Monitor Werkgeversbijdragen Kinderopvang

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Monitor Werkgeversbijdragen Kinderopvang"

Transcriptie

1 Monitor Werkgeversbijdragen Kinderopvang Eindrapport Een onderzoek in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Marieke Vossen Mirjam Engelen B2533 Leiden, 29 mei 2002

2 2

3 Voorwoord Steeds meer ouders blijven allebei werken waardoor het combineren van werk en zorg voor de kinderen tegenwoordig een alledaags verschijnsel is. Met het creëren van faciliteiten voor kinderopvang komt de werkgever tegemoet aan deze maatschappelijke ontwikkeling. Het faciliteren van de mogelijkheden om werk en zorg te combineren is een zaak die ondernemingen steeds vaker oppakken. Uitgangspunt van het Regeerakkoord is kinderopvang op een hoger niveau te tillen. Uiteindelijk is het de bedoeling dat er sprake is van een aanbod dat de vraag dekt. Daarom is de Wet basisvoorziening kinderopvang (WBK) in voorbereiding. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport willen voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel inzicht krijgen in het bereik en de inhoud van kinderopvangregeling in bedrijven en instellingen in Nederland. Zij hebben Research voor Beleid daarom gevraagd onderzoek te doen naar werkgeversbijdragen aan kinderopvang. Dit rapport geeft inzicht in de mate waarin werkgevers met naar eigen zeggen bijdragen aan kinderopvang. Het onderzoek betreft een tweede meting in een reeks van metingen. Deze meting is uitgevoerd in de periode oktober-november De eerste meting heeft in het begin van 2001 plaatsgevonden. Tijdens de 1-meting van het onderzoek heeft terugkoppeling plaatsgevonden met een klankbordgroep. De namen van de leden van de klankbordgroepen zijn opgenomen in bijlage 1. Het onderzoeksteam bedankt de klankbordgroep voor hun bijdrage aan het onderzoek. Dit onderzoek is uitgevoerd door Marieke Vossen. Mirjam Engelen Projectleider 3

4 4

5 Inhoudsopgave Samenvatting en conclusie 7 1 Achtergrond en opzet van het onderzoek Aanleiding van het onderzoek Doelstelling en onderzoeksvragen Opzet van het onderzoek Leeswijzer 16 2 Bereik kinderopvangregelingen Wat werkgevers zeggen aan te bieden Kinderopvangregelingen in CAO s Schatting dekkingsgraad werknemers met een kinderopvangregeling Conclusie Trends en ontwikkelingen 23 3 Werkgevers met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling Motivatie kinderopvangregeling Inhoud van de kinderopvangregeling Praktische vormgeving van de kinderopvangregeling Financiële vormgeving van de kinderopvangregeling Bekendheid regelingen Stellingen Trends en ontwikkelingen 31 4 Werkgevers met naar eigen zeggen geen kinderopvangregeling Motieven van het ontbreken van een kinderopvangregeling Toekomstplannen Bekendheid regelingen Stellingen Trends en ontwikkelingen 37 Bijlage 1 Leden van de Klankbordgroep 39 Bijlage 2 0-meting werkgeversbijdragen kinderopvang 43 Bijlage 3 Steekproef en respons 59 Bijlage 4 Wegingsprocedure en margeberekening 63 Bijlage 5 Schatting dekkingsgraad werknemers 67 Bijlage 6 Vragenlijst 75 5

6 6

7 Samenvatting en conclusie Inleiding De doelstelling van de Monitor Werkgeversbijdragen Kinderopvang is het bieden van inzicht in: De mate waarin (uitgedrukt in een percentage) bedrijven en (overheids)instellingen concrete afspraken hebben gemaakt over kinderopvangmogelijkheden voor werknemers. De mate waarin werknemers onder een (bedrijfs)kinderopvangregeling vallen. De inhoud van de (bedrijfs)kinderopvangregelingen. De redenen en motieven waarom werkgevers geen (bedrijfs)kinderopvangregeling hebben. Het aantal bedrijven en instellingen dat plannen heeft om in de toekomst een kinderopvangregeling te realiseren. De mate waarin zich op bovenstaande punten ontwikkelingen hebben voorgedaan in het afgelopen jaar. Om deze doelstelling te bereiken is een telefonische enquête gehouden onder ruim bedrijven en instellingen in Nederland. Gesproken is met hoofden P&O, hoofden van de salarisadministratie, bestuurders of directeuren van bedrijven en instellingen. In deze samenvatting volgen de belangrijkste conclusies van dit onderzoek. De dataverzameling in onderhavig onderzoek over de inhoud en de uitvoering van kinderopvangregelingen, de motivatie voor het ontbreken van een kinderopvangregeling en eventuele toekomstplannen, heeft plaatsgevonden onder werkgevers in Nederland. Wanneer deze onderwerpen aan bod komen, gaat het in de rapportage steeds over wat werkgevers over dit onderwerp hebben aangegeven. Er is niet gecontroleerd op wat daadwerkelijk over kinderopvangregelingen in bedrijfsregelingen en CAO s is vastgelegd. Bereik kinderopvangregelingen Er zijn verschillende manieren om het bereik van kinderopvangregelingen in Nederland te bekijken: het aantal bedrijven en instellingen dat zegt een kinderopvangregeling te hebben het aantal CAO s met een kinderopvangregeling het aantal werknemers dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling. Deze drie manieren geven elk een ander beeld van de reikwijdte van kinderopvangregelingen. De dataverzameling van onderhavig onderzoek heeft plaatsgevonden onder werkgevers in Nederland. Gevraagd is of het bedrijf of de instelling een kinderopvangregeling heeft. Daarbij is uitgelegd dat sprake is van een kinderopvangregeling wanneer de werkgever op enige manier bijdraagt aan de financiering van kinderopvang voor werknemers. Op basis daarvan zijn uitspraken te doen over het aantal werkgevers dat zegt een kinderopvangregeling te hebben. In aanvulling daarop is op basis van het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie en het onderhavig onderzoek een schatting gemaakt van het aantal werknemers dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling (de dekkingsgraad voor werknemers). Wat werkgevers zeggen aan te bieden 24% Van de werkgevers in Nederland zegt haar personeel op dit moment een kinderopvangregeling aan te bieden. Dit blijken voornamelijk ondernemingen met meer dan 50 werknemers in de sectoren openbaar bestuur, sociale verzekeringen, onderwijs en financiële instellingen, verhuur en zakelijke dienstverlening. De meeste van deze kinderopvangregelingen komen voor bij bedrijven en instellingen met een werknemersbestand met een gemiddelde leeftijd tussen de 35 en 45 jaar. 7

8 Werkgevers die aangeven geen kinderopvangregeling te hebben, blijken voornamelijk ondernemingen met minder dan 50 werknemers. Zij zijn oververtegenwoordigd in de sectoren landbouw, bosbouw en visserij en industrie, delfstoffenwinning en openbare voorzieningsbedrijven. Dit valt wellicht te verklaren door het grote aandeel mannen dat werkzaam is in deze sectoren en/ of het grote aandeel kleine bedrijven. Figuur S.1 In hoeverre werkgevers zeggen een kinderopvangregeling aan te bieden, naar bedrijfsgrootte (n=2008) meer dan 50 werknemers 68% 32% 10 t/m 49 werknemers 28% 72% 1 t/m 9 werknemers 22% 78% 0% 20% 40% 60% 80% 100% Met kinderopvangregeling Zonder kinderopvangregeling Kinderopvangregelingen in CAO s Nederland kent in totaal ruim 800 CAO s. De Arbeidsinspectie voert jaarlijks een CAO-onderzoek uit, waarbij wordt gekeken naar afspraken in een steekproef van CAO s. De steekproef van het CAO-onderzoek over 2000 bevat 125 grotere CAO s 1. In 2000 had 55% van de CAO s uit de steekproef een concrete kinderopvangregeling 2. Nog eens 13% van de CAO s uit de steekproef bevatte een decentrale afspraak over kinderopvang. Naar definitie van onderhavig onderzoek is er dus sprake van een kinderopvangregeling bij 68% van de onderzochte CAO s. Op dit moment is bij de Arbeidsinspectie niet bekend hoeveel bedrijven en instellingen onder de CAO s in de steekproef vallen. Daarom kan geen directe vergelijking gemaakt worden met het aantal werkgevers dat zegt een kinderopvangregeling aan te bieden. Schatting dekkingsgraad werknemers Voor een totaalbeeld van het bereik van kinderopvangregelingen in Nederland, is via het CAOonderzoek van de Arbeidsinspectie en het huidige onderzoek een schatting gemaakt van het aantal werknemers dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling (de dekkingsgraad voor werknemers). Voor een beschrijving van deze schatting wordt verwezen naar bijlage 5. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten en aannames gehanteerd: Het totaal aantal werknemers in Nederland bedraagt 6,1 miljoen (CBS statline 2002). 80% van de werknemers in Nederland valt onder een CAO, 20% valt niet onder een CAO. Het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie is de meest betrouwbare bron voor gegevens over kinderopvangregelingen in CAO s in Nederland. De Monitor Werkgeversbijdragen van Research voor Beleid is de meest betrouwbare bron voor gegevens over kinderopvangregelingen buiten een CAO in Nederland. 1 De Arbeidsinspectie zegt 80% van de werknemers die onder een CAO vallen in Nederland in de steekproef van 125 CAO s te betrekken. 2 Arbeidsinspectie, voorlopige cijfers CAO-onderzoek 2000, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, niet gepubliceerd. 8

9 Op grond hiervan wordt geschat dat tussen de 51% en 63% van alle werknemers in Nederland aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling. De ondergrens van deze schatting is dus 51%. Van dit percentage werknemers is het in ieder geval zeer waarschijnlijk dat ze daadwerkelijk gebruik kunnen maken van een regeling voor kinderopvang. Zij werken immers bij een werkgever die aangeeft een kinderopvangregeling aan te bieden. De bovengrens van het percentage werknemers in Nederland dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling is 63%. Het verschil tussen deze percentages valt deels te verklaren doordat werknemers onder een CAO met een afspraak over kinderopvang kunnen vallen, maar dat hun werkgever zegt geen kinderopvangregeling aan te bieden. Gevolg daarvan is dat een deel van deze werknemers waarschijnlijk zelf ook niet weten dat zij aanspraak kunnen maken op een kinderopvangregeling. Deels valt het verschil ook te verklaren doordat een deel van de CAO s niet is onderzocht, en dus niet bekend is of zij een afspraak over kinderopvang bevatten. Conclusie bereik kinderopvangregelingen Het bereik van kinderopvangregelingen in Nederland blijkt voor werknemers groter dan voor werkgevers. Grote bedrijven en instellingen zeggen relatief vaak een regeling voor kinderopvang aan te bieden. Dit verklaart het grotere bereik van kinderopvangregelingen onder werknemers dan onder bedrijven en instellingen. Ook is duidelijk dat werknemers onder een CAO vaker een kinderopvangregeling hebben, dan werknemers die niet onder een CAO vallen. Het onderzoek laat, behalve de reikwijdte van kinderopvangregelingen in Nederland, ook zien dat er een discrepantie blijkt te bestaan tussen het bestaan van een afspraak over kinderopvang vastgelegd in een CAO en het daadwerkelijk op de hoogte zijn en/ of uitvoeren van deze regeling door werkgevers. Hoe groot deze discrepantie precies is, is niet aan te geven, aangezien uit o n- derzoek van de Arbeidsinspectie niet bekend is hoeveel werkgevers onder een CAO met een kinderopvangregeling vallen. Wanneer het werkgevers direct wordt gevraagd, zegt 24% een regeling voor kinderopvang aan te bieden. De indruk bestaat dat dit percentage hoger zou moeten liggen, gezien het aantal CAO s met een afspraak op dit terrein (68% van de CAO s in de steekproef van de Arbeidsinspectie). Naar verwachting zijn vooral in het midden- en kleinbedrijf werkgevers minder op de hoogte van CAO-afspraken over kinderopvang. Dit kan te maken hebben met het feit dat kinderopvang niet relevant is voor bepaalde bedrijven en instellingen (personeel vraagt er niet om, er werken weinig vrouwen, of personeel heeft geen kinderen). Een andere mogelijke verklaring ligt in het niet naleven van de CAO-afspraken. Werkgevers met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling Inhoud Nagenoeg alle bedrijven en instellingen die aangeven een kinderopvangregeling te hebben, voorzien in een regeling voor de opvang van kinderen onder de vijf jaar. Buitenschoolse opvang en gastouderopvang komen iets minder vaak voor. Bij grote werkgevers zijn vaak meerdere soorten kinderopvang in de regeling opgenomen. In bijna 90% van deze organisaties is de kinderopvangregeling toegankelijk voor alle werknemers. Werkgevers stellen soms beperkingen aan de kinderopvangregeling; de leeftijd van de op te vangen kinderen en de duur van de opvang zijn het vaakst gelimiteerd. 9

10 Uitvoering Werkgevers met een kinderopvangregeling kunnen er voor kiezen de regeling zelf uit te voeren of dit uit te besteden. Meer dan de helft van de (voornamelijk grote) bedrijven en instellingen die aangeven een kinderopvangregeling te hebben, nemen een bemiddelingsbureau in de arm. Een ander deel van deze werkgevers geeft de werknemer een vergoeding voor de kosten van kinderopvang. Kleine organisaties zijn vaker actief betrokken bij de uitvoering van de kinderopvangregeling, door zelf kindplaatsen in te kopen. Werknemers moeten in nagenoeg alle bedrijven en instellingen een eigen bijdrage leveren aan de opvang van hun kinderen. Ruim de helft van de werkgevers hanteert de VWS-adviestabel voor het bepalen van deze ouderbijdrage. Organisaties die dit niet doen, gaan meestal uit van de jaaropgave van beide ouders of het belastbaar huishoudinkomen. Werkgevers met naar eigen zeggen geen kinderopvangregeling De voornaamste reden van werkgevers om geen kinderopvangregeling te hebben, is dat werknemers volgens de werkgever geen behoefte aan kinderopvang hebben. Dit kan zijn omdat er geen werknemers met kinderen zijn. Maar ook ondanks dat in de organisatie werknemers werken die kinderen hebben in de leeftijd van 0 tot 13 jaar, hebben zij volgens de werkgever geen behoefte aan een kinderopvangregeling. Het merendeel van de werkgevers heeft echter de behoefte aan een kinderopvangregeling niet gepeild onder haar personeel. Slechts 7% van de werkgevers zonder kinderopvangregeling heeft plannen in de toekomst een dergelijke regeling te realiseren. Daarvan mag van drie op de tien verwacht worden dat deze regeling er ook binnen een half jaar komt. Trends en ontwikkelingen Op basis van een eerder door Research voor Beleid uitgevoerde 0-meting onder werkgevers 1, is er geen reden aan te nemen dat zich het afgelopen jaar in Nederland sterke ontwikkelingen hebben voor gedaan in het aantal bedrijven en instellingen met een kinderopvangregeling. Begin 2001 had 34% van de bedrijven en instellingen in Nederland met meer dan tien werknemers naar eigen zeggen een kinderopvangregeling, eind 2001 is dat 36%. De spreiding over de sectoren is gelijk gebleven. Binnen het huidige onderzoek (de 1-meting) zijn er wel aanwijzingen dat het aantal bedrijven met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling stijgende is. Een deel van de kinderopvangregelingen blijkt vrij recent ingesteld. De animo onder zowel werkgevers met kinderopvangregeling als werkgevers zonder kinderopvangregeling om mee te werken aan het onderzoek is hoog. Dit duidt erop dat het instellen van een kinderopvangregeling voor werkgevers een actueel thema is, en dat wellicht meer werkgevers binnen afzienbare tijd overgaan tot het aanbieden van een regeling voor de opvang van kinderen van werknemers. 1 Zie bijlage 2. 10

11 1 Achtergrond en opzet van het onderzoek 1.1 Aanleiding van het onderzoek Het aantal kinderopvangplaatsen in Nederland is de afgelopen tien jaar vervijfvoudigd; van plaatsen in 1989 naar meer dan eind Op dit moment delen bij bedrijfskinderopvang drie partijen de kosten: 1. De ouder betaalt de zogenaamde ouderbijdrage. Deze bijdrage is afhankelijk van het gezinsinkomen. 2. De werkgever betaalt de kosten die overblijven na aftrek van de ouderbijdrage en komt in aanmerking voor fiscale regelingen. 3. De overheid draagt bij in de vorm van een aantal fiscale regelingen: De bijdrage van de werkgever is niet belast. 30% van de werkgeverslasten mogen in mindering gebracht worden op de af te dragen loonbelasting. De kosten voor kinderopvang kunnen worden opgevoerd als bedrijfskosten. Werkgevers in de profit-sector betalen daardoor minder vennootschapsbelasting. Ouders kunnen de kosten voor kinderopvang fiscaal aftrekken in het kader van de Wet inkomensbelasting Op dit moment is er vanuit de overheid sprake van aanbodfinanciering, waarbij gemeenten de middelen ontvangen en zelf via de Regeling uitbreiding kinderopvang en buitenschoolse opvang (RKB) bepalen waar het geld naartoe gaat. Er zijn verschillende soorten opvangplaatsen: subsidieplaatsen, bedrijfsplaatsen en particuliere plaatsen. Knelpunt in de huidige situatie is dat min of meer toevallige individuele omstandigheden bepalen of en onder welke financiële condities ouders gebruik kunnen maken van kinderopvang. Daarnaast is er sprake van ongelijke concurrentiepositie voor ondernemers. Tijdens de huidige kabinetsperiode wordt het aantal kinderopvangplaatsen fors uitgebreid via de RKB. Dat is een belangrijke voorwaarde voor het uiteindelijk totstandkomen van een dekkend aanbod aan opvang van kinderen tot en met 12 jaar. Het streven is om met een forse financiële impuls een verdubbeling van de huidige capaciteit te realiseren 2. In 2004 wordt de Wet basisvoorziening kinderopvang (WBK) ingevoerd. Het kabinet heeft op 30 november 2001 ingestemd met het wetvoorstel WBK 3. De WBK maakt het voor ouders gemakkelijker een kinderopvangplaats te regelen voor hun kind, waardoor ze werk en zorg beter kunnen combineren. Daarnaast regelt de WBK de kwaliteit van de kinderopvang en het toezicht daarop. De WBK richt zich op dagopvang voor 0 tot 4-jarigen, buitenschoolse opvang voor 4 tot 12-jarigen en gastouderopvang voor kinderen tot en met 12 jaar. 1 Hoofdlijnen Wet basisvoorziening kinderopvang. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën, Den Haag, juni 2000, p5. Netwerkbureau uitbreiding kinderopvang; Monitor uitbreiding kinderopvang: 2001; tweede meting naar de status van de uitbreiding van de kinderopvang in Nederland, november Info kinderopvang 2001, Elsevier bedrijfsinformatie, Den Haag 2001, p Brief Kinderopvang, DJB/KO , Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, 3 december

12 De WBK regelt dat ouders en overheid samen tweederde van de kosten dragen (via een inkomensafhankelijke tegemoetkoming van het Rijk) en werkgevers van beide ouders samen eenderde deel. Die bijdrage van werkgevers wordt op basis van vrijwilligheid verstrekt. Indien een financiële bijdrage van de werkgever ontbreekt, verstrekt de overheid een inkomensafhankelijke compensatie aan de werknemer. Het streven van het kabinet is dat op termijn 90% van de CAO s en bedrijfsregelingen concrete afspraken over kinderopvang bevatten 1. Momenteel heeft, zo blijkt uit het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie, 55% van de CAO s een concrete kinderopvangregeling 2. Nog eens 13% van de CAO s uit de steekproef bevatte een decentrale afspraak over kinderopvang. In totaal kent op dit moment dus 68% van de onderzochte CAO s een afspraak over kinderopvang. Gaat het om het totale aantal bedrijven in Nederland, dus ook de bedrijven die niet onder een CAO vallen, dan geldt dat 34% van de bedrijven met meer dan 10 werknemers zegt een kinderopvangregeling te hebben 3. Van de bedrijven zonder een kinderopvangregeling geeft 11% te kennen, plannen te hebben om in de toekomst een kinderopvangregeling in het leven te roepen, zo bleek uit onderzoek van Research voor Beleid. Gelet op het vrijwillige karakter van de werkgeversbijdrage, is het van belang voorafgaand aan de behandeling van het wetsvoorstel inzicht te krijgen in het aantal werknemers dat onder een bedrijfskinderopvangregeling valt. Daarnaast is ook een inschatting van het aantal werkgevers dat in de toekomst van plan is een kinderopvangregeling te starten relevant. De verkregen informatie geeft zowel een beeld van de huidige situatie, als een indicatie van de situatie in de nabije toekomst. 1.2 Doelstelling en onderzoeksvragen De doelstelling van het onderzoek is het bieden van inzicht in: De mate waarin (uitgedrukt in een percentage) bedrijven en (overheids)instellingen concrete afspraken hebben gemaakt over kinderopvang. De mate waarin werknemers onder een bedrijfskinderopvangregeling vallen. De inhoud van de bedrijfskinderopvangregelingen. De reden en motieven waarom werkgevers geen bedrijfskinderopvangregeling hebben. Het aantal bedrijven en instellingen dat plannen heeft om in de toekomst een kinderopvangregeling te realiseren. De mate waarin zich ontwikkelingen hebben voorgedaan in het afgelopen jaar. Uit de genoemde doelstellingen zijn de volgende onderzoeksvragen af te leiden: Bereik kinderopvangregelingen Welk aandeel van de werknemers valt onder een bedrijfskinderopvangregeling? Hoeveel procent van de werkgevers biedt een kinderopvangregeling? 1 Hoofdlijnen Wet basisvoorziening kinderopvang. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Financiën. Den Haag, juni 2000 p.5. 2 Nog te publiceren CAO-onderzoek Arbeidsinspectie. 3 Zie bijlage 2, Niet gepubliceerd: 0-meting werkgeversbijdragen, Research voor Beleid

13 Kinderopvangregeling naar inhoud en uitvoering Hoe zien de regelingen er inhoudelijk (dat wil zeggen het soort van kinderopvangregeling, de toegankelijkheid en de voorwaarden van de kinderopvangregeling) uit? Hoe wordt de regeling uitgevoerd? Wat zijn de kosten van dergelijke regelingen? Wat zijn de verschillen tussen de uitvoeringswijze van de regelingen van de diverse bedrijven? In hoeverre zijn de verschillen tussen regelingen sector- en bedrijfsgrootte gerelateerd? Redenen van ontbreken van kinderopvangregelingen Wat zijn redenen van werkgevers om geen kinderopvangregeling te hebben? Welk deel van de werkgevers zonder kinderopvangregeling heeft plannen een dergelijke regeling in de toekomst wel te realiseren en hoe gaat deze regeling er uitzien? Bestaat er een verband tussen het niet voorzien in een kinderopvangregeling door een werkgever en sector- en bedrijfsgrootte? Trends en ontwikkelingen Op welke onderdelen komen de resultaten van dit onderzoek overeen met de resultaten van het CAO-onderzoek 2000/2001 van de Arbeidsinspectie en het eerder door Research voor Beleid uitgevoerde onderzoek overeen? Op welke onderdelen verschillen ze van elkaar? Kunnen uit deze analyses trendmatige ontwikkelingen afgeleid worden? Zo ja, welke ontwikkelingen? Wat kunnen de uitkomsten van de vergelijking zeggen over het aantal kinderopvangregelingen bij werkgevers in de toekomst? Wat zou dit kunnen betekenen voor de ontwikkeling van kinderopvangregelingen in de nabije toekomst? 1.3 Opzet van het onderzoek Voorbereiding Het onderzoek betreft een tweede meting in een reeks van metingen. De dataverzameling van onderhavig onderzoek heeft plaatsgevonden onder werkgevers in Nederland. Gevraagd is of het bedrijf of de instelling een kinderopvangregeling heeft. Er is sprake van een kinderopvangregeling wanneer de werkgever bijdraagt aan de financiering van kinderopvang voor werknemers. Op basis daarvan zijn uitspraken te doen over het aantal bedrijven en instellingen dat stelt een kinderopvangregeling te hebben. Het onderhavige onderzoek is de eerste meting waar het gaat om het vaststellen van het bereik van de bedrijfskinderopvangregelingen, uitgedrukt in percentages werkgevers en werknemers. Ook zijn in deze 1-meting de werkgevers met minder dan 10 werknemers meegenomen. Het onderzoek heeft derhalve deels het karakter van 1-meting en voor een deel betreft het ook een 0-meting. Dit betekent dat het onderzoek enerzijds aansluit op het recent uitgevoerde onderzoek (de 0-meting). Anderzijds sluit het aan op de nog volgende metingen in het kader van de Monitor Werkgeversbijdragen Kinderopvang. 13

