Gebruiksaanwijzing Softwarehandleiding
|
|
|
- Bart de Kooker
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Gebruiksaanwijzing Softwarehandleiding Lees dit eerst Handleidingen voor deze printer...8 Voorbereiden voor afdrukken Snelinstallatie...9 De verbindingsmethode bevestigen...11 Netwerkverbinding...11 Lokale verbinding...14 De SmartDeviceMonitor for Client-poort gebruiken...15 SmartDeviceMonitor for Client installeren...15 Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma (TCP/IP) installeren...16 Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma (IPP) installeren...18 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 95/98/Me - TCP/IP)...20 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 95/98/Me - IPP)...22 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows TCP/IP)...24 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows IPP)...25 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows TCP/IP)...27 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows Server IPP)...28 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows NT TCP/IP)...30 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows NT IPP) De poortinstellingen wijzigen van SmartDeviceMonitor for Client...33 G _1.00 DU NL G Copyright
2 De standaard TCP/IP-poort gebruiken...35 Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma installeren...35 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 2000)...37 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows Server 2003)...38 De LPR-poort gebruiken...40 Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma installeren...40 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 2000)...42 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows Server 2003)...43 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows NT 4.0)...44 De printer gebruiken als Windows-netwerkprinter...46 Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma installeren...46 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 95/98/Me)...48 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 2000)...49 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows Server 2003)...50 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows NT 4.0)...51 De printer gebruiken als NetWare-printserver/Externe printer...53 Het PostScript 3-printerstuurprogramma gebruiken...55 Paginadoorvoer...55 Scheidingspagina...56 Afdrukken nadat de printer opnieuw is ingesteld...56 Het printerstuurprogramma installeren wanneer u USB gebruikt...57 Windows 98 SE/Me - USB...57 Windows USB...59 Windows XP, Windows Server USB...61 Problemen met USB oplossen...62 Afdrukken via een parallelle aansluiting...63 Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma installeren...63 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 95/98/Me)...64 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 2000)...65 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows Server 2003)...66 Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows NT 4.0)...67 Het printerstuurprogramma installeren wanneer u IEEE 1394 (SCSI print) gebruikt...69 Windows Windows XP, Windows Server Afdrukken met Bluetooth-aansluiting...74 Ondersteunde profielen...74 Afdrukken met Bluetooth-aansluiting...75 Als een bericht tijdens de installatie wordt weergegeven...78 Opties voor de printer instellen...79 Voorwaarden voor bidirectionele communicatie...79 Wanneer bidirectionele communicatie is uitgeschakeld
3 Het printerstuurprogramma instellen PCL - het eigenschappenvenster van de printer openen...82 Windows 95/98/Me - Het dialoogvenster Printereigenschappen openen...82 Windows Het dialoogvenster Printereigenschappen openen...84 Windows XP, Windows Server Het eigenschappenvenster van de printer openen...86 Windows NT Het dialoogvenster Printereigenschappen openen...88 RPCS - het eigenschappenvenster van de printer openen...91 Windows 95/98/Me - Het dialoogvenster Printereigenschappen openen...91 Windows Het dialoogvenster Printereigenschappen openen...93 Windows XP, Windows Server Het eigenschappenvenster van de printer openen...95 Windows NT Het dialoogvenster Printereigenschappen openen...97 PostScript 3 - Afdrukinstellingen opgeven Windows 95/98/Me - Het dialoogvenster Printereigenschappen openen Windows Het dialoogvenster Printereigenschappen openen Windows XP, Windows Server Het eigenschappenvenster van de printer openen Windows NT Het dialoogvenster Printereigenschappen openen Macintosh - Afdrukinstellingen opgeven Overige afdrukbewerkingen Een PDF-bestand rechtstreeks afdrukken DeskTopBinder Lite gebruiken DeskTopBinder Lite installeren PDF Direct Print Het afdrukken van PDF-bestanden die met een wachtwoord zijn beveiligd Opdrachten gebruiken Testafdruk De eerste set afdrukken De overige sets afdrukken Een Testafdruk-bestand verwijderen Het foutenlogboek controleren Beveil. afdruk De afdruktaak verzenden naar de printer Een wachtwoord invoeren Een Beveil. afdruk-bestand verwijderen Het foutenlogboek controleren Paginadoorvoer Een afdruktaak annuleren Windows - Een afdruktaak annuleren Mac OS - Een afdruktaak annuleren Belangrijke punten bij het afdrukken Sorteren Spoolafdrukken Voorblad Geheugencapaciteit en papierformaat
4 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Menu-overzicht Menu Papierinvoer Het menu Papierinvoer wijzigen Parameters van het menu Papierinvoer Menu Lijst/Proefafdr Een configuratiepagina afdrukken De configuratiepagina interpreteren Parameters van het menu Lijst/Proefafdr Menu Onderhoud Het menu Onderhoud wijzigen Parameters van het menu Onderhoud Menu Systeem Het menu Systeem wijzigen Parameters van het menu Systeem Menu Host Interface Het menu Host Interface wijzigen Parameters van het menu Host Interface PCL menu Het PCL-menu wijzigen Parameters van het PCL-menu PS Menu Het PS-menu wijzigen Parameters van het PS-menu PDF Menu Het PDF-menu wijzigen Parameters van het PDF-menu Menu Taal Het menu Taal wijzigen Parameters van het menu Taal De printer controleren en configureren Web Image Monitor gebruiken De bovenste pagina weergeven Menu s en modi Toegang in de beheerdersmodus De Help-functie van Web Image Monitor weergeven SmartDeviceMonitor for Admin gebruiken SmartDeviceMonitor for Admin installeren De configuratie van de netwerkinterfacekaart wijzigen Menu s vergrendelen op het bedieningspaneel van de printer De papiersoort wijzigen Gebruikersgegevens beheren De Energiespaarstand configureren Een wachtwoord instellen De printerstatus controleren Namen en opmerkingen wijzigen
5 SmartDeviceMonitor for Client gebruiken Printers controleren De printerstatus controleren Wanneer IPP wordt gebruikt met SmartDeviceMonitor for Client Melding van de printerstatus per Autom. melding melding op aanvraag Onderhoud op afstand via telnet telnet gebruiken access appletalk autonet btconfig devicename dhcp diprint dns domainname help hostname ifconfig info ipp netware passwd prnlog rendezvous route set show slp smb snmp sntp spoolsw sprint status syslog upnp web wiconfig wins SNMP Printerinformatie ophalen via het netwerk Huidige printerstatus Printerconfiguratie De afgebeelde informatie interpreteren Informatie over de afdruktaak Afdruklogboek De netwerkinterfacekaart configureren
6 Lijst met berichten Berichten in het systeemlogboek Een afdrukserver gebruiken De afdrukserver voorbereiden Melding afdrukken via SmartDeviceMonitor for Client NetWare gebruiken De printer instellen als afdrukserver (NetWare 3.x) De printer instellen als afdrukserver (NetWare 4.x, 5/5.1, 6/6.5) Uitsluitend IP gebruiken in een NetWare 5/5.1- of 6/6.5-omgeving De printer instellen als externe printer (NetWare 3.x) De printer instellen als externe printer (NetWare 4.x, 5/5.1, 6/6.5) Speciale bewerkingen onder Windows Bestanden rechtstreeks vanuit Windows afdrukken Setup Een hostnaam gebruiken in plaats van een IP-adres Afdrukopdrachten Mac OS-configuratie Mac OS Het PostScript 3-printerstuurprogramma en het PPD-bestand installeren PPD-bestanden instellen Een symbool voor een bureaubladprinter maken Opties instellen De ColorSync-profielen installeren Adobe Type Manager installeren Schermlettertypen installeren Overstappen op EtherTalk Mac OS X De PPD-bestanden installeren Het PPD-bestand configureren Opties instellen Een USB-interface gebruiken Rendezvous gebruiken Overstappen op EtherTalk De printer configureren PostScript 3 gebruiken Taaktype Dubbelzijdig afdrukken Kleurenmodus Gradatie Kleurprofiel Kleurinstelling CMYK-simulatieprofiel Dithering Grijsreproductie Kleurafstemming
7 Printer Utility for Mac Printer Utility for Mac installeren Printer Utility for Mac starten Printer Utility for Mac Functies Aanhangsel Software en hulpprogramma s die worden meegeleverd op de cd-rom Printerstuurprogramma s voor deze printer SmartDeviceMonitor for Admin SmartDeviceMonitor for Client Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van de printer binnen een netwerk Een inbelrouter aansluiten op een netwerk DHCP gebruiken De WINS-server configureren De dynamische DNS-functie gebruiken SSL-codering configureren SSL-codering (Secure Sockets Layer) Gebruikersinstellingen voor SSL (Secure Sockets Layer) Het certificaat installeren met SmartDeviceMonitor for Client Font Manager 2000 installeren Adobe PageMaker versie 6.0, 6.5 of 7.0 gebruiken Wanneer Windows Terminal Service/MetaFrame wordt gebruikt Besturingssysteem Ondersteunde printerstuurprogramma s Beperkingen Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van de Bluetooth interface-eenheid Informatie over geïnstalleerde toepassingen expat JPEG LIBRARY NetBSD Samba (Ver ) RSA BSAFE
8 Lees dit eerst Handleidingen voor deze printer Raadpleeg de betreffende paragrafen in de handleiding voor informatie over een specifieke functie. Installatiehandleiding (HTML) Bevat informatie over het installeren van de printer en de printeropties. Onderhoudshandleiding (HTML) Bevat informatie over het te gebruiken papier, het aanvullen van papiervoorraden, het verwijderen van vastgelopen papier en het afhandelen van foutmeldingen. Softwarehandleiding (HTML) (deze handleiding) Bevat basisinformatie over het installeren van het printerstuurprogramma en de software, het gebruik van de printer binnen een netwerkomgeving en de configuratie en instellingen van de printer. Deze handleiding bevat tevens informatie over het configureren en controleren van de printerstatus met behulp van software en een webbrowser. De beschikbaarheid van sommige functies hangt af van de printer. G _1.00 Copyright
9 Voorbereiden voor afdrukken Snelinstallatie Gebruikers van Windows 95/98/ME/2000/XP, Windows Server 2003 en Windows NT 4.0 kunnen deze software eenvoudig installeren vanaf de meegeleverde cd-rom. Met Snelinstallatie worden het PCL-printerstuurprogramma en/of het RPCSprinterstuurprogramma en SmartDeviceMonitor for Client geïnstalleerd in een netwerkomgeving. Tevens wordt de TCP/IP-poort ingesteld. Als u het printerstuurprogramma wilt installeren onder Windows 2000/XP Professional, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0, moet uw account beschikken over een machtiging om printers te beheren. U moet zich aanmelden als beheerder. De Snelinstallatie is niet beschikbaar wanneer u deze printer gebruikt via USB verbinding. Zie Pag.57 Het printerstuurprogramma installeren wanneer u USB gebruikt als u een USB-aansluiting gebruikt. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. D Klik op [Snelinstallatie]. De softwarelicentie wordt weergegeven in het dialoogvenster [Gebruiksrechtovereenkomst]. E Na het lezen van de overeenkomst klikt u op [Ik accepteer de overeenkomst] en klikt u vervolgens op [Volgende]. F Selecteer in het dialoogvenster [Selecteer printer] de printer die u gaat gebruiken. Voor een netwerkverbinding via TCP/IP selecteert u de printer waarvan het IP-adres wordt weergegeven in [Verbinden met]. Voor een parallelle verbinding, selecteert u de printer waarvan de printerpoort wordt weergegeven in [Verbinden met]. G Klik op [Installeren]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. G _1.00 Copyright
10 Voorbereiden voor afdrukken H Klik op [Voltooien]. Mogelijk wordt een bericht weergegeven waarin u wordt gevraagd de computer opnieuw te starten. Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. I Klik op [Afsluiten] in het eerste dialoogvenster van het installatieprogramma en verwijder de cd-rom. Als u de installatie van de geselecteerde software wilt stoppen, klikt u op [Annuleren] voordat de installatie is voltooid. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. Als u TCP/IP gebruikt, selecteert u een printer waarvan het IP-adres wordt weergegeven in [Verbinden met] om SmartDeviceMonitor for Client te installeren. Snelinstallatie is alleen beschikbaar als bidirectionele communicatie tussen de printer en de computer is ingeschakeld via een parallelle verbinding. Zie Pag.81 Wanneer bidirectionele communicatie is uitgeschakeld voor meer informatie over bidirectionele communicatie tussen printer en computer. 10
11 Voorbereiden voor afdrukken De verbindingsmethode bevestigen De printer ondersteunt zowel een netwerkverbinding als een lokale verbinding. Voordat u het printerstuurprogramma installeert, moet u controleren hoe de printer is aangesloten. Volg de installatieprocedure voor het stuurprogramma dat hoort bij de betreffende verbindingsmethode. Netwerkverbinding Deze printer kan worden gebruikt als een Windows-printerpoort of als netwerkprinter. De printer gebruiken als de Windows-printerpoort Netwerkverbindingen kunnen tot stand worden gebracht via Ethernet, IEEE b en IEEE 1394 (IP over 1394). Welke poorten beschikbaar zijn, hangt af van de combinatie van het Windowsbesturingssysteem en de gehanteerde verbindingsmethode. Windows 95/98 Verbindingsmethode Ethernet/ IEEE b IEEE 1394 (IP over 1394) Beschikbare poorten SmartDeviceMonitor for Client-poort Geen Windows Me Verbindingsmethode Ethernet/ IEEE b IEEE 1394 (IP over 1394) Beschikbare poorten SmartDeviceMonitor for Client-poort SmartDeviceMonitor for Client-poort 11
12 Voorbereiden voor afdrukken Windows 2000 Verbindingsmethode Ethernet/ IEEE b IEEE 1394 (IP over 1394) Beschikbare poorten SmartDeviceMonitor for Client-poort Standaard TCP/IP LPR-poort Geen Windows XP Verbindingsmethode Ethernet/ IEEE b IEEE 1394 (IP over 1394) Beschikbare poorten SmartDeviceMonitor for Client-poort Standaard TCP/IP LPR-poort SmartDeviceMonitor for Client-poort Standaard TCP/IP Windows Server 2003 Verbindingsmethode Ethernet/ IEEE b IEEE 1394 (IP over 1394) Beschikbare poorten SmartDeviceMonitor for Client-poort Standaard TCP/IP LPR-poort SmartDeviceMonitor for Client-poort Standaard TCP/IP Windows NT 4.0 Verbindingsmethode Ethernet/ IEEE b IEEE 1394 (IP over 1394) Beschikbare poorten SmartDeviceMonitor for Client-poort LPR-poort Geen Zie de uitleg over het installeren van het printerstuurprogramma voor elk poorttype. Voor de SmartDeviceMonitor for Client-poort, zie Pag.15 De SmartDeviceMonitor for Client-poort gebruiken. Voor de Standaard TCP/IP-poort, zie Pag.35 De standaard TCP/IP-poort gebruiken. Voor de LPR-poort, zie Pag.40 De LPR-poort gebruiken. 12
13 Voorbereiden voor afdrukken De printer gebruiken als netwerkprinter Deze printer kan worden gebruikt als Windows-netwerkprinter, NetWare-printserver of externe NetWare-printer. Zie de uitleg over het installeren van het printerstuurprogramma voor elk type netwerkprinter. Voor de Windows-netwerkprinter, zie Pag.46 De printer gebruiken als Windows-netwerkprinter. Voor de NetWare-printserver en de externe NetWare-printer, zie Pag.53 De printer gebruiken als NetWare-printserver/Externe printer. 13
14 Voorbereiden voor afdrukken Lokale verbinding Lokale verbindingen kunnen tot stand worden gebracht via een parallelle verbinding, een USB-verbinding, een IEEE 1394-verbinding (SCSI-printer) en een Bluetooth-verbinding. De versie van uw Windows-besturingssysteem bepaalt welke verbindingsmethoden beschikbaar zijn. Windows 95: Parallelle verbinding Windows 98: Parallelle verbinding Windows 98 SE/Me: USB, parallel en Bluetooth Windows 2000: USB, parallel, IEEE 1394 (SCSI-printer) en Bluetooth Windows XP: USB, parallel, IEEE 1394 (SCSI-printer) en Bluetooth Windows Server 2003: USB, parallel, IEEE 1394 (SCSI-printer) en Bluetooth Windows NT 4.0: Parallelle verbinding Zie de uitleg over het installeren van het printerstuurprogramma voor elke verbindingsmethode. Voor de USB-verbinding, zie Pag.57 Het printerstuurprogramma installeren wanneer u USB gebruikt. Voor de parallelle verbinding, zie Pag.63 Afdrukken via een parallelle aansluiting. Voor de IEEE 1394-verbinding (SCSI-printer), zie Pag.69 Het printerstuurprogramma installeren wanneer u IEEE 1394 (SCSI print) gebruikt. Voor de Bluetooth-verbinding, zie Pag.74 Afdrukken met Bluetooth-aansluiting. 14
15 Voorbereiden voor afdrukken De SmartDeviceMonitor for Client-poort gebruiken SmartDeviceMonitor for Client installeren Als u SmartDeviceMonitor for Client wilt installeren onder Windows 2000/XP Professional, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0, moet uw account beschikken over een machtiging om printers te beheren. U moet zich aanmelden als beheerder. Installeer SmartDeviceMonitor for Client voordat u het printerstuurprogramma installeert wanneer u de SmartDeviceMonitor for Client-poort gebruikt. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. D Klik op [SmartDeviceMonitor for Client/Admin]. E Het installatieprogramma van SmartDeviceMonitor for Client wordt gestart. F Klik [SmartDeviceMonitor for Client], en klik dan [Volgende >]. Het installatieprogramma van SmartDeviceMonitor for Client wordt gestart. G De softwarelicentie wordt weergegeven in het dialoogvenster [Gebruiksrechtovereenkomst]. Nadat u de licentie-overeenkomst heeft gelezen, klikt u op [Ja] om deze te accepteren. H Volg de instructies op het scherm om SmartDeviceMonitor for Client te installeren. I Klik op [OK]. Start de computer opnieuw na de installatie van SmartDeviceMonitor for Client als u hierom wordt gevraagd. Als u de installatie van de geselecteerde software wilt stoppen, klikt u op [Annuleren] voordat de installatie is voltooid. SmartDeviceMonitor for Client ondersteunt de volgende talen: Tsjechisch, Deens, Duits, Engels, Spaans, Frans, Italiaans, Hongaars, Nederlands, Noors, Pools, Portugees, Fins, Zweeds, Chinees (vereenvoudigd) en Chinees (traditioneel). 15
16 Voorbereiden voor afdrukken Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma (TCP/IP) installeren Als u dit printerstuurprogramma wilt installeren onder Windows 2000/XP Professional, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0, moet uw account beschikken over een machtiging om printers te beheren. Meld u aan als beheerder of hoofdgebruiker. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. D Klik op [PCL/RPCS-printerstuurprogramma's]. E De softwarelicentie wordt weergegeven in het dialoogvenster [Gebruiksrechtovereenkomst]. Na het lezen van de overeenkomst klikt u op [Ik accepteer de overeenkomst] en klikt u vervolgens op [Volgende]. F Selecteer in het dialoogvenster [Printerprogramma] het printerstuurprogramma dat u wilt gebruiken. U kunt diverse printerstuurprogramma s selecteren. G Selecteer het printermodel dat u wilt gebruiken. U kunt de printernaam wijzigen in het vak [Instellingen wijzigen voor printernaam ]. H Dubbelklik op de printernaam om de printerinstellingen weer te geven. De gegevens die worden vermeld in [Opmerking:], [Stuurprogramma:] en [Poort:] verschillen per besturingssysteem, printermodel en poort. I Klik op [Poort:] en vervolgens op [Toevoegen]. J Klik op [SmartDeviceMonitor] en klik vervolgens op [Nieuwe poort...]. K Klik op [TCP/IP], en klik vervolgens op [Zoeken]. Er wordt een lijst weergegeven van printers die van TCP/IP gebruikmaken. 16
17 Voorbereiden voor afdrukken L Selecteer de printer die u wilt gebruiken en klik op [OK]. Alleen printers die reageren op een broadcast van de computer worden weergegeven. Als u een printer wilt gebruiken die niet in de lijst voorkomt, klikt u op [Adres opgeven] en geeft u het IP-adres of de hostnaam van de printer op. Onder Windows 95/98/Me kunt u geen IP-adres toevoegen dat gedeeltelijk overeenkomt met het adres dat reeds in gebruik is. Als bijvoorbeeld reeds wordt gebruikt, kan xx niet worden gebruikt. Op dezelfde manier: als reeds in gebruik is, kan niet worden gebruikt. M Controleer of de poort van de geselecteerde printer wordt vermeld in [Poort:]. N Stel zonodig een Gebruikerscode in. Dit biedt een SmartDeviceMonitor for Admin-gebruiker de mogelijkheid statistische gegevens te bekijken over het aantal vellen dat door iedere gebruiker is afgedrukt. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Admin voor meer informatie. U kunt maximaal acht numerieke tekens gebruiken. Alfabetische tekens en symbolen zijn niet beschikbaar. O Schakel het selectievakje [Standaardprinter] in om de printer als standaardprinter in te stellen. P Klik op [Voltooien]. De installatie wordt gestart. Q Klik op [Voltooien] in het dialoogvenster voor het beëindigen van de installatie. Mogelijk wordt een bericht weergegeven waarin u wordt gevraagd de computer opnieuw te starten. Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Er wordt een bericht weergegeven als er reeds een nieuwere versie van het printerstuurprogramma is geïnstalleerd. Als dit het geval is, kunt u het printerstuurprogramma niet met Auto Run installeren. Als u het printerstuurprogramma toch wilt installeren, moet u [Printer toevoegen] gebruiken. Zie Pag.78 Als een bericht tijdens de installatie wordt weergegeven. 17
18 Voorbereiden voor afdrukken Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma (IPP) installeren Als u het printerstuurprogramma wilt installeren onder Windows 2000/XP Professional, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0, moet uw account beschikken over een machtiging om printers te beheren. Meld u aan als beheerder of hoofdgebruiker. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. D Klik op [PCL/RPCS-printerstuurprogramma's]. E De softwarelicentie wordt weergegeven in het dialoogvenster [Gebruiksrechtovereenkomst]. Na het lezen van de overeenkomst klikt u op [Ik accepteer de overeenkomst] en klikt u vervolgens op [Volgende]. F Selecteer in het dialoogvenster [Printerprogramma] het printerstuurprogramma dat u wilt gebruiken. U kunt diverse printerstuurprogramma s selecteren. G Selecteer het printermodel dat u wilt gebruiken. U kunt de printernaam wijzigen in het vak [Instellingen wijzigen voor printernaam ]. H Dubbelklik op de printernaam om de printerinstellingen weer te geven. De gegevens die worden vermeld in [Opmerking:], [Stuurprogramma:] en [Poort:] verschillen per besturingssysteem, printermodel en poort. I Klik op [Poort:] en vervolgens op [Toevoegen]. J Klik op [SmartDeviceMonitor] en klik vervolgens op [Nieuwe poort...]. K Klik op [IPP]. 18
19 Voorbereiden voor afdrukken L Geef in het dialoogvenster [Printer-URL] printer/printer op als het adres van de printer. Als er een serververificatie is toegewezen, kunt u SSL (een protocol voor gecodeerde communicatie) inschakelen door printer/printer op te geven (Internet Explorer 5.01 of hoger moet zijn geïnstalleerd). (bijvoorbeeld IP-adres: ) U kunt printer/ipp opgeven als het adres van de printer. M Geef een naam op waarmee de printer in [IPP-poortnaam] kan worden geïdentificeerd. Gebruik een andere naam dan een van de namen van een bestaande poort. Als u hier geen naam opgeeft, wordt het adres dat u in het dialoogvenster [Printer-URL] heeft opgegeven als naam van de IPP-poort gebruikt. N Klik op [Gedetaill. instellingen] om de benodigde instellingen op te geven. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Client voor meer informatie over de instellingen. O Controleer of de poort van de geselecteerde printer wordt vermeld in [Poort:]. P Stel zonodig een Gebruikerscode in. Dit biedt een SmartDeviceMonitor for Admin-gebruiker de mogelijkheid het aantal vellen te controleren dat door iedere gebruiker is afgedrukt. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Admin voor meer informatie. U kunt maximaal acht numerieke tekens gebruiken. Alfabetische tekens of symbolen kunnen niet worden gebruikt. Q Schakel het selectievakje [Standaardprinter] in om de printer als standaardprinter in te stellen. R Klik op [Voltooien]. De installatie wordt gestart. S Klik op [Voltooien] in het dialoogvenster voor het beëindigen van de installatie. Mogelijk wordt een bericht weergegeven waarin u wordt gevraagd de computer opnieuw te starten. Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Als u de installatie van de geselecteerde software wilt stoppen, klikt u op [Annuleren] voordat de installatie is voltooid. Er wordt een bericht weergegeven als er reeds een nieuwere versie van het printerstuurprogramma is geïnstalleerd. Als dit het geval is, kunt u het printerstuurprogramma niet met Auto Run installeren. Als u het printerstuurprogramma toch wilt installeren, moet u [Printer toevoegen] gebruiken. Zie Pag.78 Als een bericht tijdens de installatie wordt weergegeven. 19
20 Voorbereiden voor afdrukken Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 95/98/Me - TCP/IP) A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als een van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende]. Er verschijnt een dialoogvenster waarin u de fabrikant van de printer en de modelnaam kunt selecteren. G Selecteer de naam van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende]. H Klik in het vak [Beschikbare poorten:] op [Printerpoort] en klik vervolgens op [Volgende]. I Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. J Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Voltooien]. K Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. 20
21 Voorbereiden voor afdrukken L Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. M Klik op het tabblad [Details] op [Poort toevoegen ]. N Klik op [SmartDeviceMonitor] in de lijst [Overige] en klik vervolgens op [OK]. O Klik op [TCP/IP], en klik vervolgens op [Zoeken]. Er wordt een lijst weergegeven van printers die van TCP/IP gebruikmaken. P Selecteer de printer die u wilt gebruiken en klik op [OK]. Alleen printers die reageren op een broadcast van de computer worden weergegeven. Als u een printer wilt gebruiken die niet in de lijst voorkomt, klikt u op [Adres opgeven] en geeft u het IP-adres of de hostnaam van de printer op. U kunt geen IP-adres invoeren dat gedeeltelijk lijkt op een adres dat al in gebruik is. Als bijvoorbeeld reeds wordt gebruikt, kan xx niet worden gebruikt. Op dezelfde manier: als reeds in gebruik is, kan niet worden gebruikt. Q Klik op [OK]. R Controleer of de geselecteerde poort is gemarkeerd in [Afdrukken naar de volgende poort] en klik vervolgens op [OK]. S Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. 21
22 Voorbereiden voor afdrukken Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 95/98/Me - IPP) A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als een van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende]. Er verschijnt een dialoogvenster waarin u de fabrikant van de printer en de modelnaam kunt selecteren. G Selecteer de naam van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende]. H Klik in het vak [Beschikbare poorten:] op [Printerpoort] en klik vervolgens op [Volgende]. I Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. J Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Voltooien]. K Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. 22
23 Voorbereiden voor afdrukken L Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. M Klik op het tabblad [Details] op [Poort toevoegen ]. N Klik op [SmartDeviceMonitor] in de lijst [Overige] en klik vervolgens op [OK]. O Klik op [IPP]. P Geef in het dialoogvenster [Printer-URL] printer)/printer op als het adres van de printer. Als er een serververificatie is toegewezen, kunt u SSL (een protocol voor gecodeerde communicatie) inschakelen door printer)/printer op te geven (Internet Explorer 5.01 of hoger moet zijn geïnstalleerd). (bijvoorbeeld IP-adres: ) U kunt printer)/ipp opgeven als het adres van de printer. Q Geef een naam op waarmee de printer in [IPP-poortnaam] kan worden geïdentificeerd. Gebruik een andere naam dan een van de namen van een bestaande poort. Als u hier geen naam opgeeft, wordt het adres dat u in het dialoogvenster [Printer-URL] heeft opgegeven als naam van de IPP-poort gebruikt. R Klik op [Gedetaill. instellingen] om de proxyserver, de IPP-gebruikersnaam en overige instellingen te configureren. Geef deze instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Zie de Help op de cd-rom voor meer informatie. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Client voor meer informatie over de instellingen. S Klik op [OK]. T Controleer of de geselecteerde poort is gemarkeerd in [Afdrukken naar de volgende poort] en klik vervolgens op [OK]. U Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. 23
24 Voorbereiden voor afdrukken Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows TCP/IP) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende >]. F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende >]. G Klik op [Poort toevoegen...]. H Klik op [SmartDeviceMonitor] en klik vervolgens op [Volgende >]. I Klik op [TCP/IP], en klik vervolgens op [Zoeken]. Er wordt een lijst weergegeven van printers die van TCP/IP gebruikmaken. J Selecteer de printer die u wilt gebruiken en klik op [OK]. Alleen printers die reageren op een broadcast van de computer worden weergegeven. Als u een printer wilt gebruiken die niet in de lijst voorkomt, klikt u op [Adres opgeven] en geeft u het IP-adres of de hostnaam van de printer op. K Controleer of de naam is geselecteerd van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende >]. 24
25 Voorbereiden voor afdrukken L Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. M Klik op [Volgende >]. N Geef op of u een testpagina wilt afdrukken en klik vervolgens op [Volgende >]. O Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows IPP) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende >]. F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende >]. 25
26 Voorbereiden voor afdrukken G Klik op [Poort toevoegen...]. H Klik op [SmartDeviceMonitor] en klik vervolgens op [Volgende >]. I Klik op [IPP]. J Geef in het dialoogvenster [Printer-URL] printer)/printer op als het adres van de printer. Als er een serververificatie is toegewezen, kunt u SSL (een protocol voor gecodeerde communicatie) inschakelen door printer)/printer op te geven (Internet Explorer 5.01 of hoger moet zijn geïnstalleerd). (bijvoorbeeld IP-adres: ) U kunt printer)/ipp opgeven als het adres van de printer. K Geef een naam op waarmee de printer in [IPP-poortnaam] kan worden geïdentificeerd. Gebruik een andere naam dan een naam van een bestaande poort. Als u hier geen naam opgeeft, wordt het adres dat u in het dialoogvenster [Printer-URL] heeft opgegeven als naam van de IPP-poort gebruikt. L Klik op [Gedetaill. instellingen] om de proxyserver, de IPP-gebruikersnaam en overige instellingen te configureren. Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Zie de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Client voor meer informatie over de instellingen. M Klik op [OK]. N Controleer of de naam is geselecteerd van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende >]. O Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende >]. P Klik op [Volgende >]. Q Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Volgende >]. R Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. 26
27 Voorbereiden voor afdrukken Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows TCP/IP) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende >]. F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende >]. G Klik op [Een nieuwe poort maken:]. H Klik op [SmartDeviceMonitor] en klik vervolgens op [Volgende >]. I Klik op [TCP/IP], en klik vervolgens op [Zoeken]. ER wordt een lijst met printertypen weergegeven die [TCP/IP] gebruiken. J Selecteer de printer die u wilt gebruiken en klik op [OK]. Alleen printers die reageren op een broadcast van de computer worden weergegeven. Als u een printer wilt gebruiken die niet in de lijst voorkomt, klikt u op [Adres opgeven] en geeft u het IP-adres of de hostnaam van de printer op. K Controleer of de naam is geselecteerd van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende >]. 27
28 Voorbereiden voor afdrukken L Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. M Klik op [Volgende >]. N Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Volgende >]. O Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows Server IPP) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende >]. 28
29 Voorbereiden voor afdrukken F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende >]. G Klik op [Een nieuwe poort maken:]. H Klik op [SmartDeviceMonitor] en klik vervolgens op [Volgende >]. I Klik op [IPP]. J Geef in het dialoogvenster [Printer-URL] printer)/printer op als het adres van de printer. Als er een serververificatie is toegewezen, kunt u SSL (een protocol voor gecodeerde communicatie) inschakelen door printer)/printer op te geven (Internet Explorer 5.01 of hoger moet zijn geïnstalleerd). (bijvoorbeeld IP-adres: ) U kunt printer)/ipp opgeven als het adres van de printer. K Geef een naam op waarmee de printer in [IPP-poortnaam] kan worden geïdentificeerd. Gebruik een andere naam dan een van de namen van een bestaande poort. Als u hier geen naam opgeeft, wordt het adres dat u in het dialoogvenster [Printer-URL] heeft opgegeven als naam van de IPP-poort gebruikt. L Klik op [Gedetaill. instellingen] om de benodigde instellingen op te geven. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Client voor meer informatie over de instellingen. M Klik op [OK]. N Controleer of de naam is geselecteerd van het stuurprogramma dat u wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende >]. O Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. P Klik op [Volgende >]. Q Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Volgende >]. R Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. 29
30 Voorbereiden voor afdrukken Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows NT TCP/IP) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Klik op [Poort toevoegen:]. G Klik op [SmartDeviceMonitor] en klik vervolgens op [Nieuwe poort...]. H Klik op [TCP/IP], en klik vervolgens op [Zoeken]. ER wordt een lijst met printertypen weergegeven die [TCP/IP] gebruiken. I Selecteer de printer die u wilt gebruiken en klik op [OK]. Alleen printers die reageren op een broadcast van de computer worden weergegeven. Als u een printer wilt gebruiken die niet in de lijst voorkomt, klikt u op [Adres opgeven] en geeft u het IP-adres of de hostnaam van de printer op. J Controleer of de naam is geselecteerd van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende >]. K Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. 30
31 Voorbereiden voor afdrukken L Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. M Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows NT IPP) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Klik op [Poort toevoegen:]. G Klik op [SmartDeviceMonitor] en klik vervolgens op [Nieuwe poort...]. H Klik op [IPP]. 31
32 Voorbereiden voor afdrukken I Geef in het dialoogvenster [Printer-URL] printer)/printer op als het adres van de printer. Als er een serververificatie is toegewezen, kunt u SSL (een protocol voor gecodeerde communicatie) inschakelen door printer)/printer op te geven (Internet Explorer 5.01 of hoger moet zijn geïnstalleerd). (bijvoorbeeld IP-adres: ) U kunt printer)/ipp opgeven als het adres van de printer. J Geef een naam op waarmee de printer in [IPP-poortnaam] kan worden geïdentificeerd. Gebruik een andere naam dan een van de namen van een bestaande poort. Als u hier geen naam opgeeft, wordt het adres dat u in het dialoogvenster [Printer-URL] heeft opgegeven als naam van de IPP-poort gebruikt. K Klik op [Gedetaill. instellingen] om de benodigde instellingen op te geven. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Client voor meer informatie over de instellingen. L Klik op [OK]. M Controleer of de naam is geselecteerd van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende >]. N Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. O Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. P Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. 32
33 Voorbereiden voor afdrukken De poortinstellingen wijzigen van SmartDeviceMonitor for Client Volg de onderstaande procedure voor het wijzigen van de SmartDeviceMonitor for Client-instellingen, zoals TCP/IP-time-out, herstel-/parallel afdrukken en printergroepen. Windows 95/98: A Open het venster [Printers] vanuit het menu [Start]. B Klik in het venster [Printers] op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. C Klik op het tabblad [Details] en klik vervolgens op [Poort configureren]. Het dialoogvenster [Poortinstellingen] verschijnt. Windows 2000 / Windows NT 4.0: A Open het venster [Printers] vanuit het menu [Start]. B Klik in het venster [Printers] op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. C Klik op het tabblad [Poorten] op [Poort configureren]. Het dialoogvenster [Poortinstellingen] verschijnt. 33
34 Voorbereiden voor afdrukken Windows XP, Windows Server 2003: A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. B Klik in het venster [Printers] op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. C Klik op het tabblad [Details] en klik vervolgens op [Poort configureren]. Het dialoogvenster [Poortinstellingen] verschijnt. Voor TCP/IP kan een timeout-instelling worden geconfigureerd. Als er op het tabblad [Herstel-/parallel afdrukken] geen instellingen beschikbaar zijn, volgt u de onderstaande procedure. A Klik op [Annuleren] om het dialoogvenster [Poortconfiguratie:] te sluiten. B Start SmartDeviceMonitor for Client en klik vervolgens met de rechtermuisknop op het SmartDeviceMonitor for Client-pictogram op de taakbalk. C Klik op [Instellingen van uitgebreide functies] en schakel vervolgens het selectievakje [Herstelafdrukken/parallel afdrukken instellen voor elke poort] in. D Klik op [OK] om het dialoogvenster [Instellingen van uitgebreide functies] te sluiten. Voor IPP kunnen instellingen voor gebruikers, proxyservers en timeouts worden geconfigureerd. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Client voor meer informatie over de instellingen. 34
35 Voorbereiden voor afdrukken De standaard TCP/IP-poort gebruiken Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma installeren Als u het printerstuurprogramma wilt installeren onder Windows 2000/XP Professional en Windows Server 2003, moet uw account beschikken over een machtiging om printers te beheren. Meld u aan als beheerder of hoofdgebruiker. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. D Klik op [PCL/RPCS-printerstuurprogramma's]. E De softwarelicentie wordt weergegeven in het dialoogvenster [Gebruiksrechtovereenkomst]. Na het lezen van de overeenkomst klikt u op [Ik accepteer de overeenkomst] en klikt u vervolgens op [Volgende]. F Selecteer in het dialoogvenster [Printerprogramma] het printerstuurprogramma dat u wilt gebruiken. U kunt diverse printerstuurprogramma s selecteren. G Selecteer het printermodel dat u wilt gebruiken. U kunt de printernaam wijzigen in het vak [Instellingen wijzigen voor printernaam ]. H Dubbelklik op de printernaam om de printerinstellingen weer te geven. De gegevens die worden vermeld in [Opmerking:], [Stuurprogramma:] en [Poort:] verschillen per besturingssysteem, printermodel en poort. I Klik op [Poort:] en vervolgens op [Toevoegen]. 35
36 Voorbereiden voor afdrukken J Klik op [Standaard TCP/IP] en vervolgens op [Nieuwe poort...]. Configureer de instellingen voor de standaard TCP/IP-poort en raadpleeg de Help-functie van Windows als [Standaard TCP/IP-poort] niet wordt weergegeven. K Klik op [Volgende] in het dialoogvenster [Wizard Standaard TCP/IP-printerpoort toevoegen]. L Typ de printernaam of het IP-adres in het vak [Printernaam of IP-adres]. In het tekstvak [Poortnaam] wordt automatisch een poortnaam ingevuld. U kunt deze naam desgewenst wijzigen. Wanneer het scherm voor het selecteren van het apparaat wordt weergegeven, selecteert u RICOH NetworkPrinter Driver C Model. M Klik op [Voltooien] in het dialoogvenster [Wizard Standaard TCP/IP-printerpoort toevoegen]. Het dialoogvenster voor het starten van de installatie wordt opnieuw geopend. N Controleer of de poort van de geselecteerde printer wordt vermeld in [Poort:]. O Configureer de standaardprinter zoals gewenst. P Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. Q Klik op [Voltooien] in het dialoogvenster voor het beëindigen van de installatie. Mogelijk wordt een bericht weergegeven waarin u wordt gevraagd de computer opnieuw te starten. Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Als u de installatie van de geselecteerde software wilt stoppen, klikt u op [Annuleren] voordat de installatie is voltooid. Er wordt een bericht weergegeven als er reeds een nieuwere versie van het printerstuurprogramma is geïnstalleerd. Als dit het geval is, kunt u het printerstuurprogramma niet met Auto Run installeren. Als u het printerstuurprogramma toch wilt installeren, moet u [Printer toevoegen] gebruiken. Zie Pag.78 Als een bericht tijdens de installatie wordt weergegeven. 36
37 Voorbereiden voor afdrukken Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 2000) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende >]. F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende >]. G Klik op [Poort toevoegen...]. H Klik op [Standaard TCP/IP] en vervolgens op [Nieuwe poort...]. I Klik op [Volgende] in het dialoogvenster [Wizard Standaard TCP/IP-printerpoort toevoegen]. J Typ de naam van de printer of het IP-adres in het vak [Printernaam of IPadres] en klik vervolgens op [Volgende >]. Wanneer het scherm voor het selecteren van het apparaat wordt weergegeven, selecteert u RICOH NetworkPrinter Driver C Model. K Klik op [Voltooien] in het dialoogvenster [Wizard Standaard TCP/IP-printerpoort toevoegen]. L Controleer of de naam is geselecteerd van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende >]. 37
38 Voorbereiden voor afdrukken M Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. N Klik op [Volgende >]. O Geef op of u een testpagina wilt afdrukken en klik vervolgens op [Volgende >]. P Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows Server 2003) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende >]. F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende >]. 38
39 Voorbereiden voor afdrukken G Klik op [Een nieuwe poort maken:]. H Klik op [Standaard TCP/IP] in [Een nieuwe poort maken] en klik vervolgens op [Volgende]. I Klik op [Standaard TCP/IP] en vervolgens op [OK]. J Klik op [Volgende] in het dialoogvenster [Wizard Standaard TCP/IP-printerpoort toevoegen]. K Typ de naam van de printer of het IP-adres in het vak [Printernaam of IPadres] en klik vervolgens op [Volgende >]. Wanneer het scherm voor het selecteren van het apparaat wordt weergegeven, selecteert u RICOH NetworkPrinter Driver C Model. L Klik op [Voltooien] in het dialoogvenster [Wizard Standaard TCP/IP-printerpoort toevoegen]. M Controleer of de naam is geselecteerd van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende >]. N Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. O Klik op [Volgende >]. P Geef op of u een testpagina wilt afdrukken en klik vervolgens op [Volgende >]. Q Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. 39
40 Voorbereiden voor afdrukken De LPR-poort gebruiken Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma installeren Als u dit printerstuurprogramma wilt installeren onder Windows 2000/XP Professional, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0, moet uw account beschikken over een machtiging om printers te beheren. Meld u aan als beheerder of hoofdgebruiker. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. D Klik op [PCL/RPCS-printerstuurprogramma's]. E De softwarelicentie wordt weergegeven in het dialoogvenster [Gebruiksrechtovereenkomst]. Na het lezen van de overeenkomst klikt u op [Ik accepteer de overeenkomst] en klikt u vervolgens op [Volgende]. F Selecteer in het dialoogvenster [Printerprogramma] het printerstuurprogramma dat u wilt gebruiken. U kunt diverse printerstuurprogramma s selecteren. G Selecteer het printermodel dat u wilt gebruiken. U kunt de printernaam wijzigen in het vak [Instellingen wijzigen voor printernaam ]. H Dubbelklik op de printernaam om de printerinstellingen weer te geven. De gegevens die worden vermeld in [Opmerking:], [Stuurprogramma:] en [Poort:] verschillen per besturingssysteem, printermodel en poort. 40
41 Voorbereiden voor afdrukken I Klik op [Poort:] en vervolgens op [Toevoegen]. J Klik op [LPR-poort] en vervolgens op [Nieuwe poort...]. Als [LPR-poort] niet wordt vermeld, raadpleegt u de Help-functie van Windows en installeert u de poort. K Typ het IP-adres van de printer in het vak [Naam of adres van de server die LPD levert]. L Typ lp in het vak [Naam van printer of afdrukwachtrij op die server] en klik vervolgens op [OK]. De poort wordt toegevoegd. M Controleer of de poort van de geselecteerde printer wordt vermeld in [Poort:]. N Configureer de standaardprinter zoals gewenst. O Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. P Klik op [Voltooien] in het dialoogvenster voor het beëindigen van de installatie. Mogelijk wordt een bericht weergegeven waarin u wordt gevraagd de computer opnieuw te starten. Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Er wordt een bericht weergegeven als er reeds een nieuwere versie van het printerstuurprogramma is geïnstalleerd. Als dit het geval is, kunt u het printerstuurprogramma niet met Auto Run installeren. Als u het printerstuurprogramma toch wilt installeren, moet u [Printer toevoegen] gebruiken. Zie Pag.78 Als een bericht tijdens de installatie wordt weergegeven. 41
42 Voorbereiden voor afdrukken Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 2000) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende >]. F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende >]. G Klik op [Poort toevoegen...]. H Klik op [LPR-poort] en vervolgens op [Nieuwe poort...]. I Typ het IP-adres van de printer in het vak [Naam of adres van de server die LPD levert]. J Typ lp in het vak [Naam van printer of afdrukwachtrij op die server] en klik vervolgens op [OK]. K Controleer of de naam is geselecteerd van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende >]. L Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. 42
43 Voorbereiden voor afdrukken M Klik op [Volgende >]. N Geef op of u een testpagina wilt afdrukken en klik vervolgens op [Volgende >]. O Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows Server 2003) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende >]. F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende >]. G Klik op [Een nieuwe poort maken:]. H Klik op [LPR-poort] in [Een nieuwe poort maken] en klik vervolgens op [Volgende >]. 43
44 Voorbereiden voor afdrukken I Typ het IP-adres van de printer in het vak [Naam of adres van de server die LPD levert]. J Typ lp in het vak [Naam van printer of afdrukwachtrij op die server] en klik vervolgens op [OK]. K Controleer of de naam is geselecteerd van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende >]. L Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. M Klik op [Volgende >]. N Geef op of u een testpagina wilt afdrukken en klik vervolgens op [Volgende >]. O Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows NT 4.0) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. 44
45 Voorbereiden voor afdrukken D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Klik op [Poort toevoegen:]. G Selecteer [LPR-poort] en klik vervolgens op [OK]. H Typ het IP-adres van de printer in het vak [Naam of adres van de server die LPD levert]. I Typ lp in het vak [Naam van printer of afdrukwachtrij op die server] en klik vervolgens op [OK]. J Controleer of de naam is geselecteerd van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende >]. K Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. L Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. M Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. 45
46 Voorbereiden voor afdrukken De printer gebruiken als Windows-netwerkprinter Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma installeren Om de printserver te gebruiken, installeert u het printerstuurprogramma door Netwerk printserver te selecteren en selecteert u vervolgens de gedeelde Windows 2000/XP-, Windows Server of Windows NT 4.0-printer. In dit onderdeel wordt verondersteld dat de client al is geconfigureerd om te communiceren met een Windows 2000/XP-, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0- printserver. Ga pas verder met de volgende procedure als de client is ingesteld en op de juiste wijze is geconfigureerd. Als u het printerstuurprogramma wilt installeren onder Windows 2000/XP Professional, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0, moet uw account beschikken over een machtiging om printers te beheren. Meld u aan als beheerder of hoofdgebruiker. Als u afdrukt met een printserver die via de SmartDeviceMonitor-poort op de printer is aangesloten, kunt u vanaf deze client de functies herstelafdrukken of parallel afdrukken niet gebruiken. Als u afdrukt met een Windows XP- of Windows Server 2003-printserver, zijn de meldingsfuncties van SmartDeviceMonitor mogelijk niet beschikbaar voor de client. Als u afdrukt via een Windows NT 4.0-printserver, installeert u het printerstuurprogramma voordat u de printserver aansluit op de printer. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. D Klik op [PCL/RPCS-printerstuurprogramma's]. E De softwarelicentie wordt weergegeven in het dialoogvenster [Gebruiksrechtovereenkomst]. Na het lezen van de overeenkomst klikt u op [Ik accepteer de overeenkomst] en klikt u vervolgens op [Volgende]. 46
47 Voorbereiden voor afdrukken F Selecteer in het dialoogvenster [Printerprogramma] het printerstuurprogramma dat u wilt gebruiken. U kunt diverse printerstuurprogramma s selecteren. G Schakel het selectievakje [Printernaam] in om de printermodellen te selecteren die u wilt gebruiken. U kunt de printernaam wijzigen in het vak [Instellingen wijzigen voor printernaam ]. H Dubbelklik op de printernaam om de printerinstellingen weer te geven. De gegevens die worden vermeld in [Opmerking:], [Stuurprogramma:] en [Poort:] verschillen per besturingssysteem, printermodel en poort. I Klik op [Poort:] en vervolgens op [Toevoegen]. J Klik op [Netwerkprinter] en daarna op [OK]. K Dubbelklik in het venster [Bladeren voor printer] op de naam van de computer die u wilt gebruiken als printserver. L Selecteer de printer die u wilt gebruiken en klik vervolgens op [OK]. M Controleer of de poort van de geselecteerde printer wordt vermeld in [Poort:]. N Configureer de Gebruikerscode zoals gewenst. Voor een RPCS-printerstuurprogramma kunt u na de installatie van het printerstuurprogramma een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. O Schakel het selectievakje [Standaardprinter] in om de printer als standaardprinter in te stellen. P Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. Q Klik op [Voltooien] in het dialoogvenster voor het beëindigen van de installatie. Mogelijk wordt een bericht weergegeven waarin u wordt gevraagd de computer opnieuw te starten. Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Er wordt een bericht weergegeven als er reeds een nieuwere versie van het printerstuurprogramma is geïnstalleerd. Als dit het geval is, kunt u het printerstuurprogramma niet met Auto Run installeren. Als u het printerstuurprogramma toch wilt installeren, moet u [Printer toevoegen] gebruiken. Zie Pag.78 Als een bericht tijdens de installatie wordt weergegeven. 47
48 Voorbereiden voor afdrukken Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 95/98/Me) Als u afdrukt met een printserver die via de SmartDeviceMonitor-poort op de printer is aangesloten, kunt u vanaf deze client de functie herstelafdrukken of parallelafdrukken niet gebruiken. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als een van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugees, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Klik op [Netwerkprinter] en daarna op [Volgende]. G Klik op [Bladeren]. H Dubbelklik in het venster [Bladeren voor printer] op de naam van de computer die u wilt gebruiken als printserver. I Selecteer de printer die u wilt gebruiken en klik vervolgens op [OK]. J Controleer of de locatie van de geselecteerde printer wordt vermeld en klik op [Volgende]. K Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. L Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Voltooien]. 48
49 Voorbereiden voor afdrukken M Start de computer opnieuw op. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 2000) Voor het installeren van een printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. Als u afdrukt met een printserver die via de SmartDeviceMonitor-poort op de printer is aangesloten, kunt u vanaf deze client de functie herstelafdrukken of parallelafdrukken niet gebruiken. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Klik op [Netwerkprinter] en daarna op [Volgende]. G Klik op [Volgende]. H Dubbelklik in het venster [Gedeelde printers] op de naam van de computer die u als printserver wilt gebruiken. I Selecteer de printer die u wilt gebruiken en klik vervolgens op [Volgende]. 49
