Toescheiding van nationaliteit
|
|
|
- Dina Wauters
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Toescheiding van nationaliteit drs. D.P. van den Bosch Een aantal recente rechterlijke uitspraken waarin de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS) werd toegepast, c.q. uitgelegd bepaalt ons nog eens bij ons koloniale verleden. En bij het feit, dat de Nederlandse nationaliteit ook kan worden verkregen of verloren krachtens andere wetgeving dan de Rijkswet op het Nederlanderschap. 1. Toescheiding als bron van nationaliteit Het Nederlanderschap is een aangelegenheid van het Koninkrijk. Dat vloeit voort uit artikel 3, eerste lid onder c van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. 1 Dat brengt met zich mee dat het Nederlanderschap bij Rijkswet wordt geregeld en dat er niet verschillende soorten Nederlanders binnen het Koninkrijk zijn. Dat laatste is niet vanzelfsprekend. Eerst bij de wet van 21 december , in het spoor van de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië, werd een einde gemaakt aan het tweederangs Nederlanderschap van de inwoners van Indonesië, die tot dan toe op grond van de Wet op het Nederlands onderdaanschap de status van Nederlands onderdaan - niet - Nederlander genoten. Bij die wet werd tevens het Nederlanderschap uitgebreid tot de hele nationale bevolking van Suriname en de Nederlandse Antillen. Per 1 oktober 1962 werd de wet op het Nederlandse onderdaanschap geheel ingetrokken. Dat was de dag waarop het bestuur over Nieuw- Guinea werd overgedragen aan de Verenigde Naties. Op die datum verloren inwoners van Nieuw-Guinea het Nederlandse onderdaanschap. 3 Wijzigingen in het grondgebied van het Koninkrijk hebben een aantal keren geleid tot voorzieningen in het nationaliteitsrecht. Dat gebeurde met de zogenaamde Toescheidingsovereenkomsten, met Indonesië 4, respectievelijk met Suriname 5. 1 Wet van 28 october 1954, inwerking getreden 29 december 1954, laatstelijk gewijzigd bij Stb 2010, Stb Prof. Mr. G. R. de Groot, Handboek nieuw nationaliteitsrecht, Kluwer, Deventer Overeenkomst betreffende toescheiding van staatsburgers, opgenomen in de wet van 21 december 1949, Stb. J 570, in werking getreden op 27 december Trb. 1975, 132; Surinaams Tractatenblad 1981, 1 Digitale publicatiereeks Recht en Overheid
2 Het idee achter de toescheidingsovereenkomsten is, dat de nationaliteit werd toegekend aan personen die met het desbetreffende land het nauwst verbonden zijn en dat aan bepaalde groepen een optierecht werd verleend op de nationaliteit van het andere land. Zo bepaalt artikel 3 van de Toescheidingsovereenkomst met Indonesië, dat meerderjarige Nederlanders de Nederlandse nationaliteit behouden, maar dat zij bevoegd zijn, indien zij in Indonesië zijn geboren of aldaar tenminste zes maanden wonen te verklaren dat zij de Indonesische nationaliteit verkiezen. Artikel 5 bepaalt dan dat de onmiddellijk voor de soevereiniteitsoverdracht meerderjarige uitheemse Nederlandse onderdanen - niet - Nederlanders, die in Indonesië zijn geboren of daar wonen, de Indonesische nationaliteit verkrijgen, maar bevoegd zijn deze te verwerpen. Als zij geen andere nationaliteit dan de Nederlandse hadden herkregen zij deze vervolgens. 2. Woonplaats en vrije wil In artikel 3 van de Toescheidingsovereenkomst met Suriname is bepaald dat de Surinaamse nationaliteit wordt verkregen door alle meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren en op het tijdstip van de inwerkingtreding van de overeenkomst in Suriname wonen. Die verliezen dan het Nederlanderschap, want artikel 2 bepaalt dat het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit in gevolge de overeenkomst verlies van het Nederlanderschap tot gevolg heeft en het verkrijgen van het Nederlanderschap het verlies van de Surinaamse nationaliteit. Daarmee wordt de Nederlandse, respectievelijk de Surinaamse nationaliteit dus van rechtswege verkregen. Daarnaast kregen bepaalde groep personen een optie op nationaliteit. Meerderjarige Nederlanders die in Suriname geboren zijn verkregen de Surinaamse nationaliteit als zij de wil daartoe te kennen