ECLI:NL:CRVB:2010:BO7264
|
|
|
- Sterre Abbink
- 8 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 ECLI:NL:CRVB:2010:BO7264 Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep WSF Bestuursrecht Socialezekerheidsrecht Hoger beroep Terugvordering toeslag één-oudergezin. Niet kan worden gezegd dat reeds in de thans in geding zijnde periode sprake was van een bestendig gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Betrokkene en haar echtgenoot zijn eerst in februari 2010 wettig gescheiden. Vindplaatsen Rechtspraak.nl RSV 2011/67 Uitspraak 10/3338 WSF Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 mei 2010, 09/759 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 10 december 2010 I. PROCESVERLOOP
2 Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. H.A. Rispens, advocaat te Almere, een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober Voor appellant is verschenen mr. G.J.M. Naber. Zoals aangekondigd, is betrokkene niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door appellant. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de IB-Groep. 2. Bij besluit op bezwaar van 8 april 2009 heeft appellant gehandhaafd zijn besluit van 30 januari 2009, waarbij is vastgesteld dat betrokkene over de periode van 1 maart 2007 tot en met 31 augustus 2007 ten onrechte een toeslag voor een één-oudergezin heeft ontvangen en dat deze toeslag wordt teruggevorderd. Dit besluit rust, kort gesteld, op de overweging dat betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel 3.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) omdat geconstateerd is dat zij een partner heeft in de zin van artikel 1.1 van de Wsf 2000 en artikel 3, eerste lid, onder a, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Betrokkene was gehuwd en leefde volgens appellant niet duurzaam gescheiden van haar echtgenoot De rechtbank heeft het beroep dat namens betrokkene tegen het besluit van 8 april 2009 is ingesteld gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, het besluit van 30 januari 2009 herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 30 januari Tevens zijn beslissingen gegeven over griffierecht en proceskosten De rechtbank is van oordeel dat in de periode in geding sprake was van een situatie waarin betrokkene duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot nu niet in geding is dat betrokkene vanaf februari 2007 feitelijk gescheiden leefde van haar echtgenoot, betrokkene en haar echtgenoot elk afzonderlijk hun eigen leven leidden en deze toestand als bestendig was bedoeld. Nu betrokkene derhalve in de periode in geding geen partner had in de zin van art. 1.1 van de Wsf 2000 gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, onder a, van de Awir, en zij ook overigens voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.5 van de Wsf 2000, heeft appellant de toekenning van éénoudertoeslag over de periode in geding ten onrechte herzien. 4. Appellant stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet in geding is dat betrokkene vanaf februari 2007 feitelijk gescheiden leefde van haar echtgenoot, betrokkene en haar echtgenoot elk afzonderlijk hun eigen leven leidden en deze toestand als bestendig was bedoeld. Voorts stelt appellant dat het op de weg van betrokkene ligt om voldoende aannemelijk te maken dat zij gedurende de periode hier in geding duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot en zij daar op geen enkele wijze in is geslaagd. Met name heeft betrokkene niet aangetoond dat zij en haar echtgenoot in de aan de orde zijnde periode ieder afzonderlijk hun eigen leven leidden als waren zij niet met elkaar gehuwd en dat deze toestand door hen beiden, althans door een hunner, als bestendig is bedoeld. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van de Wsf 2000, wordt aan een studerende zonder partner die een of meer kinderen heeft van jonger dan 18 jaren die niet tot het huishouden van een ander behoren, voor wie deze op grond van de Algemene Kinderbijslagwet aanspraak op kinderbijslag heeft, een toeslag voor een één-oudergezin toegekend. Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt verstaan onder partner: partner als bedoeld
3 in artikel 3 van de Awir. Artikel 3, eerste lid, onder a, van de Awir bepaalt dat partner van de belanghebbende is de niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot of geregistreerde partner De Raad stelt vast dat het aan het besluit van 8 april 2009 ten grondslag liggende standpunt van appellant dat sprake is van een partner in de zin van de Wsf 2000 is gebaseerd op de aanwezigheid van een niet duurzaam gescheiden levende echtgenoot De Raad overweegt dat het oordeel van de rechtbank dat in de periode in geding sprake was van een situatie waarin betrokkene duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot, en dientengevolge niet sprake was van een partner in de zin van de Wsf 2000, niet kan worden gedragen door de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overweging. Het dossier biedt naar het oordeel van de Raad geen aanknopingspunten voor de aanname van de rechtbank dat niet in geding is dat betrokkene vanaf februari 2007 feitelijk gescheiden leefde van haar echtgenoot, betrokkene en haar echtgenoot elk afzonderlijk hun eigen leven leidden en deze toestand als bestendig was bedoeld. Nu de rechtbank de omvang van het geding niet juist heeft beoordeeld kan de aangevallen uitspraak niet in stand blijven Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Raad