OPEL KARL Gebruikershandleiding

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "OPEL KARL Gebruikershandleiding"

Transcriptie

1 OPEL KARL Gebruikershandleiding

2 Inleiding Inhoud Kort en bondig Sleutels, portieren en ruiten Stoelen en veiligheidssystemen Opbergruimte Instrumenten en knoppen Verlichting Infotainmentsysteem Klimaatregeling Rijden en bedienen Verzorging van de auto Service en onderhoud Technische gegevens Informatie voor de klant Index

3 2 Inleiding Inleiding

4 Voertuigspecifieke gegevens Vul de gegevens van uw auto op de vorige pagina in zodat u ze makkelijk terug kunt vinden. Deze informatie is beschikbaar in de hoofdstukken "Service en onderhoud" en "Technische gegevens", alsmede op het typeplaatje. Inleiding Uw auto is de intelligente combinatie van vernieuwende techniek, overtuigende veiligheid, milieuvriendelijkheid en zuinigheid. In dit instructieboekje vindt u alle informatie die u nodig hebt om uw auto veilig en efficiënt te kunnen bedienen. Zorg ervoor dat uw passagiers ervan op de hoogte zijn dat onjuist gebruik van de auto een ongeval tot gevolg kan hebben en dat er risico bestaat van persoonlijk letsel. Houd u altijd aan de specifieke wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Deze wetgeving kan afwijken van de informatie in deze gebruikershandleiding. Bij niet naleven van de aanwijzingen in deze handleiding kan de garantie voor nieuwe auto's voor uw auto nietig worden. Wanneer wij u in deze gebruikershandleiding adviseren de hulp van een werkplaats in te roepen, raden wij uw Opel Service Partner aan. Voor onderhoud en reparatie van auto's op gas raden wij een door Opel erkend atelier aan. Elke Opel Service Partner biedt u eersteklas service tegen redelijke prijzen. Ervaren, door Opel geschoolde specialisten werken volgens speciale richtlijnen van Opel. Houd het informatiepakket voor de gebruiker altijd onder handbereik in de auto. Dit instructieboekje gebruiken. Dit instructieboekje beschrijft alle beschikbare opties en functies voor dit model. Bepaalde beschrijvingen, zoals die voor display- en menufuncties, gelden Inleiding 3 wellicht niet voor uw model als gevolg van de modelvariant, landspecifieke uitvoering, speciale apparatuur of accessoires.. In het hoofdstuk "Kort en bondig" krijgt u een beknopt overzicht.. De inhoudsopgave aan het begin van deze handleiding en in elk hoofdstuk laat zien waar de informatie zich bevindt.. Met behulp van het trefwoordenregister kunt u specifieke informatie zoeken.. In deze gebruikershandleiding worden auto's met het stuur links getoond. Varianten met stuurwiel rechts werken hetzelfde.. In de gebruikershandleiding worden motoraanduidingen van de fabriek gebruikt. De bijbehorende marktaanduidingen vindt u in het gedeelte Technische gegevens.

5 4 Inleiding. Richtingaanduidingen in de beschrijvingen, zoals links, rechts, voor of achter moeten altijd met de blik in de rijrichting worden gezien.. De displayteksten in uw auto zijn mogelijk niet in uw eigen taal beschikbaar.. Displaymeldingen en interieurlabels zijn geschreven in vetgedrukte letters. Gevaar, Waarschuwing en Voorzichtig { Gevaar Tekst met { Gevaar geeft informatie over het risico van dodelijk letsel. Het niet naleven van deze richtlijnen kan levensgevaar inhouden. { Waarschuwing Tekst met { Waarschuwing geeft informatie over het risico van ongelukken of letsel. Het niet naleven van deze richtlijnen kan tot verwondingen leiden. Voorzichtig Teksten met de vermelding Voorzichtig wijzen erop dat de auto mogelijk beschadigd kan raken. Het niet naleven van deze richtlijnen kan tot beschadiging van de auto leiden. Symbolen Verwijzingen naar andere pagina's worden aangeduid met 0. 0 betekent "zie pagina". Paginaverwijzingen en indexvermeldingen verwijzen naar de ingesprongen koppen in de inhoudsopgave van het hoofdstuk. De chronologische volgorde voor het selecteren van menuopties in de persoonlijke instellingen wordt aangegeven met een 0. We wensen u vele uren autorijplezier. Adam Opel AG

6 Kort en bondig Basisinformatie Auto ontgrendelen Stoelverstelling Hoofdsteunverstelling Veiligheidsgordels Spiegelverstelling Stuurwiel instellen Overzicht dashboard Rijverlichting Claxon Wis-/wasinstallatie voorruit Bedieningsorganen voor klimaatregeling Transmissie De motor starten Parkeerplaats Basisinformatie Auto ontgrendelen Druk op K om de portieren en de bagageruimte te ontgrendelen. Open de portieren door aan de hendels te trekken. Kort en bondig 5 Open de achterklep met de tiptoets onder de sierlijst van de achterklep. Ontgrendelt alle deuren. De alarmknipperlichten knipperen twee keer. Handzender 0 Handzender 0 19ii, Centrale vergrendeling 0 Centrale vergrendeling 0 21ii, Achterklep 0 Bagageruimte 0 23ii.

7 6 Kort en bondig Stoelverstelling Langsverstelling { Gevaar Blijf met uw lichaam op een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het stuurwiel, zodat de airbag veilig kan opblazen. Rugleuninghoek Zithoogte Aan handgreep trekken, stoel verschuiven, handgreep loslaten. Probeer de stoel heen en weer te bewegen om na te gaan of deze op zijn plaats zit. Stoelpositie 0 Stoelpositie 0 32ii, stoelverstelling 0 Stoelverstelling 0 33ii. Trek aan de hendel, stel de rugleuning in en laat de hendel los. De stoel hoorbaar laten vastklikken. Stoelpositie 0 Stoelpositie 0 32ii, stoelverstelling 0 Stoelverstelling 0 33ii. Pompbeweging van de hendel Omhoog: stoel hoger Omlaag: Stoel omlaag Stoelpositie 0 Stoelpositie 0 32ii, stoelverstelling 0 Stoelverstelling 0 33ii.

8 Hoofdsteunverstelling Veiligheidsgordels Kort en bondig 7 Airbagsysteem 0 Airbagsysteem 0 38ii. Spiegelverstelling Binnenspiegel Ontgrendelingsknop indrukken, hoogte instellen en vastklikken. Veiligheidsgordel afrollen en in gordelslot vastklikken. De veiligheidsgordel mag niet gedraaid zitten en moet strak tegen het lichaam aanliggen. De rugleuningen mogen niet te ver naar achteren hellen (maximaal ca. 25 ). Om de gordel los te maken, de rode knop van het gordelslot indrukken. Stand van stoel 0 Stoelpositie 0 32ii, Veiligheidsgordels 0 Veiligheidsgordels 0 35ii, Om verblinding te verminderen, de hendel aan de onderkant van de spiegelbehuizing gebruiken. Binnenspiegel 0 Handbediende binnenspiegel 0 27ii.

9 8 Kort en bondig Buitenspiegels Stuurwiel instellen Desbetreffende buitenspiegel selecteren en verstellen. Convexe buitenspiegels 0 Elektrische spiegelverstelling 0 26ii. Hendel omlaagbewegen, stuurwiel instellen, hendel omhoogbewegen en vergrendelen. Stuurwiel uitsluitend bij stilstaande auto en ontgrendeld stuurslot verstellen. Airbagsysteem 0 Airbagsysteem 0 38ii, Contactslotstanden 0 Contactslotstanden 0 145ii.

10 Overzicht dashboard Kort en bondig 9

11 10 Kort en bondig 1. Elektrisch bediende ruiten op pagina Elektrisch bediende ruiten 0 28ii. Centrale vergrendeling op pagina Centrale vergrendeling 0 21ii. 2. Buitenspiegels op pagina Bolle buitenspiegels 0 26ii. 3. Cruisecontrol, snelheidsbegrenzer op pagina Bestuurdersondersteuningssystemen 0 158ii. Verwarmd stuurwiel op pagina Verwarmd stuurwiel 0 59ii. 4. Richtingaanwijzers, lichtsignaal, dimlicht en grootlicht op pagina Richtingaanwijzers 0 92ii. Uitstapverlichting op pagina Uitstapverlichting 0 95ii. Parkeerlichten op pagina Parkeerlichten 0 93ii. 5. Luchtroosters op pagina Vaste luchtroosters 0 141ii. 6. Instrumenten op pagina Stuurwielverstelling 0 59ii. 7. Bestuurdersinformatiecentrum op pagina Driver Information Center 0 75ii. 8. Stuurbedieningsknoppen op pagina Stuurbedieningsknoppen 0 59ii. 9. Voorruitwisser, sproeisysteem voorruit, achterruitwisser, sproeisysteem achterruit op pagina Wis-/wasinstallatie voorruit 0 60ii. 10. Luchtroosters midden op pagina Verstelbare luchtroosters 0 141ii. 11. Alarmknipperlichten op pagina Alarmknipperlichten 0 91ii. 12. Infodisplay op pagina Overzicht 0 99ii. 13. Infotainmentsysteem op pagina Bediening 0 105ii. 14. Handschoenenkastje op pagina Handschoenenkastje 0 51ii. 15. Klimaatregelsysteem op pagina Elektronisch klimaatregelsysteem 0 137ii. 16. Keuzehendel, handgeschakelde versnellingsbak op pagina Handgeschakelde versnellingsbak 0 151ii. 17. Handrem op pagina Handrem 0 152ii. 18. Contactslot met stuurslot op pagina Contactslotstanden 0 145ii. 19. Claxon op pagina Claxon 0 60ii. Bestuurdersairbag op pagina Airbagsysteem 0 38ii. 20. Stuurwielverstelling op pagina Stuurwielverstelling 0 59ii. 21. Ontgrendelhendel motorkap op pagina Motorkap 0 167ii. 22. Zekeringkastje op pagina Zekeringen 0 180ii. 23. Tractieregelsysteem op pagina Traction Control System (TCS) 0 153ii. Start/stop-systeem op pagina Stop/Start-systeem-functie 0 146ii.

12 Stadsmodus op pagina Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) 0 154ii. Lane departure warning op pagina Lane Departure Warning (LDW) 0 161ii. 24. Lichtschakelaar, Instellen koplampreikwijdte, Mistlampen, Mistachterlicht, Instrumentenverlichting op pagina Lichtschakelaar 0 90ii. Rijverlichting Lichtschakelaar draaien. 9 : Verlichting uit ; : Zijmarkeringslichten 5 : Dimlicht Mistlampen Lichtschakelaar indrukken. # : Voormistlampen s : Mistachterlicht Verlichting 0 Lichtschakelaar 0 90ii. Lichtsignaal, grootlicht en dimlicht Kort en bondig 11 Lichtsignaal: Hendel naar u toe trekken Grootlicht: Hendel van u af duwen Dimlicht: Hendel van u af duwen of naar u toe trekken Grootlicht 0 Grootlicht 0 90ii. Richtingaanwijzers Hendel omhoog: Rechter richtingaanwijzer Hendel omlaag: Linker richtingaanwijzer Richtingaanwijzers 0 Richtingaanwijzers 0 92ii,

13 12 Kort en bondig Parkeerlichten 0 Parkeerlichten 0 93ii. Alarmknipperlichten Claxon Wis-/wasinstallatie voorruit Ruitenwisser Druk op a. Bediend met. Alarmknipperlichten 0 Alarmknipperlichten 0 91ii. 2 : Snel 1 : Langzaam 3 : Intervalwissen O : Uit Hendel omlaag duwen in stand 1 om wissers één slag te laten maken wanneer de voorruitwisser uitgeschakeld is.

14 Kort en bondig 13 Ruitenwisser 0 Wis-/wasinstallatie voorruit 0 60ii, Wisserblad vervangen 0 Wisserblad vervangen 0 172ii. Sproeisysteem voorruit Achterruitwisser en achterruitsproeier Hendel naar u toe trekken. Ruitenwisser 0 Wis-/wasinstallatie voorruit 0 60ii, Sproeiervloeistof 0 Sproeiervloeistof 0 170ii. Druk de wipschakelaar in om de achterruitwisser aan te zetten: Bovenste stand: Korte interval Onderste stand: Lange interval Middenstand: Uit Hendel van u af duwen. Er wordt sproeiervloeistof op de achterruit gespoten en de ruitenwisser maakt enkele slagen. Achterruitwisser/-sproeier 0 Wis-/ wasinstallatie achterruit 0 61ii.

15 14 Kort en bondig Bedieningsorganen voor klimaatregeling Verwarmbare achterruit, verwarmbare buitenspiegels Ruiten ontwasemen en ontdooien Transmissie Handgeschakelde versnellingsbak = indrukken om verwarming in te schakelen. Verwarmbare achterruit 0 Achterruitverwarming 0 29ii. Druk op 5. Stel de temperatuur in op de hoogste stand. Verwarmbare achterruit = AAN. Klimaatregeling 0 Verwarmings- en ventilatiesysteem 0 134ii. Achteruit: vanuit stilstand het koppelingspedaal intrappen en de achteruitrijversnelling inschakelen. Kan de versnelling niet worden ingeschakeld, dan koppeling in de neutrale stand laten opkomen, koppeling weer intrappen en nogmaals schakelen. Handgeschakelde versnellingsbak 0 Handgeschakelde versnellingsbak 0 151ii.

16 De motor starten Voor het wegrijden controleren. Bandenspanning en -staat 0 Bandenspanning 0 186ii.. Motoroliepeil en vloeistofniveaus 0 Motorolie 0 168ii.. Ruiten, spiegels, rijverlichting en kentekenplaat: vrij van vuil, sneeuw of ijs en zijn gebruiksklaar.. Controleer de correcte positie van spiegels, stoelen en veiligheidsgordels 0 Bolle buitenspiegels 0 26ii, Stoelpositie 0 32ii,Driepuntsgordel 0 36ii.. Remwerking bij lage snelheid, met name bij natte remmen. De motor starten. De sleutel naar stand 1 draaien.. Het stuurwiel iets verdraaien, opdat het stuurslot vrijkomt.. Trap de koppeling en rem in.. Automatische versnellingsbak in stand P of N.. Geen gas geven.. Draai de sleutel in stand 3 en laat los om de motor te starten. 0 De motor starten 0 145ii. Kort en bondig 15 Stop/Start-systeem Als de auto langzaam rijdt of stilstaat en aan bepaalde voorwaarden is voldaan, activeer dan een Autostop zoals hieronder beschreven:. Trap het koppelingspedaal in. Zet de hendel in de neutraalstand. Laat het koppelingspedaal los Een Autostop wordt aangegeven door de naald op de AUTOSTOP-- positie in de toerenteller.

17 16 Kort en bondig Om de motor te herstarten, moet u het koppelingspedaal opnieuw bedienen. Stop/Start-systeem 0 Stop/Start-- systeem-functie 0 146ii. Parkeerplaats { Waarschuwing. Parkeer de auto niet op een ondergrond die gemakkelijk kan vlamvatten. De ondergrond kan door de hoge temperatuur van het uitlaatgassysteem mogelijk vlam vatten.. Trek altijd de handrem aan. Trek gedurende ong. een seconde aan schakelaar Y.. Schakel de motor uit. (Vervolg) Waarschuwing (Vervolg). oppervlak of opwaartse helling, zet in eerste versnelling of zet de keuzehendel in stand P voordat u de contactsleutel verwijdert. Op een oplopende helling bovendien de voorwielen van de stoeprand wegdraaien. Wanneer de auto op een aflopende helling staat, schakel dan in achteruitversnelling of zet de keuzehendel in stand P voordat u de contactsleutel verwijdert. Bovendien de voorwielen naar de stoeprand toedraaien. (Vervolg) Waarschuwing (Vervolg). Trek de contactsleutel uit een contactslot. Stuurwiel verdraaien totdat het stuurslot voelbaar vergrendelt. Bij auto's met automatische versnellingsbak kan de sleutel alleen worden verwijderd met de keuzehendel in stand P.. Sluit de ruiten.. Vergrendel de auto met Q op de handzender.. Activeer het alarmsysteem 0 Diefstalalarmsysteem 0 25ii.. Koelventilatoren kunnen ook na het afzetten van de motor in werking treden 0 Verwerking van sloopauto 0 166ii.. Laat de motor na hoge motortoeren of een hoge motorbelasting korte tijd met een lage motorbelasting draaien of zo'n 30 seconden in de neutraalstand

18 Kort en bondig 17 draaien alvorens de motor af te zetten om op die manier de turbocompressor te beschermen. Sleutels, sloten 0 Sleutels 0 18ii, Auto een langere tijd stilzetten 0 Auto stallen 0 166ii.

19 18 Sleutels, portieren en ruiten Sleutels, portieren en ruiten Sleutels en sloten Sleutels Handzender Opgeslagen instellingen Centrale vergrendeling Kindersloten Portieren Bagageruimte Autodiefstalbeveiliging Diefstalalarmsysteem Startbeveiliging Buitenspiegels Bolle spiegels Elektrisch bediende buitenspiegels Inklapbare spiegels Verwarmde spiegels Binnenspiegels Handmatige dimfunctie Ruiten Handbediende ruiten Elektrisch bedienbare ruiten Achterruitverwarming Zonnekleppen Dak Zonnedak Sleutels en sloten Sleutels Reservesleutels Het sleutelnummer staat vermeld op een verwijderbaar label. Bij het bestellen van reservesleutels moet het sleutelnummer worden vermeld aangezien de sleutels deel uitmaken van de startbeveiliging. Sloten 0 Verzorging exterieur 0 203ii.

20 Sleutels, portieren en ruiten 19 Sleutel met uitklapbare sleutelbaard Knop indrukken om uit te klappen. Om in te klappen eerst toets indrukken. Handzender Wordt gebruikt voor:. centrale vergrendeling. diefstalalarmsysteem De afstandsbediening heeft een bereik van ca. 20 meter. Dit kan beperkt worden door invloeden van buitenaf. Brandende alarmknipperlichten dienen als bevestiging. Afstandsbediening met zorg behandelen, vochtvrij houden, beschermen tegen hoge temperaturen en onnodig gebruik vermijden. Storing Als de centrale vergrendeling niet met de handzender kan worden vergrendeld of ontgrendeld, kan dit het gevolg zijn van het volgende:. Bereik overschreden,. Batterijspanning te laag,. Herhaald, opeenvolgend gebruik van de afstandsbediening buiten het bereik, waardoor er opnieuw gesynchroniseerd moet worden,. Overbelasting van de centrale vergrendeling door herhaalde, snel opeenvolgende activering van de afstandsbediening, waardoor de stroomvoorziening voor korte tijd wordt onderbroken,. Storing door radiogolven afkomstig van externe zenders met een hoog vermogen. Ontgrendelen 0 Centrale vergrendeling 0 21ii.

21 20 Sleutels, portieren en ruiten Batterij van de handzender vervangen Zodra de reikwijdte afneemt, de batterij meteen vervangen. Batterijen horen niet in het huisvuil thuis. Ze moeten via speciale inzamelpunten gerecycled worden. Sleutel met uitklapbare sleutelbaard Sleutelbaard uitklappen en handzender openen. Batterij vervangen (batterijtype CR 2032), let hierbij op de juiste plaatsing. Handzender sluiten en synchroniseren. Sleutel met vaste sleutelbaard Laat de batterij vervangen in een werkplaats. Handzender synchroniseren Na vervanging van de batterij het bestuurdersportier openen met de sleutel in het slot. De handzender wordt gesynchroniseerd wanneer het contact wordt aangezet. Opgeslagen instellingen Elke keer als de sleutel uit de contactschakelaar wordt getrokken, worden de volgende instellingen automatisch door de sleutel opgeslagen:. verlichting. infotainmentsysteem. centrale vergrendeling. comfortinstellingen De opgeslagen instellingen worden de volgende keer automatisch gebruikt wanneer de sleutel met de opgeslagen gegevens in de contactschakelaar wordt gestoken en in stand 0 1Contactslotstanden 0 145ii wordt gedraaid.

22 Een voorwaarde is dat Personalisering door de bestuurder moet geactiveerd zijn in de persoonlijke instellingen van het grafisch infodisplay. Dit moet worden ingesteld voor elke gebruikte sleutel. Bij auto s die zijn uitgerust met een kleureninfodisplay, is de personalisatie permanent ingeschakeld. Persoonlijke instellingen 0 Persoonlijke instellingen 0 83ii. Ontgrendelen Sleutels, portieren en ruiten 21 Persoonlijke instellingen 0 Persoonlijke instellingen 0 83ii. U kunt de instelling opslaan voor de gebruikte sleutel. Opgeslagen instellingen 0 Opgeslagen instellingen 0 20ii. Vergrendelen Portieren, bagageruimte en tankvulklep sluiten. Centrale vergrendeling Portieren, bagageruimte ontgrendelen en vergrendelen. Aanwijzing Bij een ongeval waarbij de airbags of gordelspanners in werking treden, wordt het voertuig automatisch ontgrendeld. Druk K.. Om alleen het bestuurdersportier te ontgrendelen, drukt u eenmaal op K. Om alle portieren en de bagageruimte te ontgrendelen, drukt u tweemaal op K. of. druk één keer op K om alle portieren en de bagageruimte te ontgrendelen. U kunt de instelling wijzigen in het menu Instellingen op het infodisplay. Druk Q. Bij een niet goed gesloten bestuurdersportier werkt de centrale vergrendeling niet.

23 22 Sleutels, portieren en ruiten Centrale vergrendelingstoets Vergrendelt of ontgrendelt alle portieren en de bagageruimte vanuit de passagiersruimte. Druk op de centrale-vergrendelingsknop: de portieren worden vergrendeld of ontgrendeld. Storing in afstandsbediening Ontgrendelen Ontgrendel het bestuurdersportier handmatig door de sleutel in het slot te verdraaien. Contact inschakelen en centrale vergrendelingstoets indrukken om alle portieren en bagageruimte te ontgrendelen. Door het inschakelen van het contact wordt het vergrendelingssysteem gedeactiveerd 0 Diefstalalarmsysteem 0 25ii. Vergrendelen Sluit alle portieren, open het bestuurdersportier, druk op de centrale vergrendelingsknop. De auto wordt vergrendeld. Sluit het bestuurdersportier. Vergrendel het bestuurdersportier handmatig door de sleutel te verdraaien. Storing in centrale vergrendeling Ontgrendelen Ontgrendel het bestuurdersportier handmatig door de sleutel in het slot te verdraaien. U kunt de andere portieren openen door de knopjes op de portieren omhoog te trekken en de binnenhendel omhoog te trekken om de andere portieren te ontgrendelen. De bagageruimte kan niet geopend worden. Zet het contact aan het vergrendelingssysteem te deactiveren 0 Diefstalalarmsysteem 0 25ii.

24 Sleutels, portieren en ruiten 23 Kindersloten Om het kinderslot in te schakelen, zet u de hendel in de vergrendelingsstand. Een portier waarvan het kinderslot is ingeschakeld, kan alleen van buitenaf worden geopend. Om het kinderslot uit te schakelen, schuift u de hendel in de ontgrendelstand. Portieren Bagageruimte Achterklep { Waarschuwing Gebruik de kindersloten als er kinderen op de achterbank zitten. Voorzichtig Trek niet aan de binnenportiergreep terwijl het kinderslot in de stand LOCK (vergrendeld) staat. Dat kan leiden tot schade aan de portiergreep binnenzijde. Openen Open de achterklep met alle portieren ontgrendeld door op de tiptoets aan de onderkant van de achterklephandgreep te drukken en deze op te tillen. Centrale vergrendeling 0 Centrale vergrendeling 0 21ii.