geven (artikel 5, eerste lid). En dat geldt ook voor bepaalde groepen Nederlanders die ten tijde van het verzoek in Suriname wonen (artikel 5, tweede lid), of op het tijdstip van de inwerkingtreding van de overeenkomst in Suriname wonen en binnen drie jaar de wil daartoe te kennen geven, mits zij op dat moment daar nog wonen (artikel 9). Het te kennen geven van die wil is vormvrij; er behoeft niet een schriftelijke verklaring te worden afgelegd; die wil kan ook uit gedragingen worden afgeleid. Artikel 5, tweede lid bevatte een bepaling die stelde dat, wanneer men in één van de categorieën personen met een optierecht viel, de Surinaamse nationaliteit van rechtswege werd verkregen (en de Nederlandse dus verloren) als men Digitale publicatiereeks Recht en Overheid
3 gedurende twee jaar in Suriname woonde. De Hoge Raad sprak echter uit, dat deze bepaling bedoeld was om de verkrijging van de nationaliteit te vergemakkelijken en dat dit artikel alleen mocht worden toegepast als aan de wil van betrokkene zijn tevoren vaststaande woonplaats prijs te geven in redelijkheid niet kon worden getwijfeld. 6 Bij protocol van 1994 werd deze bepaling overigens ingetrokken. 7 Voor de toescheiding van nationaliteit op het moment van de inwerkingtreding van de TOS is de werkelijke woonplaats van doorslaggevend belang. Zoals bovenvermeld kregen degenen die in Suriname waren geboren en op het moment van inwerkingtreding in Suriname woonachtig waren de Surinaamse nationaliteit; degenen die daar niet woonden behielden de Nederlandse nationaliteit. Of de woonplaats werkelijk van Suriname naar Nederland is verplaatst moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden waaruit kan worden afgeleid of men het voornemen had zich blijvend te vestigen. Dat besliste de Hoge Raad in de zaak van R. te G., die zich op 25 september 1975 in Amsterdam had gevestigd. Dat betrokkene zich vanwege familieomstandigheden nadien nog enige tijd in Suriname had opgehouden deed daaraan niet af. 8 De Overeenkomst bevat ook enkele mogelijkheden om een in gevolge de overeenkomst verkregen nationaliteit weer op te geven en de andere te verkrijgen. Artikel 8 bepaalt dat zij die de Surinaamse nationaliteit hebben verkregen en op het tijdstip van inwerkingtreding van de Overeenkomst een publiekrechtelijk dienstverband bezitten het Nederlanderschap herkrijgen als zij binnen een jaar daarna hun wil daartoe te kennen geven. Die regel geldt ook voor allen die de Surinaamse nationaliteit hebben gekregen doordat ze daar zijn geboren en er ten tijde van de inwerkingtreding van de Overeenkomst woonden, terwijl hun vader, of moeder als de vader wettelijk onbekend is, als Nederlander buiten Suriname is geboren. Ook zij herkrijgen het Nederlanderschap als zij binnen een jaar daartoe de wil te kennen hebben gegeven. Dat het verkrijgen en verliezen van het Nederlanderschap op grond van de TOS niet samenvalt met het verkrijgen en verliezen van de Nederlandse nationaliteit volgens de Rijkswet op het Nederlanderschap ondervond de heer B., die in 1952 op de Nederlandse Antillen werd geboren en in 1983 de Surinaamse nationaliteit door optie in gevolge de TOS verkreeg. Hij verzocht de Rechtbank te s - Gravenhage vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit had. Hij voerde daartoe aan dat 6 HR 19 februari 1982, nr. 5764, NJ 1983/193. Ook opgenomen in: Jurisprudentie nationaliteitsrecht , onder redactie van prof. Mr. G.R. de Groot, Reed Business, Amsterdam. 7 Trb. 1994, HR 4 maart 1980, rek.nr. 5131, NJ 1981/68, ook opgenomen in: Jurisprudentie nationaliteitsrecht Digitale publicatiereeks Recht en Overheid