als volgt Volgens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door tenminste één van hen als bestendig is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit de feitelijke omstandigheden van het geval. Nu hier de herziening en terugvordering van een verstrekte toeslag voor een één-oudergezin, en dus een belastend besluit, in geding is, is het niet aan betrokkene maar aan appellant om aannemelijk te maken dat in de relevante periode geen sprake was van een situatie waarin betrokkene duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot De Raad concludeert dat het besluit van 8 april 2009 enkel gebaseerd is op de omstandigheden dat betrokkene sedert 15 april 1999 is gehuwd, zij samen met haar echtgenoot 2 kinderen heeft en de echtgenoten bovendien vanaf 26 november 2007 weer op hetzelfde adres in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stonden ingeschreven. In het licht van het hiervoor in 5.5 omschreven criterium ten aanzien van duurzaam gescheiden leven, berust het besluit van 8 april 2009 op een onvoldoende feitelijke grondslag om aan te kunnen nemen dat in de periode in geding geen sprake was van de situatie van duurzaam gescheiden leven. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het besluit van 8 april 2009 op onzorgvuldige wijze is voorbereid en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd, zodat dit wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden vernietigd De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, en overweegt daartoe als volgt Op grond van de voorhanden zijnde gegevens, waaronder de verklaringen van betrokkene als neergelegd in haar schrijven van 5 maart 2009 en afgelegd ter zitting bij de rechtbank, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat reeds in de thans in geding zijnde periode sprake was van een bestendig gewilde verbreking van de echtelijke samenleving. Betrokkene en haar echtgenoot zijn eerst in februari 2010 wettig gescheiden. Betrokkene heeft ter zake verklaard dat ze in 2007 een scheidingsproces niet aankon en ook omwille van de kinderen niet eerder een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend, maar dat de maat op een gegeven moment vol was toen haar echtgenoot schulden bleef maken.
4 Voorts valt een bestendig bedoelde verbreking van de echtelijke samenleving reeds vanaf de periode in geding niet goed te rijmen met het gegeven dat de echtgenoten doorlopend vanaf 26 november 2007 tot in ieder geval 17 februari 2009 in de GBA ingeschreven stonden op hetzelfde adres. Hetgeen betrokkene hierover heeft verklaard biedt in ieder geval geen afdoende verklaring voor de periode vanaf de lente van Betrokkene heeft verklaard dat haar echtgenoot vanaf 26 november 2007 formeel op haar adres stond ingeschreven doch feitelijk woonde bij een vriend. Nu betrokkene tevens heeft verklaard dat het feitelijk wonen bij die vriend heeft voortgeduurd tot de lente van 2008 zijn er geen aanknopingspunten om anders te concluderen dan dat betrokkene en haar echtgenoot in ieder geval vanaf de lente van 2008 weer langdurig op hetzelfde adres hebben gewoond. De Raad komt in het licht van het voorgaande tot de slotsom dat de beschikbare gegevens voldoende zijn om aannemelijk te achten dat in de periode in geding niet sprake was van een situatie dat betrokkene en haar echtgenoot duurzaam gescheiden hebben geleefd, zodat in die periode sprake was van een partner in de zin van artikel 1.1 van de Wsf 2000 en artikel 3, eerste lid, onder a van de Awir, en appellant derhalve terecht heeft besloten tot herziening en terugvordering van de aan betrokkene over 1 maart 2007 tot en met 31 augustus 2007 toegekende toeslag voor een één-oudergezin De Raad komt gelet op hetgeen onder 5.8 is overwogen tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten. 6. De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep. Deze kosten worden begroot op 644,- voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak; Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 april 2009 gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in beroep tot een bedrag van 644,-; Bepaalt dat appellant aan betrokkene het in beroep betaalde griffierecht van 41,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van B.E.H. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december (get.) G. van der Wiel. (get.) B.E.H. Bekkers. NK
5
ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3016
ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3016 Instantie Datum uitspraak 19-04-2011 Datum publicatie 02-05-2011 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 09-6342 WWB Bestuursrecht
ECLI:NL:CRVB:2017:2833
ECLI:NL:CRVB:2017:2833 Instantie Datum uitspraak 09-08-2017 Datum publicatie 18-08-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 15/8007 ZVW Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2012:BV0179
ECLI:NL:CRVB:2012:BV0179 Instantie Datum uitspraak 04-01-2012 Datum publicatie 05-01-2012 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 10-4246 WMO Bestuursrecht
ECLI:NL:CRVB:2007:BA2284
ECLI:NL:CRVB:2007:BA2284 Instantie Datum uitspraak 28-03-2007 Datum publicatie 05-04-2007 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 04-5151 WAO Bestuursrecht
ECLI:NL:CRVB:2017:246
ECLI:NL:CRVB:2017:246 Instantie Datum uitspraak 10-01-2017 Datum publicatie 30-01-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 15/6800 WWB Socialezekerheidsrecht
het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden.