25 24 Sleutels, portieren en ruiten Sluiten Gebruik de handgreep aan de binnenkant om de achterklep te laten zakken en te sluiten. Druk niet op de tiptoets terwijl u de achterklep sluit, anders zal deze opnieuw ontgrendelen. Centrale vergrendeling 0 Centrale vergrendeling 0 21ii. Algemene tips voor de bediening van de achterklep { Gevaar Rijd niet met een geopende of slecht afgesloten achterklep, bijv. wanneer u omvangrijke bagage vervoert, omdat er dan giftige, onzichtbare en reukloze uitlaatgassen de auto kunnen binnendringen. Dit kan bewusteloosheid en zelfs de dood tot gevolg hebben. Voorzichtig Voordat u de achterklep opent, moet u kijken of er boven de auto niets in de weg zit, zoals een garagedeur, zodat u de achterklep niet beschadigt. Controleer altijd het gedeelte boven en achter de achterklep. Aanwijzing Afhankelijk van het gewicht van eventueel gemonteerde accessoires blijft de achterklep mogelijk niet in geopende stand staan.

26 Sleutels, portieren en ruiten 25 Autodiefstalbeveiliging Diefstalalarmsysteem Het bewaakt:. portieren, achterklep, motorkap. contact Bij het ontgrendelen van de auto worden beide systemen tegelijk uitgeschakeld. De status-led is geïntegreerd in de sensor boven op het instrumentenpaneel. Status tijdens de eerste 30 seconden na het activeren van het alarmsysteem: Led gaat branden: test, activeren wordt uitgesteld. Led knippert snel: portieren, achterklep of motorkap zijn niet goed gesloten, of systeemfout. Deactivering Als u de auto ontgrendeld door op de handzender op K te drukken, wordt het diefstalalarmsysteem uitgeschakeld. Alarm Het alarm kan worden afgezet door het indrukken van een willekeurige toets op de handzender of door het inschakelen van het contact. U kunt het diefstalalarmsysteem weer inschakelen door op K te drukken of het contact aan te zetten. Automatische portiervergrendeling Wanneer geen enkel portier wordt geopend of de contactsleutel binnen 3 minuten nadat de portieren zijn ontgrendeld via de handzender niet in stand 1 of stand 2 wordt gezet, worden alle portieren weer vergrendeld en wordt het diefstalalarmsysteem automatisch ingeschakeld. Automatische portierontgrendeling Alle portieren ontgrendelen automatisch zodra de botsingssensoren een botsingssignaal ontvangen terwijl het contact AAN stand 2 staat. Wel zullen de portieren mogelijk niet ontgrendelen als er mechanische problemen zijn opgetreden met het systeem voor portiervergrendeling of met het accuvoedingsysteem. Startbeveiliging Het systeem is onderdeel van de contactschakelaar en het controleert of de auto met de gebruikte sleutel mag worden gestart.

27 26 Sleutels, portieren en ruiten De startbeveiliging activeert zichzelf automatisch nadat u de sleutel uit de contactschakelaar hebt gehaald. Knippert de controlelamp A nadat het contact is ingeschakeld, dan is er een storing in het systeem: de auto kan niet worden gestart. Contact uitschakelen en opnieuw proberen te starten. Als de controlelamp A blijft knipperen, kunt u proberen om de motor met de reservesleutel te starten en daarna de hulp van een werkplaats inroepen. Aanwijzing De startbeveiliging vergrendelt de portieren niet. Vergrendel daarom steeds na het verlaten van de auto de portieren en schakel het diefstalalarmsysteem 0 in Centrale vergrendeling 0 21ii, Diefstalalarmsysteem 0 25ii. Controlelamp A 0 Lampje van de startbeveiliging 0 73ii. Buitenspiegels Bolle spiegels De vergrotende buitenspiegel heeft een asferisch deel dat de dode hoeken verkleint. Door de vorm van de spiegel lijken voorwerpen kleiner dan ze zijn, waardoor afstanden moeilijker zijn in te schatten. Elektrisch bediende buitenspiegels Selecteer de gewenste buitenspiegel door de knop naar links (L) of rechts (R) te draaien. Beweeg daarna de knop om de spiegel te verstellen. In de stand 0 is geen enkele spiegel geselecteerd. Inklapbare spiegels Omwille van de veiligheid van de voetgangers zwenken de buitenspiegels uit hun reguliere montagepositie als ze hard tegen iets slaan. Zet de spiegel weer terug door voorzichtig tegen het spiegelhuis te drukken.

28 Verwarmde spiegels Binnenspiegels Handmatige dimfunctie Sleutels, portieren en ruiten 27 Ruiten Handbediende ruiten Om in te schakelen = indrukken. De verwarming werkt bij een draaiende motor en wordt na korte tijd automatisch uitgeschakeld. Om verblinding te verminderen, de hendel aan de onderkant van de spiegelbehuizing gebruiken. De portierruiten zijn met de handslingers te bedienen.

29 28 Sleutels, portieren en ruiten Elektrisch bedienbare ruiten { Waarschuwing Wees voorzichtig bij het gebruik van de elektrische ruitbediening. Er bestaat verwondingsgevaar, met name voor kinderen. Wees voorzichtig bij het sluiten van de ruiten. Zorg ervoor dat er niets wordt afgeklemd tussen de ruiten terwijl ze bewegen. Elektrisch bediende ruiten kunnen worden bediend met het contact in stand 2. Druk de schakelaar van de desbetreffende ruit in om de ruit te openen of trek aan de schakelaar om de ruit te sluiten. Bediening Druk de schakelaar omlaag om de ruit te openen. Om de ruit te sluiten, haalt u de schakelaar omhoog. Laat de schakelaar los als de ruit de gewenste positie heeft bereikt. Auto omhoog/omlaag Om de ruit volledig automatisch te openen, drukt u de schakelaar volledig omlaag. Om de ruit volledig automatisch te sluiten, trekt u de schakelaar volledig omhoog. In automatisch bedrijf opent en sluit de ruit zelfs volledig als u de schakelaar loslaat. Om de ruit op een gewenste stand te stoppen terwijl de ruit beweegt, trekt u de schakelaar omhoog of duwt u deze omlaag in de tegenovergestelde richting van de beweging. Beveiligingsfunctie Stuit de ruit tijdens het automatisch sluiten boven de middelste stand op weerstand, dan stopt het sluiten onmiddellijk en beweegt de ruit weer omlaag. Overbelasting Worden de ruiten in korte tijd meermaals bediend, dan wordt de ruitbediening enige tijd gedeactiveerd. Elektrisch bediende ruiten initialiseren Wanneer u de ruiten niet automatisch kunt sluiten (bijv. na het loskoppelen van de accu), activeer de ruitelektronica als volgt: 1. Portieren sluiten. 2. Contact inschakelen. 3. Sluit de ruit helemaal en houd de schakelaar daarna nog 2 seconden uitgetrokken.

30 4. Herhaal dit voor elke ruit. Kinderbeveiliging voor achterportierruiten Achterruitverwarming Sleutels, portieren en ruiten 29 Dak Zonnedak Druk op schakelaar v om elektrisch bediende ruiten achter te deactiveren. Voor het activeren nogmaals op v drukken. Om in te schakelen + indrukken. De verwarming werkt bij een draaiende motor en wordt na korte tijd automatisch uitgeschakeld. Zonnekleppen Om verblinding te vermijden kunnen de zonnekleppen worden neergeklapt en opzij worden gedraaid. Afdekkingen van eventueel in de zonnekleppen aanwezige make-upspiegels tijdens het rijden gesloten houden. { Waarschuwing Wees voorzichtig bij het gebruik van het zonnedak. Er bestaat verwondingsgevaar, met name voor kinderen. Houd tijdens de bediening alle bewegende delen goed in de gaten. Zorg ervoor dat er niets wordt afgeklemd tussen de ruiten terwijl ze bewegen. U kunt het zonnedak met ingeschakeld contact bedienen.

31 30 Sleutels, portieren en ruiten Omhoogbrengen Houd schakelaar 1 ingedrukt totdat het zonnedak van achteren omhoog komt. Openen Druk in de geheven stand op schakelaar 1 en laat hem los: het zonnedak wordt automatisch tot de eindstand geopend. Om de beweging vóór de eindstand te stoppen drukt u nogmaals op de schakelaar. Sluiten Houd schakelaar 2 ingedrukt in elke willekeurige stand totdat het zonnedak helemaal is gesloten. Als u de schakelaar loslaat, stopt de beweging in elke willekeurige stand. Aanwijzing Als de bovenkant van het zonnedak nat is, het dak kantelen om het water te laten aflopen en daarna het zonnedak openen. Geen stickers op het zonnedak aanbrengen. Zonnescherm Het zonnescherm wordt handmatig bediend. Schuif het zonnescherm open of dicht. Wanneer het zonnedak openstaat, is het zonnescherm altijd open.

32 Stoelen en veiligheidssystemen Hoofdsteunen Stand Stoelen en veiligheidssystemen 31 Hoofdsteunen van voorstoelen Hoofdsteunen Hoofdsteunen Voorstoelen Stoelpositie Stoelverstelling Verwarmde voorstoelen Veiligheidsgordels Veiligheidsgordels Driepuntsgordel Airbagsysteem Airbagsysteem Frontaal airbagsysteem Zijdelings airbagsysteem Gordijnairbagsysteem Airbag deactiveren Kinderzitjes Kinderzitjes Inbouwposities kinderveiligheidssystemen ISOFIX-kinderzitjes Top-Tether-bevestigingsogen { Waarschuwing Rij alleen met de hoofdsteun in de juiste stand. De bovenzijde van de hoofdsteun moet op gelijke hoogte zijn als de bovenzijde van het hoofd. Is dit bij zeer lange personen niet mogelijk, dan de hoofdsteun in de hoogste stand zetten (bij zeer kleine personen de hoofdsteun juist in de laagste stand zetten). Hoogteverstelling Druk op de ontgrendelingsknop, verstel de hoogte, laat vastklikken.

33 32 Stoelen en veiligheidssystemen Hoofdsteunen van achterbank Demonteren Voorstoelen Stoelpositie { Waarschuwing Rij alleen wanneer de stoel correct is afgesteld. Hoogteverstelling Hoofdsteun omhoogtrekken of borgveren indrukken om hoofdsteun te ontgrendelen en omlaag te schuiven. Druk op beide vergrendelingen en trek de hoofdsteun omhoog en verwijder hem. { Gevaar Zit met uw bovenlichaam niet dichter dan 25 cm bij het stuurwiel, opdat de airbag veilig kan ontplooien. { Waarschuwing Verstel de stoelen nooit onderweg, om onbeheerst bewegen ervan te voorkomen. { Waarschuwing Nooit voorwerpen onder de stoelen plaatsen.

34 Stoelen en veiligheidssystemen 33. Met zitvlak zo ver mogelijk tegen de rugleuning zitten. De afstand tot de pedalen zo instellen dat de benen bij het intrappen van de pedalen licht gebogen zijn. De passagiersstoel voorin zover mogelijk naar achteren schuiven.. De zithoogte zo instellen, dat u rondom een goed zicht hebt en alle instrumenten goed kunt aflezen. Tussen hoofd en hemelbekleding moet minstens een handbreed tussenruimte zitten. Uw dijen dienen licht op de zitting rusten, zonder druk uit te oefenen.. Met schouders zo ver mogelijk tegen de rugleuning zitten. Stel de hoek van de rugleuning zo in dat u het stuurwiel gemakkelijk met licht gebogen armen kunt vastpakken. Bij het verdraaien van het stuurwiel, contact blijven houden tussen schouders en rugleuning. De rugleuning mag niet te ver achteroverhellen. De aanbevolen hellingshoek bedraagt maximaal ca Stel het stuurwiel in 0 Stuurwielverstelling Stel de hoofdsteun in 0 Hoofdsteunen Hoogte veiligheidsgordel instellen 0 Driepuntsgordel Stel de stoel en het stuurwiel zodanig af dat de pols boven op het stuurwiel rust, met gestrekte arm en de schouders tegen de rugleuning. Stoelverstelling Langsverstelling Aan handgreep trekken, stoel verschuiven, handgreep loslaten. Probeer de stoel heen en weer te bewegen om na te gaan of deze op zijn plaats zit.

35 34 Stoelen en veiligheidssystemen Rugleuninghoek Zithoogte Verwarmde voorstoelen Trek aan de hendel, stel de rugleuning in en laat de hendel los. Laat de rugleuning hoorbaar vastklikken. Pompbeweging van de hendel Omhoog: stoel hoger Omlaag: Stoel omlaag Activeer de stoelverwarming door op L te drukken voor de betreffende voorstoel. De activering wordt aangeduid door de LED in de toets. Druk nogmaals op L om de stoelverwarming te deactiveren. Het verwarmen van de passagiersstoel kan langer duren.

36 Stoelen en veiligheidssystemen 35 De stoelverwarming werkt bij een draaiende motor en tijdens een Autostop. Stop/Start-systeem 0 Stop/Start-- systeem Veiligheidsgordels Waarschuwing (Vervolg) Inzittenden die geen gebruik maken van de veiligheidsgordel brengen bij eventuele aanrijdingen medepassagiers en zichzelf in gevaar. De veiligheidsgordels worden bij snel optrekken of hard remmen geblokkeerd om de inzittenden op hun stoel te houden. Daardoor neemt het gevaar voor letsel aanzienlijk af. { Waarschuwing Veiligheidsgordel vóór elke rit omdoen. (Vervolg) Veiligheidsgordels zijn bedoeld voor gebruik door slechts één persoon tegelijk.0 Kinderveiligheidssystemen Alle onderdelen van het gordelsysteem regelmatig op schade, verontreiniging en juiste werking controleren. Beschadigde onderdelen laten vervangen. Na een aanrijding de veiligheidsgordels en de gordelspanners door een werkplaats laten vervangen. Aanwijzing Zorg dat de veiligheidsgordels niet door schoenen of voorwerpen met scherpe randen beschadigd raken klem komen te zitten. Oprolautomaten vrijhouden van vuil.

37 36 Stoelen en veiligheidssystemen Gordelverklikker > 0 Gordelverklikkers Gordelwaarschuwing De voorstoelen zijn met een gordelverklikker uitgerust, aangegeven voor de bestuurdersstoel door controlelamp > in de toerenteller en voor de passagiersstoel door de controlelampen in het bestuurdersinformatiecentrum 0 Gordelverklikkers Gordelkrachtbegrenzers De kracht die inwerkt op de carrosserie wordt beperkt doordat de gordels tijdens een botsing geleidelijk worden ontspannen. Gordelspanners De veiligheidsgordels worden bij een voldoende zware frontale botsing of bij een aanrijding van achteren strakgetrokken. { Waarschuwing Verkeerd gebruik (bijv. bij demonteren of inbouwen van gordels) kan de gordelspanners activeren met risico op letsel. Geactiveerde gordelspanners zijn te herkennen aan de brandende controlelamp 9 0 Gordelverklikkers Geactiveerde gordelspanners door een werkplaats laten vervangen. Gordelspanners worden slechts eenmaal geactiveerd. Aanwijzing Bevestig of installeer geen accessoires of andere voorwerpen waardoor de werking van de gordelspanners belet kan worden. Wijzig de onderdelen van de gordelspanners niet omdat hierdoor de goedkeuring van het autotype ongeldig wordt. Driepuntsgordel Veiligheidsgordel omdoen Gordel uit de oprolautomaat trekken, zonder te verdraaien voor u langs halen en de gesp in het slot steken. Heupgordel tijdens het rijden van tijd tot tijd strak trekken door aan de schoudergordel te trekken Gordelverklikker 0 Gordelverklikkers 0 69.

38 Stoelen en veiligheidssystemen 37 Veiligheidsgordel afdoen Gebruik van de veiligheidsgordel tijdens de zwangerschap Loszittende kleding belemmert het strak trekken van de gordel. Geen voorwerpen zoals handtassen of mobiele telefoons tussen de gordel en uw lichaam leggen. { Waarschuwing De riem mag niet over harde of breekbare voorwerpen in de zakken van uw kleding liggen. Om de gordel los te maken, de rode knop van het gordelslot indrukken. { Waarschuwing De heupgordel moet zo laag mogelijk over het bekken worden geplaatst om druk op de onderbuik te voorkomen.

39 38 Stoelen en veiligheidssystemen Airbagsysteem Het airbagsysteem bestaat uit een aantal afzonderlijke systemen afhankelijk van de omvang van de apparatuur. Bij het afgaan worden de airbags binnen enkele milliseconden gevuld. Ook het leeglopen van de airbags verloopt zo snel, dat dit tijdens een aanrijding vaak niet eens wordt opgemerkt. { Waarschuwing Wanneer de airbagsystemen verkeerd worden gebruikt, kunnen ze op een explosieve manier ontploffen. Aanwijzing Ter hoogte van de middenconsole zitten de regelelektronica van het airbagsysteem en de gordelspanners. In dit gebied geen magnetische voorwerpen plaatsen. Airbagafdekkingen niet beplakken of met materialen afdekken. Elke airbag treedt slechts eenmaal in werking. Geactiveerde airbags onmiddellijk laten vervangen door een werkplaats. Ook moeten eventueel het stuurwiel, het instrumentenbord, plaatwerk, de portierafdichtingen, handgrepen en de stoelen worden vervangen. Maak geen aanpassingen aan het airbagsysteem omdat hierdoor de goedkeuring voor het voertuigtype komt te vervallen. Wanneer de airbags worden opgeblazen, kunnen ontsnappende hete gassen brandwonden veroorzaken. Controlelamp 9 voor airbagsystemen 0 Verklikkerlampje airbag en gordelspanner Kinderveiligheidssystemen op voorpassagiersstoel met airbagsystemen Waarschuwing conform ECE R94.02: EN: NEVER use a rearward-facing child restraint on a seat protected by an ACTIVE AIRBAG in front of it; DEATH or SERIOUS INJURY to the CHILD can occur. DE: Nach hinten gerichtete Kindersitze NIEMALS auf einem Sitz verwenden, der durch einen davor befindlichen AKTIVEN AIRBAG geschützt ist, da dies den TOD oder SCHWERE VERLETZUNGEN DES KINDES zur Folge haben kann. FR: NE JAMAIS utiliser un siège d'enfant orienté vers l'arrière sur un siège protégé par un COUSSIN GONFLABLE ACTIF placé devant

40 Stoelen en veiligheidssystemen 39 lui, sous peine d'infliger des BLESSURES GRAVES, voire MORTELLES à l'enfant. ES: NUNCA utilice un sistema de retención infantil orientado hacia atrás en un asiento protegido por un AIRBAG FRONTAL ACTIVO. Peligro de MUERTE o LESIONES GRAVES para el NIÑO. RU: ЗАПРЕЩАЕТСЯ устанавливать детское удерживающее устройство лицом назад на сиденье автомобиля, оборудованном фронтальной подушкой безопасности, если ПОДУШКА НЕ ОТКЛЮЧЕНА! Это может привести к СМЕРТИ или СЕРЬЕЗНЫМ ТРАВМАМ РЕБЕНКА. NL: Gebruik NOOIT een achterwaarts gericht kinderzitje op een stoel met een ACTIEVE AIRBAG ervoor, om DODELIJK of ERNSTIG LETSEL van het KIND te voorkomen. DA: Brug ALDRIG en bagudvendt autostol på et forsæde med AKTIV AIRBAG, BARNET kan komme i LIVSFARE eller komme ALVOR- LIGT TIL SKADE. SV: Använd ALDRIG en bakåtvänd barnstol på ett säte som skyddas med en framförvarande AKTIV AIRBAG. DÖDSFALL eller ALLVAR- LIGA SKADOR kan drabba BARNET. FI: ÄLÄ KOSKAAN sijoita taaksepäin suunnattua lasten turvaistuinta istuimelle, jonka edessä on AKTIIVINEN TURVATYYNY, LAPSI VOI KUOLLA tai VAMMAUTUA VAKAVASTI. NO: Bakovervendt barnesikringsutstyr må ALDRI brukes på et sete med AKTIV KOLLISJONSPUTE foran, da det kan føre til at BARNET utsettes for LIVSFARE og fare for ALVORLIGE SKADER. PT: NUNCA use um sistema de retenção para crianças voltado para trás num banco protegido com um AIRBAG ACTIVO na frente do mesmo, poderá ocorrer a PERDA DE VIDA ou FERIMENTOS GRAVES na CRIANÇA. IT: Non usare mai un sistema di sicurezza per bambini rivolto all'indietro su un sedile protetto da AIRBAG ATTIVO di fronte ad esso: pericolo di MORTE o LESIONI GRAVI per il BAMBINO! EL: ΠΟΤΕ μη χρησιμοποιείτε παιδικό κάθισμα ασφαλείας με φορά προς τα πίσω σε κάθισμα που προστατεύεται από μετωπικό ΕΝΕΡΓΟ ΑΕΡΟΣΑΚΟ, διότι το παιδί μπορεί να υποστεί ΘΑΝΑΣΙΜΟ ή ΣΟΒΑΡΟ ΤΡΑΥΜΑΤΙΣΜΟ. PL: NIE WOLNO montować fotelika dziecięcego zwróconego tyłem do kierunku jazdy na fotelu, przed którym znajduje się WŁĄCZONA PODUSZKA POWIETRZNA. Niezastosowanie się do tego zalecenia może być przyczyną ŚMIERCI lub POWAŻNYCH OBRAŻEŃ u DZIECKA. TR: Arkaya bakan bir çocuk emniyet sistemini KESİNLİKLE önünde bir AKTİF HAVA YASTIĞI ile korun-

41 40 Stoelen en veiligheidssystemen makta olan bir koltukta kullanmayınız. ÇOCUK ÖLEBİLİR veya AĞIR ŞEKİLDE YARALANABİLİR. UK: НІКОЛИ не використовуйте систему безпеки для дітей, що встановлюється обличчям назад, на сидінні з УВІМКНЕНОЮ ПОДУШКОЮ БЕЗПЕКИ, інакше це може призвести до СМЕРТІ чи СЕРЙОЗНОГО ТРАВМУВАННЯ ДИТИНИ. HU: SOHA ne használjon hátrafelé néző biztonsági gyerekülést előlről AKTÍV LÉGZSÁKKAL védett ülésen, mert a GYERMEK HALÁLÁT vagy KOMOLY SÉRÜLÉSÉT okozhatja. HR: NIKADA nemojte koristiti sustav zadržavanja za djecu okrenut prema natrag na sjedalu s AKTIVNIM ZRAČNIM JASTUKOM ispred njega, to bi moglo dovesti do SMRTI ili OZBILJNJIH OZLJEDA za DIJETE. SL: NIKOLI ne nameščajte otroškega varnostnega sedeža, obrnjenega v nasprotni smeri vožnje, na sedež z AKTIVNO ČELNO ZRAČNO BLAZINO, saj pri tem obstaja nevarnost RESNIH ali SMRTNIH POŠKODB za OTROKA. SR: NIKADA ne koristiti bezbednosni sistem za decu u kome su deca okrenuta unazad na sedištu sa AKTIVNIM VAZDUŠNIM JASTUKOM ispred sedišta zato što DETE može da NASTRADA ili da se TEŠKO POVREDI. MK: НИКОГАШ не користете детско седиште свртено наназад на седиште заштитено со АКТИВНО ВОЗДУШНО ПЕРНИЧЕ пред него, затоа што детето може ДА ЗАГИНЕ или да биде ТЕШКО ПОВРЕДЕНО. BG: НИКОГА не използвайте детска седалка, гледаща назад, върху седалка, която е защитена чрез АКТИВНА ВЪЗДУШНА ВЪЗГЛАВНИЦА пред нея - може да се стигне до СМЪРТ или СЕРИОЗНО НАРАНЯВАНЕ на ДЕТЕТО. RO: Nu utilizaţi NICIODATĂ un scaun pentru copil îndreptat spre partea din spate a maşinii pe un scaun protejat de un AIRBAG ACTIV în faţa sa; acest lucru poate duce la DECESUL sau VĂTĂMAREA GRAVĂ a COPILULUI. CS: NIKDY nepoužívejte dětský zádržný systém instalovaný proti směru jízdy na sedadle, které je chráněno před sedadlem AKTIVNÍM AIRBAGEM. Mohlo by dojít k VÁŽNÉMU PORANĚNÍ nebo ÚMRTÍ DÍTĚTE. SK: NIKDY nepoužívajte detskú sedačku otočenú vzad na sedadle chránenom AKTÍVNYM AIRBAGOM, pretože môže dôjsť k SMRTI alebo VÁŽNYM ZRANE- NIAM DIEŤAŤA. LT: JOKIU BŪDU nemontuokite atgal atgręžtos vaiko tvirtinimo sistemos sėdynėje, prieš kurią įrengta AKTYVI ORO PAGALVĖ, nes VAIKAS GALI ŽŪTI arba RIMTAI SUSIŽALOTI. LV: NEKĀDĀ GADĪJUMĀ neizmantojiet uz aizmuguri vērstu bērnu sēdeklīti sēdvietā, kas tiek aizsargāta ar tās priekšā uzstādītu

42 Stoelen en veiligheidssystemen 41 AKTĪVU DROŠĪBAS SPILVENU, jo pretējā gadījumā BĒRNS var gūt SMAGAS TRAUMAS vai IET BOJĀ. ET: ÄRGE kasutage tahapoole suunatud lapseturvaistet istmel, mille ees on AKTIIVSE TURVAPAD- JAGA kaitstud iste, sest see võib põhjustada LAPSE SURMA või TÕSISE VIGASTUSE. MT: QATT tuża trażżin għat-tfal li jħares lejn in-naħa ta' wara fuq sit protett b'airbag ATTIV quddiemu; dan jista' jikkawża l-mewt jew ĠRIEĦI SERJI lit-tfal. Gebruik afgezien van de waarschuwing conform ECE R94.02 omwille van de veiligheid nooit een kinderveiligheidssysteem op de passagiersstoel met actieve frontairbag. { Gevaar Gebruik geen kinderveiligheidssysteem op de passagiersstoel met actieve frontairbag. Airbag deactiveren 0 Schakelaar Airbag deactiveren Frontaal airbagsysteem Het frontale airbagsysteem bestaat uit een airbag in het stuurwiel en een airbag in het instrumentenpaneel aan de passagierszijde. Ze zijn te herkennen aan het opschrift AIRBAG. Het frontairbagsysteem treedt in werking bij een voldoende krachtige aanrijding aan de voorzijde. Het contact moet ingeschakeld zijn. De opgeblazen airbags dempen de schok, waardoor het risico van letsel aan het bovenlichaam en hoofd van de inzittenden op de voorstoelen aanzienlijk wordt verminderd. { Waarschuwing Optimale bescherming wordt alleen geboden wanneer de stoel in de juiste stand staat 0 Stoelpositie Houd het gebied waarin de airbag wordt opgeblazen vrij van obstakels. Doe de veiligheidsgordel correct om en zet deze goed vast. Alleen dan kan de airbag bescherming bieden. U vindt het airbaglabel aan beide zijden van de zonneklep aan passagierszijde.

