Uitspraak /1/A2
|
|
|
- Willem Verstraeten
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Uitspraak /1/A2 Datum van uitspraak: Tegen: Proceduresoort: Rechtsgebied: /1/A2. Datum uitspraak: 21 januari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK woensdag 21 januari 2015 Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], appellant, het bestuur van de raad voor rechtsbijstand Hoger beroep Algemene kamer - Hoger Beroep - Rechtsbijstand tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2014 in zaak nr. 13/7029 in het geding tussen: [appellant] en het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad). Procesverloop Bij besluit van 18 juni 2013 heeft de raad de aanvraag van [appellant] om een toevoeging afgewezen. Bij besluit van 21 oktober 2013 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend.
2 De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2015, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. L.J.G. Voorn, advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. E.J.W. Reijnders, beiden werkzaam aldaar, zijn verschenen. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, in het bijzonder het recht zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) wordt rechtsbijstand verleend door door het bestuur ingeschreven advocaten. Ingevolge artikel 14 worden alle in Nederland kantoor houdende advocaten die daartoe een aanvraag hebben ingediend, door de raad ingeschreven indien zij voldoen aan de in artikel 15 bedoelde voorwaarden. De raad kan regels stellen met betrekking tot deze voorwaarden. Ingevolge artikel 15, aanhef en onder b, kunnen de door de raad te stellen regels met betrekking tot de voorwaarden betrekking hebben op de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden. Ingevolge artikel 6 van de Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2013 krachtens de Wrb, versie per 1 september 2013 (hierna: de Inschrijvingsvoorwaarden) stelt de raad ten aanzien van een zevental rechtsgebieden bijzondere deskundigheidsvereisten in. Het betreft hier rechtsgebieden die ofwel specialistische kennis vereisen, ofwel vereisen dat de advocaat zich verdiept in en beperkt tot een aantal samenhangende rechtsgebieden. De inschrijving op deze rechtsgebieden moet worden aangevraagd door middel van een afzonderlijk formulier. De gestelde vereisten gelden voor de toelating dan wel de voortzetting van de inschrijving. Als de advocaat niet is ingeschreven voor het desbetreffende rechtsgebied, is het hem niet toegestaan zaken op het betreffende rechtsgebied te behandelen of daarvoor toevoeging te verzoeken. Ingevolge artikel 6g gelden deskundigheidsvereisten voor verstrekkingen van toevoegingen in zaken betreffende het personen- en familierecht. Deze vereisten zijn neergelegd in bijlage 3 van de Inschrijvingsvoorwaarden. Ingevolge bijlage 3 dient een advocaat die voorwaardelijk ingeschreven wil worden op het terrein van het personen- en familierecht te voldoen aan de algemene inschrijvingsvoorwaarden en bovendien aan de volgende specifieke vereisten:
3 a. het met succes voltooid hebben van een basisopleiding personen- en familierecht ter waarde van 20 studiepunten of een ten minste vergelijkbare instapopleiding, althans aan te tonen dat hij zich voor een dergelijke opleiding heeft aangemeld of; b. het met succes voltooid hebben van de major Burgerlijk Recht (leerjaar 1) van de Beroepsopleiding Advocaten nieuwe stijl van de Orde en zich aangemeld hebben voor het keuzevak van 5 dagdelen Personen- en familierecht en erfrecht (leerjaar 2) en het klein keuzevak Relatievermogensrecht van de Beroepsopleiding Advocaten nieuwe stijl. Verder dient de advocaat: c. bereid zijn om de gedragscode voor advocaten in het Personen- en familierecht te hanteren (bijlage 4). d. gedurende de voorwaardelijke inschrijving dient de advocaat tenminste 10 toevoegingen in dit rechtsgebied per jaar te behandelen onder begeleiding van een ervaren en op dit vakgebied ingeschreven advocaat. Na voorwaardelijke inschrijving kan de advocaat onvoorwaardelijk worden ingeschreven als hij definitief aan de voorwaarden onder a. of. b. en c. en d. heeft voldaan. Constateert de raad al bij het eerste verzoek om inschrijving dat de advocaat aan de onder a. of b. en c. en d. genoemde vereisten heeft voldaan, dan wordt hij direct onvoorwaardelijk in geschreven. De advocaat dient vanaf het moment van onvoorwaardelijke inschrijving: c. 5 opleidingspunten per jaar te halen op dit rechtsterrein; d. ten minste 10 toevoegingen per jaar op dit rechtsterrein te behandelen. 