4 hij op grond van artikel 8 van de TOS tijdig voor de Nederlandse nationaliteit had geopteerd en dat zijn wil bleek uit de reizen die hij naar Curacao en Nederland had gemaakt. De rechtbank beschouwde dit niet als voldoende blijk van een daarop gerichte wil en constateerde dat ook het voor de toepassing van dat artikel geëiste publiekrechtelijke dienstverband niet was aangetoond. B. deed echter ook een beroep op artikel V. tweede lid van de Rijkswet tot wijziging van de RWN 9.Dat artikel bepaalt dat degene die, op grond van artikel 15 aanhef en onder c van de RWN, zijn Nederlanderschap had verloren omdat hij tevens een andere nationaliteit bezat en een ononderbroken periode van 10 jaren in het land van die vreemde nationaliteit had gewoond, zijn Nederlanderschap toch niet had verloren als aan hem na 1 januari 1990 een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, dan wel een reisdocument in de zin van de Paspoortwet was verstrekt. De rechter liet dit buiten beschouwing omdat B. zijn Nederlanderschap had verloren op grond van de TOS en niet op grond van de RWN De positie van minderjarigen Ten aanzien van minderjarigen bepaalt de TOS dat zij de nationaliteit van hun ouders volgen: de nationaliteit van hun vader of, indien deze overleden of wettelijk onbekend is, die van hun moeder (artikel 6, eerste lid). Maar als de minderjarige met zijn moeder in een ander land verblijft dan de vader volgt hij de nationaliteit die de moeder in gevolge de Overeenkomst verkrijgt of behoudt. R. werd in 1959 geboren in Suriname; zijn ouders hadden toen de Nederlandse nationaliteit. Zij scheidden in De vader bleef in Suriname en kreeg bij de inwerkingtreding van de TOS de Surinaamse nationaliteit, terwijl zijn moeder voor die datum naar Nederland verhuisde en de Nederlandse nationaliteit behield. Zij was benoemd tot voogdes. R. woonde echter als minderjarige op 25 november 1975 in Suriname bij zijn grootmoeder, dus niet in hetzelfde land als zijn moeder. Na het overlijden van zijn grootmoeder vetrok R in 1976 naar zijn moeder in Nederland. R. vroeg de rechter vast te stellen dat hij Nederlander was, aanvoerend, dat de regeling artikel 6, tweede lid TOS ertoe zou strekken dat in onvolledige gezinnen de eenheid van nationaliteit werd bewaard. De Hoge Raad oordeelde echter dat dit beginsel niet uit de bepaling kon worden afgeleid. De beperking in het tweede lid tot minderjarigen die in een ander land wonen dan hun vader wijst er veleer op dat dit tweede lid bedoeld is geweest om te bevorderen dat minderjarigen zoveel mogelijk de nationaliteit behielden of verkregen die zij zouden hebben behouden of verkregen als zij op 25 november 1975 meerderjarig waren geweest. De HR oordeelde derhalve dat de lezing van de 9 Stb.2000, Rechtbank s-gravenhage, beschikking van 1 september 2011, nr /HA RK , ongepubliceerd. Digitale publicatiereeks Recht en Overheid
5 Staatssecretaris van Justitie moet worden aanvaard, dat feitelijk verblijf bij de moeder op 25 november 1975 in een ander land dan de vader de nationaliteit van de moeder doet volgen en een latere verhuizing daar geen rol in speelt. 11 Dat deze interpretatie nog steeds hout snijdt wordt nog eens duidelijk in twee recente uitspraken van de rechtbank van s-gravenhage over de uitleg van artikel 6, vierde lid van de TOS. Dit artikel zegt, dat de. minderjarigen de nationaliteit verkrijgen die zij, indien zij ten tijde van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst reeds meerderjarig waren geweest, zouden hebben gekregen dan wel hadden kunnen verkrijgen of behouden, door binnen vijf jaar na het bereiken van de meerderjarigheid hun wil daartoe te kennen te geven, mits deze nationaliteit is de nationaliteit waar zij dan woonplaats hebben. K. werd in 1960 in Suriname geboren als zoon van Nederlandse ouders. Zij woonden op het moment van inwerkingtreding van de TOS in Suriname en zij kregen allen dus de Surinaamse nationaliteit. Hij verzocht nu de rechtbank vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit had, omdat hij in juni 1984 bij de Nederlandse ambassade te Paramaribo voor de Nederlandse nationaliteit zou hebben geopteerd op grond van artikel 6, vierde lid van de TOS. Van het uitbrengen van een dergelijke optie was bij de IND niets bekend, maar de rechtbank kwam ook aan toetsing van dit argument niet toe. Die bepaalde dat K. de gelegenheid tot het uitbrengen van een optie niet had omdat hij, indien hij op 25 november 1975 meerderjarig zou zijn geweest, eveneens de Surinaamse nationaliteit zou hebben verkregen en de Nederlandse nationaliteit zou hebben verloren. De