50 Voorbereiden voor afdrukken J De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. K Klik op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. L Klik op [Voltooien]. Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows Server 2003) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. Als u afdrukt met een printserver die via de SmartDeviceMonitor-poort op de printer is aangesloten, kunt u vanaf deze client de functie herstelafdrukken of parallelafdrukken niet gebruiken. Als u afdrukt met een Windows XP- of Windows Server 2003-printserver, zijn de meldingsfuncties van SmartDeviceMonitor mogelijk niet beschikbaar voor de client. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. 50
51 Voorbereiden voor afdrukken D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Klik op [Netwerkprinter] en daarna op [Volgende]. G Klik op [Volgende]. H Dubbelklik in het venster [Gedeelde printers] op de naam van de computer die u als printserver wilt gebruiken. I Selecteer de printer die u wilt gebruiken en klik vervolgens op [Volgende]. J De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. K Klik op [Volgende >]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. L Klik op [Voltooien]. Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows NT 4.0) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. Als u afdrukt met een printserver die via de SmartDeviceMonitor-poort op de printer is aangesloten, kunt u vanaf deze client de functie herstelafdrukken of parallelafdrukken niet gebruiken. Als wilt afdrukken via een Windows NT 4.0-printserver, installeert u het printerstuurprogramma voordat u de printserver aansluit op de printer. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. 51
52 Voorbereiden voor afdrukken C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Klik op [Netwerkprinter] en daarna op [Volgende]. G Klik op [Volgende]. H Dubbelklik in het venster [Gedeelde printers] op de naam van de computer die u als printserver wilt gebruiken. I Selecteer de printer die u wilt gebruiken en klik vervolgens op [Volgende]. J Controleer of de locatie van de geselecteerde printer wordt vermeld en klik op [Volgende]. K Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende]. L Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Voltooien]. Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. 52
53 Voorbereiden voor afdrukken De printer gebruiken als NetWareprintserver/Externe printer Hieronder wordt uitgelegd hoe u de Windows-computer moet instellen als u deze gebruikt als NetWare-client. Als u dit printerstuurprogramma wilt installeren onder Windows 2000/XP Professional, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0, moet uw account beschikken over een machtiging om printers te beheren. Meld u aan als beheerder of hoofdgebruiker. In de volgende uiteenzetting is de NetWare-clientsoftware geïnstalleerd op de clientcomputer en is de NetWare-serveromgeving correct geconfigureerd. Installeer alle vereiste clienttoepassingen voordat u deze procedure gebruikt. Stel het printerstuurprogramma in tijdens het aanmelden bij de NetWare-bestandsserver. In het voorbeeld worden de volgende waarden gebruikt: Besturingssysteem: Windows 98 NetWare version: 4.1 Naam bestandsserver: CAREE Naam wachtrij: R-QUEUE A Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. B Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. C Klik op [PCL/RPCS-printerstuurprogramma's]. D De softwarelicentie wordt weergegeven in het dialoogvenster [Gebruiksrechtovereenkomst]. Na het lezen van de overeenkomst klikt u op [Ik accepteer de overeenkomst] en klikt u vervolgens op [Volgende]. E Selecteer in het dialoogvenster [Printerprogramma] het printerstuurprogramma dat u wilt gebruiken. U kunt diverse printerstuurprogramma s selecteren. 53
54 Voorbereiden voor afdrukken F Schakel het selectievakje [Printernaam] in om de printermodellen te selecteren die u wilt gebruiken. U kunt de printernaam wijzigen in het vak [Instellingen wijzigen voor printernaam ]. G Dubbelklik op de printernaam om de printerinstellingen weer te geven. De gegevens die worden vermeld in [Opmerking:], [Stuurprogramma:] en [Poort:] verschillen per besturingssysteem, printermodel en poort. H Klik op [Poort:] en vervolgens op [Toevoegen]. I Klik op [Netwerkprinter] en daarna op [OK]. J Dubbelklik in de netwerkboom op de naam van de NetWare-bestandsserver. De gemaakte wachtrij wordt weergegeven. K Selecteer de afdrukwachtrij en klik op [OK]. L Controleer of de poort van de geselecteerde printer wordt vermeld in [Poort:]. M Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. N Klik op [Voltooien] in het dialoogvenster [Component selectie]. O Klik op [Voltooien] in het dialoogvenster [Introductie voltooid]. P Open vanuit het venster [Printers] het eigenschappenvenster van de printer. Wanneer u Windows XP of Windows Server 2003 gebruikt, opent u het eigenschappenvenster van de printer vanuit het dialoogvenster [Printers en faxapparaten]. Q Schakel op het tabblad [Printerinstellingen] de selectievakjes [Paginadoorvoer] en [Scheidingspagina inschakelen] uit. Klik in Windows 2000/XP, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0 op het tabblad [NetWare-instellingen]. U hoeft deze selectievakjes niet in te schakelen omdat ze automatisch door het printerstuurprogramma worden ingeschakeld. Als u deze vakjes hier wel inschakelt, werkt de printer mogelijk niet goed. R Klik op [OK] om het eigenschappenvenster van de printer te sluiten. Het protocol is standaard ingesteld op inactief. Activeer het met Web Image Monitor of telnet. 54
55 Voorbereiden voor afdrukken Het PostScript 3-printerstuurprogramma gebruiken Volg de onderstaande procedure om het PostScript 3-printerstuurprogramma in te stellen. A Open het eigenschappenvenster van de printer vanuit het venster [Printers] of [Printers en faxapparaten]. B Klik op het tabblad [PostScript]. Wanneer u Windows 2000/XP of Windows NT 4.0 gebruikt, klikt u op het tabblad [Apparaatinstellingen] en schakelt u het selectievakje uit. C Klik op [Geavanceerd]. D Schakel de selectievakjes [CTRL+D verzenden voor taak] en [CTRL+D verzenden na taak] uit en klik op [OK]. E Klik op [OK] om het eigenschappenvenster van de printer te sluiten. Paginadoorvoer Configureer de paginadoorvoer niet in NetWare. De paginadoorvoer wordt in Windows geregeld door het printerstuurprogramma. Als de NetWare-paginadoorvoer is geconfigureerd, werkt de printer mogelijk niet goed. Volg de onderstaande procedure om de paginadoorvoer uit te schakelen conform het gebruikte besturingssysteem: In Windows 95/98/Me schakelt u het selectievakje [Formfeed] uit op het tabblad [Printerinstellingen] in het dialoogvenster met printereigenschappen. Onder Windows 2000/XP, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0: schakel het selectievakje [Paginadoorvoer] op het tabblad [NetWare-instellingen] in het eigenschappenvenster van de printer uit. 55
56 Voorbereiden voor afdrukken Scheidingspagina Configureer in NetWare geen scheidingspagina. Volg de onderstaande procedure om het gebruik van scheidingspagina s uit te schakelen conform het gebruikte besturingssysteem: Schakel, wanneer u met Windows 95/98/Me werkt, het selectievakje [Banner inschakelen] uit in het tabblad [Printerinstellingen] van het dialoogvenster printereigenschappen. Onder Windows 2000/XP, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0: schakel het selectievakje [Scheidingspagina inschakelen] op het tabblad [NetWare-instellingen] in het eigenschappenvenster van de printer uit. Afdrukken nadat de printer opnieuw is ingesteld Nadat de printer opnieuw is ingesteld, duurt het 30 tot 40 seconden voordat de verbinding tussen de afdrukserver en de printer is hersteld. Tijdens deze periode kunnen taken wel worden geaccepteerd (afhankelijk van de NetWare-instellingen) maar niet worden afgedrukt. Als u wilt afdrukken nadat de printer opnieuw is ingesteld als de externe printer, controleert u op de afdrukserver of de verbinding met de externe printer is verbroken of wacht u twee minuten voordat u gaat afdrukken. 56
57 Voorbereiden voor afdrukken Het printerstuurprogramma installeren wanneer u USB gebruikt In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u printerstuurprogramma s installeert wanneer u de printer gebruikt via USB. Zorg ervoor dat de printer via een USB-kabel is aangesloten op de USB-poort van de computer. Controleer, voordat u het stuurprogramma installeert, of het besturingssysteem het enige programma is dat op de computer is gestart en of er geen afdruktaken worden uitgevoerd. De printerstuurprogramma s kunnen worden geïnstalleerd vanaf de cd-rom die bij de printer wordt geleverd. Windows 98 SE/Me - USB Installatie via USB is niet mogelijk onder Windows 95/98. Upgraden naar Windows 98 SE/Me. Als het printerstuurprogramma reeds is geïnstalleerd, is Plug en Play ingeschakeld en is het pictogram van de printer die is aangesloten op de USB-poort toegevoegd aan het venster [Printers]. A Controleer of de printer is uitgeschakeld. B Sluit de printer met de USB-kabel aan op de computer. C Schakel de printer in. De Plug en Play-functie wordt gestart en het dialoogvenster [Nieuwe hardware gevonden], [Wizard Apparaatstuurprogramma] of [Wizard Nieuwe hardware] wordt weergegeven, afhankelijk van het gebruikte besturingssysteem. D Klik op [Volgende >]. E Klik op [Het beste stuurprogramma voor uw apparaat zoeken. {Aanbevolen}.] en klik op [Volgende >]. F Schakel het selectievakje [Een op te geven locatie:] in en klik op [Bladeren...]. Het dialoogvenster [Map selecteren] verschijnt. G Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Wanneer Auto Run wordt gestart, klikt u op [Afsluiten]. Als u Auto Run wilt uitschakelen, houdt u de {Shift}-toets ingedrukt wanneer u de cd-rom in het cd-romstation plaatst en laat u deze toets pas los wanneer de computer klaar is met het lezen van de cd-rom. 57
58 Voorbereiden voor afdrukken H Geef de locatie voor Ondersteuning voor USB-afdrukken op en klik vervolgens op [Volgende >]. Als aan uw cd-rom-station de aanduiding D is toegekend, worden de bestanden van Ondersteuning voor USB-afdrukken opgeslagen op de volgende locatie: D:DRIVESUSBPRINTWIN98ME I Controleer de locatie en klik op [Volgende]. Ondersteuning voor USB-afdrukken wordt geïnstalleerd. J Klik op [Voltooien]. Als het printerstuurprogramma reeds is geïnstalleerd, is Plug en Play ingeschakeld en is het pictogram van de printer die is aangesloten op de USB001- poort toegevoegd aan het venster [Printers]. K Klik op [Volgende >]. L Klik op [Het beste stuurprogramma voor uw apparaat zoeken. {Aanbevolen}.] en klik op [Volgende >]. M Schakel het selectievakje [Een op te geven locatie:] in en klik op [Bladeren...]. Het dialoogvenster [Map selecteren] verschijnt. N Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Wanneer Auto Run wordt gestart, klikt u op [Afsluiten]. Als u Auto Run wilt uitschakelen, houdt u de {Shift}-toets ingedrukt wanneer u de cd-rom in het cd-romstation plaatst en laat u deze toets pas los wanneer de computer klaar is met het lezen van de cd-rom. O Geef de locatie voor de bronbestanden van het printerstuurprogramma op en klik vervolgens op [Volgende >]. Als uw cd-romstation D is, worden de bronbestanden van het printerstuurprogramma opgeslagen op de volgende locatie: RPCS D:DRIVESRPCSWIN9X_ME(Taal)DISK1 PCL 5c D:DRIVESPCL5cWIN9X_ME(Taal)DISK1 PCL 6 D:DRIVESPCL6WIN9X_ME(Taal)DISK1 PostScript 3 D:DRIVESPS3WIN98_ME(Taal)DISK1 58
59 Voorbereiden voor afdrukken P Controleer de locatie en klik op [Volgende]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. Q Klik op [Voltooien]. De installatie wordt voltooid. Als de installatie is gelukt, wordt het pictogram van de printer die is aangesloten op de USB001-poort toegevoegd aan het venster [Printers]. Het getal achter USB is afhankelijk van het aantal aangesloten printers. Het is niet nodig om Ondersteuning voor USB-afdrukken opnieuw te installeren als u een andere printer aansluit op de USB-poort. Als het printerstuurprogramma na het installeren van Ondersteuning voor USB-afdrukken niet is geïnstalleerd, volgt u de Plug en Play-instructies van de printer. Installeer het printerstuurprogramma vanaf de cd-rom bij de printer. Windows USB Voor het installeren van een printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. Als het printerstuurprogramma reeds is geïnstalleerd, is Plug en Play ingeschakeld en is het pictogram van de printer die is aangesloten op de USB-poort toegevoegd aan het venster [Printers]. Als het printerstuurprogramma niet is geïnstalleerd, volgt u de Plug en Play-instructies van de printer om het stuurprogramma vanaf de meegeleverde cd-rom te installeren. A Controleer of de printer is uitgeschakeld. B Sluit de printer met de USB-kabel aan op de computer. C Schakel de printer in. De Wizard Nieuwe hardware gevonden wordt gestart en Ondersteuning voor USB-afdrukken wordt automatisch geïnstalleerd. D Klik op [Volgende] in het dialoogvenster [Wizard Nieuwe hardware gevonden]. E Schakel het selectievakje [Zoeken naar een geschikt stuurprogramma voor mijn apparaat (aanbevolen)] in en klik op [Volgende]. F Markeer het selectievakje [Locatie specificeren], en klik op [Volgende]. 59
60 Voorbereiden voor afdrukken G Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Wanneer Auto Run wordt gestart, klikt u op [Afsluiten]. Als u Auto Run wilt uitschakelen, houdt u de linker {Shift}-toets ingedrukt wanneer u de cd-rom in het cd-romstation plaatst en laat u deze toets pas los wanneer de computer klaar is met het lezen van de cd-rom. H Geef de locatie op waar de bronbestanden van het printerstuurprogramma moeten worden opgeslagen. Als uw cd-romstation D is, worden de bronbestanden van het printerstuurprogramma opgeslagen op de volgende locatie: RPCS D:DRIVESRPCSWIN2K_XP(Taal)DISK1 PCL 5c D:DRIVESPCL5cWIN2K_XP(Taal)DISK1 PCL 6 D:DRIVESPCL6WIN2K_XP(Taal)DISK1 PostScript 3 D:DRIVESPS3WIN2K_XP(Taal)DISK1 I Controleer de locatie van het printerstuurprogramma en klik vervolgens op [OK]. J Klik op [Volgende]. K Klik op [Voltooien]. Als het printerstuurprogramma reeds is geïnstalleerd, is Plug en Play ingeschakeld en is het pictogram van de printer die is aangesloten op de USB001- poort toegevoegd aan het venster [Printers]. Het getal achter USB is afhankelijk van het aantal aangesloten printers. 60
61 Voorbereiden voor afdrukken Windows XP, Windows Server USB Voor het installeren van een printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. Als het printerstuurprogramma reeds is geïnstalleerd, is Plug en Play ingeschakeld en is het pictogram van de printer die is aangesloten op de USB-poort toegevoegd aan het venster [Printers]. De printerstuurprogramma s kunnen worden geïnstalleerd vanaf de cd-rom die bij de printer wordt geleverd. Als het printerstuurprogramma niet is geïnstalleerd, volgt u de Plug en Play-instructies van de printer om het stuurprogramma vanaf de meegeleverde cd-rom te installeren. A Controleer of de printer is uitgeschakeld. B Sluit de printer met de USB-kabel aan op de computer. C Schakel de printer in. De Wizard Nieuwe hardware gevonden wordt gestart en Ondersteuning voor USB-afdrukken wordt automatisch geïnstalleerd. D Klik in het venster Wizard Nieuwe hardware gevonden op [Zoeken naar een geschikt stuurprogramma voor mijn apparaat [aanbevolen]] en vervolgens op [Volgende >]. E Als u Auto Run wilt uitschakelen, houdt u de linker {Shift}-toets ingedrukt wanneer u de cd-rom in het cd-romstation plaatst en laat u deze toets pas los wanneer de computer klaar is met het lezen van de cd-rom. Als het programma Auto Run wordt gestart, klikt u op [Annuleren] en op [Afsluiten]. 61
62 Voorbereiden voor afdrukken F Markeer het selectievakje [Deze locatie in de zoekactie opnemen] onder [Het beste stuurprogramma in deze locaties ], en klik op [Bladeren] om de locatie van het printerstuurprogramma te selecteren. Als uw cd-romstation D is, worden de bronbestanden van het printerstuurprogramma opgeslagen op de volgende locatie: RPCS D:DRIVESRPCSWIN2K_XP(Taal)DISK1 PCL 5c D:DRIVESPCL5cWIN2K_XP(Taal)DISK1 PCL 6 D:DRIVESPCL6WIN2K_XP(Taal)DISK1 PostScript 3 D:DRIVESPS3WIN2K_XP(Taal)DISK1 G Controleer de locatie van het printerstuurprogramma en klik vervolgens op [Volgende]. H Klik op [Doorgaan]. I Klik op [Voltooien]. Als de installatie is gelukt, wordt het pictogram van de printer die is aangesloten op de USB001-poort toegevoegd aan het venster [Printers]. Het getal achter USB is afhankelijk van het aantal aangesloten printers. Problemen met USB oplossen Probleem De printer wordt niet automatisch herkend. Windows heeft de USB-instellingen al geconfigureerd. Oplossingen Schakel de printer uit, sluit de USB-kabel opnieuw aan en zet de printer weer aan. Open Apparaatbeheer van Windows en verwijder onder [USB-controllers] alle apparaten die mogelijk een conflict veroorzaken. Conflicterende apparaten kunt u herkennen aan een geel pictogram [!] of [?]. Let op dat u niet per ongeluk apparaten verwijdert die u nodig heeft. Zie de Helpfunctie van Windows voor meer informatie. Als u Windows 2000/XP of Windows Server 2003 gebruikt, wordt een onjuist apparaat vermeld onder [USBcontroller] in het dialoogvenster [Apparaatbeheer]. 62
63 Voorbereiden voor afdrukken Afdrukken via een parallelle aansluiting Als u de printer heeft aangesloten via de parallelle interface, selecteert u [LPT1] tijdens de installatie van het printerstuurprogramma. Het PCL- of RPCS-printerstuurprogramma installeren Als u dit printerstuurprogramma wilt installeren onder Windows 2000/XP Professional, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0, moet uw account beschikken over een machtiging om printers te beheren. Meld u aan als beheerder of hoofdgebruiker. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. D Klik op [PCL/RPCS-printerstuurprogramma's]. E De softwarelicentie wordt weergegeven in het dialoogvenster [Gebruiksrechtovereenkomst]. Na het lezen van de overeenkomst klikt u op [Ik accepteer de overeenkomst] en klikt u vervolgens op [Volgende]. F Selecteer in het dialoogvenster [Printerprogramma] het printerstuurprogramma dat u wilt gebruiken. U kunt diverse printerstuurprogramma s selecteren. G Schakel het selectievakje [Printernaam] in om de printermodellen te selecteren die u wilt gebruiken. U kunt de printernaam wijzigen in het vak [Instellingen wijzigen voor printernaam ]. H Dubbelklik op de printernaam om de printerinstellingen weer te geven. De gegevens die worden vermeld in [Opmerking:], [Stuurprogramma:] en [Poort:] verschillen per besturingssysteem, printermodel en poort. I Controleer of [LPT1:] wordt vermeld bij [Poort:]. 63
64 Voorbereiden voor afdrukken J Schakel het selectievakje [Standaardprinter] in om de printer als standaardprinter in te stellen. K Klik op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. L Klik op [Voltooien] in het dialoogvenster voor het beëindigen van de installatie. Als u de installatie van de geselecteerde software wilt stoppen, klikt u op [Annuleren] voordat de installatie is voltooid. Zet de computer uit en weer aan en installeer de andere software of printerstuurprogramma s. Er wordt een bericht weergegeven als er reeds een nieuwere versie van het printerstuurprogramma is geïnstalleerd. Als dit het geval is, kunt u het printerstuurprogramma niet met Auto Run installeren. Als u het printerstuurprogramma toch wilt installeren, moet u [Printer toevoegen] gebruiken. Zie Pag.78 Als een bericht tijdens de installatie wordt weergegeven. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 95/98/Me) A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. 64
65 Voorbereiden voor afdrukken F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende]. Er verschijnt een dialoogvenster waarin u de fabrikant van de printer en de modelnaam kunt selecteren. G Selecteer de naam van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende]. H Klik in het vak [Beschikbare poorten:] op [Printerpoort] en klik vervolgens op [Volgende]. I Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende]. Schakel het selectievakje [Ja] in om de printer als standaardprinter in te stellen. J Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Voltooien]. K Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows 2000) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. 65
66 Voorbereiden voor afdrukken D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende]. Er verschijnt een dialoogvenster waarin u de fabrikant van de printer en de modelnaam kunt selecteren. G Selecteer de naam van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende]. H Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Voltooien]. De installatie van het printerstuurprogramma wordt gestart. I Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows XP, Windows Server 2003) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. 66
67 Voorbereiden voor afdrukken D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Klik op [Lokale printer] en daarna op [Volgende]. G Selecteer de poort die u wilt gebruiken en klik vervolgens op [Volgende]. Er verschijnt een dialoogvenster waarin u de fabrikant van de printer en de modelnaam kunt selecteren. H Selecteer de naam van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende]. I Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende]. J Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Voltooien]. K Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. Het PostScript 3-printerstuurprogramma installeren (Windows NT 4.0) Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. Het printerstuurprogramma met de geselecteerde taal wordt geïnstalleerd. Het Engelstalige printerstuurprogramma wordt geïnstalleerd als één van de volgende talen wordt geselecteerd: Cestina, Magyar, Polski, Portugues, Suomi. 67
68 Voorbereiden voor afdrukken D Klik op [PostScript 3-printerstuurprogramma]. De wizard Printer toevoegen wordt gestart. E Klik op [Volgende]. F Selecteer de poort die u wilt gebruiken en klik vervolgens op [Volgende]. Er verschijnt een dialoogvenster waarin u de fabrikant van de printer en de modelnaam kunt selecteren. G Selecteer de naam van de printer waarvan u het stuurprogramma wilt installeren en klik vervolgens op [Volgende]. H Wijzig desgewenst de naam van de printer en klik vervolgens op [Volgende]. I Klik op [Volgende]. J Geef op of u een testpagina wilt laten afdrukken en klik vervolgens op [Voltooien]. K Zet de computer uit en weer aan om de installatie te voltooien. Wanneer het printerstuurprogramma is geïnstalleerd, kunt u een Gebruikerscode instellen. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie over de Gebruikerscode. 68
69 Voorbereiden voor afdrukken Het printerstuurprogramma installeren wanneer u IEEE 1394 (SCSI print) gebruikt De printerstuurprogramma s kunnen worden geïnstalleerd vanaf de cd-rom die bij de printer wordt geleverd. Sluit alle geopende toepassingen en maak tijdens de installatie geen afdrukken. U kunt tijdens de installatie geen andere printers inschakelen of andere IEEE of USB-apparaten op de computer aansluiten. Controleer, voordat u de installatie van het printerstuurprogramma ongedaan maakt, of de IEEE 1394-interfacekabel is losgekoppeld van de computer. SCSI print moet zijn ingesteld op actief vanaf het bedieningspaneel. Zie Pag.158 Menu Host Interface voor meer informatie. Deze printer kan slechts van één computer tegelijk afdrukgegevens ontvangen. Er kan een bericht worden weergegeven als taken van verschillende computers tegelijk worden ontvangen. Als dit het geval is, wordt de taak die het eerst is ontvangen ook als eerste afgedrukt. Als het printerstuurprogramma correct is geïnstalleerd, verandert het printerpictogram wanneer de optionele IEEE 1394-kabel wordt aangesloten of losgekoppeld. Windows 2000 Als elke keer dat de computer wordt gestart de [Wizard Nieuwe hardware gevonden] wordt weergegeven, schakelt u de printer uit. Als u een ander printerstuurprogramma wilt installeren nadat u poort 1394_00n heeft ingesteld, klikt u tijdens de installatie van het printerstuurprogramma op [1394_00] als de poort die u wilt gebruiken. Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. De optionele 1394-interface-unit kan alleen worden gebruikt met Service Pack 1 (SP1) of hoger. A Sluit de printer met de IEEE 1394-interface-kabel aan op de computer. B Klik op [Volgende] in het dialoogvenster [Wizard Nieuwe hardware gevonden]. 69
70 Voorbereiden voor afdrukken C Wanneer het bericht Met deze wizard kunt u de installatie voor dit apparaat voltooien: Onbekend wordt weergegeven, klikt u op [Een locatie opgeven] en vervolgens op [Volgende >]. D Wanneer het bericht Zoeken naar stuurprogrammabestanden wordt weergegeven, schakelt u het selectievakje [Optionele zoeklocaties:] in en klikt u eerst op [Een locatie opgeven] en vervolgens op [Volgende >]. E Als u Auto Run wilt uitschakelen, houdt u de linker {Shift}-toets ingedrukt wanneer u de cd-rom in het cd-romstation plaatst en laat u deze toets pas los wanneer de computer klaar is met het lezen van de cd-rom. Als het programma Auto Run wordt gestart, klikt u op [Annuleren] en op [Afsluiten]. F Klik op [Bladeren]. G Selecteer het printerstuurprogramma dat u wilt gebruiken. Als uw cd-romstation D is, worden de bronbestanden van het printerstuurprogramma opgeslagen op de volgende locatie: RPCS D:DRIVESRPCSWIN2K_XP(Taal)DISK1 PCL 5c D:DRIVESPCL5cWIN2K_XP(Taal)DISK1 PCL 6 D:DRIVESPCL6WIN2K_XP(Taal)DISK1 PostScript 3 D:DRIVESPS3WIN2K_XP(Taal)DISK1 H Klik op [Openen]. I Klik op [OK]. 70
71 Voorbereiden voor afdrukken J Volg de instructies. Wanneer de installatie is voltooid, wordt de printer die is aangesloten op 1394_00n vermeld in het venster [Printers]. ( n staat voor het aantal aangesloten printers.) Als het printerstuurprogramma reeds is geïnstalleerd, wordt het printerpictogram toegevoegd aan het venster [Printers]. Als dit het geval is, hoeft u het printerstuurprogramma niet te installeren. Als het afdrukken niet goed verloopt na de installatie, verwijdert u de poort en installeert u het printerstuurprogramma opnieuw. Raadpleeg de Onderhoudshandleiding voor meer informatie. Als u de printer niet wilt installeren wanneer de Wizard Nieuwe hardware gevonden wordt gestart onder een besturingssysteem dat SCSI print ondersteunt, schakelt u de printer uit aan de hand van de onderstaande procedure. A Wanneer het dialoogvenster [Wizard Nieuwe hardware gevonden] wordt weergegeven, klikt u op [Volgende >]. B Wanneer het bericht Met deze wizard kunt u de installatie voor dit apparaat voltooien: Onbekend wordt weergegeven, schakelt u het selectievakje [Zoeken naar een geschikt stuurprogramma voor mijn apparaat [aanbevolen]] in en klikt u vervolgens op [Volgende >]. C Wanneer het bericht Kies een optie voor zoeken en installeren. wordt weergeven, sluit u alle selectievakjes in [Zoeken naar het beste stuurprogramma in deze locaties.] en klikt u op [Volgende >]. D Wanneer het bericht Zoekresultaten stuurprogrammabestanden wordt weergegeven, schakelt u het selectievakje [Het apparaat uitschakelen. U kunt de installatie van het stuurprogramma voltooien via het onderdeel Hardware van het Configuratiescherm..] in en klikt u vervolgens op [Voltooien]. 71
72 Voorbereiden voor afdrukken Windows XP, Windows Server 2003 SCSI print moet zijn ingesteld op actief vanaf het bedieningspaneel. Zie Pag.158 Menu Host Interface voor meer informatie. Voor het installeren van dit printerstuurprogramma moet u over beheerdersbevoegdheden beschikken. Meld u aan met een account waaraan beheerdersbevoegdheden zijn toegekend. Deze printer kan slechts van één computer tegelijk afdrukgegevens ontvangen. Er kan op de computer een bericht worden weergegeven als taken van verschillende computers tegelijk worden ontvangen. Als u een ander printerstuurprogramma wilt installeren nadat u poort 1394_00n heeft ingesteld, klikt u tijdens de installatie van het printerstuurprogramma op [1394_00] als de poort die u wilt gebruiken. Als het printerstuurprogramma correct is geïnstalleerd, verandert het printerpictogram wanneer de optionele IEEE 1394-kabel wordt aangesloten of losgekoppeld. A Sluit de printer met de IEEE 1394-interface-kabel aan op de computer. Wanneer het dialoogvenster [Wizard Nieuwe hardware gevonden] wordt weergegeven, controleert u of [Met deze wizard kunt u software installeren voor: (Onbekend)] wordt weergegeven. B Schakel het selectievakje [Installeren vanuit lijst op specifieke locaties (Geavanceerd)] in en klik op [Volgende]. C Wanneer het bericht Kies uw zoek- en installatie-opties wordt weergegeven, schakelt u het selectievakje [Op de onderstaande locaties naar het beste stuurprogramma zoeken.] in en schakelt u achtereenvolgens de selectievakjes [Ook op deze locatie zoeken:] in. D Als u Auto Run wilt uitschakelen, houdt u de linker {SHIFT}-toets ingedrukt wanneer u de cd-rom in het cd-romstation plaatst en laat u deze toets pas los wanneer de computer klaar is met het lezen van de cd-rom. Als het programma Auto Run wordt gestart, klikt u op [Annuleren] en op [Afsluiten]. 72
73 Voorbereiden voor afdrukken E Geef de locatie op waar de bronbestanden van het printerstuurprogramma zijn opgeslagen en klik vervolgens op [Volgende]. Als uw cd-romstation D is, worden de bronbestanden van het printerstuurprogramma opgeslagen op de volgende locatie: RPCS D:DRIVESRPCSWIN2K_XP(Taal)DISK1 PCL 5c D:DRIVESPCL5cWIN2K_XP(Taal)DISK1 PCL 6 D:DRIVESPCL6WIN2K_XP(Taal)DISK1 PostScript 3 D:DRIVESPS3WIN2K_XP(Taal)DISK1 Wanneer de installatie is voltooid, wordt de printer die is aangesloten op 1394_00n vermeld in het venster [Printers en faxapparaten]. ( n staat voor het aantal aangesloten printers.) F Volg de instructies. Als het printerstuurprogramma reeds is geïnstalleerd, wordt het printerpictogram toegevoegd aan het venster [Printers en faxapparaten]. Als dit het geval is, hoeft u het printerstuurprogramma niet te installeren. Zelfs als het printerstuurprogramma reeds is geïnstalleerd, kan het bericht Wizard Nieuwe hardware gevonden worden weergegeven als de printer voor de eerste keer met een IEEE 1394-interfacekabel op de computer wordt aangesloten. Als dit het geval is, moet u het printerstuurprogramma installeren. Als het afdrukken niet goed verloopt na de installatie, verwijdert u de poort en installeert u het printerstuurprogramma opnieuw. Raadpleeg de Onderhoudshandleiding voor meer informatie. Als u de printer niet wilt installeren wanneer de Wizard Nieuwe hardware gevonden wordt gestart onder een besturingssysteem dat SCSI print ondersteunt, schakelt u de printer uit aan de hand van de onderstaande procedure. A Wanneer het dialoogvenster [Wizard Nieuwe hardware gevonden] wordt weergegeven, controleert u of [Met deze wizard kunt u software installeren voor: (Onbekend)] wordt weergegeven, schakelt u vervolgens het selectievakje [Installeren vanuit lijst op specifieke locaties (Geavanceerd)] in en klikt u daarna op [Volgende >]. B Wanneer het bericht Kies een optie voor zoeken en installeren. wordt weergeven, sluit u alle selectievakjes in [Zoeken naar het beste stuurprogramma in deze locaties.] en klikt u op [Volgende >]. C Wanneer het bericht De wizard kon op uw computer de software niet vinden voor. wordt weergegeven, klikt u op [OK]. D Wanneer het bericht Deze hardware kan niet worden geïnstalleerd wordt weergegeven, schakelt u het selectievakje [Niet opnieuw vragen om de software te installeren] in en klikt u vervolgens op [Voltooien]. 73
74 Voorbereiden voor afdrukken Afdrukken met Bluetooth-aansluiting Ondersteunde profielen SPP, HCRP Er kunnen maximaal twee Bluetooth-adaptors of voor Bluetooth geschikte computers tegelijk op de Bluetooth-interface worden aangesloten: één met SPP en één met HCRP. Wanneer u tegelijk meer dan één Bluetooth-adapter of een voor Bluetooth geschikte computer aansluit, wordt het apparaat geselecteerd dat het eerst de verbinding maakt. Wanneer u de verbinding tussen twee andere apparaten selecteert, moet u de eerst gemaakte verbinding annuleren. Voorwaarden voor bidirectionele communicatie Een SPP-aansluiting ondersteunt geen bidirectionele communicatie. Een HCRP-aansluiting ondersteunt wel bidirectionele communicatie. BIP Voor een BIP-verbinding moet in de printer een module met PostScript 3 zijn geïnstalleerd. Er kan slechts één Bluetooth-adapter of een voor Bluetooth geschikte computer via BIP worden aangesloten. Met BIP kunnen alleen JPEG-afbeeldingen worden afgedrukt. De gebruikerscodes zijn met BIP niet beschikbaar. Als de afdrukfuncties zijn beperkt, kunt u niet afdrukken. Sommige printers ondersteunen geen BIP. 74
75 Voorbereiden voor afdrukken Afdrukken met Bluetooth-aansluiting Voor het installeren van het printerstuurprogramma volgt u de procedure die ook wordt gebruikt bij een parallelle interface. Als u het printerstuurprogramma wilt installeren onder Windows 2000/XP Professional, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0, moet uw account beschikken over een machtiging om printers te beheren. Meld u aan als beheerder of hoofdgebruiker. De systeemvereisten variëren, afhankelijk van de Bluetooth-standaard en - specificaties. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende producten worden geleverd. Voor informatie over het instellen van Bluetooth onder andere besturingssystemen of voor het gebruik van Bluetooth met andere programma s, verwijzen we u naar de handleidingen bij deze besturingssystemen of programma s. A Start de 3Com Bluetooth Connection Manager. B Controleer of de printer die u wilt gebruiken, wordt vermeld in de 3Com Bluetooth Connection Manager. C Klik in het menu [Tool] op [COM port]. D Controleer of het bericht Bluetooth Serial Client (COMx) wordt weergegeven onder Client Ports. (x is het nummer van de COM-poort die wordt gebruikt door BluetoothTM.) E Klik op [Sluiten]. F Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. G Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. H Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. I Klik op het tabblad [Poorten]. J Schakel onder [Port] het selectievakje [COMx:] in. X is het nummer van de COM-poort die wordt gebruikt door BluetoothTM. 75
76 Voorbereiden voor afdrukken K Klik op [OK]. Sluit het venster [Printers]. Als een dialoogvenster wordt weergegeven tijdens het versturen van een afdruktaak, brengt u de netwerkverbinding als volgt opnieuw tot stand: A Selecteer de printer die u wilt gebruiken in het vak [Printers en faxapparaten]. B Klik op [Verbinden]. Als u altijd dezelfde printer gebruikt, schakelt u het selectievakje [Altijd voor deze verbinding] in. Voor meer informatie verwijzen we u naar de handleidingen die zijn geleverd bij de Bluetooth-adapter of de Bluetooth-computer. De instellingen van de beveiligingsmodus opgeven A Start de 3Com Bluetooth Connection Manager. B Klik in het menu [Tool] op [Security Mode]. Het dialoogvenster [Security Mode] wordt weergegeven. C Selecteer de gewenste beveiligingsmodus in de lijst [Security Mode:]. Als u op [High] of [Custom] klikt en [Link] opgeeft in het dialoogvenster [Custom Settings] moet u het Bluetooth-wachtwoord opgeven. Zie Pag.77 Stuur de afdruktaak naar de printer die wordt gebruikt. voor meer informatie over het invoeren van het wachtwoord. Voor alle andere beveiligingsmodi en aangepaste instellingen is geen wachtwoord vereist. Meer informatie over de verschillende modi kunt u vinden in de handleidingen die bij het programma zijn geleverd. D Klik op [OK]. Sluit het dialoogvenster [Security Mode]. Meer informatie over de beveiligingsmodus kunt u vinden in de Help-functie van 3Com Bluetooth Connection Manager. Voor informatie over het opgeven van het vereiste wachtwoord voor het versturen van afdruktaken verwijzen we u naar Pag.77 Afdrukken in de beveiligingsmodus. 76
77 Voorbereiden voor afdrukken Afdrukken in de beveiligingsmodus A Stuur de afdruktaak naar de printer die wordt gebruikt. Afhankelijk van de computerconfiguratie, wordt mogelijk het dialoogvenster [Connect] weergegeven. Als dit het geval is, brengt u via dit dialoogvenster een netwerkverbinding tot stand. B Het dialoogvenster [Verificatie] opent. C Geef het Bluetooth-wachtwoord op en klik vervolgens op [OK]. Gebruik als Bluetooth-wachtwoord de laatste vier cijfers van het serienummer van de printer. Het serienummer staat op het label aan de achterkant van de printer. Als het serienummer bijvoorbeeld 00A is, dan is het Bluetooth-wachtwoord D De afdruktaak is verstuurd. Het Bluetooth-wachtwoord van elke printer is uniek en kan niet worden veranderd. 77
78 Voorbereiden voor afdrukken Als een bericht tijdens de installatie wordt weergegeven Berichten met nummer 58 of 34 geven aan dat het printerstuurprogramma niet kan worden geïnstalleerd met Auto Run. Installeer het printerstuurprogramma met [Printer toevoegen] of [>Printer installeren]. Voor Windows 95/98/Me, Windows 2000 en Windows NT 4.0: A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. B Dubbelklik op het pictogram Printer toevoegen. C Volg de instructies in de Wizard Printer toevoegen. Als het printerstuurprogramma zich op een cd-rom bevindt, vindt u het programma in DRIVERSRPCSWIN9X_ME, DRIVERSRPCSWIN2K_XP of DRIVERSRPCS T4. Als het installatieprogramma wordt gestart, klikt u op [Annuleren] om het programma te beëindigen. Voor Windows XP Professional of Windows Server 2003: A Ga naar het menu [Start] en klik op [Printers en faxapparaten]. B Klik op [Printer toevoegen]. C Volg de instructies in de Wizard Printer toevoegen. Als het printerstuurprogramma zich op een cd-rom bevindt, vindt u het programma in DRIVERSRPCSWIN2K_XP. Als het installatieprogramma wordt gestart, klikt u op [Annuleren] om het programma te beëindigen. Voor Windows XP Home Editions: A Klik in het menu [Start] op [Configuratiescherm]. B Klik op [Printers en faxapparaten]. C Klik op [Printers en faxapparaten]. D Klik op [Printer installeren]. E Volg de instructies in de Wizard Printer toevoegen. Als het RPCS-printerstuurprogramma zich op een cd-rom bevindt, vindt u het programma in de map \DRIVERS\RPCS\WIN2K_XP. Als het installatieprogramma wordt gestart, klikt u op [Annuleren] om het programma te beëindigen. 78
79 Voorbereiden voor afdrukken Opties voor de printer instellen U kunt in het printerstuurprogramma opties voor de printer instellen als bidirectionele communicatie is ingeschakeld. Zie Pag.81 Wanneer bidirectionele communicatie is uitgeschakeld voor meer informatie over het instellen van printeropties. Voorwaarden voor bidirectionele communicatie Bidirectionele communicatie maakt het mogelijk informatie over de instellingen voor papierformaat en invoerrichting automatisch naar de printer sturen. U kunt de printerstatus vanaf uw computer controleren. Bidirectionele communicatie wordt ondersteund door Windows 95/98/Me/2000/XP, Windows Server 2003 en Windows NT 4.0. Als u in Windows 2000 het RPCS-printerstuurprogramma gebruikt en bidirectionele communicatie heeft ingeschakeld, is het tabblad [Accessoires wijzigen] niet beschikbaar. Het RPCS-printerstuurprogramma ondersteunt bidirectionele communicatie en werkt de printerstatus automatisch bij. Het PCL-printerstuurprogramma ondersteunt bidirectionele communicatie. U kunt de printerstatus handmatig bijwerken. Het PostScript 3-printerstuurprogramma ondersteunt geen bidirectionele communicatie. Bidirectionele communicatie kan alleen worden ondersteund als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: Bij een verbinding met parallelle kabels De computer moet bidirectionele communicatie ondersteunen. De printer moet bidirectionele communicatie ondersteunen. De interfacekabel moet bidirectionele communicatie ondersteunen. De printer moet zijn aangesloten op de computer met behulp van een standaard parallelle interfacekabel en parallelle connector. Onder Windows 2000 moet [Bidirectionele ondersteuning inschakelen] worden geselecteerd en moet [Printerpooling inschakelen] niet worden geselecteerd op het tabblad [Poort] met het RPCS-printerstuurprogramma. 79
80 Voorbereiden voor afdrukken Bij een netwerkverbinding De printer moet bidirectionele communicatie ondersteunen. SmartDeviceMonitor for Client (meegeleverd op de cd-rom) moet zijn geïnstalleerd en TCP/IP moet worden gebruikt. Onder Windows 2000 moet [Bidirectionele ondersteuning inschakelen] worden geselecteerd en moet [Printerpooling inschakelen] niet worden geselecteerd op het tabblad [Poort] met het RPCS-printerstuurprogramma. Afgezien van het bovenstaande, moet ook aan een van de volgende voorwaarden worden voldaan: De SmartDeviceMonitor for Client-poort en het TCP/IP-protocol moeten worden gebruikt. De standaard TCP/IP-poort moet worden gebruikt zonder de standaardpoortnaam (voor Windows 2000/XP en Windows Server 2003) te wijzigen. Het IP-adres voor Microsoft TCP/IP-afdrukken moet zijn opgegeven voor gebruik (voor Windows NT 4.0). Het IP-adres moet deel uitmaken van de IPP-poortnaam wanneer het IPP-protocol wordt gebruikt. Bij een IEEE 1394-verbinding De computer moet bidirectionele communicatie ondersteunen. De printer moet met een IEEE 1394-interfacekabel zijn aangesloten op de IEEE 1394-aansluiting van de computer. [Activeren] moet zijn geselecteerd in de SCSI print van IEEE 1394 en [Activeren] moet zijn geselecteerd in de Bidi-SCSI print. Onder Windows 2000/XP of Windows Server 2003 moet met het RPCSprinterstuurprogramma [Bidirectionele ondersteuning inschakelen] worden geselecteerd en moet [Printerpooling inschakelen] niet worden geselecteerd op het tabblad [Poort]. Bij een USB-verbinding De printer moet zijn aangesloten op de USB-poort van de computer met behulp van de USB-interfacekabel. De computer moet bidirectionele communicatie ondersteunen. Installeer SmartDeviceMonitor for Client vanaf de meegeleverde cd-rom. 80
81 Voorbereiden voor afdrukken Wanneer bidirectionele communicatie is uitgeschakeld Optie-instellingen bij uitgeschakelde bidirectionele communicatie. In Windows 2000/XP en Windows Server 2003 is bevoegdheid voor het beheren van printers vereist om de printereigenschappen te kunnen wijzigen in de map [Printers]. Meld u aan als beheerder of hoofdgebruiker. In Windows NT 4.0 zijn volledige beheerbevoegdheden vereist om de printereigenschappen te kunnen wijzigen in de map [Printers]. Meld u aan als beheerder of hoofdgebruiker. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. D Klik op het tabblad [Accessoires]. Als de opties op het tabblad [Accessoires wijzigen] niet beschikbaar zijn, is bidirectionele communicatie ingeschakeld. In dat geval hoeven de optie-instellingen niet te worden gewijzigd. Als u het RPCS-printerstuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad [Accessoires wijzigen]. Als u het PS-printerstuurprogramma gebruikt, klikt u op het tabblad [Apparaatinstellingen]. E Selecteer de geïnstalleerde opties in het gebied [Optie] en maak de vereiste instellingen. F Selecteer de totale hoeveelheid geheugen in [Totaal geheugen:] als de optionele SDRAM-module is toegevoegd. G Klik onder [Instellingen papierinvoerlade] op de lade die u wilt gebruiken, markeer deze en selecteer vervolgens het formaat, de positie en het type die u voor de lade wilt gebruiken. Schakel het selectievakje [Ladeblokkering] in om te voorkomen dat de lade automatisch kan worden geselecteerd. H Klik op [OK] om het eigenschappenvenster van de printer te sluiten. Klik op het tabblad [Standaardwaarden] en vervolgens op [Accessoires wijzigen] om de diverse opties weer te geven. 81
82 Het printerstuurprogramma instellen PCL - het eigenschappenvenster van de printer openen Windows 95/98/Me - Het dialoogvenster Printereigenschappen openen U kunt het dialoogvenster Printereigenschappen op twee manieren openen. Standaardprinterinstellingen opgeven Open het dialoogvenster Printereigenschappen vanuit het venster [Printers] om de standaardprinterinstellingen op te geven. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Bij sommige toepassingen worden niet de instellingen van het printerstuurprogramma gebruikt, maar de standaardinstellingen van de desbetreffende toepassing. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. G _1.00 Copyright
83 Het printerstuurprogramma instellen Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster Printereigenschappen vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows 95/98/Me wordt geleverd. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in het vak [Naam] en klik vervolgens op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. D Klik op [OK] om het afdrukken te starten. De procedure voor het openen van het eigenschappenvenster van de printer kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. Bij sommige toepassingen worden niet de instellingen van het printerstuurprogramma gebruikt, maar de standaardinstellingen van de desbetreffende toepassing. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 83
84 Het printerstuurprogramma instellen Windows Het dialoogvenster Printereigenschappen openen Standaardprinterinstellingen opgeven - printereigenschappen Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over bevoegdheden voor het beheren van printers beschikt. Leden van de groepen Beheerders en Hoofdgebruikers hebben standaard toestemming om printers te beheren. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Standaardinstellingen opgeven - voorkeursinstellingen voor afdrukken U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. 84
85 Het printerstuurprogramma instellen C Klik in het menu [Bestand] op [Voorkeursinstellingen voor afdrukken...]. Het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows 2000 wordt geleverd. De procedure voor het openen van het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken...]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in de lijst [Printer selecteren]. C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [Toepassen] om het afdrukken te starten. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 85
86 Het printerstuurprogramma instellen Windows XP, Windows Server Het eigenschappenvenster van de printer openen. Standaardprinterinstellingen opgeven - printereigenschappen Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over bevoegdheden voor het beheren van printers beschikt. Leden van de groepen Beheerders en Hoofdgebruikers hebben standaard toestemming om printers te beheren. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Ga naar het menu [Start] en klik op [Printers en faxapparaten]. Het venster [Printers en faxen] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Standaardinstellingen opgeven - voorkeursinstellingen voor afdrukken U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Ga naar het menu [Start] en klik op [Printers en faxapparaten]. Het venster [Printers en faxen] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. 86
87 Het printerstuurprogramma instellen C Klik in het menu [Bestand] op [Voorkeursinstellingen voor afdrukken...]. Het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows XP wordt geleverd. De procedure voor het openen van het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken...]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in de lijst [Printer selecteren]. C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [Toepassen] om het afdrukken te starten. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 87
88 Het printerstuurprogramma instellen Windows NT Het dialoogvenster Printereigenschappen openen Standaardprinterinstellingen opgeven - printereigenschappen Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over volledige beheerbevoegdheden beschikt. Leden van de groepen Beheerders, Serveroperators, Printeroperators en Hoofdgebruikers hebben standaard deze vorm van toegang. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 88
89 Het printerstuurprogramma instellen Standaardprinterinstellingen opgeven - standaard Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over volledige beheerbevoegdheden beschikt. Leden van de groepen Beheerders, Serveroperators, Printeroperators en Hoofdgebruikers hebben standaard deze vorm van toegang. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Standaardwaarden document]. Het dialoogvenster [Standaardwaarden] wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 89
90 Het printerstuurprogramma instellen Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster Printereigenschappen vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows 4.0 wordt geleverd. De procedure voor het openen van het eigenschappenvenster van de printer kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. Bij sommige toepassingen worden niet de instellingen van het printerstuurprogramma gebruikt, maar de standaardinstellingen van de desbetreffende toepassing. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in het vak [Naam] en klik vervolgens op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. D Klik op [OK] om het afdrukken te starten. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 90
91 Het printerstuurprogramma instellen RPCS - het eigenschappenvenster van de printer openen Windows 95/98/Me - Het dialoogvenster Printereigenschappen openen Er zijn twee verschillende versies van het dialoogvenster Printereigenschappen. Multi-tab wordt in deze handleiding als voorbeeld gebruikt. Informatie over het wijzigen van het type dialoogvenster kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Multi-tab Dit type dialoogvenster is bedoeld voor gebruikers die vaak de afdrukinstellingen wijzigen om verschillende soorten afdrukbewerkingen te kunnen uitvoeren. Algemene instelling Dit type dialoogvenster is bedoeld voor gebruikers die niet vaak de afdrukinstellingen wijzigen. De opbouw van het venster kan variëren, afhankelijk van de geïnstalleerde opties. Standaardprinterinstellingen opgeven Open het dialoogvenster Printereigenschappen vanuit het venster [Printers] om de standaardprinterinstellingen op te geven. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. Bij sommige toepassingen worden niet de instellingen van het printerstuurprogramma gebruikt, maar de standaardinstellingen van de desbetreffende toepassing. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Wanneer u het eigenschappenvenster van de printer voor de eerste keer opent na de installatie van het RPCS-printerstuurprogramma, wordt een bevestigingsbericht weergegeven. Wanneer u op [OK] klikt, wordt het eigenschappenvenster weergegeven. 91
92 Het printerstuurprogramma instellen D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster Printereigenschappen vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows 95/98/Me wordt geleverd. De procedure voor het openen van het eigenschappenvenster van de printer kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. Bij sommige toepassingen worden niet de instellingen van het printerstuurprogramma gebruikt, maar de standaardinstellingen van de desbetreffende toepassing. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in het vak [Naam] en klik vervolgens op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. D Klik op [OK] om het afdrukken te starten. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 92
93 Het printerstuurprogramma instellen Windows Het dialoogvenster Printereigenschappen openen Standaardprinterinstellingen opgeven - printereigenschappen Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over bevoegdheden voor het beheren van printers beschikt. Leden van de groepen Beheerders en Hoofdgebruikers hebben standaard toestemming om printers te beheren. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. Wanneer u het eigenschappenvenster van de printer voor de eerste keer opent na de installatie van het RPCS-printerstuurprogramma, wordt een bevestigingsbericht weergegeven. Wanneer u op [OK] klikt, wordt het eigenschappenvenster weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 93
94 Het printerstuurprogramma instellen Standaardinstellingen opgeven - voorkeursinstellingen voor afdrukken U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Voorkeursinstellingen voor afdrukken...]. Het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows 2000 wordt geleverd. De procedure voor het openen van het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken...]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in de lijst [Printer selecteren]. 94
95 Het printerstuurprogramma instellen C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [Toepassen] om het afdrukken te starten. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Windows XP, Windows Server Het eigenschappenvenster van de printer openen. Standaardprinterinstellingen opgeven - printereigenschappen Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over bevoegdheden voor het beheren van printers beschikt. Leden van de groepen Beheerders en Hoofdgebruikers hebben standaard toestemming om printers te beheren. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Ga naar het menu [Start] en klik op [Printers en faxapparaten]. Het venster [Printers en faxen] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. Wanneer u het eigenschappenvenster van de printer voor de eerste keer opent na de installatie van het RPCS-printerstuurprogramma, wordt een bevestigingsbericht weergegeven. Wanneer u op [OK] klikt, wordt het eigenschappenvenster weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 95
96 Het printerstuurprogramma instellen Standaardinstellingen opgeven - voorkeursinstellingen voor afdrukken U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Ga naar het menu [Start] en klik op [Printers en faxapparaten]. Het venster [Printers en faxen] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Voorkeursinstellingen voor afdrukken...]. Het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows XP wordt geleverd. De procedure voor het openen van het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken...]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in de lijst [Printer selecteren]. 96
