun) strookjes papier (om op te schrijven) plakband A4- of A3-papier zachte kleurpotloden zacht vetkrijt (bijvoorbeeld Pandakrijt) pastelkrijt grijze tekenpotloden stiften dun A4- of A3-karton (kaft boekje) gekleurde wol of draad (inbinden boekje) perforator uitvergrote gedichten op A0 (of A1/A2) stevig papier voor uitnodigingen (of computers) divers materiaal voor de presentatie/expositie 6
Aan de slag in de klas Doorloop de vaste onderdelen binnen elke projectopdracht: onderzoek, uitvoeren, presenteren en evalueren. Onderzoek Voer onderstaande opdrachten in volgorde uit: 1. Blik terug op de gedichtenbundel Wij zijn bijzonder, misschien zijn wij een wonder van Ted van Lieshout. Bespreek het volgende met de leerlingen: Wat vind je echt mooi aan de gedichten? Herken je iets uit de gedichten? Herken je iets van jezelf in de gedichten? Is er veel rijm in de gedichten? Waar hoor je rijm in de gedichten? Bestaan er ook gedichten zonder rijm? Begrijpt iedereen het gedicht op dezelfde manier? Wat zou je Ted van Lieshout willen vragen over zijn gedichten? 2. Draag een aantal gedichten zonder rijm voor. Bijvoorbeeld: Het gedicht Ik schreef eens van Toon Tellegen Het gedicht Oote van Jan Hanlo Het gedicht De mus van Jan Hanlo Bespreek het volgende met de leerlingen: Wat vind je echt mooi aan de gedichten? Herken je iets uit de gedichten? Herken je iets van jezelf in de gedichten? Begrijpt iedereen de gedichten op dezelfde manier? Wat zou je de dichters willen vragen over hun gedichten? 3. Vraag de leerlingen om een gedicht te verzinnen met als titel hun lievelingsdier. Verdeel verschillende emoties die het gedicht moet bevatten over de leerlingen (boos, blij, schattig, verdrietig, etc.). Wat vind je mooier klinken: rijm, geen rijm of een klankgedicht? Wat zegt de titel over het gedicht? Waarom zijn gedichten echt nodig? Vind je gedichten belangrijk? Wanneer is het schrijven van gedichten een beroep en wanneer is het een hobby? Uitvoeren Voer onderstaande opdrachten in volgorde uit: 1. Toon een aantal voorbeelden van dada-gedichten (zoek op internet op dada-gedichten en selecteer een aantal geschikte afbeeldingen). 2. Draag het gedicht Hoe maak je een dada-gedicht van Tristan Tzara voor. Laat het ook zien op het digibord. 7
3. Maak voor elke leerling een kopie van één of meerdere gedichten uit de bundel Wij zijn bijzonder, misschien zijn wij een wonder van Ted van Lieshout. Laat de leerlingen de woorden uitknippen en laat ze met (een aantal van) die woorden een nieuw gedicht samenstellen dat is geïnspireerd op Tzara s gedicht Hoe maak je een dada-gedicht. Laat de leerlingen de uitgeknipte woorden lijmen op een vel (gekleurd) papier en laat ze zelf een vorm bedenken, geïnspireerd op de dada-gedichten. 4. De leerlingen dragen hun gedichten aan elkaar voor. Bespreek met de klas wat het gedicht over de leerling zegt. 5. Laat de leerlingen op een strookje papier één regel uit hun gedicht overschrijven. Stop alle regels in een hoge hoed. Laat een leerling de regels uit de hoge hoed pakken en oplezen. Plak de regels op het bord en draag het gedicht voor. Maak met het restant van de regels een aantal gedichten, zodat alle regels gebruikt zijn. Verzin met de klas titels voor de verschillende klassengedichten. Is het gedicht van Tzara een gedicht of een gebruiksaanwijzing? Hoe verliep het bedenken van een vorm voor het gedicht? Welke dichtregels vind je het mooist? Waarom? Wat vertelt het gedicht over jou? Wat ziet de klas van jou terug in je gedicht? Hoe is het om een gedicht te maken? Licht je antwoord toe. Wat zeggen de klassengedichten over de klas? Hoe verliep het verzinnen van titels voor de klassengedichten? Presenteren De eindresultaten