Rapport. Datum: 30 augustus 1999 Rapportnummer: 1999/380
|
|
|
- Margaretha van der Laan
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Rapport Datum: 30 augustus 1999 Rapportnummer: 1999/380
2 2 Klacht Op 16 maart 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw K. te Rotterdam, met een klacht over een gedraging van de Koninklijke marechaussee. Naar deze gedraging, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Defensie, werd een onderzoek ingesteld. Op grond van de door verzoekster verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd: Verzoekster klaagt erover dat de Koninklijke marechaussee op de luchthaven Schiphol niet adequaat heeft gereageerd op haar verzoek om te verhinderen dat haar minderjarige zoon per vliegtuig zou afreizen naar Pakistan. Onderzoek In het kader van het onderzoek werd de Minister van Defensie verzocht op de klacht te reageren en een afschrift toe te sturen van de stukken die op de klacht betrekking hebben. Daarbij werden de Minister enkele specifieke vragen gesteld. Het resultaat van het onderzoek werd als verslag van bevindingen gestuurd aan betrokkenen. De Minister liet weten dat het verslag hem geen aanleiding gaf tot het maken van opmerkingen. Verzoekster gaf binnen de gestelde termijn geen reactie. Bevindingen De bevindingen van het onderzoek luiden als volgt: A. FEITEN 1. Op 30 september 1998 nam verzoekster in de ochtend contact op met de politie te Rotterdam. Zij deelde de politie bij deze gelegenheid mee dat haar 14-jarige zoon die middag waarschijnlijk vanaf de luchthaven Schiphol naar Pakistan zou vertrekken. Zij verzocht de politie te verhinderen dat haar zoon zou afreizen. 2. De politie te Rotterdam gaf in de loop van de ochtend de melding door aan de Koninklijke marechaussee op de luchthaven Schiphol. 3. Voordat het desbetreffende vliegtuig van de PIA (Pakistan International Airlines) van de luchthaven Schiphol vertrok, informeerde het betrokken hoofd doorlaatpost van de Koninklijke marechaussee tweemaal telefonisch bij de maatschappij die de afhandeling van de desbetreffende vlucht verzorgde, Ogden Aviation BV. Aan het hoofd doorlaatpost werd meegedeeld dat verzoekers zoon niet aan boord van het PIA-toestel was gegaan. Deze mededeling werd door de Koninklijke marechaussee doorgegeven aan de politie te Rotterdam. 4. Omstreeks uur werd verzoekster gebeld door de politie te Rotterdam met de
3 3 mededeling dat het vliegtuig zonder haar zoon was vertrokken naar Pakistan. 5. In de nacht van 30 september 1998 op 1 oktober 1998 kreeg verzoekster omstreeks uur telefonisch het bericht van een familielid in Pakistan dat haar zoon daar was gearriveerd. 6. Verzoekster diende op 16 november 1998 een klacht in bij de commandant van de Koninklijke marechaussee op de luchthaven Schiphol. In haar brief wees zij er op dat haar zoon op 29 oktober 1998 was teruggekeerd naar Nederland, en dat hij haar had meegedeeld dat hij zich bij zijn vertrek op 30 september 1998 niet had vermomd en ook niet een andere naam had gebruikt. 7. De Bevelhebber der Koninklijke marechaussee reageerde bij brief van 10 december 1998 als volgt op de klacht van verzoekster: "...Uit het klachtonderzoek is vast komen te staan dat in de ochtenduren van 30september 1998 door een functionaris van de Jeugd- en Zedenpolitie te Rotterdam telefonisch contact werd opgenomen met het dienstdoende hoofd van de doorlaatpost Luchthaven Schiphol met het verzoek de aanhouding te bewerkstelligen van (verzoeksters zoon; N.o.), geboren (...) Het verzoek tot aanhouding werd namens de moeder van betrokkene, mevrouw K., wonende (...), gedaan omdat haar zoon zich aan de ouderlijke macht trachtte te onttrekken. Ook waren er aanwijzingen dat betrokkene dezelfde dag met vlucht PK791 van de Luchthaven Schiphol wilde uitreizen naar Pakistan. Naar aanleiding van vorenstaand verzoek zijn alle ambtenaren van mijn dienst belast met de grensbewaking en dienstdoende op de vertrekposten van de Luchthaven Schiphol middels een schriftelijke aandachtvestiging geïnformeerd. In de aandachtvestiging was onder meer vermeld het signalement van betrokkene alsmede dat hij te uur per vlucht PK791 zou uitreizen naar Pakistan. Indien betrokkene werd aangetroffen