14 Dataverzameling Het onderzoek is van start gegaan met een korte deskresearch. Om de onderzoeksvragen te beantwoorden is vervolgens een telefonische enquête gehouden onder van bedrijven en instellingen. Gesproken is met hoofden P&O, hoofden van de salarisadministratie, bestuurders of directeuren van bedrijven en instellingen in Nederland. Vragenlijst Op basis van de onderzoeksvragen en de resultaten van de deskresearch is in overleg met de opdrachtgever een vragenlijst ontwikkeld. Bij het vaststellen van de vragenlijst is uiteraard rekening gehouden met de herhaalbaarheid van de enquête. Vragen uit de vorige enquête zijn, waar nodig, op basis van praktijkervaring aangepast. De vragenlijst bestaat uit een gedeelte voor werkgevers met een kinderopvangregeling en specifieke vragen voor werkgevers zonder een kinderopvangregeling. De vragenlijst is opgenomen in bijlage 6. Steekproef en repons De steekproef is gestratificeerd getrokken naar sector en naar bedrijfsgrootte. Deze stratificatie zorgt ervoor dat alle sectoren en alle grootteklassen voldoende vertegenwoordigd zijn in de respons. De omvang en samenstelling van de bruto steekproef en de respons is weergegeven in bijlage 3. Van de bedrijven en instellingen in Nederland uit het steekproefbestand, hebben in totaal respondenten de vragenlijst beantwoord. Daarmee is een respons van 42% behaald. Onderstaande tabel geeft de responsverantwoording over de bruto steekproef. Van het brutobestand waren in totaal 756 nummers onbruikbaar of niet bereikbaar. De respons van bedrijven en instellingen die wel bereikt zijn (de netto steekproef) komt daarmee op 50%. Tabel 1.1 Respons (gebaseerd op de bruto steekproef van werkgevers) (n=2008) Sector Aantal werkende personen Totaal Landbouw, bosbouw, visserij 33% 34% 30% 33% Industrie, delfstoffenwinning, openbare voorzieningsbedrijven, bouwnijverheid 26% 38% 50% 41% Handel, horeca, reparatie consumenten artikelen, vervoer, opslag, communicatie 24% 38% 43% 37% Financiële instellingen, verhuur, zakelijke dienstverlening 23% 40% 54% 42% Overige dienstverlening (zorg, cultuur, recreatie) 22% 26% 71% 44% Openbaar bestuur, sociale verzekeringen, onderwijs 18% 58% 52% 47% Totaal 24% 39% 52% 42% Bij deze steekproefomvang en samenstelling van de steekproef is het mogelijk uitspraken te doen over de zes onderscheiden sectoren en de groep van kleine, middelgrote en grote bedrijven en instellingen. 1 Uitspraken per cel, (bijv. middelgrote werkgevers uit de sector industrie/nutsbedrijven/ bouw) zijn meer indicatief van aard. 2 1 De nauwkeurigheidsmarge is 5% bij een betrouwbaarheid van 95%. 2 Bij een netto respons van 160 geldt een nauwkeurigheidsmarge van circa 8% bij een betrouwbaarheid van 95%. 14

15 De uitkomsten van de enquête zijn naar sector en grootteklasse gewogen. Dit betekent dat de antwoorden van kleine bedrijven die zijn ondervertegenwoordigd in de steekproef en ondervertegenwoordigde sectoren zwaarder meetellen. Een uitleg over de wegingsprocedure is opgenomen in bijlage 4. Naar verwachting zijn de bedrijven en instellingen die zeggen een kinderopvangregeling te hebben in beperkte mate oververtegenwoordigd in het onderzoek. De helft van de bedrijven die weigerden mee te doen aan het onderzoek waren toch bereid nog een vraag te beantwoorden. Hieruit blijkt dat deze weigeraars vaker aangeven geen kinderopvangregeling aan te bieden dan degene die wel bereid zijn mee te werken aan het onderzoek. Het gaat hier vooral om kleinere bedrijven. Bedrijven en instellingen met naar eigen zeggen geen kinderopvangregeling weigerden dus vaker mee te werken aan het onderzoek dan bedrijven met een kinderopvangregeling. Trends en ontwikkelingen De resultaten verkregen op basis van dit onderzoek zijn vergeleken met de reeds eerder door Research voor Beleid uitgevoerde 0-meting en het CAO-onderzoek 2000/2001 van de Arbeidsinspectie. 0-meting werkgeversbijdragen kinderopvang De 0-meting naar ouderbijdragen en regelingen voor bedrijfskinderopvang heeft plaatsgevonden in het begin van De 0-meting kent deels een andere onderzoeksopzet dan onderhavige 1- meting. Bij de vorige meting is een combinatie van schriftelijk en telefonisch enquête gebruikt. Daarnaast zijn de sector landbouw en de categorie van bedrijven en instellingen met minder dan 10 werknemers buiten beschouwing gelaten. Tot slot zijn werkgevers uit de profit-sector en werkgevers uit de non-profit sector uit een verschillend bestand getrokken. Bij de huidige meting is een integrale steekproef getrokken van alle bedrijven en instellingen in Nederland. De steekproef van deze 1-meting bevat dus alle sectoren (ook de landbouw) en ook de werkgevers met minder dan 10 werknemers. CAO-onderzoek Arbeidsinspectie Het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie bevat gegevens over het aantal CAO s met een afspraak over kinderopvang en het aantal werknemers dat volgens opgave van de werkgeversverenigingen onder deze CAO s valt. Het betreft een steekproef van 125 grote CAO s. Hoeveel bedrijven en instellingen onder de collectieve arbeidsovereenkomsten vallen met een afspraak over kinderopvang is niet bekend. De vergelijkbaarheid van de bestaande onderzoeken over kinderopvangregelingen bij bedrijven en instellingen in Nederland met onderhavig onderzoek is dus beperkt. Daarom kunnen uit deze analyses alleen op hoofdlijnen trendmatige ontwikkelingen in het aantal kinderopvangregelingen en de inhoud van die regelingen over een bepaalde periode worden afgeleid. Aan het eind van ieder hoofdstuk zijn dan ook vergelijkingen van de data op hoofdlijnen te vinden. Bij de vergelijking met de 0-meting, is bij de 1-meting de categorie van bedrijven en instellingen met minder dan 10 werknemers weggelaten. 15

16 Kosten en budget Aan werkgevers met een kinderopvangregeling is gevraagd naar de kosten verbonden aan de regeling. Deze gegevens bleken bij een groot deel van de bedrijven niet bekend, of niet openbaar 1. Respondenten die wel op de hoogte waren van financiële informatie omtrent hun kinderopvangregeling, gaven veelvuldig aan niet van de exacte bedragen op de hoogte te zijn. Doordat het een telefonische vragenlijsten betrof, hadden zij geen tijd voor voorbereiding. De cijfers over kosten en budget hebben een geringe betrouwbaarheid en zijn daarom niet in het rapport opgenomen. 1.4 Leeswijzer Het rapport bevat naast deze inleiding, drie hoofdstukken: In hoofdstuk twee komt het bereik van kinderopvangregelingen in Nederland aan de orde. Er wordt zowel ingegaan op het aantal bedrijven en instellingen dat zegt een kinderopvangregeling aan te bieden, als op het aantal CAO s met een afspraak over kinderopvang als op de dekkingsgraad van werknemers onder een kinderopvangregeling. Het derde en vierde hoofdstuk gaan in op de dataverzameling onder werkgevers in Nederland. Het betreft informatie over wat bedrijven en instellingen zelf aangeven omtrent kinderopvang. Hoofdstuk drie gaat in op de bedrijven en instellingen met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling. Aan de orde komen het aantal werkgevers met een regeling, de inhoud en de uitvoering van de regeling en de bekendheid met regelgeving rondom kinderopvang. Het vierde hoofdstuk gaat in op bedrijven en instellingen zonder kinderopvangregeling. De redenen van het ontbreken van een kinderopvangregeling, de eventuele toekomstplannen en ook de bekendheid met regelgeving rondom kinderopvang worden beschreven. Aan het eind van ieder van deze drie hoofdstukken worden op hoofdlijnen de trends en ontwikkelingen van de genoemde onderwerpen beschouwd. 1 Naar in hoeverre het niet bekend of niet openbaar is, is niet doorgevraagd. 16

17 2 Bereik kinderopvangregelingen Er zijn verschillende manieren om te kijken naar het bereik van kinderopvangregelingen in Nederland: het aantal bedrijven en instellingen dat zegt een kinderopvangregeling te hebben het aantal CAO s met een kinderopvangregeling het aantal werknemers dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling Deze drie manieren geven elk een ander beeld van de reikwijdte van kinderopvangregelingen. De dataverzameling van onderhavig onderzoek heeft plaatsgevonden onder werkgevers in Nederland. Gevraagd is of het bedrijf of de instelling een kinderopvangregeling heeft. Daarbij is uitgelegd dat sprake is van een kinderopvangregeling wanneer de werkgever op enige manier bijdraagt aan de financiering van kinderopvang voor werknemers. Op basis daarvan zijn uitspraken te doen over het aantal werkgevers dat zegt een kinderopvangregeling te hebben. In aanvulling daarop is op basis van het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie en het onderhavig onderzoek een schatting gemaakt van het aantal werknemers dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling (de dekkingsgraad voor werknemers). De paragrafen in dit hoofdstuk gaan achtereenvolgens in op deze verschillende invalshoeken. In de conclusie geven we een totaaloverzicht van het bereik van kinderopvangregelingen in Nederland. 2.1 Wat werkgevers zeggen aan te bieden In onderstaande figuur is weergegeven in hoeverre bedrijven en instellingen in Nederland aangeven een kinderopvangregeling aan te bieden. In totaal zegt 24% van alle werkgevers een kinderopvangregeling te hebben en geeft 76% aan geen kinderopvangregeling te hebben. Van de bedrijven en instellingen met tien werknemers of meer zegt 36% in een kinderopvangregeling te voorzien. Figuur 2.1 In hoeverre werkgevers in Nederland zeggen een kinderopvangregeling aan te bieden (n=2008) 24% 76% 0% 20% 40% 60% 80% 100% Met kinderopvangregeling Zonder kinderopvangregeling 17

18 Achtergrondkenmerken werkgevers In figuur 2.2 is de verdeling van werkgevers met naar eigen zeggen wel en geen kinderopvangregeling naar bedrijfsgrootte weergegeven. Er is een duidelijk verband tussen de grootte van de organisatie en het al dan niet voorzien in een kinderopvangregeling. Boven de 50 werknemers geeft een meerderheid van de werkgevers aan in een kinderopvangregeling te voorzien. Het zijn voornamelijk kleine organisaties, met minder dan 50 werknemers, die zeggen hun personeel geen kinderopvangregeling aan te bieden. Het lage totaal percentage (24%) werkgevers dat zegt in een kinderopvangregeling te voorzien, kan worden verklaard door het hoge aantal kleine bedrijven en instellingen in Nederland. Figuur 2.2 In hoeverre werkgevers zeggen wel en geen kinderopvangregeling aan te bieden, naar grootteklasse (n = 2008) meer dan 50 werknemers 68% 32% 10 t/m 49 werknemers 28% 72% 1 t/m 9 werknemers 22% 78% 0% 20% 40% 60% 80% 100% Met kinderopvangregeling Zonder kinderopvangregeling In onderstaande tabel is de verdeling van werkgevers met en zonder kinderopvangregeling over de sectoren weergegeven. De sectoren openbaar bestuur, sociale verzekeringen en onderwijs scoren het hoogst wat betreft het percentage werkgevers dat aangeeft een kinderopvangregeling te bieden. Bijna 40% van de bedrijven en instellingen kent daar een regeling. In de sector financiele instellingen, verhuur en zakelijke dienstverlening en de sector overige dienstverlening heeft ongeveer eenderde van de werkgevers een kinderopvangregeling. In sectoren landbouw, bosbouw en visserij en industrie, delfstoffenwinning, openbare voorzieningsbedrijven geven werkgevers nauwelijks aan regelingen voor de opvang van kinderen te hebben. Dit valt wellicht te verklaren door het grote aandeel mannen dat werkzaam is in deze sectoren en/ of het grote aandeel kleine bedrijven en instellingen. Tabel 2.1 In hoeverre werkgevers zeggen wel en geen kinderopvangregeling aan te bieden, naar sector Met Kinderopvangregeling Zonder Kinderopvangregeling Totaal Landbouw, bosbouw, visserij 5% 95% 100% Industrie, delfstoffenwinning, openbare voorzieningsbedrijven, bouwnijverheid 15% 85% 100% Handel, horeca, reparatie consumenten artikelen, vervoer, opslag, communicatie 24% 76% 100% Financiële instellingen, verhuur, zakelijke dienstverlening 34% 66% 100% Overige dienstverlening (zorg, cultuur, recreatie) 31% 69% 100% Openbaar bestuur, sociale verzekeringen, onderwijs 39% 61% 100% Totaal 24% 76% 100% Ongewogen n

19 Van de bedrijven en instellingen uit ons onderzoek zegt bijna driekwart onder een CAO te vallen (zowel bedrijfstak als ondernemings-cao). In tabel 2.2 is te zien is dat werkgevers die onder een CAO vallen, vaker aangeven een regeling te hebben dan werkgevers die niet onder een CAO vallen (18% tegen 27%). Tabel 2.2 In hoeverre werkgevers zeggen wel en geen kinderopvangregeling aan te bieden, naar CAO Met Kinderopvangregeling Zonder kinderopvangregeling Totaal Onder CAO 27% 73% 100% Niet onder CAO 18% 82% 100% Totaal 24% 76% 100% 2.2 Kinderopvangregelingen in CAO s Het streven van het kabinet is dat op termijn 90% van de CAO s en bedrijfsregelingen concrete afspraken over kinderopvang bevatten. Naast wat werkgevers zeggen aan te bieden, is het voor een totaal beeld van het bereik van kinderopvangregelingen interessant te bekijken hoeveel CAO s in Nederland hierover een afspraak bevatten. Nederland kent in totaal circa 950 CAO s. De Arbeidsinspectie heeft in haar CAO-onderzoek over 2000 een steekproef welke 125 van de grotere CAO s bevat. Het betreft 83 bedrijfstak-cao s en 42 ondernemings-cao s. Van de CAO s die buiten de steekproef van het CAO-onderzoek vallen is niet bekend of zij afspraken over kinderopvang bevatten 1. In 2000 had, zo blijkt uit het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie, 55% van de CAO s uit de steekproef een concrete kinderopvangregeling 2. Nog eens 13% van de CAO s uit de steekproef bevatte een decentrale afspraak over kinderopvang. Naar definitie van onderhavig onderzoek is er dus sprake van een kinderopvangregeling bij 68% van de onderzochte CAO s. Tabel 2.3 CAO s in Nederland met afspraak over kinderopvang in de steekproef van het CAO-onderzoek (n=125) % Concrete afspraak 55% Decentrale afspraak 13% Intentionele afspraak * 9% Geen afspraak 23% Totaal 100% Bron: Arbeidsinspectie 2002 * Intentioneel houdt in dat in de CAO het voornemen is vermeld om een concrete of decentrale afspraak over kinderopvang op te nemen. 1 De Arbeidsinspectie zegt 80% van de werknemers onder een CAO in de steekproef te betrekken. In grote lijnen is het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie representatief voor alle CAO-gebonden werknemers in Nederland. Voor bepaalde arbeidsvoorwaarden, waaronder afspraken over kinderopvang, is niet bekend of de steekproef van 125 CAO s representatief is voor alle CAO s. 2 Arbeidsinspectie, voorlopige cijfers CAO-onderzoek 2000, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, niet gepubliceerd. 19

20 Op dit moment is bij de Arbeidsinspectie niet bekend hoeveel bedrijven en instellingen onder de CAO s in de steekproef vallen. Daarom kan geen directe vergelijking gemaakt worden met het aantal werkgevers dat zegt een kinderopvangregeling aan te bieden. 2.3 Schatting dekkingsgraad werknemers met een kinderopvangregeling Voornamelijk grote bedrijven en instellingen zeggen een kinderopvangregeling aan te bieden. Dit maakt het interessant te kijken naar de dekkingsgraad van kinderopvangregelingen voor werknemers. De dekkingsgraad van kinderopvangregelingen voor werknemers in Nederland is in dit onderzoek op twee manieren berekend: op basis van wat werkgevers zeggen aan te bieden aan kinderopvangregeling (tabel 2.6) en op basis van het aantal werknemers onder een CAO met een concrete of decentrale afspraak over kinderopvang (tabel 2.7). De combinatie van deze twee methoden geeft een beeld van het totaal aantal werknemers dat onder een kinderopvangregeling valt. Overigens moet hierbij nadrukkelijk worden opgemerkt dat het in beide gevallen een schatting betreft. Bijlage 5 geeft een uitgebreide beschrijving van de berekening van de dekkingsgraad van werknemers met een kinderopvangregeling. 1. Schatting dekkingsgraad werknemers op basis van werkgeversenquête Er is een schatting gemaakt van he t aantal werknemers in Nederland per sector en grootteklasse 1. Het uitgangspunt van deze schatting is het totaal aantal werknemers per sector in Nederland op basis van cijfers van het CBS 2. Deze cijfers gecombineerd met het percentage werkgevers dat zegt haar personeel een kinderopvangregeling te bieden, geeft een indicatie van het percentage werknemers dat bij een organisatie werkt met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling. Het resultaat van deze schatting is dat circa 51% van de werknemers in Nederland werkt bij een bedrijf of instelling dat aangeeft een kinderopvangregeling te hebben. Met name in de grote organisaties en in de sectoren openbaar bestuur, sociale verzekeringen, onderwijs en overige dienstverlening (zorg, cultuur, recreatie) werken relatief veel werknemers met een werkgever die zegt een regeling voor kinderopvang aan te bieden. 2. Schatting dekkingsgraad werknemers op basis van CAO-onderzoek Arbeidsinspectie Het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie bevat gegevens van het aantal werknemers dat onder de 125 grotere CAO s valt die in de steekproef zijn opgenomen. Van de werknemers die onder een CAO in de steekproef van de Arbeidsinspectie vallen, geldt dat 69% een concrete of decentrale afspraak in de CAO heeft staan 3. De Arbeidsinspectie zegt circa 80% van de werknemers die onder een CAO vallen in Nederland in de steekproef te betrekken. Voor de resterende 20% werknemers die onder een CAO vallen is niet bekend of hun collectieve arbeidsovereenkomsten een afspraak over kinderopvang bevat. Daarom moeten we voor een schatting van het totaal aantal werknemers in Nederland onder een CAO met kinderopvangregeling uitgegaan van een minimale en een maximale dekkingsgraad. 1 Hierover zijn geen cijfers beschikbaar. 2 CSB, Statline Volgens opgave van de Arbeidsinspectie, voorlopige cijfers CAO-onderzoek 2000, ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, niet gepubliceerd. 20

21 Wanneer we er vanuit gaan dat de steekproef van het CAO-onderzoek representatief is voor alle CAO s, en dat de CAO s die niet in de steekproef zitten dus even vaak afspraken over kinderopvang bevatten als de CAO s in de steekproef, geeft dat de maximale dekkingsgraad van werknemers onder een CAO met een afspraak over kinderopvang. Wanneer we er vanuit gaan dat de CAO s die buiten de steekproef vallen allemaal géén afspraak over kinderopvang bevatten, geeft dat de minimale dekkinggraad van werknemers onder een CAO een concrete of decentrale afspraak over kinderopvang. Tabel 2.4 Percentage werknemers onder een CAO met een afspraak over kinderopvang, naar aard van afspraak Minimum Maximum Werknemers onder een CAO met concrete afspraak 49% 61% Werknemers onder een CAO met decentraal afspraak 6% 8% Werknemers onder een CAO met intentionele afspraak 6% 8% Werknemers onder een CAO zonder afspraak 39% 23% Totaal 100% 100% Bron: Arbeidsinspectie 2002 Op basis van het CAO-onderzoek heeft circa tussen de 49% en 61% van de werknemers in Nederland onder een CAO een concrete afspraak over kinderopvang in die CAO staan. Tussen de 6% en 8% van de werknemers onder een CAO heeft een decentrale regeling. In totaal ligt de dekkingsgraad van werknemers onder een CAO met een kinderopvangregeling dus waarschijnlijk tussen de 55% en 69%. 3. Schatting totaal dekkingsgraad werknemers in Nederland met een kinderopvangregeling Om een overzicht te krijgen van de totale dekkingsgraad van werknemers in Nederland met een kinderopvangregeling, zouden de cijfers van de werknemers onder een CAO met een afspraak over kinderopvang en de werknemers met een bedrijfskinderopvangregeling zonder CAO bij e l- kaar moeten worden opgeteld. Omdat echter niet exact bekend is hoeveel werknemers in Nederland onder een CAO vallen 1, kan dat alleen worden geschat. Kort samengevat kan onder de volgende aannames, een schatting van het aantal werknemers dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling worden gemaakt: Het aantal werknemers in Nederland is % van de werknemers in Nederland valt onder een CAO, 20% valt niet onder een CAO Het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie is de meest betrouwbare bron voor gegevens over kinderopvangregelingen in CAO s in Nederland. De Monitor Werkgeversbijdragen van Research voor Beleid is de meest betrouwbare bron voor gegevens over kinderopvangregelingen buiten een CAO in Nederland. 1 In de Sociale Nota, SZW 2001, staat een verhouding van 84% van de werknemers met CAO en 16% zonder CAO. Het uitgangspunt van deze schatting is echter dat werknemers in Nederland onder een CAO vallen. Volgens de cijfers van het CBS (Statline 2002) telde Nederland in 2000 echter slechts werknemers. Waarschijnlijk is er sprake van een overschatting van het aantal werknemers dat onder een CAO valt. 2 Dit is betreft de werknemers in Nederland, dus de werkzame beroepsbevolking minus de zelfstandigen, CBS Statline

22 Uit deze schatting blijkt dat de totale dekkingsgraad van werknemers in Nederland met een kinderopvangregeling waarschijnlijk tussen de 51% en 63% ligt. In tabel 2.5 is deze minimale en de maximale dekkingsgraad van werknemers in Nederland onder een kinderopvangregeling opgenomen. Een uitgebreide beschrijving van de berekening van de dekkingsgraad van werknemers met een kinderopvangregeling is opgenomen in bijlage 5. Tabel 2.5 Schatting percentage werknemers in Nederland dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling Onder een CAO Niet onder een CAO 1 Totaal Met kinderopvang Zonder kinderopvang Met kinderopvang Zonder kinderopvang Met kinderopvang Zonder kinderopvang Minimum 55% 45% 37% 63% 51% 49% Maximum 69% 31% 37% 63% 63% 37% De ondergrens van deze schatting is dus 51%. Van dit percentage werknemers is het in ieder geval zeer waarschijnlijk dat ze daadwerkelijk gebruik kunnen maken van een regeling voor kinderopvang. Zij werken immers bij een werkgever die aangeeft een kinderopvangregeling aan te bieden. De bovengrens van het percentage werknemers in Nederland dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling is 63%. Het verschil tussen deze percentages valt deels te verklaren doordat werknemers wel onder een CAO met een afspraak over kinderopvang kunnen vallen, maar dat hun werkgever zegt geen kinderopvangregeling aan te bieden. Van een deel van deze werknemers is het waarschijnlijk dat zij zelf ook niet weten dat zij aanspraak kunnen maken op een kinderopvangregeling. Deels valt het verschil ook te verklaren doordat een deel van de CAO s niet is onderzocht, en dus niet bekend is of zij een afspraak over kinderopvang bevatten. 2.4 Conclusie Afhankelijk van het startpunt is het beeld van het bereik van kinderopvangregelingen in Nederland anders. Kijk je, zoals in het huidige onderzoek, wat werkgevers zeggen aan te bieden, dan blijkt dat 24% van de bedrijven en instellingen in Nederland een kinderopvangregeling heeft. Van de organisaties met tien werknemers of meer zegt 36% haar personeel een kinderopvangregeling te bieden. Op basis van het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie blijkt 68% van de CAO s een concrete of decentrale afspraak te bevatten. Een schatting van de dekkingsgraad van kinderopvangregelingen voor werknemers leert dat tussen de 51% en 63% van de werknemers in Nederland onder een kinderopvangregeling valt. Uit voorgaande blijkt dat het bereik van kinderopvangregeling in Nederland voor werknemers groter is dan het percentage werkgevers dat aangeeft een kinderopvangregeling te hebben. Dit kan verklaard worden doordat grote bedrijven en instellingen relatief vaak een regeling voor kinderopvang aanbieden. Ook is duidelijk dat werknemers onder een CAO vaker een kinderopvangregeling hebben, dan werknemers die niet onder een CAO vallen. 1 Zie bijlage 5. 22