2. [appellant] heeft de raad verzocht om een toevoeging van advocaat L.J.G. Voorn (hierna: de advocaat) ten behoeve van het voeren van verweer in hoger beroep in een zaak over het ouderlijk gezag over zijn kind. Bij besluit van 18 juni 2013, gehandhaafd bij besluit van 21 oktober 2013, heeft de raad die aanvraag afgewezen, omdat de advocaat op het rechtsgebied van personen- en familierecht niet is ingeschreven. 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de door de raad gestelde eisen in strijd zijn met artikel 6 van het EVRM. In dat kader voert hij aan dat het recht om een eigen advocaat te kiezen of aan te wijzen een onvervreemdbaar recht is van rechtzoekende, ook al verkeert hij in de positie dat hij een verzoek moet doen om in aanmerking te komen voor door de staat gefinancierde rechtsbijstand.
4 3.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus, dat de rechtbank heeft miskend dat de raad, gelet op het bepaalde in artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM, aanleiding had moeten zien artikel 15, aanhef en onder b, van de Wrb, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 6g van de Inschrijvingsvoorwaarden, buiten toepassing te laten De voormelde artikelen zijn, anders dan [appellant] heeft betoogd, niet in strijd met artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 juli 2005 in zaak nr /1), is het recht om een advocaat te kiezen in geval van kosteloze rechtsbijstand niet absoluut. Het recht op verdediging moet effectief zijn. Aangezien [appellant] zich had kunnen laten bijstaan door een advocaat die bij de raad in personen- en familierechtzaken staat ingeschreven, is daaraan, zoals ook de rechtbank terecht heeft geoordeeld, voldaan. Het betoog faalt. 4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het door de raad gehanteerde systeem ontoelaatbaar en onredelijk is. In dat kader voert hij aan dat een onafhankelijke, deskundige toetsing ontbreekt, nu een advocaat feitelijk zichzelf, op basis van de Inschrijvingsvoorwaarden, tot deskundige kan benoemen. Volgens [appellant] heeft de rechtbank dan ook te terughoudend getoetst en te veel waarde gehecht aan de Inschrijvingsvoorwaarden, nu die voorwaarden op zich geen aspecten van deskundigheid van een advocaat vormen. In dat kader wijst hij erop dat het bij bijscholingslessen uitsluitend gaat om het aanhoren van enkele kleine onderdelen van het recht die de docent nodig vindt en dat het de vraag is of een advocaat die tien zaken binnen het personen- en familierecht heeft gedaan al als specialist kan doorgaan, aangezien die zaken vaak vergelijkbaar zijn, terwijl het rechtsgebied heel ruim is. Dat het feit dat een advocaat bij de raad is ingeschreven als deskundige niet betekent dat hij ook echt deskundig is, blijkt voorts uit een door hem overgelegd vonnis, waaruit volgt dat de desbetreffende advocaat, die bij de raad als deskundige was ingeschreven, er niet van op de hoogte was dat kwesties die op een echtscheiding betrekking hebben bij verzoekschrift worden ingeleid, aldus [appellant] De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2006 in zaak nr /1, terecht overwogen dat de bepalingen in de Inschrijvingsvoorwaarden algemeen verbindende voorschriften zijn. De Inschrijvingsvoorwaarden kunnen slechts buiten toepassing worden gelaten, indien deze in strijd zijn met een hoger wettelijk voorschrift dan wel met een algemeen rechtsbeginsel. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag om de verschillende belangen, die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. De rechter heeft daarbij niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend naar eigen inzicht vast te stellen en heeft ook overigens daarbij terughoudendheid te betrachten (vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011 in zaak nr /1/R3).