diende de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op te nemen met het bedrijfsbureau hoofd doorlaatpost. Vluchten van luchtvaartmaatschappij "Pakistan International Airlines" worden op de Luchthaven Schiphol afgehandeld door afhandelingsmaatschappij "Ogden Aviation BV". De afhandelingsmaatschappij is ondermeer verantwoordelijk voor het opmaken van de passagierslijst. Toen "Ogden Aviation BV" een aanvang had genomen met de "boarding" van vlucht PK791 heeft het hoofd doorlaatpost na ongeveer vijftien minuten telefonisch contact opgenomen met het grondpersoneel van genoemde afhandelingsmaatschappij werkzaam aan Gate G05 vanwaar de vlucht PK791 zou vertrekken. Hem werd medegedeeld dat (verzoekers zoon; N.o.) nog niet aan boord van het vliegtuig was en dat hij zich ook niet had gemeld bij de incheckbalie in de vertrekhal. Alvorens grensoverschrijding plaatsvindt dient de passagier zich eerst te vervoegen bij de incheckbalie van de betreffende luchtvaartmaatschappij teneinde zijn boardingcard in ontvangst te nemen. Op 30 september 1998 te uur heeft het hoofd van de doorlaatpost nogmaals telefonisch contact opgenomen met het grondpersoneel van de afhandelingsmaatschappij werkzaam aan Gate G05. Hem werd toen medegedeeld dat het vliegtuig reeds los was van de pier en dat (verzoeksters zoon; N.o.) niet aan boord was. Ook werd medegedeeld dat (verzoeksters zoon; N.o.) zich op dat moment nog niet had gemeld bij de incheckbalie in de vertrekhal. Indien bij ambtenaren van mijn dienst bekend
4 4 was geworden dat (verzoeksters zoon; N.o.) zich wél aan boord van het vliegtuig bevond toen het al los van de pier was, zou hij alsnog uit het vliegtuig zijn gehaald teneinde zijn onttrekking aan de ouderlijke macht te voorkomen. Ik ben van mening dat het dienstdoend hoofd van de doorlaatpost die maatregelen heeft genomen die van hem verwacht mochten worden met betrekking tot de eventuele aanhouding van (verzoeksters zoon; N.o.). Ook ben ik van mening dat de Koninklijke marechaussee niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de onjuiste informatie die aan ambtenaren van mijn dienst is verstrekt door personeel van afhandelingsmaatschappij "Ogden Aviation BV". Dat niet te traceren is via welke vertrekpost (verzoeksters zoon; N.o.) de uitreiscontrole op de Luchthaven Schiphol is gepasseerd en ongehinderd heeft kunnen uitreizen, betreur ik. Gelet op de onderzoeksresultaten beoordeel ik de klacht als ongegrond..." B. STANDPUNT VERZOEKSTER Verzoeksters standpunt is weergegeven onder klacht. In haar verzoekschrift wees zij er nog op dat uit de brief van de bevelhebber van 10december 1998 niet blijkt welke stappen de Koninklijke marechaussee zou ondernemen tegen de betrokken afhandelingsmaatschappij in verband met de verstrekking van onjuiste informatie aan de Koninklijke marechaussee. C. STANDPUNT MINISTER 1. De Minister van Defensie deelde, in antwoord op vragen van de Nationale ombudsman, onder andere mee dat de ambtenaren van de Koninklijke marechaussee op de luchthaven Schiphol op 30 september 1998 door middel van een schriftelijke aandachtvestiging zijn geïnformeerd over het verzoek te verhinderen dat verzoeksters zoon Nederland zou verlaten. Deze aandachtvestiging had plaatsgevonden voordat de incheckprocedure voor de desbetreffende vlucht was begonnen. In de aandachtvestiging, die was gericht aan de vertrekposten, was aangegeven dat verzoeksters zoon om uur met de vlucht PK791 wilde uitreizen naar Pakistan, en dat hij zich wilde onttrekken aan de ouderlijke macht. De aandachtvestiging bevatte voorts een signalement van verzoeksters zoon, alsmede de opmerking dat indien hij werd aangetroffen, contact moest worden opgenomen met het hoofd doorlaatpost. De Minister gaf voorts aan dat door de Koninklijke marechaussee op 30 september 1998 omstreeks uur voor de eerste maal en omstreeks uur voor de tweede maal telefonisch contact is opgenomen met personeel van Ogden Aviation BV dat werkzaam was aan "Gate G05", vanwaar het PIA-toestel zou vertrekken. 2. De Minister wees er voorts op dat nadat de Bevelhebber der Koninklijke marechaussee de klacht van verzoekster op 10 december 1998 ongegrond had verklaard (zie onder A.7.), op 12 december 1998 door Ogden Aviation BV aan de Commandant van het District Koninklijke marechaussee Luchtvaart te Schiphol is meegedeeld dat na bestudering van het vluchtrapport van de bewuste PIA-vlucht was vastgesteld dat op de desbetreffende passagierslijst de naam was vermeld van een persoon van wie alleen de eerste letter van de achternaam verschilde van die van de achternaam van verzoeksters zoon (namelijk een "F" in plaats van een "Y"). 3. De Minister stuurde de desbetreffende brief van Ogden Aviation BV van 12 december