23 Het onderzoek laat, behalve de reikwijdte van kinderopvangregelingen in Nederland, ook zien dat er een discrepantie blijkt te zijn tussen het bestaan van een afspraak over kinderopvang vastgelegd in een CAO en het daadwerkelijk op de hoogte zijn en/ of uitvoeren van deze regeling door werkgevers. Hoe groot deze discrepantie precies is, is niet aan te geven, aangezien uit onderzoek van de Arbeidsinspectie niet bekend is hoeveel werkgevers onder een CAO met een kinderopvangregeling vallen. Wanneer het werkgevers direct wordt gevraagd, zegt 24% een regeling voor kinderopvang aan te bieden. De indruk bestaat dat dit percentage hoger zou moeten liggen, gezien het aantal CAO s met een afspraak op dit terrein (68% van de CAO s in de steekproef van de Arbeidsinspectie). Naar verwachting zijn vooral in het midden- en kleinbedrijf werkgevers minder op de hoogte van afspraken over kinderopvang. Dit kan komen doordat kinderopvang niet relevant is voor bepaalde bedrijven en instellingen (personeel vraagt er niet om, er werken weinig vrouwen, of personeel heeft geen kinderen). Een andere mogelijke verklaring ligt in het niet naleven van de CAO-afspraken. 2.5 Trends en ontwikkelingen Vergelijking 0-meting In de 0-meting kenden 34% van de bedrijven met meer dan 10 werknemers een kinderopvangregeling, in de 1-meting is dat 36%. Daarmee is het aantal bedrijven met een kinderopvangregeling gelijk gebleven tot licht gestegen 1. Het percentage bedrijven met een kinderopvangregeling was ook in de 0-meting niet evenwichtig verspreid over de verschillende bedrijfstakken. Ook toen waren in de sectoren openbaar bestuur en overige dienstverlening verhoudingsgewijs veel bedrijven en instellingen met een kinderopvangregeling aanwezig. Binnen de handel, horeca en het vervoerswezen lag ook toen het percentage in de buurt van de 30%, waarmee relatief weinig bedrijven voorzien in een kinderopvangregeling. Uit de gegevens van de 0-meting bleek ook, net als in het huidige onderzoek, dat naarmate een bedrijf groter is, het bedrijf vaker een kinderopvangregeling aanbiedt. 1 Aangezien de marge op beide percentages 1% is, kan niet worden gezegd of er sprake is van een significante stijging. 23

24 24

25 3 Werkgevers met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling Werkgevers in Nederland kunnen binnen een aantal randvoorwaarden beslissen over het instellen van een kinderopvangregeling voor hun personeel. Voor de bedrijven en instellingen die onder een CAO vallen, is allereerst bepalend of een afspraak over kinderopvang in de CAO is opgenomen. Daarnaast zijn de kosten van een kinderopvangregeling en de bekendheid van werkgevers met regelgeving rond kinderopvangregelingen belangrijke factoren bij de uitwerking van een eventuele regeling. Bijna één op de vier bedrijven en instellingen in Nederland zegt te voorzien in een regeling voor de kinderopvang van werknemers. Dit hoofdstuk beschrijft deze kinderopvangregelingen. Werkgevers die onder een CAO met een kinderopvangregeling vallen maar zelf aangeven geen regeling voor kinderopvang aan te bieden, zijn niet in onderhavig onderzoek betrokken. 3.1 Motivatie kinderopvangregeling De meest genoemde motivatie van werkgevers voor het instellen van een kinderopvangregeling voor hun personeel, is het binden van zittende werknemers aan de organisatie. Bij deze motivatie noemt bijna een kwart van de werkgevers expliciet dat het er om gaat vrouwen aan het bedrijf te binden. In 38% van de gevallen geven werkgevers (voornamelijk met minder dan 100 werknemers) aan dat het voorzien in een kinderopvangregeling als verplichting in de CAO is opgenomen. Tabel 3.1 Reden voor het treffen van een kinderopvangregeling % Vasthouden van huidige personeel 57% waarvan expliciet behoud van vrouwen binnen het bedrijf 24% Het is als verplichting vastgelegd in de CAO 38% Nieuw personeel aantrekken 19% Kinderopvang past in een modern personeelsbeleid 14% Wens van de ondernemingsraad (OR) 5% Wens werknemers 4% Voor de doorstroming van vrouwen binnen het bedrijf 4% Het personeelsbestand van het bedrijf is gegroeid 2% Weet niet/ geen antwoord 3% Anders 7% Ongewogen n 918 Telt niet op tot 100%: meerdere antwoorden mogelijk. Bij bijna vier op de tien bedrijven en instellingen met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling is de regeling korter dan twee jaar geleden ingesteld. Dit geeft aan dat kinderopvang een actueel thema is en dat het aantal werkgevers met kinderopvangregeling stijgende is. De overige bedrijven en instellingen kennen de kinderopvangregeling langer dan twee jaar. Kinderopvang voor 0 tot 4 jarigen bestaat in de meest bedrijven langer dan opvang voor 4 tot 12 jarigen. Er is geen samenhang tussen bedrijfsgrootte en de tijd dat de kinderopvangregeling in werking is. 25

26 3.2 Inhoud van de kinderopvangregeling Uit het onderzoek blijkt dat bedrijven en instellingen met een personeelsbestand met een gemiddelde leeftijd tussen de 35 en 45 jaar het vaakst een kinderopvangregeling kennen. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de wensen van de ouders binnen de bedrijfsgerichte kinderopvang zijn verschillende vormen van opvang mogelijk. De drie belangrijkste vormen van kinderopvang zijn op dit moment: kinderdagverblijf (opvang onder de 4 jaar), buitenschoolse opvang (opvang 4-12 jaar) en gastouderschap (opvang 0-12 jaar). Ook worden er nog steeds nieuwe vormen geï ntroduceerd. Opvang voor kinderen onder de 4 jaar blijkt bij negen van de tien regelingen mogelijk. Werkgevers geven in mindere mate aan dat het ook mogelijk is om kinderen van 4 tot 12 jaar buiten school op te laten vangen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van hetgeen volgens werkgevers binnen hun kinderopvangregeling valt. Grote bedrijven bieden meer vormen van kinderopvang tegelijkertijd aan dan kleine bedrijven. Tabel 3.2 Vormen van kinderopvang die binnen de kinderopvangregeling vallen Vorm kinderopvang Totaal Opvang 0-4 jaar 90% Opvang 4-12 jaar 60% Gastouderopvang (0-12 jaar) 52% Onbekend, geregeld door het CAO-fonds - sectorfonds 1% Weet niet/ geen antwoord 7% Ongewogen n 918 Telt niet op tot 100%: meerdere antwoorden mogelijk. In de meeste organisaties die zeggen een kinderopvangregeling te hebben (bijna negen op de tien) is de regeling toegankelijk voor alle werknemers. Soms stelt een bedrijf echter voorwaarden aan de deelname aan de kinderopvangregeling. 11% van de bedrijven en instellingen kent een zogenaamd doelgroepenbeleid. Dit zijn over het algemeen bedrijven met meer dan 100 werknemers. De meest voorkomende voorwaarde die werkgevers stellen aan werknemers is het geslacht. In 43% van de organisaties met doelgroepenbeleid (5% van alle organisaties met een kinderopvangregeling) hebben alleen vrouwen toegang tot de kinderopvangregeling. Bij ruim één op de vijf werkgevers moeten werknemers in vaste dienst zijn. Buiten het doelgroepenbeleid stellen sommigen werkgevers beperkingen ten aanzien van de leeftijd van de kinderen, de duur van het gebruik en de omvang van het gebruik van de kinderopvangregeling. De leeftijd van de kinderen is in 61% van de bedrijven en instellingen een voorwaarde. Bijna de helft van deze werkgevers geeft aan alleen kinderen onder de vier jaar op te vangen, de andere helft van de bedrijven heeft een regeling die geldt voor kinderen tot en met 12 jaar. In 35% van de organisaties is een maximum gesteld aan het aantal dagdelen kinderopvang waarvan werknemers gebruik mogen maken. In de meeste gevallen is dat overeenkomstig de arbeidsduur. 26

27 3.3 Praktische vormgeving van de kinderopvangregeling Naast de inhoud van de regeling, kan gedifferentieerd worden in de praktische vormgeving van de kinderopvangregeling. Hierbij gaat het om de manier waarop bedrijven en instellingen de regeling vastleggen en uitvoeren. In deze 1-meting blijkt van de organisaties met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling 81% onder een CAO te vallen. Meestal is dit een overeenkomst die geldt voor de gehele sector of bedrijfstak (62%). In de overige gevallen gaat het om een ondernemings-cao. Van alle bedrijven met een kinderopvangregeling heeft 34% concrete afspraken in de sector- of bedrijfstak-cao opgenomen. Bij 30% van alle bedrijven en instellingen is de kinderopvangregeling een bedrijfsregeling. In nog eens bijna 30% betreft het algemene bepalingen in een CAOafspraak. Dit is te zien in tabel 3.3. Tabel 3.3 Wijze vastlegging kinderopvangregeling % Concrete afspraken in de CAO 34% De kinderopvang is een bedrijfsregeling 30% Een of meerdere bepalingen in een CAO-afspraak 29% Zowel in CAO als in bedrijfsregeling 0% Weet niet/geen antwoord 0% Anders 6% Totaal 100% Ongewogen n 918 Een werkgever of instelling kan er voor kiezen de uitvoering van een kinderopvangregeling uit te besteden aan een bemiddelingsorganisatie. In tabel 3.6 is te zien dat 55% van de bedrijven en instellingen met een kinderopvangregeling een bemiddelingsbureau inhuurt dat kindplaatsen inkoopt. Een organisatie kan er echter ook voor kiezen om de kinderopvangregeling zelf uit te voeren. 18% van de bedrijven blijkt actief in de uitvoering van kinderopvang, wat meestal inhoudt dat het bedrijf zelf kindplaatsen inkoopt. Bedrijfscrèches blijken nauwelijks te bestaan. Het zijn voornamelijk kleine werkgevers (met minder dan 10 werknemers) die actief betrokken zijn bij de uitvoering van de kinderopvangregeling. Grote bedrijven en instellingen nemen vaker een bemiddelingsbureau in de arm om de kinderopvang van werknemers uit te voeren. Bijna de helft van de bedrijven (44%) geeft hun werknemers een bijdrage voor de kosten van de opvang van hun kinderen. Dit gebeurt vaker bij werkgevers in het MKB (organisaties met minder dan 100 werknemers), dan bij grote werkgevers. Tabel 3.4 Uitvoering van de kinderopvangregeling % Een bemiddelingsbureau koopt kindplaatsen in 55% Een bijdrage aan de werknemer voor de kosten van kinderopvang 44% Het bedrijf koopt zelf kindplaatsen in 17% Er is een bedrijfskinderopvang opgezet (bedrijfscrèche) 1% Weet niet/ geen antwoord 0% Anders 5% Ongewogen n 918 Telt niet op tot 100%: meerdere antwoorden mogelijk. 27

28 3.4 Financiële vormgeving van de kinderopvangregeling Op dit moment delen bij bedrijfskinderopvang meestal drie partijen de kosten: 1. De ouder betaalt de zogenaamde ouderbijdrage. 2. De werkgever betaalt de kosten die overblijven na aftrek van de ouderbijdrage. 3. De overheid draagt bij in de vorm van fiscale regelingen. Ouderbijdrage Werknemers moeten in nagenoeg alle ondervraagde bedrijven en instellingen een eigen bijdrage betalen voor de opvang van hun kinderen; 9% van de bedrijven verwacht geen ouderbijdrage van haar personeel. De vraag is hoe bedrijven en instellingen deze ouderbijdrage vaststellen. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt elk jaar een adviestabel op, met daarin de bijdragen die aan werknemers in rekening kunnen worden gebracht, afhankelijk van hun inkomen. De VWSadviestabel gaat uit van het netto huishoudinkomen, kent een opbouw van inkomensklassen waarvoor een ouderbijdrage is vastgesteld, kent een differentiatie naar verschillende opvangsoorten (tariefstructuur) en maakt onderscheid tussen het eerste en het tweede kind. Ruim de helft van de werkgevers in Nederland (54%) hanteert de VWS-adviestabel. Grote bedrijven en instellingen doen dit vaker dan kleine werkgevers. Van degenen die de tabel hanteren, doet 93% dat volledig. De overige 7% neemt de tabel in aangepaste vorm over. In de meeste gevallen wijken bedrijven en instellingen af van de VWS-adviestabel door een andere tariefstructuur te hanteren. In een enkel geval wordt er geen onderscheid gemaakt tussen een eerste en tweede kind en hanteren bedrijven meer inkomensklassen of lagere bijdrages per inkomensklasse. Aan de organisaties die de VWS-adviestabel niet of in aangepaste vorm gebruiken, is gevraagd welke grondslag zij hanteren voor de bepaling van de ouderbijdrage. Het grootste deel van deze werkgevers hanteert een andere grondslag dan de VWS-adviestabel, welke uitgaat van het netto huishoudinkomen. Eén op de vijf werkgevers gaat uit van de jaaropgave van beide ouders of het belastbaar huishoudinkomen. Dit is weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 3.5 Grondslag voor bepaling van de ouderbijdrage* % Jaaropgave (van beide ouders) 20% Belastbaar huishoudinkomen 20% (deel) van de kosten wordt vergoed 14% Netto huishoudinkomen 4% Vast budget per werknemer 3% Besteedbaar huishoudinkomen 0% Weet niet/ geen antwoord 22% Anders 16% Totaal 100% Ongewogen n 318 * indien geen gebruik wordt gemaakt van de VWS-adviestabel, of in aangepast vorm. 28

29 Opvallend is dat ruim één op de vijf respondenten niet op de hoogte is van de grondslag van de ouderbijdrage. Een deel van de respondenten (37%) ook niet kan aangeven waarom zij (deels) een andere systematiek hebben dan de VWS-adviestabel. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat deze bedrijven en instellingen niet bekend zijn met de VWS-adviestabel. De redenen die wel worden genoemd voor het hanteren van een eigen systematiek zijn divers. Het meest gehoord is dat een eigen systeem eenvoudiger te hanteren is voor het bedrijf. Werkgeversbijdrage Naast de ouderbijdrage van werknemers, betalen bedrijven en instellingen een werkgeversbijdrage aan kinderopvang. Ruim de helft van bedrijven met een kinderopvangregeling blijkt geen maximum per werknemer vastgesteld te hebben aan deze financiële compensatie. Een kwart van de bedrijven doet dit wel. In deze meting is geen informatie verkregen over de basis van dit maximum van de werkgeversbijdrage. Tabel 3.6 Maximale werkgeversbijdrage per werknemer voor kinderopvang % Ja 25% Nee 56% Niet van toepassing, er is een bedrijfscrèche 2% Weet niet/geen antwoord 18% Totaal 100% Ongewogen n Bekendheid regelingen Bedrijven en instellingen kunnen gebruik maken van een aantal regelingen omtrent kinderopvang % van de werkgeverslasten mogen in mindering gebracht worden op de af te dragen loonbelasting (WVA-aftrek). 2. Bedrijven kunnen de netto werkgeverskosten van kinderopvang proberen te delen met de werkgever van een eventuele partner (de zogenaamde 50/50-methode). Aan de respondenten is gevraagd in hoeverre zij bekend zijn met bovengenoemde regelingen en of zij er ook gebruik van maken. Ook is gevraagd naar de bekendheid met de wet in wording op het gebied van kinderopvang (de WBK). Van de werkgevers die weten dat zij een deel van de werkgeverslasten voor kinderopvang in mindering mogen brengen op de af te dragen loonbelasting (81%), past verreweg de meerderheid (79%) het toe. 5% van de werkgevers die wel op de hoogte is van deze regeling, maakt er geen gebruik van (mogelijk wegens administratieve lasten) en 15% weet niet of de regeling wordt gebruikt. Tabel 3.7 Bekendheid en gebruik van de WVA-aftrek Ja Nee Weet niet Totaal Ongewogen n Bekendheid regeling 81% 8% 11% 100% 858 Gebruik regeling 79% 5% 15% 100%

30 In tabel 3.8 is de bekendheid en de toepassing van de 50/50-methode onder werkgevers met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling opgenomen. Een ruime meerderheid (54%) van deze werkgevers probeert de kosten voor de kinderopvang van zijn werknemers te delen met de andere werkgever. 35% van de werkgevers blijkt de 50/50-methode niet te kennen. Van de werkgevers die probeert de 50/50-methode toe te passen, financiert ongeveer eenderde ook maximaal de helft van de werkgeverskosten. Meer dan de helft van de werkgevers die wel probeert de kosten te delen, betaalt echter meer dan de helft van de kosten voor kinderopvang, wanneer de werkgever van de partner niet bereid is mee te betalen. Tabel 3.8 Toepassing van de 50/50-methode Ja Nee Weet niet Totaal Ongewogen n Werkgever probeert kosten te delen met werkgever partner 54% 35% 11% 100% 858 Werkgever die de methode kent, financiert maximaal 50% van de kosten 34% 57% 8% 100% 522 Uit voorgaande blijkt dat een deel van de bedrijven en instellingen met een kinderopvangregeling niet op de hoogte is van bestaande mogelijkheden op kinderopvanggebied. In onderstaande tabel is te zien dat driekwart van de werkgevers ook niet op de hoogte zijn van de invoering van de WBK. Van degene die wel op de hoogte zijn, kent bijna een derde (ongeveer) de inhoud. De overigen zijn dus alleen op de hoogte van de naam van de wet, maar weten niet aan te geven waar de wet over gaat. Tabel 3.9 De Wet basisvoorziening kinderopvang Ja Nee Totaal Ongewogen n Op de hoogte van invoering 27% 73% 100% 918 Kent (ongeveer) de inhoud 31% 69% 100% Stellingen In de vragenlijst is de werkgevers een aantal stellingen voorgelegd. In tabel 3.10 is opgenomen in hoeverre werkgevers in Nederland die hebben aangegeven een kinderopvangregeling aan te bieden het met deze stellingen eens waren. Bijna acht op de tien werkgevers vindt dat de kosten van kinderopvang zich terug betalen. Toch kost het aanbieden van een kinderopvangregeling de bedrijven en instellingen veel moeite, want bijna de helft werkgevers met een kinderopvangregeling geven aan meer ondersteuning te willen op dit terrein. Driekwart geeft aan hulp te willen bij de invoering van de WBK. Tabel 3.10 Stellingen werkgevers met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling De kosten van kinderopvang betalen zich terug, omdat het leidt tot behoud van mensen voor de organisatie. Werkgevers hebben behoefte aan meer ondersteuning op het terrein van kinderopvang Werkgevers hebben behoefte aan ondersteuning bij de veranderingen als gevolg van de komende Wet basisvoorziening kinderopvang (Geheel) mee eens Neutraal Geheel mee Oneens Weet niet/ geen antwoord Ongewogen n 78% 8% 13% 1% % 18% 29% 2% % 5% 12% 9%

31 3.7 Trends en ontwikkelingen Hier volgt een vergelijking met de 0-meting. Hierbij is de categorie werkgevers met minder dan tien werknemers uit de 1-meting weggelaten 1. Motivatie Bij de 0-meting blijkt de voornaamste reden van werkgevers buiten de overheid voor het instellen van een kinderopvangregeling, dat dit als verplichting is vastgelegd in de CAO; 45% noemt dit. Deze reden komt bij de overheid bijna niet voor; hier geeft slechts 4% dit antwoord als reden op. Het verplichtende karakter komt in de 1-meting op een tweede plaats. Het lijkt erop dat werkgevers zich anno 2001 meer bewust zijn van het vasthouden van werknemers door het bieden van een goede kinderopvangregeling. In de 1-meting is dit de meest genoemde reden voor het instellen van een kinderopvangregeling. Inhoud en uitvoering Doordat de onderzoeksvragen in de 1-meting licht zijn gewijzigd ten opzichte van de onderzoeksvragen in de 0-meting is de inhoud van de kinderopvangregeling bij bedrijven en instellingen lastig te vergelijken. Wel is te zeggen dat doelgroepenbeleid begin 2001 even vaak voorkwam als eind 2001, bij ongeveer één op de tien werkgevers. Uit de 0-meting bleek 40% van de werkgevers een leeftijdsgrens aan de leeftijd van kinderen te stellen tot 4 jaar. In onderhavig onderzoek is dat ongeveer 30%. Op dit gebied lijken bedrijven en instellingen soepeler te zijn geworden. Het aantal dagdelen waar werknemers gebruik van mogen maken, is wel vaker beperkt in de 1-meting. Begin 2001 werd het aantal dagdelen door 30% van de werkgevers bij overheden en 15% van de werkgevers bij niet-overheden als beperking genoemd. Nu stelt 38% van alle bedrijven en instellingen met meer dan tien werknemers met een kinderopvangregeling dit als beperking. Wat betreft de uitvoering van de regeling blijkt dat zowel in de 0-meting als in de 1-meting werkgevers het vaakst een bemiddelingsorganisatie in de arm nemen om de regeling uit te voeren. Kort daarop volgt in beide metingen een bijdrage van de werkgever aan de werknemer. Financiële vormgeving De werkgevers met meer dan tien werknemers gaven ook in de 0-meting nagenoeg zonder uitzondering aan dat van ouders een bijdrage wordt verwacht voor de opvang van hun kinderen. In de eerste meting gaf bij de overheden 97% van de werkgevers aan dat ouders een bijdrage moesten betalen. Werkgevers buiten de overheid lieten ouders in 91% van de gevallen meebetalen. In de 1-meting geldt voor 90% van de bedrijven en instellingen met meer dan tien werknemers dat werknemers zelf een bijdrage moeten leveren. Het gebruik van de VWS-adviestabel voor het vaststellen van de ouderbijdrage lijkt niet te zijn toegenomen. In de 0-meting bleek dat deze tabel binnen de overheid vaker werd gebruikt dan er buiten. Begin 2001 hanteerde 82% van de overheidswerkgevers de tabel volledig, tegen 47% van de werkgevers buiten de overheid. Bij de overheid hanteerde 4% de tabel in aangepaste vorm tegen 15% bij de overige werkgevers. Bij de 1-meting hanteert 59% van de werkgevers met meer dan tien werknemers de VWS-tabel, waarvan bijna allemaal volledig. 1 Een vergelijking op de onderwerpen van dit hoofdstuk is niet mogelijk omdat niet bekend is hoeveel werkgevers in het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie vertegenwoordigd zijn. 31

32 Bekendheid regelingen In de 0-meting bleken meer bedrijven en instellingen bekend met de WVA-aftrek dan in de 1- meting. Het is niet aannemelijk dat de bekendheid van de regeling is gedaald. Aangezien deze vraag in de 1-meting door een groter aantal werkgevers is beantwoord, geeft deze het meest betrouwbare beeld. De WVA-aftrek is echter in beide metingen bij een grote meerderheid van de werkgevers met meer dan tien personeelsleden bekend. In de 0-meting bleek dat de afdrachtvermindering bij bijna alle werkgevers zowel binnen als buiten de overheid bekend was, en dat men deze ook bijna unaniem toepaste. Eind 2001 geeft 82% van de werkgevers aan bekend te zijn met de WVAaftrek, 78% past hem toe. In onderstaande tabel is verder te zien dat de toepassing van de 50/ 50-methode gelijk is gebleven. Ook lijkt het toepassen van de regeling als de werkgever van de partner niet meebetaalt, ongeveer gelijk gebleven het afgelopen jaar. Tabel 3.11 Bekendheid en toepassing van regelingen rond kinderopvang 0-meting Werkgevers niet-overheid n 0-meting Werkgevers overheid n 1-meting WVA-aftrek Bekend 92% % 73 82% 858 Toegepast 95% % 69 78% /50-methode Bekend 55% % 72 58% 858 Betaalt maximaal 50% van de kosten 46% 68 25% 36 38% 522 n 32