97 Het printerstuurprogramma instellen C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [Toepassen] om het afdrukken te starten. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Windows NT Het dialoogvenster Printereigenschappen openen Standaardprinterinstellingen opgeven - printereigenschappen Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over volledige beheerbevoegdheden beschikt. Leden van de groepen Beheerders, Serveroperators, Printeroperators en Hoofdgebruikers hebben standaard deze vorm van toegang. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. Wanneer u het eigenschappenvenster van de printer voor de eerste keer opent na de installatie van het RPCS-printerstuurprogramma, wordt een bevestigingsbericht weergegeven. Wanneer u op [OK] klikt, wordt het eigenschappenvenster weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 97
98 Het printerstuurprogramma instellen Standaardprinterinstellingen opgeven - standaard Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over volledige beheerbevoegdheden beschikt. Leden van de groepen Beheerders, Serveroperators, Printeroperators en Hoofdgebruikers hebben standaard deze vorm van toegang. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Standaardwaarden document...]. Het dialoogvenster [Standaardwaarden] wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 98
99 Het printerstuurprogramma instellen Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster Printereigenschappen vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows 4.0 wordt geleverd. De procedure voor het openen van het eigenschappenvenster van de printer kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. Bij sommige toepassingen worden niet de instellingen van het printerstuurprogramma gebruikt, maar de standaardinstellingen van de desbetreffende toepassing. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in het vak [Naam] en klik vervolgens op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [Toepassen]. D Klik op [OK] om het afdrukken te starten. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 99
100 Het printerstuurprogramma instellen PostScript 3 - Afdrukinstellingen opgeven Windows 95/98/Me - Het dialoogvenster Printereigenschappen openen U kunt het dialoogvenster Printereigenschappen op twee manieren openen. Standaardprinterinstellingen opgeven Open het dialoogvenster Printereigenschappen vanuit het venster [Printers] om de standaardprinterinstellingen op te geven. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. Bij sommige toepassingen worden niet de instellingen van het printerstuurprogramma gebruikt, maar de standaardinstellingen van de desbetreffende toepassing. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. E Klik op [OK]. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 100
101 Het printerstuurprogramma instellen Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster Printereigenschappen vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows 95/98/Me wordt geleverd. De procedure voor het openen van het eigenschappenvenster van de printer kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. Bij sommige toepassingen worden niet de instellingen van het printerstuurprogramma gebruikt, maar de standaardinstellingen van de desbetreffende toepassing. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in het vak [Naam] en klik vervolgens op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. D Klik op [OK] om het afdrukken te starten. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 101
102 Het printerstuurprogramma instellen Windows Het dialoogvenster Printereigenschappen openen Standaardprinterinstellingen opgeven - printereigenschappen Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over bevoegdheden voor het beheren van printers beschikt. Leden van de groepen Beheerders en Hoofdgebruikers hebben standaard toestemming om printers te beheren. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Standaardinstellingen opgeven - voorkeursinstellingen voor afdrukken U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. 102
103 Het printerstuurprogramma instellen C Klik in het menu [Bestand] op [Voorkeursinstellingen voor afdrukken...]. Het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows 2000 wordt geleverd. De procedure voor het openen van het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken...]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in de lijst [Printer selecteren]. C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [Afdrukken] om het afdrukken te starten. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 103
104 Het printerstuurprogramma instellen Windows XP, Windows Server Het eigenschappenvenster van de printer openen. Standaardprinterinstellingen opgeven - printereigenschappen Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over bevoegdheden voor het beheren van printers beschikt. Leden van de groepen Beheerders en Hoofdgebruikers hebben standaard toestemming om printers te beheren. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Ga naar het menu [Start] en klik op [Printers en faxapparaten]. Het venster [Printers en faxen] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Standaardinstellingen opgeven - voorkeursinstellingen voor afdrukken U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Ga naar het menu [Start] en klik op [Printers en faxapparaten]. Het venster [Printers en faxen] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. 104
105 Het printerstuurprogramma instellen C Klik in het menu [Bestand] op [Voorkeursinstellingen voor afdrukken...]. Het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows XP wordt geleverd. De procedure voor het openen van het dialoogvenster [Voorkeursinstellingen voor afdrukken] kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken...]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in de lijst [Printer selecteren]. C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [Afdrukken] om het afdrukken te starten. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 105
106 Het printerstuurprogramma instellen Windows NT Het dialoogvenster Printereigenschappen openen Standaardprinterinstellingen opgeven - printereigenschappen Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over volledige beheerbevoegdheden beschikt. Leden van de groepen Beheerders, Serveroperators, Printeroperators en Hoofdgebruikers hebben standaard deze vorm van toegang. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 106
107 Het printerstuurprogramma instellen Standaardprinterinstellingen opgeven - standaard Als u de standaardprinterinstellingen wilt wijzigen inclusief de instellingen voor de optieconfiguraties, moet u zich aanmelden met een account die over volledige beheerbevoegdheden beschikt. Leden van de groepen Beheerders, Serveroperators, Printeroperators en Hoofdgebruikers hebben standaard deze vorm van toegang. U kunt niet voor iedere gebruiker de standaardinstellingen van de printer wijzigen. De instellingen in het eigenschappenvenster van de printer gelden voor alle gebruikers. A Klik op [Start], plaats de muisaanwijzer op [Instellingen] en klik vervolgens op [Printers]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. C Klik in het menu [Bestand] op [Standaardwaarden document]. Het dialoogvenster [Standaardwaarden] wordt weergegeven. D Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Instellingen die u hier opgeeft, worden standaard voor alle applicaties gebruikt. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 107
108 Het printerstuurprogramma instellen Printerinstellingen opgeven vanuit een toepassing U kunt printerinstellingen opgeven voor een specifieke toepassing. Als u printerinstellingen wilt opgeven voor een specifieke toepassing, opent u het dialoogvenster Printereigenschappen vanuit de betreffende toepassing. Hieronder wordt beschreven hoe u instellingen opgeeft voor de toepassing WordPad die bij Windows 4.0 wordt geleverd. De procedure voor het openen van het eigenschappenvenster van de printer kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij de betreffende toepassing worden geleverd. Bij sommige toepassingen worden niet de instellingen van het printerstuurprogramma gebruikt, maar de standaardinstellingen van de desbetreffende toepassing. De instellingen die u tijdens onderstaande procedure opgeeft, zijn alleen geldig voor de huidige applicatie. Iedere gebruiker kan de eigenschappen in het dialoogvenster [Afdrukken] van een toepassing wijzigen. De instellingen die in dit dialoogvenster worden opgegeven, gelden als de standaardinstellingen voor het afdrukken vanuit de betreffende toepassing. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken]. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in het vak [Naam] en klik vervolgens op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. C Geef de benodigde instellingen op en klik vervolgens op [OK]. D Klik op [OK] om het afdrukken te starten. Meer informatie kunt u vinden in de Help-functie van het printerstuurprogramma. 108
109 Het printerstuurprogramma instellen Macintosh - Afdrukinstellingen opgeven Papierinstellingen opgeven vanuit een applicatie A Open het bestand dat u wilt afdrukken. B Klik in het [Archief]-menu op [Pagina-instelling]. C Controleer of de printer die u wilt gebruiken wordt weergegeven in [Stel in voor:] en selecteer vervolgens het papierformaat dat u wilt gebruiken in [Papier]. Onder Mac OS X selecteert u het papierformaat in [Papierformaat]. Als de printer die u wilt gebruiken niet wordt weergegeven in [Stel in voor:] selecteert u de gewenste printer. Het dialoogvenster [Pagina-instelling] kan per toepassing verschillen. Meer informatie kunt u vinden in de handleidingen die bij het Macintosh-besturingssysteem worden geleverd. D Geef de instellingen op en klik vervolgens op [OK]. Afdrukinstellingen opgeven vanuit een applicatie A Open het bestand dat u wilt afdrukken. B Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken]. C Controleer of de printer is geselecteerd in de lijst [Printer] en geef vervolgens de printerinstellingen op. D Geef de instellingen op en klik vervolgens op [OK]. 109
110 Overige afdrukbewerkingen Een PDF-bestand rechtstreeks afdrukken U kunt PDF-bestanden rechtstreeks verzenden naar de printer en afdrukken zonder de bijbehorende toepassing te starten. Dit is alleen mogelijk bij Adobe PDF-bestanden. PDF-bestanden van versie 1.3, 1.4 en 1.5 worden ondersteund. OHP-transparanten en JBIG2 (functies van versie 1.4) worden niet ondersteund. Functies van bestanden van versie 1.5 worden niet ondersteund. DeskTopBinder Lite gebruiken PDF-bestanden die zijn toegevoegd met DeskTopBinder Lite kunnen rechtstreeks naar de printer worden verzonden voor afdrukken. Het printerstuurprogramma RPCS moet geïnstalleerd zijn. PDF Direct Print is niet beschikbaar bij sommige versies van DeskTopBinder Lite. Gebruik DeskTopBinder Lite die is geïnstalleerd vanaf de cd-rom die bij de printer was meegeleverd. PDF rechtstreeks afdrukken kan worden ingesteld vanuit de eigenschappen PDF rechtstreeks afdrukken. Voordat u DeskTopBinder Lite kunt gebruiken, moet u de poort configureren. Raadpleeg de Help-functie van DeskTopBinder Lite voor meer informatie. DeskTopBinder Lite installeren Volg de onderstaande procedure om DeskTopBinder Lite te installeren. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. G _1.00 Copyright
111 Overige afdrukbewerkingen C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. D Klik op [DeskTopBinder Lite] en klik vervolgens op [Volgende >]. E Volg de instructies op het scherm om DeskTopBinder Lite te installeren. Start de computer opnieuw na de installatie van DeskTopBinder Lite, als u hierom wordt gevraagd, en ga verder met de configuratie. DeskTopBinder Lite Uitgebreide functies Volg de procedure van DeskTopBinder Lite Uitgebreide functies om rechtstreeks PDF-bestanden af te drukken. A Klik in het [Start]-menu op [Programma s], [DeskTopBinder], en [Wizard voor uitgebreide functies]. B Als [Wizard voor uitgebreide functies] verschijnt, selecteert u [Start], klikt u herhaaldelijk op [Volgende] totdat het scherm [Afdrukfunctie3] verschijnt. C Klik in het scherm [Afdrukfunctie3] op [Toevoegen] om [Eigenschappen PDF Direct Print] weer te geven. D Selecteer Stuurprogramma voor deze machine en klik op [OK]. Klik herhaaldelijk op [Volgende] totdat [Voltooien] wordt getoond. Klik op [Voltooien]. Function Palette Function palette bevat knoppen voor functies die reeds via DeskTopBinder Lite Uitgebreide functies zijn geconfigureerd. Met deze knoppen kunt u Windows-bestanden afdrukken, afdrukvoorbeelden bekijken, afbeeldingen converteren en scanners voor documenten registreren zonder DeskTopBinder Lite te hoeven openen. Ook kunt u met deze functies werken door een doelbestand naar de knop van de desbetreffende functie te slepen, en het bestand daar los te laten. A Klik in het [Start]-menu op [Programma s], [DeskTopBinder], en [Function Palette]. Voor Function Palette wordt rechts onderin het scherm een pictogram aan de taakbalk toegevoegd. B Klik met de rechtermuisknop op het pictogram in de taakbalk en klik op [Eigenschappen] om het scherm Eigenschappen weer te geven. C Klik op het tabblad [Inhoud], selecteer het keuzevakje [PDF Direct Print] in het midden en klik op [OK]. Het scherm [Eigenschappen] wordt afgesloten en het pictogram [PFD Direct Print] wordt aan het palet toegevoegd. 111
112 Overige afdrukbewerkingen PDF Direct Print Met de onderstaande methode kunt u rechtstreeks PDF-bestanden afdrukken. A Sleep het PDF-bestand dat u wilt afdrukken naar het pictogram PDF Direct Printing dat zich in het palet bevindt en laat het daar los. B [Uitvoerbestandenlijst-PDF Direct Print] wordt weergegeven. Markeer het PDF-bestand dat u wilt afdrukken en klik op [OK]. Het PDF-bestand wordt afgedrukt. Het afdrukken van PDF-bestanden die met een wachtwoord zijn beveiligd Volg de onderstaande procedure om PDF-bestanden af te drukken die met een wachtwoord zijn beveiligd. A In het Windows-[Start]-menu klikt u op [Programma s], [DeskTopBinder], en [Wizard voor uitgebreide functies]. B Als [Wizard voor uitgebreide functies] verschijnt, selecteert u [Start], klikt u herhaaldelijk op [Volgende] totdat het scherm [Afdrukfunctie3] verschijnt. C Klik in het scherm [Afdrukfunctie3] op [Toevoegen...] om [Eigenschappen PDF Direct Print] weer te geven. D Selecteer rechts onderin het scherm het selectievakje [PDF-wachtwoord gebruiken] en klik op [OK]. Klik herhaaldelijk op [Volgende] totdat [Voltooien] verschijnt. Klik op [Voltooien] om het scherm [Wizard voor uitgebreide functies] af te sluiten. E Sleep het PDF-bestand dat u wilt afdrukken naar het pictogram PDF Direct Print dat zich in het palet bevindt en laat het daar los. F [Uitvoerbestandenlijst-PDF Direct Print] wordt weergegeven. Selecteer het PDF-bestand dat u wilt uitvoeren om het in omgekeerde kleuren weer te geven en klik op [OK]. 112
113 Overige afdrukbewerkingen G Het scherm [Eigenschappen PDF Direct Print] wordt geopend. Voer het wachtwoord in van het PDF-bestand dat u wilt afdrukken in het veld [PDF-wachtwoord] rechts onderin het scherm en klik op [OK]. Het met een wachtwoord beveiligde PDF-bestand wordt afgedrukt. Voordat u een bestand dat door een wachtwoord is beveiligd af kunt drukken, dient u één van de volgende acties uit te voeren: Voer in het scherm eigenschappen PDF Direct Print het PDF-wachtwoord in Geef een wachtwoord op via [Wachtwoord wijzigen] in het menu [PDF-configuratie] in het bedieningspaneel van deze machine Als aan DeskTopBinder Lite of aan het bedieningspaneel van dit apparaat een [Groepswachtwoord] voor het menu [PDF-configuratie] is toegekend, moet aan de andere hetzelfde groepswachtwoord worden toegekend. Eigenschappen PDF Direct Print 1. Naam instellen: Geeft de configuratienaam van de plugin weer (maximaal 63 tekens van 1 byte) 2. Pictogram wijzigen... Wijzig het pictogram op de werkbalk. 3. Printernaam Geeft een lijst weer van RPCS-stuurprogramma s die PDF Direct Print afdrukken ondersteunen. 4. Duplex Afdrukken aan beide zijden van vellen. 5. Lay-out Meerdere pagina s op een enkel vel afdrukken. 113
114 Overige afdrukbewerkingen 6. Perforeren Gaten perforeren in uitvoer. 7. Nieten Uitvoer aan elkaar nieten. 8. Dit dialoogvenster weergeven voordat u gaat afdrukken. Dialoogvenster Verschijnt in modus PDF Direct Print als dit selectievakje is geselecteerd. 9. Richting: Geef de invoerrichting van het origineel op. 10. Aantal kopieën Geef het aantal af te drukken kopieën op. 11. Sorteren Gebruik deze om afdrukken te sorteren. 12. Bereik Geef voor elke pagina het afdrukgebied op. 13. Kleur/Zwart en wit: Geef op of in kleur of in zwart-wit moet worden afgedrukt. 14. Resolutie Geef een afdrukresolutie op. 15. PDF-wachtwoord Indien het PDF-bestand met een wachtwoord is beveiligd dient u in dit veld het wachtwoord op te geven. Anders kan het bestand niet worden afgedrukt. 16. Groepswachtwoord Als aan DeskTopBinder Lite en aan dit apparaat een groepswachtwoord is toegekend, moet u dit invoeren. Anders kan het afdrukken niet starten. Opdrachten gebruiken Onder Windows en UNIX kunt u rechtstreeks PDF-bestanden afdrukken met opdrachten als ftp en lpr. Zie Pag.267 Bestanden rechtstreeks vanuit Windows afdrukken voor meer informatie over afdrukken met opdrachten onder Windows. Raadpleeg UNIX Supplement voor meer informatie over afdrukopdrachten onder UNIX. 114
115 Overige afdrukbewerkingen Testafdruk Gebruik deze functie om de eerste set van een uit meerdere sets bestaande afdruktaak af te drukken. Nadat u de resultaten heeft bekeken, kunt u de resterende sets afdrukken vanaf het bedieningspaneel. Met deze functie kunt u voorkomen dat er grote hoeveelheden foutieve afdrukken worden gemaakt. U kunt deze functie alleen gebruiken wanneer de harde schijf in de printer is geïnstalleerd. Het aantal pagina s dat door de printer kan worden opgeslagen, is afhankelijk van de inhoud van de bestanden. De printer kan maximaal 30 taken of 1100 pagina s opslaan voor Testafdruk en Beveil. afdruk. De printer kan maximaal 1000 pagina s per taak opslaan. Als u de printer uitschakelt, wordt de taak verwijderd die is opgeslagen op de harde schijf. Testafdruk-bestanden worden niet op het bedieningspaneel weergegeven als deze al zijn uitgevoerd of verwijderd met de webbrowser voordat u Testafdruk selecteert via het bedieningspaneel. Testafdruk-bestanden die zijn afgedrukt of verwijderd met Web Image Monitor nadat u [Testafdruk] heeft geselecteerd vanaf het bedieningspaneel, worden wel weergegeven. Er wordt echter een foutbericht weergegeven wanneer u probeert deze Testafdruk-bestanden uit te voeren of te verwijderen. U kunt het bestand dat u wilt afdrukken herkennen aan het gebruiker-id en het tijdstip waarop de taak is opgeslagen. Als de eerste set van het Testafdruk-bestand niet aan de verwachtingen voldoet en u de overige sets niet wilt afdrukken, kunt u het Testafdruk -bestand verwijderen via het bedieningspaneel of Web Image Monitor. De taak in de printer wordt automatisch verwijderd nadat alle Testafdruk-bestanden zijn afgedrukt. Volg de onderstaande procedure om deze functie te gebruiken met het PCLof RPCS-printerstuurprogramma onder Windows. Wanneer u deze functie onder Mac OS wilt gebruiken, zie Pag.283 PostScript 3 gebruiken. Raadpleeg voor meer informatie over het printerstuurprogramma de Helpfunctie van het stuurprogramma. Bestanden die voor Testafdruk zijn opgegeven, kunnen met Web Image Monitor worden afgedrukt of verwijderd. Raadpleeg de Help-functie van Web Image Monitor voor meer informatie. 115
116 Overige afdrukbewerkingen De eerste set afdrukken A Vanuit een toepassing selecteert u een opdracht voor afdrukken. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in het vak [Naam] en klik vervolgens op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. C Klik in het vak [Taaktype:] op [Testafdruk]. D Voer in het vak [Gebruiker ID:] een gebruikers-id in van maximaal acht alfanumerieke tekens. Aan de hand van deze ID wordt de gebruiker geïdentificeerd. De gebruiker-id kan bestaan uit maximaal acht alfanumerieke (a - z, A - Z, 0-9) tekens. E Voor een opdracht voor afdrukken uit. De taak wordt opgeslagen op de harde schijf. F Controleer de afdruktaak en druk vervolgens via het bedieningspaneel de overige sets af of verwijder deze. Pag.116 De overige sets afdrukken. Pag.117 Een Testafdruk-bestand verwijderen. De overige sets afdrukken A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [Testafdruk] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. De gebruiker-id en de tijd waarop de taak is opgeslagen, worden weergegeven. 116
117 Overige afdrukbewerkingen C Druk op de toets {U} of {T} om het bestand weer te geven dat u wilt afdrukken, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. D Controleer of [Bestand afdr.] wordt weergegeven en druk vervolgens op de toets {# Enter}. Het aantal overige sets wordt weergegeven. Druk op de toets {Escape} om het afdrukken te annuleren. E Druk op de toets {# Enter}. Als u het aantal af te drukken sets wilt wijzigen, drukt u op {U} of {T} om het aantal sets te selecteren en drukt u vervolgens op de toets {# Enter}. Nadat de taak is afgedrukt, wordt de taak verwijderd die was opgeslagen op de harde schijf. Een Testafdruk-bestand verwijderen A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [Testafdruk] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {U} of {T} om het bestand weer te geven dat u wilt verwijderen, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {U} of {T} om [Bestand wissen] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. Druk op de toets {Escape} om het verwijderen van een Testafdruk-bestand te annuleren. E Druk op de toets {# Enter} om het bestand te verwijderen. Het bericht [Verwijderd] wordt weergegeven. F Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. 117
118 Overige afdrukbewerkingen Het foutenlogboek controleren Wanneer een afdruktaak niet wordt opgeslagen op de harde schijf, blijft deze behouden in het foutenlogboek en kan via het bedieningspaneel worden gecontroleerd. De laatste 50 foutbestanden worden opgeslagen in het foutenlogboek. Indien een nieuw foutbestand wordt toegevoegd wanneer er al 50 foutbestanden zijn, wordt het oudste bestand verwijderd. Maar, als het oudste bestand een testafdrukbestand betreft, wordt deze niet verwijderd, maar opgeslagen in het testafdruk foutenlogboek totdat het aantal testafdrukbestanden 20 bereikt. Wanneer u het apparaat uitschakelt, worden de logboeken verwijderd. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [Testafdruk] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. De gebruiker-id en de tijd waarop de taak is opgeslagen, worden weergegeven. C Druk op de toets {U} of {T} om [Foutbestanden] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {U} of {T} om het logbestand te controleren. Als u foutenlogboeken wilt afdrukken, drukt u het bestand af dat is opgeslagen op de harde schijf (of u verwijdert dit bestand), waarna u het bestand nogmaals afdrukt vanaf de computer. E Druk op de toets {Escape} wanneer u het foutenlogboek heeft gecontroleerd. Het taakselectiescherm Testafdruk wordt weergegeven. F Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. 118
119 Overige afdrukbewerkingen Beveil. afdruk Gebruik deze functie niet als u vertrouwelijke documenten wilt afdrukken. Documenten worden alleen automatisch afgedrukt als u een wachtwoord invoert vanaf het bedieningspaneel. U kunt deze functie alleen gebruiken wanneer de harde schijf in de printer is geïnstalleerd. Het aantal pagina s dat door de printer kan worden opgeslagen, is afhankelijk van de inhoud van de bestanden. De printer kan maximaal 30 taken of 1100 pagina s opslaan voor Testafdruk en Beveil. afdruk. De printer kan maximaal 1000 pagina s per taak opslaan. Als u de printer uitschakelt, wordt de taak verwijderd die is opgeslagen op de harde schijf. Beveil. afdruk-bestanden worden niet op het bedieningspaneel weergegeven als ze al zijn afgedrukt of verwijderd met Web Image Monitor voordat u [Beveil. afdruk] selecteert vanaf het bedieningspaneel. Beveil. afdruk-bestanden die zijn afgedrukt of verwijderd met Web Image Monitor nadat u [Beveil. afdruk] heeft geselecteerd vanaf het bedieningspaneel, worden wel weergegeven. Er wordt echter een foutbericht weergegeven wanneer u probeert deze Beveil. afdruk-bestanden uit te voeren of te verwijderen. In de volgende gevallen worden afdruktaken niet opgeslagen op de harde schijf. U kunt in het foutenlogboek zien welke taken niet zijn opgeslagen. Als er 30 Testafdruk- en Beveil. afdruk-taken zijn opgeslagen op de harde schijf. Als het totale aantal pagina s dat op de harde schijf is opgeslagen meer dan 1000 bedraagt. U kunt het bestand dat u wilt afdrukken herkennen aan het gebruiker-id en het tijdstip waarop de taak is opgeslagen. Nadat het bestand Beveil. afdruk is afgedrukt, wordt de taak automatisch uit de printer verwijderd. Volg de onderstaande procedure om deze functie te gebruiken met het PCLof RPCS-printerstuurprogramma onder Windows. Wanneer u deze functie onder Mac OS wilt gebruiken, zie Pag.283 PostScript 3 gebruiken. Raadpleeg voor meer informatie over het printerstuurprogramma de Helpfunctie van het stuurprogramma. Bestanden die voor Beveil. afdruk zijn opgegeven, kunnen met Web Image Monitor worden afgedrukt of verwijderd. Raadpleeg de Help-functie van Web Image Monitor voor meer informatie. 119
120 Overige afdrukbewerkingen De afdruktaak verzenden naar de printer A Vanuit een toepassing selecteert u een opdracht voor afdrukken. Het dialoogvenster [Afdrukken] verschijnt. B Selecteer de printer die u wilt gebruiken in het vak [Naam] en klik vervolgens op [Eigenschappen]. C Klik in het vak [Taaktype:] op [Beveil. afdruk]. D Voer in het vak [Gebruiker ID:] een gebruikers-id in van maximaal acht alfanumerieke tekens. Aan de hand van deze ID wordt de gebruiker geïdentificeerd. De gebruiker-id kan bestaan uit maximaal acht alfanumerieke (a - z, A - Z, 0-9) tekens. E Voer in het vak [Wachtwoord:] een wachtwoord in van vier tot acht tekens (0-9). F Voor een opdracht voor afdrukken uit. De taak wordt opgeslagen op de harde schijf. G Voer het wachtwoord in via het bedieningspaneel en geef vervolgens op of de taak moet worden afgedrukt of verwijderd. Pag.121 Een wachtwoord invoeren. Pag.122 Een Beveil. afdruk-bestand verwijderen. 120
121 Overige afdrukbewerkingen Een wachtwoord invoeren A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [Beveil. afdruk] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. De gebruiker-id en de tijd waarop de taak is opgeslagen, worden weergegeven. C Druk op de toets {U} of {T} om het bestand weer te geven dat u wilt afdrukken, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. D Voer het wachtwoord in. Druk op de toets {U} of {T} om het eerste cijfer van het wachtwoord in te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. E Het volgende cijfer verschijnt. F Herhaal de stap om alle cijfers van het wachtwoord in te voeren en druk vervolgens op de toets {# Enter}. G Controleer of [Bestand afdr.] wordt weergegeven en druk vervolgens op de toets {# Enter}. Druk op de toets {Escape} om het afdrukken te annuleren. H Druk op de toets {# Enter}. Nadat de taak is afgedrukt, wordt de taak verwijderd die was opgeslagen op de harde schijf. 121
122 Overige afdrukbewerkingen Een Beveil. afdruk-bestand verwijderen A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [Beveil. afdruk] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {U} of {T} om het bestand weer te geven dat u wilt verwijderen. D Voer het wachtwoord in van het Beveil. afdruk-bestand. Druk op de toets {U} of {T} om het eerste cijfer van het wachtwoord in te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. E Het volgende cijfer verschijnt. F Herhaal de stap om alle cijfers van het wachtwoord in te voeren en druk vervolgens op de toets {# Enter}. G Druk op de toets {U} of {T} om [Bestand wissen] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. Druk op de toets {Escape} om het verwijderen van een Beveil. afdruk-bestand te annuleren. H Druk op de toets {# Enter}. Het bericht [Verwijderd] wordt weergegeven, waarna het taakselectiescherm Beveil. afdruk wordt geopend. 122
123 Overige afdrukbewerkingen Het foutenlogboek controleren Wanneer een afdruktaak niet wordt opgeslagen op de harde schijf, blijft deze behouden in het foutenlogboek en kan via het bedieningspaneel worden gecontroleerd. De laatste 50 foutbestanden worden opgeslagen in het foutenlogboek. Indien een nieuw foutbestand wordt toegevoegd wanneer er al 50 foutbestanden zijn, wordt het oudste bestand verwijderd. Als het oudste bestand echter een beveiligd afdrukbestand betreft, wordt dit niet verwijderd maar opgeslagen in het beveiligde afdruk foutenlogboek totdat het aantal beveiligde afdrukbestanden 20 bereikt. Wanneer u het apparaat uitschakelt, worden de logboeken verwijderd. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [Beveil. afdruk] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. De gebruiker-id en de tijd waarop de taak is opgeslagen, worden weergegeven. C Druk op de toets {U} of {T} om [Foutbestanden] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {U} of {T} om het logbestand te controleren. Als u foutenlogboeken wilt afdrukken, drukt u het bestand af dat is opgeslagen op de harde schijf (of u verwijdert dit bestand), waarna u het bestand nogmaals afdrukt vanaf de computer. E Druk op de toets {Escape} wanneer u het foutenlogboek heeft gecontroleerd. Het taakselectiescherm Beveil. afdruk wordt weergegeven. F Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. 123
124 Overige afdrukbewerkingen Paginadoorvoer Wanneer het papierformaat gespecificeerd door het printerstuurprogramma opraakt gedurende afdrukken, of er is geen lade die overeenkomt met het papiertype, of het gespecificeerde papier raakt op, verschijnt er een bericht voor ladekeuze op het bedieningspaneel. Wanneer dit gebeurt, kunt u ervoor zorgen dat het apparaat afdrukt via een andere lade. A Druk op de toets {Pag.doorv} en selecteer vervolgens de papierlade op het scherm. B Druk op de toets {# Enter}. De taak wordt afgedrukt op papier afkomstig uit de geselecteerde lade. 124
125 Overige afdrukbewerkingen Een afdruktaak annuleren U kunt het afdrukken annuleren via de printer of een clientcomputer. Aangezien annuleringsprocedures verschillen, afhankelijk van de status van de afdruktaak, moet u de taakstatus controleren en het afdrukken annuleren volgens de onderstaande procedure. Windows - Een afdruktaak annuleren Wanneer de printer is aangesloten op meerdere computers, moet u ervoor zorgen dat u niet per ongeluk de afdruktaken van een ander annuleert. Als de te annuleren afdruktaak wordt uitgevoerd A Controleer of de afdruktaak die u wilt annuleren, momenteel wordt uitgevoerd. Hoewel de afdruktaak mogelijk nog niet wordt uitgevoerd, ontvangt de printer gegevens als de Data In-indicator brandt of knippert. B Druk op de toets {Job reset}. Het scherm [Reset taak?] wordt weergegeven. C Selecteer de huidige taak of alle taken (inclusief de huidige taak) met de toets {U} of {T}. U kunt de annulering op zijn beurt weer annuleren. Het afdrukken wordt hervat als u [Hervat afdrukken] selecteert en vervolgens drukt op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {# Enter}. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. Het afdrukken wordt hervat wanneer u op de toets {Escape} drukt wanneer het bericht wordt weergegeven. E Druk op de toets {# Enter}. De taak is geannuleerd. Wanneer de annuleringsprocedure beëindigd is, verschijnt er een bericht. Het kan even duren voordat een afdruktaak met een grote hoeveelheid gegevens is gestopt. Als het afdrukken wordt hervat nadat dit is geannuleerd, is de tijdsperiode die is ingesteld voor [I/O Timeout ] te kort. Stel een langere tijd in voor [I/O Timeout ] in het menu [Host Interface]. 125
126 Overige afdrukbewerkingen Als de te annuleren afdruktaak niet wordt uitgevoerd A Dubbelklik op het printerpictogram op de Windows-taakbalk. Er wordt een venster weergegeven met alle afdruktaken die momenteel in de afdrukwachtrij staan. Controleer de huidige status van de taak die u wilt annuleren. U kunt het venster met afdruktaken in de wachtrij ook openen door te dubbelklikken op het printerpictogram in het venster [Printers]. B Selecteer de naam van de taak die u wilt annuleren. C Klik in het menu [Document] op [Afdrukken annuleren]. Wanneer deze printer wordt gebruikt als een netwerkprinter, kunnen de afdruktaken van andere gebruikers niet worden geannuleerd vanaf een clientcomputer. Door te klikken op [Afdruktaken verwijderen] in het menu [Printer] worden alle afdruktaken verwijderd die in de wachtrij staan. Wanneer deze printer echter wordt gebruikt als een netwerkprinter, kunnen de afdruktaken op de computer van andere gebruikers niet worden geannuleerd vanaf een clientcomputer. Wanneer de afdruktaak wordt uitgevoerd die u heeft geselecteerd, duurt het even voordat de afdruktaak verdwijnt uit het printervenster. Mac OS - Een afdruktaak annuleren Wanneer de printer is aangesloten op meerdere computers, moet u ervoor zorgen dat u niet per ongeluk de afdruktaken van een ander annuleert. Als de te annuleren afdruktaak wordt uitgevoerd A Controleer of de afdruktaak die u wilt annuleren, momenteel wordt uitgevoerd. Hoewel de afdruktaak mogelijk nog niet wordt uitgevoerd, ontvangt de printer gegevens als de Data In-indicator brandt of knippert. B Druk op de toets {Job reset}. [Reset taak?] wordt weergegeven. C Selecteer de huidige taak of alle taken (inclusief de huidige taak) met de toets {U} of {T}. U kunt de annulering op zijn beurt weer annuleren. Het afdrukken wordt hervat als u [Hervat afdrukken] selecteert en vervolgens drukt op de toets {# Enter}. 126
127 Overige afdrukbewerkingen D Druk op de toets {# Enter}. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. Het afdrukken wordt hervat wanneer u op de toets {Escape} drukt wanneer het bericht wordt weergegeven. E Druk op de toets {# Enter}. De taak is geannuleerd. Wanneer de annuleringsprocedure beëindigd is, verschijnt er een bericht. Het kan even duren voordat een afdruktaak met een grote hoeveelheid gegevens is gestopt. Als het afdrukken wordt hervat nadat dit is geannuleerd, is de tijdsperiode die is ingesteld voor [I/O Timeout ] te kort. Stel een langere tijd in voor [I/O Timeout ] in het menu [Host Interface]. Als de te annuleren afdruktaak niet wordt uitgevoerd A Dubbelklik op het printerpictogram op het bureaublad. Er wordt een venster weergegeven met alle afdruktaken die momenteel in de afdrukwachtrij staan. Controleer de huidige status van de taak die u wilt annuleren. Onder Mac OS X start u Print Center. B Selecteer de naam van de taak die u wilt annuleren. C Klik op het pauze-pictogram en vervolgens op het prullenbak-symbool. Wanneer deze printer wordt gebruikt als een netwerkprinter, kunnen de afdruktaken van andere gebruikers niet worden geannuleerd vanaf een clientcomputer. 127
128 Overige afdrukbewerkingen Belangrijke punten bij het afdrukken Sorteren Met de functie Sorteren kunt u afdrukken maken tijdens het sorteren van afdrukken in sets op paginavolgorde, bijvoorbeeld tijdens het afdrukken van meerdere kopieën van documentatie voor een vergadering. Raadpleeg de Help van het printerstuurprogramma voor meer informatie over sorteren en taakscheiding. Sorteren De afdrukken kunnen worden samengevoegd tot opeenvolgend gesorteerde sets. Als u deze functies wilt gebruiken, moet een optionele geheugeneenheid van minimaal 256 MB of de optionele harde schijf worden geïnstalleerd op de printer. Er kunnen maximaal 150 pagina s worden gesorteerd met RAM. Als de optionele harde schijf is geïnstalleerd, kunt u maximaal 1000 pagina s sorteren. 128
129 Overige afdrukbewerkingen Spoolafdrukken Met spoolafdrukken worden afdrukgegevens op de harde schijf van de printer opgeslagen voordat ze worden afgedrukt. Om gebruik te maken van deze functie moet u deze via het menu instellen. Zie Pag.221 spoolsw. Schakel de printer of computer niet uit wanneer een afdruktaak wordt gespoold en het Data in-lampje knippert. De afdruktaak blijft op de harde schijf staan en wordt uitgevoerd wanneer de printer wordt ingeschakeld. U kunt de instelling wijzigen met de opdracht spoolsw clear job in telnet. De functie Spoolafdrukken is beschikbaar wanneer de optionele harde schijf is geïnstalleerd. De functie Spoolafdrukken is beschikbaar voor gegevens die worden ontvangen met diprint, lpr, ipp, ftp en smb. Wanneer u diprint gebruikt, kunt u de functie Spoolafdrukken niet gebruiken bij bidirectionele communicatie. Het domein dat is gereserveerd voor spoolafdrukken is ongeveer 1 GB. Wanneer spoolafdrukken is ingeschakeld, mag de omvang van één afdruktaak niet meer dan 500 MB bedragen. Wanneer afdruktaken via spooling worden verzonden vanaf diverse computers, kan maximaal 1 diprint-taak, 10 lpr-taken, 1 ipp-taak, 1 ftp-taak en 1 smbtaak worden gespoold. Taken die deze spoolingcapaciteit overschrijden, kunnen niet worden uitgevoerd. In dat geval moet u wachten met het toevoegen van nieuwe taken. Bij spoolafdrukken duurt het afdrukken van de eerste pagina langer. Tijdens spoolafdrukken is de computer eerder klaar met de afdrukverwerking, zelfs bij het verwerken van een grote hoeveelheid gegevens. Spoolafdruktaken in de wachtrij in het apparaat kunnen worden bekeken of verwijderd met behulp van Web Image Monitor. Zie Pag.221 spoolsw voor meer informatie over de opdracht spoolsw clear job op telnet. 129
130 Overige afdrukbewerkingen Spool Printing instellen Instellingen voor Spoolafdrukken kunnen worden gemaakt met telnet of Web Image Monitor. Web Image Monitor gebruiken Klik in [Systeem] in het menu [Configuratie] op [Inschk.] in [Spoolafdrukken]. Raadpleeg de Help-functie van Web Image Monitor voor meer informatie. telnet gebruiken Typ spoolsw spool on. Zie Pag.221 spoolsw voor meer informatie. Spoolafdruktaken controleren of verwijderen met Web Image Monitor Volg onderstaande procedure om spoolafdruktaken met Web Image Monitor te controleren of te verwijderen. A Open een webbrowser. B Voer printer)/ in de adresbalk in om naar de printer te gaan waarvan u de instellingen wilt wijzigen. De bovenste pagina van Web Image Monitor wordt weergegeven. C Klik op [Inloggen]. Het dialoogvenster voor het opgeven van uw gebruikersnaam en wachtwoord wordt weergegeven. D Geef de gebruikersnaam en het wachtwoord op en klik op [OK]. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. E Klik in het menugedeelte op [Taak]. Er wordt een submenu weergegeven. F Klik in het menu [Printer] op [Spoolafdrukken]. Er verschijnt een lijst met gespoolde taken. G Als u een taak wilt verwijderen, schakelt u het selectievakje in van de taak die u wilt verwijderen en klikt u op [Verwijderen]. De geselecteerde taak wordt verwijderd. H Sluit Web Image Monitor. Raadpleeg de Help-functie van Web Image Monitor voor meer informatie. 130
131 Overige afdrukbewerkingen Voorblad Met deze functie kunt u een voor -en achterbladen invoegen afkomstig van een andere lade dan die met het normale papier en hierop afdrukken. Als u deze functie wilt gebruiken, moet u eerst de optie Sorteren instellen. Roterend Sorteren kan niet worden ingesteld. De voorbladen moeten hetzelfde formaat en dezelfde afdrukstand hebben als het normale papier. Als Automatische ladekeuze is ingesteld als de papierinvoerlade voor het normale papier, is het papier afkomstig van een lade met papier in de staande afdrukstand. Als de voorbladen zijn ingesteld op de liggende afdrukstand, verschillen de afdrukstanden van het voorblad en het normale papier. Raadpleeg de Help-functie van het printerstuurprogramma voor meer informatie. Geheugencapaciteit en papierformaat Mogelijk is aanvullend geheugen vereist, afhankelijk van het papierformaat en het gegevenstype. Wanneer u afdrukt via de handinvoer, wordt dubbelzijdig afdrukken niet ondersteund, ongeacht de geheugencapaciteit, en wordt alleen enkelzijdig afgedrukt. Enkelzijdig afdrukken ( dpi) 128 MB (standaard) Afdrukken op A5-, B5 JIS-, A4-, Letter- en Legal-papier wordt gegarandeerd. Enkelzijdig afdrukken ( dpi) 128 MB (standaard) Afdrukken op A5- en B5 JIS-papier wordt gegarandeerd. U kunt afdrukken op A4-, Letter- en Legal-papier. 256 MB (standaard MB) Afdrukken op A5-, B5 JIS-, A4-, Letter- en Legal-papier wordt gegarandeerd. 131
132 Overige afdrukbewerkingen Enkelzijdig afdrukken ( dpi) 128 MB (standaard) Afdrukken is niet mogelijk. 256 MB (standaard MB) Afdrukken op A5-, B5 JIS-, A4-, Letter- en Legal-papier wordt gegarandeerd. Dubbelzijdig afdrukken ( dpi) 128 MB (standaard) Afdrukken op B5 JIS-papier wordt gegarandeerd. U kunt afdrukken op A4-, Letter- en Legal-papier. 256 MB (standaard MB) Afdrukken op B5 JIS-, A4-, Letter- en Legal-papier wordt gegarandeerd. Dubbelzijdig afdrukken ( dpi) 128 MB (standaard) Afdrukken is niet mogelijk. 256 MB (standaard MB) Afdrukken op A5-, B5 JIS-, A4-, Letter- en Legal-papier wordt gegarandeerd. Dubbelzijdig afdrukken ( dpi) 128 MB (standaard) Afdrukken is niet mogelijk. 256 MB (standaard MB) Afdrukken op B5 JIS-papier wordt gegarandeerd. U kunt afdrukken op A4-, Letter- en Legal-papier. 384 MB (standaard MB) Afdrukken op A5-, B5 JIS-, A4-, Letter- en Legal-papier wordt gegarandeerd. Als u dubbelzijdig wilt afdrukken ( dpi), moet de optionele SDRAM-module zijn geïnstalleerd. Afbeeldingen met hoge belichting kunnen niet worden afgedrukt wanneer de SDRAM-module niet is geïnstalleerd. 132
133 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Menu-overzicht In dit gedeelte wordt beschreven hoe de standaardinstellingen van de printer kunnen worden gewijzigd. Hier vindt u tevens informatie over de parameters in elk menu. Testafdruk Wordt alleen weergegeven wanneer de optionele harde schijf is geïnstalleerd. Zie Pag.115 Testafdruk voor meer informatie. Beveil. afdruk Wordt alleen weergegeven wanneer de optionele harde schijf is geïnstalleerd. Zie Pag.119 Beveil. afdruk voor meer informatie. Papierinvoer Menu Handinv.formaat Papiersoort Ladeblokkering Ladevoorkeur Lijst/Proefafdr Menu Conf.p/Foutlog. Config. pagina Foutlogboek Menu lijst Demo kleurpag. PCL Conf.Pagina PS Config.pag. PDF Conf.Pagina Hex Dump G _1.00 Copyright
134 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Onderhoud Menu Kleurregistr. Kleurcalibratie Belichting Registratie Normaal papier Onderh.Reset Formatteer HD 4C. graf. modus Verv.melding WL.LAN Signaal WL.LAN stand. Afbeeldingsgeb. Toetsherhaling Systeem Menu Foutrapp. afdr. Autom. doorgaan Geh.overloop Kopieën Printertaal Subpap.formaat Paginaformaat Stand.pr.taal Duplex Blanco Pagina's Spaarstand 1 Spaarstand 2 Aut.Timer Reset Meeteenheid Z&W detectie Spoolafdrukken Briefpap. modus 134
135 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Menu Handinv. prior. RAM schijf Inform.per mail [Spoolafdrukken] wordt weergegeven wanneer de optionele harde schijf is geïnstalleerd. [RAM schijf] wordt niet weergegeven wanneer de optionele harde schijf is geïnstalleerd. Host Interface Menu I/O Buffer I/O Timeout Netwerk Setup IEEE 1394 Setup IEEE b [IEEE 1394 Setup] wordt weergegeven wanneer de optionele IEEE 1394-interfacekaart is geïnstalleerd. [IEEE b] wordt alleen weergegeven wanneer de optionele IEEE b interface-eenheid is geïnstalleerd. PCL menu Menu Richting Regels per pag. Lettertype bron Lettertype nr Puntgrootte Font Pitch Symbolen Set Courier font Max. A4 breedte Van CR naar LF Resolutie 135
136 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel PS Menu Menu Gegevensform. Resolutie Kleurinstelling Kleurprofiel PDF Menu Menu PDF: Wijz.Ww. PDF Groep Ww. Resolutie Kleurinstelling Kleurprofiel Taal Menu English German French Italian Dutch Swedish Norwegian Danish Spanish Finnish Portuguese Czech Polish Hungarian 136
137 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Menu Papierinvoer In dit gedeelte worden de papierinstellingen besproken van het menu Papierinvoer, zoals papierformaten en papiersoorten voor elke lade. Het menu Papierinvoer wijzigen Ladeblokkering Volg de onderstaande procedure om laden te blokkeren of deblokkeren. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [Papierinvoer] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {U} of {T} om [Ladeblokkering] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {U} of op de toets {T} om de lade weer te geven die moet worden gedeblokkeerd en druk vervolgens op de toets {# Enter}. E Druk op de toets {U} of {T} om [Uit] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. Wacht twee seconden. Het scherm [Ladeblokkering] wordt weergegeven. F Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. 137
138 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Ladevoorkeur Volg de onderstaande procedure om de ladevoorkeur te wijzigen. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [Papierinvoer] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {U} of {T} om [Ladevoorkeur] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {U} of {T} om de lade te selecteren die u wilt gebruiken. E Druk op de toets {# Enter}. Wacht twee seconden. Het scherm [Papierinvoer] wordt weergegeven. F Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. 138
139 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Parameters van het menu Papierinvoer In dit gedeelte worden de parameters besproken die u kunt instellen via het menu Papierinvoer. Handinv.formaat U kunt het papierformaat opgeven voor handinvoer. 8 1/2 14, 8 1/2 11, 5 1/2 8 1/2, 7 1/4 10 1/2, 8 13, 8 1/2 13, 8 1/4 13, A4 ( ), B5 JIS( ), A5 ( ), A6 ( ), 16K ( ), 4 1/8 9 1/2, 3 7/8 7 1/2, C5 Env( ), C6 Env( ), DL Env( ), Aangepast form.. Standaard: Metrische versie: A4 ( ) Inch-versie: 8 1/2 11 JIS staat voor Japanese Industrial Standard. Papiersoort Als u gebruikmaakt van verschillende soorten papier, selecteert u de papiersoort voor Lade 1, Lade 2, Lade 3 of Handinvoer. Raadpleeg de Onderhoudshandleiding voor meer informatie over de papiersoort die in elke lade kan worden geplaatst. Lade 1 Normaal papier, Gerecycled pap., Speciaal papier, Gekleurd pap., Briefpapier, Voorbedrukt, Gebonden pap. Lade 2 Normaal papier, Gerecycled pap., Speciaal papier, Gekleurd pap., Briefpapier, Voorbedrukt, Gebonden pap. Lade 3 Normaal papier, Gerecycled pap., Speciaal papier, Gekleurd pap., Briefpapier, Voorbedrukt, Gebonden pap. Handinvoer Normaal papier, Gerecycled pap., Speciaal papier, Gekleurd pap., Briefpapier, Voorbedrukt, Etiketten, Gebonden pap., Karton, Karton, Dik papier 1, Dik papier 2, Glossy papier Standaard: Normaal papier Alleen de geïnstalleerde laden worden op het bedieningspaneel weergegeven. 139
140 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Ladeblokkering Als u gebruikmaakt van verschillende soorten papier, kunt u de lade blokkeren om afdrukken op andere soorten papier, zoals papier met briefhoofd of gekleurd papier, te voorkomen. Wanneer u [Aut. selecteren] heeft geselecteerd bij [Papierbron] in het printerstuurprogramma, wordt de geblokkeerde lade niet gebruikt. U kunt elke lade in- of uitschakelen. Standaard: Uit Wanneer u een aangepast papierformaat gebruikt en [Aan] heeft geselecteerd bij [Ladeblokkering], heeft het formaat dat is geselecteerd via het bedieningspaneel prioriteit; als u [Uit] heeft geselecteerd, heeft het formaat dat is geselecteerd in het printerstuurprogramma prioriteit. Alleen de geïnstalleerde laden worden op het bedieningspaneel weergegeven. U kunt meerdere laden blokkeren. Als u een lade wilt blokkeren, moet u de lade selecteren in het printerstuurprogramma en via het bedieningspaneel. Wanneer u een geblokkeerde lade selecteert in het printerstuurprogramma, zoekt de printer niet verder naar een andere lade. Ladevoorkeur U kunt een lade als eerste laten controleren wanneer via het printerstuurprogramma [Automatische ladekeuze] is geselecteerd bij [Papierbron] in het printerstuurprogramma. De daar geselecteerde lade wordt gebruikt wanneer geen lade is geselecteerd voor een afdruktaak. Standaard: Lade 1 Alleen de geïnstalleerde laden worden op het bedieningspaneel weergegeven. Wij adviseren om het papierformaat en de afdrukstand die u het meest gebruikt in de lade te plaatsen die u bij [Ladevoorkeur] heeft geselecteerd. 140
141 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Menu Lijst/Proefafdr U kunt lijsten met de printerconfiguratie en andere informatie afdrukken. Bovendien kunt u de typen en tekens controleren van alle afdrukbare lettertypen. Een configuratiepagina afdrukken Volg de onderstaande procedure om de configuratiepagina af te drukken. De configuratiepagina wordt afgedrukt op A4- of Letter-papier (8 1 / 2 11). Deze moeten in dezelfde papierlade worden geplaatst. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {T} of {U} om [Lijst/Proefafdr] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {T} of {U} om [Config. pagina] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. De configuratiepagina wordt afgedrukt. Het scherm met het testafdrukmenu wordt weer weergegeven nadat het afdrukken is voltooid. D Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. 141
142 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel De configuratiepagina interpreteren Systeem Referentie Printer ID Hier wordt het serienummer weergegeven dat door de fabrikant aan de kaart is toegewezen. Afgedrukte pagina's Hier wordt het totale aantal pagina s weergegeven dat tot dan toe is afgedrukt op de printer. Totaal geheugen Hier wordt de totale hoeveelheid SDRAM-geheugen weergegeven die is geïnstalleerd op de printer. Firmware Versie Firmware Hier wordt het versienummer weergegeven van de firmware van de printercontroller. Engine Hier wordt het versienummer weergegeven van de firmware van de enginecontroller. NCS Hier wordt het versienummer weergegeven van de netwerkinterfacekaart. Controller-opties Hier worden de items weergegeven wanneer de controlleropties worden geïnstalleerd. Printertaal Hier wordt het versienummer weergegeven van de printertaal. Opties Hier worden de geïnstalleerde opties weergegeven. Papierinvoer Hier worden de instellingen weergegeven die zijn opgegeven in het menu [Papierinvoer]. Zie Pag.139 Parameters van het menu Papierinvoer voor meer informatie. 142
143 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Onderhoud Hier worden de instellingen weergegeven die zijn opgegeven in het menu [Onderhoud]. Zie Pag.145 Menu Onderhoud voor meer informatie. Systeem Hier worden de instellingen weergegeven die zijn opgegeven in het menu [Systeem]. Zie Pag.151 Menu Systeem voor meer informatie. PCL menu Hier worden de instellingen weergegeven die zijn opgegeven in het menu [PCL menu]. Zie Pag.165 PCL menu voor meer informatie. PS Menu Hier worden de instellingen weergegeven die zijn opgegeven in het menu [PS Menu]. Zie Pag.169 PS Menu voor meer informatie. PDF Menu Hier worden de instellingen weergegeven die zijn opgegeven in het menu [PDF Menu]. Zie Pag.172 PDF Menu voor meer informatie. Host Interface Hier worden de instellingen weergegeven die zijn opgegeven in het menu [Host Interface]. Wanneer DHCP actief is op het netwerk, worden het IP-adres, subnetmaster en gateway-adres tussen haakjes op de configuratiepagina weergegeven. Zie Pag.158 Menu Host Interface voor meer informatie. Interface informatie Interface-informatie wordt weergegeven. 143
144 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Parameters van het menu Lijst/Proefafdr In dit gedeelte worden de parameters besproken die u kunt instellen via het menu Lijst/Proefafdr. Conf.p/Foutlog. U kunt de configuratiepagina en het foutenlogboek afdrukken. Config. pagina U kunt de huidige configuratie van de printer afdrukken. Foutlogboek U kunt een foutrapport afdrukken. Menu lijst U kunt een menulijst afdrukken met alle beschikbare menu s. Demo kleurpag. U kunt een kleurendemopagina afdrukken. PCL Conf.Pagina U kunt de huidige configuratie van de PCL afdrukken. PS Config.pag. U kunt een geïnstalleerd PS-lettertype en de schijfdirectorylijst die de optionele harde schijf toont, afdrukken. PDF Conf.Pagina U kunt een geïnstalleerd PS3-lettertype en de schijfdirectorylijst die de optionele harde schijf toont, afdrukken. Hex Dump U kunt de gegevens afdrukken die via Hex Dump door de computer zijn verzonden. 144
145 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Menu Onderhoud U kunt afdrukinstellingen zoals dichtheid en calibratie aanpassen en printerbeheer uitvoeren, zoals het formatteren van de optionele harde-schijfeenheid. Het menu Onderhoud wijzigen In dit gedeelte wordt aan de hand van voorbeelden besproken hoe u het menu Onderhoud kunt wijzigen. Formatteer HD Volg de onderstaande procedure om de optionele harde-schijfeenheid te formatteren na de eerste setup. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {T} of {U} om [Onderhoud] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {T} of {U} om [Formatteer HD] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. D Lees de bevestigingsmelding over de formattering van de harde schijf en druk vervolgens op de toets {# Enter} om het formatteren te starten. De optionele harde-schijfeenheid wordt geformatteerd, waarna de melding wordt weergegeven dat het apparaat opnieuw moet worden gestart. E Schakel de printer uit. Schakel de printer na enkele seconden weer in. De optionele harde-schijfeenheid is nu geformatteerd en klaar voor gebruik. Als de knop [Formatteer HD] niet wordt weergegeven, is de optionele hardeschijfeenheid niet goed geïnstalleerd. Installeer de optionele harde-schijfeenheid opnieuw. Raadpleeg de Installatiehandleiding voor meer informatie over de optionele harde-schijfeenheid. Als u de schijf niet goed kunt installeren, zelfs na opnieuw installeren, neem dan contact op met uw onderhoudstechnicus of dealer. 145