kunnen op verschillende manieren gepresenteerd worden: Exposeer of reproduceer de collagedichten en bundel ze tot een boekje (een digitaal boekje behoort vanzelfsprekend ook tot de mogelijkheden). De leerlingen dragen hun gedichten voor vanaf een podium, bijvoorbeeld ter gelegenheid van een weekopening en/of maandsluiting. Maak een foto van de klassengedichten en deel deze met de ouders. Typ de klassengedichten uit, laat ze vergroten tot A0-formaat en hang ze op in de klas. Organiseer een dada-middag voor de ouders. Laat de leerlingen een uitnodiging maken met daarop datum, tijd, locatie, groep, namen van de leerlingen en leerkracht. Ben je tevreden over de presentatievorm? Waarom wel of niet? Kun je nog een andere manier bedenken waarop je je gedicht kunt presenteren? Waar zou je je gedicht nog meer kunnen ophangen of opplakken? Bij welke gelegenheid zouden jullie je klassengedicht kunnen voordragen of ophangen? Evalueren Bespreek met uw leerlingen het doorlopen proces aan de hand van onderstaande vragen: Wanneer vormen achter elkaar gezette woorden een gedicht? 8
Moet je altijd zelf woorden bedenken voor een gedicht? Wanneer is iets eerder een gedicht: als je het met woorden samenstelt of met zinnen? Hoe verliep het maken van de zinnen met de uit de hoed getrokken woorden? Wat verandert er in het gedicht als je het voordraagt? Wat ging beter: het oefenen of het presenteren voor de klas? Op welke manier komt je gedicht het beste tot zijn recht: gebundeld tussen andere gedichten, op een poster, als je het voordraagt of bijvoorbeeld in een filmpje waarin je het zelf voordraagt? Waarom? 9
5. Opdracht: Aangenaam In deelopdracht 2 onderzoeken de leerlingen de betekenis en herkomst van hun voornaam en achternaam. Ze gaan in gesprek met familieleden en onderzoeken zo de betekenis en de geschiedenis van hun naam. Geïnspireerd door bestaande portretgedichten stellen de leerlingen een naamdicht samen met letters uit hun naam en woorden die met hun naam te maken hebben. Ze letten hierbij op vorm, accenten, kleur en formaat. Vervolgens tekenen de leerlingen een zelfportret met woorden in plaats van lijnen of vlakken. Kennisdoelen Vaardigheidsdoelen leert de betekenis en herkomst van zijn voor- en achternaam; maakt kennis met portretgedichten. maakt een naamdicht met letters uit zijn naam en woorden die passen bij zijn naam en let hierbij op accent, kleur, formaat en vorm; maakt aan de hand van bestaande portretgedichten een zelfportret met woorden. Benodigdheden voorbeelden van portretgedichten schrijfgerei postervellen woordenlijst groep 3 (zie bijlage) gekleurd A3-papier zachte kleurpotloden zacht vetkrijt (bijvoorbeeld Pandakrijt) pastelkrijt grijze tekenpotloden stiften foto s van de leerlingen divers materiaal voor de presentatie/expositie Aan de slag in de klas Doorloop de vaste onderdelen binnen elke projectopdracht: onderzoek, uitvoeren, presenteren en evalueren. Onderzoek De leerlingen onderzoeken de betekenis en herkomst van hun voor- en achternaam. Voer onderstaande opdrachten in volgorde uit: 1. Geef de leerlingen de opdracht om thuis te vragen naar wie hun voornaam verzonnen heeft, of het een naam is die vaker in de familie voorkomt, wat de betekenis van de naam is, etc. Laat de leerlingen ook vragen naar de herkomst van hun achternaam en van hun eventuele bijnaam. 2. Bespreek met de leerlingen het volgende: Wat zegt jouw voornaam over jou? Wat zegt jouw achternaam over jou? 10