5 4.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 15, aanhef en onder b, van de Wrb volgt dat de achtergrond van deze bepaling is dat langzamerhand de opvatting gemeengoed is dat een advocaat niet het hele gebied van het recht kan bestrijken en dat daarom de inschrijving beperkt kan worden tot enkele gebieden waarop de advocaat geacht wordt deskundig te zijn. Daarbij is opgemerkt dat de deskundigheid van een advocaat in bepaalde rechtsgebieden getoetst kan worden aan de hand van het aantal op die gebieden behandelde zaken of het gevolgd hebben van speciale cursussen (Kamerstukken II, 1991/1992, , nr. 3, blz. 8). Nu de deskundigheidsvereisten die de raad heeft opgesteld aldus aansluiten bij hetgeen de wetgever hieromtrent voor ogen stond, heeft de rechtbank terecht in het betoog van [appellant] geen grond gevonden voor het oordeel dat de Inschrijvingsvoorwaarden voormelde, terughoudende exceptieve toets niet kunnen doorstaan. Dat [appellant] van mening is dat de deskundigheid niet aan de hand van een bepaalde opleiding of een bepaald opleidingsniveau kan worden vastgesteld, doet hier niet aan af. Het betoog faalt. 5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier. w.g. Drupsteen w.g. Bindels voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 januari
ECLI:NL:RVS:2014:3559 Deeplink http://d
ECLI:NL:RVS:2014:3559 Deeplink http://d Instantie Raad van State Datum uitspraak 01-10-2014 Datum publicatie 01-10-2014 Zaaknummer 201309659/1/A3 Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Hoger
ECLI:NL:RVS:2014:3998
ECLI:NL:RVS:2014:3998 Instantie Raad van State Datum uitspraak 05-11-2014 Datum publicatie 05-11-2014 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201403900/1/A3 Eerste
het college van gedeputeerde staten van Zeeland.
. Datum uitspraak: 5 augustus 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: [appellant A], [appellant B], wonend te [woonplaats], [appellant C], wonend te [woonplaats], [appellant
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:7684, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:RVS:2017:313 Instantie Raad van State Datum uitspraak 08-02-2017 Datum publicatie 08-02-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201600609/1/A1 Eerste
het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder.
Zaaknummer: 2008/008 Rechter(s): mrs. Loeb, Lubberdink, Mollee Datum uitspraak: 20 juni 2008 Partijen: appellant tegen college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Bijzondere omstandigheden,
ECLI:NL:RVS:2015:1791
ECLI:NL:RVS:2015:1791 Instantie Raad van State Datum uitspraak 10-06-2015 Datum publicatie 10-06-2015 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201408896/1/A1 Eerste
ECLI:NL:CRVB:2016:3181
ECLI:NL:CRVB:2016:3181 Instantie Datum uitspraak 22-08-2016 Datum publicatie 29-08-2016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 16/3877 PW-VV Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RVS:2015:3038
ECLI:NL:RVS:2015:3038 Instantie Raad van State Datum uitspraak 30-09-2015 Datum publicatie 30-09-2015 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201500566/1/A2 Bestuursrecht Hoger
ECLI:NL:RVS:2017:1848
ECLI:NL:RVS:2017:1848 Instantie Raad van State Datum uitspraak 12-07-2017 Datum publicatie 12-07-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201607276/1/A3 Eerste
Uitspraak /1/A1
pagina 1 van 5 Uitspraak 201506029/1/A1 Datum van uitspraak: woensdag 14 september 2016 Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug Proceduresoort: Hoger beroep Rechtsgebied:
ECLI:NL:RVS:2017:1691
ECLI:NL:RVS:2017:1691 Instantie Raad van State Datum uitspraak 28-06-2017 Datum publicatie 28-06-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201603121/1/A3 Eerste
het College van Beroep voor de Examens van de Hogeschool Utrecht (hierna: het CBE), verweerder.