146 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel De signaalsterkte weergeven Volg de onderstaande procedure om het IEEE b-signaal (draadloos LAN) te controleren via het menu [Onderhoud]. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {T} of {U} om [Onderhoud] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {T} of {U} om [WL.LAN Signaal] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. Controleer het scherm op het resultaat. D Druk op de toets {Escape}. Het eerste scherm wordt weergegeven. Als [WL.LAN Signaal] niet wordt weergegeven, is [IEEE b] niet geselecteerd voor [LAN Type] bij [Netwerk Setup] in het menu [Host Interface]. Selecteer [IEEE b] voor [LAN Type] en controleer vervolgens of [WL.LAN Signaal] opnieuw wordt weergegeven in het menu [Onderhoud]. U kunt de signaalstatus controleren in [Infrastructuur] onder [Opdrachtmodus] van het draadloze LAN. Als [Ad hoc] of [802.11Ad hoc] is geselecteerd in [Opdrachtmodus], kan de signaalstatus niet worden gemeten. Als u de signaalstatus wilt meten, selecteert u [Opdrachtmodus] in [Infrastructuur] onder [IEEE b] in het menu [Host Interface]. Telkens wanneer u op de toets {# Enter} drukt, wordt het signaal bijgewerkt. Het signaal is [Goed] als de signaalsterkte 86% - 100% is, [Redelijk] als de signaalsterkte 61% - 85% is, [Matig] als de signaalsterkte 31% - 60% is en [Niet bschb.] als de signaalsterkte 0% - 30% is. Als het signaal instabiel of niet aanwezig is, verwijdert u obstakels of verplaatst u de printer naar een plek waar het signaal kan worden ontvangen. Draadloze apparatuur of bronnen van microgolven in de buurt van de printer beïnvloeden het signaal. 146
147 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel De instellingen van IEEE b (draadloos LAN) opnieuw instellen Volg de onderstaande procedure om de instelling voor draadloze LAN opnieuw in te stellen via het menu [Onderhoud]. U kunt [Opdrachtmodus], [Kanaal], [Overdr.snelh.], [WEP Instelling] en [SSID] selecteren in het menu [Host Interface]. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {T} of {U} om [Onderhoud] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {T} of {U} om [WL.LAN stand.] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {# Enter}. De instelling voor draadloos LAN wordt gereset. Na ongeveer drie seconden wordt het eerste scherm weergegeven. 147
148 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Parameters van het menu Onderhoud In dit gedeelte worden de parameters besproken die u kunt instellen via het menu Onderhoud. Kleurregistr. U kunt voor deze functie auto aanpassen of fuser aanpassen opgeven. Kleurcalibratie U kunt de gradatie van heldere gedeelten (highlight) en het middengedeelte (midden) voor het afdrukken opgeven. Start Calibr. 1 U kunt gradatiecorrectiepagina 1 afdrukken. Start Calibr. 2 U kunt gradatiecorrectiepagina 2 afdrukken. Resetten U kunt de gradatiecorrectiewaarde terugzetten naar de standaardwaarde. Raadpleeg de Onderhoudshandleiding voor meer informatie. Belichting U kunt de dichtheid van de afgedrukte afbeeldingen selecteren. Testpag. afdr. U kunt de belichtingstestpagina afdrukken. Zwart, Cyaan, Magenta, Geel -10 t/m 10 Resetten Zet de belichtingswaarde terug op de standaardwaarde. Raadpleeg de Onderhoudshandleiding voor meer informatie. 148
149 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Registratie U kunt de startpositie aanpassen voor het afdrukken op de pagina. Testpag. afdr. U kunt de registratietestpagina afdrukken. Lade 2 Lade 3 Duplex.Achter Alleen de geïnstalleerde laden worden op het bedieningspaneel weergegeven. Aanpassing Hiermee kunt u de startpositie voor het afdrukken op een pagina selecteren. Horiz: Lade 2 Horiz: Lade 3 Horiz: Dup.Acht. Alleen de geïnstalleerde laden worden op het bedieningspaneel weergegeven. Normaal papier U kunt normaal papier opgeven voor elke lade. Lade 1 Lade 2 Lade 3 Handinvoer Standaard: Normaal Onderh.Reset Met Onderh.Reset kunt u de tellers van elke interne eenheid opnieuw instellen, zoals die van de Transfer riem en de Fuseereenheid. U kunt deze tellers altijd opnieuw instellen, maar dit moet altijd gebeuren wanneer een eenheid opnieuw is geïnstalleerd. Raadpleeg de Onderhoudshandleiding voor meer informatie over het opnieuw instellen van interne eenheden. Formatteer HD U kunt de harde schijf formatteren wanneer de optionele harde schijf is geïnstalleerd. Raadpleeg de Installatiehandleiding voor meer informatie over het formatteren van de harde schijf. 149
150 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel 4C. graf. modus Via deze modus kunt u de mate van tonerkleuroverlap aanpassen. Als tekens of lijnen onduidelijk zijn, kunt u dit verbeteren door [Tekst priorit.] te selecteren. Selecteer [Foto prioriteit] voor normaal gebruik. Standaard: Foto prioriteit Verv.melding Gebruik deze functie om op te geven wanneer de gebruiker gewaarschuwd moet worden over het vervangen van voorraden. Eerder melden Normaal Later melden Standaard: Normaal WL.LAN Signaal U kunt de signaalsterkte controleren wanneer u draadloos LAN gebruikt. Zie Pag.146 De signaalsterkte weergeven voor meer informatie over het weergeven van de signaalsterkte. WL.LAN stand. Hiermee kunt u het draadloze LAN terugzetten naar de standaardwaarde. Het menu wordt alleen weergegeven wanneer de b interface-eenheid is geïnstalleerd. Afbeeldingsgeb. U kunt het afdrukbare gebied vergroten met ongeveer 2,5 mm. Niet vergroten Vergroten Standaard: Niet vergroten Toetsherhaling Wanneer u [Aan] ingedrukt houdt, kunt u bladeren door items en instellingen. Wanneer u drukt op [Uit], kunt u items en instellingen één voor één aflopen. Standaard: Aan 150
151 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Menu Systeem U kunt de basisfuncties instellen voor het gebruik van de printer. De printer kan worden gebruikt met de standaardinstellingen, maar u kunt de configuratie wijzigen, afhankelijk van de wensen van de gebruiker. Een gewijzigde instelling blijft van toepassing, zelfs wanneer de printer wordt uitgeschakeld. Het menu Systeem wijzigen Volg de onderstaande procedure als u de instelling van de energiebesparingsfunctie wilt wijzigen. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [Systeem] weer te geven en druk vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {U} of {T} om [Spaarstand] weer te geven en druk vervolgens op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {U} of {T} om [Spaarst. Timer] weer te geven en druk vervolgens op de toets {# Enter}. E Druk op de toets {U} of {T} om de benodigde wachttijd te selecteren voor het overschakelen op de energiespaarstand. F Druk op de toets {# Enter}. Wacht twee seconden. Het scherm [Spaarstand] wordt weergegeven. G Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. 151
152 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Parameters van het menu Systeem In dit gedeelte worden de parameters besproken die u kunt instellen via het menu Systeem. Foutrapp. afdr. U kunt [Aan] of [Uit] selecteren om een foutrapport te laten afdrukken wanneer een printerfout of een geheugenfout optreedt. Uit Aan Standaard: Uit Autom. doorgaan Hiermee kunt u de instelling Autom. doorgaan opgeven. Wanneer deze optie is ingeschakeld, gaat het afdrukken automatisch verder na een systeemfout. Uit Direct 1 minuut 5 minuten 10 minuten 15 minuten Standaard: Uit Wanneer deze optie is ingeschakeld en bepaalde fouten zich voordoen, kan de huidige taak worden geannuleerd waarna de printer automatisch verder gaat met de volgende taak in de wachtrij. Geh.overloop U kunt opgeven of u een foutrapporten over geheugenoverloop wilt afdrukken. Niet afdrukken Fout info. Standaard: Niet afdrukken Kopieën Hier kunt u het aantal af te drukken pagina s opgeven. Deze instelling wordt uitgeschakeld als het aantal af te drukken pagina s wordt opgegeven via een opdracht of via het printerstuurprogramma
153 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Printertaal Hiermee kunt u de printertaal opgeven. Autodetectie PCL PS PDF Standaard: Autodetectie Subpap.formaat U kunt [Uit] of [Automatisch] selecteren om de functie Sub pap.formaat in te schakelen. Wanneer u [Automatisch] selecteert, gebruikt de printer een alternatief papierformaat wanneer de huidige opgegeven papiersoort niet is geplaatst. Wanneer u [Uit] selecteert, gebruikt de printer elk willekeurig papierformaat dat is geplaatst in de huidige, opgegeven papierlade. Uit Automatisch Standaard: Uit Paginaformaat Hiermee kunt u het standaardpapierformaat selecteren. 8 1/2 14, 8 1/2 11, 5 1/2 8 1/2, 7 1/4 10 1/2, 8 13, 8 1/2 13, 8 1/4 13, A4 ( ), B5 JIS( ), A5 ( ), A6 ( ), 16K ( ), 4 1/8 9 1/2, 3 7/8 7 1/2, C5 Env( ), C6 Env( ), DL Env( ), Aangepast form.. Standaard: Metrische versie: A4 ( ) Inch-versie: 8 1/2 11 Het oorspronkelijke papierformaat wordt toegepast wanneer het papierformaat niet is opgegeven in de afdrukgegevens. Stand.pr.taal Hier kunt u de oorspronkelijke printertaal opgeven als het apparaat de printertaal niet kan detecteren. PCL PS PDF Standaard: PCL 153
154 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Duplex Hier kunt u opgeven of op beide zijden van een vel moet worden afgedrukt. Uit Korte zijde Lange zijde Standaard: Uit Dit menu wordt alleen weergegeven wanneer de optionele duplexeenheid is geïnstalleerd. Blanco Pagina's Hier kunt u opgeven of u lege pagina s wilt afdrukken. Niet afdrukken Afdrukken Standaard: Afdrukken Spaarstand 1 U kunt de energiespaarstand, niveau 1, in- of uitschakelen. Dit is de voorverwarmingsmodus. Aan Uit Standaard: Aan Wanneer de printer overschakelt naar de energiespaarstand, gaat het Power-lampje uit, maar blijft het On Line-lampje branden. Spaarstand 2 U kunt het aantal minuten opgeven dat de energiespaarstand moet worden toegepast. Spaarst. A/U Hier kunt u opgeven of u de energiespaarstand wilt activeren. Aan Uit Standaard: Aan Wanneer de printer overschakelt naar de energiespaarstand, gaat het Power-lampje uit, maar blijft het On Line-lampje branden. 154
155 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Spaarst. Timer Hier kunt u de benodigde wachttijd selecteren voor het overschakelen naar de energiespaarstand. In de energiespaarstand verbruikt de printer minder stroom. 1 minuut 5 minuten 15 minuten 30 minuten 45 minuten 60 minuten Standaard: 1 minuut Wanneer de printer overschakelt op energiespaarstand 2, gaat het Power-lampje uit, maar blijft het On Line-lampje branden en wordt [Spaarstand modus] weergegeven. Aut.Timer Reset U kunt de automatische resettijd in- of uitschakelen en de tijd instellen. Autom. Reset Aan Uit Standaard: Aan Tijd inst. 10 tot 999 sec. per 1 sec. Meeteenheid Hier kunt u de meeteenheid opgeven in mm of inch voor het aangepaste papierformaat. mm inch De standaardwaarde is afhankelijk van de bestemming. Z&W detectie Geef op of zwart-wit afbeeldingen moeten worden herkend. Gebruik de functie voor zwart-wit-herkenning om alle monochrome pagina s in de monochrome stand af te drukken, ook als afdrukken in kleur is opgegeven. Aan Uit Standaard: Aan 155
156 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Spoolafdrukken Hier kunt u aangeven of alle afdrukgegevens moeten worden gespoold naar de harde schijf voordat ze worden afgedrukt. Uit Aan Standaard: Uit Bij spooling wordt een verzonden afdruktaak tijdelijk opgeslagen in de printer, waarna deze wordt afgedrukt. Dit menu wordt alleen weergegeven wanneer de optionele harde schijf is geïnstalleerd. Briefpap. modus Hier kunt u de modus voor het afdrukken van briefpapier selecteren. Uit Autodetectie Aan(continu) Standaard: Uit Handinv. prior. Wanneer de diverse papierformaten of -soorten zijn opgegeven via het stuurprogramma, kunt u aangeven welke instelling de voorkeur heeft, de apparaatinstelling of de opdracht. Machine Driver/Opdracht Standaard: Driver/Opdracht 156
157 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel RAM schijf Als de optionele harde schijf niet geïnstalleerd is voor PDF Direct Print, moet u een waarde van 2 MB of hoger selecteren. Dit menu wordt alleen weergegeven wanneer de optionele harde schijf niet is geïnstalleerd. 0 MB 2 MB 4 MB 8 MB 16 MB Standaard: 4 MB Wanneer de hoeveelheid SDRAM te klein is en RAM schijf is ingesteld op 16 MB, is afdrukken, afhankelijk van de afdruktaak, wellicht niet mogelijk en kunnen dubbelzijdige afdrukken worden geannuleerd. In dat geval moet u het SDRAM-geheugen uitbreiden of RAM schijf instellen op 8 MB of lager. Raadpleeg de Installatiehandleiding voor meer informatie over de optionele SDRAM-module. Inform.per mail Hier kunt u aangeven of u een foutmelding wilt verzenden naar een vooraf ingesteld adres wanneer zich een fout voordoet in de printer. Uit Aan Na het wijzigen van de instelling zet u de printer even uit en vervolgens weer aan. Standaard: Aan Raadpleeg de Help-functie van Web Image Monitor voor meer informatie. 157
158 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Menu Host Interface U kunt configuratie instellen voor netwerkverbindingen en communicatie bij gebruik van parallelle verbinding tussen de printer en de computer. De gewijzigde configuratie blijft van toepassing, zelfs als de printer is uitgeschakeld. Het menu Host Interface wijzigen Volg de onderstaande procedure om de instellingen van de I/O Timeout te wijzigen. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [Host Interface] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {U} of {T} om [I/O Timeout ] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {U} of {T} om de benodigde wachttijd te selecteren voor het beëindigen van een afdrukbewerking en druk vervolgens op de toets {# Enter}. Wacht twee seconden. Het menu [Host Interface] wordt weergegeven. E Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. 158
159 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Parameters van het menu Host Interface In dit gedeelte worden de parameters besproken die u kunt instellen via het menu Host Interface. I/O Buffer Hiermee kunt u de grootte van de I/O-buffer instellen. Normaliter is het niet nodig om deze instelling te wijzigen. 128 KB 256 KB 512 KB Standaard: 128 KB I/O Timeout Hier kunt u instellen hoeveel seconden de printer moet wachten voordat een afdrukopdracht beëindigd wordt. Als de afdrukverwerking regelmatig wordt onderbroken door gegevens afkomstig van andere poorten, kunt u de timeouttijd vergroten. 10 seconden 15 seconden 20 seconden 25 seconden 60 seconden Standaard: 15 seconden Netwerk Setup Hier kunt u instellingen met betrekking tot het netwerk opgeven. Raadpleeg de Installatiehandleiding voor meer informatie. DHCP U kunt [Aan] of [Uit] selecteren om DHCP te gebruiken met TCP/IP. Aan Uit Standaard: Aan 159
160 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel IP-adres U kunt het IP-adres opgeven. Wanneer DHCP is ingeschakeld, kan het IP-adres niet worden gewijzigd. Als u het gateway-adres wilt wijzigen, moet u DHCP uitschakelen. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de netwerkconfiguratie. Standaardinstelling: Subnet Mask U kunt het subnetmasker opgeven. Wanneer DHCP is ingeschakeld, kan het subnetmasker niet worden gewijzigd. Als u het gateway-adres wilt wijzigen, moet u DHCP uitschakelen. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de netwerkconfiguratie. Standaardinstelling: Gateway Adres U kunt het gateway-adres opgeven. Wanneer DHCP is ingeschakeld, kan het gateway-adres niet worden gewijzigd. Als u het gateway-adres wilt wijzigen, moet u DHCP uitschakelen. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de netwerkconfiguratie. Standaardinstelling: Type frame (NW) Hier kunt u het frametype van NetWare opgeven. Aut. selecteren Ethernet II Ethernet Ethernet Ethernet SNAP Standaard: Aut. selecteren 160
161 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Actief protocol Hier kunt u het actieve protocol selecteren. TCP/IP Netware SMB AppleTalk Standaard: Alle Actief Ethernet snelh. Hier kunt u de netwerksnelheid voor de bediening van de printer opgeven. Aut. selecteren 10Mbps Half D. 10Mbps Full D. 100Mbps Half D. 100Mbps Full D. Standaard: Aut. selecteren LAN Type U kunt Ethernet of IEEE b selecteren bij LAN Type. Dit menu wordt alleen weergegeven wanneer de optionele interface-eenheid is geïnstalleerd. Ethernet IEEE b Standaard: Ethernet IEEE 1394 Setup U kunt instellingen opgeven voor IEEE Dit menu wordt alleen weergegeven wanneer de optionele IEEE 1394-kaart is geïnstalleerd. Raadpleeg de Installatiehandleiding voor meer informatie over installatie van IEEE
162 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel DHCP U kunt [Aan] of [Uit] selecteren om DHCP te gebruiken met TCP/IP. Aan Uit Standaard: Aan IP-adres 1394 Hier kunt u het IP-adres voor IEEE 1394 (IP over 1394) opgeven. Standaardinstelling: Wanneer zowel Ethernet als IP over 1394 tegelijkertijd worden gebruikt, moet u geen IP-adres opgeven voor Ethernet. Subnet Mask1394 Hier kunt u het subnetmasker voor IEEE 1394 (IP over 1394) opgeven. Standaardinstelling: Wanneer zowel Ethernet als IP over 1394 tegelijkertijd worden gebruikt, moet u geen subnetmasker opgeven voor Ethernet. IP via 1394 Hier kunt u opgeven of IP over 1394 moet worden geactiveerd. Actief Niet Actief Standaard: Actief SCSI afdrukken Hier kunt u opgeven of u SCSI-afdrukken wilt activeren. Actief Niet Actief Standaard: Actief Bidi-SCSI afdr. Hier kunt u opgeven of u bidirectionele communicatie voor SCSI-afdrukken wilt activeren. Aan Uit Standaard: Aan 162
163 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel IEEE b Hier kunt u instellingen opgeven voor draadloos LAN. Dit menu verschijnt alleen wanneer de optionele b interface-eenheid geïnstalleerd is. Opdrachtmodus Hier kunt u de transmissiemodus voor IEEE b selecteren Ad hoc Infrastructuur Ad hoc Standaard: Ad hoc Opdrachtmodus kan ook worden ingesteld met Web Image Monitor. Raadpleeg de Help-functie van Web Image Monitor voor meer informatie. Kanaal Hier kunt u kanalen selecteren: 1-13 (metrische versie)/1-11 (inch-versie). Standaard: 13 (metrische versie)/11 (inch-versie) Overdr.snelh. Hier kunt u de transmissiesnelheid voor IEEE b selecteren. Automatisch 11 Mbps 5,5 Mbps 2 Mbps 1 Mbps Standaard: Automatisch 163
164 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel SSID Hier kunt u een SSID instellen in de infrastructuurmodus en de Ad hoc-modus. Selecteer [Overzicht] om de SSID te controleren. Selecteer [Voer ID in] om SSID in te stellen. Overzicht Voer ID in Selecteer [?] om [/] in te voeren voor SSID. Daarnaast verschijnt [ ] ook wanneer de configuratiepagina wordt afgedrukt en u dient dit te lezen als [/]. Standaard: leeg (ASSID) De gebruikte tekens zijn ASCII 0x20-0x7e (32 bytes). Een SSID wordt automatisch ingesteld op het dichtstbijzijnde toegangspunt als geen SSID is ingesteld. Als geen SSID is ingesteld voor de ad hoc-modus, wordt een SSID automatisch ingesteld en wordt dezelfde SSID gebruikt voor de ad hoc-modus en de infrastructuurmodus. Als leeg is opgegeven in SSID voor b Ad hoc-modus of Ad hocmodus, wordt ASSID weergegeven. U kunt een SSID ook instellen met Web Image Monitor. Raadpleeg de Help-functie van Web Image Monitor voor meer informatie. WEP Instelling Hier kunt u opgeven of u WEP-instellingen wilt activeren. Actief Niet Actief Standaard: Niet Actief De WEP-sleutel kan worden ingevoerd met een hexadecimaal getal of een ASCII-tekenreeks. Wanneer een 64-bits WEP wordt gebruikt, kunnen maximaal 10 hexadecimale tekens of 5 ASCII-tekens worden ingevoerd. Wanneer een 128-bits WEP wordt gebruikt, kunnen maximaal 26 hexadecimale tekens of 13 ASCII-tekens worden ingevoerd. U kunt de WEP-sleutel ook instellen met Web Image Monitor. Raadpleeg de Help-functie van Web Image Monitor voor meer informatie. 164
165 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel PCL menu U kunt instellingen opgeven voor het gebruik van PCL bij het afdrukken. Het PCL-menu wijzigen Volg de onderstaande procedure als u de instelling van de afdrukstand wilt wijzigen. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [PCL menu] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {U} of op de toets {T} om het scherm [Richting] weer te geven en druk vervolgens op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {U} of {T} om de afdrukstand te selecteren en druk vervolgens op de toets {# Enter}. Wacht twee seconden. Het scherm [PCL menu] wordt weergegeven. E Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. 165
166 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Parameters van het PCL-menu In dit gedeelte worden de parameters besproken die u kunt instellen via het PCLmenu. Richting Hiermee kunt u de invoerrichting van het papier selecteren. Staand Liggend Standaard: Staand Regels per pag. U kunt het aantal regels per pagina instellen op een waarde tussen 5 en 128. Standaard: Metrische versie: 60 Inch-versie: 64 Lettertype bron Hier kunt u de locatie van het standaardlettertype selecteren. Resident RAM HDD SD Standaard: Resident Wanneer u [RAM] selecteert, kunt u alleen lettertypen selecteren die in het RAM-geheugen van de printer opgeslagen zijn. Wanneer u [HDD] selecteert, kunt u alleen lettertypen selecteren die zijn gedownload naar de optionele harde schijf. Lettertype nr Hier kunt u de ID van het standaardlettertype opgeven dat u wilt gebruiken. 0 t/m 50 (intern) 1 t/m 50 (Download) 166
167 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Puntgrootte Hier kunt u de puntgrootte opgeven die u wilt gebruiken voor het standaardlettertype. U kunt een waarde opgeven tussen 4 en 999,75 in stappen van 0,25. Standaard: 12,00 punten Deze instelling is alleen van toepassing op lettertypen met een variabele breedte. Font Pitch Hier kunt u het aantal tekens per inch opgeven die u wilt gebruiken voor het standaardlettertype. U kunt een waarde opgeven tussen 0,44 en 99,99 in stappen van 0,01. Standaard: 10,00 tekens per inch Deze instelling is alleen van toepassing op lettertypen met een vaste breedte. Symbolen Set Hier kunt u de tekenset voor het standaardlettertype opgeven. U kunt kiezen uit de volgende sets: Roman-8, ISO L1, ISO L2, ISO L5, PC-8, PC-8 D/N, PC-850, PC-852, PC8- TK, Win L1, Win L2, Win L5, Desktop, PS Text, VN Intl, VN US, MS Publ, Math-8, PS Math, VN Math, Pifont, Legal, ISO 4, ISO 6, ISO 11, ISO 15, ISO 17, ISO 21, ISO 60, ISO 69, Win 3.0 Standaard: PC-8 Courier font U kunt een Courier-lettertype selecteren. Standaard Donker Standaard: Standaard 167
168 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Max. A4 breedte U kunt de breedte van het afdrukbare gebied voor A4-vellen vergroten, waarbij de marges aan weerszijden worden verkleind. Uit Aan Standaard: Uit Van CR naar LF Hier kunt u aangeven of een CR-code moet worden toegevoegd aan elke LFcode om tekstgegevens duidelijk af te drukken. Uit Aan Standaard: Uit Resolutie U kunt de afdrukresolutie opgeven in dots per inch. 300 dpi 600 dpi Standaard: 600 dpi 168
169 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel PS Menu U kunt instellingen opgeven voor het gebruik van PostScript bij het afdrukken. Het PS-menu wijzigen Volg de onderstaande procedure als u de instelling van de gegevensindeling wilt wijzigen. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [PS Menu] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {U} of {T} om [Gegevensform.] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {U} of {T} om [TBCP] te selecteren en druk vervolgens op de toets {# Enter}. Wacht twee seconden. Het scherm [PS Menu] wordt weergegeven. E Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. 169
170 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Parameters van het PS-menu In dit gedeelte worden de parameters besproken die u kunt instellen via het PSmenu (PostScript). Gegevensform. U kunt de gegevensindeling selecteren. Binaire gegev. TBCP Deze instelling is van toepassing wanneer u een parallelle verbinding, een USB-verbinding of een EtherTalk-verbinding gebruikt. Wanneer u een parallelle of USB-verbinding gebruikt, wordt de afdruktaak geannuleerd wanneer binaire gegevens worden verzonden via het printerstuurprogramma. Wanneer u een Ethernet-verbinding gebruikt, wordt de afdruktaak geannuleerd wanneer: De gegevensindeling van het printerstuurprogramma is TBCP en de gegevensindeling die is geselecteerd via het bedieningspaneel is Binaire data. De gegevensindeling van het printerstuurprogramma is Binaire data en de gegevensindeling die is geselecteerd via bedieningspaneel is TBCP. Standaard: Binaire gegev. Resolutie U kunt de resolutie selecteren. 600 dpi snel 600 dpi std dpi Standaard: 600 dpi snel Kleurinstelling U kunt een RGB-instelling opgeven. Geen Fijn Super fijn Standaard: Super fijn 170
171 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Kleurprofiel U kunt het kleurprofiel selecteren. Automatisch Vaste kleur Presentatie Fotografisch Gebruikersinst. Standaard: Automatisch 171
172 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel PDF Menu U kunt instellingen opgeven voor het gebruik van PDF-afdrukken. Het PDF-menu wijzigen Volg de onderstaande procedure om de resolutie-instelling te wijzigen. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [PDF Menu] weer te geven en druk vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {U} of {T} om [Resolutie] weer te geven en druk vervolgens op de toets {# Enter}. D Druk op de toets {U} of {T} om de resolutie te selecteren en druk vervolgens op de toets {# Enter}. Wacht twee seconden. Het scherm [PDF Menu] wordt weergegeven. E Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. 172
173 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Parameters van het PDF-menu In dit gedeelte worden de parameters besproken die u kunt instellen via het PDFmenu. PDF: Wijz.Ww. U kunt een wachtwoord opgeven voor het PDF-bestand voor het uitvoeren van PDF Direct Print. Huidig Ww. Het wachtwoord kan met Web Image Monitor worden ingesteld, maar moet door het netwerk worden verzonden. Voor verhoogde veiligheid moet u dit menu gebruiken op het bedieningspaneel om het wachtwoord rechtstreeks in te stellen. Standaard: geen wachtwoord ingesteld PDF Groep Ww. U kunt een groepswachtwoord instellen dat is opgegeven met DeskTopBinder Lite. Wanneer u een groepswachtwoord gebruikt, moet de optionele beveiligingseenheid voor gegevens zijn geïnstalleerd. Huidig Ww. Het wachtwoord kan met Web Image Monitor worden ingesteld, maar moet door het netwerk worden verzonden. Voor verhoogde veiligheid moet u dit menu gebruiken op het bedieningspaneel om het wachtwoord rechtstreeks in te stellen. Standaard: geen wachtwoord ingesteld Resolutie U kunt de resolutie selecteren voor het PDF-bestand voor het uitvoeren van PDF Direct Print. 600 dpi snel 600 dpi std dpi Standaard: 600 dpi snel 173
174 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Kleurinstelling U kunt een RGB-instelling opgeven voor het PDF-bestand voor het uitvoeren van PDF Direct Print. Geen Fijn Super fijn Standaard: Super fijn Kleurprofiel U kunt het kleurprofiel selecteren voor het PDF-bestand voor het uitvoeren van PDF Direct Print. Automatisch Vaste kleur Presentatie Fotografisch Gebruikersinst. Standaard: Automatisch 174
175 Printerinstellingen opgeven via het bedieningspaneel Menu Taal U kunt de taal instellen waarin het menu wordt weergegeven. Het menu Taal wijzigen Volg de onderstaande procedure om de taal te wijzigen. A Druk op de toets {Menu}. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. B Druk op de toets {U} of {T} om [Taal] weer te geven, en klik vervolgens op de toets {# Enter}. C Druk op de toets {U} of {T} om de taal te selecteren en druk vervolgens op de toets {# Enter}. Wacht twee seconden. Het scherm [Menu] wordt weergegeven. D Druk op de toets {Online}. Het eerste scherm wordt weergegeven. Parameters van het menu Taal Hier kunt u de taal selecteren die u wilt gebruiken. U kunt kiezen uit de volgende talen: English, German, French, Italian, Dutch, Swedish, Norwegian, Danish, Spanish, Finnish, Portuguese, Czech, Polish, en Hungarian. Standaard: English 175
176 De printer controleren en configureren Web Image Monitor gebruiken Met Web Image Monitor kunt u de printerstatus controleren en instellingen wijzigen. Beschikbare bewerkingen De volgende bewerkingen kunnen op afstand vanaf een clientcomputer met Web Image Monitor worden uitgevoerd. De printerstatus of -instellingen weergeven De status of historie van afdruktaken controleren Actieve afdruktaken onderbreken De printer opnieuw instellen Het adresboek beheren Printerinstellingen opgeven De instellingen voor meldingen opgeven De instellingen voor netwerkprotocollen opgeven Beveiligingsinstellingen opgeven De printer configureren Als u de bewerkingen vanaf Web Image Monitor wilt uitvoeren, moet u TCP/IP gebruiken. Wanneer de printer is geconfigureerd voor gebruik met TCP/IP, kunt u de bewerkingen vanaf Web Image Monitor uitvoeren. Aanbevolen webbrowser Windows: Internet Explorer 5.5 of hoger Netscape Navigator 7.0 of hoger Mac OS 8.1 of hoger Netscape Navigator 7.0 of hoger Safari 1.0 of hoger Als u Netscape Navigator wilt gebruiken met SSL (Secured Sockets Layer: een coderingsprotocol), moet u Netscape Navigator 7.0 of hoger gebruiken. Als u een oudere versie van de bovenvermelde webbrowser gebruikt, of als JavaScript en cookies niet zijn ingeschakeld in de gebruikte webbrowser, kunnen weergave- en bewerkingsproblemen optreden. Als u een proxyserver gebruikt, moeten de instellingen van uw webbrowser worden aangepast. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. De vorige pagina wordt mogelijk niet weergegeven, ook niet als u op de knop Terug in uw webbrowser klikt. Als dit het geval is, moet u op de knop Vernieuwen in uw webbrowser klikken. Het bijwerken van de printergegevens wordt niet automatisch uitgevoerd. Klik op [Verversen] in het weergavegedeelte om de printergegevens bij te werken. G _1.00 Copyright
177 De printer controleren en configureren De bovenste pagina weergeven In dit gedeelte wordt de bovenste pagina besproken en hoe u Web Image Monitor kunt weergeven. A Start uw webbrowser. B Voer http: //(adres printer)/ in op de adresregel van uw webbrowser. De bovenste pagina van Web Image Monitor wordt weergegeven. Als de hostnaam van de printer is geregistreerd op de DNS- of WINS-server, kunt u ook deze naam opgeven. Zie Pag.306 DHCP gebruiken voor meer informatie. Als SSL, een protocol voor gecodeerde communicatie, is ingesteld in een omgeving waarin serververificatie is toegewezen, voert u printer)/ in. Elke pagina van Web Image Monitor is onderverdeeld in de volgende gedeeltes: 1. Titelgedeelte Hier vindt u de koppeling naar de Help-functie en kunt u het dialoogvenster voor zoeken aan de hand van sleutelwoorden openen. 2. Menugedeelte Hier kunt u schakelen tussen het dialoogvenster voor de gebruikersmodus en de beheerdersmodus, het menu van de betreffende modus wordt dan weergegeven. Als u een menu selecteert, wordt de inhoud ervan weergeven in het weergavegedeelte of in het subgedeelte. 177
178 De printer controleren en configureren 3. Weergavegedeelte Hier wordt de inhoud weergegeven van het item dat in het menugedeelte is geselecteerd. De printergegevens in het weergavegedeelte worden niet automatisch bijgewerkt. Klik op [Vernieuwen] rechtsboven in het weergavegedeelte om de printergegevens bij te werken. Klik op de knop [Vernieuwen] van uw webbrowser als u het volledige browservenster wilt vernieuwen. De printerstatus, de namen van de netwerkinterfacekaart en opmerkingen worden weergegeven. 4. Help Gebruik Help om de inhoud van het Help-bestand te bekijken of downloaden. Menu s en modi Er zijn twee modi beschikbaar in Web Image Monitor: de gebruikersmodus en de beheerdersmodus. De items die worden weergeven kunnen per printermodel verschillen. De gebruikersmodus In de gebruikersmodus kunt u de printerstatus, de afdrukinstellingen en de status van afdruktaken bekijken, maar kunt u geen printerinstellingen wijzigen. 1. Status De printerstatus wordt weergeven, inclusief de hoeveelheid papier die zich nog in de papierladen bevindt en de hoeveelheid resterende toner. 2. Opdr. Hiermee kunt u lijsten weergeven met spoolafdruktaken, taakhistorie, foutenlogboek, beveiligde afdruktaken en testafdruktaken. U kunt tevens beveiligde afdruktaken en testafdruktaken uitvoeren of verwijderen. 178
179 De printer controleren en configureren 3. Configuratie Hiermee kunt u de instellingen van de actieve printer en de netwerkinstellingen weergeven, en Help-bestanden downloaden. Beheerdersmodus In de beheerdersmodus kunt u diverse printerinstellingen configureren. 1. Status De printerstatus wordt weergeven, inclusief de hoeveelheid papier die zich nog in de papierladen bevindt en de hoeveelheid resterende toner. 2. Opdr. Hiermee kunt u lijsten weergeven met spoolafdruktaken, taakhistorie, Foutlogboek, Testafdruk en Beveil. afdruk. U kunt tevens spoolafdruktaken, Testafdruk-taken en Beveil. afdruk-taken verwijderen. 3. Adresboek Hier kunt u gebruikersgegevens registreren, weergeven, wijzigen en verwijderen. 4. Configuratie Hier kunt u systeeminstellingen voor de printer, interface-instellingen en beveiligingsinstellingen opgeven. 5. Printertaak resetten Als u op deze knop klikt, worden de huidige afdruktaken, evenals alle afdruktaken in de wachtrij, opnieuw ingesteld. Deze knop bevindt zich op de bovenste pagina. 6. Reset apparaat Met deze knop kunt u de printer opnieuw instellen. Als er een afdruktaak wordt uitgevoerd op het moment dat u op de knop klikt, wordt met instellen gewacht tot de taak is voltooid. Deze knop bevindt zich op de bovenste pagina. 179
180 De printer controleren en configureren Toegang in de beheerdersmodus Volg de onderstaande procedure om Web Image Monitor in de beheerdersmodus te openen. A Klik in de bovenste pagina op [Inloggen]. Het dialoogvenster voor het opgeven van uw gebruikersnaam en wachtwoord wordt weergegeven. B Geef uw gebruikersnaam en wachtwoord op en klik op [OK]. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. De Help-functie van Web Image Monitor weergeven Wanneer u de Help voor de eerste keer gebruikt, wordt het volgende venster weergegeven wanneer u op [Help] in het titelgedeelte of op het pictogram? in het weergavegedeelte klikt. In dit venster kunt u op twee manieren de Help bekijken, zoals hieronder beschreven: Help op onze website bekijken Help downloaden naar uw computer Help downloaden en bekijken U kunt Help-bestanden downloaden naar uw computer. U kunt als URL voor de Help het pad naar het lokale bestand opgeven om de Help te bekijken zonder verbinding te maken met het Internet. Als u in het titelgedeelte op [Help] klikt, wordt de Help-inhoud weergegeven. Als u op?, het Help-pictogram in het weergavegedeelte, klikt, wordt de Help voor de items in het weergavegedeelte weergegeven. Help downloaden A Selecteer het besturingssysteem in de lijst [OS]. B Selecteer de taal in de lijst [Taal]. C Klik op [Download]. D Volg de instructies op het scherm om de Help-bestanden te downloaden. E Sla het gecomprimeerde bestand op en pak het bestand vervolgens uit. Als u de gedownloade Help-functie van Web Image Monitor wilt bekijken, geeft u het pad op naar de locatie waar u het gedecomprimeerde bestand heeft opgeslagen. 180
181 De printer controleren en configureren De URL van het Help-bestand koppelen aan de knop [Help] U kunt de URL van het Help-bestand op een computer of een webserver koppelen aan de knop [Help]. A Meld u aan bij Web Image Monitor in de beheerdersmodus. B Klik in het menugedeelte op [Configuratie]. C Klik op [Webpagina]. D Voer in het vak [Help-URL] de URL in van het Help-bestand. Als u het Help-bestand heeft opgeslagen in C:HELPEN, voert u file://c:/help/ in. Als u het bestand bijvoorbeeld heeft opgeslagen op een webserver en de URL van het indexbestand is a.b.c.d/help/en/index.html, voert u in. E Klik op [Pas toe]. 181
182 De printer controleren en configureren SmartDeviceMonitor for Admin gebruiken Met SmartDeviceMonitor for Admin kunt u de netwerkprinters beheren. Daarnaast kunt u via TCP/IP of IPX/SPX de configuratie van de netwerkinterfacekaart wijzigen. Protocolstack behorende bij besturingssysteem Windows 95/98/Me TCP/IP IPX/SPX NetWare NetWare Client32 voor Windows 95 IntraNetWare Client voor Windows 95 Novell Client voor Windows 95/98/Me Windows 2000 TCP/IP IPX/SPX NetWare Novell Client voor Windows NT/2000/XP Windows Server 2003 TCP/IP IPX/SPX Windows XP TCP/IP IPX/SPX Novell Client voor Windows NT/2000/XP Windows NT 4.0 TCP/IP IPX/SPX Client Service voor NetWare NetWare Client32 voor Windows NT IntraNetWare Client voor Windows NT Novell Client voor Windows NT/2000/XP Beschikbare bewerkingen De volgende functies zijn beschikbaar: Printergegevens De netwerkinstellingen en gedetailleerde informatie over de printer weergeven. Het aantal pagina s weergeven dat met elke Gebruikerscode is afgedrukt. De status weergeven van afdruktaken die vanaf computers zijn verstuurd. De netwerkinstellingen van de printer wijzigen. 182
183 De printer controleren en configureren Apparaatinstellingen Enkele van de instellingen op het bedieningspaneel vergrendelen, zodat ze niet langer vanaf het bedieningspaneel kunnen worden gewijzigd. De papiersoort selecteren dat in de papierladen is geladen. Energiebesparing De energiebesparingsfunctie in- of uitschakelen. Systeemstatus Systeeminformatie weergeven op een computer, zoals papier dat tijdens het afdrukken opraakt. Groepsinformatie Meerdere printers tegelijk controleren. Als er meerdere printers moeten worden beheerd, kunt u groepen maken en de printers classificeren om het beheer te vereenvoudigen. U kunt de printerstatus aanpassen aan deze groepen en een met statusgegevens naar een computer sturen. SmartDeviceMonitor for Admin installeren Volg de onderstaande procedure om SmartDeviceMonitor for Admin te installeren. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. Auto Run, het programma om cd-roms automatisch te starten, werkt mogelijk niet bij bepaalde instellingen van het besturingssysteem. In dat geval start u Setup.exe vanuit de hoofdmap van de cd-rom. C Selecteer een interfacetaal en klik vervolgens op [OK]. De standaardtaal is Engels. D Klik op [SmartDeviceMonitor for Client/Admin] en klik vervolgens op [Volgende] E De softwarelicentie wordt weergegeven in het dialoogvenster [Gebruiksrechtovereenkomst]. Nadat u de inhoud heeft gelezen, klikt u op [Ik accepteer de overeenkomst] als u ermee instemt, en klikt u vervolgens op [Volgende >]. F Volg de instructies op het scherm. Er wordt een bericht weergegeven wanneer de installatie is voltooid. 183
184 De printer controleren en configureren G Klik op [OK]. Start de computer opnieuw na de installatie van SmartDeviceMonitor for Admin, als u hierom wordt gevraagd, en ga verder met de configuratie. SmartDeviceMonitor for Client ondersteunt de volgende talen: Tsjechisch, Deens, Duits, Engels, Spaans, Frans, Italiaans, Hongaars, Nederlands, Noors, Pools, Portugees, Fins, Zweeds, Chinees (vereenvoudigd) en Chinees (traditioneel). De configuratie van de netwerkinterfacekaart wijzigen Volg de onderstaande procedure om de configuratie van de netwerkinterfacekaart met SmartDeviceMonitor for Admin te wijzigen. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Ga in het menu [Groep] naar [Apparaat zoeken] en klik vervolgens op [TCP/IP], [IPX/SPX] of [TCP/IP(SNMPv3)]. Er wordt een lijst weergegeven met printers die het geselecteerde protocol gebruiken. Selecteer het protocol van de printer waarvan u de configuratie wilt wijzigen. C Selecteer in de lijst de printer waarvan u de configuratie wilt wijzigen. D Klik in het menu [Extra] op [NIB Setup Tool]. Er wordt een webbrowser geopend en het dialoogvenster voor het opgeven van de gebruikersnaam en het wachtwoord voor de Web Image Monitor-beheerder wordt weergegeven. Geef uw gebruikersnaam en wachtwoord op. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. NIB Setup Tool start wanneer de netwerkinterfacekaart standaard is. Volg de instructies op het scherm. E Geef de vereiste instellingen op. Configureer de instellingen met Web Image Monitor. Zie Pag.176 Web Image Monitor gebruiken voor meer informatie. F Sluit Web Image Monitor. G Sluit SmartDeviceMonitor for Admin. 184
185 De printer controleren en configureren Menu s vergrendelen op het bedieningspaneel van de printer Volg de onderstaande procedure om de menu s op het bedieningspaneel van de printer te vergrendelen. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Ga in het menu [Groep] naar [Apparaat zoeken] en klik vervolgens op [TCP/IP], [IPX/SPX] of [TCP/IP(SNMPv3)]. Er wordt een lijst weergegeven met printers die het geselecteerde protocol gebruiken. Selecteer het protocol van de printer waarvan u de configuratie wilt wijzigen. C Selecteer een printer. D Ga in het menu [Extra] naar [Apparaatinstell.] en klik op [Bedieningspan. printer beschermen]. Er wordt een webbrowser geopend en het dialoogvenster voor het opgeven van het wachtwoord voor de Web Image Monitor-beheerder wordt weergegeven. E Geef de gebruikersnaam en het wachtwoord op en klik op [OK]. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. De pagina [Systeem] van Web Image Monitor wordt weergegeven. F Selecteer [Niveau 1] of [Niveau 2] in de lijst [Menu bedieningspaneel vergrendelen]. G Klik op [Pas toe]. H Sluit Web Image Monitor. Meer informatie over de instellingen kunt u vinden in de Help bij [Algemene instellingen] op de pagina [Configuratie]. 185
186 De printer controleren en configureren De papiersoort wijzigen Volg de onderstaande procedure om de papiersoort te wijzigen. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Ga in het menu [Groep] naar [Apparaat zoeken] en klik vervolgens op [TCP/IP], [IPX/SPX] of [TCP/IP(SNMPv3)]. Er wordt een lijst weergegeven met printers die het geselecteerde protocol gebruiken. Selecteer het protocol van de printer waarvan u de configuratie wilt wijzigen. C Selecteer in de lijst de printer waarvan u de configuratie wilt wijzigen. D Ga in het menu [Extra] naar [Apparaatinstell.] en klik op [Selecteer papiersoort]. Er wordt een webbrowser geopend en het dialoogvenster voor het opgeven van het wachtwoord voor de Web Image Monitor-beheerder wordt weergegeven. E Geef de gebruikersnaam en het wachtwoord op en klik op [OK]. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. De pagina [Papier] wordt weergegeven. F Selecteer een papiersoort in de lijst [Papiersoort] voor elke lade. G Klik op [Pas toe]. H Sluit Web Image Monitor. Meer informatie over de instellingen kunt u vinden in de Help bij [Algemene instellingen] op de pagina [Configuratie]. 186
187 De printer controleren en configureren Gebruikersgegevens beheren Volg de onderstaande procedure om de gebruikersgegevens met SmartDevice- Monitor for Admin te beheren. Met behulp van Gebruikerscodes kunt u afdruktaken beheren en functies beperken. User Management Tool starten. Volg de onderstaande procedure om User Management Tool te installeren. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Ga in het menu [Groep] naar [Apparaat zoeken] en klik vervolgens op [TCP/IP], [IPX/SPX] of [TCP/IP(SNMPv3)]. Er wordt een lijst weergegeven met printers die het geselecteerde protocol gebruiken. Selecteer het protocol van de printer waarvan u de configuratie wilt wijzigen. C Selecteer in de lijst de printer die u wilt beheren. D Klik in het menu [Extra] op [User Management Tool]. Het dialoogvenster voor het opgeven van uw gebruikersnaam en wachtwoord wordt weergegeven. E Geef de gebruikersnaam en het wachtwoord op en klik op [OK]. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. User Management Tool wordt gestart. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Admin voor informatie over User Management Tool. Het aantal afgedrukte vellen weergeven Volg de onderstaande procedure om het aantal vellen weer te geven dat met elke Gebruikerscode is afgedrukt. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Klik op het tabblad [Gebruiksoverzicht per gebruiker] van User Management Tool. Het aantal pagina s dat met elke afzonderlijke Gebruikerscode is afgedrukt, wordt weergegeven. C Klik op [Voltooien] in het menu [Bestand] om User Management Tool te verlaten. 187
188 De printer controleren en configureren De informatie over het aantal afgedrukte pagina s exporteren. Volg de onderstaande procedure om de informatie over het aantal afgedrukte pagina s dat met elke Gebruikerscode is afgedrukt, te exporteren in een csv-bestand. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Klik op het tabblad [Gebruiksoverzicht per gebruiker] van User Management Tool. C Klik in het menu [Bestand] op [Lijst met gebruikersstatistieken exporteren]. D Geef de bestandsnaam op en de locatie waar u het bestand wilt opslaan en klik op [Opslaan]. E Klik op [Voltooien] in het menu [Bestand] om User Management Tool te verlaten. Het aantal afgedrukt pagina s terugzetten naar nul (0). Volg de onderstaande procedure om het aantal pagina s dat met elke Gebruikerscode is afgedrukt, terug te zetten naar 0. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Klik op het tabblad [Gebruiksoverzicht per gebruiker] van User Management Tool. C Klik op de gebruiker wiens gegevens u opnieuw wilt instellen. D Klik in het menu [Bewerken] op [Gebruikerstellers op nul zetten]. E Schakel de selectievakjes in van de items die u opnieuw wilt instellen en klik op [OK]. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. F Klik op [Ja]. Het aantal afgedrukt pagina s wordt teruggezet op 0. G Klik in het menu [Bewerken] op [Instellingen toepassen]. De wijzigingen worden toegepast op de gegevens die op het tabblad [Gebruiksoverzicht per gebruiker] worden vermeld. H Klik op [Voltooien] in het menu [Bestand] om User Management Tool te verlaten. 188
189 De printer controleren en configureren Functies beperken Volg de onderstaande procedure om het gebruik van bepaalde functies te beperken. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Klik in het menu [Bewerken] van User Management Tool op [Toegang tot apparaat beperken]. C Schakel de selectievakjes in van de functies waarvan u het gebruik wilt beperken. D Klik op [OK]. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. E Klik op [Ja]. De instellingen worden toegepast. Beschikbare functies instellen voor nieuwe gebruikers Volg de onderstaande procedure voor het toevoegen van nieuwe gebruikers en het instellen van de functies die voor hen beschikbaar zijn. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Klik op het tabblad [Toegang tot controlelijst] van User Management Tool. C Klik in het menu [Bewerken] op [Nwe gebruiker toevoegen]. D Voer de Gebruikerscode en de gebruikersnaam in. E Schakel de selectievakjes in van de functies die van toepassing zijn op de nieuwe gebruiker. Als een selectievakje niet beschikbaar is, geldt er geen beperking voor het gebruik van de betreffende functie. Raadpleeg de Help-functie van Smart- DeviceMonitor for Admin voor meer informatie. F Klik op [OK]. De nieuwe gebruiker wordt toegevoegd. G Klik in het menu [Bewerken] op [Instellingen toepassen]. De instellingen worden toegepast. H Klik op [Voltooien] in het menu [Bestand] om User Management Tool te verlaten. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Admin voor meer informatie over het instellen van beperkingen. 189
190 De printer controleren en configureren De Energiespaarstand configureren Volg de onderstaande procedure voor het configureren van de energiebesparingsfunctie. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Ga in het menu [Groep] naar [Apparaat zoeken] en klik vervolgens op [TCP/IP], [IPX/SPX] of [TCP/IP(SNMPv3)]. Er wordt een lijst weergegeven met printers die het geselecteerde protocol gebruiken. Selecteer het protocol van de printer waarvan u de configuratie wilt wijzigen. C Selecteer de printer waarvoor u instellingen wilt opgeven. Als u instellingen wilt opgeven voor alle printers in de geselecteerde groep, selecteert u geen printer. D Wijs in het menu [Groep] naar [Spaarstand] en vervolgens naar [Individueel instellen] als u alleen de instellingen voor de geselecteerde printer wilt opgeven of naar [Instellen volgens groep] als u de instellingen voor alle printers in de geselecteerde groep wilt opgeven. Klik vervolgens op [Aan] of [Uit]. E Sluit SmartDeviceMonitor for Admin. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Admin voor informatie over het instellen van de waarde voor de Energiespaarstand. Een wachtwoord instellen Volg de onderstaande procedure om een wachtwoord in te stellen. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Ga in het menu [Groep] naar [Apparaat zoeken] en klik vervolgens op [TCP/IP], [IPX/SPX] of [TCP/IP(SNMPv3)]. Er wordt een lijst weergegeven met printers die het geselecteerde protocol gebruiken. C Selecteer in de lijst de printer waarvan u de configuratie wilt wijzigen. D Klik in het menu [Extra] op [NIB Setup Tool]. Er wordt een webbrowser geopend en het dialoogvenster voor het opgeven van het wachtwoord voor de Web Image Monitor-beheerder wordt weergegeven. NIB Setup Tool start wanneer de netwerkinterfacekaart standaard is. Volg de instructies op het scherm. 190
191 De printer controleren en configureren E Geef de gebruikersnaam en het wachtwoord op en klik op [OK]. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. De bovenste pagina van Web Image Monitor wordt weergegeven. F Klik op [Configuratie]. G Klik op [Apparaatinstell.]. H Klik op [Beheerder programmeren/wijzigen]. I Klik op [Wijzigen]. J Voer bij [Nieuw wachtwoord] een wachtwoord in. Geef hetzelfde wachtwoord op in [Bevestig wachtwoord]. K Klik op [OK]. L Sluit Web Image Monitor. M Sluit SmartDeviceMonitor for Admin. De printerstatus controleren Volg de onderstaande procedure om de printerstatus te controleren. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Ga in het menu [Groep] naar [Apparaat zoeken] en klik vervolgens op [TCP/IP], [IPX/SPX] of [TCP/IP(SNMPv3)]. De status van printers wordt in de lijst aangegeven met een pictogram. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Admin voor informatie over statuspictogrammen. C Als u gedetailleerde gegevens over de status wilt bekijken, klikt u eerst op de betreffende printer in de lijst en vervolgens op [Openen] in het menu [Apparaat]. De printerstatus wordt weergegeven in het dialoogvenster. D Sluit SmartDeviceMonitor for Admin. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Admin voor meer informatie over de items in het dialoogvenster. 191
192 De printer controleren en configureren Namen en opmerkingen wijzigen Volg de onderstaande procedure om de namen en opmerkingen van de printer te wijzigen. A Start SmartDeviceMonitor for Admin. B Ga in het menu [Groep] naar [Apparaat zoeken] en klik vervolgens op [TCP/IP], [IPX/SPX] of [TCP/IP(SNMPv3)]. Er wordt een lijst weergegeven met printers die het geselecteerde protocol gebruiken. Selecteer het protocol van de printer waarvan u de configuratie wilt wijzigen. C Selecteer een printer in de lijst. D Klik in het menu [Extra] op [NIB Setup Tool]. Er wordt een webbrowser geopend en het dialoogvenster voor het opgeven van het wachtwoord voor de Web Image Monitor-beheerder wordt weergegeven. NIB Setup Tool start wanneer de netwerkinterfacekaart standaard is. Volg de instructies op het scherm. E Geef de gebruikersnaam en het wachtwoord op en klik op [OK]. De bovenste pagina van Web Image Monitor wordt weergegeven. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. F Klik op [Configuratie]. G Klik op [Apparaatinstell.]. H Voer op de pagina [Systeem] in het veld [Apparaatnaam:] de naam van het apparaat in en in het veld [Opmerking] een opmerking en klik op [Pas toe]. Geef bij [Apparaatnaam:] een apparaatnaam voor het apparaat op van maximaal 31 tekens. Voer in het veld [Opmerking] een opmerking in over de printer (maximaal 31 tekens). I Klik op [OK]. J Sluit Web Image Monitor. K Sluit SmartDeviceMonitor for Admin. 192
193 De printer controleren en configureren SmartDeviceMonitor for Client gebruiken Als u de status van printers wilt controleren met SmartDeviceMonitor for Client, moet u SmartDeviceMonitor for Client van tevoren configureren. Printers controleren Volg de onderstaande procedure om de printer te controleren met SmartDevice- Monitor for Client. A Start SmartDeviceMonitor for Client. Het pictogram van SmartDeviceMonitor for Client wordt weergegeven op de taakbalk. B Klik met de rechtermuisknop op het pictogram van SmartDeviceMonitor for Client en controleer of de printer wordt vermeld in het snelmenu. C Klik op [Opties...] in het snelmenu als de printer niet wordt weergegeven. Het dialoogvenster [SmartDeviceMonitor for Client - Opties] wordt weergegeven. D Klik op de printer die u wilt controleren en schakel vervolgens het selectievakje [Te controleren] in het gedeelte [Informatie-instellingen controleren] in. Als u de printerstatus met het pictogram SmartDeviceMonitor for Client wilt weergeven op de taakbalk, schakelt u het selectievakje [Weergegeven op taakbalk] in. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Client voor informatie over statuspictogrammen. E Klik op [OK]. Het dialoogvenster wordt gesloten en de geconfigureerde printer wordt gecontroleerd. De printerstatus controleren Volg de onderstaande procedure om de printerstatus te controleren met Smart- DeviceMonitor for Client. A Start SmartDeviceMonitor for Client. B Voor informatie over de status klikt u met de rechtermuis op het pictogram van SmartDeviceMonitor for Client en klikt u vervolgens op de printer. De printerstatus wordt weergegeven in het dialoogvenster. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Client voor meer informatie over de items in het dialoogvenster. 193