43 42 Stoelen en veiligheidssystemen Zijdelings airbagsysteem Het zijdelingse airbagsysteem bestaat uit airbags in de rugleuningen van de beide voorstoelen. Ze zijn te herkennen aan het opschrift AIRBAG. Het zijairbagsysteem treedt in werking bij een voldoende krachtige zijdelingse aanrijding. Het contact moet ingeschakeld zijn. De opgeblazen airbags dempen de schok, waardoor het risico van letsel aan het bovenlichaam en het bekken aanzienlijk wordt verminderd in geval van een botsing aan de zijkant. { Waarschuwing Houd het gebied waarin de airbag wordt opgeblazen vrij van obstakels. Aanwijzing Gebruik uitsluitend stoelhoezen die voor de auto zijn goedgekeurd. De airbags niet afdekken. Gordijnairbagsysteem Het hoofdairbagsysteem bestaat uit een airbag aan weerskanten in het dakframe. Ze zijn te herkennen aan het opschrift AIRBAG op de dakstijlen. Het gordijnairbagsysteem wordt geactiveerd bij een botsing aan de zijkant van een bepaalde hevigheid. Het contact moet ingeschakeld zijn. De opgeblazen airbags dempen de schok, waardoor het risico van letsel aan het hoofd aanzienlijk wordt verminderd in geval van een botsing aan de zijkant.

44 Stoelen en veiligheidssystemen 43 { Waarschuwing Houd het gebied waarin de airbag wordt opgeblazen vrij van obstakels. De haken aan de handgrepen van het dakframe zijn alleen geschikt om lichte kledingstukken, zonder kleerhangers, aan op te hangen. Geen voorwerpen in de kledingstukken bewaren. Airbag deactiveren Wanneer u een kinderveiligheidssysteem op de voorstoel gebruikt, moet u het airbagsysteem van de passagier deactiveren. Het zijairbag- en het gordijnairbagsysteem, de gordelvoorspanners en alle airbagsystemen van de bestuurder blijven actief. Het passagiersairbagsysteem kan worden uitgeschakeld via een sleutelschakelaar aan de rechterkant van het instrumentenpaneel. Gebruik de contactsleutel om de positie te kiezen: U = airbags voor de passagier vooraan zijn gedeactiveerd en gaan niet af bij een aanrijding. De controlelamp U brandt continu. Het is mogelijk een kinderveiligheidssysteem te monteren zoals aangegeven in de tabel. V = airbags voor de passagier vooraan zijn geactiveerd. U mag geen kinderveiligheidssystemen aanbrengen. { Gevaar Risico van dodelijk letsel voor een kind dat een kinderveiligheidssysteem op een stoel gebruikt met geactiveerde airbag van de voorpassagier. Risico van dodelijk letsel voor een volwassene op een stoel met gedeactiveerde airbag van de voorpassagier.

45 44 Stoelen en veiligheidssystemen Als het controlelampje U ongeveer 60 seconden na het inschakelen van het contact oplicht, werkt het passagiersairbagsysteem voor bij een botsing.status blijft actief tot de volgende verandering. Wanneer beide controlelampen tegelijkertijd branden, is er een systeemstoring. De status van het systeem kan niet worden vastgesteld, zodat niemand op de passagiersstoel mag gaan zitten. Onmiddellijk contact opnemen met een werkplaats. Verander de status alleen tijdens stilstand terwijl het contact is uitgeschakeld. Status blijft actief tot de volgende verandering. Controlelamp airbag-deactivering 0 Lampje Airbag-deactivering Kinderzitjes Wij bevelen de volgende kinderveiligheidssystemen aan die specifiek voor montage in uw auto geschikt zijn:. Groep 0, groep 0+ Maxi-Cosi Cabriofix met ISOFIX-base, voor kinderen tot 13 kg.. Groep I Duo Plus met ISOFIX en Top-Tether, in deze groep.. Groep II, groep III Kidfix met of zonder ISOFIX voor kinderen van 15 tot 36 kg. Wanneer u een kinderveiligheidssysteem gebruikt, moet u de gebruikers- en montagehandleiding én de instructies bij het kinderveiligheidssysteem opvolgen. Houd u altijd aan de plaatselijke of landelijke voorschriften. In sommige landen is het gebruik van kinderveiligheidssystemen op bepaalde zitplaatsen verboden.

46 Stoelen en veiligheidssystemen 45 { Gevaar Bij gebruik van een tegen de rijrichting in geplaatst kinderzitje op de rechter voorstoel moet het airbagsysteem voor die stoel worden uitgeschakeld. Dit geldt ook voor bepaalde in de rijrichting geplaatste kinderzitjes zoals aangegeven in de tabellen. Airbag deactiveren 0 Schakelaar Airbag deactiveren Juiste systeem selecteren De achterbank is de beste plaats om een kinderzitje vast te maken. Kinderen zo lang mogelijk tegen de rijrichting in vervoeren. Hierdoor wordt de nog erg zwakke ruggengraat van het kind bij een ongeval minder belast. Veiligheidssystemen die voldoen aan de van toepassing zijnde UN ECE-voorschriften, zijn hiervoor geschikt. Raadpleeg de plaatselijke wetgeving en richtlijnen voor het verplichte gebruik van kinderveiligheidssystemen. Het kinderveiligheidssysteem dat u gaat monteren, moet geschikt zijn voor het autotype. Het kinderveiligheidssysteem moet op de juiste plaats in de auto worden bevestigd. Raadpleeg de hiernavolgende tabellen. Verwijder vóór het aanbrengen van een kinderveiligheidssysteem zo nodig de hoofdsteun achter. Laat kinderen alleen in en uit de auto stappen aan de kant die van het verkeer vandaan gericht is. Wanneer het kinderveiligheidssysteem niet wordt gebruikt, moet u vastzetten met een veiligheidsgordel of verwijderen. Aanwijzing Kinderveiligheidssystemen niet beplakken of met andere materialen afdekken. Een kinderveiligheidssysteem dat tijdens een aanrijding werd belast moet worden vervangen.

47 46 Stoelen en veiligheidssystemen Inbouwposities kinderveiligheidssystemen Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een kinderveiligheidssysteem Gewichts- of leeftijdsgroep Groep 0: tot 10 kg of ca. 10 maanden Groep 0+: tot 13 kg of ca. 2 jaar Groep I: 9 tot 18 kg of ca. 8 maanden tot 4 jaar Groep II: 15 tot 25 kg of ca. 3 tot 7 jaar Groep III: 22 tot 36 kg of ca. 6 tot 12 jaar Op passagiersstoel geactiveerde airbag gedeactiveerde airbag Op buitenste zitplaatsen achterin Op middelste zitplaats achterin X U 1) U 2) X X U 1) U 2) X X U 1) U 2) X X X U 2) X X X U 2) X U : Universeel bruikbaar in combinatie met een driepuntsveiligheidsgordel. X : Kinderveiligheidssystemen zijn in deze gewichtsgroep niet toegestaan. 1) : Stel de rugleuninginclinatie van de voorstoel in op de rechte stand. 2) : Beweeg de bestuurders- en/of passagiersstoel naar voren en zet de rugleuning rechtop zodat het kinderveiligheidssysteem geen hinder ondervindt van de rugleuning van de voorstoel.

48 Stoelen en veiligheidssystemen 47 Toegestane mogelijkheden voor de bevestiging van een ISOFIX-kinderveiligheidssysteem Gewichts- of leeftijdsgroep Maatklasse Bevestiging Op passagiersstoel Groep 0: tot 10 kg of ca. 10 maanden Groep 0+: tot 13 kg of ca. 2 jaar Groep I: 9 tot 18 kg of ca. 8 maanden tot 4 jaar Groep II: 15 tot 25 kg of ca. 3 tot 7 jaar Groep III: 22 tot 36 kg of ca. 6 tot 12 jaar Op buitenste zitplaatsen achterin Op middelste zitplaats achterin F ISO/L1 X X X G ISO/L2 X X X E ISO/R1 X IL X E ISO/R1 X IL X D ISO/R2 X IL X C ISO/R3 X IL 1) X D ISO/R2 X IL X C ISO/R3 X IL 1) X B ISO/F2 X IL, IUF X B1 ISO/F2X X IL, IUF X A ISO/F3 X IL, IUF X X IL X X IL X

49 48 Stoelen en veiligheidssystemen Aanwijzing Beweeg de bestuurders- en/of passagiersstoel naar voren en zet de rugleuning rechtop zodat het kinderveiligheidssysteem geen hinder ondervindt van de rugleuning van de voorstoel. 1) : Alleen van toepassing voor de plaats aan de buitenkant achter de passagiersstoel in de meest naar voren geschoven positie en met de rugleuning recht. IL : Geschikt voor bepaalde ISOFIX-veiligheidssystemen in de categorieën "specifieke auto", "beperkt" of "semi-universeel". Het ISOFIX-zitje moet zijn goedgekeurd voor het specifieke voertuigtype. IUF : Geschikt voor voorwaarts gerichte ISOFIX- kinderveiligheidssystemen uit de universele categorie, goedgekeurd voor deze gewichtsklasse. X : Geen ISOFIX-kinderveiligheidssysteem goedgekeurd voor deze gewichtsklasse. ISOFIX-maatklasse en zitgelegenheid A - ISO/F3 : In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kinderen met maximumlengte in de gewichtsklasse 9 tot 18 kg. B - ISO/F2 : In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse 9 tot 18 kg. B1 - ISO/F2X : In rijrichting geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse 9 tot 18 kg. C - ISO/R3 : Tegen rijrichting in geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kinderen met maximumlengte in de gewichtsklasse tot 18 kg. D - ISO/R2 : Tegen rijrichting in geplaatst kinderveiligheidssysteem voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse tot 18 kg. E - ISO/R1 : Tegen rijrichting in geplaatst kinderveiligheidssysteem voor jonge kinderen in de gewichtsklasse tot 13 kg. F - ISO/L1 : In de dwarsrichting met hoofd naar links gericht kinderveiligheidssysteem (reiswieg) voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse tot 10 kg. G - ISO/L2 : In de dwarsrichting met hoofd naar rechts gericht kinderveiligheidssysteem (reiswieg) voor kleinere kinderen in de gewichtsklasse tot 10 kg. ISOFIX-kinderzitjes Bevestig voor de auto goedgekeurde ISOFIX-kinderveiligheidssystemen aan de ISOFIX-montagebeugels. ISOFIX-- veiligheidssystemen voor specifieke auto's worden in de tabel aangeduid met IL.

50 Stoelen en veiligheidssystemen 49 Als u een dubbele tui gebruikt in een verstelde stoelpositie en als de hoofdsteun verwijderd is, moet u de tui over de rugleuning leiden. ISOFIX-bevestigingsbeugels zijn aangeduid met het ISOFIX-logo op de rugleuning. Verwijder vóór het aanbrengen van een kinderveiligheidssysteem zo nodig de hoofdsteun achter 0 Inbouwposities kinderveiligheidssystemen ISOFIX-kinderveiligheidssystemen uit de universele categorie worden in de tabel aangeduid met IUF. Volg de gebruiksaanwijzing van het kinderzitje en de volgende instructies om de Top Tether door te voeren, vast te maken en aan te trekken: Als u een enkele tui gebruikt in een verstelde stoelpositie en als de hoofdsteun verwijderd is, moet u de tui over de rugleuning leiden. Wanneer de verstelde zitplaats achteraan die u gebruikt, voorzien is van een instelbare hoofdsteun en u gebruikt een enkelvoudige tui, brengt u de hoofdsteun omhoog en leidt u de tui onder de hoofdsteun door tussen de stangen van de hoofdsteun.

51 50 Stoelen en veiligheidssystemen Wanneer de verstelde zitplaats achteraan die u gebruikt, voorzien is van een instelbare hoofdsteun en u gebruikt een dubbele tui, brengt u de hoofdsteun omhoog en leidt u de tui onder de hoofdsteun rond de stangen van de hoofdsteun. Top-Tether-bevestigingsogen De auto heeft twee bevestigingsogen op de achterkant van de achterbank. De bevestigingsogen boven zijn voorzien van het symbool I voor een kinderzitje. Als aanvulling op de ISOFIX-bevestiging zet u de Top-Tether-band vast aan de Top-Tether-bevestigingsogen. ISOFIX-kinderveiligheidssystemen uit de universele categorie worden in de tabel aangeduid met IUF. Verwijder vóór het aanbrengen van een kinderveiligheidssysteem zo nodig de hoofdsteun achter 0 Inbouwposities kinderveiligheidssystemen 0 46.

52 Opbergruimte Opbergvakken Opbergvakken Opbergvak bedieningspaneel Dashboardkastje Bekerhouders Bagage-/laadruimtes Bagageruimte Extra opbergmogelijkheden Afdekplaat achterin/opbergruimte Bagagenet Gevarendriehoek EHBO-set Beladingsinformatie Beladingsinformatie Opbergvakken { Waarschuwing Berg geen zware of scherpe objecten in de opbergruimten op. Anders kan de klep van de opbergruimte open gaan en kunnen de inzittenden bij krachtig remmen, plotseling afslaan of een ongeval letsel door rondslingerende voorwerpen oplopen. Opbergvak bedieningspaneel Opbergruimte 51 Het bergvak wordt gebruikt voor kleine voorwerpen, enz. Dashboardkastje Het handschoenenkastje heeft een vak voor het Instructieboekje. Trek aan de nok om het vakje te openen. Het handschoenenkastje tijdens het rijden gesloten houden.

53 52 Opbergruimte Bekerhouders Bagage-/laadruimtes Er bevindt zich een bekerhouder in de middenconsole. Bagageruimte Bagageruimte vergroten Voorzichtig Klap eerst de achterbankzitting naar beneden alvorens de rugleuning van de achterbank neer te klappen. Doet u dit niet, dan kan de achterbank beschadigd raken. 1. Trek de hoofdsteun omhoog en eruit door beide pallen in te drukken. Aanwijzing Om voldoende ruimte te hebben voor de omgang met de achterbankzitting, schuift u de voorstoel naar voren en zet u de rugleuning van de voorstoel rechtop. 2. Trek aan het zittingkussen en draai het zittingkussen omlaag. 3. Trek aan de ontgrendelingshefboom boven op de achterbankrugleuning.

54 4. Klap de rugleuning naar voren en omlaag. 5. Steek de gordels van de buitenste zitplaatsen in de gordelgeleiders. Zet de rugleuning weer in de oorspronkelijke stand door deze op te tillen en de veiligheidsgordel uit de gordelgeleiders te trekken. Druk de rugleuning stevig op zijn plaats. { Waarschuwing Bij opklappen moet u zich ervan verzekeren dat de rugleuningen stevig op hun plaats vergrendeld zijn alvorens te gaan rijden. Het nalaten hiervan kan lichamelijk letsel of schade aan de bagage of de auto tot gevolg hebben bij krachtig remmen of een botsing. Controleer of de veiligheidsgordels niet klem raken door de verankering. De veiligheidsgordel achter in het midden kan blokkeren wanneer u de rugleuning omhoog trekt. Als dat gebeurt, laat de gordelband dan helemaal terugrollen en begin opnieuw. Opbergruimte 53 Als de veiligheidsgordel nog steeds geblokkeerd is, draai dan het zittingkussen omlaag en probeer het nogmaals. Als u de zitting van de achterbank weer terug wilt plaatsen, zet dan de achterzijde van de zitting in zijn oorspronkelijke stand en zorg ervoor dat de lussen van de veiligheidsgordel niet gedraaid of onder de zitting geklemd zijn; druk vervolgens de voorzijde van de zitting stevig naar beneden tot deze vergrendelt. Voorzichtig Zet de veiligheidsgordel en gespen tussen de rugleuning en één van de kussens bij het terugklappen van de rugleuning van de achterbank. Let erop dat de gordels en de gespen niet onder een achterbankkussen klem komen te zitten. Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels niet gedraaid of beklemd raken in de rugleuning en in hun juiste positie geplaatst zijn.

55 54 Opbergruimte Let op: De bagageruimte bevat alle uitrusting die tijdens de productie door de fabrikant zijn geïnstalleerd (reservewiel, krik, enz.). Andere zaken, hetzij niet geïnstalleerd of alleen optioneel, zoals een verbandtrommel of brandblusser, zijn buiten beschouwing gelaten. Wanneer speciale uitrusting, zoals een neerklapbare of verwijderbare achterbank of rugleuning door de fabrikant zijn voorzien voor een maximaal laadvolume, worden de metingen gemaakt met de volgende laadbeperkingen. Laadbeperking vooraan: de achterkant van de rugleuning van de stoelen die zich onmiddellijk voor de bagageruimte bevinden, ingesteld op de normale rijpositie die door de fabrikant is bepaald en/of van de neerklapbare achterstoelen. De neergeklapte of verwijderde achterbank en/of de rugleuning, met de laadbeperking vooraan boven de rugleuning, wat gelijk staat met een verticaal vlak, parallel aan de achterkant van de rugleuning van de voorstoel en de laadbeperking in de hoogte beperkt door de dakhemel. Om de achterbankzitting te verwijderen, drukt u de scharnieren in de richting van de pijl. Extra opbergmogelijkheden Afdekplaat achterin/ opbergruimte Bagagerolhoes bagageruimte U kunt kleine voorwerpen erop plaatsen of artikelen in de bagageruimte ermee aan het zicht onttrekken. Gebruik de plaat door elke lus aan de verankeringen van de achterklep te hangen.

56 Leg de plaat na gebruik achterstevoren in de achterbank. Aanwijzing Als deze niet goed zit, kan dit een ratelend geluid veroorzaken en kan deze door contact met de achterbank slijten. Voorzichtig Plaats geen zware voorwerpen op de plaat. Wanneer u een opbergpaneelafdekking laadt of lost, moet u deze draaien om de montage te vergemakkelijken omdat de opbergpaneelafdekking groter is dan de achterklep. Bagagenet U kunt kleine voorwerpen met uw optionele bagagenet vervoeren. Om het net te bevestigen, hangt u elke lus in de bovenste hoek van het net aan beide verankeringen van het achterpaneel. Voorzichtig Het bagagenet is bedoeld voor kleine voorwerpen. Plaats geen zware voorwerpen in het bagagenet. Gevarendriehoek Auto's met bandenreparatieset Berg de gevarendriehoek op in de gereedschapskoffer van de auto onder de vloerafdekking in de bagageruimte. Opbergruimte 55 Auto's met reservewiel Berg de gevarendriehoek op in het opbergvak in de bagageruimte.

57 56 Opbergruimte EHBO-set Berg de verbandtrommel op in het opbergvak in de bagageruimte. Beladingsinformatie. Zware voorwerpen in de bagageruimte tegen de rugleuningen leggen. Controleren of de rugleuningen naar behoren zijn vergrendeld. Bij stapelbare voorwerpen de zwaarste voorwerpen onderop leggen.. Losse voorwerpen in de bagageruimte vastzetten om verschuiven tegen te gaan.. Bij het vervoeren van voorwerpen in de bagageruimte mogen de rugleuningen van de achterbank niet schuin naar voren geklapt zijn.. Bagage niet boven de rugleuningen laten uitsteken.. Niets op de hoedenplank of op het instrumentenpaneel leggen en de sensor boven op het instrumentenpaneel niet afdekken.. De bagage mag de bediening van pedalen, handrem, schakelhefboom en de bewegingsvrijheid van de bestuurder niet belemmeren. Geen losse voorwerpen in het interieur leggen.. Niet met een geopende achterklep rijden. { Waarschuwing Zorg ervoor dat eventuele lading in uw auto altijd correct is vastgezet. Als dat niet het geval is, kunnen er voorwerpen in het voertuig rondslingeren en letsel of schade aan de lading of de auto veroorzaken.. Het nuttig draagvermogen is het verschil tussen het maximaal toelaatbare totaalgewicht van de auto (zie typeplaatje 0 Voertuigidentificatienummer (VIN) 0 212ii) en het leeggewicht van de auto. Raadpleeg het hoofdstuk met de technische gegevens voor details over het leeggewicht.

58 Opbergruimte 57 Het leeggewicht omvat ook het gewicht van de bestuurder (68 kg), de bagage (7 kg) en alle vloeistoffen (brandstoftank voor 90% gevuld). Extra uitrusting en accessoires verhogen het leeggewicht.. Rijden met daklading verhoogt de zijwindgevoeligheid van de auto en verslechtert het rijgedrag door het hogere zwaartepunt. Lading gelijkmatig verdelen en goed met spanbanden vastzetten. Bandenspanning en rijsnelheid aan de beladingstoestand aanpassen. Spanbanden regelmatig controleren en bijspannen.