5 met zijn reactie mee. In deze brief is het volgende gesteld: "...Na bestudering van het vluchtrapport van de bewuste PIA vlucht van PK791 van 30september, bleek dat op de passagierslijst een naam (...) was ingecheckt (...). Dit is natuurlijk (verzoeksters zoon; N.o.) geweest. Dit verklaart waarom de informatie was gegeven dat (verzoeksters zoon; N.o.) niet was ingecheckt. De reden waarom (verzoeksters zoon; N.o.) onder de naam (de naam waarbij de eerste letter van de achternaam niet een "Y" maar een "F" is; N.o.) is ingecheckt is moeilijk te achterhalen. Ofwel is zijn naam verkeerd gespeld in het ticket, of is in het ticket de naam veranderd. Omdat deze vlucht een norec vlucht was (er staan dan geen namen in het check-in systeem), kon de normale check met reservering niet plaatsvinden. De tickets zijn inmiddels bij Pakistan International. Helaas hebben wij niet meer informatie ter beschikking. Voor een eventuele check met de tickets moet ik u doorverwijzen naar de PIA..." 4. Voorts stuurde de Minister een kopie mee van de passagierslijst van de vlucht PK791 van 30 september Op deze lijst is niet de naam van verzoeksters zoon vermeld, maar wel een (achter)naam waarvan alleen de eerste letter afwijkt van die van de achternaam van verzoeksters zoon. Ook stuurde de Minister een kopie mee van een formulier waarop is aangegeven dat het desbetreffende toestel op 30 september 1998 in verband met technische redenen met vertraging van de luchthaven Schiphol is vertrokken. 5. Volgens de Minister bleek uit de brief van Ogden Aviation BV waarom door deze maatschappij aan de Koninklijke marechaussee was meegedeeld dat verzoeksters zoon niet was ingecheckt. Beoordeling 1. De klacht van verzoekster betreft de Koninklijke marechaussee op de luchthaven Schiphol. Volgens verzoekster heeft de Koninklijke marechaussee op 30 september 1998 niet adequaat gereageerd op haar verzoek om te verhinderen dat haar op dat moment 14-jarige zoon op die dag per vliegtuig zou afreizen naar Pakistan. Daardoor kon het gebeuren dat haar zoon op die dag tóch naar Pakistan is vertrokken. 2. Uit het onderzoek van de Nationale ombudsman is naar voren gekomen dat de door de politie te Rotterdam aan de Koninklijke marechaussee doorgegeven melding dat verzoeksters zoon op de middag van 30 september 1998 wilde vertrekken naar Pakistan, heeft geleid tot een zogenoemde "aandachtvestiging" voor de vertrekposten op de luchthaven Schiphol. Daarin was onder meer aangegeven met welke vlucht verzoeksters zoon wilde vertrekken, dat hij zich aan de ouderlijke macht wilde onttrekken, alsmede dat contact moest worden opgenomen met het hoofd doorlaatpost indien hij werd aangetroffen. Voorts is gebleken dat de afhandeling van de desbetreffende vlucht in handen was van een particuliere maatschappij, en dat het hoofd doorlaatpost vóór het vertrek van het betreffende toestel twee keer telefonisch contact heeft opgenomen met deze maatschappij. Door deze maatschappij werd daarop meegedeeld dat verzoeksters
6 6 zoon niet aan boord was gegaan en zich ook niet had gemeld bij de incheckbalie in de vertrekhal. 3. In reactie op de door verzoekster bij de Koninklijke marechaussee ingediende klacht liet de Bevelhebber der Koninklijke marechaussee op 10 december 1998 aan verzoekster weten dat hij van mening was dat de Koninklijke marechaussee niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de onjuiste informatie die door personeel van bedoelde afhandelingsmaatschappij is verstrekt aan ambtenaren van zijn dienst. Voorts liet hij in deze brief weten dat hij het betreurde dat niet viel te traceren via welke vertrekpost verzoeksters zoon de uitreiscontrole op de luchthaven Schiphol heeft kunnen passeren en ongehinderd heeft kunnen uitreizen. 