33 4 Werkgevers met naar eigen zeggen geen kinderopvangregeling Driekwart van de Nederlandse bedrijven en instellingen (76%) geeft aan niet in een kinderopvangregeling te faciliteren. Dit zijn voornamelijk werkgevers met minder dan 50 werknemers in dienst. Ook zijn zij meer dan gemiddeld vertegenwoordigd in sectoren met traditionele mannenberoepen, zoals de landbouw en de industrie. In dit hoofdstuk komen de motieven voor het ontbreken van een kinderopvangregeling aan de orde. Ook worden toekomstplannen omtrent een kinderopvangregeling en bekendheid met regelgeving op dit gebied besproken. Tot slot komen, net als in het voorgaand hoofdstuk, de trends en ontwikkelingen bij deze werkgevers zonder kinderopvangregeling aan de orde. 4.1 Motieven van het ontbreken van een kinderopvangregeling De meest genoemde motivatie van organisaties voor het niet instellen van een kinderopvangregeling voor hun personeel, is dat werknemers er geen behoefte aan hebben. Dit is volgens 80% van de werkgevers die zeggen geen kinderopvangregeling te hebben het geval. Volgens het merendeel van deze werkgevers is er geen behoefte aan een regeling, omdat werknemers geen kinderen hebben. Toch zegt ook 30% van de bedrijven en instellingen dat werknemers geen behoefte hebben aan een kinderopvangregeling, ondanks dat er werknemers met kinderen in dienst zijn. Een mogelijke verklaring voor het beeld van werkgevers van de kinderopvangbehoefte is dat het veelal gaat om bedrijven in sectoren met van oudsher mannenberoepen. Kinderopvang kan dan als een verantwoordelijkheid van de vrouw worden gezien. 9% van alle bedrijven en instellingen noemt expliciet als reden voor het niet hebben van een regeling, dat er weinig of geen vrouwelijk werknemers zijn. Tabel 4.1 Reden voor het niet hebben van een kinderopvangregeling % Geen behoefte bij werknemers; hebben geen kinderen 50% Geen behoefte aan bij werknemers, ondanks kinderen 30% Weinig - geen vrouwelijke werknemers 9% Is niet in de CAO geregeld 6% Kinderopvang is geen taak van de werkgever 5% Te duur voor het bedrijf 4% De organisatie is te klein 2% Weet niet/geen antwoord 4% Anders 7% Ongewogen n 776 Telt niet op tot 100%: meerdere antwoorden mogelijk. 33

34 De vraag is natuurlijk in hoeverre werknemers daadwerkelijk geen behoefte hebben aan een kinderopvangregeling. Onderhavig onderzoek is gericht op werkgevers, er zijn geen gesprekken geweest met de werknemers van deze bedrijven en instellingen. Wel is gevraagd of de werkgever zijn beeld gestaafd heeft aan de hand van een intern onderzoek. 15% van de werkgevers heeft ooit de behoefte aan een kinderopvangregeling gepeild onder het personeel. De overige werkgevers hebben hun beeld niet direct getoetst bij de werknemers. In tabel 4.2 zijn de uitkomsten van deze onderzoeken opgenomen. Hieruit blijkt dat in 43% van de gevallen daadwerkelijk geen behoefte was aan een regeling voor de opvang van kinderen. 44% van het personeel gaf aan wel een kinderopvangregeling te willen. In 16% van de organisaties bleek er zelfs een grote behoefte te zijn aan de regeling voor kinderopvang. Tabel 4.2 Uitkomst bedrijfsonderzoeken naar behoefte personeel aan kinderopvangregeling % Grote behoefte bij werknemers 16% Redelijke behoefte bij werknemers 16% Geringe behoefte bij werknemers 12% Geen behoefte bij werknemers 43% Weet niet/geen antwoord 12% Anders 1% Totaal 100% Ongewogen n 234 Verreweg het merendeel van deze onderzoeken (90%) heeft in de afgelopen twee jaar plaatsgevonden, 56% zelfs in het afgelopen 6 maanden. We kunnen er dus van uitgaan dat de gegevens actueel zijn. Hieruit blijkt ook dat kinderopvang een actueel thema is in het bedrijfsleven en de non-profitsector in Nederland. Aan de bedrijven en instellingen die geen behoeftepeiling onder het personeel hebben uitgevoerd, is gevraagd of werknemers zelf hebben aangegeven een kinderopvangregeling te willen binnen het bedrijf. 87% van de werkgevers zegt dat dat niet het geval is. 11% van de werkgevers zegt dat werknemers dat nadrukkelijk wel hebben gedaan. Bij alle werkgevers die op dit moment aangeven geen kinderopvangregeling te hebben, zegt 41% een regeling aan te bieden wanneer werknemers aangeven dat te willen. Hier ligt dus een mogelijkheid wanneer het personeel zich duidelijk manifesteert. Toch is ook 36% van de bedrijven en instellingen in Nederland die geen kinderopvangregeling zeggen te hebben niet van plan deze in te voeren op verzoek van het personeel. Bijna een kwart van de werkgevers kan niet antwoorden op deze vraag. 34

35 4.2 Toekomstplannen Verreweg de meerderheid van de werkgevers zonder kinderopvangregeling (89%) heeft geen plannen om een regeling op te zetten. Werkgevers met meer dan 100 werknemers hebben vaker plannen dan kleine ondernemingen, maar het gaat om een minderheid. Aan de werkgevers die op dit moment aangeven geen kinderopvangregeling aanbieden, is gevraagd onder welke condities zij dat wel zouden doen. In tabel 4.3 zijn de voorwaarden opgenomen die zij noemden. Een meerderheid zegt dat het personeel moet aangeven behoefte te hebben aan een kinderopvangregeling. Meer dan eenvijfde van de werkgevers zegt echter dat een kinderopvangregeling überhaupt niet aan de orde komt. Tabel 4.3 Voorwaarden voor het instellen van een kinderopvangregeling % Als werknemers aangeven dat ze daar behoefte aan hebben 58% Dat zal niet gebeuren 21% Indien het personeelsbestand fors groeit 8% Om nieuw personeel aan te trekken 5% Het is als verplichting vastgelegd in de CAO 4% Vasthouden van huidige personeel 3% Als financiering gunstiger is 3% Voor het behoud van vrouwen binnen het bedrijf 1% Voor de doorstroming van vrouwen binnen het bedrijf 0% Weet niet/geen ant woord 5% Anders 5% Ongewogen n 949 Telt niet op tot 100%: meerdere antwoorden mogelijk. Een kleine minderheid van de organisaties (7%) heeft wel plannen om een kinderopvangregeling in te stellen. De meest genoemde motivatie is dat werknemers aangeven graag een regeling te willen. Personeel vasthouden en nieuw personeel aantrekken volgen als motivaties voor het instellen van een kinderopvangregeling. Bij drie op de tien van deze werkgevers mag verwacht worden dat de plannen binnen een half jaar omgezet zijn in een de regeling. Bij de rest duurt het of langer (50%), of is het geheel niet duidelijk wanneer de regeling in werking treedt (20%). Een meerderheid de werkgevers heeft nog geen idee op welke wijze de kinderopvang vorm wordt gegeven in de toekomst. Ongeveer eenderde van de werkgevers weet ongeveer of al volledig hoe de regeling voor opvang van kinderen van werknemers er uit gaat zien. Aan deze groep is gevraagd wat de plannen zijn 1. Een greep uit de uitwerking van de toekomstige kinderopvangregelingen: de meerderheid wil alle categorieën werknemers toelaten tot de regeling. Ook geeft het merendeel van de werkgevers er de voorkeur aan de VWS-adviestabel te gaan hanteren, en de 50/50-methode toe te passen. 1 Het gaat om een zeer klein deel van de werkgevers dat deze toekomstplannen al heeft uitgewerkt. De aantallen zijn te klein om significant te verschillen. Daarom worden hier geen percentages genoemd. 35

36 4.3 Bekendheid regelingen In paragraaf 3.5 is aan de orde geweest dat er regelingen zijn omtrent kinderopvang waar werkgevers in Nederland gebruik van kunnen maken. De WVA-aftrek en 50/50-methode zijn daar voorbeelden van. Ook bij de vormgeving van een kinderopvangregeling bestaan regelingen die voor werkgevers gunstig kunnen zijn, zoals de VWS-adviestabel en de mogelijkheid om een ouderbijdrage te vragen. De nieuw in te voeren WBK geldt als een groter wettelijk kader van de bedrijfskinderopvang in Nederland. Werkgevers die aangeven geen kinderopvangregeling te kennen, blijken niet goed op de hoogte van deze mogelijkheden op het gebied van kinderopvang. De bekendheid van de VWSadviestabel scoort het slechtst, deze is bij 15% van de werkgevers zonder kinderopvangregeling bekend. Maar ook andere maatregelen zijn steeds bij een meerderheid van deze bedrijven en instellingen niet bekend. De ouderbijdrage is het meest bekend bij bedrijven en instellingen die op dit moment geen kinderopvangregeling zeggen te hebben. Dit is te zien in tabel 4.4. Tabel 4.4 Bekendheid regelingen rond kinderopvang Ja Nee Totaal Ongewogen n VWS-adviestabel 15% 85% 100% /50-methode 23% 77% 100% 1090 WVA-aftrek 30% 70% 100% 1090 Afname vennootschapsbelasting 38% 62% 100% 1090 Mogelijkheid ouderbijdrage 46% 54% 100% 1090 Voor alle regelingen geldt dat het MKB minder goed op de hoogte is dan grote werkgevers. Bekendheid met de genoemde maatregelen zouden voor een kwart van de bedrijven en instellingen leiden tot meer interesse voor het instellen van een kinderopvangregeling. 56% van de werkgevers zegt echter dat meer kennis op het gebied van regelingen geen invloed zou hebben hun gedrag op het terrein van kinderopvangregelingen. De overige bedrijven (18%) weet dat niet. Kleine werkgevers zeggen vaker dan grote werkgevers dat bekendheid met een regeling niet zal leiden tot meer interesse voor een kinderopvangregeling. De vraag is dan ook of een toename van kennis op dit terrein zal leiden tot het meer aanbieden van kinderopvangregelingen in het MKB. In tabel 4.5 is te zien dat 86% van de bedrijven en instelling die op dit moment geen kinderopvangregeling zeggen te hebben, niet op de hoogte is van de invoering van de WBK. Van degene die wel op de hoogte zijn, kent bijna een derde de (ongeveer) de inhoud. Dat is 4% van het totale aantal werkgevers zonder kinderopvangregeling. De overigen zijn dus alleen op de hoogte van de naam van de wet, maar weten niet aan te geven waar het over gaat. Tabel 4.5 Kennis van de Wet basisvoorziening kinderopvang Ja Nee Totaal Ongewogen n Op de hoogte van invoering van de wet 14% 86% 100% 1090 Kent (ongeveer) de inhoud van de wet 32% 68% 100%

37 4.4 Stellingen In de vragenlijst is ook aan de werkgevers een aantal stellingen voorgelegd. In onderstaande tabel is te zien in hoeverre bedrijven en instellingen in Nederland met naar eigen zeggen geen kinderopvangregeling het met deze stellingen eens zijn. Opvallend is dat een meerderheid van de werkgevers die geen kinderopvangregeling aanbiedt, denkt dat de kosten van kinderopvang zich terug betalen. Toch is dit blijkbaar geen reden om als bedrijf te voorzien in een kinderopvangregeling. Veel werkgevers zonder kinderopvangregeling geven aan meer ondersteuning te willen op het terrein van kinderopvang. Ook bij de invoering van de WBK geeft een meerderheid van de organisaties in Nederland behoefte te hebben aan ondersteuning. Eerder bleek ook een groot deel van de werkgevers die aangeven geen kinderopvangregeling te kennen, niet op de hoogte van de invoering van deze wet. Ook hier geeft eenvijfde aan niet te weten of ondersteuning noodzakelijk is. Tabel 4.6 Stellingen werkgevers met naar eigen zeggen geen kinderopvangregeling De kosten van kinderopvang betalen zich terug, omdat het leidt tot behoud van mensen voor de organisatie. Werkgevers hebben behoefte aan meer ondersteuning op het terrein van kinderopvang Werkgevers hebben behoefte aan ondersteuning bij de veranderingen als gevolg van de komende Wet basisvoorziening kinderopvang (Geheel) mee eens Neutraal Geheel mee oneens Weet niet/ geen antwoord Ongewogen n 71% 12% 14% 2% % 19% 21% 4% % 18% 7% 19% Trends en ontwikkelingen Motivatie ontbreken kinderopvangregeling In de 0-meting gaven werkgevers zonder kinderopvangregeling iets vaker dan nu als reden voor het ontbreken van een kinderopvangregeling aan dat werknemers er geen behoefte aan hadden (80% tegen 75%). Toen was het echter net als nu de meest genoemde reden. In beide metingen is de meest genoemde omstandigheid waaronder wél zou worden overwogen een kinderopvangregeling te treffen, wanneer werknemers daar behoefte aan hebben. Het aantal werkgevers dat zegt dat sowieso geen kinderopvangregeling wordt ingesteld, is afgenomen van 30% naar 10%. Toekomstplannen Het aantal werkgevers dat aangeeft plannen te hebben om een kinderopvangregeling in het leven te roepen, is ongeveer gelijk gebleven met 11% in de 0-meting en 10% in de 1-meting. 37

38 Bekendheid regelingen De bekendheid met regelingen rond kinderopvang, is niet sterk veranderd het afgelopen jaar. De VWS-adviestabel is nog steeds bij ongeveer eenvijfde van de werkgevers zonder kinderopvangregeling bekend. Alleen de mogelijkheid om inkomensafhankelijk ouderbijdrage te vragen heeft terrein gewonnen qua bekendheid. Dit is te zien in onderstaande tabel. Tabel 4.7 Bekendheid regelingen en VWS-adviestabel 0-meting Ongewogen n 1-meting Ongewogen n Afdrachtvermindering 39% % 463 Afname vennootschapsbelasting 43% % 473 Kosten delen met werkgever partner 28% % 359 Inkomensafhankelijke bijdrage ouder 38% % 597 VWS-adviestabel 22% % 167 Aan degenen die een of meer van de fiscale mogelijkheden niet kende, is gevraagd of deze mogelijkheden zouden leiden tot meer interesse in kinderopvang. Voor 29% van de respondenten in de 0-meting was dat inderdaad het geval. Dat is ongeveer gelijk aan het percentage wat in de 1- meting is gevonden (31%). 38

39 Bijlage 1 Leden van de Klankbordgroep 39

40 40

41 1-meting Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie AV, Jos Huber Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie AV, Jolanda Bachrach Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Directie O&O, Myra Keizer Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Anke Muusse Kintent, Nico Bot MKB-Nederland, Karen Kuiper FNV, Margreet Schuit VNO-CNW, Loes Hoogstraten SER, Jan-Maarten Hamaker 41

42 42

43 Bijlage 2 0-meting werkgeversbijdragen kinderopvang 43

44 44

45 1.1 Inleiding Tussen december 1999 en april 2001 heeft Research voor Beleid een onderzoek uitgevoerd naar de ouderbijdragensystematiek in de kinderopvang. Alle belanghebbende partijen zijn in dit onderzoek aan de tand gevoeld. Naast gemeenten, kinderopvanginstellingen, gebruikers en nietgebruikers zijn werkgevers onderzocht. Voorkomen en vormgeving van kinderopvangregeling alsmede redenen om juist geen kinderopvang voor de werknemers te regelen waren onderwerpen van dit onderzoek. Begin 2001 heeft de dataverzameling van het werkgeversdeel plaatsgevonden. Het is te beschouwen als de nulmeting van het huidige onderzoek. In deze bijlage behandelen we de nulmeting. De nulmeting bestond uit twee aparte enquêtes. Één onder werkgevers binnen de overheid en één onder de overige werkgevers. Beide enquêtes zijn afgenomen onder organisaties met meer dan 10 werknemers. Voor de twee groepen zijn aparte vragenlijsten ontwikkeld voor werkgevers met en werkgevers zonder kinderopvangregeling. Op een aantal plaatsen in de bijlage is gekozen voor een gescheiden weergave van de resultaten van de overheden en overige werkgevers. De respons bij de werkgevers binnen de overheid was 49% en bij de overige werkgevers 53%. De belangrijkste conclusies zijn de volgende: 34% van de werkgevers met meer dan 10 werknemers biedt naar eigen zeggen een kinderopvangregeling aan. Grotere werkgevers bieden vaker kinderopvangregelingen aan dan kleine werkgevers, binnen de overheid en overige dienstverlening komt het vaker voor dan in de overige bedrijfstakken. 11% van de werkgevers die zegt nog geen kinderopvangregeling aan te bieden overweegt dat wel te doen. Ook hier geldt dat grotere werkgevers vaker plannen hebben dan kleine werkgevers De voornaamste reden om geen kinderopvangregeling aan te bieden is volgens de werkgevers dat de werknemers geen behoefte aan kinderopvang hebben. Leeswijzer In de eerste plaats is inzicht gegeven in de hoeveelheid werkgevers die een kinderopvangregeling hebben. 1 In paragraaf 1.2 geven wij hierover uitsluitsel. Gekeken is welk deel van de werkgevers kinderopvang aanbiedt, en bij welke type werkgevers een kinderopvangregeling meer dan wel minder voorkomt. Deze resultaten zijn uitgesplitst naar bedrijfstak en bedrijfsgrootte en bij de overheden naar grootte van de gemeenten. In paragraaf 1.3 komen dan de werkgevers aan bod die geen kinderopvangregeling hebben. Waarom hebben deze werkgevers geen regeling en onder welke voorwaarden zouden zij dat alsnog wel doen? Hoe worden de kinderen bij deze werkgevers opgevangen? In hoeverre zijn de financiële stimuleringsmaatregelen bij deze groep bekend? In paragraaf 1.4 tot en met 1.6 zijn de werkgevers met kinderopvangregeling aan de beurt. In 1.4 beschrijven we de wijze waarop de kinderopvangregeling binnen werkgevers is vormgegeven. Steeds wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen de overheid als werkgever en de overige werkgevers. 1 Dat kunnen plaatsen zijn die de werkgever zelf aanbiedt of plaatsen zijn die door de werkgever worden gefinancierd. 45

46 De vragen die we in deze paragraaf beantwoorden zijn onder meer de volgende: Waarom heeft men een kinderopvangregeling en op welke wijze wordt deze regeling uitgevoerd? Welke vormen van kinderopvang vallen onder de regeling en zijn er voorwaarden aan de regeling verbonden? Op welke wijze wordt de kinderopvangregeling uitgevoerd? Wat is het budget voor kinderopvang en hoe staat het hier met de bekendheid van de fiscale mogelijkheden ten aanzien van kinderopvang? In paragraaf 1.5 gaan wij in op de wijze waarop de VWS-adviestabel binnen de werkgevers wordt toegepast. De mening over de huidige en toekomstige systematiek behandelen wij in paragraaf Achtergrondkenmerken werkgevers met naar eigen zeggen met en zonder kinderopvangregeling In deze paragraaf beschrijven we de achtergrondkenmerken van de werkgevers in de 0-meting van het onderzoek. Van de onderzochte werkgevers met meer dan 10 werknemers heeft minder dan de helft naar eigen zeggen een kinderopvangregeling. 34% heeft een kinderopvangregeling, 66% niet. Tabel B2.1 Werkgevers met naar eigen zeggen met en zonder kinderopvangregeling? 1 % Ja 34% Nee 66% Totaal (n=2252) 100% Het percentage bedrijven en instellingen met een kinderopvangregeling is niet binnen elke bedrijfstak even groot. Uit tabel B1.2 blijken grote verschillen. Binnen het openbaar bestuur en de overige dienstverlening is in omstreeks 70% van de onderzochte bedrijven een kinderopvangregeling aanwezig. Binnen de bouw, de handel/ horeca en het vervoerswezen ligt het percentage in de buurt van de 30%. Door weging van de resultaten voor de verschillende bedrijfstakken is het totale percentage bepaald. De percentages van de overheden en overige werkgevers wegen we naar de grootte van de bedrijfstakken en naar de bedrijfsgrootte. De steekproef was gestratificeerd naar grootte getrokken. De landbouwsector is uitgesloten omdat in ons onderzoek maar één bedrijf uit deze sector deel heeft genomen. 1 In een conceptversie van het rapport van het onderzoek zijn onjuiste gegevens terechtgekomen. Door een foutieve weegprocedure is het percentage werkgevers met kinderopvangregeling toen overschat. 46

47 Tabel B2.2 Werkgevers met naar eigen zeggen met en zonder kinderopvangregeling, naar sector Met kinderopvangregelinopvangregeling Zonder kinder- n Landbouw 0% 100% 1 Industrie, delfstofwinning 43% 57% 322 Openbare voorzieningswerkgevers 100% 0% 12 Bouwnijverheid 35% 65% 166 Handel, horeca, reparatie, cons.artikelen 30% 70% 369 Vervoer, opslag, communicatie 29% 71% 150 Financiële instellingen, verhuur, zakelijke dienstverlening 39% 61% 308 Openbaar bestuur 79% 21% 181 Sociale verzekeringen en onderwijs 51% 49% 173 Overige dienstverlening (zorg, cultuur, recreatie) 68% 32% 322 Totaal 34% 66% 2252 Te verwachten is dat naarmate een organisatie groter is, deze vaker een kinderopvangregeling zal aanbieden. Dat blijkt ook uit de gegevens. Van de werkgevers met meer dan 250 werknemers geeft 79% aan een kinderopvangregeling te hebben tegen 29% voor de werkgevers met tussen de 10 en de 49 werknemers. Tabel B2.3 Werkgevers met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling, naar grootteklasse % n werknemers 29% werknemers 44% werknemers 59% en meer werknemers 79% 267 Zoals uit tabel B2.2 blijkt heeft 79% van de onderzochte overheidsorganisaties een regeling voor kinderopvang. Bij de gemeentes is dat 78% en bij de zelfstandige bestuursorganen ook. De acht onderzochte provincies en ministeries hebben allen een kinderopvangregeling, maar omdat het er maar acht zijn, is het niet mogelijk deze resultaten te generaliseren. Tegelijkertijd valt aan te nemen dat ministeries en provincies allen een kinderopvangregeling hebben. Het gaat hierbij namelijk om grote overheidsorganisaties. Bij de gemeenten hebben alle gemeenten met meer dan inwoners een kinderopvangregeling, bij de gemeenten kleiner dan is dat 64%. Concluderend kunnen we stellen dat minder dan de helft van de werkgevers met meer dan 10 werknemers naar eigen zeggen een kinderopvangregeling heeft. Vooral kleinere werkgevers (met tussen de 10 en de 49 werknemers) en werkgevers in de takken horeca/ handel en vervoer/ communicatie ontberen zo n regeling. Binnen de overheid heeft bijna 80% een regeling voor kinderopvang. De onderzochte ministeries en provincies alsmede de grotere gemeenten (met meer dan inwoners) hebben allen een kinderopvangregeling. 47