59 58 Instrumenten en knoppen Instrumenten en knoppen Bediening Stuurwiel instellen Stuurbedieningsknoppen Verwarmd stuurwiel Claxon Wis-/wasinstallatie voorruit Wis-/wasinstallatie achterruit Buitentemperatuur Klok Elektrische aansluitingen Waarschuwingslampjes, meters en verklikkerlichtjes Snelheidsmeter Kilometerteller Dagteller Toerenteller Brandstofmeter Controlelampen Motorkoelvloeistofthermometer Service-display Richtingaanwijzer Veiligheidsgordelwaarschuwingen Verklikkerlampje airbag en gordelspanner Lampje Airbag-deactivering Lampje oplaadsysteem Storingslampje Service-indicatie (SVS-lampje) Waarschuwingslampje rem- en koppelingssysteem Waarschuwingslampje antiblokkeersysteem (ABS) Schakellampje Lampje variabele stuurbekrachtiging Lampje Lane Departure Warning (LDW) Lampje ultrasoonparkeerhulp Controlelampje elektronische stabiliteitsregeling (ESC) Lampje Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) uit Traction Control (TCS) Uit-lampje Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur Lampje bandenspanningscontrolesysteem Lampje motoroliedruk Te laag brandstofpeil Auto Stop-modus Lampje voor de startbeveiliging Lampje Motorvermogen verminderd Lampje groot licht aan Mistlamp voor Mistachterlicht Controlelampje voor de achterlichten Lampje cruise control Lampje motorkap open Lampje portier open Informatieschermen Bestuurdersinformatiecentrum (DIC) Boordberichten Boordberichten Waarschuwingszoemers Persoonlijke instellingen Persoonlijke instellingen OnStar-systeem OnStar -systeem

60 Bediening Stuurwiel instellen Stuurbedieningsknoppen Instrumenten en knoppen 59 Verwarmd stuurwiel Hendel omlaagbewegen, stuurwiel instellen, hendel omhoogbewegen en vergrendelen. Stuurwiel uitsluitend bij stilstaande auto en ontgrendeld stuurslot verstellen. U kunt het Infotainmentsysteem, de cruise control en een gekoppelde mobiele telefoon bedienen met de knoppen op het stuurwiel. Nadere informatie vindt u in de infotainment-handleiding. Cruisecontrol 0 Cruise control 0 158ii. Druk op A om verwarming te activeren. De activering wordt aangeduid door de LED in de toets.

61 60 Instrumenten en knoppen Claxon Wis-/wasinstallatie voorruit Ruitenwisser De gedeelten van het stuurwiel voor plaatsing van de handen zijn sneller warm en worden warmer dan de overige gedeelten. De verwarming werkt bij een draaiende motor en tijdens een Autostop. Stop-start-systeem 0 Stop/start-- systeem 0 146ii. a indrukken. 2 : Continu wissen, hoge snelheid. uit. 1 : Continu wissen met lage snelheid. 3 : Intervalstand. O : Systeem uit. Hendel omlaag in stand 1x duwen om wissers één slag te laten maken wanneer de voorruitwisser uitgeschakeld is.

62 Instrumenten en knoppen 61 Niet gebruiken wanneer de voorruit bevroren is. Uitschakelen in wasstraten. Ruitensproeier Wis-/wasinstallatie achterruit Hendel naar u toe trekken. De sproeiervloeistof wordt tegen de voorruit gespoten en de wisser maakt enkele slagen. Druk de wipschakelaar in om de achterruitwisser aan te zetten: Bovenste stand: Kort interval Onderste stand: Lang interval Middenstand: Uit Hendel van u af duwen. Er wordt sproeiervloeistof op de achterruit gespoten en de ruitenwisser maakt een paar slagen. Niet gebruiken wanneer de voorruit bevroren is. Uitschakelen in wasstraten. Als de voorruitwisser aanstaat, wordt de achterruitwisser automatisch ingeschakeld wanneer u in achteruit schakelt. U kunt deze functie in- of uitschakelen in het menu Instellingen op het Infodisplay. Persoonlijke instellingen 0 Persoonlijke instellingen 0 83ii.

63 62 Instrumenten en knoppen Buitentemperatuur Klok Elektrische aansluitingen De buitentemperatuur verschijnt op het infotainmentdisplay. Driver Information Center 0 Driver Information Center (DIC) 0 75ii. De tijd en de datum worden getoond in het infotainmentdisplay. Personaliseren 0 Personaliseren 0 122ii. In de middenconsole zit een 12 V-aansluiting. Het maximaal opgenomen vermogen mag niet meer bedragen dan 120 watt. Wanneer de ontsteking is uitgeschakeld, is de aansluiting gedeactiveerd. De elektrische aansluiting wordt eveneens gedeactiveerd wanneer de accuspanning te laag is.

64 Aangesloten elektrische accessoires moeten wat betreft de elektromagnetische compatibiliteit voldoen aan de DIN-norm VDE Geen accessoires aansluiten die stroom leveren, zoals laadtoestellen of accu's. Aansluiting niet beschadigen door het gebruik van ongeschikte stekkers. Stop/Start-systeem 0 Stop/start-- systeem 0 146ii. Waarschuwingslampjes, meters en verklikkerlichtjes Snelheidsmeter Aanduiding van de rijsnelheid. Instrumenten en knoppen 63 Kilometerteller Weergave van de afgelegde afstand in km op de onderste regel. Dagteller Op de bovenste regel ziet u de afgelegde weg sinds de laatste reset. Zet deze terug door enkele seconden op INSTELLEN op de richtingaanwijzerhendel te drukken 0 Driver Information Center (DIC) 0 75ii.

65 64 Instrumenten en knoppen Toerenteller Voorzichtig Als de naald in het rode gebied komt, betekent dit dat het maximaal toegestane toerental wordt overschreden. Gevaar voor de motor. Brandstofmeter Geeft het motortoerental aan. In elke versnelling zo veel mogelijk met een laag toerental rijden. Let op: Na het uitschakelen van de motor kunnen de naald in de snelheidsmeter en de toerenteller iets trillen. Toont het brandstofpeil. Bij een te laag brandstofpeil brandt controlelamp.. Meteen tanken wanneer deze knippert. Door brandstofresten in de tank kan de hoeveelheid brandstof die kan worden bijgetankt kleiner zijn dan de gespecificeerde tankinhoud. Tank nooit leegrijden. Controlelampen De beschreven controlelampen zijn niet in alle auto's aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentuitvoeringen.

66 Instrumenten en knoppen 65 Afhankelijk van de apparatuur kan de plaats van de Controlelampen variëren. Bij het inschakelen van het contact lichten de meeste controlelampen korte tijd op bij wijze van functietest. Betekenis kleuren controlelampen: Rood: Gevaar, belangrijke herinnering Geel: Waarschuwing, aanwijzing, storing Groen: Inschakelbevestiging Blauw: Inschakelbevestiging Wit: Inschakelbevestiging

67 66 Instrumenten en knoppen Controlelampen op de instrumentengroep

68 Instrumenten en knoppen 67 Controlelampen in het midden Overzicht G: Richtingaanwijzer 0 69ii. >: Gordelverklikkers 0 69ii. 9: Lampje airbag en veiligheidsgordelspanner 0 69ii. +: Lampje Airbag On-Off 0 70ii. ": Lampje oplaadsysteem 0 70ii. *: Storingslampje 0 70ii. B: Service-indicatie 0 70ii. $: Rem- en koppelingssysteem 0 71ii.!: Waarschuwingslampje van het Antilock Brake System (ABS) (antiblokkeersysteem van de remmen) 0 71ii. *: Schakelen 0 71ii. m: Variabele stuurbekrachtiging 0 71ii. X: Ultrasoonparkeerhulp 0 72ii. d: Elektronische stabiliteitsregeling 0 72ii. g: Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) uit 0 72ii. i: Traction Control (TCS) uit 0 72ii. C: Waarschuwingslampje koelvloeistof 0 72ii. 7: Lampje bandenspanningscontrolesysteem 0 72ii. :: Lampje van de motoroliedruk 0 73ii..: Lampje te laag brandstofpeil 0 73ii. A: Startbeveiliging 0 73ii. w: Motorvermogen verminderd 0 74ii. 3: Lampje grootlicht 0 74ii. #: Mistlampen voor 0 74ii. s: Lampje mistachterlicht 0 74ii. ;: Achterlichten 0 74ii. 5: Lampje cruise control 0 74ii. i: Motorkap open 0 74ii. U: Portier open 0 74ii. Motorkoelvloeistofthermometer Geeft de koelvloeistoftemperatuur aan. Linkergedeelte: Motor nog niet op bedrijfstemperatuur

69 68 Instrumenten en knoppen Middelste gedeelte: Normale bedrijfstemperatuur Rechtergedeelte: Koelvloeistoftemperatuur te hoog Voorzichtig Stop en zet de motor af wanneer de koelvloeistoftemperatuur te hoog is. Kans op motorschade. Controleer het koelvloeistofpeil meteen. Service-display Het controlesysteem van de oliekwaliteit laat u weten wanneer de motorolie en het oliefilter moeten worden vervangen. Afhankelijk van de rijomstandigheden, kan het aangegeven vervangingsinterval van de motorolie en het oliefilter aanzienlijk variëren. U selecteert het menu en de functie met de toetsen op de richtingaanwijzerhendel. Om de resterende levensduur van de motorolie te bekijken: Druk op MENU om het menu Voertuiginstellingen te openen. Draai aan het stelwiel om Resterende olielevensduur te selecteren. Bij het verversen van de olie moet het systeem altijd worden teruggezet om goed te kunnen werken. De hulp van een werkplaats inroepen. Druk op SET/CLR om te terug te zetten. Het contact moet ingeschakeld zijn maar de motor moet niet draaien. Wanneer het systeem heeft berekend dat de levensduur van de motorolie is verstreken, dan ziet u

70 Instrumenten en knoppen 69 Olie weldra vervangen of een waarschuwingscode op het bestuurdersinformatiecentrum. Laat de motorolie en het oliefilter binnen een week of 500 km door een werkplaats vervangen (wat het eerst voorkomt). Driver Information Center 0 Driver Information Center (DIC) 0 75ii. Service-informatie 0 Service-informatie 0 206ii. Richtingaanwijzer G brandt of knippert groen. Brandt kort De parkeerlichten worden ingeschakeld. Knippert Een richtingaanwijzer of de alarmknipperlichten worden geactiveerd. Snel knipperen: richtingaanwijzer of bijbehorende zekering defect, richtingaanwijzer aanhanger defect. Gloeilamp vervangen 0 Een gloeilamp vervangen 0 173ii. Zekeringen 0 Zekeringen 0 180ii. Richtingaanwijzers 0 Richtingaanwijzerlampjes 0 92ii. Veiligheidsgordelwaarschuwingen Gordelverklikker op de voorstoelen > brandt of knippert rood. Brandt Na het inschakelen van de ontsteking, totdat de veiligheidsgordel is omgedaan. Knippert Na het starten van de motor gedurende maximaal 100 seconden totdat de gordel is vastgemaakt. Veiligheidsgordel omdoen 0 Driepuntsgordel 0 36ii. Gordelstatus op de achterbank > knippert of brandt in het bestuurdersinformatiecentrum. Knippert Na het wegrijden wanneer de veiligheidsgordel wordt losgemaakt. Veiligheidsgordel omdoen 0 Driepuntsgordel 0 36ii. Verklikkerlampje airbag en gordelspanner 9 brandt rood. Bij ingeschakeld contact brandt de controlelamp ongeveer enkele seconden. Als dit niet gaat branden, niet na enkele seconden dooft of gaat branden terwijl u rijdt, dan is er een storing in het airbagsysteem. De hulp van een werkplaats inroepen. De airbags en gordelspanners gaan mogelijkerwijs niet af tijdens een ongeval. Geactiveerde gordelspanners of airbags worden aangeduid door aanhoudend branden van 9.

71 70 Instrumenten en knoppen { Waarschuwing Oorzaak van de storing onmiddellijk door een werkplaats laten verhelpen. Veiligheidsgordels, airbagsysteem 0 Veiligheidsgordels 0 35ii, Airbagsysteem 0 38ii. Lampje Airbag-deactivering / brandt geel. Gaat na het inschakelen van de ontsteking enkele seconden branden. De passagiersairbag is geactiveerd. + brandt geel. De passagiersairbag is gedeactiveerd 0 Schakelaar Airbag deactiveren 0 43ii. { Gevaar Levensgevaar voor kinderen in een kinderveiligheidssysteem tezamen met een geactiveerde airbag op de passagiersstoel voorin. Levensgevaar voor volwassenen bij een buiten werking gestelde airbag van de passagiersstoel voorin. Lampje oplaadsysteem " brandt rood. Brandt na het inschakelen van de ontsteking en dooft vlak na het starten van de motor. Brandt bij een draaiende motor Stoppen, motor afzetten. Accu van de auto wordt niet geladen. Motorkoeling wordt mogelijk onderbroken. De rembekrachtiger werkt eventueel niet meer. De hulp van een werkplaats inroepen. Storingslampje * brandt of knippert geel. Brandt na het inschakelen van de ontsteking en dooft vlak na het starten van de motor. Brandt bij een draaiende motor Storing in het uitlaatgasreinigingssysteem. De toegestane emissiewaarden worden mogelijk overschreden. Onmiddellijk hulp van een werkplaats inroepen. Knippert bij een draaiende motor Storing die schade aan de katalysator kan veroorzaken. Gas terugnemen totdat de lamp niet meer knippert. Onmiddellijk hulp van een werkplaats inroepen. Service-indicatie (SVS-lampje) B brandt geel. Er wordt bovendien een waarschuwingscode weergegeven. De auto vergt een onderhoudsbeurt. De hulp van een werkplaats inroepen. Boordinformatie 0 Voertuigberichten 0 80ii.

72 Instrumenten en knoppen 71 Waarschuwingslampje rem- en koppelingssysteem $ brandt rood. Het rem- en koppelingsvloeistofpeil is te laag 0 Remvloeistof 0 170ii. { Waarschuwing Stop. Rij niet verder. De hulp van een werkplaats inroepen. Pedaal bedienen # brandt of knippert geel. Trap het koppelingspedaal in om de motor in de stand Autostop te starten. Stop/Start-systeem 0 Stop/start-- systeem 0 146ii. Knippert Trap het koppelingspedaal in om de motor in het algemeen te starten 0 Stop/start-systeem 0 146ii, 0 Nieuwe auto inrijden 0 144ii. Waarschuwingslampje antiblokkeersysteem (ABS)! brandt geel. Brandt na het inschakelen van de ontsteking enkele seconden. Het systeem is na het doven van het controlelampje klaar voor gebruik. Als de controlelamp na enkele seconden niet dooft of als deze tijdens de rit gaat branden, dan zit er een storing in het ABS-systeem. Het remsysteem blijft normaal werken, maar zonder ABS-regeling. Antiblokkeersysteem 0 Antilock Brake System (ABS) (antiblokkeersysteem van de remmen) 0 152ii. Schakellampje * met het getal van de volgende hogere versnelling wordt aangeduid wanneer opschakelen wordt aanbevolen om brandstof te besparen. Lampje variabele stuurbekrachtiging m brandt geel. Storing in het elektrisch stuurbekrachtigingssysteem (EPS). Hierdoor kan de auto zwaarder of lichter gaan sturen. De hulp van een werkplaats inroepen. Stop/Start-systeem 0 Stop/start-- systeem 0 146ii. Lampje Lane Departure Warning brandt groen of knippert geel. Brandt groen Het systeem wordt ingeschakeld en is gebruiksklaar. Knippert geel Het systeem herkent een onbedoelde verandering van rijstrook.

73 72 Instrumenten en knoppen Lampje ultrasoonparkeerhulp X brandt geel. Storing in het systeem of Storing door vervuilde of met sneeuw of ijs bedekte sensoren of Storingen door externe bronnen van ultrasoon geluid. Zodra de storingsbron is weggenomen, werkt het systeem weer normaal. Oorzaak van de systeemstoring onmiddellijk door een werkplaats laten verhelpen. Ultrasoonparkeerhulp 0 Parkeerhulp (parkeerhulp achteraan) 0 156ii. Controlelampje elektronische stabiliteitsregeling (ESC) d brandt of knippert geel. Brandt Er zit een storing in het systeem. Verder rijden is mogelijk. De rijstabiliteit kan echter afhankelijk van de staat van het wegdek verslechteren. Oorzaak van de storing onmiddellijk door een werkplaats laten verhelpen. Knippert Het systeem is actief bezig. Het motorvermogen kan worden begrensd en de auto kan automatisch iets worden afgeremd. Lampje Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) uit g brandt geel. Het systeem wordt gedeactiveerd. Traction Control (TCS) Uit-lampje i brandt geel. Het systeem wordt gedeactiveerd. Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur C brandt rood. Dit controlelampje geeft aan wanneer de koelvloeistoftemperatuur te hoog is. Wanneer onder normale omstandigheden met de auto hebt gereden, verlaat u de weg, stopt u de auto en laat u de motor enkele minuten stationair draaien. Als het lampje niet dooft, moet u de motor uitzetten en zo snel mogelijk naar een werkplaats gaan. Wij adviseren u contact op te nemen met een erkende werkplaats. Lampje bandenspanningscontrolesysteem 7 brandt of knippert geel. Brandt Bandenspanningsverlies. Meteen stoppen en de bandenspanning controleren.

74 Instrumenten en knoppen 73 Knippert Storing in het systeem of wiel zonder gemonteerde druksensor (bijv. reservewiel). Na seconden brandt de controlelamp continu. De hulp van een werkplaats inroepen. Bandenspanningscontrolesysteem 0 Bandenspanning 0 186ii. Lampje motoroliedruk : brandt rood. Brandt na het inschakelen van de ontsteking en dooft vlak na het starten van de motor. Brandt bij een draaiende motor Voorzichtig Motorsmering wordt mogelijk onderbroken. Dit kan aanleiding geven tot motorschade en/of tot het blokkeren van de aandrijfwielen. Als het oliedruklampje gaat branden tijdens het rijden, gaat u naar de kant, stopt u de motor en controleert u het oliepeil. 1. Bedien de koppeling. 2. Versnellingsbak in neutrale stand zetten, keuzehendel in stand N zetten. 3. Haal de auto zo spoedig mogelijk uit de verkeersstroom zonder daarbij andere verkeersdeelnemers te hinderen. 4. Contact uitschakelen. { Waarschuwing Bij uitgeschakelde motor gaat remmen en sturen aanmerkelijk zwaarder. Bij Autostop werkt de rembekrachtigingseenheid nog altijd. Verwijder de sleutel niet voordat de auto stilstaat, anders kan het stuurslot onverwacht ingeschakeld worden. Oliepeil controleren alvorens de hulp van een werkplaats in te roepen 0 Motorolie 0 168ii. Te laag brandstofpeil. brandt of knippert geel. Brandt Peil in brandstoftank is te laag. Knippert Brandstofvoorraad opgebruikt. Onmiddellijk bijtanken. Tank nooit leegrijden. Katalysator 0 Katalysator 0 150ii. Auto Stop-modus h brandt wanneer de motor op Autostop staat. Stop/Start-systeem 0 De motor starten 0 145ii. Lampje voor de startbeveiliging A knippert geel.

75 74 Instrumenten en knoppen Storing in het startbeveiligingssysteem. De motor kan niet worden gestart. Lampje Motorvermogen verminderd w brandt geel. Het motorvermogen is beperkt. De hulp van een werkplaats inroepen. Lampje groot licht aan 3 brandt blauw. Brandt bij ingeschakeld grootlicht en bij lichtsignaal 0 Lichtschakelaar 0 90ii. Mistlamp voor # brandt groen. De voorste mistlampen zijn ingeschakeld 0 Mistlampen voor 0 92ii. Mistachterlicht s brandt geel. Het mistachterlicht is ingeschakeld 0 Mistachterlicht 0 92ii. Controlelampje voor de achterlichten ; brandt groen. De rijverlichting is ingeschakeld 0 Lichtschakelaar 0 90ii. Lampje cruise control I brandt wit of groen. Brandt wit Het systeem is ingeschakeld. Brandt groen Een bepaalde snelheid wordt opgeslagen. Cruisecontrol 0 Cruise control 0 158ii. Lampje motorkap open i gaat branden wanneer de motorkap open is. Automatische motorstop/startfunctie 0 Stop/start-systeem 0 146ii. Lampje portier open U brandt rood. Een portier of de achterklep staat open.

76 Instrumenten en knoppen 75 Informatieschermen Bestuurdersinformatiecentrum (DIC) Sommige functies op het display verschillen tussen onderweg of in stilstand. Sommige functies zijn alleen onderweg beschikbaar. Menu s en functies selecteren U selecteert de menu's en functies met de toetsen op de richtingaanwijzerhendel. Draai aan het stelwiel om een menu-optie te markeren of om een numerieke waarde in te stellen. Het Driver Information Center (DIC) is ondergebracht in de instrumentengroep. U selecteert de menupagina's door op MENU te drukken op de richtingaanwijzerhendel. De te selecteren menupagina's van Midlevel-display zijn:. menu Rit, zie hieronder. menu Auto, zie hieronder Druk op MENU om tussen de menu's te schakelen of om vanuit een submenu één niveau terug te gaan.

77 76 Instrumenten en knoppen Druk op INSTELLEN om een functie te kiezen of om een melding te bevestigen. Menu Rit Gemiddelde snelheid De boordcomputer is ondergebracht in het Driver Information Center (DIC). Deze voorziet de bestuurder van allerlei rij-informatie zoals gemiddelde snelheid, rijafstand bij resterende brandstofhoeveelheid, gemiddeld brandstofverbruik en rijtijd. Voor het bedienen van de boordcomputer verdraait u het stelwiel in de richtingaanwijzerhendel. Telkens wanneer u aan het stelwiel draait, verandert de weergave volgens de onderstaande volgorde: Dagteller Totaal brandstofbereik Gemiddelde rijsnelheid Onmiddellijke brandstofbesparing Gemiddelde brandstofbesparing Timer Sommige weergaven kunnen worden teruggesteld door op SET/ CLR te drukken. Deze modus geeft de gemiddelde snelheid aan. De gemiddelde snelheid wordt berekend terwijl de motor draait, zelfs als de auto niet rijdt. Om de gemiddelde rijsnelheid terug te stellen, drukt u op de SET/CLR.

78 Instrumenten en knoppen 77 Rijafstand voor resterende brandstof De actieradius voor de resterende brandstof kan verschillen per bestuurder, weg en de rijsnelheid, omdat het wordt berekend op basis van de wisselende brandstofzuinigheid. Gemiddeld verbruik Deze modus geeft de geschatte rijafstand tot een lege tank aan vanaf het huidige brandstofpeil in de brandstoftank. Als u bijtankt op een helling of met een losgekoppelde accu, kan de tripcomputer de werkelijke waarde niet aflezen. Aanwijzing Als hulpapparaat kan de dagteller afwijken van de werkelijke actieradius voor de resterende brandstof, afhankelijk van de omstandigheden. <Alleen Denemarken> Deze weergave geeft het gemiddeld brandstofverbruik aan. Het gemiddelde verbruik wordt berekend terwijl de motor draait, zelfs als de auto niet rijdt.

79 78 Instrumenten en knoppen Rijtijd kunnen afwijken van de werkelijke waarden als gevolg van de rijomstandigheden, het rijpatroon of de voertuigsnelheid. Dagteller Actueel brandstofverbruik Deze modus geeft de totale rijtijd aan. De rijtijd wordt vanaf de laatste rijtijdterugstelling steeds bijgewerkt, ook wanneer er niet met de auto wordt gereden. Stop of start de rijtijd door op SET/ CLR te drukken. Zet de rijtijd terug door enkele seconden op SET/CLR te drukken. Aanwijzing De gemiddelde snelheid, de rijafstand met de resterende brandstof en het gemiddeld brandstofverbruik De dagteller geeft de afgelegde afstand vanaf een bepaalde reset weer. Zet terug door enkele seconden op SET/CLR te drukken. <Alleen Denemarken> Weergave van het actuele verbruik.