194 De printer controleren en configureren Wanneer IPP wordt gebruikt met SmartDeviceMonitor for Client Wanneer IPP wordt gebruikt met SmartDeviceMonitor for Client, moet u rekening houden met het volgende: De netwerkprinter kan van SmartDeviceMonitor for Client slechts één afdruktaak tegelijk ontvangen. Wanneer de netwerkprinter bezig is met afdrukken, hebben de andere gebruikers pas weer toegang tot de server wanneer de taak is voltooid. In dat geval probeert SmartDeviceMonitor for Client net zo lang toegang te krijgen tot de netwerkprinter tot het herhalingsinterval is verstreken. Als SmartDeviceMonitor for Client binnen dit interval geen toegang tot de netwerkprinter kan krijgen, beëindigt het programma het versturen van de afdruktaak. In dat geval moet u de pauzestatus vanaf het scherm van de afdrukwachtrij annuleren. SmartDeviceMonitor for Client zal weer toegang krijgen tot de netwerkprinter. U kunt weliswaar de afdruktaak uit het venster van de afdrukwachtrij verwijderen, maar het annuleren van een afdruktaak die door de netwerkprinter wordt afgedrukt, kan tot gevolg hebben dat de volgende taak die door een andere gebruiker wordt verstuurd niet goed wordt afgedrukt. Als een afdruktaak die vanuit SmartDeviceMonitor for Client is verstuurd, wordt onderbroken en de netwerkprinter de taak annuleert omdat er iets verkeerd is gegaan, moet u de afdruktaak opnieuw versturen. Afdruktaken die worden verstuurd vanaf een andere computer worden niet in het wachtrijvenster weergegeven, ongeacht het gebruikte protocol. Als verschillende gebruikers met SmartDeviceMonitor for Client afdruktaken versturen naar netwerkprinters, worden de taken mogelijk in een andere volgorde afgedrukt dan ze zijn verstuurd. Een IP-adres kan niet worden gebruikt als IPP-poortnaam omdat het IP-adres wordt gebruikt voor de SmartDeviceMonitor for Client-poortnaam. Als SSL, een protocol voor gecodeerde communicatie, is ingesteld in een omgeving waarin serververificatie is toegewezen, voert u printer)/ in. Internet Explorer moet op uw computer zijn geïnstalleerd. Gebruik de meest recente versie. Internet Explorer 6.0 of hoger wordt aanbevolen. Als het dialoogvenster [Beveiligingswaarschuwing] wordt weergeven tijdens het afdrukken of wanneer u via IPP probeert toegang te krijgen tot de printer om een IPP-poort te selecteren of te configureren, moet u het certificaat installeren. Wanneer u tijdens het uitvoeren van de Wizard Certificaat importeren een opslaglocatie voor het certificaat moet opgeven, klikt u op [Alle certificaten in het onderstaande archief opslaan] en klikt u vervolgens op [Lokale computer] onder [Archief met vertrouwde hoofdcertificeringsinstanties]. 194
195 De printer controleren en configureren Melding van de printerstatus per Wanneer een papierlade leegraakt of het papier is vastgelopen, wordt er een e- mailwaarschuwing naar het geregistreerde adres verstuurd om de gebruiker hiervan op de hoogte te stellen. U kunt voor deze melding per bepaalde instellingen opgeven. U kunt de timing voor de melding instellen, evenals de inhoud van de . A Stel [Inform.per mail] in het menu [Systeem] in op [Aan] via het bedieningspaneel. De standaardinstelling is [Aan]. Zie Pag.151 Menu Systeem voor meer informatie. B Open een webbrowser en voer http: //(adres printer)/ in op de adresregel. De bovenste pagina van Web Image Monitor wordt weergegeven. Als SSL, een protocol voor gecodeerde communicatie, is ingesteld in een omgeving waarin serververificatie is toegewezen, voert u printer)/ in. C Klik op [Inloggen] in de bovenste pagina van Web Image Monitor. Het dialoogvenster voor het opgeven van uw gebruikersnaam en wachtwoord wordt weergegeven. D Geef de gebruikersnaam en het wachtwoord op en klik op [OK]. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. E Klik in het menugedeelte op [Configuratie]. F Klik op [Apparaatinstell.] en klik vervolgens op [ ]. G Geef de volgende instellingen op: Items in de kolom Ontvangst Items in de kolom SMTP Items in de kolom POP voor SMTP Items in de kolom POP3/IMAP4 Items in de kolom Ontvangstpoort Items in de kolom melding H Klik op [Pas toe]. 195
196 De printer controleren en configureren Autom. melding A Klik in het menugedeelte op [Autom. melding]. Het dialoogvenster voor het opgeven van meldingsinstellingen wordt weergegeven. B Geef de volgende instellingen op: Meldingen Items in de kolom Te melden groepen Items in de kolom Groepen/items selecteren om te melden Als u gedetailleerde instellingen wilt opgeven voor deze items, klikt u op [Bewerken] naast [Instellingsdetails van melding]. C Klik op [Pas toe]. D Sluit Web Image Monitor. melding op aanvraag A Klik in het menugedeelte op [ melding op verzoek]. Het dialoogvenster voor het opgeven van meldingsinstellingen wordt weergegeven. B Geef de volgende instellingen op: Onderwerp van melding Items in de kolom Toegang beperking voor informatie Items in de kolom Te ontvangen adres-/Domeinnaaminstellingen C Klik op [Pas toe]. D Sluit Web Image Monitor. 196
197 De printer controleren en configureren Onderhoud op afstand via telnet Onderhoud op afstand moet worden beveiligd met een wachtwoord, zodat alleen beheerders toegang kunnen krijgen. Het wachtwoord is hetzelfde als dat van de Web Image Monitor-beheerder. Als het wachtwoord wordt gewijzigd met mshell, worden alle andere wachtwoorden eveneens gewijzigd. Sommige opdrachten zijn niet beschikbaar, afhankelijk van de printer. telnet gebruiken Volg de onderstaande procedure als u telnet wilt gebruiken. Er kan slechts één gebruiker tegelijk zijn aangemeld om onderhoud op afstand uit te voeren. A Gebruik het IP-adres of de hostnaam van de printer om telnet te starten. % telnet IP-adres B Geef uw gebruikersnaam en wachtwoord op. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. C Geef een opdracht. D Sluit telnet af. msh> logout Er wordt een configuratiebericht over het opslaan van de wijzigingen weergegeven. E Typ yes om de wijzigingen op te slaan en druk vervolgens op de toets {#Enter}. Als u de wijzigingen niet wilt opslaan, typt u no en drukt u vervolgens op de toets {#Enter}. Als u nog meer wijzigingen wilt aanbrengen, typt u return in de opdrachtregel en drukt u vervolgens op de toets {#Enter}. Als het bericht Can not write NVRAM information wordt weergegeven, zijn de wijzigingen niet opgeslagen. Herhaal de bovenstaande procedure. Nadat de wijzigingen zijn opgeslagen, wordt de netwerkinterfacekaart automatisch opnieuw ingesteld op basis van deze wijzigingen. Wanneer de netwerkinterfacekaart opnieuw wordt ingesteld, wordt de huidige afdruktaak uitgevoerd. Alle afdruktaken in de wachtrij worden evenwel geannuleerd. 197
198 De printer controleren en configureren access Met de opdracht access kunt u de toegangscontrole bekijken en configureren. U kunt ook twee of meer toegangsbereiken opgeven. Instellingen bekijken msh> access Configuratie msh> access range startadres eindadres staat voor een bestemmingsnummer tussen 1 en 5. (Er kunnen maximaal vijf bereiken worden geregistreerd en geselecteerd.) Als u bijvoorbeeld toegankelijke IP-adressen tussen en wilt opgeven, typt u: msh> access 1 range Initialisatie toegangscontrole msh> access flush Gebruik de opdracht flush om de standaardinstellingen te herstellen, zodat alle toegangsbereiken op worden gezet. Het toegangsbereik zorgt ervoor dat computers geen toegang hebben tot de printer op basis van het IP-adres. Als het in uw situatie niet nodig is de toegang tot de printer te beperken, gebruikt u de instelling Een geldig bereik loopt van laag (startadres) naar hoog (eindadres). U kunt maximaal vijf toegangsbereiken opgeven. Als u het bestemmingsnummer weglaat, is het bereik ongeldig. U kunt Web Image Monitor niet benaderen via een beperkt IP-adres. appletalk Met de opdracht appletalk kunt u AppleTalk-parameters bekijken en configureren. Instellingen bekijken msh> appletalk [2] betekent actief en [0] betekent inactief. De standaardinstelling is [2]. De PAP-timeoutconfiguratie wijzigen msh> appletalk ptimeout value > 0 De time-outwaarde wordt van kracht. msh> appletalk ptimeout value = 0 De time-outwaarde is niet langer van kracht. 198
199 De printer controleren en configureren autonet Met de opdracht autonet kunt u de AutoNet-parameters configureren. Instellingen bekijken Met de onderstaande opdracht kunt u de huidige AutoNet-instellingen weergeven: msh> autonet Configuratie U kunt de AutoNet-instellingen configureren. msh> autonet {on off} {on} betekent actief en {off} betekent inactief. De huidige weergave prioriteitsconfiguratie van de interface msh> autonet priority Prioriteitsconfiguratie van de interface msh> autonet priority interfacenaam U kunt een AutoNet-prioriteitsparameter toekennen aan de interface. Prioriteitsinstellingen zijn beschikbaar wanneer er meerdere interfaces zijn geïnstalleerd. U kunt ip1394 alleen opgeven wanneer de IEEE 1394-interface is geïnstalleerd. U kunt wlan alleen opgeven wanneer de IEEE b-interface is geïnstalleerd. Interfacenaam ether ip1394 wlan Geconfigureerde interface Ethernet-interface IEEE 1394-interface IEEE b-interface Als er geen interface is geselecteerd, blijven de huidige interfaceverbindingsinstellingen van kracht. Voor meer informatie over AutoNet verwijzen we u naar de autonet-parameters. 199
200 De printer controleren en configureren btconfig Met de opdracht btconfig kunt u Bluetooth-instellingen opgeven. Instellingen bekijken De Bluetooth-instellingen worden weergegeven. msh> btconfig Modusinstellingen U kunt de Bluetooth-bedieningsmodus instellen op {private} of {public}. msh> btconfig {private public} De standaardinstelling is {public}. devicename Met de opdracht devicename kunt u de printernaam weergeven en wijzigen. Instellingen bekijken msh> devicename Configuratie van de printernaam msh> devicename name tekenreeks Geef een printernaam op. U kunt maximaal 31 alfanumerieke tekens gebruiken. Geef voor elke printer een aparte naam op. Initialisatie printernaam msh> devicename clearname Herstel de standaardprinternaam. 200
201 De printer controleren en configureren dhcp Met de opdracht dhcp kunt u DHCP-instellingen configureren. Instellingen bekijken Met de onderstaande opdracht kunt u de huidige DHCP-instellingen weergeven. msh> dhcp Configuratie U kunt DHCP configureren. msh> dhcp interfacenaam {on off} Klik op {on} om DHCP in te schakelen. Klik op {off} om DHCP uit te schakelen. Als het adres en het domein van de DNS-server worden opgehaald van DHCP, moet u klikken op {on}. U kunt ip1394 alleen opgeven wanneer de IEEE 1394-interface is geïnstalleerd. U kunt wlan alleen opgeven wanneer de IEEE b-interface is geïnstalleerd. Interfacenaam ether ip1394 wlan Geconfigureerde interface Ethernet-interface IEEE 1394-interface IEEE b-interface De huidige weergave prioriteitsconfiguratie van de interface msh> dhcp priority Prioriteitsconfiguratie van de interface msh> dhcp priority interfacenaam U kunt opgeven welke interface prioriteit heeft voor DHCP. Prioriteitsinstellingen zijn beschikbaar wanneer er meerdere interfaces zijn geïnstalleerd. Adres DNS-server selecteren msh> dhcp dnsaddr {dhcp static} Geef op of het adres van de DNS-server wordt opgehaald van de DHCPserver of door de gebruiker moet worden ingesteld. Als u het DNS-serveradres wilt ophalen van de DHCP-server, geeft u dhcp op. Als u het adres wilt gebruiken dat is ingesteld door de gebruiker, geeft u static op. 201
202 De printer controleren en configureren Domeinnaam selecteren msh> dhcp domainname {dhcp static} Geef op of de domeinnaam van de DNS-server moet worden opgehaald van de DHCP-server of door de gebruiker moet worden ingesteld. Als u de domeinnaam wilt ophalen van de DHCP-server, geeft u dhcp op. Als u de domeinnaam wilt gebruiken die is ingesteld door de gebruiker, geeft u static op. Zie Pag.306 DHCP gebruiken voor meer informatie over DHCP-functies. Meer informatie over het instellen van het DNS-serveradres kunt u vinden op Pag.203 dns. Meer informatie over het instellen van de domeinnaam kunt u vinden op Pag.205 domainname. diprint Via de poort voor rechtstreeks afdrukken kunt u rechtstreeks vanaf een computer in het netwerk afdrukken. Met de opdracht diprint kunt u de instellingen van de poort voor rechtstreeks afdrukken wijzigen. Instellingen bekijken Met de onderstaande opdracht kunt u de huidige instellingen van de poort voor rechtstreeks afdrukken weergeven: msh> diprint Het resultaat is bijvoorbeeld: port 9100 timeout=300(sec) bidirect on Port staat in dit voorbeeld voor het poortnummer van de poort voor rechtstreeks afdrukken. De instelling bidirect geeft aan of de poort voor rechtstreeks afdrukken een bidirectionele poort is. Time-out instellen msh> diprint timeout [30~65535] U kunt een time-outinterval opgeven dat door de printer wordt gebruik bij te verwachten gegevens vanuit het netwerk. De standaardinstelling is 300 seconden. Bidirectioneel afdrukken instellen msh> diprint bidirect {on off} Hier kunt u aangeven of de poort voor rechtstreeks afdrukken een bidirectionele poort is. 202
203 De printer controleren en configureren dns Met de opdracht dns kunt u de DNS-instellingen (Domain Name System) configureren of weergeven. Instellingen bekijken Met de onderstaande opdracht kunt u de huidige DNS-instellingen weergeven: msh> dns Configuratie DNS-server Met de onderstaande opdracht kunt u het adres van de DNS-server in- of uitschakelen: msh> dns nummer server serveradres Met de volgende opdracht kunt u een configuratie weergeven aan de hand van het IP-adres op een DNS 1-server: msh> dns 1 server U kunt maximaal drie DNS-servernummers opgeven. U kunt niet gebruiken als het adres van de DNS-server. Instelling dynamische DNS-functie msh> dns interfacenaam ddns {on off} U kunt de dynamische DNS-functie instellen op actief of inactief. {on} betekent actief en {off} betekent inactief. U kunt ip1394 alleen opgeven wanneer de IEEE 1394-interface is geïnstalleerd. U kunt wlan alleen opgeven wanneer de IEEE b-interface is geïnstalleerd. Interfacenaam ether ip1394 wlan Geconfigureerde interface Ethernet-interface IEEE 1394-interface IEEE b-interface 203
204 De printer controleren en configureren De actie bij overlappende documenten opgeven msh> dns overlap {update add} U kunt opgeven wat er moeten worden gedaan wanneer documenten elkaar overlappen. update Gebruik deze parameter als u de oude documenten wilt verwijderen en de nieuwe documenten wilt registreren. add Gebruik deze parameter als u de nieuwe documenten wilt toevoegen en de oude documenten wilt opslaan. Als CNAME overlapt, wordt deze altijd gewijzigd, ongeacht de instellingen. CNAME-registratie msh> dns cname {on off} U kunt opgeven of u CNAME wilt registreren. {on} betekent actief en {off} betekent inactief. De geregistreerde CNAME is de standaardnaam die begint met rnp. CNA- ME kan niet worden gewijzigd. A-documenten registreren msh> dns arecord {dhcp own} {dhcp} U kunt opgeven welke registratiemethode voor een A-document moet worden gebruikt wanneer de dynamische DNS-functie is ingeschakeld en DHCP wordt gebruikt. {own} Hierdoor wordt een A-document geregistreerd met de printer als de DNSclient. Het adres en de domeinnaam van de DNS server die reeds zijn toegekend, worden voor de registratie gebruikt. Intervalinstellingen voor het bijwerken van documenten msh> dns interval tijd U kunt opgeven hoe lang moet worden gewacht voordat documenten worden opgeslagen wanneer de dynamische DNS-functie wordt gebruikt. Het bijwerkinterval wordt in uren opgegeven. U kunt maximaal 255 uren opgeven. De standaardinstelling is 24 uur. 204
205 De printer controleren en configureren domainname Met de opdracht domainname kunt u de instellingen van de domeinnaam weergeven en configureren. U kunt de Ethernet-interface, de IEEE 1394-interface of de IEEE b-interface configureren. Instellingen bekijken Met de onderstaande opdracht kunt u de huidige domeinnaam weergeven: msh> domainname Configuratie interfacedomein msh> domainname interfacenaam De domeinnaam instellen msh> domainname interfacenaam name domeinnaam U kunt een domeinnaam van maximaal 63 alfanumerieke tekens opgeven. De Ethernet-interface en de IEEE b-interface hebben dezelfde domeinnaam. U kunt ip1394 alleen opgeven wanneer de IEEE 1394-interface is geïnstalleerd. U kunt wlan alleen opgeven wanneer de IEEE b-interface is geïnstalleerd. Interface ether ip1394 wlan Interface-set Ethernet-interface IEEE 1394-interface IEEE b-interface De domeinnaam verwijderen help msh> domainname interfacenaam clear naam Met de opdracht help kunt u de lijst met beschikbare opdrachten weergeven en de procedures voor het gebruiken van die opdrachten. Opdrachtenlijst weergeven msh> help Procedures voor het gebruik van opdrachten weergeven msh> help opdrachtnaam 205
206 De printer controleren en configureren hostname Met de opdracht hostname kunt u de printernaam wijzigen. Instellingen bekijken msh> hostname Configuratie msh> hostname interfacenaam printernaam Geef de printernaam op. U kunt maximaal 63 alfanumerieke tekens gebruiken. U kunt geen printernaam gebruiken die begint met RNP of rnp. De Ethernet-interface en de IEEE b-interface hebben dezelfde printernaam. U kunt ip1394 alleen opgeven wanneer de IEEE 1394-interface is geïnstalleerd. U kunt wlan alleen opgeven wanneer de IEEE b-interface is geïnstalleerd. Interfacenaam ether ip1394 wlan Geconfigureerde interface Ethernet-interface IEEE 1394-interface IEEE b-interface De printernaam voor elke interface initialiseren msh>hostname interfacenaam clear naam ifconfig Met de opdracht ifconfig kunt u TCP/IP (IP-adres, subnetmasker, broadcastadres, standaardgateway-adres) voor de printer configureren. Instellingen bekijken msh> ifconfig Configuratie msh> ifconfig interfacenaam parameter adres Als u geen interfacenaam opgeeft, wordt deze automatisch ingesteld op de Ethernet-interface. U kunt ip1394 alleen opgeven wanneer de IEEE 1394-interface is geïnstalleerd. 206
207 De printer controleren en configureren U kunt wlan alleen opgeven wanneer de IEEE b-interface is geïnstalleerd. Interfacenaam ether ip1394 wlan Geconfigureerde interface Ethernet-interface IEEE 1394-interface IEEE b-interface Netmask-configuratie msh> ifconfig interfacenaam netmask adres Configuratie broadcast-adres msh> ifconfig interfacenaam broadcast adres De interface wijzigen msh> ifconfig interface up U kunt de Ethernet-interface of de IEEE b-interface opgeven wanneer u de optionele IEEE b-interface-unit gebruikt. U kunt de IEEE 1394-interface niet opgeven. Hieronder ziet u hoe u het IP-adres kunt configureren voor een Ethernet-interface. msh> ifconfig ether Hieronder ziet u hoe u het subnetmasker kunt configureren voor een Ethernet-interface msh> ifconfig ether netmask Neem voor de bovenstaande adressen contact op met uw netwerkbeheerder. Gebruik de standaardconfiguratie als u deze adressen niet kunt verkrijgen. Het IP-adres, het subnetmasker en het broadcast-adres zijn dezelfde als voor de Ethernet-interface en de IEEE b-interface. Als u de optionele 1394-interfacekaart wilt installeren, moet u het IP-adres en het subnetmasker zo instellen dat ze niet overlappen met de Ethernet-interface of de IEEE 1394-interface. De TCP/IP-configuratie is voor de Ethernet- en IEEE b-interface gelijk. Als de interfaces worden gewijzigd, wordt de configuratie overgenomen door de nieuwe interface. Gebruik 0x als de eerste twee letters van een hexadecimaal adres. 207
208 De printer controleren en configureren info Met de opdracht info kunt u printergegevens weergeven, zoals de papierlade, de uitvoerlade en de printertaal. Printergegevens weergeven msh> info Meer informatie over de gegevens die worden vermeld, kunt u vinden op Pag.229 Printerinformatie ophalen via het netwerk. ipp Met de opdracht ipp kunt u IPP-instellingen configureren. Instellingen bekijken Met de onderstaande opdracht kunt u de huidige IPP-instellingen weergeven: msh> ipp Het resultaat is bijvoorbeeld: timeout=900(sec) auth basic De instelling timeout geeft aan hoeveel seconden de computer blijft proberen afdrukopdrachten te versturen als er geen verbinding met de netwerkprinter kan worden gemaakt. De instelling auth geeft de autorisatiemodus van de gebruiker aan. Configuratie IPP-timeout Geef op hoeveel seconden de computer moet wachten voordat een onderbroken afdrukopdracht wordt geannuleerd. U kunt een tijdsduur opgeven tussen de 30 en seconden. msh> ipp timeout [ ] Configuratie IPP-gebruikersautorisatie Met de IPP-gebruikersautorisatie kunt u het afdrukken met IPP voor gebruikers beperken. De standaardinstelling is off. msh> ipp auth {basic digest off} Instellingen voor gebruikersautorisatie zijn basic en digest. Gebruik off om een gebruikersautorisatie te verwijderen. Als u gebruikersautorisatie wilt opgegeven, moet u een gebruikersnaam registreren. U kunt maximaal tien gebruikers registreren. 208
209 De printer controleren en configureren IPP-gebruikersconfiguratie Gebruik de volgende opdracht: msh> ipp user Het volgende bericht wordt weergegeven: msh> Input user number (1 t/m 10): Geef het nummer, de gebruikersnaam en een wachtwoord op. msh> IPP user name:user1 msh> IPP password:******* Wanneer u de instellingen heeft geconfigureerd, wordt het volgende bericht weergegeven: User configuration changed. netware Met de opdracht netware kunt u NetWare-instellingen configureren, zoals de naam van de printserver of de bestandsserver. Namen van Netware-afdrukservers msh> netware pname Geef de naam van de NetWare-afdrukserver op. U kunt maximaal 47 tekens gebruiken. Namen van Netware-bestandsservers msh> netware fname Geef de naam van de NetWare-bestandsserver op. U kunt maximaal 47 tekens gebruiken. Encap-type msh> netware encap [802.3/802.2/snap/ethernet2/auto] Nummer van externe printer msh> netware rnum Time-out msh> netware timeout Afdrukservermodus msh> netware mode pserver msh> netware mode ps Externe-printermodus msh> netware mode rprinter msh> netware mode rp 209
210 De printer controleren en configureren NDS-contextnaam msh> netware context SAP-interval msh> netware sap-interval De aanmeldmodus voor de bestandsserver instellen msh> netware login server De aanmeldmodus voor de NDS-structuur instellen msh> netware login tree De aanmeldmodus voor de naam van de NDS-structuur instellen msh> netware tree NDS-naam passwd Met de opdracht passwd kunt u het wachtwoord voor onderhoud op afstand wijzigen. Het wachtwoord wijzigen msh> passwd Geef het huidige wachtwoord op. Geef het nieuwe wachtwoord op. Geef het nieuwe wachtwoord nogmaals op. Zorg ervoor dat u het wachtwoord niet vergeet of kwijtraakt. U kunt een wachtwoord opgeven van maximaal 32 alfanumerieke tekens. Wachtwoorden zijn hoofdlettergevoelig. Zo is R niet hetzelfde als r. prnlog Met de opdracht prnlog kunt u de gegevens uit het printerlogboek ophalen. De afdruklogboeken worden weergegeven msh> prnlog Met deze opdracht kunt u de laatste 16 afdruktaken weergeven. msh> prnlog ID-nummer Geef het ID-nummer van een van de vermelde afdruktaken op om meer informatie over de taak weer te geven. Meer informatie over de gegevens die worden vermeld, kunt u vinden op Pag.229 Printerinformatie ophalen via het netwerk. 210
211 De printer controleren en configureren rendezvous Met de opdracht rendezvous kunt u Rendezvous-gerelateerde instellingen weergeven. Instellingen bekijken De Rendezvous-instellingen worden weergeven. msh> rendezvous De huidige computernaam weergeven msh> rendezvous cname Informatie weergeven over de huidige printerlocatie msh> rendezvous location Instelling Rendezvous-computernaam U kunt de rendezvous-computernaam opgeven. msh> rendezvous cname computernaam U kunt een computernaam opgeven van maximaal 63 alfanumerieke tekens. Instelling locatiegegevens van de rendezvous-installatie U kunt informatie opgeven over de locatie waar de printer is geïnstalleerd. msh> rendezvous location locatie U kunt informatie over de locatie bestaande uit maximaal 32 alfanumerieke tekens opgeven. De prioriteitsvolgorde voor alle protocollen instellen diprint msh> rendezvous diprint {0-99} lpr msh> rendezvous lpr {0-99} ipp msh> rendezvous ipp {0-99} U kunt de prioriteitvolgorde opgeven voor diprint, lpr en ipp. Hoe lager het getal, des te hoger de prioriteit. IP TTL-instelling msh> rendezvous ipttl {1-255} U kunt de IP TTL (het aantal routers dat een pakket kan passeren) opgeven. De standaardinstelling is
212 De printer controleren en configureren De computernaam en de locatiegegevens opnieuw instellen U kunt de computernaam en de locatiegegevens opnieuw instellen. msh> rendezvous clear {cname location} cname Hiermee wordt de computernaam opnieuw ingesteld. De standaardcomputernaam wordt weergegeven wanneer de computer opnieuw wordt gestart. location Hiermee worden de locatiegegevens opnieuw ingesteld. De vorige locatiegegevens worden verwijderd. Interface-configuratie msh> rendezvous linklocal interfacenaam Als er vele typen interfaces zijn geïnstalleerd, configureert u de interface die communiceert met het link-local-adres. Als u geen interface opgeeft, wordt automatisch de Ethernet-interface geselecteerd. U kunt ip1394 alleen opgeven wanneer de IEEE 1394-interface is geïnstalleerd. U kunt wlan alleen opgeven wanneer de IEEE b-interface is geïnstalleerd. Interface ether ip1394 wlan Geconfigureerde interface Ethernet-interface IEEE 1394-interface IEEE b-interface route Met de opdracht route kunt u de routeringstabel beheren. Alle routeringsgegevens weergeven msh> route De opgegeven routeringsgegevens weergeven msh> route bestemming Geef het IP-adres van de bestemming op. De opgegeven bestemming in- of uitschakelen msh> route active {host net} destination {on off} U kunt de opgegeven bestemming in- of uitschakelen. De host wordt de standaardinstelling. 212
213 De printer controleren en configureren Een routeringstabel toevoegen msh> route add {host net} bestemming gateway Hiermee voegt u in de tabel een host of netwerkroute toe aan destination en een gateway-adres aan gateway. Geef het IP-adres van de bestemming en de gateway op. De host wordt de standaardinstelling. De standaard gateway instellen msh> route add default gateway De opgegeven bestemming verwijderen uit de routeringstabel msh> route delete {host net} destination De host wordt de standaardinstelling. U kunt het IP-adres van de bestemming opgeven. Route wissen msh> route flush Het maximum aantal routeringstabellen is 16. Als u communiceert met apparaten op een extern netwerk, moet u een gateway-adres instellen. Alle interfaces maken gebruik van hetzelfde gateway-adres. set Met de opdracht set kunt u het weergeven van protocolgegevens instellen op actief of niet actief. Instellingen bekijken Met de volgende opdracht kunt u protocolgegevens weergeven (actief/inactief). msh> set tcpip msh> set appletalk msh> set netware msh> set smb msh> set scsiprint scsiprint is beschikbaar wanneer de optionele IEEE 1394-interfacekaart is geïnstalleerd. msh> set ip1394 U kunt ip1394 alleen opgeven wanneer de IEEE 1394-interface is geïnstalleerd. 213
214 De printer controleren en configureren msh> set protocol Wanneer het protocol is opgegeven, wordt informatie over TCP/IP, Apple- Talk, Netware en SMB weergegeven. msh> set lpr msh> set ftp msh> set rsh msh> set diprint msh> set web msh> set snmp msh> set ssl msh> set nrs msh> set rfu msh> set ipp msh> set http msh> set rendezvous Configuratie Voer up in om het protocol in te schakelen en down om het protocol uit te schakelen. U kunt het protocol instellen op actief of inactief. msh> set tcpip {up down} Als u TCP/IP uitschakelt, kunt u niet langer op afstand toegang verkrijgen nadat u zich heeft afgemeld. Als u het protocol per ongeluk heeft uitgeschakeld, kunt u vanaf het bedieningspaneel de toegang op afstand via TCP/IP opnieuw inschakelen. Wanneer u TCP/IP uitschakelt, worden ip1394, lpr, ftp, rsh, diprint, web, snmp, ssl, ipp, http en rendezvous ook uitgeschakeld. msh> set appletalk {up down} msh> set netware {up down} msh> set smb {up down} msh> set scsiprint {up down} scsiprint is beschikbaar wanneer de optionele IEEE 1394-interfacekaart is geïnstalleerd. msh> set ip1394 {up down} U kunt ip1394 alleen opgeven wanneer de IEEE 1394-interface is geïnstalleerd. msh> set lpr {up down} msh> set ftp {up down} msh> set rsh {up down} 214
215 De printer controleren en configureren msh> set diprint {up down} msh> set web {up down} msh> set snmp {up down} msh> set ssl {up down} Als de SSL-functie (Secured Sockets Layer: een coderingsprotocol) niet beschikbaar is voor de printer, kunt u de functie niet gebruiken door deze in te schakelen. msh> set nrs {up down} msh> set rfu {up down} msh> set ipp {up down} msh> set http {up down} msh> set rendezvous {up down} show Met de opdracht show kunt u de configuratie-instellingen van de netwerkinterfacekaart weergeven. Instellingen bekijken msh> show Als u -p toevoegt, kunt u de instellingen één voor één bekijken. Meer informatie over de informatie die worden weergegeven, kunt u vinden op Pag.239 De netwerkinterfacekaart configureren. slp Met de opdracht slp kunt u SLP-instellingen configureren. msh> slp ttl ttl-waarde U kunt met SLP zoeken naar de NetWare-server in de PureIP-omgeving van NetWare 5/5.1 en Netware 6/6.5. Met de opdracht slp kunt u de waarde van TTL configureren. Deze waarde kan worden gebruikt door SLP-multicast-pakketten. De standaardwaarde voor TTL is 1. De zoekbewerking wordt alleen binnen een lokaal segment uitgevoerd. Als de router geen multicast ondersteunt, zijn de instellingen niet beschikbaar, zelfs als de TTL-waarde is verhoogd. De TTL-waarde moet tussen 1 en 255 liggen. 215
216 De printer controleren en configureren smb Met de opdracht smb kunt u de computer- of werkgroepnaam voor SMB configureren of verwijderen. Computernaam-instellingen msh> smb comp Hiermee stelt u de computernaam in. U kunt maximaal 15 tekens gebruiken. Namen die beginnen met RNP of rnp zijn niet toegestaan. Werkgroepnaam-instellingen msh> smb group Hiermee stelt u de werkgroepnaam in. U kunt maximaal 15 tekens gebruiken. Opmerkingen-instellingen msh> smb comment U kunt een opmerking bestaande uit maximaal 31 tekens opgeven. Melding van voltooiing afdruktaak msh> smb notif {on off} Als u een melding wilt weergeven wanneer een afdruktaak is voltooid, typt u on. Typ anders off. Computernaam verwijderen msh> smb clear comp Groepnaam verwijderen msh> smb clear group Opmerking verwijderen msh> smb clear comment Protocolinstellingen msh> smb protocol [netbeui {up down} tcpip {up down}] NetBEUI en TCP/IP in- of uitschakelen. Typ up om in te schakelen en down om uit te schakelen. 216
217 De printer controleren en configureren snmp Met de opdracht snmp kunt u configuratie-instellingen voor SNMP weergeven en bewerken, zoals de naam van een gebruikersgroep. Instellingen bekijken msh> snmp Standaardinstelling 1 voor toegang luidt als volgt: Naam gebruikersgroep: public IP-adres: Toegangstype: Alleen-lezen / trap uit Standaardinstelling 2 voor toegang luidt als volgt: Naam gebruikersgroep: admin IP-adres: Toegangstype: lezen-schrijven / trap uit Als u -p toevoegt, kunt u de instellingen één voor één bekijken. Als u de huidige gebruikersgroep wilt weergeven, moet u het registratienummer opgeven. Weergave msh> snmp? Naam gebruikersgroep configureren msh> snmp nummer name communitynaam U kunt SNMP-toegangsinstellingen configureren, van 1 tot 10. De printer kan niet worden benaderd via SmartDeviceMonitor for Admin of SmartDeviceMonitor for Client wanneer public niet is geregistreerd bij Gebruik SmartDeviceMonitor for Admin en SNMP Setup Tool om de naam van de gebruikersgroep te wijzigen conform de printerinstellingen. U kunt een naam van maximaal 15 tekens opgeven voor de gebruikersgroep. Gebruikersgroepnaam verwijderen msh> snmp nummer clear naam Toegangstype configureren msh> snmp nummer type toegangstype Toegangstype no read write trap Toegangsrechten niet toegankelijk alleen lezen lezen en schrijven gebruiker ontvangt trap-berichten 217
218 De printer controleren en configureren Protocolconfiguratie msh> snmp {ip ipx} {on off} Met de volgende opdracht kunt u protocollen instellen op actief of inactief : als u een protocol instelt op inactief worden alle toegangsinstellingen voor dat protocol uitgeschakeld. Geef ip op voor TCP/IP of ipx voor IPX/SPX. {on} betekent actief en {off} betekent inactief. De IEEE 1394-interface is alleen beschikbaar voor TCP/IP. Protocollen configureren voor elk registratienummer msh> snmp nummer active {ip ipx} {on off} Als u het protocol van de toegangsinstellingen wilt wijzigen, gebruikt u de volgende opdracht. Als u een protocol heeft uitgeschakeld met de bovenstaande opdracht, kunt u het protocol hier niet opnieuw activeren. Toegang configureren msh> snmp nummer {ip/addr ipx} adres U kunt een hostadres configureren conform het gebruikte protocol. De netwerkinterfacekaart accepteert alleen aanvragen van hosts met adressen waaraan het toegangstype alleen-lezen of lezen-schrijven is toegekend. Typ 0 als u wilt dat netwerkinterfacekaart aanvragen accepteert van alle hosts, zonder dat een bepaald toegangstype is vereist. Geef een hostadres op waar de meldingen voor het toegangstype trap naartoe moeten worden gestuurd. Als u TCP/IP wilt opgeven, voert u ip in, gevolgd door een spatie en het IP-adres. Als u IPX/SPX wilt opgeven, voert u ipx in, gevolgd door een spatie, vervolgens het IPX-adres gevolgd door een decimaal en ten slotte het MACadres van de netwerkinterfacekaart. syslocation configureren msh> snmp location syslocation verwijderen msh> snmp clear location syscontact instellen msh> snmp contact syscontact verwijderen msh> snmp clear contact 218
219 De printer controleren en configureren SNMP v1v2-functie configureren msh> snmp v1v2 {on off} Typ on om in te schakelen en off om uit te schakelen. SNMP v3-functie configureren msh> snmp v3 {on off} Typ on om in te schakelen en off om uit te schakelen. SNMP TRAP configureren msh> snmp trap {v1 v2 v3} {on off} Typ on om in te schakelen en off om uit te schakelen. Autorisatie voor configuratie op afstand configureren msh> snmp remote {on off} Typ on om in te schakelen en off om uit te schakelen. SNMP v3 TRAP-configuratie weergeven msh> snmp v3trap msh> snmp v3trap {1-5} Als u een nummer tussen 1 en 5 opgeeft, worden alleen de instellingen voor dat nummer weergegeven. Een verzendadres voor SNMP v3 TRAP configureren msh> snmp v3trap {1-5} {ip ipx} address Een verzendprotocol voor SNMP v3 TRAP configureren msh> snmp v3trap {1-5} active {ip/addr ipx} {on off} Een gebruikersaccount voor SNMP v3 TRAP configureren msh> snmp v3trap {1-5} account accountnaam Geef een accountnaam op. U kunt maximaal 32 alfanumerieke tekens gebruiken. Een SNMP v3 TRAP-gebruikersaccount verwijderen msh> snmp v3trap {1-5} clear account Een coderingsalgoritme voor SNMP v3 configureren msh> snmp v3auth {md5 sha1} 219
220 De printer controleren en configureren SNMP v3-codering configureren msh> snmp v3priv {auto on} Als u auto selecteert, wordt de afdruktaak gecodeerd, vooropgesteld dat codering mogelijk is. Als u on selecteert, kan alleen gecodeerde tekst worden verzonden en moet er een coderingswachtwoord worden ingesteld voordat dit mogelijk is. Codering is mogelijk wanneer de beveiligingsoptie correct is geïnstalleerd en het wachtwoord is opgegeven. sntp De printerklok kan via SNTP (Simple Network Time Protocol) worden gesynchroniseerd met de klok van een NTP-server. Met de opdracht sntp kunt u SNTP-instellingen wijzigen. Instellingen bekijken msh> sntp Adres NTP-server configureren U kunt het IP-adres van de NTP-server opgeven. msh> sntp server IP-adres Intervallen configureren msh> sntp interval pollingtijd U kunt opgeven met welke intervallen de printer moet worden gesynchroniseerd met de NTP-server die door de gebruiker is opgegeven. De standaardinstelling is 60 minuten. U kunt een interval opgeven tussen 16 en minuten. Als u 0 opgeeft, wordt de printer alleen met de NTP-server gesynchroniseerd wanneer u de printer aanzet. Daarna vindt dan geen synchronisatie meer plaats. Tijdzone configureren msh> sntp timezone +/-uur_tijd U kunt het tijdverschil tussen de printerklok en de klok van de NTP-server opgeven. De tijd wordt aangegeven in een 24-uursnotatie. 220
221 De printer controleren en configureren spoolsw Met de opdracht spoolsw kunt u de instellingen van de takenwachtrij configureren. U kunt alleen diprint, lpr, ipp, ftp en SMB opgeven als protocol. De opdracht spoolsw voor het configureren van de instellingen van de takenwachtrij is alleen beschikbaar als de harde schijf is geïnstalleerd. Instellingen bekijken De instellingen van de takenwachtrij worden weergegeven. msh> spoolsw Takenwachtrij instellen msh> spoolsw spool {on off} Typ on om de takenwachtrij in te schakelen of off om deze uit te schakelen. De instellingen van de takenwachtrij opnieuw instellen msh> spoolsw clear job {on off} Met deze opdracht kunt u instellen of een taak die in de wachtrij wordt geplaatst wanneer de stroomtoevoer van de printer wordt verbroken, opnieuw moet worden afgedrukt. Protocolconfiguratie msh> spoolsw diprint {on off} msh> spoolsw lpr {on off} msh> spoolsw ipp {on off} msh> spoolsw smb {on off} msh> spoolsw ftp {on off} U kunt instellingen opgeven voor diprint, lpr, ipp en SMB. 221
222 De printer controleren en configureren sprint Met de opdracht sprint kunt u instellingen opgeven voor IEEE 1394 (SCSI print). Instellingen bekijken De instellingen voor IEEE 1394 (SCSI print) worden weergegeven. msh> sprint Bidirectionele configuratie voor IEEE 1394 (SCSI print) Met de onderstaande opdracht kunt u bidirectionele communicatie inschakelen voor IEEE 1394 (SCSI print). De standaardinstelling is on. msh> sprint bidi {on off} status Met de volgende opdracht kunt u de printerstatus controleren: Berichten msh> status Zie Pag.229 Huidige printerstatus voor meer informatie. syslog Met de opdracht syslog kunt u de informatie weergeven die is opgeslagen in het systeemlogboek van de printer. Bericht bekijken msh> syslog Meer informatie over de informatie die worden weergegeven, kunt u vinden op Pag.244 Berichten in het systeemlogboek. 222
223 De printer controleren en configureren upnp Met de opdracht upnp kunt u de universele Plug en Play-instellingen bekijken en configureren. Openbare URL weergeven msh> upnp url Openbare URL configureren msh< upnp url tekenreeks Voer de URL als tekenreeks in. web Met de opdracht web kunt u parameters bekijken en configureren via Web Image Monitor. Instellingen bekijken msh> web URL-configuratie U kunt gekoppelde URL s instellen door te klikken op [URL] in Web Image Monitor. Geef voor x 1 of 2 op als het nummer van de URL. U kunt maximaal twee URL s registreren. msh> web url De URL of het IP-adres dat u wilt registreren / URL s verwijderen die als gekoppelde bestemming zijn geregistreerd msh> web x clear url Geef voor x 1 of 2 op als het nummer van de URL. Koppelingsnaam configureren U kunt de naam opgeven voor de [URL] die wordt weergegeven in Web Image Monitor. Geef voor x 1 of 2 op als het nummer van de koppelingsnaam. msh> web name Naam die u wilt weergeven Namen verwijderen van URL s die als gekoppelde bestemming zijn geregistreerd msh> web x clear naam Geef voor x 1 of 2 op als het nummer van de koppelingsnaam. Help bij URL-configuratie U kunt gekoppelde URL s instellen door te klikken op [Help] of [?] in Web Image Monitor. msh> web help Help-URL of IP-adres /help/ Help bij URL-configuratie verwijderen msh> web clear help 223
224 De printer controleren en configureren wiconfig Met de opdracht wiconfig kunt u instellingen opgeven voor IEEE b. Instellingen bekijken msh> wiconfig IEEE b-instellingen bekijken msh> wiconfig cardinfo Als IEEE b niet goed werkt, wordt de betreffende informatie niet weergegeven. Configuratie msh> wiconfig parameter Parameter mode {ap adhoc adhoc} ssid ID-waarde channel frequency kanaalnummer. enc {on off} Geconfigureerde waarde U kunt de infrastructuurmodus (ap), de ad hoc-modus voor (802.11adhoc) of de ad hoc-modus (adhoc) instellen. De ad hoc-modus is de standaardinstelling. In de infrastructuurmodus kunt u instellingen voor de SSID opgeven. De toegestane tekens zijn ASCII 0x20-0x7e (32 bytes). Als u geen instelling opgeeft, wordt de SSID-waarde automatisch ingesteld op het dichtstbijzijnde toegangspunt. Als u geen instelling opgeeft voor de ad hoc-modus, wordt automatisch de waarde voor de infrastructuurmodus of een ASSID-waarde ingesteld. U kunt de WEP-functie in- of uitschakelen. Als u de WEPfunctie wilt inschakelen, geeft u [aan] op; als u de functie wilt uitschakelen, geeft u [uit] op. Om de WEP-functie te starten, moet u de juiste WEP-sleutel invoeren. U kunt de WEP-functie in- of uitschakelen. Als u de WEPfunctie wilt inschakelen, geeft u [on] op; als u de functie wilt uitschakelen, geeft u [off] op. Om de WEP-functie te starten, moet u de juiste WEP-sleutel invoeren. 224
225 De printer controleren en configureren Parameter key {sleutelwaarde} val { } keyphrase { term} val { } encval { } auth {open shared} rate {auto 11m 5,5m 2m 1m} Geconfigureerde waarde U kunt de WEP-sleutel opgeven in hexadecimale notatie. Bij een 64-bits WEP, kunt u 10-cijferige hexadecimalen gebruiken. Bij een 128-bits WEP, kunt u 26-cijferige hexadecimalen gebruiken. U kunt maximaal vier WEP-sleutels registreren. Geef het nummer op dat u voor val wilt registreren. Wanneer een WEP is geregistreerd met een sleutel, wordt de WEP die is geregistreerd met een sleutelterm overschreven. Als u deze functie wilt gebruiken, moet u hetzelfde sleutelnummer en dezelfde WEP-sleutel instellen voor alle poorten die gegevens met elkaar uitwisselen. U kunt de nummers voor val weglaten. In dat geval wordt het sleutelnummer ingesteld op 1. U kunt de WEP-sleutel opgeven in ASCII-tekens. Bij een 64-bits WEP, kunt u 10-cijferige hexadecimalen gebruiken. Bij een 128-bits WEP, kunt u 26-cijferige hexadecimalen gebruiken. U kunt maximaal vier WEP-sleutels registreren. Geef het nummer op dat u voor val wilt registreren. Wanneer een WEP is geregistreerd met een sleutelterm, wordt de WEP die is geregistreerd met een sleutel overschreven. Als u deze functie wilt gebruiken, moet u hetzelfde sleutelnummer en dezelfde WEP-sleutel instellen voor alle poorten die gegevens met elkaar uitwisselen. U kunt de nummers voor val weglaten. In dat geval wordt het sleutelnummer ingesteld op 1. U kunt opgeven welke van de vier WEP-sleutels moet worden gebruikt voor pakketcodering. 1 wordt gebruikt als u geen nummer opgeeft. U kunt een autorisatiemodus instellen voor het gebruik van WEP. Hierbij gaat het om de volgende waarden en autorisatiemodi: open: open systeem geautoriseerd (standaardinstelling) gedeeld: autorisatie op basis van gedeelde sleutels U kunt de verzendsnelheid instellen voor IEEE b. De snelheid die u hier opgeeft, is de snelheid waarmee gegevens worden verzonden. Gegevens ontvangen kunt u met elke snelheid. auto: automatisch ingesteld (standaardinstelling) 11m: 11 Mbps, vast 5,5m: 5,5 Mbps, vast 2m: 2 Mbps, vast 1m: 1 Mbps, vast 225
226 De printer controleren en configureren wins Met de opdracht wins kunt u instellingen voor de WINS-server configureren. Instellingen bekijken msh> wins Als het IP-adres dat wordt opgehaald van de DHCP-server afwijkt van het IP-adres van de WINS-server, wordt het DHCP-adres als geldig adres gezien. Configuratie msh> wins interfacenaam {on off} {on} betekent actief en {off} betekent inactief. Zorg ervoor dat u de interface opgeeft. U kunt ip1394 alleen opgeven wanneer de IEEE 1394-interface is geïnstalleerd. U kunt wlan alleen opgeven wanneer de IEEE b-interface is geïnstalleerd. Interfacenaam ether ip1394 wlan Geconfigureerde interface Ethernet-interface IEEE 1394-interface IEEE b-interface Adresconfiguratie Met de volgende opdracht kunt u het IP-adres van een WINS-server configureren: msh> wins interfacenaam {primary secondary} IP-adres Met de opdracht primary kunt u het primaire IP-adres van een WINS-server configureren. Met de opdracht secondary kunt u het secundaire IP-adres van een WINS-server configureren. De reeks kunt u niet als IP-adres gebruiken. 226
227 De printer controleren en configureren Bereik-ID voor NBT (NetBIOS via TCP/IP) selecteren U kunt het bereik-id voor NBT opgeven. msh> wins interfacenaam scope bereik-id U kunt een bereik-id van maximaal 31 alfanumerieke tekens opgeven. Zorg ervoor dat u de interface opgeeft. U kunt ip1394 alleen opgeven wanneer de IEEE 1394-interface is geïnstalleerd. U kunt wlan alleen opgeven wanneer de IEEE b-interface is geïnstalleerd. Interfacenaam ether ip1394 wlan Geconfigureerde interface Ethernet-interface IEEE 1394-interface IEEE b-interface 227
228 De printer controleren en configureren SNMP De SNMP-agent die met UDP en IPX wordt gebruikt, is geïntegreerd in de ingebouwde Ethernet-kaart en de optionele IEEE b-interface van deze printer. Bovendien is de SNMP-agent die met UDP wordt gebruikt, geïntegreerd in de optionele IEEE 1394-kaart. Als u de SNMP Manager gebruikt, kunt u informatie over de printer ophalen. Als u met de SNMP Setup Tool de naam van de gebruikersgroep van de printer wijzigt, wordt de configuratie van de aangesloten computer dienovereenkomstig gewijzigd. Meer informatie kunt u vinden in de Help van de SNMP Setup Tool. De standaardnamen voor gebruikersgroepen zijn [public] en [admin]. Aan de hand van deze namen kunt u MIB-informatie ophalen. De SNMP Setup Tool starten Windows 95/98/Me, Windows 2000, Windows NT 4.0: Klik op de knop [Start]. Wijs naar [SmartDeviceMonitor for Admin] in het menu [Programma s]. Klik op [SNMP Setup Tool]. Windows XP: Klik op de knop [Start]. Wijs naar [SmartDeviceMonitor for Admin] in het menu [Alle programma s]. Klik op [SNMP Setup Tool]. Ondersteunde MIB s (SNMPv1/v2) MIB-II PrinterMIB HostResourceMIB RicohPrivateMIB Ondersteunde MIB s (SNMPv3) MIB-II PrinterMIB HostResourceMIB RicohPrivateMIB SNMP-FRAMEWORK-MIB SNMP-TARGET-MIB SNMP-NOTIFICATION-MIB SNMP-USER-BASED-SM-MIB SNMP-VIEW-BASED-ACM-MIB 228
229 De printer controleren en configureren Printerinformatie ophalen via het netwerk In dit gedeelte vindt u gedetailleerde informatie over alle items die worden weergegeven in de printerstatus en de printerinformatie. Huidige printerstatus Met de volgende opdrachten kunt u de printerstatus controleren: UNIX: gebruik de opdracht lpq en de parameters rsh, rcp en ftp. mshell: gebruik de opdracht status. Berichten Access Restricted Add staples (Booklet: Back) Add staples (Booklet: Both) Add staples (Booklet: Front) Adjusting... Call Service Center Canceled Canceling Job... Card/Counter not inserted Coin or amount not inserted Coin/Key Counter not inserted Configuring... Cover Open: ADF Cover Open: Duplex Unit Cover Open: Finisher Cover Open: Front Cover Open: Front/Left Cover Open: Paper Exit / Rear Cover Open: Right Cover Open: Top Data Size Error Empty: Black Toner Empty: Cyan Toner Beschrijving De taak is geannuleerd omdat de gebruiker geen machtiging heeft. De nietjes van de booklet finisher (achter) zijn op. De nietjes van de booklet finisher zijn op. De nietjes van de booklet finisher (voor) zijn op. Het apparaat is bezig met initialiseren of kalibreren. Er is een storing opgetreden in het apparaat. De taak is gereset. De taak wordt gereset. Het apparaat wacht op de invoer van een kopieerkaart of -sleutel. Het apparaat wacht op de invoer van een muntstuk. Het apparaat wacht op invoer van een muntstuk of sleutelteller. De instelling wordt gewijzigd. De documentinvoereenheid is geopend. Het paneel van de duplexeenheid is geopend. Het paneel van de finisher is geopend. Het voorpaneel is geopend. Het voorpaneel of linkerpaneel is open. Het papieruitvoerpaneel of achterpaneel is open. Het rechterpaneel is open. Het bovenpaneel is open. Er is een gegevensgroottefout opgetreden. De cassette met zwarte toner is bijna leeg. De cassette met cyaan toner is bijna leeg. 229
230 De printer controleren en configureren Berichten Empty: Magenta Toner Empty: Yellow Toner Energy Saver Mode Error Error at Printer: Red LED Error in Printer Error: Address Book Error: Command Transmission Error: DIMM Value Error: Ethernet Board Error: HDD Board Error: IEEE1394 Board Error: Memory Switch Error: Optional Font Error: Optional RAM Error: Parallel I/F Board Error: PDL Error: USB Interface Error: Wireless Card Error: Wireless Card or Board Exceed Booklet Stapling Limit Full: Copy Tray Full: Finisher Full: Finisher Shift Tray Full: Finisher Shift Tray 1, 2 Full: Finisher Upper Tray Full: Hole Punch Receptacle Beschrijving De cassette met magenta toner is bijna leeg. De cassette met gele toner is bijna leeg. Het apparaat bevindt zich in de energiespaarstand. Er is een fout opgetreden. Er is een fout opgetreden. Er is een fout opgetreden. Er is een fout opgetreden in de gegevens van het adresboek. Er is een fout opgetreden in het apparaat. Er is een geheugenfout opgetreden. Er is een fout opgetreden met de Ethernet-kaart. Er is een fout opgetreden met de harde schijfkaart. Er is een fout opgetreden met een IEEE 1394-interfacekaart. Er is een fout opgetreden in een geheugenschakelaar. Er is een fout opgetreden in het lettertypebestand van het apparaat. Er is een fout opgetreden in de optionele geheugeneenheid. Er is een fout opgetreden in de parallelle interface. Er is een fout opgetreden in de paginabeschrijvingstaal (PDL). Er is een fout opgetreden in de USB-interface. De kaart voor draadloos LAN is niet geplaatst bij het opstarten, of de IEEE b-interface-eenheid of de kaart voor draadloos LAN is verwijderd na het opstarten Er is een fout opgetreden in de IEEE b-interface-eenheid. De nietjeslimiet van de booklet finisher is overschreden bij het afdrukken. De uitvoerlade is vol. De finisherlade is vol. De staffeluitvoer van de finisher is vol. De staffeluitvoer 1 en 2 van de finisher zijn vol. De bovenuitvoer van de finisher is vol. De perforatorafvalbak is vol. 230
231 De printer controleren en configureren Berichten Full: Standard Tray Full: Waste Toner Full: Waste Toner Bottle Hex Dump Mode Immed. Trans. not connected Immediate Transmission Failed In Use: Copier In Use: Fax In Use: Finisher In Use: Input Tray In Use: Staple Unit Independent-supplier Toner Key Card not inserted Key Card/Counter not inserted Key Counter not inserted Loading Toner... Low: Black Toner Low: Cyan Toner Low: Magenta Toner Low: Toner Low: Yellow Toner Malfunction: Booklet Processor Malfunction: Ext. Charge Unit Malfunction: Finisher Malfunction: Interposer Malfunction: LargeCapacity Tray Malfunction: Output Tray Malfunction: Staple Unit Beschrijving De uitvoerlade is vol. De resttoneropvang is vol. De tonerafvalbak is vol. Hex Dump-modus is actief. Er is geen rechtstreekse verbinding met de andere partij die is betrokken bij de verzending. Er is een fout opgetreden tijdens rechtstreekse verzending. Het kopieerapparaat wordt gebruikt. De fax wordt gebruikt. Andere functies maken gebruik van de finisher. Andere functies maken gebruik van de invoerlade. Andere functies maken gebruik van de nieteenheid. Er wordt toner gebruikt die niet is aanbevolen. Het apparaat wacht op de invoer van een sleutelkaart. Het apparaat wacht op de invoer van een sleutelkaart of een sleutelteller. Het apparaat wacht op de invoer van een sleutelteller. Toner wordt aangevoerd. De zwarte tonercassette is niet juist geplaatst of de toner is bijna op. De cyaan tonercassette is niet juist geplaatst of de toner is bijna op. De magenta tonercassette is niet juist geplaatst of de toner is bijna op. De zwarte tonercassette is niet juist geplaatst of de toner is bijna op. De gele tonercassette is niet juist geplaatst of de toner is bijna op. Er is een probleem met de booklet finisher. Er is een probleem met de externe-kosteneenheid. Er is een probleem met de finisher. Er is een probleem met de tussenvoegeenheid. Er is een probleem met de bulklade. Er is een probleem met de uitvoerlade. Er is een probleem met de nieteenheid. 231
232 De printer controleren en configureren Berichten Malfunction: Tray 1 Er is een probleem met lade 1. Malfunction: Tray 2 Er is een probleem met lade 2. Malfunction: Tray 3 Er is een probleem met lade 3. Malfunction: Tray 4 Er is een probleem met lade 4. Malfunction: Z-folding unit Er is een probleem met de Z-vouweenheid. Memory Low: Copy Memory Low: Data Storage Memory Low: Fax Scanning Memory Low: Scanning Miscellaneous Error Mismatch: Paper Size Mismatch: Paper Size and Type Mismatch: Paper Type Near Replacing: Black PCU Near Replacing: Color PCU Near Replacing: Develop. Unit C Near Replacing: Develop. Unit K Near Replacing: Develop. Unit M Near Replacing: Develop. Unit Y Near Replacing: Fusing Unit Near Replacing: Maintenance Kit Near Replacing: Transfer Unit Nearly Full: Waste Toner Need more Staples No Paper: Interposer Tray No Paper: LCT No Paper: Selected Tray No Paper: Tray 1 No Paper: Tray 2 Beschrijving Er is een tekort aan geheugen opgetreden tijdens het kopiëren. Er is een tekort aan geheugen opgetreden terwijl de documentgegevens werden verzameld. Er is een tekort aan geheugen opgetreden tijdens het verzenden van een fax. Er is een tekort aan geheugen opgetreden tijdens het gebruik van de scanner. Er is een andere fout opgetreden. De aangegeven papierlade bevat geen papier van het geselecteerde formaat. De aangegeven papierlade bevat geen papier van het geselecteerde formaat en de geselecteerde soort. De aangegeven papierlade bevat geen papier van de geselecteerde soort. Bereid de nieuwe zwarte fotogeleidereenheid voor. Bereid de nieuwe kleurenfotogeleidereenheid voor. Bereid de nieuwe ontwikkeleenheid (cyaan) voor. Bereid de nieuwe ontwikkeleenheid (zwart) voor. Bereid de nieuwe ontwikkeleenheid (magenta) voor. Bereid de nieuwe ontwikkeleenheid (geel) voor. Bereid de nieuwe fuseereenheid voor. Bereid de nieuwe onderhoudskit voor. Bereid de nieuwe transfereenheid voor. De resttoneropvang is bijna vol. De nietjes in de nieteenheid zijn bijna op. De tussenvoegeenheid is leeg. De bulklade is leeg. De opgegeven lade is leeg. Lade 1 is leeg. Lade 2 is leeg. 232