48 1.3 Werkgevers zonder kinderopvangregeling In deze paragraaf gaan we in op de werkgevers met meer dan 10 werknemers die aangeven (nog) geen kinderopvangregeling aanbieden aan hun werknemers. We behandelen daarbij achtereenvolgens de volgende vragen: Waarom is er geen kinderopvangregeling en onder welke voorwaarden zou men dit wel doen? Op welke wijze worden kinderen binnen deze werkgevers dan opgevangen? In hoeverre zijn een aantal voor de werkgever aantrekkelijke fiscale regelingen bekend, alsmede de VWS-adviestabel? Bestaan er plannen om binnen de werkgevers alsnog een kinderopvangregeling op te zetten en zo ja, hoe gaat deze er dan uit zien? Motivatie ontbreken kinderopvangreling Er blijkt uit het onderzoek een duidelijke reden te zijn, waarom men geen kinderopvangregeling aanbiedt: er is volgens de werkgevers geen behoefte aan bij de werknemers. Maar liefst 73% van de werkgevers in de 0-meting noemt dit als reden (zie tabel B2.4). Tabel B2.4 Motivatie ontbreken kinderopvangregeling? (meerdere antwoorden mogelijk) % Geen behoefte aan bij werknemers 73% Te duur voor de werkgever 3% Weinig - geen vrouwelijke werknemers 2% Kinderopvang is geen taak van de werkgever 2% Is onrechtvaardig omdat niet alle werknemers er gebruik van kunnen maken 0% De kinderopvang is geregeld door een CAO-fonds 1 0% Anders 21% Ongewogen n 835 Dit gegeven blijkt ook uit de voorwaarden waaronder men wel kinderopvang zou aanbieden. 57% zegt namelijk dat dat zal gebeuren indien de werknemers er behoefte aan hebben. De overige redenen worden steeds door minder dan 10% van de respondenten genoemd (zie tabel B2.5). Tabel B2.5 Voorwaarden voor het instellen van een kinderopvangregeling (meerdere antwoorden mogelijk) % Als werknemers aangeven daar behoefte aan te hebben 57% Dat zal niet gebeuren 30% Als er sprake is van een personeelstekort 7% Bij een te grote uitstroom van werknemers 3% Voor behoud vrouwen binnen het bedrijf 2% Om de betrokkenheid van de medewerkers te vergroten 2% Om het imago van het bedrijf te verbeteren 1% Voor doorstroming vrouwen binnen het bedrijf 1% Anders 15% Ongewogen n Deze werkgevers bieden wel degelijk kinderopvang aan, maar zijn blijkbaar in de veronderstelling dat dit niet het geval is. 48

49 Een ander feit dat indiceert dat de behoefte van de werknemers voor werkgevers doorslaggevend is, is het volgende. 18% van de respondenten in de 0-meting geeft aan dat zij plannen hebben om een kinderopvangregeling in het leven te roepen. Van deze 18% zegt de helft (53%) dat de werknemers zeggen behoefte te hebben aan een dergelijke regeling. Bij de werkgevers die geen plannen hebben willen de werknemers maar in 3% van de gevallen een regeling. 1 Voor een aantal grotere werkgevers spelen hiernaast de kosten een rol. Van de werkgevers met meer dan 250 werknemers geeft 54% aan dat de kosten een (zeer) belangrijke rol spelen in de overweging om geen kinderopvangregeling te nemen. 2 Bij alle respondenten tezamen is dat 31%, zie tabel B2.6. Tabel B2.6 Werkgevers dat kosten zeer belangrijk vindt in de overweging geen kinderopvang ter beschikking te stellen, naar grootteklasse % n werknemers 28% werknemers 45% werknemers 36% en meer werknemers 57% 35 Alle respondenten 31% 652 Hoe worden kinderen dan opgevangen? Het blijkt dat de kinderen volgens de werkgevers meestal door de partner of door de overige familie van de werknemer worden opgevangen. Deze mogelijkheden noemen respectievelijk 40% en 30% van de respondenten. 23% van de werkgevers noemt particulier gefinancierde kinderopvangplaatsen en 5% gesubsidieerde plaatsen in de kinderopvang (zie tabel B2.7). Tabel B2.7 Wijze opvang kinderen van werknemers bij een organisatie zonder kinderopvangregeling (meerdere antwoorden mogelijk) % Kind wordt opgevangen door partner werknemer 40% Kind wordt opgevangen door familie/ bekenden 29% Particuliere plaats in de kinderopvang 23% Werknemer vangt zelf kind op 20% Privé-oppas 10% Regeling via werk partner 6% Gesubsidieerde plaats in de kinderopvang 5% Gastouderschap 3% Uitwisseling met andere ouders 1% Anders 7% Ongewogen n Let wel: het gaat hier steeds om de perceptie van de werkgever. In het onderzoek is niet gecontroleerd of deze ook immer strookt met de werkelijk gang van zaken op de werkvloer. 2 Het gaat hier om een expliciet gestelde vraag naar het belang van de kosten. In de twee eerdere tabellen kon de respondent spontaan redenen noemen. 49

50 Bekendheid fiscale regelingen en VWS-adviestabel Er zijn voor werkgevers een aantal gunstige fiscale mogelijkheden op het gebied van kinderopvang. Deze kunnen de interesse in het instellen van een regeling voor kinderopvang verhogen. Het is in eerste instantie van belang om te zien in hoeverre deze mogelijkheden bekend zijn. Ook de bekendheid van de VWS-adviestabel is gepeild. Naar de bekendheid van de volgende vier regelingen is in het onderzoek gevraagd: 1. De mogelijkheid om 30% van de netto kosten voor kinderopvang af te trekken van de afdracht loonheffing (afdrachtvermindering) 2. De mogelijkheid de kosten voor kinderopvang als bedrijfskosten in mindering te brengen op het bedrijfsresultaat (afname vennootschapsbelasting) 3. De mogelijkheid om de netto werkgeverskosten voor kinderopvang te delen met de werkgever van de eventuele partner van de werknemers (de 50/50-methode) 4. De mogelijkheid de ouder een inkomensafhankelijke bijdrage te laten betalen voor de kinderopvang (inkomensafhankelijke bijdrage ouder) De minst bekende regeling is de mogelijkheid tot het delen van de netto kosten met de werkgever van de partner, deze kent 28% van de respondenten. Ook de andere regelingen blijven echter steken onder de 50% bekendheid. De adviestabel van het ministerie is bij nog geen kwart van de respondenten bekend, zo blijkt uit tabel B2.8. Tabel B2.8 Bekendheid regelingen en VWS-adviestabel % n Afdrachtvermindering 39% 870 Afname vennootschapsbelasting 43% /50-methode 28% 868 Inkomensafhankelijke bijdrage ouder 38% 866 VWS-adviestabel 22% 863 Meer bekendheid van de fiscale regelingen bij een deel van de respondenten kan de animo verhogen om zelf een kinderopvangregeling in te stellen. Aan degenen die een of meer van de fiscale mogelijkheden niet kende (het gaat hier om 83% van de respondenten) is gevraagd of deze mogelijkheden zouden leiden tot meer interesse in kinderopvang. Voor 29% (n=532) van deze respondenten is dat inderdaad het geval. Dat is een indicatie dat voorlichting over de bovengenoemde fiscale regelingen zal leiden tot meer belangstelling voor kinderopvang bij de werkgevers. Alsnog een kinderopvangregeling 11% van de respondenten die op dit moment aangeeft geen kinderopvangregeling te kennen, is alsnog van plan om een kinderopvangregeling in te stellen. Dit zijn vooral de grotere werkgevers, met meer dan 100 werknemers. Hiervan heeft een kleine 40% plannen, zie tabel B2.9. Grotere werkgevers bieden nu al vaker een kinderopvangregeling aan; dat verschil zal dus in de toekomst groter worden. 50

51 Tabel B2.9 Werkgevers met plannen voor het treffen van een kinderopvangregeling, naar grootteklasse % n werknemers 9% werknemers 19% werknemers 36% en meer werknemers 39% 39 Alle respondenten 11% 814 Bij iets meer dan de helft van de respondenten (52%, zie tabel B2.10) zal de toekomstige kinderopvangregeling bestaan uit een bijdrage aan de kosten van de werknemer. 15% zal een aantal kindplaatsen huren, waarbij de voorkeur uitgaat naar het betalen voor de gebruikte opvang in plaats van het huren van een vast aantal kindplaatsen. Tabel B2.10 Praktische vormgeving toekomstige kinderopvangregeling % Bijdrage aan kosten werknemer 52% Huren van kindplaatsen, waarbij alleen betaald wordt voor gebruikte opvang 11% Kinderopvang uitbesteden aan bemiddelingsbureau 9% Bedrijfskinderopvang 9% Huren van vast aantal kindplaatsen 4% Ongewogen n 146 Concluderend: De reden dat de meeste werkgevers met meer dan 10 werknemers geen kinderopvangregeling aanbieden, is omdat er volgens hen geen behoefte aan is bij de werknemers. Indien de werknemers dat wel zouden aangeven, zou dat voor 57% van de werkgevers aanleiding zonder KO-regeling zijn om een kinderopvangregeling in te stellen. De opvang vindt volgens werkgevers zonder kinderopvangregeling nu meestal plaats door de partner of de familie van de werknemer. Ook het particulier financieren van kinderopvang komt bij 23% van de respondenten voor. De regelingen (afdrachtvermindering, inkomensafhankelijke ouderbijdrage, aftrek vermogensbelasting, de 50/50-methode) zijn bij minder dan de helft van de respondenten bekend. Voor bijna 30% van de respondenten die de regelingen op dit moment niet kennen, zou bekendheid leiden tot meer animo voor het instellen van een kinderopvangregeling. 11% van de respondenten is alsnog van zins om een kinderopvangregeling in te stellen. Dit zijn dan vooral de grotere werkgevers. De meeste werkgevers zullen bij deze regeling kiezen voor een bijdrage aan de kosten van de werknemer. 51

52 1.4 Werkgevers met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling In deze paragraaf behandelen we de volgende vragen: Welk gedeelte van de werknemers maakt gebruik van de kinderopvangregeling en welk gedeelte van de totale loonsom wordt hiervoor ingezet? Waarom heeft men een kinderopvangregeling en op welke wijze wordt deze uitgevoerd? Welke vormen van kinderopvang vallen onder de regeling en zijn er aan deelname aan de regeling voorwaarden verbonden? In hoeverre bestaan er binnen de bedrijven wachtlijsten voor kinderopvang? In hoeverre zijn de fiscale regelingen met betrekking tot kinderopvang bekend en wordt er gebruik van gemaakt? We splitsen de resultaten waar relevant uit naar overheden en andere werkgevers. Gebruik en kosten kinderopvangregeling Het deel werknemers dat gebruik maakt van de kinderopvang varieert sterk. Daarmee varieert ook in het deel van de totale loonsom dat voor kinderopvang wordt ingezet. Het gemiddeld percentage werknemers dat gebruik maakt van de kinderopvangregeling is bij de onderzochte werkgevers buiten de overheid 6,4%. Het maximale percentage was 35,0%, het minimum was 0,00%. Daarvoor gebruikten werkgevers buiten de overheid tussen de 0,03% en 0,90% van hun loonsom. Gemiddeld werd 0,32% van de loonsom opgemaakt aan de netto kosten van kinderopvang. Een vergelijkbaar beeld bestaat bij de overheid. Daar werd tussen de 0,00% en 0,99% van de loonsom ingezet voor kinderopvang met een gemiddelde van 0,24%. Ook het deel van de werknemers dat gebruik maakt van de regeling komt overeen. Bij de overheid maakt gemiddeld 5,7% gebruik van de regeling, met een minimum van 0,0% en een maximum van 30,0%. In beide gevallen zijn de percentages van de loonsom hoger dan het percentage van 0,14% dat in de notitie Hoofdlijnen Wet basisvoorziening kinderopvang genoemd is. Dit zou in de nieuwe situatie de gemiddelde bijdrage van de werkgever zijn. Dat betekent dat de werkgevers er in de nieuwe situatie op vooruit gaan. Motivatie en uitvoering kinderopvangregeling Het blijkt dat de voornaamste reden bij werkgevers buiten de overheid met meer dan 10 werknemers om een kinderopvangregeling in te stellen is, dat deze als verplichting is vastgelegd in de CAO: 45% noemt dit. Daarentegen komt deze reden bij de overheid bijna niet voor. Hier geeft slechts 4% van de werkgevers dit als reden. Ook geven werkgevers buiten de overheid vaker aan dat kinderopvang past in een modern personeelsbeleid, 29% tegen 15% binnen de overheid. Bij beide groepen noemt ongeveer een kwart het behoud/ doorstroming van vrouwen binnen de organisatie alsmede het vergroten van de betrokkenheid, motivatie en tevredenheid. 52

53 Tabel B2.11 Reden voor instellen kinderopvangregeling Werkgevers niet-overheid Werkgevers overheid Het is als verplichting vastgelegd in de CAO 45% 4% Kinderopvang past in een modern personeelsbeleid 29% 15% Behoud en doorstroming van vrouwen in het bedrijf 23% 23% Het vergroten van de betrokkenheid, tevredenheid en motivatie 23% 24% Het tegengaan van uitstroom van werknemers 20% 12% Het imago van het bedrijf (op de arbeidsmarkt) 11% 14% Gezien de krapte op de arbeidsmarkt is het noodzakelijk kind 9% 6% Er is sprake van een personeelstekort 5% 4% Ongewogen n Gepercenteerd op aantal respondenten Van de werkgevers in de overheidssector met meer dan 10 werknemers zegt 9% dat de kinderopvangregeling in een CAO is geregeld, bij de werkgevers buiten de overheid is dat 49%. Dit komt overeen met het verschillende percentages werkgevers die het als verplichting hebben vastgelegd in een CAO. Ook de uitvoer van de regeling is buiten de overheid vaker in handen van een CAO-fonds. 14% laat de uitvoer over aan een CAO-fonds tegen 1% binnen de overheid. Door 24% van de overheidsorganisaties en 27% van de werkgevers buiten de overheid voert een bemiddelingsorganisatie de regeling uit. Ook een bijdrage aan de werknemer voor de kosten van de kinderopvang komt bij beiden regelmatig voor: 22% bij de overheid, 29% buiten de overheid. Een groot verschil is dat overheidsorganisaties vaker zelf kindplaatsen huren. 27% zegt dat te doen tegen 7% buiten de overheid, zie tabel B2.12. Tabel B2.12 Wijze van uitvoering van de kinderopvangregeling Werkgevers buiten de overheid Werkgevers overheid Een bijdrage aan de werknemer voor de kosten van kinderopvang 29% 22% Kinderopvangregeling wordt uitgevoerd door een bemiddelingsorganisatie 27% 24% Kinderopvangregeling wordt uitgevoerd door het CAO-fonds/ sectorfonds 14% 1% Het bedrijf huurt zelf kindplaatsen, waarbij alleen wordt betaald wordt voor 7% 27% gebruikte opvang Het bedrijf huurt zelf een vast aantal kindplaatsen 7% 6% Er is een bedrijfskinderopvang opgezet (bedrijfscrèche) 1% 2% Ongewogen n Gepercenteerd op aantal respondenten Vormgeving kinderopvangregeling Bij veruit de meeste werkgevers valt de hele dagopvang onder de regeling, bij de overheden is dit bij 85% van de werkgevers het geval, bij de overige werkgevers bij 83%. Halve dagopvang is bij ongeveer twee derde van de werkgevers deel van de regeling, buitenschoolse opvang, naschoolse opvang en gastouderopvang in iets minder dan de helft van de gevallen. Het enige verschil dat tussen de overheid en de overige werkgevers te constateren is, is dat bij de laatste groep flexibele opvang beduidend vaker voorkomt (15% om 9%). Het ligt voor de hand 53

54 dat dit te maken heeft met het vaker voorkomen van overwerk bij werkgevers buiten de overheid, waardoor men op korte termijn opvang voor de kinderen nodig is. Tabel B2.13 Vormen van kinderopvang onder de regeling Werkgevers buiten de overheid Werkgevers overheid Hele dagopvang 83% 85% Halve dagopvang 61% 73% Buitenschoolse opvang (opvang voor en na schooltijd en tijdens vakanties) 43% 61% Naschoolse opvang (opvang na schooltijd en tijdens vakanties) 39% 49% Buitenschoolse opvang uitsluitend tijdens schoolweken 17% 15% Buitenschoolse opvang uitsluitend tijdens vakantieweken 15% 13% Gastouderopvang 44% 44% Flexibele opvang 15% 9% De mogelijkheid om kinderopvang per uur af te nemen 8% 6% 24-uurs opvang 5% 4% Ongewogen n Gepercenteerd op aantal respondenten Er kunnen verschillende voorwaarden bestaan aan deelname aan de kinderopvang regelingen. Deze kan alleen openstaan voor bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld vrouwen, alleenstaanden of werknemers met een bepaald functie of een vast dienstverband. Ook aan de leeftijd van de op te vangen kinderen, het aantal kinderen per gezin, de duur van de kinderopvang en het aantal afgenomen dagdelen per week kan men voorwaarden stellen. Tabel B2.14 Voorwaarden aan deelname kinderopvangregeling Werkgevers buiten de overheid Werkgevers overheid % n % n Leeftijd kinderen 61% % 420 Aantal dagdelen 30% % 248 Duur 20% % 411 Doelgroep 15% % 455 Aantal kinderen 5% 140 5% 421 Duidelijk is uit tabel B2.14 dat de meeste werkgevers met een kinderopvangregeling ten aanzien van de leeftijd van de kinderen voorwaarden stellen. In 53% van de gevallen zijn de leeftijdsgrenzen 0-13, in 40% van de gevallen 0-4. Deze laatste groep is de groep waarbij geen buiten of naschoolse opvang binnen de regeling valt. Wachtlijsten voor kinderopvang Bij 20% van de werkgevers (overheid en niet-overheid) is er sprake van een wachtlijst voor de kinderopvang. Meestal worden de kinderen op de wachtlijst opgevangen door familie, bekenden of buren ( in 33% van de gevallen) of krijgen zij een particuliere plaats in de kinderopvang (in 31% van de gevallen). Dit komt enigszins overeen met het beeld bij werkgevers zonder kinderopvangregeling. Ook daar werden de opvang door de familie en de particuliere financiering van kinderopvang het vaakst genoemd. 54

55 Bekendheid regelingen met betrekking tot kinderopvang Twee fiscale stimuleringsmaatregelen komen in deze sectie aan de orde. In de eerste plaats beschrijven we de bekendheid en de toepassing van de afdrachtvermindering (de mogelijkheid om 30% van de netto kosten van de kinderopvang af te trekken van de afdracht loonheffing). In de tweede plaats bekijken we de 50/50-methode. Wordt deze door het bedrijf toegepast? En wordt deze ook toegepast indien de werkgever van de partner niet of minder dan de helft bijdraagt? In dit geval betaalt de werkgever maximaal 50% van de kosten van de). De afdrachtvermindering is bij bijna alle werkgevers binnen en buiten de overheid bekend, en men past deze ook bijna unaniem toe. Binnen de overheid is deze regeling bij 99% bekend en wordt door 99% van degenen die de regeling kennen toegepast. Bij de werkgevers buiten de overheid zijn deze percentages respectievelijk 92% en 95% (zie tabel B2.15). Meer dan de helft van de werkgevers past de 50/50-methode toe. Bij de overheid bedraagt dat percentage 57%, buiten de overheid 55%. Een kwart van deze overheidswerkgevers en 46% van de werkgevers buiten de overheid betaalt maximaal 50% van de kosten. Ook als de werkgever van de partner niet meebetaalt passen zij deze regeling toe. Tabel B2.15 Bekendheid en toepassing regelingen Werkgevers buiten de overheid Werkgevers binnen de overheid Afdrachtvermindering Bekend 92% (n=142) 99% (n=73) Toegepast 95% (n=122) 99% (n=69) 50/50-methode Toegepast 55% (n=143) 57% (n=72) Maximaal 50% van de kosten 46% (n=68) 25% (n=36) Concluderend: - Ruim 5% van de werknemers maakt gebruik van de kinderopvangregeling, daarvoor wordt tussen de 0,25% en de 0,30% van de loonsom ingezet. - De voornaamste reden voor werkgevers buiten de overheid om een kinderopvangregeling in te voeren zijn de afspraken die in de CAO zijn vastgelegd. Andere belangrijke redenen, die ook voor de overheid gelden, zijn het behoud en de doorstroming van vrouwen binnen het bedrijf, het vergroten van betrokkenheid en motivatie en de gedachte dat kinderopvang past in een modern personeelsbeleid. - De uitvoering van de regeling ligt vaak in handen van een bemiddelingsorganisatie (24% van de werkgevers binnen de overheid en 27% daarbuiten). Indien de organisatie de uitvoering in eigen handen houdt kiest de meeste werkgevers voor een bijdrage aan de werknemer voor de gemaakte kosten (wordt door 22 respectievelijk 29% genoemd). 33% van de werkgevers binnen de overheid huurt daarnaast zelf een aantal kindplaatsen. - Bij ruim 80% van de werkgevers valt dagopvang onder de regeling, bij iets minder dan de helft van de werkgevers (eveneens) buitenschoolse opvang, naschoolse opvang en gastouderopvang. - Bij 20% van de werkgevers is er sprake van een wachtlijst voor deelname aan de kinderopvang. - De werkgevers maken bijna allen gebruik van de afdrachtvermindering. Bij de overheid is het percentage zelfs 99%. Ruim de helft van de werkgevers past de 50/50-methode toe. Daarvan past 46% van de werkgevers buiten de overheid en een kwart van de werkgevers binnen de overheid de regeling ook toe als de werkgever van de partner niet bijdraagt. 55

56 1.5 Toepassing ouderbijdragensystematiek In deze paragraaf staat de huidige regeling van de ouderbijdrage centraal. De inkomensafhankelijke systematiek is vastgelegd in de adviestabel ouderbijdragen van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. De adviestabel is in de inleiding beschreven. Het gaat er hier in de eerste plaats om of werkgevers de ouders laten bijdragen aan de kinderopvang. Vervolgens is de vraag interessant of zij bij het bepalen van de hoogte van de bijdrage de VWS adviestabel hanteren. Als zij dat doen is de vraag op welke wijze dat gebeurt. Is de tabel in zijn geheel toegepast, of wijkt deze op onderdelen af? Indien de tabel niet wordt toegepast is de vraag waarom dat gebeurt. Ouders dragen bijna altijd bij aan de kosten van de kinderopvang De werkgevers geven bijna zonder uitzondering aan dat van ouders een bijdrage verwacht wordt aan de opvang van hun kinderen. Bij de overheden is dat in 97% van de gevallen, zo bij de werkgevers buiten de overheid in 91% van de gevallen, zie tabel B2.16. Tabel B2.16 Dragen ouders bij aan de kosten van de kinderopvang Werkgevers overheid Werkgevers geen overheid Ja 97% 91% Nee 3% 7% Weet niet/ geen mening 0% 2% Ongewogen n Hanteren VWS-adviestabel Binnen de overheid wordt de VWS-adviestabel vaker gebruikt dan er buiten. 82% van de overheidswerkgevers hanteert de tabel volledig, tegen 47% van de werkgevers buiten de overheid. Bij de overheid 4% hanteert de tabel in aangepaste vorm tegen 15% bij de overige werkgevers. Tabel B2.17 Hanteren VWS-adviestabel Werkgevers overheid Werkgevers geen overheid Ja, volledig 82% 49% Ja, maar aangepast 4% 12% Nee 8% 23% Weet niet/ geen mening 5% 16% Ongewogen n Aangezien bij de respondenten binnen de overheid er slechts 5 waren die de tabel in aangepaste vorm hanteerden zijn over deze aanpassingen geen uitspraken te doen. De aanpassingen bij de overige werkgevers zijn wel te benoemen. 23% heeft een andere tariefstructuur, 18% hanteert een andere opbouw van de inkomensklassen en 16% maakt geen onderscheid tussen eerste en tweede kind. Eigen systematiek Van de werkgevers die de VWS-adviestabel niet hanteren, heeft 40% een eigen systematiek om de ouderbijdrage vast te stellen. De meeste genoemde redenen voor het instellen van een eigen systematiek houden verband met de hanteerbaarheid. 31% van deze respondenten vindt de ei- 56