uitspraak van de Hoge Raad van citerend oordeelde de rechtbank: Artikel 6, lid 4, TOS berust niet op de gedachte dat een persoon die meerderjarig is geworden enkel daardoor de gelegenheid moet worden geboden alsnog te opteren voor een nationaliteit die afwijkt van die van de vader of eventueel moeder. Het artikel beoogt slechts een correctiemogelijkheid te bieden voor gevallen waarin de werking van de leden 1 en 2 ertoe leidt dat een minderjarige een andere nationaliteit verkrijgt dan hij/zij zou hebben verkregen indien hij/zei reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van inwerkingtreding van de TOS. 13 Hetzelfde oordeel en hetzelfde citaat gaf de rechtbank in het geval van P, die in maart 1975 werd geboren te Paramaribo en bij de soevereiniteitsoverdracht de nationaliteit van zijn (ongehuwde) moeder volgde die de Surinaamse nationaliteit verkreeg. Ook P. voerde aan dat hij ooit een optie had 11 HR 13 oktober 1981, rek.nr. 5593, RV 1981, nr. 32, ook opgenomen in: Jurisprudentie nationaliteitsrecht NJ 1988, nr Beschikking van de rechtbank s Gravenhage van 1 september 2011, rek.nr /HA RK , ongepubliceerd Digitale publicatiereeks Recht en Overheid
6 uitgebracht, maar ook in dit geval oordeelde de rechtbank dat hij daartoe niet in de gelegenheid was geweest Van rechtswege verkrijging Zoals boven opgemerkt werd in 1994 de bepaling ingetrokken die zei dat als men in een van de categorieën met een optierecht op de Surinaamse nationaliteit viel, die nationaliteit van rechtswege werd verkregen als men twee jaar in Suriname woonde. Van 1975 tot 1994 werkte die bepaling echter nog en de op die grond verkregen nationaliteit werkt uiteraard nog steeds door. In 2004 richtten drie verzoekers, twee ouders en hun kind, zich tot de rechtbank van s -Gravenhage met het verzoek vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezaten. Het verzoek riep zoveel vragen op dat de zaak eerst in 2009 tot een beslissing kwam 15 en dan nog niet voor het kind. Ten aanzien van hem nam de rechtbank eerst onlangs een beslissing. 16 De verzoekers voerden aan dat zij op 25 november 1975 in Nederland verbleven en dus de Nederlandse nationaliteit hadden behouden. Zij waren terug naar Suriname gegaan om een zieke vader te verzorgen en toen zij terug zouden keren was dat niet meer mogelijk omdat de financiën dat niet toelieten. Tegen wil en dank zouden zij in Suriname zijn gebleven. De rechtbank constateerde echter dat de man van het echtpaar een vaste baan had bij het ministerie van Landbouw en wees het financiële argument van de hand. Maar sterker nog was de aanwijzing van een op verblijf in Suriname gerichte wil, dat het echtpaar in de loop van de jaren een Surinaams paspoort hadden gekregen, daar niet tegen hadden geprotesteerd en het zelfs hadden verlengd. Het door de Hoge Raad gestelde criterium dat aan de op het verblijf gerichte wil redelijkerwijs niet kon worden getwijfeld wordt door de rechtbank niet aangehaald. Uit de omstandigheden zou nog afgeleid kunnen worden dat het echtpaar zich op zeker moment bij het onvermijdelijke heeft neergelegd. Maar nu niet blijkt van enige actie in de jaren tussen 1980 en 1994 die gericht zijn op het verwerpen van de Surinaamse nationaliteit moet toch worden aangenomen dat aan de wil tot permanente vestiging niet behoeft te worden getwijfeld. Doorslaggevend was in deze zaak echter, vanaf welk moment nu kon worden aangenomen dat de twee- jaarstermijn van artikel 5, tweede lid was aangevangen. Als het kind was geboren voor het verstrijken van de termijn zou het immers de Nederlandse nationaliteit nog van zijn ouders hebben verkregen. Dit werd nu onlangs door de rechtbank tot een beslissing gebracht. Zij leidt uit het verhaal 14 Beschikking van de rechtbank te s Gravenhage van 1 september 2011, rek.nl /HA RK , ongepubliceerd 15 Beschikking van de Rechtbank s- Gravenhage van 7 mei 2009, rek.nr / HA RK , ongepubliceerd 16 Beschikking van de Rechtbank s- Gravenhage van 22 september 2011, rek.nr / HA RK , ongepubliceerd Digitale publicatiereeks Recht en Overheid