4. Op grond van later verkregen informatie van de zijde van bedoelde afhandelingsmaatschappij is naar voren gekomen dat de zoon van verzoekster op 30september 1998 heeft ingecheckt op een achternaam waarvan de eerste letter een andere was dan die van zijn eigen naam. Volgens deze maatschappij was de naam van verzoeksters zoon verkeerd gespeld in zijn ticket, of was zijn naam in zijn ticket gewijzigd. Omdat de tickets zich bij de betrokken Pakistaanse luchtvaartmaatschappij bevonden, kon de afhandelingsmaatschappij geen nadere informatie verstrekken aan de Koninklijke marechaussee. 5. Gezien de feitelijke gang van zaken kan verzoekster niet worden gevolgd in haar stelling dat de Koninklijke marechaussee niet adequaat heeft gereageerd op haar verzoek om te verhinderen dat haar zoon zou vertrekken. Voordat het vliegtuig daadwerkelijk vertrok, heeft het betrokken hoofd doorlaatpost van de Koninklijke marechaussee immers twee keer bij bedoelde afhandelingsmaatschappij geïnformeerd of verzoeksters zoon zich had gemeld. Omdat dit blijkens de gegevens van deze maatschappij ook op het moment dat het toestel al los was van de pier niet het geval was, kon de Koninklijke marechaussee er redelijkerwijs van uitgaan dat verzoeksters zoon niet aan boord was gegaan. Voorts is het, gezien het feit dat verzoekster zelf had aangegeven op welk tijdstip haar zoon zou vertrekken, begrijpelijk dat de Koninklijke marechaussee gericht navraag heeft gedaan bij de maatschappij die de desbetreffende vlucht zou afhandelen. Het feit dat verzoeksters zoon kennelijk op een andere achternaam heeft ingecheckt, kan de Koninklijke marechaussee niet worden tegengeworpen. De onderzochte gedraging is behoorlijk. Conclusie De klacht over de onderzochte gedraging van de Koninklijke marechaussee, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Defensie, is niet gegrond.
Rapport. Datum: 23 juni 2004 Rapportnummer: 2004/248
Rapport Datum: 23 juni 2004 Rapportnummer: 2004/248 2 Klacht Verzoekster klaagt erover dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) in haar brief aan verzoekster van 25 februari 2000 heeft
Rapport. Datum: 24 april 2001 Rapportnummer: 2001/110
Rapport Datum: 24 april 2001 Rapportnummer: 2001/110 2 Klacht Verzoeker, een Afghaanse asielzoeker, klaagt over de lange duur van de behandeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie
Rapport. Datum: 28 juli 2000 Rapportnummer: 2000/252
Rapport Datum: 28 juli 2000 Rapportnummer: 2000/252 2 Klacht Op 8 maart 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw M. te Rotterdam, met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/Douane,
Rapport. Datum: 23 februari 1999 Rapportnummer: 1999/065
Rapport Datum: 23 februari 1999 Rapportnummer: 1999/065 2 Klacht Op 25 augustus 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw V. te IJmuiden, met een klacht over een gedraging van
Rapport. Datum: 11 maart 1999 Rapportnummer: 1999/100
Rapport Datum: 11 maart 1999 Rapportnummer: 1999/100 2 Klacht Op 29 oktober 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw V. te Best, ingediend door mr. P.N. van Schaik, advocaat en
Rapport. Datum: 3 december 2010 Rapportnummer: 2010/344
Rapport Datum: 3 december 2010 Rapportnummer: 2010/344 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Limburg-Zuid zijn meldingen van geluidsoverlast vanaf 22 oktober 2009 tot heden, welke
Rapport. Datum: 26 september 2001 Rapportnummer: 2001/293
Rapport Datum: 26 september 2001 Rapportnummer: 2001/293 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn sollicitatiebrief van 6 maart 2000 heeft behandeld. Hij
Rapport. Datum: 3 augustus 2000 Rapportnummer: 2000/261
Rapport Datum: 3 augustus 2000 Rapportnummer: 2000/261 2 Klacht Op 27 oktober 1999 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw D. te Zeist, met een klacht over een gedraging van het Landelijk
Rapport. Datum: 29 november 2001 Rapportnummer: 2001/374
Rapport Datum: 29 november 2001 Rapportnummer: 2001/374 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het regionale politiekorps Limburg-Noord onvoldoende onderzoek heeft verricht naar aanleiding van zijn aangifte