80 Instrumenten en knoppen 79 Voertuigmenu U kunt het volgende selecteren:. motorolielevensduur. instellen van eenheid. banden inleren. draagvermogen banden U kunt elk menu selecteren door het stelwiel in de richtingaanwijzerhendel te verdraaien. Motorolielevensduur Deze geeft een schatting weer van de resterende, bruikbare levensduur van de olie. Wanneer het nummer 98 wordt weergegeven, betekent het dat 98% van de huidige olielevensduur resteert. Wanneer de resterende olielevensduur laag is, wordt de boordinformatie weergegeven in het Driver Information Center (DIC). De motorolie moet dan zo spoedig mogelijk worden ververst. Na motorolieverversing moet het controlesysteem oliekwaliteit worden gereset. Zet terug door enkele seconden op SET/CLR te drukken. Motorolie op 0 Motorolie 0 168ii. Instellen van eenheid Druk enkele seconden op SET/CLR. Draai aan het stelwiel om één van de instellingen te kiezen. 1. metrisch (km/h, C) 2. Engels (MPH, C) 3. VS (MPH, F) Bij het wijzigen van de eenheid knippert de geselecteerde eenheid. Druk op SET/CLR om te bevestigen.

81 80 Instrumenten en knoppen Banden inleren Draagvermogen banden Boordberichten Berichten worden voornamelijk weergegeven op het Driver Information Center; in sommige gevallen samen met een waarschuwingszoemer. Druk op SET/CLR, MENU of draai aan het stelwiel om een bericht te bevestigen. Op dit scherm kunt u nieuwe banden en wielen met de TPMS-sensoren koppelen. Druk enkele seconden op SET/CLR om het koppelen uit te voeren. Zie Lampje bandenspanningscontrolesysteem 0 Lampje bandenspanningscontrolesysteem 0 72ii. Druk enkele seconden op SET/CLR om het menu te selecteren. Draai aan het stelwiel om één van de instellingen te kiezen.. capaciteit laag. capaciteit eco. capaciteit hoog De boordinformatie verschijnt in de vorm van cijfercodes. Nr. boordinformatie 3 Koelvloeistofpeil laag bijvullen 4 Airco uit door hoge motortemp.

82 Instrumenten en knoppen Remmen versleten 12 Auto overbeladen 13 Compressor oververhit 15 Controleer derde remlicht 16 Controleer remlichten 17 Koplampverstelling defect 18 Linker dimlicht defect 19 Controleer mistachterlicht aanhanger 20 Controleer dimlicht rechts 21 Controleer standlicht links 22 Controleer standlicht rechts 23 Achteruitrijlicht defect 24 Kentekenverlichting defect 25 Controleer richtingaanwijzer linksvoor 26 Storing richtingaanwijzer linksachter 27 Controleer richtingaanwijzer rechtsvoor 28 Controleer richtingaanwijzer rechtsachter 29 Controleer remlicht aanhanger 30 Controleer achteruitrijlicht aanhanger 31 Controleer richtingaanwijzer aanhanger links 32 Controleer richtingaanwijzer aanhanger rechts 33 Controleer mistachterlicht aanhanger 34 Controleer achterlicht aanhanger 35 Vervang batterij in afstandsbediende sleutel. 36 Stabilitrak bezig met initialisatie 38 Neem de stuurinrichting (goedkeuring tekst nog hangende) 48 Dodehoekwaarschuwingssysteem niet beschikbaar 49 Lane departure warning-systeem niet beschikbaar 50 Motorkap terugzetten - zie instructieboekje 52 Vervang distributieriem 56 Drukverschil - voor 57 Drukverschil - achter 59 Ruit bestuurderszijde openen en sluiten 60 Ruit passagierszijde openen en sluiten 61 Achterruit links openen en sluiten 62 Achterruit rechts openen en sluiten 65 Inbraakpoging 66 Onderhoud diefstalalarm 67 Service stuurslot 68 Service stuurbekrachtiging, rijd voorzichtig 75 Service aircosysteem 77 Service Lane Departure Warning / Service vooruitzichtcamera 79 Motoroliepeil laag - vul olie bij 81 Service transmissie 82 Motorolie spoedig verversen 84 Motorvermogen beperkt 89 Auto weldra onderhouden 95 Service airbag 145 Sproeiervloeistofpeil laag - vul vloeistof bij 151 Trap koppeling in om te starten 174 Lage accuspanning

83 82 Instrumenten en knoppen 258 Parkeerhulp Uit Waarschuwingszoemers Er klinkt slechts één geluidssignaal tegelijk. Het geluidssignaal voor niet gedragen veiligheidsgordels geniet de prioriteit boven alle andere geluidssignalen. Bij het starten van de motor of tijdens het rijden. Wanneer de veiligheidsgordel niet is omgedaan.. Wanneer bij het wegrijden een van de portieren of de achterklep niet goed gesloten is.. Wanneer u met aangetrokken handrem een bepaalde snelheid overschrijdt.. Wanneer u een geprogrammeerde snelheid overschrijdt.. Er verschijnt een waarschuwingstekst of waarschuwingscode op het Driver Information Center.. Wanneer de parkeerhulp een obstakel detecteert.. Na het inschakelen van de achteruitversnelling en het uittrekken van de achterdrager.. Bij een storing in de automatische vergrendeling. Bij het parkeren van de auto en / of het openen van het bestuurdersportier. Bij ingeschakelde rijverlichting. Tijdens een Autostop. Als het bestuurdersportier geopend is. Batterijspanning Wanneer de accuspanning laag is, verschijnt er een waarschuwingsbericht of waarschuwingscode 174 in het bestuurdersinformatiecentrum. 1. Schakel onmiddellijk alle elektrische verbruikers uit die niet nodig zijn voor een veilige rit, bijv. de stoelverwarming, achterruitverwarming of andere hoofdverbruikers. 2. Laad de accu op door een tijdje te rijden of door een oplaadapparaat te gebruiken. Het waarschuwingsbericht of de waarschuwingscode verdwijnen nadat de motor twee keer na elkaar is gestart zonder een spanningsval. Als de accu niet kan worden opgeladen, moet u de oorzaak van de storing in een werkplaats laten verhelpen.

84 Instrumenten en knoppen 83 Persoonlijke instellingen U kunt de auto aan uw persoonlijke wensen aanpassen door de instellingen op het Infotainmentdisplay te wijzigen. Afhankelijk van het uitrustingsniveau, zijn sommige van de hieronder beschreven functies eventueel niet aanwezig. Druk op MENU terwijl het contact AAN staat en het infotainmentsysteem is geactiveerd. De instelmenu's worden weergegeven. Om een ander Instelmenu te kiezen, draait u aan de knop MENU. Om het Instelmenu te selecteren, drukt u op MENU. Om af te sluiten of terug te gaan naar een vorig menu, drukt u op TERUG. Selecteer "Persoonlijke instellingen". Voertuiginstellingen. Parkeerhulp / Botsingdetectie Park assist (parkeerhulp): Activeert of deactiveert ultrasoonsensoren.. Comfortinstellingen Chime volume (volume geluidssignaal): Volume van het geluidssignaal wijzigen. Personalisatie door de bestuurder: Activeert of deactiveert persoonlijke instellingen. Rear auto wipe in reverse (achterruit wissen in achteruitversnelling): Wissen Van De Achterruit In De Achteruitversnelling In- Of Uitschakelen.. Language (taal) Selecteer het menu Talen. Blader door de lijst en selecteer de gewenste taal.. Omgeving verlichten Exterior lighting by unlocking (instapverlichting bij ontgrendeling): instapverlichting in- of uitschakelen. Duration upon exit of vehicle (tijdsduur uitstapverlichting): uitstapverlichting in- of uitschakelen en verlichtingsduur wijzigen.. Stop door lock if door open (portierslot uit bij geopend portier): slot van het bestuurdersportier in- of uitschakelen wanneer het portier is geopend. Indien uitschakelen wordt geselecteerd, komt het menu Vertraagde portiervergrendeling beschikbaar. Delayed door lock (vertraagd portierslot): het vertraagd portierslot in- of uitschakelen.

85 84 Instrumenten en knoppen Bij het indrukken van de toets voor centrale vergrendeling, geven drie geluidssignalen aan dat vertraagde vergrendeling is ingeschakeld. Deze functie vertraagt het vergrendelen van de portieren tot vijf seconden nadat het laatste portier is gesloten.. Met handzender vergrendelen, ontgrendelen, starten Remote unlock feedback (lichtsignaal ontgrendeling handzender): het lichtsignaal inof uitschakelen tijdens het ontgrendelen. Remote door unlock (portierontgrendeling handzender): wijzigen van de configuratie om bij ontgrendeling alleen het bestuurdersportier of alle portieren te ontgrendelen. Auto relock doors (portieren autom. opnieuw vergrendelen): Activeer of deactiveer de automatische portiervergrendeling wanneer het portier na ontgrendelen niet wordt geopend.. Fabrieksinstellingen herstellen Alle instellingen worden hersteld naar de af-fabriek instellingen.. Valetmodus als de valet-modus geactiveerd is, dan zijn alle voertuigdisplays vergrendeld en kunnen er in het systeem geen veranderingen worden doorgevoerd. Aanwijzing Voertuigmeldingen blijven geactiveerd. Het systeem vergrendelen: Druk op MENU en selecteer het Menu INSTELLINGEN. Blader door de lijst en selecteer het menu Valet-modus. Voer een viercijferige code in en selecteer ENTER. Om de eerste invoer te bevestigen, voert u de viercijferige code opnieuw in en selecteert u VERGRENDELEN. Het systeem wordt vergrendeld. Het systeem ontgrendelen: Schakel het Infotainmentsysteem in. Voer de viercijferige code in de selecteer ONTGRENDELEN; Het systeem wordt ontgrendeld. Pincode vergeten: Neem contact op met uw Opel Service Partner om de pincode naar de standaardwaarde terug te zetten.

86 Instrumenten en knoppen 85 OnStar-systeem OnStar -systeem OnStar is een persoonlijke connectiviteits- en mobiliteitshulp met geïntegreerde Wi-Fi-hotspot. OnStar is 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar. Aanwijzing OnStar is niet voor alle markten beschikbaar. Neem voor meer informatie contact op met uw werkplaats. Aanwijzing Om beschikbaar en bedrijfsgereed te zijn hebt u voor OnStar een geldig OnStar-abonnement, een werkend elektrisch systeem, mobiele telefonie en een GPS-satellietverbinding nodig. Druk voor het activeren van de OnStar-services en het instellen van een account op en spreek met een OnStar-adviseur. Afhankelijk van de uitrusting van de auto zijn de volgende services beschikbaar:. OnStar-noodhulpdiensten en ondersteuning bij pech onderweg. Wi-Fi-hotspot. OnStar-smartphonetoepassing. Externe OnStar-services, bijv. locatie van de auto, inschakelen van de claxon en verlichting, bediening van de centrale vergrendeling. Hulp na diefstal van auto. Inspectie van de staat van de auto. Bestemming downloaden Aanwijzing Alle functies waarbij een dataverbinding met de auto vereist is, werken niet meer als het contact tien dagen niet meer ingeschakeld geweest is. OnStar-toetsen Toets Privacy Houd! ingedrukt totdat een gesproken bericht meldt dat u het verzenden van de locatie van de auto kunt in- of uitschakelen. Druk op! om een oproep te beantwoorden of een gesprek met een OnStar-adviseur te beëindigen. Druk op! om naar de Wi-Fi-instellingen te gaan. OnStar-toets Druk op om contact met een OnStar-adviseur te leggen.

87 86 Instrumenten en knoppen Toets SOS Druk op U om urgent contact met een speciaal opgeleide adviseur in noodgevallen te leggen. Statuslampje Groen: Het systeem is gereed. Knippert groen: Het systeem is in gesprek. Rood: Er is een probleem. Uit : Systeem is uit. Knippert even rood/groen: Verzenden van de locatie van de auto is uitgeschakeld. OnStar-services OnStar-noodhulpdiensten Via OnStar-noodhulpdiensten komt u in contact met speciaal opgeleide noodhulpadviseurs voor bijstand en informatie bij een noodgeval. Druk in een noodsituatie, onder meer pech onderweg, een lekke band of een lege brandstoftank op U voor contact met de adviseur. De adviseur neemt dan contact op met noodhulpdiensten of hulpverleners en dirigeert ze naar uw auto. Bij een ongeval waarbij airbags of gordelspanners geactiveerd zijn, volgt er een automatische noodoproep. De adviseur wordt onmiddellijk doorverbonden met uw auto om na te gaan of er bijstand nodig is. OnStar Wi-Fi-hotspot Via de Wi-Fi-hotspot van de auto hebt u internetconnectiviteit via het 4G/LTE mobiele netwerk. Aanwijzing De Wi-Fi hotspotfunctionaliteit is niet voor alle markten verkrijgbaar. U kunt maximaal zeven apparaten verbinden. Ga als volgt te werk op een mobiel apparaat met de OnStar Wi-Fi-hotspot te verbinden: 1. Druk! en selecteer Wi-Fi-instellingen op het display. Dan verschijnen onder andere de naam van de Wi-Fi-hotspot (SSID), het wachtwoord en het verbindingstype op het display. 2. Zoek op uw mobiele apparaat naar een Wi-Fi-netwerk. 3. Selecteer de hotspot (SSID) van uw auto wanneer deze wordt vermeld. 4. Voer desgevraagd het wachtwoord op uw mobiele apparaat in. Aanwijzing Gebruik voor het wijzigen van de SSID of het wachtwoord "druk op" in plaats van "selecteer" en spreek met een OnStar-adviseur of meld u aan bij uw account. Druk voor het uitschakelen van de Wi-Fi hotspot functionaliteit op voor contact met een OnStar-adviseur. Smartphone-app Met de smartphone-app myopel kunnen sommige boordfuncties worden bediend met een smartphone.

88 Instrumenten en knoppen 87 De volgende functies zijn beschikbaar:. Portiervergrendeling of -ontgrendeling.. Claxon laten klinken of knipperen met lichten.. Brandstofpeil, levensduur motorolie en bandenspanning (alleen bij bandenspanningscontrolesysteem) controleren.. Navigatiebestemming aan de auto verzenden, indien uitgerust met een ingebouwd navigatiesysteem.. Auto op een kaart lokaliseren.. Wi-Fi-instellingen beheren Download voor deze functies de app uit de betreffende app store. Externe service Neem desgewenst via een willekeurige telefoon contact op met een OnStar-adviseur, die extern specifieke boordfuncties kan bedienen. Zoek naar het betreffende OnStar-- telefoonnummer op onze landspecifieke website. De volgende functies zijn beschikbaar:. Portiervergrendeling of -ontgrendeling.. Geef de locatie van de auto aan.. Claxon laten klinken of knipperen met lichten. Hulp na diefstal van auto Als een auto gestolen is, kan OnStar via hulp na diefstal van de auto de auto helpen zoeken en terughalen. Diefstalalarm Wanneer het diefstalalarmsysteem wordt geactiveerd, wordt er een melding aan OnStar verzonden. Daarna ontvangt u een melding van dit voorval via een tekstbericht of . Doe indien vereist aangifte van de diefstal en vraag OnStar om hulp na diefstal van auto. Neem via een willekeurige telefoon contact op met een OnStar-adviseur. Zoek naar het betreffende OnStar-telefoonnummer op onze landspecifieke website. Externe startblokkering Door het verzenden van externe signalen kan OnStar de startblokkering van de auto na het uitschakelen van de motor inschakelen. Diagnose op afroep Druk te allen tijde, bijv. als er een servicebericht verschijnt, op voor contact met een OnStar-adviseur en vraag om een real-time diagnose om het probleem meteen te bepalen. Afhankelijk van de resultaten verleent de adviseur verdere ondersteuning. Maandelijkse boorddiagnose De auto verzendt automatisch diagnosegegevens naar OnStar, waarna er een maandrapport ter attentie van u en uw werkplaats per wordt verzonden. Aanwijzing U kunt de meldfunctie aan de werkplaats in uw account uitschakelen.

89 88 Instrumenten en knoppen Het rapport bevat de status van de belangrijkste boordsystemen van de auto, zoals de motor, de transmissie, de airbags, het antiblokkeersysteem en andere belangrijke systemen. Het bevat ook informatie over mogelijke onderhoudspunten en de bandenspanning (alleen met bandenspanningscontrolesysteem). Selecteer voor meer gedetailleerde informatie de link in de en meld u aan bij uw account. Bestemming downloaden U kunt een gewenste bestemming direct downloaden naar het navigatiesysteem. Druk op voor contact met een OnStar-adviseur en beschrijf de bestemming of het markante punt. De OnStar-adviseur kan elk adres of markante punt naar keuze opzoeken en de bestemming rechtstreeks downloaden naar het ingebouwde navigatiesysteem. OnStar-instellingen PIN-code OnStar Voor volledige toegang tot alle OnStar-services is een viercijferige PIN-code nodig. U moet de PIN-code bij het eerste contact met een OnStar-adviseur naar keuze wijzigen. Druk voor het wijzigen van de PIN-code op voor contact met een OnStar-adviseur. Accountgegevens Een OnStar-abonnement heeft een account, waarop alle gegevens opgeslagen zijn. Druk voor het wijzigen van de accountgegevens op en spreek met een OnStar-adviseur of meld u aan bij uw account. Druk als de OnStar-service op een andere auto wordt gebruikt op en vraag of de account naar de nieuwe auto kan worden overgezet. Aanwijzing Breng in ieder geval als de auto wordt afgevoerd, verkocht of anderszins wordt overgedragen OnStar onmiddellijk op de hoogte van de wijzigingen en zeg de OnStar-service op deze auto op. Locatie van de auto De locatie van de auto wordt verzonden naar OnStar als deze service aangevinkt of geactiveerd is. Een bericht op het infodisplay meldt deze verzending. Houd voor het in- of uitschakelen van het verzenden van de locatie van de auto! ingedrukt totdat er een gesproken bericht klinkt. Het uitschakelen wordt aangegeven doordat het statuslampje elke keer bij het starten van de auto even rood en groen knippert. Aanwijzing Als het verzenden van de locatie van de auto uitgeschakeld is, zijn bepaalde services niet meer beschikbaar.

90 Instrumenten en knoppen 89 Aanwijzing In noodgevallen kan OnStar altijd de locatie van de auto achterhalen. Neem de geheimhoudingsverklaring in uw account ter harte. Software-updates OnStar kan zonder nadere kennisgeving of toestemming extern software-updates uitvoeren. Deze updates breiden de veiligheid en beveiliging of de bediening van de auto uit of houden deze op peil. Deze updates betreffen wellicht geheimhoudingsaspecten. Neem de geheimhoudingsverklaring in uw account ter harte.

91 90 Verlichting Verlichting Rijverlichting Lichtschakelaar Grootlicht Koplampverstelling Koplampen bij rijden in het buitenland Dagrijlicht (DRL) Alarmknipperlichten Richtingaanwijzers Mistlampen voor Mistachterlicht Bochtverlichting Parkeerlichten Achteruitrijlichten Beslagen lampglazen Interieurverlichting Regelbare instrumentenverlichting Binnenverlichting Extra verlichting Middenconsoleverlichting Instapverlichting Uitstapverlichting Ontlaadbeveiliging accu Rijverlichting Lichtschakelaar Lichtschakelaar Lichtschakelaar draaien: O: Lichten uit ; : Zijmarkeringslichten 2 : Dimlicht Controlelamp ; 0 Controlelampje achterlichten 0 74ii. Wanneer het dimlicht aan is, brandt ;. Controlelamp ; 0 Controlelampje achterlichten 0 74ii. Achterlichten De achterlichten branden samen met het dimlicht en de zijmarkeringslichten. Grootlicht Om van dimlicht naar grootlicht om te schakelen, duwt u tegen de hendel. Om het dimlicht in te schakelen, duwt u nogmaals tegen de hendel of u trekt eraan. Lichtsignaal Lichtsignaal activeren door de hendel naar u toe te trekken.

92 Koplampverstelling Handmatige koplampverstelling U kunt de lichtbundelhoogte aanpassen aan de belading om verblinding te voorkomen: draai het kartelwieltje 9 in de gewenste stand. 0: zitplaatsen voorin bezet 1: alle zitplaatsen bezet 2: alle zitplaatsen bezet en bagageruimte geladen 3: bestuurdersstoel bezet en bagageruimte geladen Koplampen bij rijden in het buitenland De koplampafstelling is van tevoren ingesteld en zou niet meer nodig moeten zijn. Bij het rijden in landen met verkeer dat de andere rijbaan aanhoudt, hoeft u de koplampen niet af te stellen. Dagrijlicht (DRL) Door het dagrijlicht neemt de zichtbaarheid van de auto overdag toe. Deze gaat bij het inschakelen van het contact automatisch branden. Verlichting 91 Alarmknipperlichten Worden bediend met. De alarmlichten worden automatisch ingeschakeld wanneer de airbags bij een ongeval in werking treden.

93 92 Verlichting Richtingaanwijzers Voor langer richting aanwijzen de hendel tot tegen het weerstandspunt duwen en vasthouden. Schakel de richtingaanwijzer handmatig uit door de hendel in de oorspronkelijke stand te zetten. Mistlampen voor Mistachterlicht Hendel omhoog: Rechter richtingaanwijzer Hendel omlaag: Linker richtingaanwijzer Als de hendel voorbij het weerstandspunt wordt geduwd, blijft de richtingaanwijzer ingeschakeld. Bij het terugdraaien van het stuurwiel gaat de richtingaanwijzer automatisch uit. Om driemaal te knipperen, bijv. om van rijstrook te wisselen, de hendel tot tegen het weerstandspunt duwen en loslaten. Worden bediend met #. Worden bediend met s. Lichtschakelaar in stand ;: Het mistachterlicht kan alleen in combinatie met de voorste mistlampen worden ingeschakeld.

94 Bochtverlichting Afslagverlichting In scherpe bochten of bij het afslaan, afhankelijk van de stuurhoek of de richtingaanwijzer, wordt een extra lamp links of rechts bijgeschakeld, die de weg in de rijrichting verlicht. Wordt geactiveerd tot een snelheid van 40 km/u. Parkeerlichten Bij het parkeren kunnen de parkeerlichten aan één kant worden ingeschakeld: 1. Contact uitschakelen. 2. Richtingaanwijzerhendel volledig omhoog- (parkeerlichten rechts) of omlaaghalen (parkeerlichten links). Bevestiging door een geluidssignaal en de bijbehorende controlelamp van de richtingaanwijzer. Achteruitrijlichten Verlichting 93 Het achteruitrijlicht gaat branden wanneer het contact aanstaat en de auto in de achteruitversnelling staat. Beslagen lampglazen De binnenkant van de lampenglazen kan bij koud en vochtig weer, bij hevige regen of na een wasbeurt korte tijd beslaan. De condens verdwijnt na korte tijd vanzelf, om dit te versnellen de rijverlichting inschakelen.

95 94 Verlichting Interieurverlichting Regelbare instrumentenverlichting Wanneer de rijverlichting aanstaat, kunt u de lichtsterkte van de volgende lampen regelen:. instrumentenverlichting. infodisplay. verlichte schakelaars en bedieningselementen Aan het duimwiel D draaien totdat de gewenste lichtsterkte verkregen is. Bij modellen met een lichtsensor kan de helderheid alleen worden versteld als de rijverlichting aan is en de lichtsensor nachtzicht registreert. Binnenverlichting De interieurverlichting vooraan wordt bij het in- en uitstappen vanzelf ingeschakeld en dooft met enige vertraging. Aanwijzing Bij een ongeval waarbij de airbags geactiveerd worden gaat de vloerverlichting automatisch aan. Voorste interieurverlichting Bedien de wipschakelaar: 1: schakelt automatisch aan en uit. + indrukken: Aan. * indrukken: Uit.