Welke betekenis of geschiedenis heeft jouw achternaam? Hoe en wanneer zijn achternamen ontstaan? Wat vind je van namen, zijn ze wel nodig? Waarom moet een naam bij de geboorte gegeven worden? Wat vind je daarvan? Waarom past jouw naam bij je? Past de betekenis van jouw naam bij je? Kan een naam ook groeien, zoals je zelf ook groeit? Hoe ontstaan bijnamen? Uitvoeren Voer onderstaande opdrachten in volgorde uit: 1. Met namen kun je ook hele mooie gedichten maken. Zoek op internet een aantal portretgedichten, bijvoorbeeld van Guillaume Apollinaire of op Pinterest (zoekterm: letterportret ). 2. Laat de leerlingen een lijst van woorden samenstellen die iets zegt over henzelf. De leerlingen bespreken hun lijsten met elkaar en vullen deze aan. De leerlingen van groep 3 en/of leerlingen die nog niet zo schrijfvaardig zijn, kunnen gebruikmaken van een woordenlijst uit het document Informatie voor de leerkracht. 3. De leerlingen maken een naamdicht door de letters van hun eigen naam onder elkaar te zetten en daarachter de woorden te schrijven die bij hen passen. Laat de leerlingen er woorden bij verzinnen als dat nodig is om goed uit te komen. Bijvoorbeeld: 'houdt van voetbal' als er wel een h maar geen v in de naam voorkomt. 4. De leerlingen bedenken een vorm voor hun naamdicht. Ze zetten eerst de beginletters neer en accentueren belangrijke woorden. Denk aan de kleur, grootte en vorm van de letters. 5. De leerlingen tekenen met woorden een (zelf)portret van hun gezicht of lichaam. Maak hierbij gebruik van de voorbeelden van portretgedichten die u bij 1. heeft laten zien en zie bijlage. Had je veel hulpwoorden nodig bij het maken van je naamdicht? Hoe kwam dat? Waar kom je beter tot je recht: in het naamdicht of in het zelfportret? Waarom? Hoe maak je van een letter een afbeelding? (Denk bijvoorbeeld aan Middeleeuws schrift met onherkenbare beginletters.) Presenteren De eindresultaten kunnen op verschillende manieren gepresenteerd worden: Richt een tentoonstelling in met alle ontworpen naamdichten en portretten, eventueel vergezeld van een foto van de maker. Laat de leerlingen hun werk toelichten. Maak een slideshow met de naamdichten en portretten van alle leerlingen. 11
Vond je het echt nodig om iets bij je naamdichten te vertellen, of spraken je werkjes voor zich? Wat is leuker en wat is moeilijker: schrijven of tekenen met woorden? Waarom? Waar zie je buiten de school getekende woorden? Evalueren Bespreek met uw leerlingen het doorlopen proces aan de hand van onderstaande vragen: Waar kom je beter tot je recht: in het naamdicht of in het zelfportret? Waarom? Wanneer ben je het meest jezelf: op een selfie, in een naamdicht of in een portret van woorden? Zijn er nog woorden die je aan je naamdicht had willen toevoegen? 12
6. Opdracht: Beeldsonnet Ten slotte staat in deelopdracht 3 het beeldsonnet centraal. De leerlingen onderzoeken bestaande (beeld)sonnetten op kenmerken, structuur en manieren van voordracht. Hierna maken de leerlingen aan de hand van een bestaand sonnet een eigen beeldsonnet. Hierbij spelen formaat, zeggingskracht, betekenis en plaats een grote rol. De leerlingen presenteren hun gemaakte werk tijdens een expositie, met een filmpje of door gesigneerde foto s en lichten dit toe. Kennisdoelen Vaardigheidsdoelen maakt kennis met (beeld)sonnetten; leert steeds meer facetten van zijn identiteit kennen. onderzoekt sonnetten op kenmerken, voordracht, structuur en inhoud; maakt een beeldsonnet passend bij zijn identiteit aan de hand van een bestaand sonnet en let daarbij op betekenis, formaat en plaats. Benodigdheden voorbeelden van beeldsonnetten: o o Sonnet van Lucebert Beeldsonnet van Ted van Lieshout divers fruit en groente postervellen divers materiaal verzameld door de leerlingen grote tafel gemaakt filmpje gemaakte foto s leerlingen met handtekening geprint op A3 neutrale achtergrond (drager voor het beeldsonnet) divers materiaal voor de