7 van de verzoekers af dat zij nog in 1981 en 1982 plannen hadden om naar Nederland te vertrekken, maar nadien niet meer. Een rol speelt daarbij dat ook de andere twee kinderen van het echtpaar de Nederlandse nationaliteit bezaten. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de termijn pas begin 1983 is gaan lopen en dat F., geboren in 1982, de Nederlandse nationaliteit van zijn ouders heeft verkregen. Die verkrijging heeft dan, zoals de rechtbank overweegt, niet plaats gevonden op grond van de TOS, maar op grond van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892, de voorloper van de Rijkswet op het Nederlanderschap! Het verlies van de Nederlandse nationaliteit door de ouders heeft naar het oordeel van de rechtbank geen gevolgen voor de nationaliteit van F. De rechtbank onderbouwt dit laatste niet verder. Denkbaar zou zijn, dat nog zou worden nagegaan of één van de verliesgronden van artikel 15 RWN hier van toepassing is. Dat artikel bepaalt onder meer dat het minderjarige kind van wie de ouders vrijwillig een andere nationaliteit aannemen in dit verlies deelt. Maar het is de vraag of de RWN al gold op het moment dat de Nederlandse nationaliteit werd verloren en ook of van rechtswege verkrijging in dit geval als een vrijwillige aanvaarding van een andere nationaliteit moet worden gezien. Kennelijk vond de rechtbank het niet nodig om daar nog overwegingen aan te besteden. Een andere aantekening die bij deze zaak kan worden gemaakt is, dat hij draait om omstandigheden van bijna dertig jaar geleden. Sinds die tijd kunnen allerlei omstandigheden veranderd zijn, die hier niet aan de orde hebben kunnen komen en die hebben kunnen leiden tot een wijziging in de nationaliteitsrechtelijke status. 5. Conclusie In de eerste plaats worden we met de aangehaalde recente uitspraken nog eens bepaald bij het feit dat de Nederlandse nationaliteit niet alleen wordt verkregen en verloren op basis van de Rijkswet op het Nederlanderschap en zijn voorgangers, maar ook door de toescheidingsovereenkomsten en dat deze een geheel eigen domein vormen. Daarbij wordt eens te meer duidelijk dat regelingen uit het verleden inzake nationaliteit nog tot in lengten van dagen gevolgen hebben. Dat geldt in het nationaliteitsrecht steeds. Eenmaal ingetreden rechtsgevolgen van toepassingen van wetten werken generaties lang door, ook als die regelingen zijn op het eerste gezicht zijn uitgewerkt. Daarbij speelt een rol dat ons nationaliteitsrecht vooral is gebaseerd op het ius sanguine, waarin de nationaliteit door afstamming wordt doorgegeven. Digitale publicatiereeks Recht en Overheid
8 De toepassing van die oude regelingen brengt vervolgens het probleem met zich mee dat omstandigheden van lang geleden soms moeten worden gereconstrueerd. Het valt niet mee om na dertig jaar nog vast te stellen of iemand indertijd zijn wil te kennen heeft gegeven om nationaliteit te verwerven, of om zich permanent ergens te vestigen. Dit klemt het meeste bij van rechtswege verkrijging. Het lijkt aanbevelenswaardig om je rechten rechtsreeks uit de wet af te kunnen leiden, maar de rechtszekerheid is toch gediend met beslissingen die duidelijk maken of men een nationaliteit bezit. Hiermee is een belangrijk element voor het wetgevingsbeleid inzake het nationaliteitsrecht gegeven. Dit realiseerde de Tweede Kamer zich overigens ook al toen zij in het debat over de nationaliteit van Hirsi Ali de motie van Van der Vlies (SGP) aannam en daarmee uitsprak: Overwegende dat uit het oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming een expliciete bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap met de daarmee verbonden beleidsvrijheid veruit de voorkeur verdient boven een constatering (rechtsoordeel) dat het Nederlanderschap nooit is verkregen indien onjuiste persoonsgegevens zijn verstrekt, verzoekt de regering te bevorderen dat, zo nodig door het voorbereiden van een wetswijziging, in de toekomst in dergelijke gevallen een expliciet besluit over al dan niet intrekking van het Nederlanderschap wordt genomen waarin alle omstandigheden voluit kunnen worden meegewogen, 17 Voor wat betreft het vaststellen van de wil tot