96 Leeslampjes Worden bediend met knoppen in de interieurverlichting vooraan. Extra verlichting Middenconsoleverlichting Bij het inschakelen van het dimlicht gaat het leeslicht in de interieurverlichting branden. Instapverlichting Welkomstverlichting De rijverlichting, instrumentenverlichting en interieurverlichting worden even ingeschakeld wanneer u de ontgrendelknop K op de afstandsbediening van de radio tweemaal indrukt. Deze functie werkt alleen in het donker en helpt u om de auto terug te vinden. De verlichting wordt meteen uitgeschakeld zodra u de contactsleutel in stand 1 0 Contactslotstanden 0 145ii draait. U kunt deze functie in- of uitschakelen in het menu Instellingen op het Infodisplay. Persoonlijke instellingen 0 Persoonlijke instellingen 0 83ii. Verlichting 95 U kunt de instellingen opslaan voor de gebruikte sleutel 0 Geheugeninstellingen 0 20ii. De volgende verlichting gaat ook branden wanneer u het bestuurdersportier opent:. alle schakelaars. bestuurdersinformatiecentrum Uitstapverlichting De volgende verlichting gaat branden wanneer u de sleutel uit het contactslot haalt:. Binnenverlichting. Instrumentenverlichting (alleen wanneer het buiten donker is) Worden automatisch uitgeschakeld na een vertraging. Beide lichten worden weer ingeschakeld als het bestuurdersportier wordt geopend. Na het uitstappen verlicht de rijverlichting de omgeving gedurende een instelbare tijd.

97 96 Verlichting Inschakelen 1. Contact uitschakelen. 2. Contactsleutel verwijderen. 3. Bestuurdersportier openen. 4. Richtingaanwijzerhendel naar u toe trekken. 5. Bestuurdersportier sluiten. Wordt het bestuurdersportier niet gesloten, dan gaat de verlichting na 2 minuten uit. De uitstapverlichting wordt meteen uitgeschakeld als u de richtingaanwijzerhendel naar u toe trekt, terwijl het bestuurdersportier geopend is. Het in-, uitschakelen en de duur van deze functie kunnen gewijzigd worden in het menu Instellingen op het Infodisplay. Persoonlijke instellingen 0 Persoonlijke instellingen 0 83ii. U kunt de instellingen opslaan voor de gebruikte sleutel 0 Geheugeninstellingen 0 20ii. Ontlaadbeveiliging accu Uitschakeling van de verlichting Om te voorkomen dat de accu leegraakt terwijl de ontsteking is uitgeschakeld, wordt de binnenverlichting na enige tijd automatisch uitgeschakeld.

98 Infotainmentsysteem Inleiding Infotainment Inleiding Antidiefstalfunctie Overzicht Bediening Radio AM/FM-radio Radiodatasysteem (RDS) Audiospelers Extra apparatuur Personaliseren Personaliseren Telefoon Bluetooth (Bluetooth-aansluiting) Inleiding Infotainment Inleiding Algemeen Het infotainmentsysteem verzorgt de infotainment in uw auto, met gebruik van de nieuwste technologie. De radio kan gemakkelijk worden gebruikt door per elke zes pagina's maximaal 24 AM/FM-radio- of DAB-radiozenders op te slaan onder de - knoppen 1 ~ 4. De USB-speler kan aangesloten USB-opslagapparaten of ipod-producten afspelen. Met de functie van Bluetooth-telefoons kunt u draadloos en handenvrij telefoneren of kan een muziekspeler in de telefoon worden afgespeeld. Infotainmentsysteem 97 Sluit een draagbare muziekspeler aan op de AUX-ingang voor externe spelers en geniet van de rijke klankweergave van het Infotainmentsysteem. De digitale soundprocessor biedt een aantal standaard equalizerinstellingen waarmee u het geluid kunt optimaliseren. Specificaties Maximaal uitgangsvermogen: 25 W x 4 kanalen Luidsprekerimpedantie: 4 ohm Het systeem kan gemakkelijk worden aangepast via de zorgvuldig ontworpen instelfunctie, het slimme display en de multifunctionele menudraaiknop.. In de paragraaf "Overzicht " worden de werking en alle instelfuncties van het infotainmentsysteem getoond in een beknopt overzicht.. In de paragraaf "Gebruik " wordt de basisbediening van het infotainmentsysteem uitgelegd.

99 98 Infotainmentsysteem Antidiefstalfunctie Het Infotainmentsysteem is voorzien van een elektronisch beveiligingssysteem dat het systeem tegen diefstal beveiligt. De beveiliging houdt in dat het Infotainmentsysteem alleen in uw auto werkt en daarom voor een eventuele dief waardeloos is.

100 Infotainmentsysteem 99 Overzicht Bedieningspaneel R300 BT

101 100 Infotainmentsysteem 1. P. Indien uitgeschakeld, indrukken om aan te zetten.. Indien ingeschakeld, ingedrukt houden om uit te zetten.. Indien ingeschakeld, kort indrukken om de geluidsdempfunctie aan of uit te zetten.. Draaien om het volume te regelen. 2. RADIO Selecteer Radiomodus. Telkens u op RADIO drukt, schakelt het systeem over tussen AM RADIO FM RADIO DAB AM RADIO. 3. MEDIA Verander de modus in de volgorde USB/iPod AUX Bluetooth-muziek USB/iPod. 4. Weergave Display voor status en informatie over Afspelen/Ontvangst/ Menu's. 5. g / d (zoeken). In Radio- of DAB-modus: Als u de toets kort indrukt, wordt automatisch een zender met goede ontvangst gezocht. Als u de toets ingedrukt houdt, verandert de zender voortdurend totdat u g of d loslaat. Als u de toets loslaat, stopt het systeem op de getoonde frequentie of wordt de volgende zender gezocht.. In USB/iPod/Bluetooth-audioweergave: Als u de toets kort indrukt, gaat u naar het vorige of volgende bestand. Als u de toets ingedrukt houdt, wordt het bestand teruggespoeld of snel vooruit gespoeld. 6. PHONE (Telefoon) Ga naar de telefoonapplicatiemodus. 7. TERUG Annuleer de ingevoerde inhoud of ga terug naar het vorige menu. 8. MENU. Draai eraan om de zender/ het bestand te zoeken op de schermlijst of verplaats/ wijzig de instelinhoud of instelwaarden.. Druk erop om het huidige functiemenu weer te geven, instelbare functies en instelwaarden te selecteren of wijzigingen te bevestigen. 9. Knoppen -. In Radiomodus: Als u de toets kort indrukt, wordt de opgeslagen radiozender opgeroepen.

102 Infotainmentsysteem 101 Als u de toets ingedrukt houdt, slaat u de huidige radiozender op in de Favorietenpagina.. In Menumodus: Druk erop om de functie bij - te selecteren. 10. FAV (favorieten) Selecteer de pagina met opgeslagen favoriete zenders.

103 102 Infotainmentsysteem Bedieningspaneel R300

104 1. P. Indien uitgeschakeld, indrukken om aan te zetten.. Indien ingeschakeld, ingedrukt houden om uit te zetten.. Indien ingeschakeld, kort indrukken om de geluidsdempfunctie aan of uit te zetten.. Draaien om het volume te regelen. 2. RADIO Selecteer Radiomodus. Telkens u op RADIO drukt, schakelt het systeem over tussen AM RADIO FM RADIO AM RADIO. 3. MEDIA Ga naar de modus Aux. 4. Weergave Display voor status en informatie over Afspelen/Ontvangst/ Menu's. 5. g / d (zoeken) Als u de toets kort indrukt, wordt automatisch een zender met goede ontvangst gezocht. Als u de toets ingedrukt houdt, verandert de zender voortdurend totdat u g of d loslaat. Als u de toets loslaat, stopt het systeem op de getoonde frequentie of wordt de volgende zender gezocht. 6. TONE (Geluid) Ga naar de modus Geluidsinstellingen. 7. TERUG Annuleer de ingevoerde inhoud of ga terug naar het vorige menu. 8. MENU. Draai eraan om de zender te zoeken op de schermlijst of verplaats/wijzig de instelinhoud of instelwaarden. Infotainmentsysteem 103. Druk erop om het huidige functiemenu weer te geven, instelbare functies en instelwaarden te selecteren of wijzigingen te bevestigen. 9. Ingang AUX Sluit een extern audiotoestel aan. 10. Knoppen -. In Radiomodus: Als u de toets kort indrukt, wordt de opgeslagen radiozender opgeroepen. Als u de toets ingedrukt houdt, slaat u de huidige radiozender op in de Favorietenpagina.. In Menumodus: Druk erop om de functie bij - te selecteren. 11. FAV (favorieten) Selecteer de pagina met opgeslagen favoriete zenders.

105 104 Infotainmentsysteem Bedieningsknop op stuurwiel : optie R300 BT 1. b (oproep): de Bluetooth-- functie indien aanwezig. Druk erop om een oproep op te nemen of een recent gesprek op te roepen. Als de Siri-functie ingeschakeld is, wordt Siri opnieuw geactiveerd.. Houd ingedrukt om naar het oproepenlogboek te gaan of om tijdens een telefoongesprek heen en weer te gaan tussen de handenvrijmodus en de modus voor privé bellen.. Houd wanneer iphone verbonden is ingedrukt om naar de Siri-functie te gaan. 2. SRC (bron) / _ /^ (zoeken). Wanneer _ /^ omhoog of omlaag worden gedraaid. Veranderen van de zendfrequenties die onder de toetsen - zijn opgeslagen in de Radiomodi. Veranderen van het bestand in de audiomodi USB/iPod/Bluetooth.. Wanneer aan _ /^ wordt gedraaid en ze in deze stand worden gehouden. Automatisch zoeken van zendfrequenties in Radiomodus. Terugspoelen of snel vooruit spoelen van het bestand in de audiomodi USB/iPod/Bluetooth audio.. Druk op SRC om de audiobron te veranderen x - (volume). Druk hierop om het volume te verhogen of te verlagen.. Houd ingedrukt om het volume snel te verhogen/ verlagen. 4. $ (dempen) / c (ophangen). Druk op $ / c in een willekeurige muziekafspeelmodus om de geluidsdempingsfunctie aan of uit te zetten.. Houd $ / c om de oproep (indien aanwezig de Bluetooth-functie) af te wijzen of af te ronden.

106 R $ (dempen). Druk op $ in een willekeurige muziekafspeelmodus om de geluidsdempingsfunctie aan of uit te zetten. 2. SRC (bron) / _ /^ (zoeken). Wanneer _ /^ omhoog/ omlaag worden gedraaid. Veranderen van de zendfrequenties die onder de voorkeuzes zijn opgeslagen in de Radiomodus.. Wanneer aan _ /^ wordt gedraaid en ze in deze stand worden gehouden. Automatisch zoeken van zendfrequenties in Radiomodus.. Druk op SRC om de audiobron te veranderen x - (volume). Druk hierop om het volume te verhogen of te verlagen.. Houd ingedrukt om het volume snel te verhogen/ verlagen. Bediening Toetsen en bedieningselement het Infotainmentsysteem wordt bediend via de functietoetsen, de multifunctionele draaiknop en het menu op het scherm. de volgende toetsen en bedieningselementen worden in dit systeem gebruikt:. de toetsen en draaiknoppen van het infotainmentsysteem Infotainmentsysteem 105. de audiotoetsen op de stuurwielbediening Systeem in-/uitschakelen Druk op P om het systeem in te schakelen. Als de stroom uit staat en u op P drukt, wordt het systeem ingeschakeld en wordt een radiozender afgespeeld.

107 106 Infotainmentsysteem De stroom automatisch aanzetten.. Wanneer de externe bron is aangesloten in de uitgeschakelde modus, wordt het systeem ingeschakeld en de externe bron afgespeeld. Als deze verbinding verbroken wordt, wordt het systeem automatisch uitgeschakeld.. Wanneer u een oproep ontvangt of zelf begint te bellen, wordt het systeem ingeschakeld en wordt de handeling uitgevoerd. Als deze handeling beëindigd wordt, wordt het systeem automatisch uitgeschakeld.. Als u op een aan HVAC (verwarming, ventilatie en airco) gerelateerde toets drukt, wordt het systeem ingeschakeld en deze handeling uitgevoerd. Als u binnen 5 seconden niets doet, wordt het systeem automatisch uitgeschakeld. Houd P ingedrukt om het systeem uit te schakelen. Als het systeem is uitgeschakeld, wordt de tijd getoond. Volumeregeling Draai aan P om het volume te regelen.. Gebruik de audio-afstandsbediening op het stuurwiel en druk op + x - om het volume te regelen.. Beschikbaar volumebereik : 1 ~ 63.. Het volume op nul draaien is niet hetzelfde als de geluidsdempfunctie.. Bij aanzetten van het infotainmentsysteem wordt vanzelf het geluidsniveau ingesteld dat

108 Infotainmentsysteem 107 eerder al was geselecteerd (als dit lager is dan het maximale beginvolume). Regeling geluidsdemping Druk op P om geluidsdemping aan te zetten.. Het symbool van geluidsdemping "$ " wordt in het statusveld getoond en de klank wordt gedempt.. Druk opnieuw op P of draai aan P om de klank te herstellen.. Wanneer het systeem in USB-modus is ingesteld op geluidsdemping, wordt het afspelen gepauzeerd. Geluidsinstellingen Druk op GELUID om naar het scherm van Geluidsinstellingen te gaan. Of druk op MENU > selecteer Instellingen > selecteer Geluidsinstellingen om naar het scherm van Geluidsinstellingen te gaan.. Draai aan MENU om de modus Geluidsinstellingen te selecteren. Gebruik MENU om te wisselen tussen Bas Middenbereik Helderheid Fader Balans EQ.. Markeer de gewenste geluidsinstellingsoptie en druk op MENU om de huidige waarde te veranderen.. Als u aan MENU draait, verandert u de geluidsinstellingswaarde. De veranderingen worden weergegeven in de staafgrafiek op het display. Druk op MENU om de nieuwe instelling op te slaan en terug te keren naar het scherm van Geluidsinstellingen. Geluidsinstellingsmenu. Bas : Stelt het niveau van de basklanken in.. Middenbereik : Stelt het klankniveau van het middenbereik in.. Helderheid : Stelt het niveau van de heldere klanken in.. Fader : Stelt het faden van de klank in tussen de voor- en achterluidspreker.. Balans : Stelt de klankbalans in tussen de rechter- en linkerluidspreker.. EQ : Stelt één van de 7 EQ-stijlen in (Custom, Pop, Rock, Country, Jazz, Talk, Classical).. De waarde van de geluidsinstellingen liggen tussen -12 en +12.

109 108 Infotainmentsysteem Functies selecteren AM-FM radio of DAB Afspelen van invoer van USB/ ipod/bluetooth-muziek of externe klank (AUX) Handenvrij telefoneren met Bluetooth Druk op RADIO om de AM-, FM- of DAB-functie te selecteren. Druk op MENU om het AM, FM of DAB-menu te openen met daarin keuzeopties voor het selecteren van radiozenders. Druk op MEDIA om de audiospelerfuncties te selecteren. Telkens wanneer u op MEDIA drukt, wisselt het systeem tussen USB/ ipod AUX Bluetooth-muziek USB/iPod Druk op MENU om het menu te openen met de opties voor de betreffende functie, of het menu voor het betreffende apparaat. Druk op TELEFOON om naar de Bluetooth-telefoon met handsfreefunctie te gaan.

110 Radio AM/FM-radio Naar radio- of DAB-zenders luisteren De radiomodus selecteren Druk meermaals op RADIO om te wisselen tussen AM RADIO FM RADIO DAB AM RADIO.. De radiozender waarop eerder al was afgestemd wordt ontvangen.. Wanneer u de Radiomodus/ frequentie verandert door op RADIO te drukken, toont het systeem eerst het beeld van de radio-intro.. Het afspeelscherm bevat de gegevens die te maken hebben met de audiobronzender. De DAB-modus selecteren Telkens u op RADIO drukt, schakelt het systeem over tussen AM RADIO FM RADIO DAB AM RADIO.. Er wordt een servicelabel van 8 karakters en een groepslabel van 8 karakters gebruikt. Infotainmentsysteem 109. Het dynamische label geeft informatie over het lied/de artiest, indien beschikbaar via de zender.. Wanneer er DAB-signaalinformatie wordt gedetecteerd, wordt deze informatie op het display bijgewerkt en getoond.. De informatie en formattering die worden getoond in de dynamische label-tekst variëren op basis van de informatie en formattering die door de zender wordt verstrekt.. DAB-informatie zoals zenderlabel, groepslabel, dynamische label-tekst wordt alleen bij volledige ontvangst getoond.. Wanneer er meer informatie is dan in de ruimte van de dynamische label-tekst kan worden getoond, worden de tekstvelden van lijn 2 en 3 getoond.. Wanneer er geen zenderinformatie beschikbaar is maar de groep gekend is, wordt het zenderlabel vervangen door de tekst "Geen label ".

111 110 Infotainmentsysteem. Wanneer er geen informatie over de groep beschikbaar is maar het zenderlabel gekend is, wordt het groepslabel vervangen door de tekst "Geen label ".. Wanneer er geen informatie over de zender of groep beschikbaar is, toont het display het DAB-bloknummer en de frequentie in het display (v.b.10c, ).. Wanneer u afstemt op een DAB +-zender, is de standaardtekst die voor de gebruiker wordt getoond het dynamische label plus alleen een variant voor artiest en lied. Er worden geen andere varianten of dynamische labels getoond.. Wanner u afstemt op een DAB +-zender en de zender geen informatie geeft, wordt de standaard dynamische label-tekst weergegeven. Zender zoeken Druk op g / d om automatisch te zoeken naar zenders met een goede ontvangst. Als u g / d ingedrukt houdt, verandert de zender voortdurend totdat u de toets loslaat. Na het loslaten zoekt het systeem naar de volgende zender. Zoeken naar een DAB-servicecomponent Druk op g / d om automatisch te zoeken naar het station van de groep met goede ontvangst. Als u g / d ingedrukt houdt, verandert de zender en de groep voortdurend tot u de toets loslaat. Als u de toets loslaat, stopt het systeem bij de getoonde zender of wordt naar de volgende zender gezocht.. Als de volgende of vorige zender zich in een andere groep bevindt, wordt er afgestemd op de eerste of laatste zender die van deze groep kan worden ontvangen.. Als er geen zenders zijn met sterke signalen, verschijnt "Geen DAB-zenders beschikbaar " op het display. De DAB-service koppelen Druk in de DAB-modus op MENU > draai aan MENU om een DAB-koppelingsfunctie te selecteren > druk op MENU om de DAB-koppelingsfunctie aan of uit te zetten.. De DAB-koppelingsfunctie: DAB naar DAB-koppeling : Aan of Uit DAB naar FM-koppeling : Aan of Uit. Wanneer DAB naar DAB-koppeling Aan staat en de DAB-zender waarop u op dit moment heeft afgestemd zwakker wordt of wegvalt, zoekt het systeem onmiddellijk een verwante FM-zender.. Wanneer DAB naar DAB-koppeling Aan staat en de DAB-zender waarop u op dit moment heeft afgestemd zwakker wordt of wegvalt, probeert het systeem te verbinden met een FM-variant van de service. DAB naar DAB-koppeling is uitgeschakeld of is mislukt.

112 Handmatig op een radiozender afstemmen Draai aan MENU om handmatig de gewenste uitzendfrequentie te vinden. Handmatig afstemmen op een DAB-zender Druk op MENU om naar het DAB-menu te gaan. Draai aan MENU om handmatig afstemmen op DAB te selecteren en druk daarna op MENU. Draai aan MENU om de gewenste zendfrequentie handmatig te zoeken en druk daarna op MENU.. De zenderlijst is gerangschikt in volgorde van de kanaallabels. De DAB-zenderlijst gebruiken Draai aan MENU om de lijst met DAB-zenders weer te geven.. De informatie in de zenderlijst wordt getoond.. Als de zenderlijst leeg is, wordt het bijwerken van de DAB-zenderlijst automatisch gestart. Draai aan MENU om de gewenste lijst te selecteren en druk daarna op MENU om de betreffende radiozender te ontvangen.. Wanneer het beging of einde van de zenderlijst bereikt is, springt het afstemmen terug naar het begin of einde van de lijst, afhankelijk van de afstemrichting. Favorieten opslaan Druk meermaals op FAV om de gewenste pagina van opgeslagen favorieten te selecteren. Houd een van de toetsen - ingedrukt om de huidige radio- of DAB-zender op te slaan onder deze toets van de geselecteerde Favorietenpagina.. U kunt maximaal 6 Favorietenpagina's opslaan en elke pagina kan maximaal vier radio- of DAB-zenders bevatten.. U kunt het aantal te gebruiken Favorietenpagina's instellen, in Menu Stel aantal Favorietenpagina's in. Infotainmentsysteem 111. Als een nieuwe radio- of DAB-zender wordt opgeslagen onder een eerder opgeslagen -, wordt de oude inhoud gewist en vervangen door de nieuw opgeslagen radio- of DAB-zender.. Het maximaal aantal Favorieten dat u kunt opslagen is 24. Voorkeuzes selecteren Druk meermaals op FAV om de gewenste FAV-pagina te selecteren.. De zendinformatie voor nummer 1 op de geselecteerde FAV-voorkeuzepagina wordt getoond. Druk op een van de - om rechtstreeks te luisteren naar de radio- of DAB-zender die onder die toets is opgeslagen.

113 112 Infotainmentsysteem Frequentiebereikmenu's Druk, terwijl u naar de radio luistert, op MENU om naar het AM, FM of DAB-menu te gaan. Draai aan MENU om naar de gewenste menuoptie te gaan en druk op de knop MENU om de betreffende optie te selecteren of naar het detailmenu van de optie te gaan. AM-FM-menu. Zenderlijst : Selecteert een zender uit de lijst van sterke zenders.. Zenderlijst bijwerken : Zoekt automatisch zenders die kunnen worden ontvangen en slaat ze op in de Zenderlijst.. Handmatig afstemmen : Draai kort aan de knop om naar de vorige/volgende frequentie te gaan.. Aantal favorietenpagina's instellen : Stel het aantal favorietenpagina's in. DAB-menu. Verkeersprogramma (TP) : Zet de TP-functie aan en uit.. Categorieën (DAB-categorie) : Selecteert een zender uit de lijst. De lijst wordt getoond in de volgorde van Informatie Pop Rock Klassiek Muziek Alle.. DAB-berichten : Ga naar het menu DAB-berichten en stel de lijst in waarin u geïnteresseerd bent. Beschikbare berichten: Nieuws Weer Sport Financieel Reizen Evenementen Speciaal Radio-info Waarschuwing Verkeer Alarm.. DAB naar DAB-koppeling : Zet de DAB-koppelingsfunctie aan of uit (activeer of deactiveer de Automatische groepskoppelingsfunctie).. DAB naar FM-koppeling : Zet de FM-koppelingsfunctie aan of uit (activeer of deactiveer de Automatische koppelingsfunctie DAB-FM).. L-band : Zet de L-bandfunctie aan of uit. Wanneer L-band aan staat, zal het systeem zoeken naar/ afstemmen op een zender om de L-bandfrequentieblokken in te voegen.. Intellitext : Selecteert de speciaal uitgezonden tekst met informatie zoals onder meer sportuitslagen, belangrijk nieuws.