Zaaknummer : 2013/068 Rechter(s) : mrs. Nijenhof, Olivier, Borman Datum uitspraak : 6 november 2013 Partijen : Appellante tegen CBE Hogeschool Utrecht Trefwoorden : Beleidsvrijheid, in stand laten rechtsgevolgen,
LJN: BX6509, Raad van State, 201201225/1/A1. Datum uitspraak: 05-09-2012 Datum publicatie: 05-09-2012
LJN: BX6509, Raad van State, 201201225/1/A1 Datum uitspraak: 05-09-2012 Datum publicatie: Rechtsgebied: 05-09-2012 Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Afwijzing handhavingsverzoek
Zaaknummer : 2014/150 : mrs. Olivier, Borman, Hoogvliet Datum uitspraak : 16 december 2014 : Appellante en Vrije Universiteit Amsterdam
Zaaknummer : 2014/150 Rechter(s) : mrs. Olivier, Borman, Hoogvliet Datum uitspraak : 16 december 2014 Partijen : Appellante en Vrije Universiteit Amsterdam Trefwoorden : Bevoegdheid College Bekostiging
het college van beroep voor de examens van Fontys Hogescholen (hierna: CBE), verweerder.
Zaaknummer : 2013/041 Rechter(s) : mrs. Olivier, Troostwijk, Scholten-Hinloopen Datum uitspraak : 12 juni 2013 Partijen : Appellante tegen CBE Fontys Hogescholen Trefwoorden : Beoordeling, bindend negatief
ECLI:NL:RVS:2017:1925
ECLI:NL:RVS:2017:1925 Instantie Raad van State Datum uitspraak 19-07-2017 Datum publicatie 19-07-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201602656/1/A2 Eerste
3 oktober 2012 heeft plaatsgevonden, leidt niet tot een ander oordeel.
Zaaknummer : 2013/073 Rechter(s) : mrs. Loeb, Troostwijk, Van der Spoel Datum uitspraak : 7 oktober 2013 Partijen : Appellante tegen Rijksuniversiteit Groningen Trefwoorden : Aanmelding, afstudeertijdstip,
vanstate /1/V6. Datum uitspraak: 28 maart 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK
Raad vanstate 201108441/1/V6. Datum uitspraak: 28 maart 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
Raad vanstate 201 201474/1 A/4. Datum uitspraak: 23 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
ECLI:NL:RVS:2016:2348
ECLI:NL:RVS:2016:2348 Instantie Raad van State Datum uitspraak 31-08-2016 Datum publicatie 31-08-2016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201506454/1/A3 Bestuursrecht Hoger
het college van beroep voor de examens van de Saxion Hogeschool (hierna: CBE), verweerder.
Zaaknummer : 2013/079 Rechter(s) : mrs. Loeb, De Rijke-Maas, Borman Datum uitspraak : 21 augustus 2013 Partijen : Appellante tegen CBE Saxion Hogeschool Trefwoorden : [tijdig]aanvoeren gronden, deficiëntie,
AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. de Raad voor Rechtsbijstand 's-gravenhage, appellant,
Raad vanstate 200700246/1. Datum uitspraak: 6 juni 2007 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Raad voor Rechtsbijstand 's-gravenhage, appellant, tegen de uitspraak in zaak
Uitspraak /1/A1
Uitspraak 201701470/1/A1 Datum van uitspraak: woensdag 7 maart 2018 Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Staphorst Proceduresoort: Hoger beroep Rechtsgebied: Algemene kamer - Hoger Beroep
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. OGR-Updates.nl JOM 2017/58 AR 2017/177 Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7492
ECLI:NL:RVS:2017:20 Instantie Raad van State Datum uitspraak 11-01-2017 Datum publicatie 11-01-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201600568/1/A1 Bestuursrecht Hoger beroep
Zaaknummer : CBHO 2013/233 Rechter(s) : mr. Lubberdink Datum uitspraak : 13 juni 2014 Partijen : Appellant tegen de Hogeschool Inholland Trefwoorden
Zaaknummer : CBHO 2013/233 Rechter(s) : mr. Lubberdink Datum uitspraak : 13 juni 2014 Partijen : Appellant tegen de Hogeschool Inholland Trefwoorden : Afwijzing, bindend negatief studieadvies, BNSA, herkansing