verkrijgen van nationaliteit heeft de Hoge Raad een aanknopingspunt geformuleerd dat de burgers terecht beschermt: aan zijn wil moet redelijkerwijs niet kunnen worden getwijfeld. Uit de zaken rond minderjarigen zou verder opgemaakt kunnen worden dat er een behoefte is om aan minderjarigen een zekere mate van zeggenschap te geven in de verkrijging of het verlies van hun nationaliteit. De Rijkswet op het Nederlanderschap schrijft in artikel 16 voor dat het verlies van het Nederlanderschap bij het afleggen van een verklaring van afstand van nationaliteit niet intreedt zolang de minderjarige van 12 jaar of ouder niet is gehoord. De minderjarige van 16 jaar of ouder legt de verklaring van afstand zelf af. De TOS bevat echter niet dit soort voorzieningen. Wellicht zou de zeggenschap van minderjarigen zaken als de hier besprokene hebben voorkomen. 17 TK 30559, nr. 2 Digitale publicatiereeks Recht en Overheid
Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname
(Tekst geldend op: 30-03-2014) Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (authentiek: nl) Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten
TRACTATENBLAD KONINKRIJK DER NEDERLANDEN. JAARGANG 1975 Nr. 132
28 (1975) Nr. 1 TRACTATENBLAD VANHET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN JAARGANG 1975 Nr. 132 A. TITEL Toescheidingsov er eenkomst inzake nationaliteiten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname;
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1992-1993 23029(R1461) Wijzigïng van de Rijkswet op het Nederlanderschap Nr. 1 KONINKLIJKE BOODSCHAP Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Staten van
ECLI:NL:RBDHA:2017:5150
ECLI:NL:RBDHA:2017:5150 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 11052017 Datum publicatie 24052017 Zaaknummer C/09/501371 / HA RK 15544 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Personen
Gew. bij S.B. 1983 no. 104.
WET van 24 november 1975, tot regeling van het Surinamerschap en het Ingezetenschap (S.B.1975 no.4), gelijk zij luidt na de daarin aangebrachte wijzigingen bij S.B. 1983 no. 104, S.B. 1984 no. 55, S.B.
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2002 222 Rijkswet van 18 april 2002 tot aanpassing van enige onderdelen van de Rijkswet op het Nederlanderschap en van de Rijkswet van 21 december
14 Nederlands nationaliteitsrecht
MONOGRAFIEËN PRIVAATRECHT Prof. mr. G.R. de Groot Prof. mr. M. Tratnik 14 Nederlands nationaliteitsrecht Vierde druk p. Kluwer a Wolters Kluwer business Kluwer - Deventer - 2010 INHOUDSOPGAVE Lijst van
1 of 12. Rijkswet op het Nederlanderschap. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen. (Tekst geldend op: 09-02-2015)
1 of 12 Rijkswet op het Nederlanderschap (Tekst geldend op: 09-02-2015) Rijkswet van 19 december 1984, houdende vaststelling van nieuwe, algemene bepalingen omtrent het Nederlanderschap ter vervanging
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 25 891 (R 1609) Wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap
Wijzigingen in de wet op het Nederlanderschap
Wijzigingen in de wet op het Nederlanderschap De wet op het Nederlanderschap is op belangrijke punten gewijzigd. Mogelijk hebben deze wijzigingen ook voor u belangrijke gevolgen. Ga na of u tot een van
Hoge Raad 13 januari 1989
Hoge Raad 13 januari 1989 rek.nr. 7375 (mrs Snijders, De Groot, Verburgh, Roelvink, Davids; A-G Mok) NJ 1990, 266 (met noot G.R. de Groot), RvdW 1989, nr. 24 [Rijkswet op het Nederlanderschap, artikelen
Overeenkomst betreffende de toescheiding van staatsburgers tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië
Overeenkomst betreffende de toescheiding van staatsburgers tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië Kernbeschrijving Deze overeenkomst bevat regels over
B 2 Molukkers 3. 1 Inleidinq
B 2 Molukkers 3 1 Inleidinq Met betrekking tot Molukkers dient onderscheid gemaakt te worden tussen die Molukkers waarop de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, en Molukkers waarop
Molukkers. Inleiding. Personen op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is