57 gen tabel voor het bedrijf eenvoudiger te hanteren, 22% vindt de tabel eenvoudiger te hanteren voor de ouders. Daarnaast zegt 22% de eigen systematiek rechtvaardiger is dan de VWSadviestabel. Concluderend: - Ouders dragen bijna altijd bij aan de kosten van de kinderopvang. Bij ruim 95% van de werkgevers is dit het geval. - Bij de meeste overheidswerkgevers wordt voor het bepalen van de hoogte de VWSadviestabel gebruikt. Al dan niet aangepast zegt 86% van deze werkgevers dat dit het geval is. Bij de overige werkgevers komt het gebruik van de tabel minder voor. Daar zegt 61% deze te gebruiken. - De hoofdreden voor het gebruiken van een eigen systematiek is dat deze beter te hanteren is voor de ouders of voor het bedrijf zelf dan de VWS-adviestabel. 1.6 Beoordeling ouderbijdragensystematiek In deze paragraaf behandelen we de mening van de werkgevers over (een aantal veranderingen in) de huidige systematiek. Deze stellingen zijn ook voorgelegd aan de andere belanghebbenden in de kinderopvang. Beoordeling huidige systematiek De respondenten is gevraagd een oordeel te vellen over de huidige ouderbijdragensystematiek. Er zijn drie stellingen voorgelegd: 1. de VWS-systematiek leidt ertoe dat werkgevers onevenredig moeten bijdragen aan de kosten voor kinderopvang 2. als gevolg van de VWS-systematiek is de kinderopvang toegankelijk voor alle inkomensklassen 3. het hanteren van het begrip netto huishoudinkomen in de VWS-systematiek is onpraktisch Ten aanzien van deze stellingen gaven de respondenten aan er (helemaal) mee eens, of er (helemaal) mee oneens ofwel neutraal te zijn. Tabel B2.18 geeft de resultaten. Tabel B2.18 Mening respondenten over huidige ouderbijdragensystematiek De VWS-systematiek leidt ertoe dat werkgevers onevenredig moeten bijdragen aan de kosten voor kinderopvang. Als gevolg van de VWS-systematiek is de kinderopvang toegankelijk voor alle inkomensklassen. Het hanteren van het begrip netto huishoudinkomen in de VWS-systematiek is onpraktisch. Helemaal mee eens Mee eens Neutraal Mee oneens Helemaal mee oneens 3% 21% 49% 25% 2% % 53% 31% 5% 1% 465 7% 22% 51% 17% 3% 465 n De respondenten zijn het vooral (helemaal) eens met stelling 2. Volgens tabel B2.19 is 63% het er (helemaal) mee eens dat als de VWS-systematiek ertoe leidt dat de kinderopvang toegankelijk is voor alle inkomensklassen. Slechts 6% is het er (helemaal) mee oneens. Dit is in overeenstemming met de meningen van de kinderopvanginstellingen en de gemeenten. We kunnen dan ook stellen dat alle onderzochte groepen op dit punt positief zijn over de VWS-systematiek. 57

58 Ten aanzien van de andere twee stellingen zijn de werkgevers verdeeld te noemen, met dien verstaande dat men het iets vaker eens dan oneens is met stelling 3 (29% om 20%) en iets vaker oneens dan eens met stelling 1 (24% om 27%). Beoordeling toekomstige systematiek De respondenten zijn ook vragen gesteld over mogelijke wijzigingen in de ouderbijdragensystematiek. Er werden twee mogelijke veranderingen voorgesteld: 1. een systeem waarbij de ouderbijdrage niet op basis van hele/halve dagen wordt vastgesteld, maar op basis van uren 2. een glijdende schaal waarbij de bedragen naast een vast bedrag voor de onkosten bestaan uit een percentage van de kostprijs gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, in plaats van absolute bedragen Tabel B2.19 Meningen over wijzigingen in kinderopvangsystematiek Wijziging Positief Neutraal Negatief n Een systeem waarbij de ouderbijdrage niet op basis van hele/halve dagen 60% 27% 13% 465 wordt vastgesteld, maar op basis van uren. Een glijdende schaal waarbij de bedragen naast een vast bedrag voor de onkosten bestaan uit een percentage van de kostprijs gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, in plaats van absolute bedragen. 31% 11% 59% 464 Men is ten zeerste positief over de eerste verandering. De voornaamste reden die voor deze positieve houding gegeven is, is de door de respondenten verwachte toename van de flexibiliteit (werd door 72% van de respondenten genoemd). Ook de verbeterde toegankelijkheid en de ve r- laging van de kostprijzen van kinderopvang werd door resp. 28 en 20% genoemd. Interessant is dat de mening van de werkgevers op dit punt het tegenovergestelde is van de mening van de kinderopvanginstellingen. Deze waren juist in meerderheid negatief over deze verandering. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat de toename in de flexibiliteit vooral voor de afnemers (de werkgevers en de ouders) van kinderopvang een voordeel is, terwijl deze voor de aanbieders (de kinderopvanginstellingen) juist leidt tot meer administratiekosten en een ingewikkelder rooster. Over de tweede verandering, de percentagetabel, is men gematigd positief te noemen. De respondenten noemen hier weer dezelfde redenen (flexibiliteit, verbetering toegankelijkheid en verlaging van de kostprijzen) als bij de eerste wijziging. Ook hier is weer verschil van mening met de kinderopvanginstellingen en ook hier ligt de verklaring voor de hand. De percentagetabel zal de aanbieders nopen om met elkaar te concurreren, waardoor voor de afnemers dan wel de keuze vergroot, en/ of de prijzen omlaag gaan. Concluderend: - De werkgevers vinden in meerderheid dat de VWS-systematiek ertoe leidt dat de kinderopvang toegankelijk is voor alle inkomensklassen. 63% is het daarmee eens. - Men is voorstander van een systeem waarbij de ouderbijdrage niet op basis van hele/halve dagen wordt vastgesteld, maar op basis van uren. 60% staat daar positief tegenover. - Een verandering naar een glijdende schaal in plaats van absolute bedragen wordt niet toegejuicht. 59% is het oneens met deze voorgestelde verandering. 58

59 Bijlage 3 Steekproef en respons 59

60 60

61 Tabel B3.1 De omvang en samenstelling van de steekproef en de respons (geslaagde gesprekken) Sector Landbouw, bosbouw, visserij Industrie, delfstoffenwinning, openbare voorzienings-bedrijven, bouwnijverheid Handel, horeca, reparatie consumenten artikelen, vervoer, opslag, communicatie Financiële instellingen, verhuur, zakelijke dienstverlening Overige dienstverlening (zorg, cultuur, recreatie) Openbaar bestuur, sociale verzekeringen, onderwijs Totaal Aantal werkende personen totaal benaderingen: geslaagde gesprekken: responspercentage: 33% 35% 30% 33% benaderingen: geslaagde gesprekken: responspercentage: 26% 38% 50% 41% benaderingen: geslaagde gesprekken: responspercentage: 24% 38% 43% 38% benaderingen: geslaagde gesprekken: responspercentage: 24% 39% 55% 43% benaderingen: geslaagde gesprekken: responspercentage: 22% 27% 72% 45% benaderingen: geslaagde gesprekken: responspercentage: 19% 59% 53% 49% benaderingen: geslaagde gesprekken: responspercentage: 25% 39% 53% 42% Bij deze steekproefomvang en samenstelling is het mogelijk uitspraken te doen 1 over de zes onderscheiden sectoren, de groep van kleine, middelgrote en grote bedrijven en instellingen. Uitspraken per cel, (bijv. middelgrote bedrijven en instellingen uit de sector ind u- strie/nutsbedrijven/bouw) zijn meer indicatief van aard. 2 Respons bedrijven en instellingen met meerdere vestigingen Bij bedrijven en instellingen met meerdere vestigingen bleek de kennis over een eventuele kinderopvangregeling vaak op het hoofdkantoor aanwezig. Enquêteurs werden dan doorverwezen naar de hoofdvestiging van de organisatie. Enkele grote ondernemingen waren met meerdere vestigingen in de steekproef vertegenwoordigd. Aangezien de steekproef op bedrijfsgrootte is getrokken, is het van belang bepaalde variabelen op vestigingniveau te weten. In deze gevallen is één keer het hoofdkantoor gebeld, met de vraag de vragenlijst voor de verschillende vestigingen in de te vullen. Hierdoor is de juiste informatie beschikbaar gekomen. Op deze manier is ook mogelijke irritatie bij de respondenten voorkomen, omdat het hoofdkantoor anders meerdere malen benaderd had moeten worden. 1 Nauwkeurigheidsmarge van 5% bij een betrouwbaarheid van 95%. 2 Bij een respons van 160 geldt een nauwkeurigheidsmarge van circa 8% bij een betrouwbaarheid van 95%. 61

62 Dit betekent dat er meer bruto (aantal bedrijven en instellingen in de steekproef) en netto (aantal geslaagde gesprekken) benaderingen zijn geweest dan in het respons overzicht zijn opgenomen. Hieronder zijn deze weergegeven: bruto benaderingen, incl. hoofdvestiging 5316 netto benaderingen, incl. hoofdvestiging

63 Bijlage 4 Wegingsprocedure en margeberekening 63

64 64

65 Er is in het onderzoek gebruik gemaakt van een steekproef gestratificeerd op 3 grootteklassen en 6 bedrijfstakken. Zo is een matrix verkregen met 18 cellen (6 bedrijfsklassen tegen 3 grootteklassen), die elk een proportioneel aandeel werkgevers uit de steekproef bevatten, evenredig aan het aandeel werkgevers volgens populatiegegevens van het CBS. Per cel uit de respons is er een wegingsfactor berekend, die na vermenigvuldiging het aantal bedrijven met dezelfde grootte en de bedrijfstak in populatie oplevert. De wegingsfactor kent dus elke respondent per cel een getal toe dat kan worden geëxtrapoleerd naar de populatie. De weegfactor wordt berekend door per stratum (bedrijfstak en grootteklasse) de stratumomvang in de populatie te delen door de populatieomvang. Vervolgens wordt de weegfactor met de onderzoeksuitkomst (de uitkomst in procenten) in het stratum vermenigvuldigd en worden deze producten voor alle strata bij elkaar opgeteld. In formule wordt de weegfactor als volgt berekend: P = M h= 1 N N h p h waarbij: P = schatting overall percentage in populatie p h = schatting percentage in stratum h N h = populatieomvang in stratum h N = populatieomvang M = aantal strata Margeberekening De formule voor het bepalen van betrouwbaarheidsmarges voor een steekproef die minder dan een kwart van de populatie omvat, kan als volgt worden weergegeven: 2 z pq n = 2 b z = factor die samenhangt met het gekozen betrouwbaarheidsniveau p = gevonden fractie q = 1 p (in geval van percentages 100 p) n = omvang van de steekproef b = de marge waarmee de steekproefuitkomst mag afwijken van de uitkomst in de populatie 65

66 66

67 Bijlage 5 Schatting dekkingsgraad werknemers 67

68 68

69 Een schatting van het percentage werknemers in Nederland dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling wordt als volgt verkregen: X = het aantal werknemers onder een CAO met een concrete of decentrale afspraak over kinderopvang Y = het aantal werknemers dat niet onder een CAO valt maar wel bij een werkgever werkt met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling Z = het totaal aantal werknemers in Nederland X + Y Dekkingsgraad werknemers een kinderopvangregeling = Z In deze bijlage volgt een uitleg van de verschillende stappen van deze berekening. Deze stappen zijn respectievelijk: 1. Schatting werknemers bij een werkgever met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling 2. Schatting werknemers onder een CAO met een afspraak over kinderopvang 3. Schatting werknemers niet onder een CAO, maar wel bij een werkgever met een kinderopvangregeling 4. Schatting totaal werknemers dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling 1. Schatting percentage werknemers bij een werkgever met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling Totaal aantal werknemers in Nederland Onderhavig onderzoek is uitgevoerd onder werkgevers in Nederland. De vraag naar het gemiddeld aantal werknemers dat bij het bedrijf of de instelling in dienst is, blijkt vaak niet betrouwbaar beantwoord. Dit geeft dus geen goede indicatie voor het gemiddelde aantal werknemers per grootteklasse. Andere cijfers van het gemiddeld aantal werknemers bij bedrijven en instellingen in Nederland per grootteklasse zijn niet beschikbaar. Daarom is een schatting gemaakt. Uitgangspunt is het totaal aantal werknemers per sector in 2000, met in totaal werknemers in dat jaar (CBS Statline 2002). Het betreft de werknemers in Nederland, dus de werkzame beroepsbevolking minus de zelfstandigen. Vervolgens is het aantal bedrijven in een cel vermenigvuldigd met het klassenmidden (zie tabel B5.1). Bekend is dat in de landbouw, bosbouw en visserij vaak relatief kleine werkgevers opereren 1. Voor deze sector is een lager klassenmidden gekozen. 1 CBS, Bedrijven in Nederland 2000, Voorburg/ Heerlen

70 Tabel B5.1 Schatting werknemers bij bedrijven en instellingen met minder dan 50 werknemers, naar grootteklasse en sector Werkgevers 1 t/m 9 Totaal werknemers 1 t/m 9 Werkgever 10 t/m 49 Totaal Klassenmidden Klassenmidden werknemers 10 t/m 49 Landbouw, bosbouw, visserij Industrie, delfstoffenwinning, openbare voorzieningsbedrijven, bouwnijverheid , Handel, horeca, reparatie consumenten artikelen, vervoer, opslag, communicatie , , 5 Financiële instellingen, verhuur, zakelijke dienstverlening , Overige dienstverlening (zorg, cultuur, recreatie) , ,5 Openbaar bestuur, sociale verzekeringen, onderwijs , ,5 Totaal , Van de categorie van bedrijven en instellingen met meer dan 50 werknemers is geen klassengemiddelde vast te stellen, aangezien geen bovengrens bekend is. Daarom is het aantal werknemers uit de eerste twee categorieën per sector afgetrokken van het totaal aantal werknemers per sector in Nederland. Wat resteert zijn werknemers die bij de grootste organisaties in Nederland werken. In tabel B5.2 is de schatting van het aantal werknemers in Nederland per sector en grootteklasse opgenomen. Tabel B5.2 Schatting verdeling werknemers naar sector en grootteklasse (gebaseerd op totaal aantal werknemers (Bron: CBS statline) en aantal werkgevers in Nederland) 1 t/m 9 10 t/m Totaal Landbouw, bosbouw, visserij Industrie, delfstoffenwinning, openbare voorzieningsbedrijven, bouwnijverheid Handel, horeca, reparatie consumenten artikelen, vervoer, opslag, communicatie Financiële instellingen, verhuur, zakelijke dienstverlening Overige dienstverlening (zorg, cultuur, recreatie) Openbaar bestuur, sociale verzekeringen, onderwijs Totaal Werkgevers in Nederland die zeggen een kinderopvangregeling te hebben Op basis van de 1-meting van de Monitor Werkgeversbijdragen Kinderopvang is bekend hoeveel werkgevers in Nederland zeggen een kinderopvangregeling aan te bieden, naar sector en grootteklasse. Dit is opgenomen in tabel B5.3 70

71 Tabel B5.3 Percentage werkgevers dat zegt een kinderopvangregeling te hebben, naar sector en grootteklasse 1 t/m 910 t/m Totaal Landbouw, bosbouw, visserij 4% 13% 48% 5% Industrie, delfstoffenwinning, openbare voorzieningsbedrijven, bouwnijverheid 7% 26% 68% 15% Handel, horeca, reparatie consumenten artikelen, vervoer, opslag, communicatie 24% 19% 47% 24% Financiële instellingen, verhuur, zakelijke dienstverlening 32% 35% 71% 34% Overige dienstverlening (zorg, cultuur, recreatie) 27% 57% 82% 31% Openbaar bestuur, sociale verzekeringen, onderwijs 17% 33% 86% 39% Totaal 22% 28% 68% 24% Schatting werknemers bij een werkgever met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling Om de dekkingsgraad van kinderopvangregelingen onder werknemers in Nederland te bereken, moeten de gegevens van tabel B5.2 en B5.3 met elkaar worden vermenigvuldigd. De aanname hierbij is dat per cel het percentage werknemers dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling gelijk verdeeld is over de bedrijven en instellingen binnen die cel die zeggen een kinderopvangregeling aan te bieden. Dit is opgenomen in tabel B5.4. De schatting van het totaal aantal werknemers dat bij een werkgever werkt die zegt een kinderopvangregeling te hebben, is gedeeld op het totaal aantal werknemers in Nederland in 2000 ( / ). Het resultaat hiervan is dat circa 51% van de werknemers in Nederland bij een werkgever werkt die zegt een kinderopvangregeling te hebben. Tabel B5.4 Schatting aantal werknemers dat bij een werkgever werkt die zegt een kinderopvangregeling te hebben 1 t/m 9 10 t/m totaal Landbouw, bosbouw, visserij Industrie, delfstoffenwinning, openbare voorzieningsbedrijven, bouwnijverheid Handel, horeca, reparatie consumenten artikelen, vervoer, opslag, communicatie Financiële instellingen, verhuur, zakelijke dienstverlening Overige dienstverlening (zorg, cultuur, recreatie) Openbaar bestuur, sociale verzekeringen, onderwijs Totaal Schatting dekkingsgraad kinderopvangregelingen werknemers 51% 2. Schatting werknemers onder een CAO met een concrete of decentrale afspraak over kinderopvang (op basis van CAO-onderzoek) Het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie bevat gegevens van het aantal werknemers dat onder de 125 grotere CAO s valt die in de steekproef zijn opgenomen. Van de werknemers die onder een CAO in de steekproef van de Arbeidsinspectie vallen, geldt dat 69% een concrete of decentrale afspraak in de CAO heeft staan 1. 1 Volgens opgave van de Arbeidsinspectie, voorlopige cijfers CAO-onderzoek 2000, ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, niet gepubliceerd. 71

72 De Arbeidsinspectie zegt circa 80% van de werknemers die onder een CAO vallen in Nederland in de steekproef te betrekken. Voor de resterende 20% werknemers die onder een CAO vallen is niet bekend of hun collectieve arbeidsovereenkomsten een afspraak over kinderopvang bevat. Daarom moeten we voor een schatting van het totaal aantal werknemers in Nederland onder een CAO met kinderopvangregeling uitgegaan van een minimale en een maximale dekkingsgraad. Wanneer we er vanuit gaan dat de steekproef van het CAO-onderzoek representatief is voor alle CAO s, en dat de CAO s die niet in de steekproef zitten dus even vaak afspraken over kinderopvang bevatten als de CAO s in de steekproef, geeft dat de maximale dekkingsgraad van werknemers onder een CAO met een afspraak over kinderopvang. Wanneer we er vanuit gaan dat de CAO s die buiten de steekproef vallen allemaal géén afspraak over kinderopvang bevatten, geeft dat de minimale dekkinggraad van werknemers onder een CAO een concrete of decentrale afspraak over kinderopvang. Tabel B5.5 Percentage werknemers onder een CAO met een afspraak over kinderopvang, naar aard van afspraak minimum maximum Werknemers onder een CAO met concrete afspraak 49% 61% Werknemers onder een CAO met decentraal afspraak 6% 8% Werknemers onder een CAO met intentionele afspraak 6% 8% Werknemers onder een CAO zonder afspraak 39% 23% Totaal 100% 100% Bron: Arbeidsinspectie 2002 Op basis van het CAO-onderzoek heeft circa tussen de 49% en 61% van de werknemers in Nederland onder een CAO een concrete afspraak over kinderopvang in die CAO staan. Tussen de 6% en 8% van de werknemers onder een CAO heeft een decentrale regeling. In totaal ligt de dekkingsgraad van werknemers onder een CAO met een kinderopvangregeling dus waarschijnlijk tussen de 55% en 69%. 3. Schatting percentage werknemers dat niet onder een CAO valt maar wel bij een werkgever werkt met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling werkt Voor deze schatting geldt dezelfde opbouw als voor de schatting die is gemaakt voor het totaal aantal werknemers dat bij een werkgever werkt met naar eigen zeggen een kinderopvangregeling (tabel B5.4). Alleen is nu op een selectie gemaakt op werkgevers die hebben aangegeven niet onder een CAO te vallen (zie tabel B5.6). Tabel B5.6 Percentage werkgevers dat zegt een kinderopvangregeling te hebben en niet onder een CAO valt, naar sector en grootteklasse 1 t/m 9 10 t/m totaal Landbouw, bosbouw, visserij 17% 0% 0% 16% Industrie, delfstoffenwinning, openbare voorzieningsbedrijven, bouwnijverheid 0% 32% 50% 7% Handel, horeca, reparatie consumenten artikelen, vervoer, opslag, communicatie 0% 12% 34% 4% Financiële instellingen, verhuur, zakelijke dienstverlening 28% 25% 55% 28% Overige dienstverlening (zorg, cultuur, recreatie) 14% 29% 65% 15% Openbaar bestuur, sociale verzekeringen, onderwijs 13% 16% 63% 23% Totaal 16% 22% 49% 18% 72

73 De schatting van het totaal aantal werknemers dat niet onder een CAO valt maar werkt bij een werkgever die zegt een kinderopvangregeling te hebben, is gedeeld op het totaal aantal werknemers in Nederland in Het resultaat hiervan is dat circa 37% van de werknemers in Nederland die niet onder een CAO valt wel bij een werkgever werkt die zegt een kinderopvangregeling te hebben. 4. Schatting totaal werknemers dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling Om een overzicht te krijgen van de totale dekkingsgraad van werknemers in Nederland met een kinderopvangregeling, zouden de cijfers van de werknemers onder een CAO met een afspraak over kinderopvang en de werknemers met een bedrijfskinderopvangregeling zonder CAO bij e l- kaar moeten worden opgeteld. Omdat echter niet exact bekend is hoeveel werknemers in Nederland onder een CAO vallen 1, kan dat alleen worden geschat. Kort samengevat kan onder de volgende aannames, een schatting van het aantal werknemers dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling worden gemaakt: Het aantal werknemers in Nederland is (CBS statline 2002) 80% van de werknemers in Nederland valt onder een CAO, 20% valt niet onder een CAO Het CAO-onderzoek van de Arbeidsinspectie is de meest betrouwbare bron voor gegevens over kinderopvangregelingen in CAO s in Nederland. De Monitor Werkgeversbijdragen van Research voor Beleid is de meest betrouwbare bron voor gegevens over kinderopvangregelingen buiten een CAO in Nederland. Uit deze schatting blijkt dat de totale dekkingsgraad van werknemers in Nederland met kinderopvangregeling waarschijnlijk tussen de 51% en 63% ligt. In tabel B5.7 is deze minimale en de maximale dekkingsgraad van werknemers in Nederland onder een kinderopvangregeling opgenomen. Tabel B5.7 Percentage werknemers in Nederland dat aanspraak kan maken op een kinderopvangregeling Met kinderopvang CAO Geen CAO Totaal Zonder kinderopvang Met kinderopvang Zonder kinderopvang Met kinderopvang Zonder kinderopvang minimum 55% 45% 37% 63% 51% 49% maximum 69% 31% 37% 63% 63% 37% 1 In de Sociale Nota, SZW 2001, staat een verhouding van 84% van de werknemers met CAO en 16% zonder CAO. Het uitgangspunt van deze schatting is echter dat werknemers in Nederland onder een CAO vallen. Volgens de cijfers van het CBS (Statline 2002) telde Nederland in 2000 echter slechts werknemers. Waarschijnlijk is er sprake van een overschatting van het aantal werknemers dat onder een CAO valt. 73

74 74

75 Bijlage 6 Vragenlijst 75

76 76

77 Vragenlijst Werkgeversonderzoek kinderopvangregeling B2533, 22 oktober 2001 Intro Goede u spreekt met van Research voor Beleid. Zou ik de naam (functie) mogen spreken. Enq: Wanneer er geen naam is ingevuld dan vragen naar het hoofd P&O (personeel en organisatie) of iemand die verantwoordelijk is voor de personeelsadministratie/ kinderopvangregeling. Enq: Wanneer wel een naam ingevuld maar bij het bedrijf kennen ze deze persoon niet dan vragen naar het hoofd P&O enz (zie hierboven). Enq: Wanneer wel een naam ingevuld en die persoon is op vakantie/ niet aanwezig/ in gesprek/ in vergadering, vragen of er eventueel iemand is die een soortgelijke functie heeft en of je die dan kan spreken. Weigeringsvragen Wanneer direct geweigerd en de receptie wil je dus niet eens doorverbinden dan toch nog vragen of we 3 vragen mogen stellen: 1. Bestaat er voor het personeel in uw bedrijf/vestiging een kinderopvangregeling? Ja Nee 2. Hoeveel werknemers heeft uw bedrijf? (Mag een schatting zijn.) personen weet niet 3. Mag ik vragen waarom u weigert? Geen tijd / geen zin Het bedrijf heeft geen kinderopvangregeling Tegen enquêtes in het algemeen Tegen deze enquête Etc. Inleiding Wanneer bestuurder of PO functionaris aan de telefoon dan: Goeden u spreekt met van Research voor Beleid. Op dit moment voeren wij een onderzoek uit in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het ministerie laat onderzoek doen naar kinderopvangregelingen van bedrijven in Nederland. 4. Bestaat er voor het personeel in uw bedrijf een kinderopvangregeling? (v001) Met een kinderopvangregeling verstaan wij etc ja nee naar vragen werkgevers zonder KO-regeling weet niet naar persoon vragen die betrokken is bij kinderopvangregeling. 5. Mijn volgende vraag is of u bereid bent mee te werken aan dit onderzoek? Ja Nee vragen 2 en 3 stellen Dat kan nu, de enquête zal ongeveer een kwartier duren en uiteraard zullen de gegevens vertrouwelijk worden verwerkt. Ook kunnen we een afspraak maken om u later terug te bellen. 77