114 Radiodatasysteem (RDS) Het radiodatasysteem (RDS) is een door FM-zenders meegezonden service die het vinden van radiozenders met een storingsvrije ontvangst vergemakkelijkt. RDS-zenders worden aangeduid met de programmaservicenaam in plaats van de zendfrequentie. Wanneer TP aan staat, omvat de zoekactie alleen zenders die TP ondersteunen of zenders met EON-TA-ondersteuning. Wanneer TP uitstaat, omvat de zoekactie alle beschikbare zenders. De basiswerking zoals zenders zoeken/erop afstemmen en voorkeuze-instellingen opslaan/ selecteren is dezelfde voor AM, FM of DAB. Raadpleeg de paragraaf AM, FM of DAB voor meer informatie. Het RDS-menu aanpassen Druk, terwijl u naar de radio luistert, op MENU om naar het FM-menu te gaan. Draai aan MENU om naar de gewenste menuoptie te gaan en druk op de knop MENU om de betreffende optie te selecteren of naar het detailmenu van de optie te gaan.. Verkeersprogramma (TP) : Zet de TP-functie aan en uit. Wanneer TP aan staat in het FM-menu, begint het systeem een TP-zoekactie om af te stemmen op de sterkst beschikbare TP-zender.. - RDS : Zet de RDS-functie aan of uit. Infotainmentsysteem 113 Wanneer RDS aan staat, verschijnt de naam van het programma van de huidige zender in plaats van de frequentie. Wanneer RDS uit staat, wordt de RDS-tekst uitgeschakeld, functioneert de alternatieve frequentiefunctie niet en wordt de frequentie getoond in plaats van de PSN (PS-naam).. Regio : Zet de regiofunctie aan of uit. Er worden alleen alternatieve frequenties van dezelfde regionale programma's geselecteerd.. Categorieën (FM-categorie) : Selecteert een zender uit de lijst. De lijst wordt getoond in de volgorde van Informatie Pop Rock Klassiek Muziek Alle.

115 114 Infotainmentsysteem Volume voor verkeersberichten (TA) Wanneer verkeersinformatie wordt afgespeeld, kan het volume van het verkeersbericht worden aangepast door aan P te draaien. Het systeem zal dit volume opslaan voor toekomstige verkeersberichten.. Na afloop van de verkeersinformatie keert het systeem terug naar het oorspronkelijke volume.. Als het volume voor de verkeersinformatie op nul is gezet, begint het volgende verkeersbericht op het minimale verbindingsvolumeniveau.. Hetzelfde proces is van toepassing op DAB-berichten. Radioverkeerinformatieservice (TP: verkeersprogramma) Verkeersinformatiezenders zijn RDS-zenders die verkeersinformatie uitzenden. Druk op MENU > draai aan MENU om TP te selecteren > druk op MENU om de TP-functie aan of uit te zetten.. Is het huidige station geen zender met verkeersinformatieservice, dan start automatisch een zoekopdracht naar de volgende zender met verkeersinformatieservice.. Wanneer een verkeersinformatiezender is gevonden, wordt "TP " in het display weergegeven.. Als de verkeersinformatiezender aan staat, wordt deze zolang het verkeersbericht duurt in alle modi onderbroken. Blokkeren van verkeersberichten Als er een verkeersbericht binnenkomt wanneer u een klankbron beluistert, toont het systeem de pop-up van Verkeersinformatie. De pop-up toont een verwijderoptie die standaard voor het bericht gemarkeerd is.. Het is mogelijk om de pop-up van verkeersinformatie met SRC op de audio-afstandsbediening op het stuur te verwijderen.. Als de pop-up van verkeersinformatie wordt getoond wanneer een extern apparaat is aangesloten, leest het apparaat het toestel niet.. Als de pop-up van verkeersinformatie wordt getoond wanneer er een oproep binnenkomt of als u begint te bellen, kunt u de oproep ontvangen of zelf bellen.. Als dit telefoongesprek afgebroken wordt, annuleert het systeem de TA-gebeurtenis en keert terug naar de laatste radiomodus.

116 Audiospelers Extra apparatuur USB-speler Aanwijzingen bij het gebruik van USB-apparatuur. De werking kan niet worden gegarandeerd als u een USB-adapter gebruikt om een USB-apparaat voor massaopslag met ingebouwde harddisk of een CF- of SD-geheugenkaart aan te sluiten. Gebruik een USB-stick of dataopslagapparaat met flashgeheugen.. Pas op en voorkom ontlading van statische elektriciteit bij het aansluiten of losmaken met USB. Wanneer aansluiten en losmaken in korte tijd vaak worden herhaald, kan er een probleem ontstaan met het gebruik van het apparaat.. De correcte werking is niet gegarandeerd wanneer het USB-apparaat geen metalen aansluitelement heeft.. Aansluiten van USB-opslagapparatuur van het i-stick-type geeft mogelijk storingen door trillingen van de auto, daarom kan de werking ervan niet worden gegarandeerd.. Wees voorzichtig en raak de USB-aansluiting niet aan met een voorwerp of enig deel van uw lichaam.. Het USB-opslagapparaat wordt alleen herkend wanneer dit is geformatteerd in een FAT 16/ 32-bestandsindeling. Alleen apparaten met een toegewezen grootte per eenheid van 512 byte/sector of byte/sector kunnen worden gebruikt. NTFSen andere bestandssystemen worden niet herkend.. Afhankelijk van het type en de opslagcapaciteit van het USB-opslagapparaat en het type opgeslagen bestand, kan de tijd vereist voor herkenning van bestanden afwijken. In zo'n geval bestaat er geen probleem met het product, dus wacht tot de bestanden zijn verwerkt. Infotainmentsysteem 115. Bestanden in sommige USB-opslagapparaten worden soms niet herkend door compatibiliteitsproblemen; aansluitingen met een geheugenlezer of een USB-hub worden niet ondersteund. Controleer de werking van het apparaat in de auto voordat u dit gebruikt.. Wanneer apparaten zoals een MP3-speler of digitale camera via een draagbare schijf worden aangesloten, zullen deze mogelijk niet normaal werken.. Ontkoppel het USB-opslagapparaat niet terwijl dit wordt afgespeeld. U kunt zo schade aan het product veroorzaken of de werking van het USB-apparaat gaat hierdoor achteruit.. Ontkoppel het aangesloten USB-opslagapparaat nadat in de auto het contact is afgezet. Als u het contact afzet terwijl het USB-opslagapparaat is aangesloten, kan het USB-opslagap-

117 116 Infotainmentsysteem paraat beschadigd raken of in sommige gevallen niet normaal werken. Voorzichtig Alleen USB-opslagmedia voor afspelen van muziek kunnen op dit product worden aangesloten. De USB-aansluiting van het product mag niet worden gebruikt voor het opladen van USB-apparatuur, omdat de daarbij veroorzaakte warmteontwikkeling de werking van de USB-aansluiting kan verslechteren of schade aan het product kan aanbrengen.. Wanneer het logisch volume wordt gescheiden van een USB-apparaat voor massaopslag, kunnen alleen de bestanden vanaf het bovenste niveau van het logisch volume als USB-muziekbestanden worden afgespeeld. Om deze reden dienen af te spelen muziekbestanden steeds te worden opgeslagen in het bovenste-niveau volume van het apparaat. Muziekbestanden op sommige USB-opslagapparaten zullen mogelijk ook niet normaal afspelen wanneer een toepassing wordt geladen door binnen het USB-apparaat een afzonderlijk volume te partitioneren.. Muziekbestanden waarop DRM (Digital Right Management) van toepassing is, kunnen niet worden afgespeeld. Dit product kan USB-opslagapparaten ondersteunen met een opslagcapaciteit tot 16 GB, maar beperkt tot bestanden, 100 mappen en een mappenstructuur tot 8 niveaus. Een normaal gebruik kan niet worden gegarandeerd bij opslagapparatuur die deze limieten overschrijdt. Als de laadtijd van het apparaat langer duurt dan normaal, moet u nadat u de USB hebt geformatteerd het FAT16/32-formaat gebruiken. Aanwijzingen bij het gebruik van USB-muziekbestanden. Beschadigde muziekbestanden kunnen tijdens afspelen worden onderbroken of worden mogelijk helemaal niet afgespeeld. Over MP3-muziekbestanden (WMA). Afspeelbare MP3-bestanden zijn de volgende: Transmissiesnelheid : 8 kbps ~ 320 kbps Samplingfrequentie: 48 khz, 44,1 khz, 32 khz (voor MPEG-1) 24 khz, 22,05 khz, 16 khz (voor MPEG-2). Dit product geeft MP3-bestanden (WMA) weer met mp3 of.wma (kleine letters) of.mp3 of.wma (hoofdletters) als extensies bij de bestandsnaam.. Dit product kan voor MP3-bestanden ID3 tag-informatie (versie 1.0, 1.1, 2.2, 2.3, 2.4) weergeven over album, artiest etc.

118 . Dit product kan MP3-bestanden afspelen die VBR gebruiken. Wanneer een MP3-bestand van het VBR-type wordt afgespeeld, kan de resterende afspeeltijd afwijken van de werkelijk resterende afspeeltijd. Afspeelvolgorde voor muziekbestanden Infotainmentsysteem 117 Aansluiten van het USB-opslagapparaat Sluit het USB-opslagapparaat waarop muziekbestanden zijn opgeslagen aan op de USB-aansluiting.

119 118 Infotainmentsysteem Zodra het product gereed is met het inlezen van de informatie op het USB-opslagapparaat, zal het automatisch beginnen afspelen. Wanneer een niet-leesbaar USB-opslagapparaat is aangesloten, verschijnt een foutmelding en schakelt het product automatisch naar de vorige gebruikte functie of naar de FM-radio. Als het af te spelen USB-opslagapparaat al aangesloten is, drukt u meerdere malen op MEDIA om de USB-speler te selecteren.. Hij zal dan automatisch afspelen vanaf het punt waarop afspelen eerder werd onderbroken.. Als er geen apparaat is aangesloten, verschijnt "Geen media beschikbaar " met een VERWIJDER- en KOPPEL-optie op het scherm.. De weergegeven informatie omvat de bestandsnaam, mapnaam en de ID3 Tag-informatie die bij de song is opgeslagen. Wanneer de ID3 Tag-informatie (zoals artiest, songtitel) werd toegevoegd aan MP3- bestanden (WMA) voordat deze op een schijf werden gebrand, wordt deze informatie zoals ze is weergegeven door het infotainmentsysteem. Foutieve ID3 Tag-informatie kan niet worden gewijzigd of gecorrigeerd door het infotainmentsysteem (ID3 Tags kunnen alleen op een pc worden gecorrigeerd). Wanneer informatie bij songs de vorm heeft van speciale symbolen of is beschreven in niet-beschikbare talen, wordt deze weergegeven als **** of helemaal niet. Afspelen van USB-muziekbestanden beëindigen Druk op RADIO of MEDIA om andere functies te selecteren. Het afgespeelde bestand selecteren Druk op g / d tijdens het afspelen om het vorige of volgende bestand te selecteren. Met de audio-afstandsbediening op het stuur kunt u eenvoudig bestanden wisselen door op g / d te drukken. Draai aan MENU om naar het gewenste bestand in de bestandslijst te gaan en druk daarna op MENU om het onmiddellijk te veranderen. Het bestand snel vooruit spoelen of terugspoelen Houd tijdens het afspelen g / d ingedrukt om het nummer terug te spoelen of snel vooruit te spoelen tot u de toets weer loslaat.

120 Wanneer u de toets loslaat, begint het bestand aan normale snelheid te spelen. Het USB-menu gebruiken Druk op MENU tijdens het afspelen van het bestand om naar het USB-menu te gaan. Draai aan MENU om naar de gewenste menuoptie te gaan en druk op de knop MENU om de betreffende optie te selecteren of naar het detailmenu van de optie te gaan.. Map bekijken : Ga naar de modus Map bekijken en ga naar de vorige of volgende map.. - Shuffle : Zet de shuffle-functie aan of uit. Bladeren/indexeren apparaat. Bladeren wordt niet ondersteund tot het indexeren van het aangesloten apparaat voltooid is.. Als de bladerfunctie tijdens het indexeringsproces wordt geselecteerd, verschijnt de pop-up "Functie niet ondersteund door indexering Gebruik bestand bekijken om door te inhoud te bladeren ".. Wanneer een enkel apparaat met meer dan nummers is aangesloten, verschijnt de pop-up "Indexeervolume media vol Gebruik Bestand bekijken of verwijder het andere apparaat ". USB verwijderen Verwijder het USB-apparaat vanuit de USB-aansluiting. Als het USB-apparaat verwijderd is, toont het systeem het bericht Geen verbinding voor elke bron op het display en behoud de huidige status tot het apparaat opnieuw wordt aangesloten. Het menu Media transfer protocol (MTP) gebruiken Alleen opladen : Selecteer de oplaadoptie van het MTP-apparaat. Het MTP-apparaat wordt opgeladen en het systeem toont het pop-up-bericht wanneer het is aangesloten. Infotainmentsysteem 119. De standaardinstelling is Alleen opladen.. Wanneer de optie Alleen opladen is geselecteerd in het instelmenu Media Transfer Protocol (MTP), wordt de audiobron niet veranderd en wordt het aangesloten apparaat alleen opgeladen.. Als u naar USB-modus overgaat terwijl u het apparaat oplaadt, wordt een oplaadbericht met indicatie van de oplaadactiviteit getoond op het display. In dit geval, begint het systeem de bestanden op het apparaat niet te indexeren.. Het is mogelijk dat opladen door sommige MTP-apparaten niet wordt ondersteund. Alleen muziekmap scannen ; Selecteer de optie Muziekmap scannen voor het MTP-apparaat. Het systeem kan Artiestennaam/ Naam nummer/verlopen tijd van het huidige nummer weergeven en naar de afspeellijst op het MTP-apparaat gaan.

121 120 Infotainmentsysteem Alle mappen scannen ; Selecteer de optie Alle mappen scannen voor het MTP-apparaat.. Het duurt langer om het apparaat te indexeren dan de instelling Alleen muziekmap scannen. De duur is afhankelijk van de smartphone en de bestanden/mappen op de smartphone.. Bij sommige telefoons met Media Transfer Protocol (MTP) kan het zoeken naar muziek lang duren.. Als het telefoonscherm vergrendeld is, kunt u niet naar muziek zoeken. Om op de telefoon naar muziek te gaan, moet u het telefoonscherm ontgrendelen. Als u het abnormale apparaat aansluit, werkt het systeem wellicht niet goed. ipod-speler De ipod-speler aansluiten Sluit het ipod-apparaat waarop de muziekbestanden zijn opgeslagen aan op de USB-aansluiting. Sommige ipod/iphone-productmodellen worden wellicht niet ondersteund. Als u het abnormale apparaat aansluit, werkt het systeem wellicht niet goed. Sluit de ipod alleen op dit product aan met aansluitkabels die door ipod-producten worden ondersteund. Andere verbindingskabels zijn niet bruikbaar.. In sommige gevallen kan de ipod worden beschadigd wanneer het contact wordt uitgezet terwijl de ipod nog is aangesloten. Wanneer het ipod-product niet in gebruik is, maak dit dan los van het product terwijl het contact is uitgezet.

122 . Zodra het product gereed is met het inlezen van de informatie op de ipod, zal het automatisch afspelen.. Wanneer een niet-leesbare ipod is aangesloten, verschijnt hierover een foutmelding en schakelt het product automatisch naar de vorige gebruikte functie of naar de FM-radiofunctie. Als de af te spelen ipod al is aangesloten, drukt u meerdere malen op MEDIA om de ipod player te selecteren.. Hij zal dan automatisch afspelen vanaf het punt waarop afspelen eerder werd onderbroken.. De bij dit product gebruikte afspeelfuncties en de items voor informatieweergave op de ipod-speler kunnen afwijken van de ipod als het gaat om de afspeelvolgorde, werking en getoonde informatie. De afspeelfuncties van de ipod worden op dezelfde wijze bediend als bij het afspelen van USB-bestanden. Afspelen van de ipod stoppen Om het afspelen te stoppen drukt u op RADIO of MEDIA om andere functies te selecteren. Het ipod-menu gebruiken Druk op MENU tijdens het afspelen van het bestand om naar het ipod-menu te gaan. Draai aan MENU om naar de gewenste menuoptie te gaan en druk op de knop MENU om de betreffende optie te selecteren of naar een detailmenu over de optie te gaan.. Blader naar "Naam apparaat" : Selecteert een item uit de lijst namen zoals Afspeellijsten, Artiesten, Albums, Nummers, Genres, Audioboeken en Componisten.. - Shuffle : Zet de shuffle-functie aan of uit. De ipod verwijderen Verwijder de ipod vanuit de USB-aansluiting. Infotainmentsysteem 121 Wanneer de ipod verwijderd is, gaat het systeem automatisch terug naar de eerder gebruikte functie of de FM-radio. AUX-ingang Een externe audiospeler aansluiten Sluit de audio-uitgang van de externe audiospeler aan op de AUX-ingang.. Het infotainmentsysteem schakelt automatisch naar de ingang voor extern geluid (AUX) zodra de externe audiospeler wordt aangesloten.

123 122 Infotainmentsysteem Druk op MEDIA om over te schakelen naar de ingang voor extern geluid als het externe audiosysteem al was aangesloten. Draai aan P om het volume aan te passen. Personaliseren Het menu Instellingen gebruiken voor personalisering. Instellingenmenu's en -functies kunnen afwijken, afhankelijk van het voertuigmodel.. Het instelmenu bevat een gedetailleerde lijst voor het relevante instelmenu of de werkingsstatus.. Als de betreffende lijst met details nog een andere gedetailleerde lijst heeft, kunt u deze actie herhalen. Selecteer Instellingen in het Menu > draai aan MENU om naar de gewenste menuoptie te gaan > druk op MENU om naar het detailmenu van de optie te gaan. De tijd en datum instellen Tijd instellen : Stel handmatig de uren en minuten in voor het huidige tijdstip.. Druk op MENU om naar Tijd instellen in het menu Tijd en datum te gaan.. Druk op - om het tijdsformaat 12 UUR of 24 UUR te selecteren.. Draai aan MENU om het uur te veranderen, druk daarna op MENU om naar de Minuteninstelling te gaan.. Draai aan MENU om de minuut te veranderen, druk daarna op MENU om naar de instelling AM of PM te gaan.. Draai aan MENU om AM of PM te selecteren, druk daarna op MENU om de tijdsinstelling te voltooien. Wanneer u op MENU drukt, wordt het menu Tijd en datum automatisch weergegeven. Datum instellen : Stel handmatig het huidige jaar, de huidige maand of datum in. Druk op MENU om de ingestelde datum in het menu Tijd en datum in te voeren. Druk op - om het datumformaat te selecteren. Het formaat toont: DD/ MM/JJJJ : 15 okt MM/DD/JJJJ : okt JJJJ/MM/DD : okt. 15

124 . Draai aan MENU om de maand te veranderen, druk daarna op MENU om naar de Daginstelling te gaan.. Draai aan MENU om de dag te veranderen, druk daarna op MENU om naar de Jaarinstelling te gaan.. Draai aan MENU om het jaar te veranderen, druk daarna op MENU om de datuminstelling te voltooien. Wanneer u op MENU drukt, wordt het menu Tijd en datum automatisch weergegeven. Tijd en datum automatisch instellen. Druk op - om de Instellingsmodus van tijd te selecteren in het menu Tijd instellen.. Uit (handmatig) : Activeert de handmatige modus.. Aan-Mobiel netwerk : Zet de functie synchroniseren met mobiele netwerklok aan of uit.. Aan-RDS : Zet de functie synchroniseren met RDS aan of uit. Klank instellen. Zie pagina 7 voor meer details. Autovolume instellen Met Autovolume wordt het audiovolume aangepast aan de snelheid of het omgevingsgeluid van de auto.. Uit : Autovolume werkt niet.. Laag : Een volumecurve van het lage bereik die wordt gebruikt om het audiovolume aan te passen wanneer de rijsnelheid verandert.. Midden-Laag : Midden-Laag past het audiovolume ongeveer aan op het bereik tussen het respectievelijk laag en midden.. Midden : Een volumecurve van het middenbereik die wordt gebruikt om het audiovolume aan te passen wanneer de rijsnelheid verandert. Infotainmentsysteem 123. Midden-Hoog : Midden-Hoog past het audiovolume ongeveer aan op het bereik tussen het respectievelijk midden en hoog.. Hoog : Een agressievere volumecurve die wordt gebruikt om het audiovolume aan te passen wanneer de rijsnelheid verandert. Maximaal opstartvolume instellen Stel handmatig de bovengrens in voor het opstartvolume. Taal instellen Draai aan MENU de Voertuiginstellingen in het Instelmenu > druk op MENU > draai aan MENU Talen te selecteren > druk op MENU om naar het detailmenu van de optie te gaan. Selecteer de gewenste taal voor weergave. Terugkeren naar fabrieksinstellingen Draai aan MENU de Voertuiginstellingen in het Instelmenu > druk op MENU > draai aan MENU Terugkeren naar fabrieksinstellingen te

125 124 Infotainmentsysteem selecteren > druk op MENU om naar het detailmenu van de optie te gaan. Zet alle functies terug op de standaardinstellingen. Software-informatie Draai aan MENU de Voertuiginstellingen in het Instelmenu > druk op MENU > draai aan MENU Software-informatie te selecteren > druk op MENU om naar het detailmenu van de optie te gaan. Toont de huidige softwareversie en de DAB-softwareversie. Telefoon Bluetooth (Bluetooth-aansluiting) Over Bluetooth Over draadloze Bluetooth-technologie. Draadloze Bluetooth -technologie verwijst naar een netwerktechnologie op korte afstand die een frequentie van 2,45GHz gebruikt om verschillende apparaten binnen een bepaalde afstand met elkaar te verbinden.. Draadloze Bluetooth -technologie wordt ondersteund door PC's, externe apparaten, Bluetooth -telefoons, PDA's, diverse elektronische apparaten en automobielomgevingen en verstuurt gegevens aan hoge snelheid zonder dat aansluiting via een kabel nodig is.. Bluetooth Hands-free verwijst naar een apparaat waarmee de gebruiker gemakkelijk met mobiele Bluetooth -telefoons kan bellen via het multimediasysteem. Voordat u de Bluetooth-eenheid aansluit. Voordat u de hoofdeenheid op de mobiele telefoon aansluit, moet u controleren of de mobiele telefoon Bluetooth-functies ondersteunt.. Zelfs als de telefoon Bluetooth Wireless Technology ondersteunt, wordt de telefoon niet in een zoekactie gevonden als deze is ingesteld op verborgen modus of als Bluetooth is uitgezet.. Schakel de verborgen modus uit of zet Bluetooth aan voordat u de hoofdeenheid zoekt of er verbinding mee wilt maken.. Als u automatisch verbinden gebruikt, wordt de Bluetooth-telefoon automatisch verbonden met het systeem als u het contact aan zet.