519 Molukkers Molukkers Inleiding Personen op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is Verlies en herkrijging van de behandeling als Nederlander Bewijs dat men als Nederlander
Mr. R.H. de Haas-Engel HETINDONESISCH NATIONALITEITSRECHT
Mr. R.H. de Haas-Engel HETINDONESISCH NATIONALITEITSRECHT KLUWER - DEVENTER - 1993 INHOUD VOORWOORD INHOUD LIJST VAN AFKORTINGEN LUST VAN INDONESISCHE TERMEN VII IX XV XVII HOOFDSTUK 1 INLEIDING 1 1 Probleemstelling
Herkrijgen van de Nederlandse nationaliteit door oud-nederlanders
Herkrijgen van de Nederlandse nationaliteit door oud-nederlanders 3 Missie IND Migratie stelt onze samenleving voor steeds veranderende en complexe vraagstukken. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)
ECLI:NL:CRVB:2014:3478
ECLI:NL:CRVB:2014:3478 Uitspraak 14/5824 WWB-VV 27 oktober 2014 Centrale Raad van Beroep Voorzieningenrechter Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening Partijen: [Verzoekster]te [woonplaats] (verzoekster)
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RBDHA:2016:14425
ECLI:NL:HR:2017:942 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 19-05-2017 Datum publicatie 19-05-2017 Zaaknummer 16/05572 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:104
Gemeenteraad van Haarlemmermeer Postbus AG Hoofddorp
Gemeenteraad van Haarlemmermeer Postbus 250 2130 AG Hoofddorp Bezoekadres: Raadhuisplein 1 Hoofddorp Telefoon 0900 1852 Telefax 023 567 63 55 Klant Contact centrum cluster Contactpersoon C.D.J. Knots Doorkiesnummer
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 84 6 januari 2016 Besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie van 3 december 2015, nummer WBN 2015/8, houdende
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 8423 3 april 2014 Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 26 maart 2014, nummer WBN 2014/1, houdende
Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814.
STAATSCOURANT Officiële uitgave van het Koninkrijk der Nederlanden sinds 1814. Nr. 12889 28 juni 2012 Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 juni 2012, nr. WBN 2012/3,
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2004 239 Besluit van 25 mei 2004 tot wijziging van het Besluit geslachtsnaamswijziging Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden,
JPF 2013/115 Rechtbank Den Haag 11 februari 2013, C/09/419508 FA RK 12-3722; ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3284. ( mr. Brakel )
JPF 2013/115 Rechtbank Den Haag 11 februari 2013, C/09/419508 FA RK 12-3722; ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ3284. ( mr. Brakel ) [De minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Frankrijk, wonende
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2009 2010 32 415 (R1915) Bepalingen omtrent de verlening van visa voor de toegang tot de landen van het Koninkrijk (Rijksvisumwet) Nr. 2 VOORSTEL VAN RIJKSWET
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2010 74 Wet van 4 februari 2010 tot wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet en de Algemene nabestaandenwet in verband met aanpassing aan de invoering
Correctie onbekende geboortedatum en onbekende nationaliteit
Correctie onbekende geboortedatum en onbekende nationaliteit 1. Algemeen In de BRP zijn personen ingeschreven met een gedeeltelijk onbekende geboortedatum en/of een onbekende nationaliteit. De Wet BRP
B1 O. Onderdanen van de Republiek Suriname
B1 O Onderdanen van de Republiek Suriname Onderdanen van de Republiek Suriname Algemeen Binnenkomst voor 25 november of na 24 november 1980 Binnenkomst voor 25 november 1980 (verkregen rechten) Binnenkomst
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2002 153 Wet van 14 maart 2002, houdende regeling van het conflictenrecht inzake de familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming (Wet
In samenwerking met de Expertgroep BCM
Vraag en antwoord categorie 04 Nationaliteit Versie 1.2 Datum 20 februari 2019 Status Definitief In samenwerking met de Expertgroep BCM Toelichting In de vraag en antwoord wordt vaak verwezen naar een
UITKERINGSVERORDENING vrijwillig vervroegd uittreden.