78 VRAGEN WERKGEVERS MET KINDEROPVANGREGELING De financiering van kinderopvang zal gaan veranderen in 2003, onder de Wet basisvoorziening kinderopvang. 6. Bent u van deze wetsverandering op de hoogte? Ja Nee naar vraag 8 naar vraag 8 7. Wat houden deze veranderingen dan in? (ENQ: antwoorden niet voorlezen) Ouders en overheid dragen samen 2/3 van de kosten, werkgever vrijwillig 1/3 deel. Iets met gedeelde betaling Ouders krijgen budget om kinderopvang te betalen Ouders gaan kinderopvang inkopen Werkgever wordt verplicht kosten te dragen anders, nl. weet niet In de Wet basisvoorziening kinderopvang wordt voorgesteld dat ouder en overheid samen tweederde van de kosten dragen en werkgevers van beide ouders samen op basis van vrijwilligheid eenderde deel. Voor het ministerie veranderingen in de wetgeving voor kinderopvang doorvoert, wil zij weten wat werkgevers op dit moment bijdragen aan kinderopvang. Achtergrond Dan volgen nu een paar vragen over uw bedrijf en de kinderopvangregeling die u heeft. 8. Hoeveel werknemers heeft uw bedrijf? (Het mag een schatting zijn.) 9. Wat is de gemiddelde leeftijd van uw personeelsbestand? (Het mag een schatting zijn.) jaar 10. Is er in uw bedrijf een CAO van toepassing? Ja, een ondernemings-cao Ja, een bedrijfstak- of sector-cao Nee naar vraag 12 naar vraag Zijn er binnen uw bedrijf werknemers met kinderen in de leeftijd van 0-13 jaar? Ja Nee naar vraag 13 naar vraag Kunt U aangeven hoeveel mensen binnen U bedrijf kinderen hebben in de leeftijd van 0-13 jaar? (Mag een schatting zijn.) personen 13. Sinds welk jaar heeft uw bedrijf een kinderopvangregeling? (v4) Voor 0-4 jaar vanaf Voor 4-12 jaar vanaf 78

79 14. Waarom is binnen uw bedrijf een regeling voor kinderopvang getroffen? (Meerdere antwoorden mogelijk: ENQ: antwoorden niet voorlezen) Nieuw personeel aantrekken Vasthouden van huidige personeel Voor het behoud van vrouwen binnen het bedrijf Voor de doorstroming van vrouwen binnen het bedrijf Het personeelsbestand van het bedrijf is gegroeid Het is als verplichting vastgelegd in de CAO Kinderopvang past in een modern personeelsbeleid Wens van de ondernemingsraad (OR) Anders, namelijk Uitvoering regeling Dan volgen nu een paar vragen over de manier waarop uw kinderopvangregeling is uitgevoerd. 15. Op welke manier is de kinderopvangregeling vastgelegd? (ENQ: antwoorden voorlezen) Eén of meerdere bepalingen in een CAO-afspraak Concrete afspraken in de CAO (ENQ: het moet hier om budget gaan: instructie) De kinderopvang is een bedrijfsregeling, niet vastgelegd in een CAO Anders, namelijk 16. Op welke wijze is de regeling uitgevoerd? (ENQ: antwoorden voorlezen, meerdere antwoorden mogelijk) (v6) Een bijdrage aan de werknemer voor de kosten van kinderopvang Het bedrijf koopt zelf kindplaatsen in Een bemiddelingsbureau koopt kindplaatsen in Er is een bedrijfskinderopvang opgezet (bedrijfscrèche) Anders, namelijk 17. Door wie wordt de kinderopvangregeling uitgevoerd? (ENQ: antwoorden voorlezen) door een bemiddelingsorganisatie door het CAO-fonds / sectorfonds door het bedrijf zelf Anders, namelijk Alleen indien vraag 17 is CAO-of sectorfonds. 18. Mag ik de naam van het CAO- of sectorfonds noteren? De inhoud van de regeling Wij zijn geï nteresseerd in de inhoud van de regeling die bij uw bedrijf van toepassing is. 19. Welke vormen van kinderopvang vallen binnen de regeling? (Meerdere antwoorden mogelijk) (v7) opvang 0-4 jaar opvang 4-12 jaar gastouderopvang anders, namelijk Onbekend, dit wordt geregeld door het CAO-fonds / sectorfonds 20. Is de regeling toegankelijk voor alle werknemers of alleen voor bepaalde doelgroepen? (v8) Bepaalde doelgroepen Alle werknemers naar vraag 22 Onbekend, dit wordt geregeld door het CAO-fonds / sectorfonds naar vraag 22 79

80 21. Welke categorieën werknemers betreft het hier? (Meerdere antwoorden mogelijk) (v9) Vrouwen Mannen Alleenstaande ouders Vanaf een bepaald aantal dienstjaren Werknemers met een bepaalde functie Werknemers met een vast dienstverband Werknemers die meer dan. uur werken Anders, namelijk De kinderopvangregeling is binnen uw bedrijf misschien aan een aantal voorwaarden verbonden. De regeling kan gelden voor een bepaalde duur, of voor kinderen van een bepaalde leeftijd. Ik ga u nu een aantal punten noemen. Kunt u aangeven of binnen uw bedrijf aan deze zaken voorwaarden verbonden zijn en zo ja wat deze voorwaarden inhouden? 22. De leeftijd van de op te vangen kinderen? (v13) Ja, de opvang is voor kinderen van jaar tot.. jaar Nee Onbekend, dit wordt geregeld door het CAO-fonds / sectorfonds 23. Het maximale aantal kinderen per gezin? (v14) Ja, het maximale aantal kinderen per gezin is:..kinderen Nee Onbekend, dit wordt geregeld door het CAO-fonds / sectorfonds 24. De maximale duur van de kinderopvang (v15) Ja, de maximale duur is jaar Nee Onbekend, dit wordt geregeld door het CAO-fonds / sectorfonds 25. Het maximum aantal dagdelen dat mag worden gehuurd? (v16) Ja, het maximale aantal dagdelen is:..dagdelen per maand Ja, het maximale aantal dagdelen overeenkomstig de arbeidsduur van de werknemer Nee Onbekend, dit wordt geregeld door het CAO-fonds / sectorfonds Gebruik kinderopvangregeling Dan volgt nu een aantal vragen over het gebruik van de kinderopvangregeling. 26. Kunt U aangeven hoeveel mensen daadwerkelijk gebruik maken van de kinderopvangregeling? (U hoeft geen precies getal te noemen, een schatting is voldoende.) (v11) 27. Kunt U aangeven hoeveel kinderen daadwerkelijk gebruik maken van de kinderopvangregeling, naar leeftijd van het kind? (U hoeft geen precies getal te noemen, een schatting is voldoende.) (v3) 0-3 jaar 4-12 jaar 28. Kunt u aangeven hoeveel dagdelen per week werknemers gemiddeld gebruik maken van de kinderopvangregeling? 80

81 29. Is er sprake van een wachtlijst voor de kinderopvangregeling? (v17) Ja Nee Onbekend, dit wordt geregeld door het CAO-fonds / sectorfonds 30. Bevat uw regeling voldoende financiële middelen om aan de behoefte aan kinderopvang te voldoen? Ja Nee 31. Verwacht u dat het budget op afzienbare termijn wordt verhoogd? Ja Nee Financiële aspecten De laatste vragen gaan over de financiële aspecten van kinderopvang binnen bedrijfsregelingen. Deze zijn misschien lastig te beantwoorden. Wanneer u een antwoord niet direct kan geven, vraag ik u een schatting te maken. 32. Worden de werknemers van uw bedrijf geacht een eigen bijdrage te betalen voor de kinderopvang? (v32) Ja Nee naar stellingen naar stellingen 33. Hanteert uw bedrijf de VWS-adviestabel om de hoogte van de ouderbijdragen voor kinderopvang vast te stellen? (v33) Ja, volledig naar vraag 37 Ja, maar aangepast Nee naar vraag 35 De VWS-adviestabel gaat uit van het netto huishoudinkomen (de grondslag), kent een opbouw van inkomensklassen waarvoor een ouderbijdrage is vastgesteld, kent een differentiatie naar verschillende opvangsoorten (tariefstructuur) en maakt onderscheid tussen het eerste kind en het tweede kind 34. Waarin verschilt de door uw bedrijf gehanteerde systematiek van de VWS-adviestabel? (Meerdere antwoorden mogelijk: ENQ antwoorden voorlezen) (v34) Hogere bijdrage per klasse Lagere bijdrage per klasse Minder inkomensklassen Meer inkomensklassen Geen onderscheid tussen eerste en tweede kind De grondslag is anders dan netto huishoudinkomen Andere tariefstructuur Anders, namelijk. 35. Welke grondslag hanteert uw bedrijf voor bepaling van de ouderbijdrage (ENQ: antwoorden voorlezen)? (V35) Netto huishoudinkomen Belastbaar huishoudinkomen Besteedbaar huishoudinkomen Jaaropgave (van beide ouders) Anders, namelijk. 81

82 36. Om welke redenen hanteert uw bedrijf (deels) een eigen systematiek? (Meerdere antwoorden mogelijk: ENQ: antwoorden voorlezen) (v37) Rechtvaardiger dan de VWS-tabel Eenvoudiger voor ouders te hanteren dan de VWS-adviestabel Eenvoudiger voor het bedrijf te hanteren dan de VWS-adviestabel Beter te controleren dan de VWS-adviestabel Anders, namelijk. Er zijn werkgevers die wel kinderopvang inkopen, fiscale aftrek daarvoor ontvangen, maar de resterende netto kosten in rekening brengen bij werknemers, bijvoorbeeld via verrekening met het bruto salaris. 37. Geldt dit voor uw bedrijf? Ja het bedrijf maakt bruto wel, maar netto geen kosten. Nee, het bedrijf draagt netto bij aan de kosten voor de werknemer. 38. Heeft uw bedrijf een maximale prijs voor de kinderopvang vastgesteld? Een bedrijf kan een maximale werkgeversbijdrage vaststellen, bijvoorbeeld het landelijk gemiddelde en de meerkosten daarboven doorberekenen aan de ouders. Ja Nee N.v.t., er is een bedrijfscrèche 39. Heeft uw bedrijf een maximaal budget voor kinderopvang vastgesteld? Hiermee wordt bedoeld het totaalbudget, ongeacht de vormen van kinderopvang. Ja, namelijk ƒ per jaar, voor aftrek WVA (mag schatting zijn) Nee naar vraag 43 / geen mening naar vraag Is uw bedrijf bekend met de mogelijkheid om 30% van de kosten voor kinderopvang in mindering te brengen op de afdracht loonbelasting? Ja Nee / geen mening 41. Past uw bedrijf deze mindering in de afdracht loonbelasting ook toe? Ja Nee Nee, ons CAO-fonds komt niet voor WVA-aftrek in aanmerking / geen mening 42. Wordt er door uw bedrijf geprobeerd de netto werkgeverskosten van de kinderopvang met de werkgever van een eventuele partner te delen? (de 50/50 regeling) Ja Nee / geen mening 43. Wordt deze regeling ook doorgevoerd als de werkgever van de partner niet bereid is om bij te dragen (er wordt dus maximaal 50% van de werkgeverskosten gefinancierd, de andere 50% wordt in rekening gebracht bij de werkgever van de partner)? Ja Nee / geen mening 82

83 44. Kunt u aangeven hoe groot de totale kosten van het gebruik van de kinderopvangregeling voor de werkgever zijn in 2001, voor aftrek WVA? (mag een schatting zijn) F,- 45. Kunt u aangeven hoe groot de totale kosten van het gebruik van de kinderopvangregeling voor de werkgever waren in 2000, voor aftrek WVA? (mag een schatting zijn) F,- 46. Kunt u aangeven hoe groot de totale kosten van het gebruik van de kinderopvangregeling voor de werkgever waren in 1999, voor aftrek WVA? (mag een schatting zijn) F,- 47. Kunt u aangeven hoe groot de totale loonsom van het bedrijf is? (mag een schatting zijn) F,- Stellingen Tot slot leg ik u twee stellingen voor. Kunt u aangeven in welke mate u het met deze stellingen eens bent? 48. De kosten van kinderopvang betalen zich terug, omdat het leidt tot behoud van mensen voor de organisatie. Geheel mee eens Mee eens Neutraal Mee oneens Geheel mee oneens 49. Werkgevers hebben behoefte aan meer ondersteuning op het terrein van kinderopvang. Geheel mee eens Mee eens Neutraal Mee oneens Geheel mee oneens 50. Werkgevers hebben behoefte aan ondersteuning bij de veranderingen als gevolg van de komende Wet basisvoorziening kinderopvang. Geheel mee eens Mee eens Neutraal Mee oneens Geheel mee oneens Einde Hartelijk dank voor uw medewerking! 83

84 VRAGEN WERKGEVERS ZONDER KINDEROPVANGREGELING 51. Voor het ministerie is het ook van belang te weten waarom bedrijven geen kinderopvangregeling hebben. 52. Bent u bereid bent mee te werken aan dit onderzoek? Ja Nee vragen 2 en 3 stellen Dat kan nu, de enquête zal ongeveer tien minuten duren en uiteraard zullen de gegevens vertrouwelijk worden verwerkt. We kunnen ook een afspraak maken om u later terug te bellen. Achtergrond Allereerst wil ik u een paar vragen stellen over uw bedrijf. 53. Hoeveel werknemers heeft uw bedrijf? 54. Wat is de gemiddelde leeftijd van uw personeelsbestand? (Het mag een schatting zijn.) jaar 55. Is er in uw bedrijf een CAO van toepassing? Ja, een ondernemings-cao Ja, een bedrijfstak- of sector CAO Nee naar vraag 57 naar vraag Kunt u aangeven waarom er geen kinderopvangregeling is? (Meerdere antwoorden mogelijk) (v004) Kinderopvang is geen taak van de werkgever Geen behoefte, werknemers hebben geen kinderen skip 59 Geen behoefte aan bij werknemers ondanks kinderen Weinig / geen vrouwelijke werknemers Te duur voor het bedrijf Een kinderopvangregeling is onrechtvaardig omdat niet alle werknemers er gebruik van maken Is niet in de CAO geregeld Anders, namelijk 57. Welk van de redenen die u net noemde is het belangrijkste? Kinderopvang is geen taak van de werkgever Geen behoefte, werknemers hebben geen kinderen skip 59 Geen behoefte aan bij werknemers ondanks kinderen Weinig / geen vrouwelijke werknemers Te duur voor het bedrijf Een kinderopvangregeling is onrechtvaardig omdat niet alle werknemers er gebruik van maken Is niet in de CAO geregeld Anders, namelijk 58. Zijn er werknemers met kinderen in de leeftijd van 0-13 jaar? (v006) Ja Nee naar vraag 61 naar vraag 61 84

85 59. Kunt U aangeven hoeveel mensen binnen U bedrijf kinderen hebben in de leeftijd van 0-13 jaar? (Mag een schatting zijn.) personen 60. Heeft u ooit onderzocht of werknemers behoefte hebben aan een kinderopvangregeling? Ja Nee naar vraag 64 Wil geen antwoord geven naar vraag 64 naar vraag Wat was de uitkomst van dat onderzoek? grote behoefte bij werknemers redelijke behoefte bij werknemers geringe behoefte bij werknemers geen behoefte bij werknemers Anders, nl 62. Hoe lang geleden is dat onderzocht? Korter dan een half jaar Een jaar tot 2 jaar 2 jaar tot 5 jaar Langer dan 5 jaar > Skip vraag 63 indien vraag 60 = ja 63. Is er door werknemers ooit aangegeven dat zij behoefte hebben aan een regeling? (vv008) Ja Nee Wil geen antwoord geven 64. Indien werknemers op dit moment aan zouden geven behoefte te hebben aan een regeling, zou het bedrijf dan ook een regeling aanbieden? (v009) Ja Nee Financiële mogelijkheden Er bestaan verschillende fiscale mogelijkheden en financiële constructies waarmee de kosten van kinderopvang voor de werkgever verminderd kunnen worden. Ik noem nu de belangrijkste mogelijkheden, kunt u aangeven of deze mogelijkheid binnen het bedrijf bekend is? 65. De mogelijkheid om 30% van de netto kosten voor kinderopvang af te trekken van de afdracht loonheffing (afdrachtvermindering) (v010) Ja Nee 66. De mogelijkheid de kosten voor kinderopvang als bedrijfskosten in mindering te brengen op het bedrijfsresultaat (afname vennootschapsbelasting)? (v011) Ja Nee Deze afname van vennootschapsbelasting is overigens niet van toe passing op non-profitbedrijven en firma s. 85

86 67. De mogelijkheid om de netto werkgeverskosten voor kinderopvang te delen met de werkgever van de eventuele partner van de werknemers (50/50 regeling)? (v012) Ja Nee 68. De mogelijkheid de ouder een bijdrage te laten betalen voor de kinderopvang? (v013) Ja Nee Als 65=nee en/of 66=nee en/of 67=nee en/of 68=nee>> vraag Zouden de genoemde mogelijkheden leiden tot meer interesse van uw bedrijf voor het instellen van een kinderopvangregeling? (v014) Ja Nee Het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport stelt elk jaar een adviestabel op, met daarin de bijdragen die aan werknemers in rekening kunnen worden gebracht, afhankelijk van hun inkomen. 70. Is deze VWS adviestabel bij uw bedrijf bekend? (v015) Ja Nee Toekomstige regeling 71. Bestaan er binnen het bedrijf plannen om een kinderopvangregeling te treffen? (v016) Ja naar vraag 73 Nee 72. Onder welke omstandigheden zou wél worden overwogen een kinderopvangregeling te treffen? (v017)(meerdere antwoorden mogelijk) Dat zal niet gebeuren Als werknemers aangeven dat ze daar behoefte aan hebben Om nieuw personeel aan te trekken Vasthouden van huidige personeel Voor het behoud van vrouwen binnen het bedrijf Voor de doorstroming van vrouwen binnen het bedrijf Indien het personeelsbestand fors groeit Het is als verplichting vastgelegd in de CAO Kinderopvang past in een modern personeelsbeleid Wens van de ondernemingsraad (OR) Anders, namelijk >> naar wetsverandering 73. Waarom bestaan er plannen om binnen uw bedrijf een regeling voor kinderopvang te treffen? (v018) (Meerdere antwoorden mogelijk) Er is behoefte aan bij werknemers Om nieuw personeel aan te trekken Om huidige personeel vast te houden Voor het behoud van vrouwen binnen het bedrijf Voor de doorstroming van vrouwen binnen het bedrijf Omdat het personeelsbestand fors is gegroeid Het is als verplichting vastgelegd in de CAO Kinderopvang past in een modern personeelsbeleid Wens van de ondernemingsraad (OR) Anders, namelijk 86

87 74. Op welke termijn verwacht u dat de regeling van kracht wordt?(v019) Binnen een half jaar Half jaar tot een jaar 1 2 jaar duurt langer dan 2 jaar Het is nog niet zeker wanneer er een regeling zal worden getroffen Bij het regelen van kinderopvang zijn verschillende vormen mogelijk, enkele hiervan zijn: het geven van een bijdrage aan de werknemers, het zelf huren van kindplaatsen en het opzetten van een bedrijfsopvang. 75. Is het al bekend op welke wijze de kinderopvang vorm zal worden gegeven? (v020) Ja, volledig Ja, ongeveer Nee naar wetsverandering naar wetsverandering 76. Kunt u aangeven op welke wijze kinderopvang voor uw bedrijf zal worden geregeld? (v021) (Meerdere antwoorden mogelijk) Een bijdrage aan de werknemer voor de kosten van kinderopvang Het huren van kindplaatsen Een bedrijfskinderopvang opzetten De kinderopvang uitbesteden aan een bemiddelingsbureau 77. Wordt de regeling toegankelijk voor alle werknemers of voor bepaalde categorieën werknemers? (v022) Alle werknemers naar vraag 79 Bepaalde categorieën Nog niet bekend naar vraag 79 naar vraag Welke categorieën werknemers betreft het hier? (Meerdere antwoorden mogelijk) (v023) Vrouwen Mannen Alleenstaande ouders Vanaf een bepaald aantal dienstjaren Werknemers met een vast dienstverband Werknemers met een bepaalde functie Werknemers die meer dan. uur werken Nog niet bekend > alleen indien vraag 70 = ja 79. Volgt u voor het vaststellen van de hoogte van de ouderbijdrage de adviestabel van het ministerie van VWS? (v024) Ja Nee Nog niet bekend > alleen indien vraag 67 = ja 80. Gaat u uit van het delen van de kosten van de kinderopvang met de werkgever van een eventuele partner (de 50/50 regeling)? (v025) Ja Nee Nog niet bekend 87

88 Wetsverandering De overheid is bezig een Wet basisvoorziening kinderopvang op te stellen. Hierin wordt de financiering van kinderopvang anders geregeld. 81. Bent u van deze wetsverandering op de hoogte? Ja Nee naar stellingen naar stellingen 82. Wat houden deze veranderingen volgens u in voor de financiering van kinderopvang? Ouders en overheid dragen samen 2/3 van de kosten, werkgever vrijwillig 1/3 deel. Iets met gedeelde betaling Ouders krijgen budget om kinderopvang te betalen Ouders gaan kinderopvang inkopen Werkgever wordt verplicht kosten te dragen anders, nl. weet niet In de Wet basisvoorziening kinderopvang wordt voorgesteld dat ouder en overheid samen tweederde van de kosten dragen en werkgevers van beide ouders samen op basis van vrijwilligheid eenderde deel. Stellingen Tot slot leg ik u twee stellingen voor. Kunt u aangeven in welke mate u het met deze stellingen eens bent? 83. De kosten van kinderopvang betalen zich terug, omdat het leidt tot behoud van mensen voor de organisatie. Geheel mee eens Mee eens Neutraal Mee oneens Geheel mee oneens 84. Werkgevers hebben behoefte aan meer ondersteuning op het terrein van kinderopvang. Geheel mee eens Mee eens Neutraal Mee oneens Geheel mee oneens 85. Werkgevers hebben behoefte aan ondersteuning bij de veranderingen als gevolg van de komende Wet basisvoorziening kinderopvang. Geheel mee eens Mee eens Neutraal Mee oneens Geheel mee oneens Einde Hartelijk dank voor uw medewerking! 88

89 Research voor Beleid Schipholweg Postbus AZ Leiden telefoon: (071) telefax: (071)

Werkgeversbijdrage kinderopvang

Werkgeversbijdrage kinderopvang Werkgeversbijdrage kinderopvang Resultaten van de eenmeting naar de situatie op peildatum 1 juli 2005 Een onderzoek in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Lilian van der Linden

Nadere informatie

Kenmerk ontheffing in de Bijstands Uitkeringen Statistiek

Kenmerk ontheffing in de Bijstands Uitkeringen Statistiek Centraal Bureau voor de Statistiek Divisie sociale en regionale statistieken (SRS) Sector statistische analyse voorburg (SAV) Postbus 24500 2490 HA Den Haag Kenmerk ontheffing in de Bijstands Uitkeringen

Nadere informatie

Ruimte voor groei in de kinderopvang. Sociaal en Cultureel Planbureau in opdracht van het

Ruimte voor groei in de kinderopvang. Sociaal en Cultureel Planbureau in opdracht van het Ruimte voor groei in de kinderopvang Sociaal en Cultureel Planbureau in opdracht van het Ruimte voor groei in de kinderopvang De vraag naar kinderopvang per gemeente Om een goed beeld te krijgen van de

Nadere informatie

Hoofdstuk 13. Arbeidsmarkt

Hoofdstuk 13. Arbeidsmarkt Hoofdstuk 13. Arbeidsmarkt Samenvatting De potentiële beroepsbevolking wordt gedefinieerd als alle inwoners van 15-64 jaar en bestaat uit ruim 86.000 Leidenaren. Van hen verricht ruim zeven op de tien

Nadere informatie

Monitor naleving rookvrije werkplek 2006

Monitor naleving rookvrije werkplek 2006 Monitor naleving rookvrije werkplek 2006 METINGEN 2004 EN 2006 B. Bieleman A. Kruize COLOFON St. INTRAVAL Postadres: Postbus 1781 9701 BT Groningen E-mail [email protected] Kantoor Groningen: Kantoor Rotterdam:

Nadere informatie

WERKGEVERSBIJDRAGE KINDEROPVANG De situatie op de peildatum 1 juli 2004

WERKGEVERSBIJDRAGE KINDEROPVANG De situatie op de peildatum 1 juli 2004 WERKGEVERSBIJDRAGE KINDEROPVANG De situatie op de peildatum 1 juli 2004 - eindrapport - drs. J.J. van der Wel dr. M. Gemmeke Amsterdam, 13 april 2005 Regioplan publicatienr. 1243 Regioplan Beleidsonderzoek

Nadere informatie

Dip in aantal bedrijven dat aan bewegingsstimulering doet.