presentatie/expositie Aan de slag in de klas Doorloop de vaste onderdelen binnen elke projectopdracht: onderzoek, uitvoeren, presenteren en evalueren. Onderzoek In deze opdracht doen de leerlingen onderzoek naar het (beeld)sonnet. Een sonnet bestaat uit veertien regels en vier verzen. De eerste twee verzen hebben elk vier regels en de laatste twee verzen hebben elk drie regels. Een sonnet heeft een vast rijmschema: a-b-b-a / c-d-d-c / e-f-e / f-e-f. Een beeldsonnet volgt de opbouw van een sonnet, maar dan met voorwerpen. De beelden of voorwerpen aan het einde van een regel rijmen met een andere regel. Door een aantal eenvoudige voorbeelden te bekijken, wordt de structuur van een (beeld)sonnet voor iedereen goed zichtbaar en is die gemakkelijk te begrijpen. 13
Voer onderstaande opdrachten in volgorde uit: 1. Leg een aantal fruitsonnetten klaar, zodat elke leerling een stukje fruit kan pakken. Leg een beeldsonnet van Ted van Lieshout ernaast. 2. Laat de leerlingen twee sonnetten lezen: sonnet van Lucebert Een beeldsonnet van Ted van Lieshout (zie ook dit filmpje waarin iemand zijn boek Driedelig paard bespreekt). 3. Vergelijk de twee sonnetten met elkaar en onderzoek de overeenkomsten. 4. Bespreek het volgende met de leerlingen: Wanneer is een gedicht een sonnet? Welke kenmerken van een gedicht zie je terug in een beeldsonnet? Hoe draag je een beeldsonnet voor? Denk aan de uitspraak van het woord, hoog of laag, etc. Met welke voorwerpen zou je op welke plekken een beeldsonnet kunnen neerleggen? Bijvoorbeeld op het strand, in het bos, op straat. Welke smaken hadden de sonnetten? Hoeveel soorten voorwerpen heb je maximaal nodig voor een beeldsonnet? Met welke voorwerpen uit de klas zou je nu een beeldsonnet kunnen neerleggen? Uitvoeren Voer onderstaande opdrachten in volgorde uit: 1. De leerlingen gebruiken het gedicht sonnet van Lucebert voor het maken van een eigen beeldsonnet. Bij de woorden ik (zeven keer), mij (vier keer) en mijn (drie keer) verzamelen ze materiaal dat iets over hen zegt. 2. Afhankelijk van de grootte van de voorwerpen kiezen de leerlingen een plek waar ze hun beeldsonnet neerleggen. 3. Plaats de sonnetten bij elkaar, zodat je een tafel- of een groepssonnet kunt fotograferen. 4. Fotografeer de sonnetten. Suggestie: maak een extra groenten- en fruitsonnet en eet dat, na het te hebben gefotografeerd, met de hele klas op. Vertel hoe je de materialen voor je beeldsonnet hebt verzameld? Op welke manieren kun je nog meer een beeldgedicht maken? Welke overeenkomsten zie je tussen de verschillende beeldsonnetten? Welk beeldsonnet ligt er het mooist bij? Waarom? Presenteren De eindresultaten kunnen op verschillende manieren gepresenteerd worden: 14
Maak met de leerlingen een expositie van hun eigen beeldsonnetten en een nieuw beeldsonnet van eetbare elementen. Nodig mensen uit om de sonnetten te bekijken en het eetbare sonnet op te eten. Maak een kort filmpje waarin je het sonnet neerlegt en eventueel opeet, of er iets anders mee doet. Druk de foto s van de groepssonnetten af op A3-formaat. Laat de leerlingen deze signeren en presenteren. Wat waren de reacties van het publiek op jullie sonnetten? Smaakte het (eetbare) beeldsonnet naar meer? Komt je sonnet in het filmpje goed tot zijn recht? Wat zou er beter kunnen? Evalueren Bespreek met uw leerlingen het doorlopen proces aan de hand van onderstaande vragen: Wat past beter bij jou: een sonnet van woorden of een beeldsonnet? Waarom? Bij welke gelegenheid zou jij een beeldsonnet neerleggen, of juist een sonnet in woorden maken? Hoe vond je het om op deze manier iets over jezelf te vertellen? Wat is het verschil tussen een selfie en het sonnet van Lucebert? 15