Nr 3213 ar. JZio GEMEENTE DORDRECHT UITKERINGSVERORDENING vrijwillig vervroegd uittreden. Artikel l Deze verordening verstaat onder: a. ontslag: ontslag als bedoeld in artikel H 12a van het Algemeen Ambtenarenreglement
Artikel I. De Rijkswet op het Nederlanderschap wordt als volgt gewijzigd:
Wijziging van Rijkswet op het Nederlanderschap ter verruiming van de mogelijkheden voor het ontnemen en verlies van het Nederlanderschap bij terroristische activiteiten Allen, die deze zullen zien of horen
Rapport. Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/312
Rapport Datum: 30 september 2005 Rapportnummer: 2005/312 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) incorrecte informatie heeft verschaft in de brochure en op de
HUWELIJK MET INTERNATIONALE ASPECTEN HUWELIJK OVER DE GRENZEN
HUWELIJK MET INTERNATIONALE ASPECTEN HUWELIJK OVER DE GRENZEN Dit gedeelte van de site gaat over het huwelijksvermogensrecht in internationaal verband. De belangrijkste regels van het hiermee samenhangende
Model 1.40a HRWN: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, RWN
Model 1.40a HRWN: Optieverklaring op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder k, RWN (geslachts)na(a)m(en) :.. voorna(a)m(en) :.. geboortedatum :.. geboorteplaats en geboorteland :.. nationaliteit(en)
Rapport. Rapport betreffende een klacht over het Nederlandse consulaat te Barcelona (Spanje). Bestuursorgaan: de minister van Buitenlandse Zaken.
Rapport Rapport betreffende een klacht over het Nederlandse consulaat te Barcelona (Spanje). Bestuursorgaan: de minister van Buitenlandse Zaken. Datum: 13 juli 2012 Rapportnummer: 2012/114 2 Klacht Op
Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime,
Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime De Staten die dit Verdrag hebben ondertekend, Geleid door de wens gemeenschappelijke bepalingen vast te stellen betreffende
ECLI:NL:HR:2013:983. Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-10-2013 Datum publicatie
ECLI:NL:HR:2013:983 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-10-2013 Datum publicatie 18-10-2013 Zaaknummer 12/03380 Formele relaties Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:52, Gevolgd In cassatie op : ECLI:NL:GHSGR:2012:BW8529,
In samenwerking met de Expertgroep BCM
Vraag en antwoord categorie 04 Nationaliteit Versie 1.1 Datum 12 november 2018 Status Definitief In samenwerking met de Expertgroep BCM Toelichting In de vraag en antwoord wordt vaak verwezen naar een
B 19 Voortgezet verbliif 19
B 19 Voortgezet verbliif 19 4 Voortgezet verblijf van vreemdelingen die voor verblijf bij (huwelijks-)partner of voor verruimde gezinshereniginp zijn toegelaten na verlies van de afhankeliike verblijfstitel
TOELATINGSBELEID CURACAO 2016
TOELATINGSBELEID CURACAO 2016 Beleid inzake de toepassing van de Landsverordening Toelating en Uitzetting (P.B. 1996, no.17), zoals gewijzigd, en Het Toelatingsbesluit (P.B. 1985, o. 57), zoals gewijzigd
5) Is het kind als wettig kind geboren of erkend of gewettigd?
Vra~enlijst I. Bi j lage G-9-a 1) Was de betrokkene op 24 november 1975 Nederlander? Zo neen, dan is hij/zij het ook op 25 november 1975 of later niet, tenzij hi j/zi j aantoont dat hi j/zi j intussen
Is een prenatale aantekening in het gezagsregister van gezamenlijk gezag van ongehuwde ongeregistreerde ouders mogelijk?
Rotterdam Institute of Private Law Accepted Paper Series Is een prenatale aantekening in het gezagsregister van gezamenlijk gezag van ongehuwde en ongeregistreerde ouders mogelijk? A.J.M. Nuytinck Published
Heeft, na goedkeuring door De Nationale Assemblee, de Staatsraad gehoord, bekrachtigd de onderstaande wet:
Wet van houdende vaststelling van de status van Personen van Surinaamse Afkomst en de Rechten en Plichten die uit die status voortvloeien (Wet PSA) ---------------------------------------------------------------
Een Chinese identiteitsverwarring? Verlies van Nederlanderschap bij onzekerheid over de identiteit
Een Chinese identiteitsverwarring? Verlies van Nederlanderschap bij onzekerheid over de identiteit Susanne Mooij 1 De casus 1 De heer Xiaojun Wang werd op 8 november 1972 te Terneuzen als illegale vreemdeling
PUBLICATIEBLAD. LANDSVERORDENING van de 8'*^mei 2010 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek^ (Landsverordening herziening namenrecht)
A 2010 l**l N 29 PUBLICATIEBLAD LANDSVERORDENING van de 8'*^mei 2010 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek^ (Landsverordening herziening namenrecht) IN NAAM DER KONINGIN! In overweging genomen