233 De printer controleren en configureren Berichten No Paper: Tray 3 No Paper: Tray 4 Not Detected: B2 Lever Not Detected: Black Toner Not Detected: Cyan Toner Not Detected: Develop. Unit (C) Not Detected: Develop. Unit (K) Not Detected: Develop. Unit (M) Not Detected: Develop. Unit (Y) Not Detected: Duplex Feed Unit Not Detected: Finisher Not Detected: Fusing Unit Not Detected: Input Tray Not Detected: Interposer Not Detected: LCT Not Detected: Magenta Toner Not Detected: PCU (C) Not Detected: PCU (K) Not Detected: PCU (M) Not Detected: PCU (Y) Not Detected: Toner Magazine Not Detected: Transfer Roller Not Detected: Transfer Unit Not Detected: Tray 1 Not Detected: Tray 2 Not Detected: Tray 3 Not Detected: Tray 4 Not Detected: WasteToner Bottle Not Detected: Yellow Toner Not Detected: Z-fold g Internal Beschrijving Lade 3 is leeg. Lade 4 is leeg. De B2-hendel is niet correct ingesteld. De zwarte toner is niet correct ingesteld. De cyaan toner is niet correct ingesteld. De ontwikkeleenheid (cyaan) is niet correct ingesteld. De ontwikkeleenheid (zwart) is niet correct ingesteld. De ontwikkeleenheid (magenta) is niet correct ingesteld. De ontwikkeleenheid (geel) is niet correct ingesteld. De duplexeenheid is niet correct ingesteld. De finisher is niet correct ingesteld. De fuseereenheid is niet correct ingesteld. De papierinvoerlade is niet correct geplaatst. De tussenvoegeenheid is niet correct geplaatst. Een bulklade is niet correct geplaatst. De magenta toner is niet correct ingesteld. De fotogeleidereenheid (cyaan) is niet correct ingesteld. De fotogeleidereenheid (zwart) is niet correct ingesteld. De fotogeleidereenheid (magenta) is niet correct ingesteld. De fotogeleidereenheid (geel) is niet correct ingesteld. De tonercassette is niet correct ingesteld. De transferrol is niet correct ingesteld. De transfereenheid is niet correct ingesteld. Lade 1 is niet correct ingesteld. Lade 2 is niet correct ingesteld. Lade 3 is niet correct ingesteld. Lade 4 is niet correct ingesteld. De resttoneropvang is niet correct ingesteld. De gele toner is niet correct ingesteld. De Z-vouweenheid is niet correct ingesteld. 233
234 De printer controleren en configureren Berichten Not Reached, Data Deleted Not Reached, Data Removed Not Reached, Data Stored Offline Original on Exposure Glass Panel Off Mode Panel Off Mode>>Printing ava. Paper in Duplex Unit Paper in Finisher Paper Misfeed: ADF Paper Misfeed: Duplex Unit Paper Misfeed: Input Tray Paper Misfeed: Internal/Output Paper Misfeed: Output Tray Niet-bereikte taak is verwijderd. Niet-bereikte taak is verwijderd. Niet-bereikte taak is bewaard. De printer is off line. Het origineel bevindt zich nog op de glasplaat. Het apparaat staat in de modus Paneel uit. Het apparaat staat in de modus Regelpaneel uit. Er bevindt zich papier in de duplexeenheid. Er bevindt zich papier in de finisher. Het papier is vastgelopen in de documentinvoereenheid. Het papier is vastgelopen in de duplexeenheid. Het papier is vastgelopen in de invoerlade. Het papier is vastgelopen in het apparaat. Het papier is vastgelopen in de uitvoerlade. Paper on Finisher Shift Tray 2 Er bevindt zich papier in finisher staffeluitvoer 2. Paper on FinisherShiftTray1, 2 Er bevindt zich papier in finisher staffeluitvoer 1 en 2. Prepaid Card not inserted Het apparaat wacht op de invoer van een kopieerkaart. Print Complete Printing Processing RC Gate Connection Error Ready Replace Black PCU Replace Charger Replace Cleaning Web Replace Color PCU Replace Develop. Unit Replace Develop. Unit (Black) Replace Develop. Unit (Color) Replace Develop. Unit (Cyan) Replace Develop. Unit (Magenta) Beschrijving Het afdrukken is voltooid. Er wordt afgedrukt. De gegevens worden verwerkt. De verbinding met RC-poort is mislukt. Het apparaat is klaar voor gebruik. De zwarte fotogeleidereenheid moet worden vervangen. De kosteneenheid moet worden vervangen. Het reinigingsweb moet worden vervangen. De fotogeleidereenheid (kleur) moet worden vervangen. De ontwikkeleenheid moet worden vervangen. De ontwikkeleenheid (zwart) moet worden vervangen. De ontwikkeleenheid (kleur) moet worden vervangen. De ontwikkeleenheid (cyaan) moet worden vervangen. De ontwikkeleenheid (magenta) moet worden vervangen. 234
235 De printer controleren en configureren Berichten Replace Develop. Unit (Yellow) Replace Fusing Unit Replace Maintenance Kit Replace PCU Replace Transfer Belt SD Card Authentication failed Setting Remotely Skipped due to Error Storage Complete Storage Failed Supplies Order Call failed Suspend / Resume Key Error Transmission Aborted Transmission Complete Transmission Failed Tray Error: Chaptering Tray Error: Duplex Printing Unit Left Open: ADF Warming Up... Beschrijving De ontwikkeleenheid (geel) moet worden vervangen. De fuseereenheid moet worden vervangen. De onderhoudskit moet worden vervangen. De fotogeleidereenheid moet worden vervangen. De transferriem moet worden vervangen. Authenticatie van SD-kaart mislukt. De RDS-instelling wordt verwerkt. Overgeslagen vanwege een fout. De opslag is voltooid. De opslag is mislukt. De oproep voor het bestellen van verbruiksartikelen is mislukt. De stopknop op de finisher is ingedrukt. De verzending is onderbroken. De verzending is voltooid. De verzending is mislukt. Er is een specificatiefout opgetreden voor de papierinvoerlade omdat is opgegeven dat dezelfde lade wordt gebruikt voor het afdrukken op zowel hoofdstukpapier als normaal papier. De geselecteerde papierlade kan niet worden gebruikt voor dubbelzijdig afdrukken. De documentinvoer is geopend. Het apparaat is bezig met opwarmen. Meer informatie over UNIX-opdrachten kunt u vinden in het UNIX Supplement. Controleer ook de foutberichten die eventueel op de configuratiepagina worden afgedrukt. Zie Pag.141 Menu Lijst/Proefafdr voor meer informatie over het afdrukken van een configuratiepagina. 235
236 De printer controleren en configureren Printerconfiguratie U kunt met telnet de printerconfiguratie controleren. In dit gedeelte wordt de controleprocedure voor de in-/uitvoerlade en de printertaal uitgelegd. UNIX: gebruik de opdracht info en de parameters rsh, rcp en ftp. mshell: gebruik de opdracht info. Invoerlade Item No. Name PaperSize status Beschrijving ID-nummer van de papierlade Naam van de papierlade Het formaat van het papier dat in de papierlade is geladen. De huidige status van de papierlade Normal: Normaal NoInputTray: Geen lade PaperEnd: Geen papier Uitvoerlade Item No. Name status Beschrijving ID-nummer van de uitvoerlade Naam van de uitvoerlade De huidige status van de uitvoerlade Normal: Normaal PaperExist: Papier bestaat OverFlow: Het papier is vol Error: Andere fouten Emulatie Item No. Name Version Beschrijving Het ID-nummer van de printertaal die door de printer wordt gebruikt. De naam van de printertaal die door de printer wordt gebruikt. De versie van de printertaal. Meer informatie over UNIX-opdrachten en -parameters kunt u vinden in het UNIX Supplement. Zie Pag.208 info voor informatie over mshell info -opdrachten. 236
237 De printer controleren en configureren De afgebeelde informatie interpreteren In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u de statusinformatie moet interpreteren die door de netwerkinterfacekaart wordt teruggekoppeld Informatie over de afdruktaak Met de volgende opdracht kunt u informatie over de afdruktaak weergeven: UNIX: gebruik de opdracht info en de parameters rsh, rcp en ftp. mshell: gebruik de opdracht info. Item Rank Owner Job Files Total Size Beschrijving Status van de afdruktaak. active Afdrukken of voorbereiden voor afdrukken. Waiting Wachten op verzending naar de printer. Gebruikersnaam van de afdrukopdracht. Nummer van de afdrukopdracht. De naam van het document. De hoeveelheid gegevens (takenwachtrij). De standaardinstelling is 0 bytes. Meer informatie over UNIX-opdrachten en -parameters kunt u vinden in het UNIX Supplement. Zie Pag.208 info voor informatie over mshell info -opdrachten. 237
238 De printer controleren en configureren Afdruklogboek Dit is een document met informatie over de 16 taken die het laatst zijn afgedrukt. Met de volgende opdracht kunt u informatie uit het afdruklogboek weergeven: UNIX: gebruik de opdracht prnlog en de parameters rsh, rcp en ftp. telnet: gebruik de opdracht prnlog. Zie Pag.210 prnlog. Item ID User Page Result Time User ID JobName Beschrijving ID van de afdrukopdracht. Gebruikersnaam van de afdrukopdracht. Aantal afgedrukte pagina s Resultaat van de afdrukopdracht Resultaat van de communicatie OK Het afdrukken is normaal voltooid. Het resultaat is echter mogelijk niet zoals gewenst omdat er printerproblemen zijn opgetreden. NG Het afdrukken is niet normaal voltooid. Canceled De afdrukopdracht rcp, rsh of lpr is geannuleerd, mogelijk door de toepassing van waaruit de opdracht is verstuurd. Niet van toepassing op de opdracht ftp of rprinter. Het tijdstip dat de opdracht is ontvangen. Ontvangsttijdstip van de afdrukopdracht. Door het printerstuurprogramma geconfigureerde Gebruikers-ID. Wordt weergegeven wanneer een ID is opgegeven voor de afdrukopdracht. Naam van het afgedrukte document. Wordt weergegeven wanneer een ID is opgegeven voor de afdrukopdracht. Meer informatie over UNIX-opdrachten en -parameters kunt u vinden in het UNIX Supplement. Zie Pag.210 prnlog voor informatie over mshell prnlog-opdrachten. 238
239 De printer controleren en configureren De netwerkinterfacekaart configureren Met de volgende opdracht kunt u de instellingen van de netwerkinterfacekaart weergeven. telnet: gebruik de opdracht show. Item Beschrijving Common mode Protocol Up/Down [op] betekent actief en [neer] betekent inactief. appletalk TCP/IP netware SMB IP over 1394 SCSI print Ethernet interface Intern versienummer Syslog priority NVRAM version Device name Comment location Contact Soft switch Intern versienummer Printernaam Opmerking Locatie van de printer in de SNMP- en Rendezvous-gegevens Beheerdersgegevens voor de printer en contactgegevens in de SNMP-informatie appletalk mode Net Object Type Zone AppleTalk-protocol in de selectie Netwerknummer Macintosh-printernaam Type printer Naam van de zone waartoe de printer behoort 239
240 De printer controleren en configureren Item Beschrijving TCP/IP mode [op] betekent actief en [neer] betekent inactief. ftp lpr rsh telnet diprint web http ftpc snmp ipp autonet rendezvous ssl nbt rfu EncapType Frametype dhcp Dynamic Host Configuration-protocol (aan/uit) Hostnaam Address IP-adres netmask Subnetmasker broadcast Broadcast-adres DNS Domain Type DNS-domein gateway Standaard gateway-adres Access Range[ ] Bereik van de toegangscontrole Time server Adres NTP-server Time Zone Tijdverschil met NTP-server Time server polling time Interval NTP-server SYSLOG server Home page URL URL van homepage Home page link name URL van homepage 240
241 De printer controleren en configureren Item netware EncapType RPRINTER number Print server name File server name Context name Switch mode NDS/Bindery Packet negotiation Login Mode Print job timeout protocol SAP interval time NDS Tree Name SMB Switch mode Direct print Notification Workgroup name Computer name Comment Share name[1] protocol IEEE b Device name dhcp Address netmask broadcast Beschrijving Frametype Nummer van externe printer Naam van afdrukserver Naam van aangesloten bestandsserver Context van afdrukserver Actieve modus (dit is een vaste waarde) Aanmeldmodus Pakket-timeout Het gebruikte protocol Naam NDS-structuur (dit is een vaste waarde) (dit is een vaste waarde) Melding van voltooiing afdruktaak Naam van de werkgroep Naam van de computer Opmerking Share-naam (printermodel) Printernaam DHCP (aan/uit) IP-adres Subnetmasker Broadcast-adres 241
242 De printer controleren en configureren Item DNS-domein ssid Channel range Channel Communication mode Authentication TX Rate WEP encryption Encryption key IP over 1394 Host name DHCP Address netmask broadcast DNS Domain SCSI print Bidi. Bluetooth Bluetooth mode UPnP URL dns Server[X]: Selected DNS Server Domain Name ether wlan ip1394 rendezvous Computer Name Rendezvous Name (ether) Rendezvous Name (wlan) Beschrijving Type DNS-domein Gebruikte SSID Beschikbare kanalen Gebruikte kanaal Verzendmodus IEEE b-interface Snelheid IEEE b-interface WEP in- of uitgeschakeld WEP-sleutel DHCP (aan/uit) IP-adres Subnetmasker Broadcast-adres Instelling bidirectionele communicatie (aan/uit) Bluetooth-verbindingsmodus IP-adres van de DNS-server Geselecteerde DNS-server Domeinnaam van een Ethernet-verbinding Domeinnaam van een draadloze LAN-verbinding Computernaam Rendezvous-naam van een Ethernet-verbinding Rendezvous-naam van een draadloze LAN-verbinding 242
243 De printer controleren en configureren Item Rendezvous Name (ip1394) location Priority (diprint) Priority (lpr) Priority (ipp) IP TTL LinkLocal Route for Multi I/F: Ethernet (ether) DDNS ether wlan ip1394 wins ether Primary WINS Secondary WINS ip1394 Primary WINS Secondary WINS SNMP SNMPv1v2 SNMPv3 protocol v1trap v2trap v3trap SNMPv1v2Remoto-instelling SNMPv3 Privacy Shell-modus Beschrijving Rendezvous-naam van een IP-over-1394-verbinding Locatie van de printer diprint prioriteitnummer lpr prioriteitnummer ipp prioriteitnummer IP TTL-waarde [IEEE b (wlan)] verschijnt als IEEE b is geselecteerd. [IP over 1394 (ip1394)] verschijnt als IEEE1394 is geselecteerd. Dynamische DNS-functie in een Ethernet-verbinding (aan/uit) Dynamische DNS-functie in een draadloze LAN-verbinding (aan/uit) Dynamische DNS-functie in een IP-over-1394-verbinding (aan/uit) IP-adres van de primaire WINS-server in een Ethernetverbinding IP-adres van de secundaire WINS-server in een Ethernet-verbinding IP-adres van de primaire WINS-server in een IP-over verbinding IP-adres van de secundaire WINS-server in een IPover-1394-verbinding Modus van het programma voor onderhoud op afstand 243
244 De printer controleren en configureren Lijst met berichten Dit is een lijst met berichten die worden weergegeven in het systeemlogboek van de printer. U kunt het systeemlogboek bekijken met de opdracht syslog. Berichten in het systeemlogboek Met de volgende opdracht kunt u informatie uit het systeemlogboek weergeven: UNIX: gebruik de opdracht syslog en de parameters rsh, rcp en ftp. telnet: gebruik de opdracht syslog. Bericht Access to NetWare server <naam bestandsserver> denied. Either there is no account for this print server on the NetWare server or the password was incorrect. add_sess: bad trap addr:<ip-adres>, community:<communitynaam> add_sess: community<communitynaam> already defined. add_sess_ipx: bad trap addr: <IPX-adres>, community:<communitynaam> add_sess_ipx: community <communitynaam> already defined. ANONYMOUS FTP LOGIN FROM <IPadres>, <wachtwoord> anpd start. (AppleTalk) Attach FileServer= < naam bestandsserver> Attach to print queue <naam afdrukwachtrij> Cannot create service connection Problemen en oplossingen Aanmelden bij de bestandsserver is mislukt (In de afdrukservermodus). Zorg ervoor dat de afdrukserver is geregistreerd op de bestandsserver. Als er een wachtwoord is opgegeven voor de afdrukserver, verwijder dan het wachtwoord. Het IP-adres ( ) is niet beschikbaar als het toegangstype voor de gebruikersgroep TRAP is. Geef het IP-adres van de host op voor de TRAPbestemming. Deze groepsnaam bestaat al. Gebruik een andere groepsnaam. Het IPX-adres (00:00:00:00:00:00) is niet beschikbaar als het toegangstype voor de gebruikersgroep TRAP is. Geef het IPX-adres van de host op voor de TRAP-bestemming. Deze groepsnaam bestaat al. Gebruik een andere groepsnaam. Iemand heeft zich anoniem aangemeld met een wachtwoord <wachtwoord> van de host <IPadres>. De ANPD-service (AppleTalk Network Package Daemon) is gestart. Er is een verbinding met de bestandsserver als dichtstbijzijnde server gemaakt. Verbonden met de afdrukwachtrij (in de afdrukservermodus). De verbinding met de bestandsserver is niet gemaakt (in de externe-printermodus). Het aantal gebruikers van de bestandsserver heeft mogelijk de maximum capaciteit van de bestandsserver overschreden. 244
245 De printer controleren en configureren Bericht Cannot find rprinter (<naam printserver>/<printernummer>) Change IP address from DHCP Server. child process exec error! (procesnaam) Connected DHCP Server (<DHCP-serveradres>). connection from < IP-adres> Could not attach to FileServer<foutnummer> Could not attach to PServer<printserver> De printer met het nummer dat wordt weergegeven op de afdrukserver bestaat niet. Zorg ervoor dat het printernummer is geregistreerd op de afdrukserver. Als de DHCP-lease wordt vernieuwd, wordt het IP-adres vernieuwd. Als u altijd hetzelfde IP-adres wilt toewijzen, moet u een statisch IP-adres instellen op de DHCP-server. De netwerkservice kon niet worden gestart. Zet de printer uit en weer aan. Als dit niet werkt, neem dan contact op met uw onderhoudstechnicus of dealer. Het IP-adres is succesvol ontvangen van de DHCP-server. De aanmelding is afkomstig van het IP-adres van de host. De verbinding met de bestandsserver is niet gemaakt (in de externe-printermodus). De bestandsserver heeft de verbinding geweigerd. Controleer de configuratie van de bestandsserver. De verbinding met de afdrukserver is niet gemaakt (in de externe-printermodus). De afdrukserver heeft de verbinding geweigerd. Controleer de configuratie van de afdrukserver. Current Interface Speed:xxx Mbps De snelheid van het netwerk (10 Mbps of 100 Mbps) Current IP address <huidig IP-adres> Current IPX address<ipx-adres> DHCP lease time expired. DHCP server not found. dhcpcd start. Duplicate IP=<IP-adres> (van <MACadres>). Established SPX Connection with PServer, (RPSocket=<connectornummer>, conn- ID=<aansluitings-ID>) Problemen en oplossingen Het IP-adres <huidige IP-adres> is ontvangen van de DHCP-server. Huidige IPX-adres De DHCP-leasetermijn is verstreken. De printer probeert de DHCP-server opnieuw te vinden. Het IP-adres is nu ongeldig geworden. De DHCP-server kon niet worden gevonden. Controleer of de DHCP-server zich in het netwerk bevindt. De DHCPCD-service (dhcp-clientservice) is gestart. Hetzelfde IP-adres is gebruikt. Elk IP-adres moet uniek zijn. Controleer het adres van het apparaat dat wordt aangegeven in [MAC-adres]. De verbinding met de afdrukserver is gemaakt (in de externe-printermodus). 245
246 De printer controleren en configureren Bericht exiting Exit pserver Frametype =<naam frametype> httpd start. inetd start. IPP cancel-job: permission denied. ipp disable. ipp enable. IPP job canceled. jobid=%d. LeaseTime=<leasetermijn> (sec), Renew- Time=<vernieuwingstermijn> (sec). Login to fileserver <naam bestandsserver> (<IPX IP>,<NDS BINDERY NDS BIN- DERY>) multid start. nbstart start. (NetBEUI) NBT Registration Broadcast (<NetBIOSnaam>) nbtd start. NetBEUI Computer Name =<computernaam> nmsd start. (NetBEUI) npriter start. (NetWare) nwstart start. (NetWare) Open log file <bestandsnaam> Problemen en oplossingen De lpd-service is beëindigd en het systeem is bezig het proces af te sluiten. De afdrukserverfunctie is uitgeschakeld omdat de vereiste afdrukserverinstellingen niet zijn opgegeven (in de afdrukservermodus). De naam van het frametype is geconfigureerd voor gebruik in een NetWare-omgeving. De httpd-service is gestart. De inetd-service is gestart. De printer kon de naam van een gebruiker die een taak probeerde te annuleren niet verifiëren. Afdrukken met IPP is uitgeschakeld. Afdrukken met IPP is ingeschakeld. De taak in de wachtrij is geannuleerd vanwege een fout of een opdracht van een gebruiker. De leasetermijn van de bron die ontvangen is van de DHCP-server, wordt bij [leasetermijn] weergegeven in seconden. De vernieuwingstermijn wordt bij [vernieuwingstermijn] aangegeven in seconden. Aanmelding bij de bestandsserver in NDS- of BIN- DERY-modus (in de afdrukservermodus). Datatransmissieservice voor meerdere protocollen is gestart. De service voor NetBEUI-protocolstack-instelling is gestart. Gebruik een lokale broadcast om de NetBIOSnaam te koppelen aan het IP-adres. De nbtd-service is gestart (alleen beschikbaar in de DHCP-modus). De NetBEUI-computernaam is opgegeven. De nmsd-service (Name Server Daemon) is gestart. De NetWare-service is gestart (in de externe-printermodus). De service voor NetWare-protocolstack-instelling is gestart. Het opgegeven logboekbestand is geopend (in de afdrukservermodus). 246
247 De printer controleren en configureren Bericht papd start. (AppleTalk) phy release file open failed. Print queue <naam afdrukwachtrij> cannot be serviced by printer 0, <naam printserver> Print server <naam printserver>has no printer. print session full Printer <printernaam> has no queue pserver start. (NetWare) Required computer name (<computernaam>) is duplicated name Required file server (<naam bestandsserver>) not found restarted. sap enable, saptype=<sap-type>, sapname=<sap-naam> session <communitynaam> already defined. session_ipx <communitynaam> not defined. Set context to < NDS-contextnaam> shutdown signal received. network service rebooting... smbd start. (NetBEUI) Problemen en oplossingen De AppleTalk-afdrukservice is gestart. De netwerkinterfacekaart moet worden vervangen. Neem contact op met uw onderhoudstechnicus of dealer. De afdrukwachtrij kon niet worden ingesteld (in de afdrukservermodus). Controleer of de afdrukwachtrij bestaat op de opgegeven bestandsserver. De printer is niet toegewezen aan de afdrukserver (in de afdrukservermodus). Wijs de printer toe met NWadmin en start de printer opnieuw. Er kunnen geen afdruktaken meer worden geaccepteerd. De afdrukwachtrij is niet toegewezen aan de printer (in de afdrukservermodus). Wijs met NWadmin de afdrukwachtrij toe aan de printer en start de printer opnieuw. De NetWare-service is gestart (in de afdrukservermodus). De taak zoekt naar de computernaam door deze toe te voegen aan het voorvoegsel (0, 1...). Stel een nieuwe computernaam in die uniek is. De vereiste bestandsserver kon niet worden gevonden. De lpd-service is gestart. De SAP-functie is gestart. Het SAP-pakket is uitgegeven om de service bekend te maken in de SAP-tabel op de NetWare-server. De gevraagde groepsnaam is niet gedefinieerd. De gevraagde groepsnaam is niet gedefinieerd. Er is een NDS-contextnaam ingesteld. De netwerkservice wordt opnieuw gestart. De smbd-service is gestart. 247
248 De printer controleren en configureren Bericht SMTPC: failed to get smtp server ip-address. SMTPC: failed to connect smtp server. timeout. SMTPC: refused connect by smtp server. SMTPC: no smtp server. connection close. Problemen en oplossingen Het IP-adres van de SMTP-server kon niet worden opgehaald. Mogelijke oorzaken: De opgegeven DNS-server kon niet worden gevonden. Er is geen verbinding met het netwerk gemaakt. De opgegeven DNS-server kon niet worden gevonden. Er is een onjuiste DNS-server opgegeven. Het IP-adres van de opgegeven SMTP-server kon niet worden gevonden op de DNS-server. De verbinding met de SMTP-server is verbroken vanwege een timeout. Mogelijke oorzaken: De naam van de opgegeven SMTP-server is onjuist. Er is geen verbinding met het netwerk gemaakt. De netwerkconfiguratie is onjuist, en daarom reageert de SMTP-server niet. De verbinding met de SMTP-server is geweigerd. Mogelijke oorzaken: Er is een andere server dan de SMTP-server opgegeven. Het poortnummer van de opgegeven SMTPserver is onjuist. De verbinding met de SMTP-server is verbroken omdat er geen respons van de SMTP-server is ontvangen. Mogelijke oorzaken: Er is een andere server dan de SMTP-server opgegeven. Het poortnummer van de opgegeven SMTPserver is onjuist. 248
249 De printer controleren en configureren Bericht SMTPC: failed to connect smtp server. SMTPC: username or password wasn t correct. [reactiecode] (informatie) Snmp over ip is ready. Snmp over IP over 1394 is ready. Snmp over ipx is ready. SNMPD: account is unavailable: Same account name be used. SNMPD: account is unavailable: The authentication password is not set up. SNMPD: account is unavailable: encryption is impossible. SNMPD: trap account is unavailable. snmpd start. started. Started. Problemen en oplossingen Er kon geen verbinding met de SMTP-server worden gemaakt. Mogelijke oorzaken: Er is geen verbinding met het netwerk gemaakt. De netwerkconfiguratie is onjuist, en daarom reageert de SMTP-server niet. De naam van de opgegeven SMTP-server is onjuist. Er is een onjuiste SMTP-server opgegeven. Het IP-adres van de opgegeven SMTP-server kon niet worden gevonden op de DNS-server. Er is een andere server dan de SMTP-server opgegeven. Het poortnummer van de opgegeven SMTPserver is onjuist. Er kon geen verbinding met de SMTP-server worden gemaakt. Mogelijke oorzaken: De opgegeven SMTP-gebruikersnaam is onjuist. Het opgegeven SMTP-wachtwoord is onjuist. Controleer de SMTP-gebruikersnaam en het SMTP-wachtwoord. Communicatie via TCP/IP met snmp is beschikbaar. Communicatie via IP over 1394 met snmp is beschikbaar. Communicatie via IPX met snmp is beschikbaar. De gebruikersaccount is uitgeschakeld. Mogelijke oorzaak: de accountnaam is gelijk aan de naam van de beheerdersaccount. De gebruikersaccount is uitgeschakeld. Mogelijke oorzaak: het verificatiewachtwoord is niet ingesteld en alleen de coderingsaccount is ingesteld. Codering is niet mogelijk en de account is uitgeschakeld. Mogelijke oorzaken: De beveiligingsoptie is niet ingesteld. Het coderingswachtwoord is niet opgegeven. v3trap kan niet worden verzonden. Mogelijke oorzaak: de Trap-bestemmingsaccount verschilt van de account die door de printer is opgegeven. De snmpd-service is gestart. De service voor rechtstreeks afdrukken is gestart. De Rendezvous-functie is ingeschakeld. 249
250 De printer controleren en configureren Bericht Terminated. The print server received error <foutnummer> during attempt to log in to the network. Access to the network was denied.verify that the print server name and password are correct. WINS name refresh :Server No Response WINS name registration/refresh error code (foutnummer) WINS name registration:server No Response WINS server address WINS Server=<WINS-serveradres> Net- BIOS Name=<NetBIOS-naam> WINS wrong scopeid Problemen en oplossingen De Rendezvous-functie is uitgeschakeld. Aanmelden bij de bestandsserver is mislukt. De afdrukserver is niet geregistreerd of er is een wachtwoord ingesteld. Registreer de afdrukserver zonder een wachtwoord in te stellen. De printserver heeft niet gereageerd op het verzoek om bij te werken. Controleer of het adres van de WINS-server juist is en of de WINS-server goed werkt. Stel unieke NetBIOS-namen in. Controleer of het adres van de WINS-server juist is en of de WINS-server goed werkt. De server heeft niet gereageerd op het registratieverzoek. Controleer of het adres van de WINSserver juist is en of de WINS-server goed werkt. De WINS-server is niet opgegeven. Geef het adres van de WINS-server op zodat deze overeenkomt met de printernaam van WINS. De printernaam is geregistreerd. De bereik-id is onjuist. Geef de juiste bereik-id op. Meer informatie over UNIX-opdrachten en -parameters kunt u vinden in het UNIX Supplement. Zie Pag.222 syslog voor informatie over de opdracht syslog. 250
251 Een afdrukserver gebruiken De afdrukserver voorbereiden In dit gedeelte wordt uitgelegd hoe u de printer kunt configureren als een Windows-netwerkprinter. De printer wordt zodanig geconfigureerd dat netwerkclients er gebruik van kunnen maken. Als u de netwerkprinter via SmartDeviceMonitor for Client met het netwerk verbindt, kunt u de afdrukmeldingsfunctie instellen zodat de gebruikers van clientcomputers op de hoogte worden gebracht van de resultaten van hun afdrukopdrachten. Als u in Windows 2000, Windows XP Professional of Windows Server 2003 de printereigenschappen in de map [Printer] wilt wijzigen, moet u beschikken over toegangsbevoegdheid voor het beheren van printers. In Windows NT 4.0 moet u hiervoor beschikken over volledige beheerbevoegdheden. U moet zich bij de bestandsserver aanmelden als beheerder of als lid van de hoofdgebruikersgroep. A Open het venster [Printers] vanuit het menu [Start]. Het venster [Printers] wordt weergegeven. B Klik op het pictogram van de printer die u wilt gebruiken. Klik in het menu [Bestand] op [Eigenschappen]. Het dialoogvenster Printereigenschappen wordt weergegeven. C Klik op het tabblad [Delen] op [Gedeeld als:]. D Als u de printer wilt delen met gebruikers die een andere versie van Windows gebruiken, klikt u op [Extra stuurprogramma s...]. Als u een alternatief stuurprogramma heeft geïnstalleerd door [Gedeeld als:] te selecteren tijdens de installatie van het printerstuurprogramma, kunt u deze stap overslaan. E Klik op [OK]. Sluit het venster Printereigenschappen. G _1.00 Copyright
252 Een afdrukserver gebruiken Melding afdrukken via SmartDeviceMonitor for Client Volg de onderstaande procedure als u de printer wilt configureren voor gebruik van de afdrukmeldingsfunctie van SmartDeviceMonitor for Client. De afdrukserver instellen Als u in Windows 2000, Windows XP Professional of Windows Server 2003 de printereigenschappen in de map [Printer] wilt wijzigen, moet u beschikken over toegangsbevoegdheid voor het beheren van printers. In Windows NT 4.0 moet u hiervoor beschikken over volledige beheerbevoegdheden. U moet zich bij de bestandsserver aanmelden als beheerder of als lid van de hoofdgebruikersgroep. A Klik op de knop [Start] op de taakbalk, wijs naar [Programma s], wijs vervolgens naar [SmartDeviceMonitor for Client] en klik op [Instelling afdrukserver]. Het dialoogvenster Instelling afdrukserver wordt weergegeven. B Schakel het selectievakje [Afdrukken melden aan klant] in en klik vervolgens op [OK]. Nadat u de instelling voor de afdrukserver heeft opgegeven, wordt een dialoogvenster weergegeven. Bevestig de inhoud van het dialoogvenster en klik op [OK]. Klik op [Annuleren] als u de procedure wilt onderbreken. C Er wordt een dialoogvenster weergegeven waarin u de client kunt instellen. Klik op [OK]. De instelling van de afdrukserver is voltooid. Elke client moet afzonderlijk worden ingesteld om afdrukmeldingen te kunnen ontvangen. De huidige afdruktaken worden opnieuw vanaf het begin gestart, nadat de wachtrijfunctie even kort is gestopt. Als de uitbreidingsfunctie niet wordt gebruikt, wordt de functie automatisch ingesteld als beschikbaar. 252
253 Een afdrukserver gebruiken Een client instellen A Klik op de knop [Start] op de taakbalk, ga naar [Programma s], ga vervolgens naar [SmartDeviceMonitor for Client] en klik op [Uitbreidingsfunctie instellen]. Er wordt een dialoogvenster weergegeven waarin u de uitbreidingsfunctie kunt instellen. B Schakel het selectievakje [Uitbreidingsfunctie gebruiken] in [Afdrukken melden] in. C Schakel het selectievakje [Bericht bij gebruik van afdrukserver] in. D Klik op [OK]. Het dialoogvenster voor het instellen van de uitbreidingsfunctie wordt gesloten. De instelling van de client is nu voltooid. Stel de afdrukmeldingsfunctie zowel in het printerstuurprogramma als in SmartDeviceMonitor for Client in. 253
254 Een afdrukserver gebruiken NetWare gebruiken In dit gedeelte wordt besproken hoe u een netwerkprinter kunt instellen in een NetWare-omgeving. In een NetWare-omgeving kunt u de printer als afdrukserver of als externe printer verbinden. Instelprocedure Als u de printer wilt gebruiken als afdrukserver: A SmartDeviceMonitor for Admin installeren. B De netwerkinterfacekaart instellen. C De printer uit en weer aanzetten. Als u de printer wilt gebruiken als externe printer: A SmartDeviceMonitor for Admin installeren. B De netwerkinterfacekaart instellen. C NetWare instellen. D De afdrukserver starten. Bij deze procedure wordt aangenomen dat de omgeving al is voorbereid op normale NetWare-werking met de afdrukservice-instelling. De procedure wordt uitgelegd met de volgende voorbeeldinstellingen: Naam bestandsserver CAREE Naam printserver PSERV Naam printer R-PRN Naam wachtrij R-QUEUE SmartDeviceMonitor for Admin gebruiken Als u de printer in een NetWare-omgeving wilt gebruiken, gebruikt u Smart- DeviceMonitor for Admin om de NetWare-afdrukomgeving in te stellen. Als u de afdrukomgeving wilt instellen met SmartDeviceMonitor for Admin, is in de volgende omgevingen de NetWare-clientsoftware vereist die door Novell wordt geleverd: NDS-modus in Windows 95/98/Me NDS- of Bindery-modus in Windows 2000/XP, Windows NT 4.0 Zie Pag.183 SmartDeviceMonitor for Admin installeren voor informatie over het installeren van SmartDeviceMonitor for Admin. Lijst met printers van SmartDeviceMonitor for Admin SmartDeviceMonitor for Admin toont een lijst met printers die zijn aangesloten op het netwerk. Als u de printer die u wilt configureren niet in deze lijst kunt vinden, drukt u de configuratiepagina af en controleert u de printernaam. 254
255 Een afdrukserver gebruiken De printer instellen als afdrukserver (NetWare 3.x) Volg de onderstaande procedure om de printer te verbinden als afdrukserver voor gebruik met NetWare 3.x. A Meld u aan bij de afdrukserver als supervisor of een equivalent daarvan. B Start NIB Setup Tool via het menu [Start]. C Klik op [Wizard] en vervolgens op [OK]. D Selecteer de printer die u wilt configureren. E Voer de printernaam in het veld [Apparaatnaam] in, een opmerking in het veld [Opmerking] en klik op [Volgende]. F Schakel het selectievakje [Netware] in en klik op [Volgende]. G Klik op [Bindery-mode], voer de naam van de bestandsserver in het veld [File Server-naam] in en klik op [Volgende]. Voer in het veld [File Server-naam] de naam in van de bestandsserver waarop een printserver is gemaakt. U kunt ook klikken op [Bladeren] om te bladeren door de beschikbare bestandsservers. H Voer de naam van de printserver in het veld [Print Server-naam] in, de naam van de printer in het veld [Printernaam], de naam van de afdrukwachtrij in het veld [Naam afdrukwachtrij] en klik op [Volgende]. Voer in het veld [Print Server-naam] de naam in van de NetWare-printserver (maximaal 47 tekens). Voer in het veld [Printernaam] de naam in van de NetWare-printer. Voer in het veld [Naam afdrukwachtrij] de naam in van de afdrukwachtrij die moet worden toegevoegd aan NetWare. I Controleer de instellingen en klik op [Volgende]. De instellingen worden van kracht en NIB Setup Tool wordt afgesloten. J Zet de printer uit en weer aan. Typ de volgende opdracht op de opdrachtregel om te controleren of de configuratie correct is uitgevoerd. F:> USERLIST Als de printer werkt zoals u heeft geconfigureerd, wordt de naam van de afdrukserver vermeld als een aangesloten gebruiker. Als u de printer die u wilt configureren niet kunt vinden, controleert u de printernaam op de configuratiepagina die door de printer is afgedrukt. Zie Pag.141 Menu Lijst/Proefafdr voor meer informatie over het afdrukken van een configuratiepagina. 255
256 Een afdrukserver gebruiken Als er geen printernamen in de lijst voorkomen, moet u de frametypes van IPX/SPX voor de computer en de printer met elkaar in overeenstemming brengen. Gebruik het dialoogvenster [Netwerk] van Windows om het frametype van de computer te wijzigen. Raadpleeg de Installatiehandleiding voor meer informatie over het wijzigen van het frametype van de printer ( NW-frametype ). De printer instellen als afdrukserver (NetWare 4.x, 5/5.1, 6/6.5) Volg de onderstaande procedure om de printer te verbinden als afdrukserver voor gebruik met NetWare 4.x, NetWare 5/5.1 of NetWare 6.0. Als u de printer wilt gebruiken als afdrukserver in NetWare 4.x, NetWare 5/5.1 of NetWare 6.0, moet u deze instellen op de NDS-modus. Als u NetWare 5/5.1 of NetWare 6.0 gebruikt, stelt u de printer in als afdrukserver. A Meld u aan bij de afdrukserver als supervisor of een equivalent daarvan. B Start NIB Setup Tool via het menu [Start]. C Klik op [Wizard] en daarna op [OK]. D Selecteer de printer die u wilt configureren. E Voer de printernaam in het veld [Apparaatnaam] in, een opmerking in het veld [Opmerking] en klik op [Volgende]. F Schakel het selectievakje [Netware] in en klik op [Volgende]. G Klik op [NDS-mode], voer de naam van de bestandsserver in het veld [File Server-naam] in, de naam van de NDS-structuur in het veld [NDS-structuur:], de context in het veld [NDS-context:] en klik op [Volgende]. Voer in het veld [File Server-naam] de naam in van de bestandsserver waarop een printserver is gemaakt. U kunt ook klikken op [Bladeren] om te bladeren door de beschikbare bestandsservers en NDS-contextnamen. Voer in het veld [NDS-structuur:] de naam in van de NDS-structuur waarin een printserver is gemaakt (maximaal 32 alfanumerieke tekens). Afbreekstreepjes en onderstrepingen zijn ook toegestaan. U kunt ook klikken op [Bladeren] om te bladeren door de beschikbare NDS-structuren. Voor een context moeten objectnamen worden ingevoerd vanaf het laagste object, waarbij de objecten worden gescheiden door een punt. Als u bijvoorbeeld een printserver wilt maken in NET onder DS, voert u NET.DS in. 256
257 Een afdrukserver gebruiken H Voer de naam van de printserver in het veld [Print Server-naam] in, de naam van de printer in het veld [Printernaam], de naam van de afdrukwachtrij in het veld [Naam afdrukwachtrij], het volume van de afdrukwachtrij in het veld [Volume afdrukwachtrij] en klik op [Volgende]. Voer in het veld [Print Server-naam] de naam in van de NetWare-printserver (maximaal 47 tekens). Voer in het veld [Printernaam] de naam in van de NetWare-printer. Voer in het veld [Naam afdrukwachtrij] de naam van de afdrukwachtrij in. Voer in het veld [Volume afdrukwachtrij] het volume van de afdrukwachtrij in. Voor een volume moeten objectnamen worden ingevoerd vanaf het laagste object, waarbij de objecten worden gescheiden door een punt. U kunt ook klikken op [Bladeren] om te bladeren door de beschikbare volumes. I Controleer de instellingen en klik op [Volgende]. De instellingen worden van kracht en NIB Setup Tool wordt afgesloten. J Zet de printer uit en weer aan. Typ de volgende opdracht op de opdrachtregel om te controleren of de configuratie correct is uitgevoerd. F:> NLIST USER /A/B Als de printer werkt zoals u heeft geconfigureerd, wordt de naam van de afdrukserver vermeld als een aangesloten gebruiker. Als u de printer die u wilt configureren niet kunt vinden, controleert u de printernaam op de configuratiepagina die door de printer is afgedrukt. Zie Pag.141 Een configuratiepagina afdrukken voor meer informatie over het afdrukken van een configuratiepagina. Als er geen printernamen in de lijst voorkomen, moet u de frametypes van IPX/SPX voor de computer en de printer met elkaar in overeenstemming brengen. Gebruik het dialoogvenster [Netwerk] van Windows om het frametype van de computer te wijzigen. Raadpleeg de Installatiehandleiding voor meer informatie over het wijzigen van het frametype van de printer ( NW-frametype ). Zie Pag.258 Uitsluitend IP gebruiken in een NetWare 5/5.1- of 6/6.5-omgeving als u de printer gebruikt in een pure IP-omgeving met NetWare 5/5.1 of NetWare 6.0/
258 Een afdrukserver gebruiken Uitsluitend IP gebruiken in een NetWare 5/5.1- of 6/6.5-omgeving Volg de onderstaande procedure om de printer als afdrukserver te verbinden in een pure IP-omgeving met NetWare 5/5.1. Als u een afdrukserver met wachtrij wilt aanmaken in een pure IP-omgeving met NetWare 5/5.1 of NetWare 6.0, moet u met NetWare Administrator een afdrukserver aanmaken op de bestandsserver. Deze printer is niet beschikbaar als een externe printer voor gebruik in een pure IP-omgeving. Als u de printer wilt gebruiken in een pure IP-omgeving, moet u deze instellen op TCP/IP. Instellen met NIB Setup Tool A Meld u aan bij de afdrukserver als beheerder of een equivalent daarvan. B Start NIB Setup Tool via het menu [Start]. C Klik op [Eigenschappenblad] en klik vervolgens op [OK]. D Selecteer de printer die u wilt configureren. E Selecteer [File Server-modus] of [NDS-mode] op het tabblad [Netware] in het gedeelte [Aanmeldingsmodus]. Wanneer [File Server-modus] is geselecteerd, wordt de netwerkverbinding gemaakt op basis van de tekenreeks die is ingevoerd in het veld [File Servernaam(F):]. Wanneer [NDS-mode] is geselecteerd, wordt de netwerkverbinding gemaakt op basis van de tekenreeks die is ingevoerd in het veld [NDS-structuur:]. F Voer in het veld [Print Server-naam] de naam van de printserver in. G Voer in het veld [File Server-naam] de naam in van de bestandsserver waarop een printserver is gemaakt. U kunt ook klikken op [Bladeren] om te bladeren door de beschikbare bestandsservers. H Voer de naam van de NDS-structuur in het veld [NDS-structuur:] in. U kunt maximaal 32 alfanumerieke tekens invoeren. Afbreekstreepjes en onderstrepingen zijn ook toegestaan. 258
259 Een afdrukserver gebruiken I Voer in het veld [NDS-context] de context van de printserver in. U kunt ook klikken op [Bladeren] om te bladeren door de beschikbare NDSstructuren en -context. Voor een context moeten objectnamen worden ingevoerd vanaf het laagste object, waarbij de objecten worden gescheiden door een punt. Als u bijvoorbeeld een printserver wilt maken in NET onder DS, voert u NET.DS in. J Klik in het gedeelte [Gebruiksinstelling van afdrukserver] op [Als printserver]. K Klik op [OK] om het dialoogvenster [NIB Setup Tool] te sluiten. De printer instellen met NWadmin A Start NWadmin vanuit Windows. Meer informatie over NWadmin kunt u vinden in de NetWare-handleidingen. B Selecteer het object waarin de afdrukwachtrij zich in de directorystructuur bevindt en klik op [Create] in het menu [Object]. C Klik in het vak [Class of new object] op [Print Queue] en klik vervolgens op [OK]. D Geef in het vak [Print Queue Name] de naam van de afdrukwachtrij op. E Klik in het vak [Print Queue Volume] op [Browse]. F Klik in het vak [Available objects] op het volume waarin de afdrukwachtrij is gemaakt en klik vervolgens op [OK]. G Controleer de instellingen en klik vervolgens op [Create]. H Selecteer het object waarin de printer zich bevindt en klik op [Create] in het menu [Object]. I Klik in het vak [Class of new object] op [Printer] en klik vervolgens op [OK]. In NetWare 5 klikt u op [Printer (Non NDPS)]. J Geef in het vak [Printer name] de printernaam op. K Schakel het selectievakje [Define additional properties] in en klik op [Create]. L Klik op [Assignments] en klik vervolgens op [Add] in het gedeelte [Assignments]. 259
260 Een afdrukserver gebruiken M Klik in het vak [Available objects] op de wachtrij die u heeft gemaakt en klik vervolgens op [OK]. N Klik op [Configuration], klik daarna op [Parallel] in de lijst [Printer type] en klik vervolgens op [Communication]. O Klik op [Manual load] in het gedeelte [Communication type] en klik vervolgens op [OK]. P Controleer de instellingen en klik vervolgens op [OK]. Q Selecteer een context die is opgegeven met NIB Setup Tool en klik vervolgens [Maak] in het menu [Object]. R Klik in het vak [Class of new object] op [Print Server] en klik vervolgens op [OK]. In NetWare 5 klikt u op [Printer Server (Non NDPS)]. S Voer in het veld [Print Server-naam] de naam van de printserver in. Gebruik dezelfde printservernaam die met NIB Setup Tool is opgegeven. T Schakel het selectievakje [Define additional properties] in en klik op [Create]. U Klik op [Assignments] en klik vervolgens op [Add] in het gedeelte [Assignments]. V Klik in het vak [Available objects] op de wachtrij die u heeft gemaakt en klik vervolgens op [OK]. W Controleer de instellingen en klik vervolgens op [OK]. X Start de afdrukserver door vanaf de console van de NetWare-server de volgende opdracht te typen. Als de afdrukserver in bedrijf is, sluit u de server af en start u deze opnieuw. Om af te sluiten: CAREE: unload pserver Om te starten: CAREE: load pserver naam printserver 260
261 Een afdrukserver gebruiken De printer instellen als externe printer (NetWare 3.x) Volg de onderstaande procedure om de printer te gebruiken als externe printer voor gebruik met NetWare 3.x. Instellen met NIB Setup Tool A Meld u aan bij de afdrukserver als supervisor of een equivalent daarvan. B Start NIB Setup Tool via het menu [Start]. C Klik op [Eigenschappenblad] en klik vervolgens op [OK]. D Selecteer de printer die u wilt configureren. E Voer op het tabblad [Netware] de naam in van de printserver in het veld [Print Server-naam]. F Voer in het veld [File Server-naam] de naam in van de bestandsserver waarop een printserver is gemaakt. U kunt ook klikken op [Bladeren] om te bladeren door de beschikbare bestandsservers. G Klik in het gedeelte [Gebruiksinstelling van afdrukserver] op [Als externe printer]. H Voer in het veld [Nr. ext. printer.] het printernummer in. Gebruik het printernummer dat is gemaakt in de printserver. I Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. Klik op [OK]. J Klik in het menu [NIB] op [Afsluiten]. De printer instellen met PCONSOLE A Voer PCONSOLE in op de opdrachtregel. F:> PCONSOLE B Maak een afdrukwachtrij. Als u een bestaande afdrukwachtrij gebruikt, volgt u de procedure voor het instellen van een printer. C Selecteer in het menu [Available Options] de optie [Print Queue Information] en druk op {Enter}. D Druk op de toets {Insert} en geef een naam op voor de wachtrij. 261
262 Een afdrukserver gebruiken E Druk op {ESC} om terug te keren naar het menu [Available Options]. F Stel de netwerkverbinding voor de printer in. G Klik in het menu [Available Options] op [Print Server Information] en druk op {Enter}. H Als u een nieuwe afdrukserver wilt maken, drukt u op de toets {Insert} en typt u een naam voor de afdrukserver in. Als u een reeds gedefinieerde afdrukserver wilt gebruiken, selecteert u deze in de lijst [Print Server]. Gebruik dezelfde printernaam die met NIB Setup Tool is opgegeven. I Selecteer [Print Server Configuration] in het menu [Print Server Information]. J Selecteer [Printer Configuration] in het menu [Print Server Configuration]. K Selecteer de printer waarbij [Not Installed] wordt vermeld. Gebruik hetzelfde printernummer dat met NIB Setup Tool is opgegeven voor de externe printer. L Geef een nieuwe naam op als u de naam van de printer wilt wijzigen. Er wordt een naam, Printer x, toegewezen aan de printer. De x staat voor het nummer van de geselecteerde printer. M Selecteer het type [Remote Parallel, LPT1]. De modi IRQ, Buffer size, Starting form en Queue service worden automatisch geconfigureerd. N Druk op {Esc} en klik vervolgens op [Yes] in het bevestigingsbericht. O Druk op {Esc} om terug te keren naar het menu [Print Server Configuration]. P Wijs afdrukwachtrijen toe aan de gemaakte printer. Q Selecteer [Queues Serviced By Printer] in het menu [Print Server Configuration]. R Selecteer de gemaakte printer. S Druk op de toets {Insert} om een wachtrij te selecteren die door de printer wordt gebruikt. U kunt meerdere wachtrijen selecteren. T Volg de instructies op het scherm om eventuele andere instellingen op te geven. Controleer tijdens deze stappen of de wachtrijen zijn toegewezen. 262
263 Een afdrukserver gebruiken U Druk op de toets {Esc} totdat Afsluiten? wordt weergegeven en kies [Ja] om PCONSOLE af te sluiten. V Start de afdrukserver door vanaf de console van de NetWare-server de volgende opdracht te typen. Als de afdrukserver in bedrijf is, sluit u de server af en start u deze opnieuw. Om af te sluiten: CAREE: unload pserver Om te starten: CAREE: load pserver naam printserver Als de printer goed is geconfigureerd, wordt het bericht Waiting for job weergegeven. De printer instellen als externe printer (NetWare 4.x, 5/5.1, 6/6.5) Volg de onderstaande procedure om de printer te gebruiken als externe printer voor gebruik met NetWare 4.x, 5/5.1 en 6. Als u de printer wilt gebruiken als externe printer in NetWare 4.x/5/5.1, moet u deze instellen op de NDS-modus. U kunt de printer niet gebruiken als externe printer als u in een pure IP-omgeving werkt. Instellen met NIB Setup Tool A Meld u aan bij de afdrukserver als beheerder of een equivalent daarvan. B Start NIB Setup Tool via het menu [Start]. C Klik op [Eigenschappenblad] en klik vervolgens op [OK]. D Selecteer de printer die u wilt configureren. E Klik op [Netware]. F Klik in het gedeelte [Aanmeldingsmodus] op [File Server-modus] of op [NDS-mode]. Als [File Server-modus] is geselecteerd, wordt de netwerkverbinding gemaakt op basis van de ingevoerde tekenreeks. Als [NDS-mode] is geselecteerd, wordt de netwerkverbinding gemaakt op basis van de ingevoerde tekenreeks. 263
264 Een afdrukserver gebruiken G Voer in het veld [Print Server-naam(P):] de naam van de printserver in. Gebruik dezelfde printservernaam die in NWadmin is opgegeven. U kunt maximaal 47 alfanumerieke tekens invoeren. H Voer in het veld [File Server-naam(F):] de naam in van de bestandsserver waarop een printserver is gemaakt. U kunt ook klikken op [Bladeren...] om te bladeren door de beschikbare bestandsservers. U kunt maximaal 47 alfanumerieke tekens invoeren. I Voer in het veld [NDS-structuur(S):] de naam van de NDS-structuur in en maak de bestandsserver. U kunt ook klikken op [Bladeren...] om te bladeren door de beschikbare NDSstructuren en -context. U kunt maximaal 32 alfanumerieke tekens invoeren. Afbreekstreepjes en onderstrepingen zijn ook toegestaan. J Voer in het veld [NDS-context(C):] de context in waarbinnen de printserver is gemaakt. U kunt maximaal 127 alfanumerieke tekens invoeren. Voor een context moeten objectnamen vanaf Root worden ingevoerd vanaf het laagste object, waarbij de objecten worden gescheiden door een punt. Als u bijvoorbeeld een printserver wilt maken in het object NETWORK onder het organisatie object DS of Root, voert u NETWORK.DS in. K Klik in het gedeelte [Printserveroptiemodus] op [Als externe printer(e)]. L Voer in het veld [Nr. ext. Printer(N)] het printernummer in. Gebruik hetzelfde printernummer dat is gemaakt. M Klik op [OK] om [NIB Setup Tool] te sluiten. De printer instellen met NWadmin A Start NWadmin vanuit Windows. Meer informatie over NWadmin kunt u vinden in de NetWare-handleidingen. B Stel de netwerkverbinding voor de afdrukwachtrij in. Selecteer het object waarin de afdrukwachtrij zich in de directorystructuur bevindt en klik op [Create] in het menu [Object]. C Klik in het vak [Class of new object] op [Print Queue] en klik vervolgens op [OK]. D Geef in het vak [Print Queue Name] de naam van de afdrukwachtrij op. E Klik in het vak [Print Queue Volume] op [Browse]. 264
265 Een afdrukserver gebruiken F Klik in het vak [Available objects] op het volume waarin de afdrukwachtrij is gemaakt en klik vervolgens op [OK]. G Controleer de instellingen en klik vervolgens op [Create]. H Stel de netwerkverbinding voor de printer in. Selecteer het object waarin de printer zich bevindt en klik op [Create] in het menu [Object]. I Klik in het vak [Class of new object] op [Printer] en klik vervolgens op [OK]. In NetWare 5 klikt u op [Printer (Non NDPS)]. J Geef in het vak [Printer name] de printernaam op. K Schakel het selectievakje [Define additional properties] in en klik op [Create]. L Wijs afdrukwachtrijen toe aan de gemaakte printer. Klik op [Assignments] en klik vervolgens op [Add] in het gedeelte [Assignments]. M Klik in het vak [Available objects] op de wachtrij die u heeft gemaakt en klik vervolgens op [OK]. N Klik op [Configuration], klik daarna op [Parallel] in de lijst [Printer type] en klik vervolgens op [Communication]. O Klik op [Manual load] in het gedeelte [Communication type] en klik vervolgens op [OK]. Controleer de instellingen en klik vervolgens op [OK]. P Stel de netwerkverbinding voor de afdrukserver in. Selecteer een context die is opgegeven met NIB Setup Tool en klik vervolgens [Maak] in het menu [Object]. Q Klik in het vak [Class of new object] op [Print Server] en klik vervolgens op [OK]. In NetWare 5 klikt u op [Printer Server (Non NDPS)]. R Voer in het veld [Print Server-naam] de naam van de printserver in. Gebruik dezelfde printservernaam die met NIB Setup Tool is opgegeven. S Schakel het selectievakje [Define additional properties] in en klik op [Create]. T Wijs de printer toe aan de gemaakte afdrukserver. Klik op [Assignments] en klik vervolgens op [Add] in het gedeelte [Assignments]. U Klik in het vak [Available objects] op de wachtrij die u heeft gemaakt en klik vervolgens op [OK]. V Klik in het gedeelte [Printers] op de printer die u heeft toegewezen en klik vervolgens op [Printernummer]. 265
266 Een afdrukserver gebruiken W Geef het printernummer op en klik vervolgens op [OK]. Controleer de instellingen en klik vervolgens op [OK]. Gebruik hetzelfde printernummer dat met NIB Setup Tool is opgegeven voor de externe printer. X Start de afdrukserver door vanaf de console van de NetWare-server de volgende opdracht te typen. Als de afdrukserver in bedrijf is, sluit u de server af en start u deze opnieuw. Om af te sluiten: CAREE: unload pserver Om te starten: CAREE: load pserver naam printserver 266
