ECLI:NL:RBNHO:2015:1985
|
|
|
- Edith Baert
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 ECLI:NL:RBNHO:2015:1985 Instantie Rechtbank Noord-Holland Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer AWB - 14 _ 1993 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig Inhoudsindicatie Rechtbank niet eens met standpunt van eiser dat het percentage van 4 denkbeeldige inkomsten creëert. Uit de tekst van artikel 5.2, eerste lid, eerste volzin, van de Wet IB 2001 ( Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% (forfaitair rendement) van de grondslag sparen en beleggen. ) blijkt dat de wetgever daadwerkelijk een forfaitair rendement voor ogen heeft gehad, onafhankelijk van het daadwerkelijk door de desbetreffende belastingplichtige behaalde rendement. Wetsverwijzingen Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: Vindplaatsen Rechtspraak.nl Uitspraak Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Team belastingrecht zaaknummer: HAA 14/1993 uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2015 in de zaak tussen [X], wonende te [Z], eiser, en
2 de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zaandam, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2015 te Haarlem. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Wier en S. de Haas BBA. Overwegingen Feiten 1. Eiser heeft op of omstreeks 1 maart 2013 zijn aangifte ib/pvv voor 2012 ingediend. In het onderdeel Voordeel uit sparen en beleggen heeft eiser bank- en spaartegoeden in Nederland aangegeven van in totaal Na aftrek van het heffingsvrije vermogen van resteert een grondslag voor het berekenen van het voordeel uit sparen en beleggen van Eiser heeft als voordeel uit sparen en beleggen aangegeven. Daaronder heeft eiser met pen de volgende opmerking geplaatst: Rendement van 4% is niet haalbaar i.v.m. lage rentestand < 1½%> Het percentage van 4% aanpassen aan de marktrente < 1½%> Het percentage van 4% creëert niet bestaande inkomsten. Geschil 2. In geschil is of het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op het juiste bedrag is vastgesteld. Beoordeling van het geschil
3 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat het percentage van 4 denkbeeldige inkomsten creëert. Het rendement van 4% is achterhaald. De banken geven slechts een rente van 0,5%. Het verschil tussen het fictieve rendement en het werkelijke rendement wordt te groot. Het is geen taak van de Belastingdienst om denkbeeldige inkomsten te creëren voor de burger. Dit staat niet in de Wet IB De burger wordt ongelijk behandeld. De Belastingdienst mag met fictieve data werken en de burger moet altijd met reële data werken. Eiser wijst op de bijgesloten grafieken en spaarberichten van [A BANK] en betoogt dat het rendement op 2,4% moet worden gesteld. Dit leidt tot een teruggaaf voor 2012 van 667. Eiser betoogt in een nader stuk dat het fictieve geld dat de Belastingdienst creëert, geen wettig betaalmiddel is. Het in omloop brengen van geld is geen taak van de Belastingdienst maar van de [B BANK]. De logica ontbreekt ook. Iedereen rekent met de marktrente. Zelfs pensioenfondsen moeten met een lagere rente rekenen. 4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen op juiste wijze is berekend. Verweerder verwijst naar artikel 5.2 van de Wet IB In het eerste lid van dit artikel wordt het voordeel uit sparen en beleggen vastgesteld op 4% van de grondslag voor sparen en beleggen. Indien en voor zover eiser bedoelt dat de Wet IB 2001 onredelijk is, heeft te gelden dat de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag beoordelen (artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk). Over de lange termijn bezien is een rendement van gemiddeld 4% redelijk. Er is geen sprake van een buitensporige en individuele last aan de zijde van eiser zoals bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. 5. De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet. Uit de tekst van artikel 5.2, eerste lid, eerste volzin, van de Wet IB 2001 ( Het voordeel uit sparen en beleggen wordt gesteld op 4% (forfaitair rendement) van de grondslag sparen en beleggen. ) blijkt dat de wetgever daadwerkelijk een forfaitair rendement voor ogen heeft gehad, onafhankelijk van het daadwerkelijk door de desbetreffende belastingplichtige behaalde rendement. Anders dan eiser meent, is het niet een besluit van de Belastingdienst om met een forfaitair percentage te rekenen, maar een democratisch genomen besluit van de wetgever. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de wetgever deze regeling bewust heeft gekozen vanwege de eenvoud en de wens om belastingontwijking te voorkomen en dat het percentage niet jaarlijks aangepast zal worden (Kamerstukken II 1998/99, , nr. 3, p. 38, MvT en Kamerstukken II 1999/2000, , nr. 7, p , NV). Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank sprake van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De nationale wetgever heeft een ruime vrijheid bij de beoordeling of een wettelijke inbreuk op het eigendomsrecht redelijk is en in redelijke verhouding staat met het daarmee nagestreefde doel. De wetgever heeft met de onderhavige regeling deze vrijheid niet overschreden (vergelijk de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 15 juni 2011, nr. 10/00451, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ9235). In dit verband heeft de rechtbank meegewogen dat de wetgever blijkens bovenvermelde kamerstukken bij de vaststelling van het gewraakte percentage een gemiddeld rendement over een langere periode voor ogen heeft gehad. Het forfaitaire rendement, dat bij de introductie van de Wet IB 2001 tijdens de hoogconjunctuur op 4% is gesteld, is als gemiddeld rendement over de afgelopen jaren haalbaar geweest. De keuze van de wetgever om het forfaitaire rendement op 4% te stellen, is gelet op alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet van iedere redelijkheid ontbloot. 6. De regeling heeft niet tot gevolg dat geld wordt gecreëerd. Het fictieve rendement dat de wetgever heeft vastgesteld, 4% van de grondslag, wordt immers niet in het economische
4 verkeer gebracht maar vormt uitsluitend de basis voor de belasting van het inkomen uit sparen en beleggen. Indien en voor zover eiser betoogt dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden en dat met twee maten wordt gemeten ten aanzien van belastingplichtigen enerzijds en de Belastingdienst anderzijds, is de rechtbank van oordeel dat een belastingplichtige en de Belastingdienst geen gelijke gevallen zijn, zodat het betoog reeds op die grond faalt. 7. Eiser wil in het onderhavige beroep ook de aanslagen ib/pvv voor de jaren 2011 en 2013 tot en met 2015 aan de rechtbank voorleggen. De rechtbank wijst erop dat eiser uitsluitend (tijdig) bezwaar heeft gemaakt tegen de uitspraak op bezwaar voor het jaar Tegen de aanslagen ib/pvv voor de overige door eiser genoemde jaren kan eiser via het onderhavige beroep niet opkomen. 8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Proceskosten 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. A.A. Fase en mr. R. van Scharrenburg, leden, in aanwezigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. een dagtekening;
5 c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de gronden van het hoger beroep.
ECLI:NL:GHDHA:2017:1341
ECLI:NL:GHDHA:2017:1341 Instantie Gerechtshof Den Haag Datum uitspraak 10-05-2017 Datum publicatie 17-05-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie BK-16/00396
pagina 1 van 5 ECLI:NL:RBDHA:2014:6145 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 20-05-2014 Datum publicatie 04-06-2014 Zaaknummer Rechtsgebieden AWB-13_10151 Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak
ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0614
ECLI:NL:RBSGR:2007:BC0614 Instantie Datum uitspraak 25-07-2007 Datum publicatie 08-02-2008 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank 's-gravenhage AWB 06/8362 IB/PVV Belastingrecht
ECLI:NL:RBGEL:2016:6941
ECLI:NL:RBGEL:2016:6941 Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 27-12-2016 Datum publicatie 27-12-2016 Zaaknummer AWB - 16 _ 3964 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht
ECLI:NL:RBARN:2009:BI3591
ECLI:NL:RBARN:2009:BI3591 Instantie Rechtbank Arnhem Datum uitspraak 14-01-2009 Datum publicatie 12-05-2009 Zaaknummer AWB 07/1900 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht Eerste
ECLI:NL:GHAMS:2017:789 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 16/00218
ECLI:NL:GHAMS:2017:789 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 14-03-2017 Datum publicatie 22-03-2017 Zaaknummer 16/00218 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht Hoger
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2014 in de zaak tussen [eiser], wonende te [X], eiser
Uitspraak Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 13/7254 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 november 2014 in de zaak tussen [eiser], wonende te [X], eiser (gemachtigde: mr. drs.
ECLI:NL:RBNNE:2016:2318
ECLI:NL:RBNNE:2016:2318 Instantie Datum uitspraak 26-04-2016 Datum publicatie 09-06-2016 Zaaknummer 15/2853 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Noord-Nederland Belastingrecht
de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.
Uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 13/6388 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 november 2013 in de zaak tussen [X], wonende te [Z],
ECLI:NL:RBZWB:2017:3691
ECLI:NL:RBZWB:2017:3691 Instantie Datum uitspraak 15-06-2017 Datum publicatie 20-07-2017 Rechtbank Zeeland-West-Brabant Zaaknummer AWB - 16 _ 2238 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht
ECLI:NL:RBZWB:2015:8725
ECLI:NL:RBZWB:2015:8725 Instantie Datum uitspraak 20-10-2015 Datum publicatie 12-04-2016 Rechtbank Zeeland-West-Brabant Zaaknummer AWB - 14 _ 3746 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht
ECLI:NL:GHARL:2017:9611
ECLI:NL:GHARL:2017:9611 Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 07-11-2017 Datum publicatie 10-11-2017 Zaaknummer 16/01141 Formele relaties Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2016:3790, Bekrachtiging/bevestiging
ECLI:NL:RBDHA:2017:2607
ECLI:NL:RBDHA:2017:2607 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 16-03-2017 Datum publicatie 01-06-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 16_8226 IBPVV Belastingrecht
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 12 september 2013, nummer AWB 13/915, in het geding tussen belanghebbende
Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 13/01077 uitspraakdatum: 20 mei 2014 Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van drs.
Uitspraak. Afname (F)OR voor lijfrentepremie beïnvloedt vermogenstoets (F)OR niet ECLI:NL:RBZWB:2015:1978. Instantie. Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Afname (F)OR voor lijfrentepremie beïnvloedt vermogenstoets (F)OR niet ECLI:NL:RBZWB:2015:1978 Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
f,r'- J Wop uitspraak RECHTBAN ARNHEM Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) VM 1 o HAART 2008 inzake \f de erven van
Rechtbank Gelderland 05-03-2015 06-03-2015 AWB - 14 _ 4451. Belastingrecht
ECLI:NL:RBGEL:2015:1431 http://d Deeplink Instantie Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Rechtbank Gelderland 05-03-2015 06-03-2015 AWB - 14
ECLI:NL:GHARL:2017:4777
ECLI:NL:GHARL:2017:4777 Instantie Datum uitspraak 07-06-2017 Datum publicatie 16-06-2017 Zaaknummer 16/00619 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Kapitaalverzekering vormt geen KEW ook niet nu polis was verpand aan geldverstrekker en uitkering is benut voor aflossing hypotheek
Kapitaalverzekering vormt geen KEW ook niet nu polis was verpand aan geldverstrekker en uitkering is benut voor aflossing hypotheek ECLI:NL:RBZWB:2015:3188 Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant Datum
Advocaatkosten tot behoud van toekomstige uitkeringen uit lijfrentepolis aftrekbaar
Advocaatkosten tot behoud van toekomstige uitkeringen uit lijfrentepolis aftrekbaar ECLI:NL:GHARL:2016:7882 Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden Datum uitspraak 04-10-2016 Datum publicatie 07-10-2016
ECLI:NL:GHAMS:2017:2886 Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 16/00546
ECLI:NL:GHAMS:2017:2886 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 13-07-2017 Datum publicatie 09-08-2017 Zaaknummer 16/00546 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht Hoger
ECLI:NL:RBARN:2010:BM1911
ECLI:NL:RBARN:2010:BM1911 Instantie Rechtbank Arnhem Datum uitspraak 23-02-2010 Datum publicatie 22-04-2010 Zaaknummer AWB 09/1433 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht Eerste
ECLI:NL:RBGEL:2017:3683
ECLI:NL:RBGEL:2017:3683 Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 14-07-2017 Datum publicatie 17-07-2017 Zaaknummer AWB - 16 _ 1419 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Belastingrecht
ECLI:NL:GHARL:2017:634
ECLI:NL:GHARL:2017:634 Instantie Datum uitspraak 31-01-2017 Datum publicatie 10-02-2017 Zaaknummer 15/01571 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:RBDHA:2015:3059
ECLI:NL:RBDHA:2015:3059 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 10-03-2015 Datum publicatie 10-04-2015 Zaaknummer AWB - 14 _ 7359 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak Eerste
de inspecteur van de Belastingdienst/Randmeren/kantoor Almere,
Uitspraak RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Bestuursrecht, belastingkamer locatie Leeuwarden procedurenummer: AWB LEE 13/970 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 september 2013 als bedoeld
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amersfoort (hierna: de Inspecteur)
Uitspraak GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN Afdeling belastingrecht Locatie Arnhem nummer 14/000542 uitspraakdatum: 27 januari 2015 Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer op het hoger beroep van