Rapport. Datum: 3 maart 1999 Rapportnummer: 1999/087
Rapport Datum: 3 maart 1999 Rapportnummer: 1999/087 2 Klacht Op 15 september 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw W. te Putten, met een klacht over een gedraging van Gak Nederland
Rapport. Datum: 9 december 2002 Rapportnummer: 2002/374
Rapport Datum: 9 december 2002 Rapportnummer: 2002/374 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat UWV Cadans, kantoor Amsterdam: 1. hem nog steeds geen duidelijkheid heeft verschaft over de financiële afwikkeling
Rapport. Datum: 26 maart 1998 Rapportnummer: 1998/092
Rapport Datum: 26 maart 1998 Rapportnummer: 1998/092 2 Klacht Op 26 juni 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw B. te Drachten, met een klacht over een gedraging van Gak Nederland
Rapport. Datum: 8 augustus 2007 Rapportnummer: 2007/162
Rapport Datum: 8 augustus 2007 Rapportnummer: 2007/162 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop ambtenaren van het regionale politiekorps Utrecht op 6 mei 2006 hebben gereageerd op zijn verzoek om
Rapport. Datum: 28 januari 2011 Rapportnummer: 2011/026
Rapport Datum: 28 januari 2011 Rapportnummer: 2011/026 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Belastingdienst niet bereid is om hem ter zake van de afkoop van een lijfrenteverzekering een vrijwaringsbewijs
Rapport. Datum: 12 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/445
Rapport Datum: 12 oktober 1998 Rapportnummer: 1998/445 2 Klacht Op 5 december 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer H. te Arnhem, ingediend door de heer F. te Doorwerth, met
Rapport. Datum: 2 juni 1998 Rapportnummer: 1998/203
Rapport Datum: 2 juni 1998 Rapportnummer: 1998/203 2 Klacht Op 16 september 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer en mevrouw B. te Ter Apel, met een klacht over een gedraging
Rapport. Datum: 8 augustus 2001 Rapportnummer: 2001/237
Rapport Datum: 8 augustus 2001 Rapportnummer: 2001/237 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat Cadans Uitvoeringsinstelling BV te Rijswijk op 22 december 2000 nog steeds niet had beslist op zijn aanvraag
Beoordeling. h2>klacht
Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt erover dat haar dochter, vooral als gevolg van de onduidelijke informatieverstrekking door de Informatie Beheer Groep, niet tijdig over haar OV-studentenkaart heeft
Beoordeling. h2>klacht
Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt erover dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) haar vakantietoeslag pas in mei 2008 kan uitkeren, ondanks dat haar WW-uitkering per 25 februari
Rapport. Datum: 16 november 2006 Rapportnummer: 2006/368
Rapport Datum: 16 november 2006 Rapportnummer: 2006/368 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop een ambtenaar van het regionale politiekorps Gelderland-Zuid hem na zijn aanhouding op 20 mei 2005
Verder klaagt verzoekster over de wijze waarop het UWV te Venlo haar klacht heeft behandeld.
Rapport 2 h2>klacht Verzoekster klaagt erover dat een met naam genoemde verzekeringsarts van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen te Heerlen (UWV) bij het vaststellen van de belastbaarheid
Rapport. Datum: 10 oktober 2006 Rapportnummer: 2006/347
Rapport Datum: 10 oktober 2006 Rapportnummer: 2006/347 2 Klacht Verzoekster klaagt over de wijze waarop notaris X te Q bij gelegenheid van de afwikkeling van haar echtscheiding heeft gehandeld met een
Rapport. Datum: 27 april 1998 Rapportnummer: 1998/126
Rapport Datum: 27 april 1998 Rapportnummer: 1998/126 2 Klacht Op 20 augustus 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer P. te Oud Alblas, met een klacht over een gedraging van Gak
Rapport. Datum: 4 maart 2004 Rapportnummer: 2004/073
Rapport Datum: 4 maart 2004 Rapportnummer: 2004/073 2 Klacht DE ONDERZOCHTE GEDRAGING Het in strijd met het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht niet informeren van betrokkene over de mogelijkheid
Rapport. Datum: 31 januari 2011 Rapportnummer: 2011/032
Rapport Datum: 31 januari 2011 Rapportnummer: 2011/032 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de griffie van het gerechtshof Den Haag hem het arrest van 17 juli 2008 niet heeft toegestuurd met als gevolg