267 Speciale bewerkingen onder Windows Bestanden rechtstreeks vanuit Windows afdrukken U kunt bestanden rechtstreeks afdrukken met behulp van Windows-opdrachten. Zo kunt u PostScript 3-bestanden afdrukken. Windows 95/98/Me U kunt bestanden rechtstreeks afdrukken met de opdracht ftp. Windows 2000/XP, Windows Server 2003, Windows NT 4.0 U kunt bestanden rechtstreeks afdrukken met de opdracht lpr, rcp of ftp. Setup Volg de onderstaande procedure om de netwerkomgeving in te stellen. A Schakel TCP/IP in vanuit het Configuratiescherm en stel de netwerkomgeving van de printer in voor TCP/IP, inclusief IP-adressen. TCP/IP is de standaardinstelling voor de printer. B Installeer TCP/IP in Windows om de netwerkomgeving in te stellen. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor de lokale instellingen. C Als u wilt afdrukken onder Windows 2000/XP, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0, moet u Printing service for UNIX installeren als netwerktoepassing. Als u wilt afdrukken onder Windows NT 4.0, moet u Microsoft TCP/IP-afdrukken installeren als netwerktoepassing. Meer informatie over het instellen van IP-adressen kunt u vinden in de Installatiehandleiding. Zie Pag.306 DHCP gebruiken voor meer informatie over het instellen van het IP-adres van de printer met DHCP. Hiermee is het instellen van een printer die voor het afdrukken gebruikmaakt van een IP-adres voltooid. Als u een hostnaam gebruikt voor het opgeven van een printer, gaat u naar Pag.268 Een hostnaam gebruiken in plaats van een IP-adres en voltooit u de installatie. G _1.00 Copyright
268 Speciale bewerkingen onder Windows Een hostnaam gebruiken in plaats van een IP-adres Als er een hostnaam is gedefinieerd, kunt u deze naam gebruiken om een printer op te geven, in plaats van een IP-adres. Hostnamen verschillen per netwerkomgeving. Als u DNS gebruikt Gebruik de hostnaam die is vastgelegd in het gegevensbestand op de DNS-server. Als u het IP-adres van een printer instelt met DHCP Gebruik als hostnaam de printernaam die op de configuratiepagina wordt vermeld. Zie Pag.141 Een configuratiepagina afdrukken voor meer informatie over het afdrukken van een configuratiepagina. In alle overige gevallen Voeg het IP-adres en de hostnaam van de netwerkprinter toe aan het bestand met hostnamen op de computer die u voor het afdrukken gebruikt. De gehanteerde methode voor het toevoegen van hostnamen verschilt per besturingssysteem. Windows 95/98/Me A Kopieer WINDOWSHOSTS.SAM naar dezelfde map en geef het de naam HOSTS (zonder extensie). B Open bijvoorbeeld het bestand WINDOWSHOSTS in een tekstverwerkingsprogramma. C Voeg een IP-adres en een hostnaam toe aan het bestand met hostnamen, in de volgende notatie: host # NP staat voor het IP-adres, host voor de hostnaam van de printer en #NP voor een eventuele opmerking die u wilt toevoegen. Plaats een spatie of een tab tussen en host, tussen host en #NP en gebruik niet meer dan één regel. D Sla het bestand op. 268
269 Speciale bewerkingen onder Windows Windows 2000/XP, Windows Server 2003, Windows NT 4.0 A Open bijvoorbeeld het bestand met hostnamen in een tekstverwerkingsprogramma. Het hostbestand staat in de volgende map: WINNTSYSTEM32DRIVERSETCHOSTS WINNT is de map voor installatiebestemmingen van Windows 2000/XP, Windows Server 2003 en Windows NT 4.0. B Voeg een IP-adres en een hostnaam toe aan het bestand met hostnamen, in de volgende notatie: host # NP staat voor het IP-adres, host voor de hostnaam van de printer en #NP voor een eventuele opmerking die u wilt toevoegen. Plaats een spatie of een tab tussen en host, tussen host en #NP en gebruik niet meer dan één regel. C Sla het bestand op. Afdrukopdrachten Hieronder wordt uitgelegd hoe u kunt afdrukken met de opdrachten lpr, rcp en ftp. U typt deze opdrachten in het venster MS-DOS-prompt of Prompt. De naam en de locatie van dit venster verschilt per besturingssysteem. Windows 95/98 [Start] - [Programma s] - [MS-DOS-prompt] Windows Me [Start] - [Programma s] - [Bureau-accessoires] - [MS-DOS-prompt] Windows 2000 [Start] - [Programma s] - [Bureau-accessoires] - [Opdrachtprompt] Windows XP, Windows Server 2003 [Start] - [Alle programma s] - [Bureau-accessoires] - [Opdrachtprompt] Windows NT 4.0 [Start] - [Programma s] - [Prompt] 269
270 Speciale bewerkingen onder Windows Stem de gegevensindeling van het bestand dat uw wilt afdrukken af op de emulatiemodus van de printer. Als het bericht print requests full wordt weergegeven, kunnen er geen afdruktaken worden geaccepteerd. Probeer het nogmaals wanneer de sessie is voltooid. Voor elke opdracht is het volgende maximum aantal sessies mogelijk: lpr: 10 rcp, rsh: 5 ftp: 3 Geef de bestandsnaam op in een notatie inclusief het pad van de directory van waaruit de opdracht wordt uitgevoerd. lpr De optie die in een opdracht is opgenomen, is een intrinsieke printeroptie en de syntaxis ervan komt overeen met UNIX-afdrukopdrachten. Zie het UNIX Supplement voor meer informatie. Een printer opgeven aan de hand van een IP-adres c:> lpr -SIP-adres van de printer [-Poptie] [-ol] \wachtwoord\bestandsnaam Een hostnaam gebruiken in plaats van een IP-adres c:> lpr -Shostnaam van de printer [-Poptie] [-ol] \wachtwoord\bestandsnaam Als u een binair bestand afdrukt, moet u de optie -ol toevoegen (kleine letter O en kleine letter L). Als u een printer met de hostnaam host gebruikt om een PostScript-bestand met de naam bestand1, opgeslagen in de map C:\PRINT, af te drukken, ziet de opdracht er als volgt uit: c:> lpr -Shost -Pfiletype=RPS -ol C:\PRINT\file1 270
271 Speciale bewerkingen onder Windows rcp U moet eerst de hostnaam van de printer registreren in het bestand met hostnamen. c:> rcp [-b] \wachtwoord\bestandsnaam [wachtwoord\bestandsnaam...] hostnaam van de printer:[optie] U kunt in een bestandsnaam de jokertekens * en? gebruiken. Als u een binair bestand afdrukt, moet u de optie -b toevoegen. Als u een printer met de hostnaam host gebruikt om een PostScript-bestand met de naam bestand 1 of bestand 2, opgeslagen in de map C:\PRINT, af te drukken, ziet de opdracht er als volgt uit: c:> rcp -b C:\PRINT\file1 C:\PRINT\file2 host:filetype=rps ftp Zie Pag.268 Een hostnaam gebruiken in plaats van een IP-adres voor meer informatie over het registreren van de hostnaam van de printer in het bestand met hostnamen. Gebruik de opdracht put of mput, afhankelijk van het aantal bestanden dat u wilt afdrukken. Een enkel bestand afdrukken ftp> put \wachtwoord\bestandsnaam [optie] Meerdere bestanden afdrukken ftp> mput \wachtwoord\bestandsnaam [\wachtwoord\ bestandsnaam...] [optie] Volg de onderstaande procedure om af te drukken met de opdracht ftp. A Gebruik het IP-adres of de hostnaam van de printer als argument en gebruik de opdracht ftp. ftpip-adres van printer B Geef de gebruikersnaam en het wachtwoord op en druk vervolgens op {# Enter}. User: Password: Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. 271
272 Speciale bewerkingen onder Windows C Als u een binair bestand afdrukt, moet u de bestandsmodus instellen op binair. ftp> bin Als u een binair bestand afdrukt in ASCII-modus, wordt het bestand mogelijk niet goed afgedrukt. D Geef de bestanden op die u wilt afdrukken. Hieronder ziet u twee voorbeelden. Met de eerste opdracht wordt een PostScript-bestand met de naam bestand 1 in de map C:\PRINT afgedrukt en met de tweede opdracht worden bestand 1 en bestand 2 afgedrukt. ftp> put C:\PRINT\file1 filetype=rps ftp> mput C:\PRINT\file1 C:\PRINT\file2 E Sluit ftp af. ftp> bye =,,, _ en ; kunnen niet worden gebruikt in een bestandsnaam. Bestandsnamen worden gelezen als een optiereeks. Bij de opdracht mput kunnen geen opties worden gebruikt. Bij de opdracht mput kunnen * en? worden gebruikt als jokertekens in bestandsnamen. Als u een binair bestand afdrukt in ASCII-modus, wordt het bestand mogelijk niet goed afgedrukt. 272
273 Mac OS-configuratie Mac OS In dit gedeelte wordt besproken hoe u een Mac OS kunt configureren voor gebruik met EtherTalk en USB. Hieronder wordt besproken hoe u Mac OS 9.1 kunt configureren. Als u niet Mac OS versie 9.1 gebruikt, raadpleegt u de handleiding bij de versie die u gebruikt voor meer informatie. Voor Mac OS 8.6 en hoger. (Mac OS X Classic-omgeving wordt ondersteund.) Het PostScript 3-printerstuurprogramma is opgeslagen in de volgende map op de cd-rom. Mac OS 8 and 9:PS Driver:(language):Disk1 Het PostScript 3-printerstuurprogramma en het PPD-bestand installeren Het is noodzakelijk een printerstuurprogramma en PPD-bestanden (PostScript Printer Description) te installeren om vanuit Mac OS af te drukken. Volg de onderstaande procedure om een printerstuurprogramma en een PPDbestand te installeren op een Macintosh-computer met Mac OS 8.6 of hoger. PostScript 3-printerstuurprogramma A Plaats de cd-rom in het cd-romstation. B Dubbelklik op het pictogram van het cd-romstation. C Dubbelklik op de map [Mac OS 8 en 9]. D Dubbelklik op de map [PS-stuurprogramma]. E Dubbelklik op de map met de taal die u wilt gebruiken. F Open [DISK1] en dubbelklik op het symbool van het installatieprogramma. G Volg de instructies op het scherm. G _1.00 Copyright
274 Mac OS-configuratie PPD-bestanden A Dubbelklik op het pictogram van het cd-romstation. B Dubbelklik op de map [Mac OS 8 en 9]. C Dubbelklik op de map [Printerbeschrijvingen]. D Dubbelklik op de map met de taal die u wilt gebruiken. E Open de map [DISK1]. F Sleep het PPD-bestand en het Plugin-bestand naar [Printerbeschrijvingen] in de map [Extensies] in de [Systeemmap]. G Start de Mac OS opnieuw. PPD-bestanden instellen Zorg ervoor dat de printers zijn aangesloten op een AppleTalk-netwerk voordat u de volgende procedure uitvoert. A Klik in het [Apple]-menu op de [Kiezer]. B Klik op het Adobe PS-pictogram. C Klik in de lijst [Selecteer een PostScript-printer:] op de naam van de printer die u wilt gebruiken. D Klik op [Maak aan]. E Klik op de printer die u wilt gebruiken en klik daarna op [Selecteer]. Het PPD-bestand is geconfigureerd en het Adobe PS-symbool wordt links van de printernaam in de lijst weergegeven. Voer vervolgens de procedure op Pag.275 Opties instellen uit om de opties in te stellen of sluit het dialoogvenster van de [Kiezer]. Een symbool voor een bureaubladprinter maken Zorg ervoor dat er een printer is aangesloten op de USB-poort voordat u de volgende procedure uitvoert. Om een printer te gebruiken die via een USB-poort is aangesloten, moet u een symbool voor een bureaubladprinter maken. A Dubbelklik op [Desktop Printer Utility] in de map [AdobePS Components]. B Klik op [AdobePS] in [Met:], klik op [Printer (USB)] in [Kies type bureaubladprinter] en klik vervolgens op [OK]. 274
275 Mac OS-configuratie C Klik op [Wijzigen] in [USB-printer selecteren]. D Selecteer het model dat u gebruikt in [Een USB-printer selecteren:] en klik vervolgens op [OK]. E Klik op [Automatisch instellen] in [PostScript TM Printer Description (PPD)-bestand]. F Klik op [Maak aan]. G Voer de naam van de printer in en klik vervolgens op [Opslaan]. Het printerpictogram verschijnt op de desktop. H Sluit de Desktop Printer Utility af. Opties instellen A Klik in het [Apple]-menu op de [Kiezer]. B Klik op het Adobe PS-pictogram. C Klik in de lijst [Selecteer een PostScript-printer:] op de naam van de printer die u wilt gebruiken en klik daarna op [OK]. D Klik op [Configureer]. Een lijst met opties verschijnt. E Selecteer de optie die u wilt configureren en geef vervolgens de gewenste instelling op. F Klik op [OK]. De lijst met opties wordt gesloten. G Klik op [OK]. Het dialoogvenster van de [Kiezer] verschijnt. H Sluit het dialoogvenster van de [Kiezer]. Als de optie die u wilt selecteren niet wordt weergegeven, worden de PPDbestanden mogelijk niet goed geconfigureerd. Controleer de naam van het PPD-bestand dat in het dialoogvenster wordt weergegeven om de configuratie te voltooien. 275
276 Mac OS-configuratie De ColorSync-profielen installeren ColorSync-profielen worden door de printer gebruikt om kleuren zodanig af te drukken dat ze zo veel mogelijk overeenkomen met de kleuren op het beeldscherm van de computer. Deze voorziening werkt alleen als het ColorSync-profiel is geïnstalleerd. Volg de onderstaande procedure om ColorSync-profielen te installeren. A Start het Mac OS. B Dubbelklik op het symbool van de harde schijf en open de map waarin de ColorSync-profielen zijn opgeslagen. De locatie van deze map kan per versie van het besturingssysteem verschillen. Dit zijn mogelijke voorbeelden: Systeem: Voorkeuren: ColorSync-profielen Systeem: ColorSync-profielen C Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het pictogram van het cd-romstation wordt weergegeven. D Dubbelklik op het pictogram van het cd-romstation. De inhoud van de cd-rom wordt weergegeven. E Dubbelklik op de map [Mac OS 8 en 9]. F Dubbelklik op de map [ColorSync TM profielen]. G Sleep het bestand naar de map [ColorSync TM Profielen] op de harde schijf. De ColorSync-profielen worden geïnstalleerd. De ColorSync-profielen komen overeen met de kleurkenmerken die door het International Color Consortium (ICC) zijn gedefinieerd. Voor sommige beeldschermen moeten bepaalde instellingen door Color- Sync worden gemaakt. Voor meer informatie verwijzen we u naar de handleiding die bij uw beeldscherm is geleverd. 276
277 Mac OS-configuratie Adobe Type Manager installeren Sluit alle geopende toepassingen voordat u met de installatie begint. Installeer ATM nadat u de computer opnieuw heeft opgestart. A Start het Mac OS. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. C Dubbelklik op het symbool van het cd-romstation. D Dubbelklik op de map [Mac OS 8 en 9]. E Dubbelklik op de map [ATM]. F Dubbelklik op het symbool van het ATM installatieprogramma. G Volg de instructies op het scherm. H Start de computer opnieuw wanneer de procedure is voltooid. ATM is pas volledig geïnstalleerd nadat u de computer opnieuw heeft gestart. I Kies in het [Apple]-menu de optie [Regelpaneel] en klik vervolgens op [~ATM]. J Het regelpaneel ATM wordt geopend. Meer informatie over de installatie kunt u vinden in de Gebruiksaanwijzing in de map ATM. Schermlettertypen installeren Volg de onderstaande procedure om schermlettertypen te installeren. De hieronder vermelde schermlettertypen staan in de map [Lettertypen] op de cd-rom. A Start het Mac OS. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het pictogram van het cd-romstation wordt weergegeven. C Dubbelklik op het pictogram van het cd-romstation. De inhoud van de cd-rom wordt weergegeven. D Dubbelklik op de map [Mac OS 8 en 9]. E Dubbelklik op de map [Lettertypen]. 277
278 Mac OS-configuratie F Dubbelklik op de map [Schermlettertype]. G Dubbelklik op de map [TrueType] of [Type1]. Selecteer het lettertype dat u wilt gebruiken. H Kopieer de lettertypen die u wilt installeren naar de map [Lettertypen] in de [Systeemmap]. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. I Klik op [OK]. De lettertypen worden geïnstalleerd. J Start de Mac OS opnieuw. Overstappen op EtherTalk Voer de onderstaande procedure uit om het Mac OS te configureren voor Ether- Talk. A Open het [Regelpaneel] en dubbelklik daarna op het AppleTalk-symbool. B Klik in het venstermenu [Verbind via:] op [Ethernet]. C Selecteer een naam in het venstermenu [Huidige zone:] als u een andere zone wilt kiezen. D Sluit het AppleTalk-bedieningspaneel. E Start de computer opnieuw op. De procedures voor het configureren van het Mac OS kunnen per versie van het besturingssysteem verschillen. Hieronder wordt besproken hoe u Mac OS 9.1 kunt configureren. Als u een andere versie heeft geïnstalleerd, gebruikt u de onderstaande procedures ter referentie en raadpleegt u handleidingen die bij uw versie van het Mac OS zijn geleverd. Bevestig de verbinding met de printer via TCP/IP. Raadpleeg de handleidingen bij uw Mac OS voor meer informatie over het installeren van de vereiste programma s voor EtherTalk. 278
279 Mac OS-configuratie Mac OS X In dit gedeelte wordt besproken hoe u Mac OS X kunt configureren voor gebruik met EtherTalk en USB. Volg de onderstaande procedure om Mac OS X 10.1 te configureren. Als u een andere versie dan Mac OS X 10.1 gebruikt, raadpleeg dan de handleiding bij de betreffende Mac OS X-versie voor meer informatie. Voor Mac OS X 10.1 en hoger. De PPD-bestanden staan in de volgende map op de cd-rom. Mac OS X:PPD Installer De PPD-bestanden installeren Volg de onderstaande procedure om een PPD-bestand voor afdrukken vanuit Mac OS X te installeren. U heeft de naam van een systeembeheerder en een wachtwoord (zin) nodig. Neem voor meer informatie contact op met uw netwerkbeheerder. A Plaats de cd-rom in het cd-romstation. B Dubbelklik op het pictogram van het cd-romstation. C Dubbelklik op de map [Mac OS X]. D Dubbelklik op het pictogram van het installatieprogramma. E Volg de instructies op het scherm. Het PPD-bestand configureren A Afdrukbeheer starten. B Klik op [Add Printer]. Klik op [AppleTalk] in het eerste venstermenu. Als de zone is ingesteld, moet u de zone in het tweede venstermenu selecteren. C Selecteer in het venstermenu [Printermodel:] het PPD-bestand voor het printermodel dat u gebruikt en klik vervolgens op [Voeg toe]. 279
280 Mac OS-configuratie Opties instellen U kunt in Mac OS X geen printeropties instellen. Ook kunt u geen instellingen configureren voor opties die niet zijn geïnstalleerd. Een USB-interface gebruiken Volg de onderstaande procedure om een USB-verbinding in te stellen. A Afdrukbeheer starten. B Klik op [Toevoegen]. C klik op [USB] in het venstermenu. De aangesloten printer wordt weergegeven. D Selecteer de printer en de fabrikant van de printer in het venstermenu [Printermodel:]. Een lijst printertypen wordt weergegeven. E Selecteer de naam van de aangesloten printer in de lijst met printermodellen en klik vervolgens op [Voeg toe]. F Sluit het dialoogvenster [Printerlijst] en sluit vervolgens Afdrukbeheer af. Als u afdrukt via een USB-aansluiting op een Macintosh-computer, wordt de printertaal niet automatisch gewijzigd. Daarom moet u de instelling voor de printertaal vanaf het bedieningspaneel van de printer wijzigen in [Automatische detectie] of [PS] voordat u gaat afdrukken. USB 2.0 kan alleen worden gebruikt met Mac OS X of hoger. Rendezvous gebruiken Volg de onderstaande procedure om te kunnen afdrukken met Rendezvous onder Mac OS X of hoger. U kunt ook Ethernet- en draadloze LAN-verbindingen gebruiken. A Afdrukbeheer starten. B Klik op [Toevoegen]. C Klik op [Rendezvous] in het venstermenu. De aangesloten printer wordt weergegeven. 280
281 Mac OS-configuratie D Selecteer de printer en de fabrikant van de printer in het venstermenu [Printermodel:]. Een lijst printertypen wordt weergegeven. E Selecteer de naam van de aangesloten printer in de lijst met printermodellen en klik vervolgens op [Voeg toe]. F Sluit het dialoogvenster [Printerlijst] en sluit vervolgens Afdrukbeheer af. Als u afdrukt via een Rendezvous-aansluiting op een Macintosh-computer, wordt de printertaal niet automatisch gewijzigd. Daarom moet u de instelling voor de printertaal vanaf het bedieningspaneel van de printer wijzigen in [Automatische detectie] of [PS] voordat u gaat afdrukken. Overstappen op EtherTalk U heeft de naam van een systeembeheerder en een wachtwoord (zin) nodig. Neem voor meer informatie contact op met uw netwerkbeheerder. Voer de onderstaande procedure uit om Mac OS X te configureren voor Ether- Talk. Raadpleeg de handleidingen bij uw Mac OS voor meer informatie over het installeren van de vereiste programma s voor EtherTalk. A Open [Systeemvoorkeuren] en klik op het Netwerk-pictogram. B Klik op het tabblad [AppleTalk]. C Kruis het vakje [Maak AppleTalk actief] aan. D Selecteer een naam in het venstermenu [AppleTalk-zone:] als u een andere AppleTalk-zone wilt kiezen. E Als u de instellingen heeft geconfigureerd, klikt u op [Apple Now]. 281
282 Mac OS-configuratie De printer configureren Gebruik het regelpaneel om AppleTalk in te schakelen. (De standaardinstelling is actief.) 282
283 Mac OS-configuratie PostScript 3 gebruiken Taaktype U kunt het type afdruktaak selecteren. Als u Mac OS X gebruikt, is deze functie niet beschikbaar. Normaal Selecteer deze instelling voor normaal afdrukken. De afdruktaak wordt gestart direct nadat de afdrukopdracht is gegeven. Testafdruk Gebruik deze functie om de eerste set van een uit meerdere sets bestaande afdruktaak af te drukken. Nadat u de resultaten heeft bekeken, kunt u de resterende sets afdrukken vanaf het bedieningspaneel. Met deze functie kunt u voorkomen dat er grote hoeveelheden foutieve afdrukken worden gemaakt. Beveil. afdruk Gebruik deze functie niet als u vertrouwelijke documenten wilt afdrukken. Documenten worden alleen automatisch afgedrukt als u een wachtwoord invoert vanaf het bedieningspaneel. Testafdruk gebruiken U kunt deze functie alleen gebruiken wanneer de harde schijf in de printer is geïnstalleerd. Het aantal pagina s dat door de printer kan worden opgeslagen, is afhankelijk van de inhoud van de bestanden. De printer kan maximaal 30 taken of 1000 pagina s opslaan voor Testafdruk en Beveil. afdruk. Als u de printer uitschakelt, wordt de taak verwijderd die is opgeslagen op de harde schijf. Testafdruk-bestanden worden niet op het bedieningspaneel weergegeven als deze al zijn uitgevoerd of verwijderd met de webbrowser voordat u Testafdruk selecteert via het bedieningspaneel. Testafdruk-bestanden die zijn afgedrukt of verwijderd met Web Image Monitor nadat u [Testafdruk] heeft geselecteerd via het bedieningspaneel, worden wel weergegeven. Er wordt echter een foutbericht weergegeven wanneer u probeert deze Testafdruk-bestanden uit te voeren of te verwijderen. Als u Mac OS X gebruikt, is de functie Testafdruk niet beschikbaar. Als het programma beschikt over een sorteerfunctie, moet u deze functie uitschakelen voordat u een afdruktaak verstuurt. Testafdrukken worden altijd automatisch door het printerstuurprogramma gesorteerd. Als de sorteeroptie is ingeschakeld in het dialoogvenster voor afdrukken van het programma, worden er mogelijk meer afdrukken gemaakt dan de bedoeling is. 283
284 Mac OS-configuratie A Geef een afdrukopdracht op vanuit een programma. Het dialoogvenster voor afdrukken wordt weergegeven. B Klik in het venstermenu op [Takenlijst]. C Klik bij [Taaktype:] op [Testafdruk] n selecteer vervolgens de juiste instelling. D Voer bij [Gebruiker ID:] de gebruikers-id in met maximaal acht alfanumerieke (a - z, A - Z, 0-9) tekens. Aan de hand van deze ID wordt de bij een bepaalde taak behorende gebruiker herkend. De gebruikers-id kan bestaan uit maximaal acht alfanumerieke (a - z, A - Z, 0-9) tekens. E Klik op [Print] nadat u de noodzakelijke instellingen heeft geconfigureerd. De Testafdruk-taak wordt naar de printer gestuurd en de eerste set wordt afgedrukt. F Bekijk de testafdruk om te controleren of de instellingen het gewenste resultaat hebben opgeleverd. Als dit het geval is, drukt u de resterende sets af. Zo niet, dan kunt u de opgeslagen taak verwijderen. Zie Pag.116 De overige sets afdrukken voor meer informatie over het afdrukken van de overige sets. Zie Pag.117 Een Testafdruk-bestand verwijderen voor meer informatie over het verwijderen van een Testafdruk-bestand. Beveil. afdruk gebruiken U kunt deze functie alleen gebruiken wanneer de harde schijf in de printer is geïnstalleerd. Het aantal pagina s dat door de printer kan worden opgeslagen, is afhankelijk van de inhoud van de bestanden. De printer kan maximaal 30 taken of 1000 pagina s opslaan voor Testafdruk en Beveil. afdruk. Als u de printer uitschakelt, wordt de taak verwijderd die is opgeslagen op de harde schijf. Beveil. afdruk-bestanden worden niet op het bedieningspaneel weergegeven als ze al zijn afgedrukt of verwijderd met Web Image Monitor voordat u [Beveil. afdruk] selecteert vanaf het bedieningspaneel. 284
285 Mac OS-configuratie Beveil. afdruk-bestanden die zijn afgedrukt of verwijderd met Web Image Monitor nadat u [Beveil. afdruk] heeft geselecteerd vanaf het bedieningspaneel, worden wel weergegeven. Er wordt echter een foutbericht weergegeven wanneer u probeert deze Beveil. afdruk-bestanden uit te voeren of te verwijderen. Als u Mac OS X gebruikt, is de functie Beveil. afdruk niet beschikbaar. Als het programma beschikt over een sorteerfunctie, moet u deze functie uitschakelen voordat u een afdruktaak verstuurt. Beveiligde afdrukken worden altijd automatisch door het printerstuurprogramma gesorteerd. Als de sorteeroptie is ingeschakeld in het dialoogvenster voor afdrukken van het programma, worden er mogelijk meer afdrukken gemaakt dan de bedoeling is. In de volgende gevallen worden afdruktaken niet opgeslagen op de harde schijf. U kunt in het foutenlogboek zien welke taken niet zijn opgeslagen. Als er 30 Testafdruk- en Beveil. afdruk-taken zijn opgeslagen op de harde schijf. Als het totale aantal pagina s dat op de harde schijf is opgeslagen meer dan 1000 bedraagt. A Geef een afdrukopdracht op vanuit een programma. Het dialoogvenster voor afdrukken wordt weergegeven. B Klik in het venstermenu op [Takenlijst]. C Klik bij [Taaktype:] op [Beveil. afdruk] en selecteer vervolgens de juiste instelling. D Voer bij [Gebruiker ID:] de gebruikers-id in met maximaal acht alfanumerieke (a - z, A - Z, 0-9) tekens en voer vervolgens een 4-cijferig wachtwoord in bij [Wachtwoord:]. Aan de hand van deze ID wordt de bij een bepaalde taak behorende gebruiker herkend. E Klik op [Print] nadat u de noodzakelijke instellingen heeft geconfigureerd. De Beveil. afdruk-taak wordt gestuurd naar de printer. F Voer het wachtwoord in via het bedieningspaneel en geef vervolgens op of de taak moet worden afgedrukt of verwijderd. Zie Pag.121 Een wachtwoord invoeren voor meer informatie over het invoeren van het wachtwoord. Zie Pag.122 Een Beveil. afdruk-bestand verwijderen voor meer informatie over het verwijderen van een taak. 285
286 Mac OS-configuratie Dubbelzijdig afdrukken Met deze functie kunt u dubbelzijdig afdrukken. Om deze functie te kunnen gebruiken, moet de optionele duplexeenheid in de printer zijn geïnstalleerd. U kunt geen dubbelzijdige afdrukken maken als u de handinvoer gebruikt. Geen Dubbelzijdig afdrukken uitschakelen. Omdraaien langs lange kant De afdruk wordt liggend op de pagina geplaatst, zodat u bij een set die langs de lange kant is ingebonden alles goed kunt lezen. Omdraaien langs korte kant De afdruk wordt staand op de pagina geplaatst, zodat u bij een set die langs de korte kant is ingebonden alles goed kunt lezen. De beschikbaarheid van deze items is afhankelijk van het besturingssysteem dat u gebruikt. Klik op de knop voor [Omdraaien langs lange kant] of [Omdraaien langs korte kant]. Kleurenmodus Met deze functie kunt u instellen of het document in kleur of zwart-wit moet worden afgedrukt. Kleur Kleurendocumenten worden in kleur afgedrukt. Kleurenafbeeldingen worden afgedrukt met CMYK-toner: Cyaan, Magenta, Geel en Zwart. CMYK vertegenwoordigt de drie primaire subtractieve kleuren. Als u de afdrukkleur wilt wijzigen, gebruikt u de instellingen in het dialoogvenster Geavanceerd. U kunt dit dialoogvenster openen met de knop Geavanceerd op het tabblad [Afdrukkwaliteit]. Zwart-wit Alles, ook kleurendocumenten, wordt in zwart-wit afgedrukt. Zwart-wit afdrukken zijn sneller klaar dan kleurenafdrukken. Als u wilt voorkomen dat zwartwitdelen in een document worden afgedrukt met CMYK-toner, selecteert u [Zwart-wit], zowel in het printerstuurprogramma als in het toepassingsprogramma. 286
287 Mac OS-configuratie Gradatie Met deze functie kunt u het type gradatie selecteren dat het meeste aansluit op uw vereisten. Snel Het afdrukken verloopt sneller, maar de afdrukkwaliteit is minder. Standaard De afdrukken hebben een goede gradatie. Kleurprofiel Met deze functie kunt u het kleurprofielpatroon selecteren. Automatisch Met deze instelling kunt u automatisch het beste kleurprofielpatroon configureren op basis van het uiterlijk van het document dat u wilt afdrukken. Fotografisch Deze instelling gebruikt u om de afdrukkwaliteit te verbeteren van foto s en afbeeldingen die middentonen bevatten. Presentatie Met deze kunt u de afdrukkwaliteit verbeteren van documenten die tekst en afbeeldingen bevatten. Deze CRD is het meest geschikt voor het afdrukken kleurendiagrammen en -grafieken, presentatiematerialen, enzovoort. Als u deze CRD gebruikt voor het afdrukken van foto s, worden de kleuren en de gradaties mogelijk niet zo goed gereproduceerd. Vaste kleur Gebruik deze instelling als u specifieke kleuren, logo s en dergelijke wilt afdrukken. Gebruikersinst. Met deze instelling kunt u afbeeldingen afdrukken met een CRD die u heeft gedownload vanuit uw programma. CLP-simulatie Als u deze instelling gebruikt, komen de kleuren op de afdruk zo veel mogelijk overeen met de kleuren op het beeldscherm van de computer. Gebruik deze functie om een CRD (Color Rendering Dictionary; kleurweergavebibliotheek) te selecteren. De CRD wordt geraadpleegd voor het afstemmen van de kleuren en daarom moet u de juiste CRD kiezen voor het document dat u wilt afdrukken. Er wordt altijd verwezen naar de geselecteerde CRD wanneer [Fijn] of [Super fijn] voor Kleurinstelling is geselecteerd. De volgende items zijn beschikbaar: [Automatisch], [Fotografisch], [Presentatie] en [Vaste kleur]. 287
288 Mac OS-configuratie Kleurinstelling Met deze functie kunt u instellen welke correctiemethode moet worden gebruikt voor kleurconversie. De CRD die u heeft geselecteerd in het Kleurprofiel wordt gebruikt. Uit Geen aanpassing van de kleurinstelling. Fijn Selecteer deze instelling om een CMYK-conversie en een kleuraanpassing uit te voeren op basis van de ingebouwde kleurprofielen. Er wordt afgedrukt met een uitvoerwaarde van Monitor γ = 1,8. Super fijn Selecteer deze instelling als u een CRD wilt gebruiken die overeenkomt met de instelling Fijn en die tevens een levendigere afdruk mogelijk maakt. Met deze instelling worden lichte kleuren benadrukt. Er wordt afgedrukt met een uitvoerwaarde van Monitor γ = 2,2. Gebruik deze functie om een CRD (Color Rendering Dictionary; kleurweergavebibliotheek) te selecteren. De CRD wordt geraadpleegd voor het afstemmen van de kleuren en daarom moet u de juiste CRD kiezen voor het document dat u wilt afdrukken. De geselecteerde CRD wordt ook geraadpleegd als [Fijn] of [Super fijn] is geselecteerd voor Kleurinstelling. De volgende items zijn beschikbaar: [Automatisch], [Fotografisch], [Presentatie] en [Vaste kleur]. CMYK-simulatieprofiel U kunt de kleurtoon van de afdrukinkt simuleren. U kunt standaard afdrukken met inkt in US OffsetPrint, Euroscale, JapanColor en PaletteColor. Dithering Met deze functie kunt u de modus Afbeeldingsweergave instellen. Fotografisch Als u deze functie selecteert, wordt dithering toegepast op een manier die geschikt is voor foto s. Tekst Als u deze functie selecteert, wordt dithering toegepast op een manier die geschikt is voor tekst. 288
289 Mac OS-configuratie Grijsreproductie Met deze functie kunt u de modus Zwarte kleur selecteren voor tekst en lijntekeningen. Zwart door K Selecteer deze instelling als u zwarte toner wilt gebruiken. Zwart/Grijs door K De zwarte delen worden grijs afgedrukt. CMY+K Selecteer deze instelling als u alle kleuren toner wilt gebruiken. Kleurafstemming Met deze functie kunt u aangeven of u de kleuren in de documenten wilt aanpassen voordat wordt afgedrukt, zodat de kleuren op de afdruk meer overeenkomen met de kleuren op het scherm. Beheer afbeeldingskleuren Open het dialoogvenster [Beheer afbeeldingskleuren] en klik vervolgens op deze knop om precies op te geven hoe u de beeldschermkleuren wilt aanpassen voordat wordt afgedrukt. 289
290 Mac OS-configuratie Printer Utility for Mac Met Printer Utility for Mac kunt u lettertypen downloaden, de naam van de printer wijzigen, enzovoort. Als een Macintosh-computer en een printer zijn aangesloten via een USBpoort, kunt u Printer Utility for Mac niet gebruiken. Printer Utility for Mac staat op de meegeleverde cd-rom Printer Drivers and Utilities. Printer Utility for Mac vereist Mac OS x of Mac OS X 10.1.x of Mac OS X 10.0.x en 10.2 worden niet ondersteund. Printer Utility for Mac installeren Volg de onderstaande stappen om Printer Utility for Mac te installeren op het apparaat. A Start de Macintosh-computer. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het symbool van de cd-rom verschijnt. C Dubbelklik op het pictogram van de harde schijf om deze te openen. D Dubbelklik op het symbool van de cd-rom. De inhoud van de cd-rom wordt weergegeven. E Dubbelklik op de map [Mac OS 8 and 9]. Dubbelklik voor Mac OS X op de map [Mac OS X]. F Dubbelklik op de map [PS Utility] op de cd-rom. G Dubbelklik op de map [Printer Utility for Mac]. H Dubbelklik op de map met de taal die u wilt gebruiken. I Sleep het bestand Printer Utility for Mac naar de harde schijf van de Macintosh-computer. J Sleep het cd-rom-pictogram naar de Prullenmand om de cd-rom uit te werpen. Printer Utility for Mac is geïnstalleerd. 290
291 Mac OS-configuratie Printer Utility for Mac starten Mac OS Voordat u Printer Utility for Mac start, moet u controleren of de printer is geselecteerd bij [Kiezer] in het Apple-menu. A Dubbelklik op het pictogram van Printer Utility for Mac. Het dialoogvenster [Printer Utility for Mac] wordt weergegeven. B Klik op [OK]. Het duurt enkele seconden voordat Printer Utility for Mac start. Mac OS X A Dubbelklik op het pictogram van Printer Utility for Mac. Het dialoogvenster [Printer Utility for Mac] wordt weergegeven. B Klik op [OK]. C Selecteer in het vak [Beschikbare printers:] de printer die u wilt gebruiken. Als u de zone heeft gewijzigd, selecteert u een naam in [Beschikbare netwerkzones:]. Klik op [Kies printer...] in het menu Printer Utility for Mac als u de printer wilt wijzigen. D Selecteer de printer die u wilt gebruiken. Het duurt enkele seconden voordat Printer Utility for Mac start. E Klik op [Kies]. 291
292 Mac OS-configuratie Printer Utility for Mac Functies PS-lettertypen downloaden U kunt de PS-lettertypen downloaden naar het geheugen van de printer of naar de harde schijf. Bij de onderstaande procedure voor het downloaden van de lettertypen wordt ervan uitgegaan dat u een systeembeheerder bent. Als dat niet het geval is, moet u contact opnemen met uw systeembeheerder. Tijdens het downloaden mag de stroom niet worden uitgeschakeld, het bedieningspaneel worden gebruikt of het printerpaneel worden geopend of gesloten. Wanneer de printer opnieuw wordt gestart, worden de standaardinstellingen van de printer hersteld. Bevestig dat de Macintosh-computer en de printer via AppleTalk met elkaar zijn verbonden. A Selecteer [PS-lettertypen downloaden...] in het [Bestand]-menu. B Klik op [Voeg toe aan lijst]. Het dialoogvenster voor het selecteren van lettertypen wordt weergegeven. C Selecteer de gewenste lettertypebestanden en klik op [Open]. Er wordt een lijst weergegeven met lettertypenamen die u kunt selecteren. D Klik op [OK] wanneer u alle lettertypen heeft toegevoegd die u wilt downloaden. Het dialoogvenster met geselecteerde lettertypen die kunnen worden gedownload wordt weergegeven. E Klik op [Download]. Het downloaden van de lettertypen wordt gestart en de downloadstatus wordt weergegeven. F Klik op [OK] wanneer het voltooiingsbericht wordt weergegeven. G Klik op [Annuleer]. Sommige lettertypen kunnen niet worden gedownload. Lees voordat u gaat downloaden de documentatie over de lettertypen die u wilt gebruiken. 292
293 Mac OS-configuratie Printerlettertypen weergeven U kunt de beschikbare lettertypen weergeven die naar printer zijn gedownload. De lettertypen die in het geheugen en op de harde schijf van de printer zijn opgeslagen, kunnen worden weergegeven. A Selecteer [Printerlettertypen weergeven...] in het menu [Archief]. Er wordt een dialoogvenster weergegeven. B Selecteer [Printergeheugen] of [Printerschijf]. C Klik op [OK]. De lettertypen die cursief worden weergegeven, zijn de standaardlettertypen. Lettertypen verwijderen U kunt lettertypen uit het geheugen of van de harde schijf van de printer verwijderen. De cursief weergegeven lettertypen kunnen niet worden verwijderd. A Selecteer [Printerlettertypen weergeven] in het menu [Archief]. Er wordt een dialoogvenster weergegeven. B Selecteer [Printergeheugen] of [Printerschijf]. C Selecteer de lettertypen die u wilt verwijderen. D Klik op [Verwijder]. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. E Bevestig de lettertypen die zullen worden verwijderd en de naam van de printer waarin ze zijn opgeslagen. F Klik op [Ga door] en daarna op [OK]. G Klik op [OK]. 293
294 Mac OS-configuratie De harde schijf van de printer initialiseren Als u de harde schijf van de printer initialiseert, worden alle lettertypen verwijderd die hierop zijn opgeslagen. Zorg er daarom voor dat u eerst controleert welke lettertypen op de harde schijf van de printer zijn opgeslagen voordat u de harde schijf initialiseert. Als u de harde schijf van de printer vanaf het bedieningspaneel initialiseert, worden alle gegevens verwijderd die hierop zijn opgeslagen. Zorg er daarom voor dat u eerst controleert welke gegevens op de harde schijf van de printer zijn opgeslagen voordat u de harde schijf initialiseert. Zorg ervoor dat de stroomtoevoer niet wordt uitgeschakeld voordat de initialisatie is voltooid, omdat de harde schijf anders kan worden beschadigd. A Selecteer [De harde schijf van de printer initialiseren...] in het menu [Archief]. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. Klik op [Annuleer] als u de initialisatie wilt annuleren. B Klik op [Voer uit]. De initialisatie wordt gestart. C Klik op [OK] wanneer het voltooiingsbericht wordt weergegeven. Pagina-instelling U kunt het papierformaat instellen waarop Print Fonts Catalogue en Prints Fonts Sample moeten worden afgedrukt. A Selecteer [Pagina-instelling...] in het [Bestand]-menu. B Selecteer het papierformaat. De lettertypencatalogus afdrukken U kunt de namen afdrukken van de lettertypen die in de printer zijn opgeslagen. A Selecteer [Lettertypencatalogus afdrukken] in het [Bestand]-menu. B Klik op [Druk af]. Het papier dat is geselecteerd in [Pagina-instelling] wordt gebruikt. 294
295 Mac OS-configuratie Voorbeelden van lettertypen afdrukken U kunt voorbeelden afdrukken van de lettertypen die op de harde schijf of in het geheugen zijn opgeslagen. A Selecteer [Voorbeeld van lettertypen afdrukken...] in het [Archief]-menu. B Klik op [Druk af]. Druk de voorbeelden af op het papier dat is geselecteerd in [Pagina-instelling]. De naam van de printer wijzigen U kunt de naam wijzigen van de printer die in AppleTalk wordt weergegeven. Als u verschillende printers op het netwerk heeft aangesloten, moet u aan elke printer een unieke naam toewijzen, zodat u ze van elkaar kunt onderscheiden. Als verschillende printers toch dezelfde naam hebben, wordt er in de [Kiezer] een cijfer weergegeven naast de printernaam. U kunt maximaal 31 cijfers en letters voor een printernaam gebruiken. Gebruik geen symbolen, zoals *, :, ~. Mac OS A Klik in het [Bestand]-menu op [Wijzig printernaam...]. B Geef in het vak [Nieuwe naam:] een nieuwe naam op. C Klik op [Wijzig naam]. De printernaam wordt gewijzigd. D Klik op [OK]. E Klik in het Apple-menu op de [Kiezer]. F Klik op het symbool [AdobePS]. G Selecteer de printer waarvan u de naam heeft gewijzigd en sluit de [Kiezer]. Als er meerdere AppleTalk-zones zijn, selecteert u de zone waartoe de printer behoort. 295
296 Mac OS-configuratie Mac OS X A Klik in het [Bestand]-menu op [Wijzig printernaam...]. B Geef in het vak [Nieuwe naam:] een nieuwe naam op. C Klik op [Wijzig naam]. De printernaam wordt gewijzigd. D Klik op [OK]. E Klik in het menu [Printer Utility for Mac] op [Kies Printer...]. F Selecteer in de lijst [Beschikbare netwerkzones:] de zone voor de Macintoshcomputer die u gebruikt. G Selecteer in de lijst [Beschikbare printers:] de printer waarvan u de naam heeft gewijzigd en klik op [Kies]. De printer opnieuw starten U kunt de printer opnieuw starten. A Selecteer [Start printer opnieuw] in het [Archief]-menu. B Bevestig het bericht dat wordt weergegeven en klik op [Start opnieuw]. De printer wordt opnieuw gestart. De lettertypen die naar het geheugen van de printer zijn gedownload, worden verwijderd. Wanneer de printer opnieuw wordt gestart, worden de standaardinstellingen van de printer hersteld. PostScript-bestanden downloaden U kunt een PostScript-bestand naar de printer downloaden. A Selecteer [PostScript-bestand downloaden...] in het [Utility]-menu. B Selecteer de naam van het bestand dat u wilt downloaden, klik op deze bestandsnaam en klik vervolgens op [Open]. C Typ de naam van het logboekbestand en klik vervolgens op [Sla op]. Het geselecteerde bestand wordt gedownload. Fouten worden opgeslagen in het logboekbestand. 296
297 Mac OS-configuratie De zone selecteren U kunt de zone wijzigen waartoe de printer in AppleTalk behoort. Bevestig dat de Macintosh-computer en de printer via AppleTalk met elkaar zijn verbonden. Mac OS A Klik in het menu [Hulpprogramma] op [Selecteer zone...]. De zone waartoe de printer behoort wordt weergegeven, evenals de lijst met beschikbare zones. B Selecteer de zone waarin u de printer wilt plaatsen en klik vervolgens op [Wijzig]. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. C Klik op [Doorgaan]. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. D Klik op [OK]. E Klik in het Apple-menu op de [Kiezer]. F Klik op het symbool [AdobePS]. G Selecteer de zone die u heeft gewijzigd in de lijst [AppleTalk-zone:]. H Selecteer in de lijst [Selecteer een PostScript-printer:] de printer die u wilt gebruiken. I Sluit het dialoogvenster van de [Kiezer]. 297
298 Mac OS-configuratie Mac OS X A Klik in het menu [Hulpprogramma] op [Selecteer zone...]. De zone waartoe de printer behoort wordt weergegeven, evenals de lijst met beschikbare zones. B Selecteer de zone waarin u de printer wilt plaatsen en klik vervolgens op [Wijzig]. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. C Klik op [Doorgaan]. Er wordt een bevestigingsbericht weergegeven. D Klik op [OK]. E Klik in het menu [Printer Utility for Mac] op [Kies Printer...]. F Selecteer de zone die u heeft gewijzigd in de lijst [Beschikbare netwerkzones:]. G Selecteer in de lijst [Beschikbare printers:] het printermodel dat u gebruikt en klik op [Kies]. De printerstatus weergeven U kunt de huidige status van de printer weergeven en bevestigen. A Selecteer [Printerstatus weergeven...] in het [Utility]-menu. De huidige status van de printer wordt weergegeven. B Bevestig de huidige status van de printer. U kunt de geheugencapaciteit, de virtuele-geheugenruimte, de status van het harde-schijfstation en de beschikbare ruimte op het harde-schijfstation bevestigen. U kunt de zone waartoe de printer behoort ook bevestigen. C Klik op [OK]. 298
299 Mac OS-configuratie De dialoogconsole starten U kunt een PostScript-bestand dat u wilt gebruiken ook bewerken en vervolgens downloaden naar de printer. Launch Dialogue Console is bedoeld voor gebruikers die PostScript goed kennen. U kunt alleen PostScript-bestanden naar de printer downloaden. U gebruikt Launch Dialogue Console op eigen risico. A Selecteer [Dialoogconsole starten...] in het [Utility]-menu. Open het bewerkingsvenster. De menubalk van de dialoogconsole wordt weergegeven. B Typ de PostScript-opdracht in het bewerkingsvenster. Als u een PostScript-bestand wilt bewerken, selecteert u [Open] in het [Bestand]-menu om het bestand te openen Met het [Zoek]-menu kunt u zoeken naar een tekenreeks en deze desgewenst vervangen. C Nadat u het PostScript-bestand heeft gewijzigd, selecteert u [Bovenste venster downloaden] in het [Console]-menu om het afdrukken te starten Het PostScript-bestand wordt naar de printer gestuurd. Het vak [Respons van printer] wordt geopend, afhankelijk van het PostScriptbestand dat u verstuurt. D Selecteer [Terug naar hoofdmenu] in het [Console]-menu om het PostScriptbestand te sluiten. 299
300 Aanhangsel Software en hulpprogramma s die worden meegeleverd op de cd-rom De cd-rom s die met de printer worden meegeleverd, bevatten de volgende software en hulpprogramma s. Font Manager 2000 Hiermee kunnen nieuwe schermlettertypen worden geïnstalleerd of de bestaande lettertypen in het systeem worden georganiseerd en beheerd. Raadpleeg de handleiding op de cd-rom Printer Drivers and Utilities voor informatie over Font Manager SmartDeviceMonitor for Admin Hiermee kan de systeembeheerder netwerkprinters beheren. Help-functie van SmartDeviceMonitor for Admin SmartDeviceMonitor for Client Hiermee kunnen gebruikers de afdrukstatus in het netwerk beheren. Help-functie van SmartDeviceMonitor for Client 1394-hulpprogramma Dit programma is bedoeld voor de optionele IEEE 1394-interface-eenheid. Zie het Leesmij-bestand of de handleiding die met de IEEE 1394-interfaceeenheid is meegeleverd. Ondersteuning voor USB-afdrukken Dit programma zorgt voor de verbinding met computers met Windows 98 SE/ME via USB. De inhoud van de cd-rom bekijken Volg de onderstaande procedure om de inhoud van de cd-rom te bekijken. A Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. B Klik op [Blader door deze CD-ROM]. De Explorer wordt gestart en geeft de inhoud van de cd-rom weer. G _1.00 Copyright
301 Aanhangsel Printerstuurprogramma s voor deze printer U moet een printerstuurprogramma voor uw besturingssysteem installeren om te kunnen afdrukken. De cd-rom die is meegeleverd met de printer bevat de volgende stuurprogramma s. Printerstuurprogramma PCL 5c/6 Dit printerstuurprogramma stelt de computer in staat via een printertaal met de printer te communiceren. De volgende besturingssystemen worden ondersteund. Windows 95/98/ME, Windows 2000/XP, Windows Server 2003 en Windows NT 4.0 Voor Windows NT 4.0 is Service Pack 6 of hoger vereist. Met het PCL 5c-stuurprogramma kan alleen in zwart-wit worden afgedrukt. Printerstuurprogramma RPCS Dit printerstuurprogramma stelt de computer in staat via een printertaal met de printer te communiceren. Naast de gebruikelijke gebruikersinterface wordt een andere vooraf ingestelde gebruikersinterface meegeleverd. De volgende besturingssystemen worden ondersteund. Windows 95/98/ME, Windows 2000/XP, Windows Server 2003 en Windows NT 4.0 Voor Windows NT 4.0 is Service Pack 6 of hoger vereist. PostScript-printerstuurprogramma s en PPD-bestanden De cd-rom die is meegeleverd met deze printer bevat PostScript-printerstuurprogramma s en PPD-bestanden. PostScript-printerstuurprogramma stellen de computer in staat via een printertaal met de printer te communiceren. Met PPDbestanden kan het printerstuurprogramma printerspecifieke functies inschakelen. De volgende besturingssystemen worden ondersteund. Windows 95/98/ME, Windows 2000/XP, Windows Server 2003, Windows NT 4.0, Mac OS en Mac OS X De PostScript-printerstuurprogramma s en PPD-bestanden kunt u vinden op de meegeleverde cd-rom Printerstuurprogramma s en hulpprogramma s. Voor Mac OS is versie 8.6 of hoger vereist. (Mac OS X Classic-omgeving wordt ondersteund.) PPD-bestanden De PPD-bestanden kunt u vinden op de cd-rom die is meegeleverd met deze printer. Met PPD-bestanden kan het printerstuurprogramma printerspecifieke functies inschakelen. 301
302 Aanhangsel SmartDeviceMonitor for Admin SmartDeviceMonitor for Admin is een toepassing die TCP/IP en IPX/SPX gebruikt voor het controleren van netwerkprinters. Deze kan meerdere netwerkprinters controleren met een IP-adres. We raden de netwerkbeheerders aan om deze toepassing te gebruiken. Bestandspad SmartDeviceMonitor for Admin staat in de onderstaande map op de cd-rom. NETWORKDEVMONADMINDISK1 Besturingssysteem Windows 95/98/Me Protocolstack TCP/IP voor Windows 95/98/Me IPX/SPX voor Windows 95/98/Me NetWare Client voor Windows 95/98 Novell Client voor Windows 95/98 Windows 2000 TCP/IP voor Windows 2000 IPX/SPX voor Windows 2000 NetWare Client voor Windows 2000 Novell Client voor Windows 2000 of Windows NT Windows XP TCP/IP voor Windows XP IPX/SPX voor Windows XP NetWare Client voor Windows XP Novell Client voor Windows XP Windows Server 2003 TCP/IP voor Windows Server 2003 IPX/SPX voor Windows Server 2003 NetWare Client voor Windows Server 2003 NetWare Client voor Windows Server 2003 Windows NT 4.0 TCP/IP voor Windows NT IPX/SPX voor Windows NT Client Service for NetWare voor Windows NT Novell Client voor Windows 2000 of Windows NT Beschikbare functies In SmartDeviceMonitor for Admin moeten de volgende functies worden gecontroleerd: Printervoorraden zoals papier en toner. Het resultaat van afdruktaken die vanaf de computer zijn uitgevoerd. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Admin voor meer informatie over SmartDeviceMonitor for Admin. 302
303 Aanhangsel SmartDeviceMonitor for Client SmartDeviceMonitor for Client heeft de volgende functies. We raden de gebruikers aan om deze toepassing te installeren. Afdrukken in een peer-to-peer-netwerk met TCP/IP en IPP vanaf Windows 95/98/Me/2000/XP, Windows Server 2003 en Windows NT 4.0. Voortdurende controle van de status van de apparaten in het netwerk met TCP/IP en IPX/SPX. Bestandspad SmartDeviceMonitor for Client staat in de onderstaande map op de cd-rom. NETWORKDEVMONCLIENTDISK1 Besturingssysteem Windows 95/98/Me Protocolstack TCP/IP voor Windows 95/98/Me IPX/SPX voor Windows 95/98/Me NetBEUI voor Windows 95/98/Me Novell Client voor Windows 95/98/Me Windows 2000 TCP/IP voor Windows 2000 IPX/SPX voor Windows 2000 NetWare Client voor Windows 2000 Novell Client voor Windows 2000 of NT Windows XP TCP/IP voor Windows XP IPX/SPX voor Windows XP NetWare Client voor Windows XP Novell Client voor Windows XP Windows Server 2003 TCP/IP voor Windows Server 2003 IPX/SPX voor Windows Server 2003 NetWare Client voor Windows Server 2003 NetWare Client voor Windows Server 2003 Windows NT 4.0 TCP/IP voor Windows NT IPX/SPX voor Windows NT Client Service for NetWare voor Windows NT Novell Client voor Windows 2000 of Windows NT 303
304 Aanhangsel Beschikbare functies SmartDeviceMonitor for Client heeft de volgende functies. Peer-to-peer-afdrukfunctie Hiermee kan rechtstreeks op de netwerkprinter worden afgedrukt, zonder dat er gegevens worden verzonden naar een afdrukserver. Hiermee wordt op een alternatieve printer afgedrukt wanneer er op de opgegeven printer te veel taken in de wacht staan of wanneer het afdrukken wordt belemmerd door een fout (Herstelafdrukken). Wijst meerdere afdruktaken toe aan meerdere printers (Parallel afdrukken). Voert een voorafgaande groepsregistratie van printers uit die zijn opgegeven voor herstelafdrukken of parallel afdrukken. Meldingsfunctie Geeft een foutbericht weer wanneer een fout is opgetreden op de opgegeven printer tijdens het overdragen of afdrukken van gegevens. Meldt wanneer een afdruktaak is voltooid. Ook kan een melding worden weergeven over de afdrukstatus, bijvoorbeeld een melding op het moment dat herstelafdrukken worden uitgevoerd. Controlefunctie Controleert de printervoorraden zoals het papier en de toner. Controleert tegelijkertijd meerdere printers in gebruik. Controleert de netwerkinstellingen van de printer en gedetailleerde printerinformatie. Zorgt dat u het logboek van afdruktaken kunt controleren via uw gebruiker-id. Voor herstelafdrukken of parallel afdrukken moeten de opties op de printer gelijk zijn. Als een benodigde optie niet is geïnstalleerd, kan de printer niet worden gebruikt voor herstelafdrukken of parallel afdrukken. Voor herstelafdrukken of parallel afdrukken moeten de printers hetzelfde papier bevatten. Wanneer u een lade voor het afdrukken heeft geselecteerd, moet u er voor zorgen dat hetzelfde papier in die lade van alle printers zit. Voor herstelafdrukken of parallel afdrukken kunnen de afdrukresultaten afwijken als de printers niet van hetzelfde model zijn of niet exact dezelfde opties hebben. Als u Testafdruk of Beveiligde afdruk selecteert, kunt Herstel afdrukken en Parallel afdrukken niet selecteren. Raadpleeg de Help-functie van SmartDeviceMonitor for Client voor meer informatie over SmartDeviceMonitor for Client. 304
305 Aanhangsel Voorzorgsmaatregelen bij het gebruik van de printer binnen een netwerk Een inbelrouter aansluiten op een netwerk Indien de NetWare-bestandsserver en de printer zich aan de tegenovergestelde zijden van een router bevinden, worden er pakketjes heen en weer gestuurd waardoor de verbindingskosten stijgen. Omdat de pakketverzending een specificatie van NetWare is, moet u de configuratie van de router wijzigen. Indien uw netwerk u niet toestaat de router te configureren, kunt u in plaats daarvan de printer configureren. De router configureren Filter de pakketten zodat ze de inbelrouter niet passeren. Het MAC-adres van de printer dat het filteren uitvoert, wordt afgedrukt op de configuratiepagina van de printer. Zie Pag.141 Een configuratiepagina afdrukken voor meer informatie over het afdrukken van een configuratiepagina. Raadpleeg onderstaande aanwijzingen voor meer informatie over het configureren van de printer als configuratie van de router niet mogelijk is. De printer configureren met NetWare A Configureer de bestandsserver. B Stel het frametype in voor een NetWare-omgeving. Zie Pag.160 Type frame (NW) voor meer informatie over het selecteren van een frametype. De printer configureren zonder NetWare A Wanneer niet wordt afgedrukt, stuurt de netwerkinterface pakketten via het netwerk. Stel NetWare in op inactief. Zie Pag.161 Actief protocol voor informatie over het selecteren van protocollen. 305
306 Aanhangsel DHCP gebruiken Deze printer kan worden gebruikt in een DHCP-omgeving. In een WINS-serveromgeving kan de printernaam tegelijkertijd worden aangemeld bij een WINSserver. Let op de volgende punten wanneer u een Ethernet-interface en een IEEE interface (IP over 1394) tegelijkertijd installeert. Wanneer statische IP-adressen worden ingesteld voor elke interface IP-adres: wanneer dezelfde waarden zijn ingesteld, gaat de voorkeur uit naar de Ethernet-interface. Subnetmasker: wanneer waarden elkaar overlappen, gaat de voorkeur uit naar de Ethernet-interface. Gateway-adres: de ingestelde waarde wordt gebruikt. Stel als gatewayadres een adres in dat binnen het door de interface ingestelde subnetwerk ligt. Als een waarde wordt ingesteld die buiten het door de interface ingestelde subnetbereik valt, wordt het adres gelijkgesteld met Wanneer elke instelling wordt verkregen van de DHCP-server IP-adres, subnetmasker: ingesteld voor elke waarde die wordt verkregen van de DHCP-server op een verbonden interface. Wanneer elkaar overlappende of identieke IP-adressen in het subnet worden ingesteld, wordt alleen de actieve waarde met de hoogste prioriteit ingesteld voor de interface. In de standaardinstelling heeft Ethernet de hoogste prioriteit. AutoNet: een automatisch privé-adres ( xxx.xxx) wordt ingesteld voor de interfaces met de hoogste prioriteit. In de standaardinstelling heeft IEEE 1394 (IP over 1394) de hoogste prioriteit. Gateway-adres, DNS-serveradres, domeinnaam: instellingen worden gedefinieerd voor de via DHCP verkregen waarden met de hoogste interfaceprioriteit. Als het gateway-adres buiten het door de interface ingestelde subnetwerk valt, wordt het gelijkgesteld met In de standaardinstelling heeft Ethernet de hoogste prioriteit. 306