Dip in aantal bedrijven dat aan bewegingsstimulering doet. Dip in aantal bedrijven dat aan bewegingsstimulering doet. Monique Simons, Claire Bernaards, Vincent H. Hildebrandt, TNO Kwaliteit van leven Inleiding Sinds 1996 meet TNO periodiek hoeveel bedrijven in

Nadere informatie

Hondenbeleid Deventer Eindmeting

Hondenbeleid Deventer Eindmeting Hondenbeleid Deventer Eindmeting Januari 2011 Uitgave : Team Kennis en Verkenning Naam : Jasper Baks Telefoonnummer : 694229 Mail : [email protected] Strategische Ontwikkeling 1 Inhoud Algemene samenvatting

Nadere informatie

MONITOR CAPACITEIT KINDEROPVANG 2008-2011 Capaciteitsgegevens in het jaar 2008

MONITOR CAPACITEIT KINDEROPVANG 2008-2011 Capaciteitsgegevens in het jaar 2008 MONITOR CAPACITEIT KINDEROPVANG 2008-2011 Capaciteitsgegevens in het jaar 2008 dr. M.C. Paulussen-Hoogeboom dr. M. Gemmeke Amsterdam, 11 februari 2009 Regioplan publicatienr. Regioplan Beleidsonderzoek

Nadere informatie

FINANCIERINGSBAROMETER

FINANCIERINGSBAROMETER FINANCIERINGSBAROMETER Q1 14 Q2 14 Q3 14 Q4 14 GfK 14 VFN - Financieringsbarometer April 14 1 Inhoudsopgave 1. Management summary 2. Financieringsbarometer 3. Onderzoeksresultaten 4. Onderzoeksverantwoording

Nadere informatie

FINANCIERINGSBAROMETER

FINANCIERINGSBAROMETER FINANCIERINGSBAROMETER Q1 14 Q2 14 Q3 14 Q4 14 GfK 14 VFN - Financieringsbarometer Juni 14 1 Inhoudsopgave 1. Management summary 2. Financieringsbarometer 3. Onderzoeksresultaten 4. Onderzoeksverantwoording

Nadere informatie

Arbeidsgehandicapten in Nederland

Arbeidsgehandicapten in Nederland Arbeidsgehandicapten in Nederland Ingrid Beckers In 2003 waren er in Nederland ruim 1,7 miljoen arbeidsgehandicapten; 15,8 procent van de 15 64-jarige bevolking. Het aandeel arbeidsgehandicapten is daarmee

Nadere informatie

Gemeente Roosendaal. Cliëntervaringsonderzoek Wmo over Onderzoeksrapportage. 26 juni 2017

Gemeente Roosendaal. Cliëntervaringsonderzoek Wmo over Onderzoeksrapportage. 26 juni 2017 Gemeente Cliëntervaringsonderzoek Wmo over 2016 Onderzoeksrapportage 26 juni 2017 DATUM 26 juni 2017 Dimensus Beleidsonderzoek Wilhelminasingel 1a 4818 AA Breda [email protected] www.dimensus.nl (076) 515

Nadere informatie

ONTSLAGSTATISTIEK. Jaarrapportage 2004

ONTSLAGSTATISTIEK. Jaarrapportage 2004 ONTSLAGSTATISTIEK Jaarrapportage 2004 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Directie Arbeidsverhoudingen mei 2005 Inleiding Een arbeidsovereenkomst kan op verschillende wijzen eindigen. De gegevens

Nadere informatie

FORMELE GESPREKKEN, REGELDRUK EN REGELRUIMTE. Analyse op basis van het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek mei 2016

FORMELE GESPREKKEN, REGELDRUK EN REGELRUIMTE. Analyse op basis van het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek mei 2016 ARBEIDSMARKTPLATFORM PO. Van en voor werkgevers en werknemers FORMELE GESPREKKEN, REGELDRUK EN REGELRUIMTE Analyse op basis van het Personeels- en Mobiliteitsonderzoek 2014 mei 2016 1 Arbeidsmarktplatform

Nadere informatie

Kenmerk ontheffing in de Bijstands Uitkeringen Statistiek 2009 Versie 2

Kenmerk ontheffing in de Bijstands Uitkeringen Statistiek 2009 Versie 2 Centraal Bureau voor de Statistiek Divisie sociale en regionale statistieken (SRS) Sector statistische analyse voorburg (SAV) Postbus 24500 2490 HA Den Haag Kenmerk ontheffing in de Bijstands Uitkeringen

Nadere informatie

Werkgelegenheidsonderzoek 2010

Werkgelegenheidsonderzoek 2010 2010 pr ov i nc i e g r oni ng e n Wer kgel egenhei dsonder zoek Eenanal ysevandeont wi kkel i ngen i ndewer kgel egenhei di nde pr ovi nci egr oni ngen Werkgelegenheidsonderzoek 2010 Werkgelegenheidsonderzoek

Nadere informatie

Rapportage Marktverkenning Klimaatbeheersing Mei 2015

Rapportage Marktverkenning Klimaatbeheersing Mei 2015 Rapportage Marktverkenning Klimaatbeheersing Mei 205 Inhoudsopgave Managementsamenvatting 3 Inleiding 4. Achtergrondkenmerken bedrijven 5. Organisatorische kenmerken 5.2 Activiteiten 7.3 Omzet 9 2. Marktomvang-

Nadere informatie

Resultaten Conjunctuurenquete 1e helft 2014

Resultaten Conjunctuurenquete 1e helft 2014 Resultaten Conjunctuurenquete 1e helft 214 Willemstad, Maart 214 Inleiding In juni 214 zijn in het kader van de conjunctuurenquête (CE) de bedrijven benaderd met vragenlijsten op Curaçao. Doel van deze

Nadere informatie

Voorwoord. Het rapport is geschreven door Riemer Kemper onder begeleiding van ondergetekende.

Voorwoord. Het rapport is geschreven door Riemer Kemper onder begeleiding van ondergetekende. Voorwoord Dit rapport bevat de resultaten van een onderzoek naar de naleving van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) in 2005 onder vestigingen van ondernemingen in Nederland. Het betreft een herhaling

Nadere informatie

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010

Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010 FORUM Maart Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt 9-8e monitor: effecten van de economische crisis In steeg de totale werkloosheid in Nederland met % naar 26 duizend personen. Het werkloosheidspercentage

Nadere informatie

Trends in het gebruik van informele zorg en professionele zorg thuis: gebruik van informele zorg neemt toe

Trends in het gebruik van informele zorg en professionele zorg thuis: gebruik van informele zorg neemt toe Deze factsheet is een uitgave van het NIVEL. De gegevens mogen met bronvermelding (Trends in het gebruik van informele zorg en professionele zorg thuis: gebruik van informele zorg neemt toe, G. Waverijn

Nadere informatie

Samenwerkende gemeenten West- Brabant: gemeente Moerdijk

Samenwerkende gemeenten West- Brabant: gemeente Moerdijk Samenwerkende gemeenten West- Brabant: gemeente Cliëntervaringsonderzoek Wmo over 2015 Definitieve rapportage 4 augustus 2016 DATUM 4 augustus 2016 TITEL Cliëntervaringsonderzoek Wmo over 2015 ONDERTITEL

Nadere informatie

Kabinetsplannen: informatie voor werkende ouders

Kabinetsplannen: informatie voor werkende ouders Kabinetsplannen: informatie voor werkende ouders Let op: Het voorstel over de vaste toeslag van de overheid is opgenomen in het Belastingplan 2007. De Eerste Kamer moet hier nog mee akkoord gaan. De percentages

Nadere informatie

Besluit van (datum) tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang

Besluit van (datum) tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang Besluit van (datum) tot wijziging van het Besluit kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van (datum), Directie

Nadere informatie

JONGE MOEDERS EN HUN WERK

JONGE MOEDERS EN HUN WERK AMSTERDAMS INSTITUUT VOOR ARBEIDSSTUDIES (AIAS) UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM JONGE MOEDERS EN HUN WERK Onderzoek op basis van de Loonwijzer Kea Tijdens, AIAS, Universiteit van Amsterdam Maarten van Klaveren,

Nadere informatie

Opzet van het onderzoek. A.1 Achtergrond van het AVP. A.2 Beoogde onderzoekspopulatie

Opzet van het onderzoek. A.1 Achtergrond van het AVP. A.2 Beoogde onderzoekspopulatie Bijlage A Opzet van het onderzoek Arbeidsmarkt in kaart: werkgevers 2017 beschrijft de ontwikkelingen in de opvattingen en het personeelsbeleid van werkgevers ten aanzien van een aantal actuele beleidsthema

Nadere informatie

Zzp ers in de provincie Utrecht 2013. Onderzoek naar een groeiende beroepsgroep

Zzp ers in de provincie Utrecht 2013. Onderzoek naar een groeiende beroepsgroep Zzp ers in de provincie Utrecht 2013 Onderzoek naar een groeiende beroepsgroep Ester Hilhorst Economic Board Utrecht Februari 2014 Inhoud Samenvatting Samenvatting Crisis kost meer banen in 2013 Banenverlies

Nadere informatie

Stand van zaken huisvesting kinderopvang in Nederland 2011

Stand van zaken huisvesting kinderopvang in Nederland 2011 Stand van zaken huisvesting kinderopvang in Nederland 2011 Utrecht, juli 2011 Buitenhek Management & Consult Winthontlaan 200 Postbus 85183 3508 AD Utrecht T +030 287 59 59 F +030 287 59 60 [email protected]

Nadere informatie

Hoge werktevredenheid geen garantie voor doorwerken tot pensioen

Hoge werktevredenheid geen garantie voor doorwerken tot pensioen Hoge werktevredenheid geen garantie voor doorwerken tot pensioen 11 Meeste werknemers tevreden met het werk Acht op de tien werknemers (zeer) tevreden met hun werk Vrouwen vaker tevreden dan mannen Werknemers

Nadere informatie

Het aanbod van kinderopvang per eind 2004

Het aanbod van kinderopvang per eind 2004 Het aanbod van kinderopvang per eind 2004 Eindrapport Een onderzoek in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Sonja van der Kemp Marianne Kloosterman B2944 Leiden, 22 maart 2005

Nadere informatie

TEVREDEN WERKEN IN HET PRIMAIR ONDERWIJS. Onderzoek naar de tevredenheid en werkbeleving van personeel in het primair onderwijs.

TEVREDEN WERKEN IN HET PRIMAIR ONDERWIJS. Onderzoek naar de tevredenheid en werkbeleving van personeel in het primair onderwijs. ARBEIDSMARKTPLATFORM PO. Van en voor werkgevers en werknemers TEVREDEN WERKEN IN HET PRIMAIR ONDERWIJS Onderzoek naar de tevredenheid en werkbeleving van personeel in het primair onderwijs april 2016 1

Nadere informatie

Voorkeursbeleid bij. werving en selectie. Tilburg, april 2004. R. Hermanussen E. Schellekens T. Serail IVA

Voorkeursbeleid bij. werving en selectie. Tilburg, april 2004. R. Hermanussen E. Schellekens T. Serail IVA Voorkeursbeleid bij werving en selectie Tilburg, april 2004 R. Hermanussen E. Schellekens T. Serail IVA Uitgever: IVA Warandelaan 2, Postbus 90153, 5000 LE Tilburg Telefoonnummer: 013-4668466, telefax:

Nadere informatie

ONTSLAGSTATISTIEK. Jaarrapportage 2005

ONTSLAGSTATISTIEK. Jaarrapportage 2005 ONTSLAGSTATISTIEK Jaarrapportage 2005 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Directie Arbeidsverhoudingen april 2005 Inleiding Een arbeidsovereenkomst kan op verschillende wijzen eindigen. De

Nadere informatie

Hoofdstuk 12. Arbeidsmarkt

Hoofdstuk 12. Arbeidsmarkt Hoofdstuk 12. Arbeidsmarkt Samenvatting De potentiële beroepsbevolking wordt gedefinieerd als alle inwoners van 15-64 jaar en bestaat uit ruim 86.000 Leidenaren. Van hen verricht 7-74% betaald werk voor

Nadere informatie

Hoofdstuk 24 Financiële situatie

Hoofdstuk 24 Financiële situatie Hoofdstuk 24 Financiële situatie Samenvatting De gemeente voert diverse inkomensondersteunende maatregelen uit die bedoeld zijn voor huishoudens met een lager inkomen. Zes op de tien Leidenaren zijn bekend

Nadere informatie

Artikelen. Overwerken in Nederland. Ingrid Beckers en Clemens Siermann

Artikelen. Overwerken in Nederland. Ingrid Beckers en Clemens Siermann Overwerken in Nederland Ingrid Beckers en Clemens Siermann In 4 werkte 37 procent de werknemers in Nederland regelmatig over. Bijna een derde het overwerk is onbetaald. Overwerk komt het meeste voor onder

Nadere informatie

Onderzoeksvraag zoals geformuleerd door SZW

Onderzoeksvraag zoals geformuleerd door SZW aan SZW van Peter-Paul de Wolf en Sander Scholtus (Senior) methodoloog onderwerp Aandeel 0-jarigen onder aanvragen toeslag kinderdagopvang datum 5 september 2018 Inleiding Naar aanleiding van een voorgestelde

Nadere informatie

ONTSLAGSTATISTIEK. Jaarapportage 2008

ONTSLAGSTATISTIEK. Jaarapportage 2008 ONTSLAGSTATISTIEK Jaarapportage 2008 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Directie Arbeidsverhoudingen Mei 2009 Inleiding Een arbeidsovereenkomst kan op verschillende wijzen eindigen. De gegevens

Nadere informatie

Meting tevredenheid werkgevers AANSLUITING MBO-ARBEIDSMARKT [ ]

Meting tevredenheid werkgevers AANSLUITING MBO-ARBEIDSMARKT [ ] Meting tevredenheid werkgevers AANSLUITING MBO-ARBEIDSMARKT [12-3-2018 ] 1. Inleiding Op 14 oktober 2015 heeft Tweede Kamerlid Straus een motie ingediend om een indicator voor de tevredenheid van werkgevers

Nadere informatie

ONTSLAGSTATISTIEK. Jaarrapportage 2006

ONTSLAGSTATISTIEK. Jaarrapportage 2006 ONTSLAGSTATISTIEK Jaarrapportage 2006 Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Directie Arbeidsverhoudingen juli 2007 Inleiding Een arbeidsovereenkomst kan op verschillende wijzen eindigen. De gegevens

Nadere informatie

AFM Consumentenmonitor najaar 2014 Beleggers

AFM Consumentenmonitor najaar 2014 Beleggers AFM Consumentenmonitor najaar 2014 Beleggers November 2014 GfK 2014 AFM Consumentenmonitor November 2014 1 Beleggingsportefeuille GfK 2014 AFM Consumentenmonitor November 2014 2 Zes op de tien beleggers

Nadere informatie

Werkbelevingsonderzoek 2013

Werkbelevingsonderzoek 2013 Werkbelevingsonderzoek 2013 voorbeeldrapport Den Haag, 17 september 2014 Ipso Facto beleidsonderzoek Raamweg 21, Postbus 82042, 2508EA Den Haag. Telefoon 070-3260456. Reg.K.v.K. Den Haag: 546.221.31. BTW-nummer:

Nadere informatie

53% 47% 51% 54% 54% 53% 49% 0% 25% 50% 75% 100% zeer moeilijk moeilijk komt net rond gemakkelijk zeer gemakkelijk

53% 47% 51% 54% 54% 53% 49% 0% 25% 50% 75% 100% zeer moeilijk moeilijk komt net rond gemakkelijk zeer gemakkelijk 30 FINANCIËLE SITUATIE In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële situatie van de Leidse burgers. In de enquête wordt onder andere gevraagd hoe moeilijk of gemakkelijk men rond kan komen met het

Nadere informatie

Opzet en uitvoering onderzoek 'Motie Straus'

Opzet en uitvoering onderzoek 'Motie Straus' Opzet en uitvoering onderzoek 'Motie Straus' Aansluiting mbo-opleidingen op de arbeidsmarkt gev16-0731mr/bes_alg 1 1. Inleiding Aanleiding en achtergrond onderzoek Op 14 oktober 2015 heeft Tweede Kamerlid

Nadere informatie

Rapportage Onderzoek Lerarentekort

Rapportage Onderzoek Lerarentekort Rapportage Onderzoek Lerarentekort In opdracht van: Contactpersoon: PO-Raad Onika Pinkus Utrecht, juli 2018 Postbus 681 3500 AR Utrecht Telefoon: 0302631080 e-mail: [email protected] website:

Nadere informatie

Onderzoek Trappers. rapportage. Opdrachtgever. Opdrachtnemer. Nationale Fiets Projecten Postbus 594 8440 AN Heerenveen

Onderzoek Trappers. rapportage. Opdrachtgever. Opdrachtnemer. Nationale Fiets Projecten Postbus 594 8440 AN Heerenveen Onderzoek Trappers rapportage Opdrachtgever Nationale Fiets Projecten Postbus 594 8440 AN Heerenveen Opdrachtnemer DTV Consultants B.V. Ruben van den Hamsvoort en Alex van Ingen POM 8267 Breda, maart 2009

Nadere informatie

Ouderschapsverlof. Ingrid Beckers en Clemens Siermann

Ouderschapsverlof. Ingrid Beckers en Clemens Siermann Ouderschapsverlof Ingrid Beckers en Clemens Siermann Ruim een kwart van de werknemers in Nederland die in 24 recht hadden op ouderschapsverlof, hebben daarvan gebruik gemaakt. nemen veel vaker ouderschapsverlof

Nadere informatie

Rapportage bijzondere bijstand 2014

Rapportage bijzondere bijstand 2014 Rapport Rapportage bijzondere bijstand 2014 Vinodh Lalta Thomas Slager 30 oktober 2015 CBS Den Haag Henri Faasdreef 312 2492 JP Den Haag Postbus 24500 2490 HA Den Haag +31 70 337 38 00 www.cbs.nl projectnummer

Nadere informatie

1 Inleiding: de metamorfose van de arbeidsmarkt

1 Inleiding: de metamorfose van de arbeidsmarkt 1 Inleiding: de metamorfose van de arbeidsmarkt 1.1 De beroepsbevolking in 1975 en 2003 11 1.2 De werkgelegenheid in 1975 en 2003 14 Halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw trok de gemiddelde Nederlandse

Nadere informatie

Monitor HH(T) 4 e kwartaalmeting

Monitor HH(T) 4 e kwartaalmeting Monitor HH(T) 4 e kwartaalmeting Marlijn Abbink-Cornelissen Marcel Haverkamp Janneke Wilschut 5 April 2016 1 Samenvatting Samenvatting Dit is het vijfde rapport van de monitor HH(T). Deze monitor inventariseert

Nadere informatie

Mannen geven veel vaker leiding dan vrouwen

Mannen geven veel vaker leiding dan vrouwen nen geven veel vaker leiding dan vrouwen Astrid Visschers en Saskia te Riele In 27 gaf 14 procent van de werkzame beroepsbevolking leiding aan of meer personen. Dit aandeel is de afgelopen jaren vrijwel

Nadere informatie

Mede mogelijk gemaakt door de RPC s in Limburg

Mede mogelijk gemaakt door de RPC s in Limburg Onderzoek Criminaliteit onder het Limburgse bedrijfsleven Mede mogelijk gemaakt door de RPC s in Limburg Inleiding Veilig ondernemen is een belangrijk thema bij de Kamer van Koophandel. Jaarlijks wordt

Nadere informatie

Doel van het onderzoek Inzicht bieden in de gevolgen van de Wet kinderopvang voor de verschillende gebruikersgroepen.

Doel van het onderzoek Inzicht bieden in de gevolgen van de Wet kinderopvang voor de verschillende gebruikersgroepen. SAMENVATTING 1. Doel en onderzoeksopzet De invoering van de Wet kinderopvang per 1 januari 2005 heeft veel veranderingen gebracht voor de gebruikers van formele kinderopvang in kinderdagverblijven (KDV),

Nadere informatie

Werktijden van de werkzame beroepsbevolking

Werktijden van de werkzame beroepsbevolking Werktijden van de werkzame beroepsbevolking Ingrid Beckers Ruim de helft van de werkzame beroepsbevolking werkte in 22 op onregelmatige tijden. Werken in de avonduren en op zaterdag komt het meeste voor.

Nadere informatie

Wat vinden kijkers en luisteraars van de Omroep Organisatie Groningen?

Wat vinden kijkers en luisteraars van de Omroep Organisatie Groningen? Wat vinden kijkers en luisteraars van de Omroep Organisatie Groningen? Marjolein Kolstein Juli 2017 www.os-groningen.nl BASIS VOOR BELEID Inhoud Samenvatting 2 1. Inleiding 3 1.1 Aanleiding van het onderzoek

Nadere informatie

Gebruik van kinderopvang

Gebruik van kinderopvang Gebruik van kinderopvang Saskia te Riele In zes van de tien gezinnen met kinderen onder de twaalf jaar hebben de ouders hun werk en de zorg voor hun kinderen zodanig georganiseerd dat er geen gebruik hoeft

Nadere informatie

Vrijwilligersbeleid. Rapportage flitsenquête ActiZ. ActiZ, organisatie van zorgondernemers. ICSB Marketing en Strategie Drs.

Vrijwilligersbeleid. Rapportage flitsenquête ActiZ. ActiZ, organisatie van zorgondernemers. ICSB Marketing en Strategie Drs. Rapportage flitsenquête ActiZ Vrijwilligersbeleid Voor ActiZ, organisatie van zorgondernemers Van ICSB Marketing en Strategie Drs. Yousri Mandour Datum 7 maart 2011 Pag. 1 Voorwoord Voor u liggen de resultaten

Nadere informatie

Gemeente Maastricht - Onderzoek & Statistiek

Gemeente Maastricht - Onderzoek & Statistiek Rapportage Pieter Honig & Simon van den Bighelaar Van den Bighelaar & Honig Onderzoeksbureau E-mail : [email protected] Opdrachtgever Drs. Paul Hinssen Gemeente Maastricht - Onderzoek & Statistiek Mosae Forum

Nadere informatie

Inventarisatie medewerkers met een arbeidsbeperking in openbare bibliotheken

Inventarisatie medewerkers met een arbeidsbeperking in openbare bibliotheken Inventarisatie medewerkers met een arbeidsbeperking in openbare bibliotheken Januari 2015 2 Inhoudsopgave 1. Inleiding... 5 1.1 Opzet... 5 1.2 Leeswijzer... 6 2. Inventarisatie medewerkers arbeidsbeperking...

Nadere informatie