LJN: AU3784, Raad van State, 200501342/1 Print uitspraak Datum uitspraak: 05-10-2005 Datum publicatie: 05-10-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij
ECLI:NL:CRVB:2016:4659
ECLI:NL:CRVB:2016:4659 Instantie Datum uitspraak 06-12-2016 Datum publicatie 12-12-2016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 16/1577 PW Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2015:872
ECLI:NL:CRVB:2015:872 Instantie Datum uitspraak 24-03-2015 Datum publicatie 25-03-2015 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 14-2865 WWB Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RVS:2015:3038
ECLI:NL:RVS:2015:3038 Instantie Raad van State Datum uitspraak 30-09-2015 Datum publicatie 30-09-2015 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201500566/1/A2 Bestuursrecht Hoger
ECLI:NL:CRVB:2017:1551
ECLI:NL:CRVB:2017:1551 Instantie Datum uitspraak 11-04-2017 Datum publicatie 26-04-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 15/1071 WWB Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2012:BY4292
ECLI:NL:CRVB:2012:BY4292 Instantie Datum uitspraak 27-11-2012 Datum publicatie 28-11-2012 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 11-1813 WWB + 11-1953
ECLI:NL:RVS:2014:3559 Deeplink http://d
ECLI:NL:RVS:2014:3559 Deeplink http://d Instantie Raad van State Datum uitspraak 01-10-2014 Datum publicatie 01-10-2014 Zaaknummer 201309659/1/A3 Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Hoger
ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1071
ECLI:NL:CRVB:2009:BJ1071 Instantie Datum uitspraak 04-06-2009 Datum publicatie 01-07-2009 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 07-5093 WWB Bestuursrecht
ECLI:NL:CRVB:2017:1708
ECLI:NL:CRVB:2017:1708 Instantie Datum uitspraak 10-05-2017 Datum publicatie 11-05-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 15/5106 AWBZ Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2015:4258
ECLI:NL:CRVB:2015:4258 Instantie Datum uitspraak 26-10-2015 Datum publicatie 03-12-2015 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 14/3047 WAO Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBGEL:2014:6996
ECLI:NL:RBGEL:2014:6996 Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 11-11-2014 Datum publicatie 20-11-2014 Zaaknummer AWB - 14 _ 1957 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2014:39. Uitspraak. Centrale Raad van Beroep. Datum uitspraak Datum publicatie
ECLI:NL:CRVB:2014:39 Instantie Datum uitspraak 15-01-2014 Datum publicatie 17-01-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 11-7549 WAJONG Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2016:3143
ECLI:NL:CRVB:2016:3143 Instantie Datum uitspraak 23-08-2016 Datum publicatie 29-08-2016 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 15/2337 WWB Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2013:2879
ECLI:NL:CRVB:2013:2879 Instantie Datum uitspraak 17-12-2013 Datum publicatie 19-12-2013 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 13-211 WWB Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2017:2494
ECLI:NL:CRVB:2017:2494 Instantie Datum uitspraak 11-07-2017 Datum publicatie 24-07-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 16/2600 PW Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2015:1003
ECLI:NL:CRVB:2015:1003 Instantie Datum uitspraak 31032015 Datum publicatie 02042015 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 132022 WWB Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2014:1035
ECLI:NL:CRVB:2014:1035 Instantie Datum uitspraak 20-03-2014 Datum publicatie 07-04-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 13-4228 WWB Socialezekerheidsrecht