307 Aanhangsel Wanneer de instellingen van de statische IP-adressen en de van DHCP verkregen waarde elkaar overlappen IP-adres, subnetmasker: wanneer het statische IP-adres en de van DHCP verkregen waarde (IP-adres) identiek zijn, of wanneer de statische subnetmaskerwaarde en de van DHCP verkregen subnetmaskerwaarde elkaar overlappen, is de interface die is ingesteld door het statische IP-adres beschikbaar via de ingestelde waarde. De door DHCP ingestelde interface wordt teruggesteld op de standaardwaarde. Gateway-adres: de handmatig ingestelde waarde wordt gebruikt. Wanneer een gateway-adres buiten het subnetbereik van de interface valt, wordt het gelijkgesteld aan Wanneer het statische IP-adres niet wordt ingesteld, of wordt ingesteld op , wordt de interface die de van DHCP verkregen waarde instelt geactiveerd. De volgende besturingssystemen voor DHCP-servers worden ondersteund: Windows 2000 Server, Windows NT 4.0 Server Service Pack 4 of hoger, Net- Ware en UNIX standaard. Het van DHCP verkregen IP-adres kan worden gecontroleerd op de configuratiepagina. Zie Pag.141 Een configuratiepagina afdrukken voor meer informatie over het afdrukken van een configuratiepagina. Wanneer u een WINS-server gebruikt, stelt u de WINS-server in zoals beschreven op Pag.308 De WINS-server configureren. Met een WINS-server kunnen hostnamen worden gebruikt voor netwerkprinterpoorten op afstand. Als u de WINS-server niet gebruikt, reserveert u het IP-adres van de printer in de DHCP-server, zodat iedere keer hetzelfde IP-adres wordt toegekend. Wanneer er meerdere DHCP-servers zijn, moet u hetzelfde adres reserveren voor alle servers. Deze printer gebruikt informatie van de DHCP-server die het eerst reageert. De DHCP relay-agent wordt niet ondersteund. Als u een DHCP-relay-agent gebruikt op een netwerk via een ISDN-lijn, zorgt dit voor hoge verbindingskosten. Dit komt doordat de computer bij iedere verzending van een pakket van de printer verbinding maakt met de ISDN-lijn. 307
308 Aanhangsel AutoNet gebruiken Als het IP-adres van de printer niet automatisch door een DHCP-server wordt toegekend, dan kan een tijdelijk IP-adres dat begint met en dat niet op het netwerk wordt gebruikt automatisch door de printer worden geselecteerd. U moet de instelling wijzigen in on om AutoNet te gebruiken. Zie Pag.199 autonet. Het IP-adres dat is toegewezen met DHCP heeft een hogere prioriteit dan het IP-adres dat wordt geselecteerd door AutoNet. De printer start opnieuw en kan hierdoor tijdelijk niet worden gebruikt. U kunt het huidige IP-adres op de configuratiepagina controleren. Zie Pag.141 Een configuratiepagina afdrukken voor meer informatie over het afdrukken van een configuratiepagina. Als AutoNet actief is, wordt de printernaam niet aangemeld bij de WINS-server. Er kan geen communicatie plaatsvinden behalve tussen eenheden die zijn opgestart met AutoNet. Communicatie kan echter plaatsvinden met Macintosh-computers met Mac OS X of hoger. De WINS-server configureren De printer kan worden geconfigureerd voor aanmelding van de NetBIOS-naam bij een WINS-server zodra de printer wordt aangezet. Hierdoor kan de NetBIOSnaam van de printer worden opgegeven in SmartDeviceMonitor for Admin, zelfs in een DHCP-omgeving. In dit gedeelte wordt de configuratie van de WINS-server besproken. WINS-servers met Windows NT 4.0 Server Service Pack 4 of hoger en Windows 2000 Servers WINS Manager worden ondersteund. Zie Windows Help voor meer informatie over de instellingen van de WINSserver. Als de WINS-server niet reageert, wordt de NetBIOS-naam aangemeld via een broadcast. U kunt een servicenaam van maximaal 13 alfanumerieke tekens opgeven. 308
309 Aanhangsel Web Image Monitor gebruiken A Start een webbrowser. B Voer printer)/ in de adresbalk in om naar de printer te gaan waarvan u de instellingen wilt wijzigen. De bovenste pagina van Web Image Monitor wordt weergegeven. C Klik op [Inloggen]. Het dialoogvenster voor het opgeven van uw gebruikersnaam en wachtwoord wordt weergegeven. D Geef de gebruikersnaam en het wachtwoord op en klik op [OK]. Neem contact op met uw netwerkbeheerder voor informatie over de betreffende instellingen. E Klik in het linkergebied op [Configuratie] en klik vervolgens op [Netwerk]. F Klik op [TCP/IP]. G Controleer of [Inschk.] is geselecteerd bij [WINS] in de kolom [Ethernet+IEEE b] en voer vervolgens het IP-adres van de WINS-server in bij [Primaire WINS-server] en [Secundaire WINS-server]. Voer dezelfde bewerkingen uit in de kolom [IP over 1394] bij het installeren van de optionele uitbreiding 1394 interfacekaart en gelijktijdig gebruik van IP over H Klik op [Pas toe]. I Sluit Web Image Monitor. telnet gebruiken Zie Pag.197 telnet gebruiken. 309
310 Aanhangsel De dynamische DNS-functie gebruiken Dynamische DNS is een functie voor het dynamisch bijwerken (registratie en verwijdering) van records (A-record en PTR-record) die worden beheerd door de DNS-server. Records kunnen dynamisch worden bijgewerkt met deze functie wanneer een DNS-server deel uitmaakt van de netwerkomgeving waar de printer, een DNS-client, is aangesloten. Bijwerken De bijwerkprocedure hangt af van het type IP-adres van de printer: statisch of verkregen via DHCP. Als de dynamische DNS-functie niet wordt gebruikt moeten de records beheerd door de DNS-server handmatig worden bijgewerkt wanneer het IPadres van de printer wordt gewijzigd. De instellingen van de DNS-server moeten als volgt zijn om de records via de printer bij te werken: Geen beveiligingsinstellingen. Als er beveiligingsinstellingen worden opgegeven, moet een client met een statisch IP-adres (deze printer) het bijwerken toestaan. Voor een statische IP-instelling De A- en PTR-records worden bijgewerkt wanneer het IP-adres of de hostnaam worden gewijzigd. Als een A-record wordt geregistreerd, wordt CNAME ook geregistreerd. De volgende CNAME s kunnen worden geregistreerd: Ethernet en IEEE b RNPXXXXXX (XXXXXX staat voor de laatste 3 hexadecimale bytes van het MAC-adres) IEEE 1394 RNPXXXXXXXXXX (XXXXXXXXXX staat voor de laagste 3 tot 7 bytes van het MAC-adresin hexadecimale notatie) Voor DHCP-instellingen In plaats van de printer werkt de DHCP-server de record bij. Een van de volgende zaken zal plaatsvinden: Als de printer het IP-adres via de DHCP-server verkrijgt, werkt de DHCPserver de A- en PTR-records bij. Als de printer het IP-adres via de DHCP-server verkrijgt, werkt de printer de A-record en de DHCP-server de PTR-record bij. Als een A-record wordt geregistreerd, wordt CNAME ook geregistreerd. De volgende CNAME s kunnen worden geregistreerd: 310
311 Aanhangsel Ethernet en IEEE b RNPXXXXXX (XXXXXX staat voor de laatste 3 hexadecimale bytes van het MAC-adres) IEEE 1394 RNPXXXXXXXXXX (XXXXXXXXXX staat voor de laagste 3 tot 7 bytes van het MAC-adresin hexadecimale notatie) Het dynamisch bijwerken via berichtverificatie (TSIG, SIG(0)) wordt niet ondersteund. Geschikte DNS-servers Voor statische IP-instelling Microsoft DNS-servers met standaardfuncties van Windows 2000 Server/Windows Server 2003 BIND of hoger Voor DHCP-instelling als de printer de A-record bijwerkt Microsoft DNS-servers met standaardfuncties van Windows 2000 Server/Windows Server 2003 BIND of hoger Voor DHCP-instelling als de DHCP-server de records bijwerkt Microsoft DNS-servers met standaardfuncties van Windows 2000 Server/Windows Server 2003 BIND of hoger DNS servers met standaardfuncties van NetWare 5 (of een hogere versie) Geschikte DHCP-servers De volgende DHCP-servers kunnen in plaats van de printer de A- en PTR-records bijwerken: Microsoft DHCP-servers met een standaardfuncties van Windows 2000 Server (Service Pack 3 of hoger)/windows Server 2003 ISC DHCP 3.0 of hoger DHCP-server met standaardfuncties van NetWare 5 De dynamische DNS-functie instellen Geef de instellingen op in telnet met de opdracht dns. Zie Pag.203 dns voor meer informatie. 311
312 Aanhangsel SSL-codering configureren Dit gedeelte beschrijft het configureren van de SSL-codering (secure sockets layer). SSL-codering (Secure Sockets Layer) Maak een certificaat aan en installeer deze om het communicatiepad te beveiligen en gecodeerde communicatie in te schakelen. U kunt een servercertificaat op twee manieren maken: u kunt een zelf-ondertekend certificaat maken op de computer of een certificaat laten maken en installeren door een certificeringsinstantie. Configuratie (zelf-ondertekend certificaat) A Het servercertificaat maken en installeren Installeer het servercertificaat met Web Image Monitor. B SSL inschakelen Schakel de instelling [SSL/TLS] in met Web Image Monitor. 312
313 Aanhangsel Configuratie (certificaat van een certificeringsinstantie) A Het servercertificaat maken Maak het servercertificaat met Web Image Monitor. De aanvraagprocedure na het maken van het certificaat hangt af van de certificeringsinstantie. Voer de procedure uit zoals die is opgegeven door de certificeringinstantie. B Het servercertificaat installeren Installeer het servercertificaat met Web Image Monitor. C SSL inschakelen Schakel de instelling [SSL/TLS] in met Web Image Monitor. U kunt bevestigen dat de SSL-configuratie is ingeschakeld door apparaat) in te voeren in de adresbalk van uw webbrowser om naar het apparaat te gaan. Indien de boodschap De pagina kan niet worden weergegeven verschijnt, controleert u de configuratie, aangezien de SSL-configuratie ongeldig is. Een zelf-ondertekend certificaat maken en installeren Maak en installeer het servercertificaat met Web Image Monitor. In dit gedeelte wordt beschreven hoe u een zelf-ondertekend certificaat kunt gebruiken als het servercertificaat. A Open een webbrowser. B Voer printer)/ in de adresbalk in voor toegang tot de printer. C Selecteer de Beheerdersmodus. Zie Pag.180 Toegang in de beheerdersmodus voor informatie over het selecteren van de Beheerdersmodus in Web Image Monitor. D Klik op [Configuratie], en klik vervolgens op [Beveiliging] en op [Certificaten]. E Klik op [Maak]. 313
314 Aanhangsel F Geef de benodigde instellingen op. Algemene naam: Voer de algemene naam in van het servercertificaat met maximaal 64 tekens (verplicht). De algemene naam mag geen spaties bevatten en maakt onderscheid tussen hoofd- en kleine letters. Het standaardadres is het IP-adres van de in gebruik zijnde interfacekaart. Organization: Voer de volledige naam in van uw bedrijf, met maximaal 64 tekens (optioneel). De naam van de organisatie mag geen spaties bevatten en maakt onderscheid tussen hoofd- en kleine letters. Organisatie-eenheid: Voer de afdeling van uw bedrijf in dat het certificaat aanvraagt, met maximaal 64 tekens (optioneel). De naam van de afdeling mag geen spaties bevatten en maakt onderscheid tussen hoofd- en kleine letters. Plaats/District: Voer de stad/locatie in waar het apparaat zich bevindt, met maximaal 128 tekens (optioneel). De stad/locatienaam mag geen spaties bevatten en maakt onderscheid tussen hoofd- en kleine letters. Staat/Provincie: Voer de staat/provincie in waar het apparaat zich bevindt, met maximaal 128 tekens (optioneel). De staat/provincienaam mag geen spaties bevatten en maakt onderscheid tussen hoofd- en kleine letters. Landcode: Voer het land in waarin het apparaat zich bevindt, gebruik hiervoor twee-letterige landafkortingen volgens ISO 3166 (verplicht). Geldigheidsperiode: Voer de periode in waarover het certificaat geldig is, in jaren. Standaard is één jaar. Geldigheid startdatum: Voer de startdatum in van de geldigheid van het servercertificaat. Standaard geldt de huidige datum verkregen van de interne klok van de computer die toegang tot Web Image Monitor heeft. G Klik op [OK]. [Geïnstalleerd] verschijnt in [Status certificaat] waarmee wordt getoond dat voor de printer een servercertificaat is geïnstalleerd. Klik op [Verwijd.] om het servercertificaat van de printer te verwijderen. Een servercertificaat maken (certificaat van een certificeringsinstantie) Maak het servercertificaat met Web Image Monitor. In dit gedeelte wordt beschreven hoe u een certificaat van een certificeringsinstantie kunt gebruiken als het servercertificaat. A Open een webbrowser. B Voer printer)/ in de adresbalk in voor toegang tot de printer. 314
315 Aanhangsel C Selecteer de Beheerdersmodus. Voor nadere informatie over het selecteren van de Beheerdersmodus in Web Image Monitor, verwijzen wij u naar Pag.180 Toegang in de beheerdersmodus. D Klik op [Configuratie], en klik vervolgens op [Beveiliging] en op [Certificaten]. De pagina [Certificaatinformatie] wordt weergegeven. E Klik op [Verzoek]. F Geef de benodigde instellingen op. Algemene naam: Voer de algemene naam in van het servercertificaat met maximaal 64 tekens (verplicht). De algemene naam mag geen spaties bevatten en maakt onderscheid tussen hoofd- en kleine letters. Het standaardadres is het IP-adres van de in gebruik zijnde interfacekaart. Organization: Voer de volledige naam in van uw bedrijf, met maximaal 64 tekens (optioneel). De naam van de organisatie mag geen spaties bevatten en maakt onderscheid tussen hoofd- en kleine letters. Organisatie-eenheid: Voer de afdeling van uw bedrijf in dat het certificaat aanvraagt, met maximaal 64 tekens (optioneel). De naam van de afdeling mag geen spaties bevatten en maakt onderscheid tussen hoofd- en kleine letters. Plaats/District: Voer de stad/locatie in waar het apparaat zich bevindt, met maximaal 128 tekens (optioneel). De stad/locatienaam mag geen spaties bevatten en maakt onderscheid tussen hoofd- en kleine letters. Staat/Provincie: Voer de staat/provincie in waar het apparaat zich bevindt, met maximaal 128 tekens (optioneel). De staat/provincienaam mag geen spaties bevatten en maakt onderscheid tussen hoofd- en kleine letters. Landcode: Voer het land in waarin het apparaat zich bevindt, gebruik hiervoor twee-letterige landafkortingen volgens ISO 3166 (verplicht). Geldigheidsperiode: Voer de periode in waarover het certificaat geldig is, in jaren. Standaard is één jaar. Geldigheid startdatum: Voer de startdatum in van de geldigheid van het servercertificaat. Standaard geldt de huidige datum verkregen van de interne klok van de computer die toegang tot Web Image Monitor heeft. G Klik op [OK]. [Verzoeken] verschijnt in [Status certificaat]. Gebruik de gegevens in het dialoogvenster [Inhoud verzoek om certificaat:] voor het aanmelden bij een certificeringsinstantie. 315
316 Aanhangsel H Benader de certificeringsinstantie voor het servercertificaat. De aanvraagprocedure hangt af van de certificeringsinstantie. Neem contact op met de certificeringsinstantie voor meer informatie. Maak bij aanvraag gebruik van de gegevens die zijn gemaakt met Web Image Monitor. Met Web Image Monitor kunt u de inhoud van het servercertificaat maken, maar kunt u geen aanvraag verzenden. Klik op [Annuleer verzoek] om de aanvraag voor het servercertificaat te annuleren. Een servercertificaat installeren (certificaat van een certificeringsinstantie) Installeer het servercertificaat met Web Image Monitor. In dit gedeelte wordt beschreven hoe u een certificaat van een certificeringsinstantie kunt gebruiken als het servercertificaat. Voer de inhoud in van het servercertificaat afkomstig van de certificeringsinstantie. A Open een webbrowser. B Voer printer)/ in de adresbalk in voor toegang tot de printer. C Selecteer de Beheerdersmodus. Voor nadere informatie over het selecteren van de Beheerdersmodus in Web Image Monitor, verwijzen wij u naar Pag.180 Toegang in de beheerdersmodus. D Klik op [Configuratie], en klik vervolgens op [Beveiliging] en op [Certificaten]. De pagina [SSL Certificate] wordt weergegeven. E Klik op [Installeren]. F Voer de inhoud in van het servercertificaat. Voer in het getoonde veld de inhoud in van het servercertificaat, afkomstig van de certificeringsinstantie. Raadpleeg de Help-functie van Web Image Monitor voor meer informatie over de weergegeven items en te selecteren items. G Klik op [OK]. [Geïnstalleerd] verschijnt in [Status certificaat] waarmee wordt getoond dat voor de printer een servercertificaat is geïnstalleerd. 316
317 Aanhangsel SSL inschakelen Schakel de SSL-instelling in nadat u het servercertificaat heeft geïnstalleerd op the printer. Deze procedure wordt gebruikt voor zelf-ondertekende certificaten of een certificaat van een certificeringsinstantie. A Open een webbrowser. B Voer printer)/ in de adresbalk in voor toegang tot de printer. C Selecteer de Beheerdersmodus. Voor nadere informatie over het selecteren van de Beheerdersmodus in Web Image Monitor, verwijzen wij u naar Pag.180 Toegang in de beheerdersmodus. D Klik op [Configuratie], en klik vervolgens op [Beveiliging] en op [SSL/TLS]. De pagina [SSL/TLS Settings] wordt weergegeven. E Klik op [Inschk.] voor [SSL/TLS]. F Klik op [Pas toe]. De SSL-instelling is ingeschakeld. Als u SSL gebruikt, voert u apparaat)/ in om naar de printer te gaan. Hiervoor dient Internet Explorer 5.5 of hoger, of Netscape 7.0 of hoger op uw computer te zijn geïnstalleerd. 317
318 Aanhangsel Gebruikersinstellingen voor SSL (Secure Sockets Layer) Als u een servercertificaat heeft geïnstalleerd en SSL (Secure Sockets Layer) heeft ingeschakeld, moet u het certificaat installeren op de computer van de gebruiker. De procedure voor de installatie van het certificaat moet aan de gebruikers worden uitgelegd door de beheerder. Als tijdens het gebruik van de webbrowser of IPP op de computer een waarschuwingsbericht wordt weergegeven, moet u de Certificate Import Wizard starten en een certificaat installeren. A Wanneer het dialoogvenster [Beveiligingswaarschuwing] wordt weergegeven, klikt u op [Certificaat weergeven]. Het dialoogvenster [Certificaat] wordt weergegeven. Controleer de inhoud van het certificaat om klanten te kunnen beantwoorden aangaande problemen zoals de geldigheidsduur van het certificaat. B Klik in het tabblad [Algemeen] op [Certificaat installeren...]. De wizard Certificaat importeren wordt nu gestart. C Installeer het certificaat aan de hand van de instructies bij de wizard Certificaat importeren. Zie de Help-functie van de webbrowser voor meer informatie over het installeren van het certificaat. Als een certificaat van de certificeringsinstantie is geïnstalleerd op de printer, bevestigt u de opslaglocatie van het certificaat met de certificeringsinstantie. 318
319 Aanhangsel Het certificaat installeren met SmartDeviceMonitor for Client Als het dialoogvenster [Beveiligingswaarschuwing] wordt weergeven tijdens het afdrukken of wanneer u via IPP probeert toegang te krijgen tot de printer om een IPP-poort te selecteren of te configureren, moet u het certificaat installeren. Wanneer u tijdens het uitvoeren van de Wizard Certificaat importeren een opslaglocatie voor het certificaat moet opgeven, klikt u op [Alle certificaten in het onderstaande archief opslaan] en klikt u vervolgens op [Lokale computer] onder [Archief met vertrouwde hoofdcertificeringsinstanties]. Internet Explorer moet op uw computer zijn geïnstalleerd. Gebruik de meest recente versie. Internet Explorer 6.0 of hoger wordt aanbevolen. A Wanneer [Beveiligingswaarschuwing] wordt weergegeven, klikt u op [Certificaat weergeven]. Het dialoogvenster [Certificaat] wordt weergegeven. B Klik in het tabblad [Algemeen] op [Certificaat installeren...]. De wizard Certificaat importeren wordt nu gestart. C Klik op [Plaats alle certificaten in de volgende opslagruimte], en klik op [Bladeren...]. Het dialoogvenster [Selecteer certificaatgeheugen] verschijnt. D Klik op [Volgende]. E Selecteer het selectievakje [Toon fysieke opslagruimtes] en klik op [Plaatselijke computer] in [Trusted Root Certification Authorities]. F Klik op [OK]. De locatie van de certificaatopslagruimte verschijnt in [Certificaatopslagruimte:]. G Klik op [Volgende]. H Klik op [Voltooien]. I Klik op [OK]. Het certificaat is geïnstalleerd. Als u een IPP-poort maakt of wijzigt met SmartDeviceMonitor for Client, voert u apparaat)/ printer in bij [Printer-URL] om naar de printer te gaan. 319
320 Aanhangsel Font Manager 2000 installeren Voor de installatie van toepassingen met het programma Auto Run zijn systeembeheerdersrechten vereist onder Windows 2000/XP, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0. Meld u aan met een account met systeembeheerdersrechten om een printerstuurprogramma te installeren met Auto Run. A Sluit alle toepassingen die momenteel zijn geopend. B Plaats de cd-rom in het cd-romstation. Het installatieprogramma wordt gestart. C Klik op [Font Manager 2000]. D Volg de instructies op het scherm. 320
321 Aanhangsel Adobe PageMaker versie 6.0, 6.5 of 7.0 gebruiken Voor Windows 95/98/ME/2000/XP, Windows Server 2003 of Windows NT 4.0 met Adobe PageMaker moet u PPD-bestanden kopiëren naar de map van PageMaker. PPD-bestanden hebben de extensie.ppd en bevinden zich in de map DRI- VERS\PS\WIN9X_ME \(Taal)\DISK1\ op de cd-rom. De submap WIN9X_ME in de map PS geldt voor Windows 95/98/ME. Gebruik de submap die overeenkomt met het besturingssysteem dat u gebruikt. De derde map (Taal) kan worden vervangen door de naam van de betreffende taal. Kopieer het ppd-bestand naar de map van PageMaker. Voor standaardinstallatie van PageMaker 6.0 De directory is C:\PM6\RSRC\PPD4. Voor standaardinstallatie van PageMaker 6.5 De directory is C:\PM65\RSRC\USENGLISH\PPD4. De USENGLISH is afhankelijk van uw keuze voor de taal. Voor standaardinstallatie van PageMaker 7.0 De directory is C:\PM7\RSRC\USENGLISH\PPD4. De USENGLISH is afhankelijk van uw keuze voor de taal. Indien het stuurprogramma niet correct is ingesteld na het kopiëren van het.ppd bestand, kan het printen mogelijk niet correct worden uitgevoerd. Bij gebruik van PageMaker zullen de optionele functies die door het printerstuurprogramma kunnen worden geselecteerd, uitgeschakeld zijn. In de volgende procedure wordt beschreven hoe u de optionele printereigenschappen kunt inschakelen. A Klik in het [Archief]-menu op [Afdrukken]. Het dialoogvenster [Document afdrukken] verschijnt. B Geef de benodigde instellingen op in het vak [Functies] box. 321
322 Aanhangsel Wanneer Windows Terminal Service/MetaFrame wordt gebruikt Hieronder wordt beschreven hoe u Windows Terminal Service en MetaFrame kunt gebruiken. Besturingssysteem De volgende besturingssystemen en MetaFrame-versies worden ondersteund. Windows NT Server 4.0 Terminal Server Edition met SP6 of hoger MetaFrame 1.8 SP3/FR1 SP3/SP4 MetaFrame XP 1.0 SP1/SP2/FR1 Windows 2000 Server /Advanced Server MetaFrame 1.8 SP3/FR1 SP3/SP4 MetaFrame XP 1.0 SP1/SP2/SP3/FR1/FR2/FR3 MetaFrame Presentation Server 3.0 Windows Server 2003 MetaFrame XP 1.0 FR3 MetaFrame Presentation Server 3.0 Ondersteunde printerstuurprogramma s Wanneer Windows Terminal Service in werking is PCL-printerstuurprogramma s PostScript 3 Het RPCS-printerstuurprogramma wordt niet ondersteund. Een aantal functies van het RPCS-printerstuurprogramma werken niet als Windows Terminal Service is geïnstalleerd. 322
323 Aanhangsel Beperkingen De volgende beperkingen zijn van toepassing op de Windows Terminal Serviceomgeving. Deze beperkingen zijn ingebouwd in Windows Terminal Service of MetaFrame. Windows Terminal Service Een aantal printerstuurprogrammafuncties zijn niet beschikbaar in een omgeving waarin Windows Terminal Service is geïnstalleerd, ongeacht of u Windows Terminal Service gebruikt of niet. Gebruik de installeermodus om SmartDeviceMonitor for Client te installeren in een omgeving waarin Terminal Service wordt gebruikt op een computer met Windows NT Server 4.0 Terminal Server Edition of Windows 2000 Server. Wanneer u de installatiemodus gebruikt, kunt u op twee manieren installeren: A Gebruik [Programma s toevoegen/verwijderen] in het [Configuratiescherm] om SmartDeviceMonitor for Client te installeren. B Voer in de opdrachtprompt van MS-DOS de volgende opdracht in: CHANGE USER /INSTALL Voer in de opdrachtprompt van MS-DOS de volgende opdracht in om de installatiemodus af te sluiten: CHANGE USER /EXECUTE Zie Windows Help voor meer informatie. 323
324 Aanhangsel [Auto-creating client printers] van MetaFrame Met [Auto-creating client printers] kunt u een logische printer selecteren die wordt aangemaakt door de lokale printergegevens van de client te kopiëren naar de MetaFrame-server. Wij raden u aan om deze functie eerst in uw netwerk te testen voordat u deze daadwerkelijk gaat gebruiken. Nadat optionele apparatuur wordt losgekoppeld, worden de instellingen voor deze apparatuur niet op de server opgeslagen. Elke keer dat de clientcomputer bij de server wordt aangemeld, worden de standaardwaarden van de instellingen voor optionele apparatuur hersteld. Wanneer een groot aantal bitmapafbeeldingen worden afgedrukt of wanneer de server wordt gebruikt in een WAN-omgeving via een inbelverbinding zoals ISDN, kunt u mogelijk niet afdrukken of kunnen er fouten optreden tijdens het afdrukken, afhankelijk van de datasnelheid. Wanneer u MetaFrame XP 1.0 of hoger gebruikt, raden wij u aan dat u instellingen opgeeft in [Client Printer bandwidth] van [Citrix Management Console] die in overeenstemming zijn met de omgeving. Als er een afdrukfout optreedt op de server en de afdruktaak of een printer die is gemaakt in [Auto-creating client printers] niet kan worden verwijderd, raden wij u het volgende aan: MetaFrame 1.8 SP3, MetaFrame XP 1.0 SP1/FR1 Geef instellingen op in [Delete unfinished print jobs] in het register. Zie voor meer informatie het Leesmij-bestand dat met MetaFrame is meegeleverd. MetaFrame XP 1.0 FR2 Geef instellingen op in [Delete pending print jobs at logout] onder [Printer Properties Management] van Citrix Management Console. [Printer driver replication] van MetaFrame Met [Printer driver replication] kunt u printerstuurprogramma s over alle servers in een server-farm distribueren. Wij raden u aan om deze functie eerst in uw netwerk te testen voordat u deze daadwerkelijk gaat gebruiken. Als de printerstuurprogramma s niet goed zijn gekopieerd, moet u deze rechtstreeks op elke server installeren. 324
325 Aanhangsel Voorzorgsmaatregelen bij gebruik van de Bluetooth interface-eenheid De standaard instelling voor de bedieningsmodus van de optionele Bluetooth interface-eenheid is [Algemeen]. Als de instelling wordt gewijzigd in [Persoonlijk], kunnen alleen aangemelde computers deze printer gebruiken via de Bluetooth interface-eenheid. Controleer de instellingen van de bedieningsmodus met Web Image Monitor of telnet. Zie Pag.176 Web Image Monitor gebruiken voor informatie over het gebruik van Web Image Monitor. Raadpleeg de Help-functie van Web Image Monitor voor meer informatie over het instellen van items. Zie Pag.200 btconfig voor meer informatie over het definiëren van bedrijfsmodusinstellingen met telnet. 325
326 Aanhangsel Informatie over geïnstalleerde toepassingen expat Het gebruik van de software die op dit product is geïnstalleerd, met inbegrip van de besturing (hierna te noemen software ) en de expat Versie applicatiesoftware (hierna te noemen expat ), is afhankelijk van de onderstaande voorwaarden: De fabrikant van het product stelt zich garant voor en levert productondersteuning voor de toegepaste software, met inbegrip van expat , en ontslaat de oorspronkelijke ontwikkelaar van expat van deze verplichtingen. Copyright 1998, 1999, 2000 Thai Open Source Software Center Ltd en Clark Cooper Hierbij wordt kosteloos toestemming verleend aan iedereen die een exemplaar van deze software en de bijbehorende documentatiebestanden (de Software ) verkrijgt om zonder beperking in deze software te handelen, inclusief zonder beperking het recht om exemplaren van de Software te gebruiken, kopiëren, wijzigen, samen te voegen, publiceren, distribueren, in sublicentie te geven en/of te verkopen en om dit toe te staan aan personen aan wie de Software wordt verschaft, met inachtneming van de onderstaande voorwaarden: De bovenstaande copyright-clausule en deze toestemmingsclausule dienen in alle exemplaren of aanzienlijke delen van de Software te worden opgenomen. DEZE SOFTWARE WORDT ALS ZODANIG TER BESCHIKKING GESTELD ZONDER ENIGE EXPLICIETE OF IMPLICIETE VORM VAN GARANTIE, MET INBEGRIP VAN, DOCH NIET BEPERKT TOT, DE VERKOOPGARANTIES, DE GESCHIKTHEID VOOR BEPAALDE TOEPASSINGEN EN NIET-INBREUK. DE AUTEURS OF AUTEURSGERECHTIGDEN ZIJN IN GEEN GEVAL AANSPRA- KELIJK VOOR VORDERINGEN, SCHADEVERGOEDINGEN OF ANDERE VERPLICHTINGEN, HETZIJ IN EEN PROCES WEGENS CONTRACTBREUK, ONRECHTMATIGE DAAD OF ANDERSZINS, DIE VOORVLOEIEN UIT OF IN VERBAND STAAN MET DE SOFTWARE, HET GEBRUIK OF ANDERE TRANSACTIES IN DE SOFWARE. Informatie over expat vindt u op: JPEG LIBRARY De software die op dit product is geïnstalleerd is gedeeltelijk gebaseerd op het werk van de Independent JPEG Group. 326
327 Aanhangsel NetBSD Copyright-waarschuwing van NetBSD Aan alle gebruikers die dit product overwegen te gebruiken: Dit product werkt met het NetBSD besturingssysteem: De meeste software waarvan het NetBSD besturingssysteem gebruikmaakt, is geen public domain software; de auteurs kunnen aanspraak maken op respectievelijke auteursrechten. Onderstaande tekst omvat de copyright clausule die van toepassing is op het overgrote deel van de NetBSD broncode. Raadpleeg het broncodediagram waarin gedetailleerde informatie is opgenomen m.b.t. de copyright clausules die van toepassing zijn op individuele bestanden en/of binaire gegevens. De volledige broncode is beschikbaar op het Internet-adres Copyright 1999, 2000 The NetBSD Foundation, Inc. Alle rechten voorbehouden. Verspreiding en gebruik in originele en binaire vorm, al dan niet voorzien van wijzigingen, is toegestaan mits aan de volgende voorwaarden voldaan is: A Bij verspreiding in originele vorm, dient de bovenstaande copyright clausule, dit overzicht van voorwaarden en de volgende disclaimer opgenomen te worden. B Bij verspreiding in binaire vorm dient de bovenstaande copyright clausule, dit overzicht van voorwaarden en de volgende disclaimer opgenomen te worden in de handleiding en/of in overige documenten die meegeleverd worden. C Alle reclame-uitingen waarin de eigenschappen of de toepassingen van deze software genoemd worden, dienen de onderstaande vermelding te bevatten: Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door de NetBSD Foundation, Inc. en haar medewerkers. D Noch de naam van The NetBSD Foundation, noch de namen van haar medewerkers mogen zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming gebruikt worden voor de commerciële ondersteuning of promotie van producten die van deze software zijn afgeleid. DEZE SOFTWARE IS ALS ZODANIG TER BESCHIKKING GESTELD DOOR THE NETBSD FOUNDATION, INC. EN HAAR MEDEWERKERS EN ELKE EX- PLICIETE OF IMPLICIETE VORM VAN GARANTIE, MET INBEGRIP VAN, DOCH NIET BEPERKT TOT, DE IMPLICIETE VERKOOPGARANTIES EN DE GESCHIKTHEID VOOR BEPAALDE TOEPASSINGEN WORDEN VERWOR- PEN. NOCH DE STICHTING, NOCH HAAR MEDEWERKERS KUNNEN AAN- SPRAKELIJK GESTELD WORDEN VOOR EVENTUELE DIRECTE, INDIRECTE, INCIDENTELE, SPECIFIEKE, UITZONDERLIJKE, OF GEVOLG- SCHADE (MET INBEGRIP VAN, DOCH NIET BEPERKT TOT, DE LEVERING VAN VERVANGENDE GOEDEREN OF DIENSTEN; STORINGEN, VERLIES VAN GEGEVENS OF OMZETDERVING OF PRODUCTIEONDERBREKIN- GEN) DIE OP ENIGERLEI WIJZE KUNNEN ONTSTAAN EN OP ENIGERLEI WIJZE GEBASEERD ZIJN OP VERBINTENISRECHT, AANSPRAKELIJKHEID, OF ONRECHTMATIGHEID (MET INBEGRIP VAN NALATIGHEID OF OVERI- GE STRAFBARE FEITEN) DIE OP ENIGERLEI WIJZE ZOUDEN KUNNEN RE- SULTEREN DOOR HET GEBRUIK VAN DEZE SOFTWARE, ZELFS INDIEN OP HET RISICO VAN DERGELIJKE SCHADE GEWEZEN IS. 327
328 Aanhangsel Overzicht van auteursnamen Alle productnamen die in onderstaand overzicht voorkomen zijn respectieve handelsmerken van de eigenaren. Onderstaande kennisgevingen dienen opgenomen te worden om te voldoen aan de licentievoorwaarden die van toepassing zijn op de software die in dit document genoemd wordt: Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door de University of California, Berkeley en haar medewerkers. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Jonathan R. Stone t.b.v. het NetBSD Project. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door de NetBSD Foundation, Inc. en haar medewerkers. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Manuel Bouyer. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Charles Hannum. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Charles M. Hannum. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Christopher G. Demetriou. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door TooLs GmbH. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Terrence R. Lambert. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Adam Glass en Charles Hannum. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Theo de Raadt. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Jonathan Stone en Jason R. Thorpe t.b.v. het NetBSD Project. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door de University of California, het Lawrence Berkeley Laboratory en respectievelijke medewerkers. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Christos Zoulas. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Christopher G. Demetriou t.b.v. het NetBSD Project. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Paul Kranenburg. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Adam Glass. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Jonathan Stone. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Jonathan Stone t.b.v. het NetBSD Project. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Winning Strategies, Inc. 328
329 Aanhangsel Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Frank van der Linden t.b.v. het NetBSD Project. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld werd t.b.v. het NetBSD Project door Frank van der Linden Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld werd t.b.v. het NetBSD Project door Jason R. Thorpe. De software is ontwikkeld door de University of California, Berkeley. Dit product maakt gebruik van software die ontwikkeld is door Chris Provenzano, de University of California, Berkeley en haar medewerkers. Samba (Ver ) Copyright Andrew Tridgell Dit programma is gratis software; het kan opnieuw worden verspreid en/of veranderd onder de voorwaarden gesteld in de GNU General Public License zoals uitgegeven door de Free Software Foundation; zij het versie 2 van de licentie of (de keuze is aan u) een hogere versie. Dit programma wordt verspreid met de bedoeling om van nut te zijn maar ZONDER GARANTIES; zelfs zonder impliciete VERKOOPGARANTIES of GESCHIKTHEID VOOR BEPAALDE TOEPAS- SINGEN. Zie voor meer informatie de GNU General Public License. Een kopie van de GNU General Public License dient te zijn meegeleverd met dit programma. Schrijf, als dit niet het geval is een brief aan Free Software Foundation, Inc., 675 Mass Ave, Cambridge, MA 02139, Verenigde Staten. RSA BSAFE Dit product maakt gebruik van de cryptografie- en beveiligingssoftware RSA BSAFE van RSA Security Inc. RSA is een gedeponeerd handelsmerk en BSAFE is een gedeponeerd handelsmerk van RSA Security Inc.in de Verenigde Staten en/of andere landen. RSA Security Inc. Alle rechten voorbehouden. 329
Gebruiksaanwijzing Softwarehandleiding
Gebruiksaanwijzing Softwarehandleiding Lees dit eerst Handleidingen voor deze printer...11 Specifieke modelinformatie...12 Aanwijzingen voor het lezen van deze handleiding...13 Symbols...13 Voorbereiden
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma Voor een veilig en correct gebruikt, dient u de Veiligheidsinformatie in "Lees dit eerst" te lezen voordat u het apparaat gebruikt. INHOUDSOPGAVE
Voor alle printers moeten de volgende voorbereidende stappen worden genomen: Stappen voor snelle installatie vanaf cd-rom
Windows NT 4.x In dit onderwerp wordt het volgende besproken: "Voorbereidende stappen" op pagina 3-24 "Stappen voor snelle installatie vanaf cd-rom" op pagina 3-24 "Andere installatiemethoden" op pagina
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma Lees deze handleiding aandachtig door voordat u het apparaat gaat gebruiken en houd de handleiding binnen handbereik voor toekomstig gebruik. INHOUDSOPGAVE
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma Voor een veilig en correct gebruikt, dient u de Veiligheidsinformatie in "Lees dit eerst" te lezen voordat u het apparaat gebruikt. INHOUDSOPGAVE
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma Voor een veilig en correct gebruikt, dient u de Veiligheidsinformatie in "Lees dit eerst" te lezen voordat u het apparaat gebruikt. INHOUDSOPGAVE
Gebruiksaanwijzing Softwarehandleiding
Gebruiksaanwijzing Softwarehandleiding Lees dit eerst Handleidingen voor deze printer...12 Specifieke modelinformatie...13 Deze handleiding lezen...14 Symbolen...14 Gebruik van toetsen...15 Voorbereiden
Handleiding voor netwerkprinten
Handleiding voor netwerkprinten 1 2 3 4 5 6 7 Configuratie van Windows 95/98/Me Configuratie van Windows 2000 Configuratie van Windows XP Configuratie van Windows NT 4.0 Configuratie van NetWare Configuratie
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma Voor een veilig en correct gebruikt, dient u de Veiligheidsinformatie in "Lees dit eerst" te lezen voordat u het apparaat gebruikt. INHOUDSOPGAVE
Windows Custom PostScript- of PCL-printerstuurprogramma installeren
Windows Custom PostScript- of PCL-printerstuurprogramma installeren In dit Leesmij-bestand wordt beschreven hoe u het Custom PostScript-printerstuurprogramma of het PCLprinterstuurprogramma op een Windows-systeem
Printerhandleiding. Gebruiksaanwijzing
Gebruiksaanwijzing Printerhandleiding 1 2 3 4 5 6 7 Het apparaat voorbereiden Het printerstuurprogramma instellen Andere afdrukbewerkingen GL/2- en TIFF-bestanden afdrukken Opslaan en afdrukken met gebruikmaking
Eigen PostScript- of PCL-printerstuurprogramma voor Windows installeren
Eigen PostScript- of PCL-printerstuurprogramma voor Windows installeren In dit Leesmij-bestand wordt beschreven hoe u het eigen PostScript-printerstuurprogramma of het PCL-printerstuurprogramma op Windows-systemen
Windows 98 en Windows ME
Windows 98 en Windows ME In dit onderwerp wordt het volgende besproken: Voorbereidende stappen op pagina 3-29 Stappen voor snelle installatie vanaf cd-rom op pagina 3-30 Andere installatiemethoden op pagina
Windows 2000, Windows XP en Windows Server 2003
Windows 2000, Windows XP en Windows Server 2003 In dit onderwerp wordt het volgende besproken: Voorbereidende stappen op pagina 3-16 Stappen voor snelle installatie vanaf cd-rom op pagina 3-17 Andere installatiemethoden
Handleiding voor aansluitingen
Pagina 1 van 6 Handleiding voor aansluitingen Windows-instructies voor een lokaal aangesloten printer Opmerking: Wanneer u een lokaal aangesloten printer installeert en het besturingssysteem niet wordt
Printersoftware. De printersoftware. De Epson-software bevat de software voor de printerdriver en EPSON Status Monitor 3.
Printersoftware De printersoftware De Epson-software bevat de software voor de printerdriver en EPSON Status Monitor 3. De printerdriver is de software waarmee u via uw computer de printer kunt besturen.
Printer/Scanner Unit Type 3260
Printer/Scanner Unit Type 3260 Gebruiksaanwijzing Printerhandleiding 1 2 3 4 5 6 7 8 Aan de slag De machine voorbereiden Het printerstuurprogramma instellen Andere afdrukbewerkingen Printeigenschappen
AR-NB2 NETWERK UITBREIDINGS KIT. SOFTWARE-INSTALLATIEGIDS (voor de netwerkprinter) MODEL
MODEL AR-NB NETWERK UITBREIDINGS KIT SOFTWARE-INSTALLATIEGIDS (voor de netwerkprinter) INLEIDING VOORAFGAAND AAN DE INSTALLATIE INSTALLATIE IN EEN WINDOWS-OMGEVING INSTALLATIE IN EEN MACINTOSH-OMGEVING
Installatiehandleiding stuurprogramma
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma Raadpleeg de online handleidingen die beschikbaar zijn via onze website (http://www.ricoh.com/) of via het bedieningspaneel. Voor een veilig en
In deze handleiding worden twee maateenheden gebruikt.
Netwerkhandleiding 1 2 3 4 5 6 7 8 9 Beschikbare printerfuncties via een netwerk De netwerkkabel aansluiten op het netwerk Installatie van het apparaat in een netwerk Windows-configuratie De printerfunctie
BEKNOPTE HANDLEIDING INHOUD. voor Windows Vista
BEKNOPTE HANDLEIDING voor Windows Vista INHOUD Hoofdstuk 1: SYSTEEMVEREISTEN...1 Hoofdstuk 2: PRINTERSOFTWARE INSTALLEREN ONDER WINDOWS...2 Software installeren om af te drukken op een lokale printer...
Installatiehandleiding MF-stuurprogramma
Nederlands Installatiehandleiding MF-stuurprogramma Cd met gebruikerssoftware.............................................................. 1 Informatie over de stuurprogramma s en de software.............................................
Installatiehandleiding stuurprogramma
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma Raadpleeg de online handleidingen die beschikbaar zijn via onze website (http://www.ricoh.com/) of via het bedieningspaneel. Voor een veilig en
Printerhandleiding. Gebruiksaanwijzing
Gebruiksaanwijzing Printerhandleiding 1 2 3 4 5 6 7 De machine voorbereiden Het printerstuurprogramma instellen Andere afdrukbewerkingen Direct afdrukken vanaf een digitale camera (PictBridge) Opslaan
Software-installatiehandleiding
Software-installatiehandleiding In deze handleiding wordt uitgelegd hoe u de software via een USB- of netwerkverbinding installeert. Netwerkverbinding is niet beschikbaar voor de modellen SP 200/200S/203S/203SF/204SF.
De Fiery-software installeren voor Windows en Macintosh
13 De Fiery-software installeren voor Windows en Macintosh Op de cd-rom met gebruikerssoftware bevinden zich softwareinstallatieprogramma s voor Fiery Link. Fiery-hulpprogrammasoftware wordt ondersteund
Installatiehandleiding stuurprogramma
Gebruiksaanwijzing Installatiehandleiding stuurprogramma Raadpleeg de online handleidingen die beschikbaar zijn via onze website (http://www.ricoh.com/) of via het bedieningspaneel. Voor een veilig en
DIGITAAL KLEUREN MULTIFUNCTIONEEL SYSTEEM
MODEL: MX-2300N MX-2700N DIGITAAL KLEUREN MULTIFUNCTIONEEL SYSTEEM Handleiding software-installatie Houd deze handleiding bij de hand zodat u hem indien nodig kunt raadplegen. Gefeliciteerd met de aanschaf
Installatiegids Command WorkStation 5.6 met Fiery Extended Applications 4.2
Installatiegids Command WorkStation 5.6 met Fiery Extended Applications 4.2 Fiery Extended Applications Package (FEA) v4.2 bevat Fiery-toepassingen voor het uitvoeren van taken die zijn toegewezen aan
VOORDAT U DE SOFTWARE INSTALLEERT INSTALLATIE IN EEN WINDOWS-OMGEVING INSTALLATIE IN EEN MACINTOSH-OMGEVING PROBLEMEN OPLOSSEN
Handleiding software-installatie VOORDAT U DE SOFTWARE INSTALLEERT INSTALLATIE IN EEN WINDOWS-OMGEVING INSTALLATIE IN EEN MACINTOSH-OMGEVING PROBLEMEN OPLOSSEN Gefeliciteerd met de aanschaf van dit product.
Uw gebruiksaanwijzing. SHARP AL-1633/1644 http://nl.yourpdfguides.com/dref/1289396
U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties, veiligheidsaanbevelingen,
QL-500 QL-560 QL-570 QL-650TD QL-1050
QL-500 QL-560 QL-570 QL-650TD QL-1050 Handleiding voor de installatie van de software Nederlands LB9153001A Inleiding Opties P-touch Editor Printerstuurprogramma P-touch Address Book (uitsluitend Windows
LASERPRINTER. Handleiding software-installatie VOORDAT U DE SOFTWARE INSTALLEERT INSTALLATIE IN EEN WINDOWS-OMGEVING
MODEL: MX-B380P LASERPRINTER Handleiding software-installatie VOORDAT U DE SOFTWARE INSTALLEERT INSTALLATIE IN EEN WINDOWS-OMGEVING INSTALLATIE IN EEN MACINTOSH-OMGEVING PROBLEMEN OPLOSSEN Houd deze handleiding
Installatiegids Command WorkStation 5.5 met Fiery Extended Applications 4.1
Installatiegids Command WorkStation 5.5 met Fiery Extended Applications 4.1 Fiery Extended Applications Fiery Extended Applications (FEA) 4.1 is een pakket met de volgende toepassingen voor gebruik met
System Updates Gebruikersbijlage
System Updates Gebruikersbijlage System Updates is een hulpprogramma van de afdrukserver dat de systeemsoftware van uw afdrukserver met de recentste beveiligingsupdates van Microsoft bijwerkt. Het is op
AL-1633 AL-1644 DIGITAAL MULTIFUNCTIONEEL SYSTEEM SOFTWARE INSTALLATIE HANDLEIDING
MODEL AL-6 AL-6 DIGITAAL MULTIFUNCTIONEEL SYSTEEM SOFTWARE INSTALLATIE HANDLEIDING INLEIDING SOFTWARE VOOR DE SHARP AL-6/6 VÓÓR DE INSTALLATIE DE SOFTWARE INSTALLEREN AANSLUITEN OP EEN COMPUTER CONFIGUREREN
Installatiehandleiding software
Installatiehandleiding software In deze handleiding wordt uitgelegd hoe u de software via een USB- of netwerkverbinding installeert. Netwerkverbinding is niet beschikbaar voor de modellen SP 200/200S/203S/203SF/204SF.
Installeer de C54PSERVU in Windows Vista
Installeer de C54PSERVU in Windows Vista In dit document wordt beschreven hoe u uw printer in combinatie met de Conceptronic C54PSERVU kan installeren in Windows Vista. 1. Printer installeren Voordat u
Voor gebruikers van Windows XP
Voor gebruikers van Windows XP De machine en de pc instellen om samen te werken Voordat u begint U dient een interfacekabel te kopen die geschikt is voor de interface waarmee u deze machine gaat gebruiken
Versienotities voor de klant Xerox EX Print Server, Powered by Fiery voor de Xerox Color 800/1000 Press, versie 1.3
Versienotities voor de klant Xerox EX Print Server, Powered by Fiery voor de Xerox Color 800/1000 Press, versie 1.3 Dit document bevat belangrijke informatie over deze versie. Zorg dat deze informatie
HANDLEIDING VOOR SNELLE NETWERKINSTALLATIE
XEROX DOCUPRINT N4525 NETWERK-LASERPRINTER HANDLEIDING VOOR SNELLE NETWERKINSTALLATIE Xerox DocuPrint N4525 Netwerk-Laserprinter Handleiding voor snelle netwerkinstallatie 721P57610 September 2000 2000
Handleiding software-installatie
DIGITAAL KLEUREN MULTIFUNCTIONEEL SYSTEEM Handleiding software-installatie VOORDAT U DE SOFTWARE INSTALLEERT INSTALLATIE IN EEN WINDOWS-OMGEVING INSTALLATIE IN EEN MACINTOSH-OMGEVING PROBLEMEN OPLOSSEN
QL-580N QL-1060N. Handleiding voor de installatie van de software. Nederlands LB9156001A
QL-580N QL-060N Handleiding voor de installatie van de software Nederlands LB95600A Eigenschappen CD-ROM voorzorgsmaatregelen Maak geen krassen op de cd-rom. Stel de cd-rom niet bloot aan extreem hoge
Handleiding software-installatie
DIGITAAL KLEUREN MULTIFUNCTIONEEL SYSTEEM MODEL: MX-C310 MX-C311 MX-C380 MX-C381 MX-C400 Handleiding software-installatie VOORDAT U DE SOFTWARE INSTALLEERT INSTALLATIE IN EEN WINDOWS-OMGEVING Deze handleiding
Handleiding AirPrint. Informatie over AirPrint. Instelprocedure. Afdrukken. Appendix
Handleiding AirPrint Informatie over AirPrint Instelprocedure Afdrukken Appendix Inhoud Hoe werken deze handleidingen?... 2 Symbolen in de handleidingen... 2 Disclaimer... 2 1. Informatie over AirPrint
2 mei 2014. Remote Scan
2 mei 2014 Remote Scan 2014 Electronics For Imaging. De informatie in deze publicatie wordt beschermd volgens de Kennisgevingen voor dit product. Inhoudsopgave 3 Inhoudsopgave...5 openen...5 Postvakken...5
Printer- / Scannerhandleiding
Gebruiksaanwijzing Printer- / Scannerhandleiding 1 2 3 Gebruik van de Printerfunctie Gebruik van de Scannerfunctie Appendix Lees, voordat u dit apparaat gebruikt, deze handleiding zorgvuldig en bewaar
DE NETWERKPRINTER INSTALLEREN
DE NETWERKPRINTER INSTALLEREN MTSO-INFO-EXTRA 4 VAKGROEP MTSO 2001 Faculteit PSW Universiteit Antwerpen Contact: prof. dr. Dimitri Mortelmans ([email protected]) Tel : +32 (03) 820.28.53 - Fax
AR-M160 AR-M205 DIGITAAL MULTIFUNCTIONEEL SYSTEEM SOFTWARE INSTALLATIE HANDLEIDING
MODEL AR-M60 AR-M05 DIGITAAL MULTIFUNCTIONEEL SYSTEEM SOFTWARE INSTALLATIE HANDLEIDING INLEIDING SOFTWARE VOOR DE SHARP AR-M60/M05 VÓÓR DE INSTALLATIE DE SOFTWARE INSTALLEREN AANSLUITEN OP EEN COMPUTER
Fiery Driver Configurator
2015 Electronics For Imaging, Inc. De informatie in deze publicatie wordt beschermd volgens de Kennisgevingen voor dit product. 16 november 2015 Inhoud 3 Inhoud Fiery Driver Configurator...5 Systeemvereisten...5
DX-C200P. Softwarehandleiding. Gebruiksaanwijzing
DX-C200P Gebruiksaanwijzing Softwarehandleiding 1 Voorbereiden voor afdrukken 2 Het printerstuurprogramma instellen 3 Andere afdrukbewerkingen 4 Rechtstreeks afdrukken vanaf een digitale camera (PictBridge)
Printopdrachten sturen vanaf een notebook op de campus en je pc thuis naar de printer/copiers voor studenten
Printopdrachten sturen vanaf een notebook op de campus en je pc thuis naar de printer/copiers voor studenten Installatie van de Océ printerdriver onder Windows 2000 (NL) Deze informatie is bestemd voor
Windows Vista /Windows 7- installatiehandleiding
Laserprinter Serie Windows Vista / 7- installatiehandleiding U dient eerst alle hardware in te stellen en de driver te installeren, pas dan kunt u de printer gebruiken. Lees de Installatiehandleiding en
Nokia C110/C111 draadloze LAN-kaart Installatiehandleiding
Nokia C110/C111 draadloze LAN-kaart Installatiehandleiding CONFORMITEITSVERKLARING NOKIA MOBILE PHONES Ltd. verklaart op eigen verantwoordelijkheid dat de producten DTN-10 en DTN-11 conform zijn aan de
Configuratiesoftware voor NetWare-netwerken
Novell NetWare In dit onderwerp wordt het volgende besproken: "Configuratiesoftware voor NetWare-netwerken" op pagina 3-38 "Stappen voor snelle installatie" op pagina 3-38 "Geavanceerde installatie" op
Xerox EX136 Print Server Powered by Fiery voor de Xerox D136 kopieermachine-printer. Afdrukken
Xerox EX136 Print Server Powered by Fiery voor de Xerox D136 kopieermachine-printer Afdrukken 2013 Electronics For Imaging. De informatie in deze publicatie wordt beschermd volgens de Kennisgevingen voor
Versienotities voor de klant Fiery EXP4110, versie 1.1SP1 voor Xerox 4110
Versienotities voor de klant Fiery EXP4110, versie 1.1SP1 voor Xerox 4110 Dit document beschrijft de upgrade van de Fiery EXP4110-printerstuurprogramma s voor ondersteuning van de optie Lade 6 (Extra groot).
Inhoudsopgave: Whisper380-computerhulp.net
Versie: 2.0 Gemaakt door: Whisper380 Eigenaar: Whisper380-computerhulp Datum: 3-9-2010 Inhoudsopgave: Inhoudsopgave:... 2 Waarom een printer delen?... 3 Printer beschikbaar (delen) maken op Windows 7:...
Fiery Command WorkStation 5.8 met Fiery Extended Applications 4.4
Fiery Command WorkStation 5.8 met Fiery Extended Applications 4.4 Fiery Extended Applications (FEA) v4.4 bevat Fiery software voor het uitvoeren van taken met een Fiery Server. In dit document wordt beschreven
MULTIFUNCTIONELE DIGITALE SYSTEMEN. Printerstuurprogramma installeren
MULTIFUNCTIONELE DIGITALE SYSTEMEN Printerstuurprogramma installeren Inleiding Zorg ervoor dat voordat met deze installatie wordt begonnen, u het IP adres van de betreffende e-studio heeft. Indien u het
Fiery Remote Scan. Fiery Remote Scan openen. Postvakken
Fiery Remote Scan Met Fiery Remote Scan kunt u scantaken op de Fiery-server en de printer beheren vanaf een externe computer. Met Fiery Remote Scan kunt u het volgende doen: Scans starten vanaf de glasplaat
Handleiding Wi-Fi Direct
Handleiding Wi-Fi Direct Eenvoudige installatie via Wi-Fi Direct Problemen oplossen Appendix Inhoud Hoe werken deze handleidingen?... 2 Symbolen in de handleidingen... 2 Disclaimer... 2 1. Eenvoudige
Siemens SE551. Handleiding Flits Thuis
Siemens SE551 Handleiding Flits Thuis Handleiding Siemens SE551 Flits Thuis Aansluiten Siemens SE551 Configuratie Siemens d.m.v. webinterface Instellen Gisgaset USB /PCMCIAdraadloze netwerk-adapter Aansluiten
(2) Handleiding Computer Configuratie voor USB ADSL modem
(2) Handleiding Computer Configuratie voor USB ADSL modem Raadpleeg eerst de Quick-Start Guide voor het installeren van uw DSL-aansluiting voordat u deze handleiding leest. Versie 30-08-02 Handleiding
PostScript3. Gebruiksaanwijzing. PostScript3-printerstuurprogramma - Configuratie voor afdrukken Printer Utility for Mac Bijlage
Gebruiksaanwijzing PostScript3 2 3 PostScript3-printerstuurprogramma - Configuratie voor afdrukken Printer Utility for Mac Bijlage Lees, voordat u dit apparaat gebruikt, deze handleiding zorgvuldig door
Wifi-instellingengids
Wifi-instellingengids Wifi-verbindingen met de printer Verbinding met een computer maken via een wifi-router Direct verbinding maken met een computer Verbinding met een smartapparaat maken via een wifi-router
P-touch Editor starten
P-touch Editor starten Versie 0 DUT Inleiding Belangrijke mededeling De inhoud van dit document en de specificaties van dit product kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden aangepast. Brother behoudt
Printen via het netwerk Zorg ervoor dat het werkt
NETWERK PRINT SERVERS ARTIKEL Printen via het netwerk Zorg ervoor dat het werkt Created: June 4, 2005 Last updated: June 4, 2005 Rev:.0 INHOUDSOPGAVE INLEIDING 3 INFRASTRUCTUUR BIJ NETWERK PRINTEN 3. Peer-to-peer-printen
Handleiding software-installatie
Handleiding software-installatie In deze handleiding wordt beschreven hoe de software moet worden geïnstalleerd en geconfigureerd waarmee de machine als printer of scanner voor een computer kan worden
Praktijkoefening - Het installeren van een printer in Windows Vista
5.0 9.3.1.3 Praktijkoefening - Het installeren van een printer in Windows Vista Inleiding Druk dit document af en voer de opdrachten uit; Bij deze praktijkoefening ga je een printer installeren. Je gaat