126 . Als u geen automatische verbinding wilt met uw Bluetooth-apparaat, moet u de Bluetooth-functie op het Bluetooth-apparaat uit zetten.. Parkeer de auto wanneer u de eenheid op uw mobiele telefoon wilt aansluiten.. Afhankelijk van de telefoon is het mogelijk dat de Bluetooth-- verbinding af en toe wegvalt. Volg deze stappen om het opnieuw te proberen. Zet de Bluetooth -functie in uw mobiele telefoon UIT/AAN en probeer het opnieuw. Zet de mobiele telefoon UIT/ AAN en probeer het opnieuw. Verwijder de batterij volledig uit de mobiele telefoon, herstart en probeer het opnieuw. Herstart deze eenheid en probeer het opnieuw. Verwijder alle gekoppelde apparaten, koppel ze en probeer het opnieuw.. Het volume en de kwaliteit van de handenvrije oproep kunnen afhankelijk van de mobiele telefoon verschillen.. Het koppelen van Bluetooth-apparaten en het gebruik van Bluetooth-functies worden niet ondersteund wanneer de auto rijdt. U moet uw auto eerst parkeren.. Het proces van bestanden downloaden kan afhankelijk van de mobiele telefoon verschillen. Zie de gebruikersgids van de fabrikant van de mobiele telefoon als er problemen zijn die niet in deze handleiding aan bod komen.. Aangezien een draadloze aansluiting van Bluetooth een bereik van 10 meter kan hebben, is het mogelijk dat uw Bluetooth-apparaat automatisch verbinding maakt met het systeem, ook al bevindt het apparaat zich niet in de auto. Neem dit in acht, vooral wanneer u Bluetooth-apparaten met het infotainmentsysteem wilt Infotainmentsysteem 125 koppelen of verbinden en er andere Bluetooth-apparaten binnen bereik zijn.. Deze eenheid gebruikt het nieuwste systeem van digitale ruis- en echo-onderdrukking om de beste klankhelderheid met weinig of geen vervorming te geven. In sommige omstandigheden is het echter mogelijk dat u toch nog een beetje echo en ruis hoort in de auto. Voor het beste resultaat wordt het aanbevolen om de autovensters gesloten te houden wanneer u handenvrij belt.. Deze eenheid gebruikt de volgende Bluetooth-profielen: Phone Book Access Profile (PBAP) Hands Free Profile (HFP) Advanced Audio Distribution Profile (A2DP) Audio Video Remote Control Profile (AVRCP). Als de Bluetooth-profielen niet overeenkomen, geeft het systeem de pop-up "Actie niet

127 126 Infotainmentsysteem ondersteund door dit apparaat " weer op het display (bijv. het apparaat kan de draaiknop MENU niet bedienen). Als u het abnormale apparaat aansluit, werkt het systeem wellicht niet goed. Voordat u de modus Bluetooth-- muziek gebruikt. De modus Bluetooth-audio kan alleen worden gebruikt als er een Bluetooth-audioapparaat is aangesloten.. Als er nog geen muziek wordt afgespeeld vanaf uw mobiel apparaat nadat u bent overgeschakeld naar de modus audio streamen (Bluetooth Audio) van het mobiele toestel zelf, moet u proberen het afspelen van de muziek te starten door nogmaals op de Afspeeltoets te drukken.. Controleer of er muziek wordt afgespeeld vanaf het Bluetooth-- apparaat nadat u naar de modus audio streamen bent overgeschakeld. De functie audio streamen wordt mogelijk niet ondersteund door sommige mobiele telefoons.. Als de Bluetooth-telefoon losgekoppeld wordt terwijl de modus Bluetooth audio actief is, zal de muziek ook stoppen.. Bluetooth audio streamen wordt mogelijk niet ondersteund door sommige mobiele telefoons.. Als het controlelampje van Bluetooth niet brandt, is er geen Bluetooth-apparaat aangesloten of is de kwaliteit van de verbinding slecht.. Deze eenheid kan tot 5 Bluetooth-apparaten koppelen. Bluetooth koppelen Het Bluetooth-apparaat aanmelden Meld het te koppelen Bluetooth-apparaat aan bij het infotainmentsysteem. Stel eerst in het menu Bluetooth-instellingen het te koppelen Bluetooth-apparaat in, zodat andere apparaten kunnen zoeken naar het Bluetooth-apparaat. Druk op TELEFOON om naar de Telefoonapplicatiemodus te gaan. Om Koppelen te selecteren drukt u op -. De informatie "Naam: apparaatnaam / PIN: 0000 " verschijnt op het display waarna de voortgang van de koppeling begint.. Als er geen telefoonbron is aangesloten, geeft het statusveld "Geen apparaat gekoppeld " weer.. Om de PIN te veranderen, drukt u op - en selecteert u Nieuwe Pin in het Koppelingsmenu. Draai en druk op MENU om de PIN te veranderen. Zoek vanuit het Bluetooth-apparaat naar deze eenheid en koppel het apparaat. 1. Zet Bluetooth aan op uw telefoon. 2. Zoek en selecteer apparaat "Apparaatnaam " in het Bluetooth-menu. 3. Voer dit item in uw telefoon in.

128 Zie de gebruikershandleiding van uw Bluetooth-apparaat voor meer informatie over apparaten zoeken en koppelen vanuit Bluetooth. Na enige tijd wordt het Bluetooth-- apparaat automatisch geregistreerd.. Als de registratie van het op het systeem aan te sluiten apparaat geslaagd is, verschijnt "Bluetooth aangesloten " op het display.. Nadat het Koppelen voltooid is, wordt een verzoek tot downloaden van uw contacten naar uw mobiele telefoon gestuurd. Controleer uw telefoon en accepteer indien nodig het downloadverzoek. Wanneer u een tweede apparaat koppelt, moet u de bovenstaande stappen herhalen.. Als er een Bluetooth-apparaat is aangesloten, kan er geen nieuw apparaat worden gekoppeld. Als u een nieuwe telefoon wilt koppelen, moet u eerst het aangesloten Bluetooth-apparaat loskoppelen.. Deze eenheid kan tot 5 Bluetooth-apparaten koppelen. De Bluetooth-apparaten toevoegen/aansluiten/loskoppelen/ verwijderen Stel eerst in het Bluetooth-instelmenu het te koppelen Bluetooth-apparaat in, zodat andere apparaten kunnen zoeken naar het Bluetooth-- apparaat. Druk op TELEFOON > druk op MENU om de Bluetooth-apparaten te selecteren en naar het menu Telefoonlijst te gaan > draai aan MENU om naar een item op de apparatenlijst te gaan > druk op - om de gewenste menuoptie te selecteren.. Toevoegen selecteren : De informatie "Naam: apparaatnaam / PIN: 0000 " verschijnt op het display waarna de voortgang van de koppeling begint.. Verbinden selecteren : Het Bluetooth-apparaat wordt na enige tijd automatisch verbonden en "Bluetooth verbonden " verschijnt op het display. Infotainmentsysteem 127. Ontkoppelen selecteren : Ontkoppel het aangesloten Bluetooth-apparaat uit het menu Telefoonlijst.. Verwijderen selecteren : Verwijder het geregistreerde Bluetooth-apparaat uit het menu Telefoonlijst. Bluetooth-muziekafspeler Bluetooth-muziekafspeler aansluiten Sluit het Bluetooth-apparaat aan waarop de muziekbestanden zijn opgeslagen.

129 128 Infotainmentsysteem Druk meermaals op MEDIA om de modus Bluetooth-muziek te selecteren.. Het muziekbestand in het Bluetooth-apparaat zal automatisch één keer worden afgespeeld en "Bluetooth-muziek " verschijnt in het display.. Als er nog geen muziek wordt afgespeeld vanaf uw mobiel apparaat nadat u bent overgeschakeld naar de modus audio streamen (Bluetooth-muziek) van het mobiele toestel zelf, moet u proberen het afspelen van de muziek te starten door nogmaals op de Afspeeltoets te drukken. Tijdens het afspelen drukt u op g / d om naar het vorige of volgende nummer te gaan.. Deze functie werkt alleen met Bluetooth-apparaten die Audio Video Remote Control Profile (AVRCP) versie 1.0 of hoger ondersteunen. Afhankelijk van de opties van het Bluetooth-apparaat kunnen sommige apparaten aangeven dat Audio Video Remote Control Profile (AVRCP) voor de eerste verbinding wordt verbonden.. Als het Bluetooth-apparaat wordt losgekoppeld terwijl er Bluetooth-muziek wordt afgespeeld, zal de muziek ook stoppen. De afspeelfuncties van de Bluetooth-muziek worden op dezelfde wijze bediend als bij het afspelen van USB-bestanden. Het menu Bluetooth-muziek gebruiken Druk tijdens het afspelen op MENU om naar het menu Bluetooth-audio te gaan. Draai aan MENU om naar de gewenste menuoptie te gaan en druk op de knop MENU om de betreffende optie te selecteren of naar het detailmenu van de optie te gaan.. Blader naar "Naam apparaat" : Selecteer een optie in de lijst van bladernamen. Als de Bluetooth-profielen niet overeenkomen, wordt "Actie niet door apparaten ondersteund " getoond door het systeem. Profielondersteuningsversie: Audio Video Remote Control Profile (AVRCP) Shuffle : Zet de shuffle-functie aan of uit.. Bluetooth-apparaten beheren : Ga naar het menu Telefoonlijst. Noodoproep { Waarschuwing Het tot stand brengen van de verbinding kan niet onder alle omstandigheden worden gegarandeerd. Vertrouw daarom niet alleen op een mobiele telefoon bij gesprekken van levensbelang (bijv. bij het inroepen van medische hulp). Voor sommige netwerken kan het noodzakelijk zijn dat er op de juiste manier een geldige simkaart in de mobiele telefoon is aangebracht.

130 { Waarschuwing Denk eraan dat u met uw mobiele telefoon kunt bellen en ontvangen indien u zich in een gebied bevindt met een voldoende sterk signaal. Onder bepaalde omstandigheden kunnen nooddiensten niet op alle mobiele telefoonnetwerken worden gebeld; mogelijkerwijs kunnen deze oproepen niet gedaan worden wanneer bepaalde netwerkdiensten en/of telefoonfuncties actief zijn. U kunt hierover uw lokale netwerkexploitant raadplegen. Het alarmnummer kan per land en regio variëren. Wij raden u aan het juiste alarmnummer voor de relevante regio van tevoren op te vragen. Een noodoproep doen Vorm het noodnummer (bijv. 112). De telefoonverbinding met de alarmcentrale wordt tot stand gebracht. Antwoord als het dienstdoende personeel u vragen stelt over het noodgeval. { Waarschuwing Beëindig het gesprek pas als de alarmcentrale u daarom vraagt. De Siri-functie gebruiken Houd bij een verbonden iphone het "oproeppictogram " op de audiobediening op het stuur ingedrukt om de Siri-functie te activeren.. Compatibel met iphone apparaten die ios 4.0 of later ondersteunen.. Druk wanneer Siri als ingeschakeld is hierop om Siri weer te activeren.. Siri-commando's die in combinatie met dit product kunnen worden gebruikt ondersteunen het kiezen van commando's via de iphone, selecteren van de song en afspelen van de iphone Music Player. Infotainmentsysteem 129 Bediening Inkomend gesprek Wanneer u een telefonische oproep binnenkomt op de mobiele telefoon met Bluetooth-aansluiting, wordt de afgespeelde song onderbroken. De telefoon geeft een geluidssignaal en toont de relevante informatie. Om een oproep te ontvangen, drukt u op b op de audiobediening op het stuur om naar het scherm van Actieve oproep te gaan of drukt u op - om Opnemen te selecteren en naar het scherm van Actieve oproep te gaan.

131 130 Infotainmentsysteem Om een oproep te weigeren, houd u $ / c ingedrukt op de audiobediening op het stuur of druk u op - om Negeren te selecteren.. Een geweigerde oproep wordt naar voic gestuurd, de beltoon stopt en de waarschuwing dooft en het display van het scherm dat voor de waarschuwing werd getoond verschijnt opnieuw.. Als u de oproep niet negeert of niet beantwoordt voor deze naar voic wordt doorgestuurd, dooft de waarschuwing, wordt het vorige getoond en stopt de beltoon. Gesprek in wachtstand Als iemand anders belt wanneer u al aan het telefoneren bent, toont het systeem een pop-up met een tweede inkomende oproep. Druk op TELEFOON of b op de audiobedieningen op het stuur om tussen de 1ste en 2de oproep te wisselen. Als er twee oproepen actief zijn (oproep in wacht-modus) wordt er geen waarschuwing getoond dat er een oproep in wacht staat. Volumeregeling telefoon Draai aan P om het telefoonvolume aan te passen terwijl u aan het telefoneren bent (bijv. via volumestappen 0 ~ 63). Voorzichtig Het is mogelijk om uw beltoon over te brengen, afhankelijk van de mobiele telefoon. Pas het ringtonevolume van de mobiele telefoon aan als dit volume te laag is. U kunt de volumeregeling gebruiken om het beltoonvolume aan te passen terwijl de beltoon wordt gegeven vanaf een bepaal minimumvolume. Het volume gaat van niveau 3 naar max. Tijdens een oproep Tijdens een actieve oproep toont het scherm Actieve oproep informatie die relevant is voor de actieve telefoonoproep. Beëindigen : Beëindig een actieve telefoonoproep. Wanneer een oproep beëindigd wordt, keert het systeem terug naar het scherm dat voor de oproep actief was. Geluid dempen/geluid aanzetten : Demp de automicrofoon tijdens een actieve oproep door op de toets te drukken.

132 Als de microfoon gedempt is, verandert het opschrift in Geluid aan zetten. Druk nogmaals op de toets om het geluid van de microfoon aan te zetten. Handset/handenvrij: schakel over van handenvrije modus naar de modus telefoonhandset door rechtstreeks op - te drukken.. Als u de oproep op de actieve telefoonbron opneemt in handsetmodus, verandert het opschrift in handenvrij.. Als u nu op de toets drukt, keert het telefoongesprek terug naar handenvrije modus.. De handenvrije modus is de standaardmodus wanneer er een oproep wordt gestart.. Als er een probleem optreedt en de oproep niet naar handenvrij of handset overgaat zoals de gebruiker het vraagt, verschijnt er een bericht waarin wordt gezegd dat de overdracht niet kon plaatsvinden. Probeer het opnieuw. Toetsenbord: ga naar het scherm van het toetsenbord. Een gesprek beëindigen Als er een oproep wordt beëindigd terwijl het systeem een ander scherm dan het scherm van Actieve oproep weergeeft, wordt het bericht Oproep beëindigd getoond.. De oproep kan worden beëindigd door de persoon aan de andere kant van de lijn, door het Bluetooth-apparaat of door op c te drukken op de audio-afstandsbediening op het stuur.. Na 5 seconden keert het display terug naar het vorige scherm. Een nummer opnieuw bellen Als de oproep is weggevallen, kunt u het nummer opnieuw vormen door onmiddellijk op - te drukken, direct onder het display met het opschrift Bel opnieuw. Een nummer uit het oproeplog bellen Druk op TELEFOON om naar het menu Telefoonlijst te gaan > draai aan MENU om Recente oproepen te Infotainmentsysteem 131 selecteren > druk op MENU > draai aan MENU om Gemiste oproepen, Ontvangen oproepen of Gemaakte oproepen te selecteren en druk daarna op MENU. De lijst met recente oproepen heeft een tussenmenu met gemiste oproepen, ontvangen oproepen en gebelde nummers. Draai aan MENU een naam of telefoonnummer te selecteren en druk op MENU om te bellen. Een nummer uit het telefoonboek bellen Druk op TELEFOON om naar het menu Telefoonlijst te gaan > draai aan MENU om Contacten te selecteren > druk op MENU > draai aan MENU om een naam of telefoonnummer te selecteren en druk op MENU om te bellen. De laatst uitgaande telefoonbron wordt bijgehouden tot de volgende ontstekingscyclus, indien dit telefoontoestel is aangesloten en het de uitgaande telefoonbron is.

133 132 Infotainmentsysteem Telefoonboek downloaden Als het Bluetooth-apparaat een synchronisatiefunctie van het telefoonboek ondersteunt, kunt u het telefoonboek na de aansluiting automatisch downloaden.. U kunt de belgeschiedenislijsten van het aangesloten Bluetooth-- apparaat downloaden.. De geschiedenis van uitgaande oproepen per tijd wordt niet ondersteund.. Het is mogelijk om de belgeschiedenis te downloaden, zelfs wanneer u tot een andere handeling overgaat.. Het is niet mogelijk om het downloadproces te starten wanneer de downloadfunctie van de belgeschiedenis uit staat op het Bluetooth-apparaat.. Nadat het Koppelen voltooid is, wordt een verzoek tot downloaden van uw contacten naar uw mobiele telefoon gestuurd. Sommige telefoons hebben extra informatie nodig. Controleer uw telefoon en accepteer indien nodig het downloadverzoek.. Als er een gekoppelde telefoon wordt verwijderd, worden zijn belgeschiedenislijsten ook uit het systeem gewist.. Het systeem gebruikt alleen informatie gecodeerd volgens de UTF-8-indeling. Een nummer vormen met het toetsenbord Druk op TELEFOON om naar het menu Telefoonlijst te gaan > draai aan MENU om Toetsenblok te selecteren en druk op MENU om naar het toetsenblokscherm te gaan.. Als u Toetsenbord selecteert uit het thuisscherm van Telefoon, verschijnt er een telefoontoetsenbord. Draai aan MENU om het getal dat u wilt kiezen te markeren en druk op MENU om dit te selecteren. U kunt maximaal 24 getallen invoeren.. Als u aan MENU blijft draaien wanneer het einde van het toetsenblok is bereikt, wordt er naar de andere kant van het toetsenblok gesprongen.. De getallen worden op het scherm aangegeven van zodra u ze invoert.. Oproep wordt pas actief wanneer u een getal hebt ingevoerd.. Zodra u het gewenste telefoonnummer hebt ingevoerd, drukt u op - om dat nummer te bellen.. Terwijl er verbinding wordt gemaakt, toont het systeem het scherm Actieve oproep.. Als u een fout hebt gemaakt tijdens het invoeren van een telefoonnummer, moet u aan MENU draaien en op MENU drukken om het laatst ingevoerde getal te wissen.. Als u MENU ingedrukt houdt gedurende de standaardtijd dat Wissen gemarkeerd is, wordt het volledige getallenveld gewist.

134 Infotainmentsysteem 133 Scherm Bluetooth-apparaten Druk op TELEFOON om naar het menu Telefoon te gaan > draai aan MENU om Bluetooth-apparaten te selecteren > druk op MENU om naar het Telefoonlijstmenu te gaan.. De lijst bevat de apparaatnamen van alle Bluetooth-apparaten die met het systeem gekoppeld zijn.. Als de ontvangen apparaatnaam blanco is, wordt Onbekend getoond.. Vanuit met menu Bluetooth-apparatenlijst kunt u een apparaat toevoegen (koppelen), verwijderen en aansluiten. Tekstberichten Wanneer er door de aangesloten Bluetooth-mobiele telefoon een tekstbericht wordt ontvangen, stopt het nummer dat wordt afgespeeld en toont de telefoon de relevante informatie.. Als de afzender in het telefoonboek staat, worden zijn voor- en familienaam getoond.. Als het nummer niet in het telefoonboek is opgenomen, wordt het telefoonnummer getoond.. De waarschuwing van Tekstbericht wordt getoond van zodra alle informatie beschikbaar is. Om het volledige bericht te tonen, drukt u op - direct onder het display met het opschrift "Bekijk ". Nu verschijnt het volledige bericht in het scherm. Deze functie is onderweg niet beschikbaar.

135 134 Klimaatregeling Klimaatregeling Klimaatregelsystemen Verwarmings- en ventilatiesysteem Airconditioning Elektronisch klimaatregelsysteem Luchtroosters Verstelbare luchtroosters Vaste luchtroosters Onderhoud Luchtinlaat Interieurluchtfilter Regelmatig gebruik van de airconditioning Onderhoud Klimaatregelsystemen Verwarmings- en ventilatiesysteem Bedieningsorganen voor:. temperatuur. luchtverdeling. luchtdebiet. ontwasemen en ontdooien. luchtrecirculatie. Verwarmbare achterruit 0 Achterruitverwarming 0 29ii Temperatuur De temperatuur instellen door aan de knop te draaien. Rood: Warm Blauw: Koud De verwarming werkt pas optimaal als de motor op de normale bedrijfstemperatuur is gekomen. Luchtverdeling E : Naar hoofdhoogte via de verstelbare luchtroosters. ) : Naar hoofdhoogte en voetenruimte. [ : Naar de voetenruimte, waarbij een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit, de ruiten van de voorportieren en de zijdelingse luchtroosters wordt geleid. - : Naar de voorruit en voetenruimte, waarbij een geringe hoeveelheid lucht naar de ruiten van de voorportieren en de zijdelingse luchtroosters wordt geleid.

136 0 : Naar de voorruit en de ruiten van de voorportieren, waarbij een geringe hoeveelheid lucht naar de zijdelingse luchtroosters wordt geleid. Luchtdebiet Luchtdebiet instellen door de ventilatorknop in de gewenste stand te zetten. Ontwasemen en ontdooien. Draai de luchtverdeelknop naar ONTDOOIEN 0.. Draaiknop voor temperatuur in hoogste stand zetten.. Zet de aanjagerknop op de hoogste snelheid voor snelle ontwaseming.. Verwarming achterruit R 1 inschakelen.. Zijdelingse luchtroosters openen naar wens en op de zijruiten richten. Aanwijzing Als de instellingen voor ontwasemen en ontdooien zijn geselecteerd, is er geen Autostop mogelijk. Als de instellingen voor ontwasemen en ontdooien zijn geselecteerd terwijl de motor in een Autostop is, zal de motor automatisch herstarten. Aanwijzing Als de modusknop op Ontdooimodus 0 staat, werkt de airco en wordt de recirculatiemodus vastgezet op buitenluchtmodus, ongeacht de status van het controlelampje. Stop/Start-systeem 0 Stop/Start-- systeem 0 146ii. Klimaatregeling 135 Airconditioning De airconditioning heeft regelingen voor: Airco : Koeling W : Luchtrecirculatie Koeling Druk op A/C om de koeling in te schakelen. De activering wordt aangeduid door de LED in de toets. Koeling werkt alleen bij een draaiende motor en ingeschakelde aanjager van de klimaatregeling. Druk nogmaals op A/C om de koeling uit te schakelen. De airconditioning koelt en ontvochtigt

137 136 Klimaatregeling (droogt) de lucht wanneer de buitentemperatuur iets boven het vriespunt ligt. Er kan zich dan condens vormen en onder de auto op de grond druppelen. Als geen koeling of droging gewenst is, moet u omwille van het brandstofverbruik de koeling uitschakelen. Geactiveerde koeling kan Autostops verhinderen. Luchtrecirculatiesysteem De luchtrecirculatiestand wordt in- of uitgeschakeld met W. Aan een brandend controlelampje is te zien dat de recirculatiefunctie is ingeschakeld. Recirculatiemodus uitschakelen door weer op W te drukken. { Waarschuwing Schakel regelmatig over op buitenlucht. In de luchtrecirculatiemodus wordt er minder verse lucht aangezogen. Bij het gebruik zonder koeling neemt de lucht- (Vervolg) Waarschuwing (Vervolg) vochtigheid toe waardoor de ruiten kunnen beslaan. De kwaliteit van de lucht in het passagierscompartiment neemt af, waardoor de inzittenden van de auto zich slaperig kunnen voelen. Wanneer de omgevingslucht warm en zeer vochtig is, kan de voorruit aan de buitenkant aandampen wanneer er koud lucht naartoe stroomt. Als de voorruit aan de buitenkant aandampt, moet u de ruitenwisser aanzetten en 0 uitzetten. Maximaal koelen Ruiten kortstondig openen zodat de warme lucht snel kan ontsnappen.. Schakel de koeling A/C in.. Recirculatiesysteem W inschakelen.. Luchtverdeelschakelaar E indrukken.. Draaiknop voor temperatuur in laagste stand zetten.. Luchtdebiet op hoogste stand zetten.. Alle luchtroosters openen. Ruiten ontwasemen en ontdooien. Draai de luchtverdeelknop naar ONTDOOIEN 0.. Draaiknop voor temperatuur in hoogste stand zetten.. Zet de aanjagerknop op de hoogste snelheid voor snelle ontwaseming.. Verwarming achterruit R 1 inschakelen.. Zijdelingse luchtroosters openen naar wens en op de zijruiten richten. Aanwijzing Als 1 wordt ingedrukt terwijl de motor loopt, wordt een Autostop verhinderd totdat er opnieuw op 1 wordt gedrukt.

138 Als 1 wordt ingedrukt terwijl de motor in een Autostop is, zal de motor automatisch herstarten. Aanwijzing Als de modusknop op Ontdooimodus 1 staat, werkt de airco en wordt de recirculatiemodus vastgezet op buitenluchtmodus, ongeacht de status van het controlelampje. Stop/Start-systeem 0 Stop/Start-- systeem 0 146ii. Elektronisch klimaatregelsysteem Bedieningsorganen voor:. temperatuur. luchtverdeling. luchtdebiet. automatische modus. luchtrecirculatie. ontwasemen en ontdooien Temperatuur De temperatuur instellen door aan de knop te draaien. Rood : Warm Blauw : Koud De verwarming werkt pas optimaal als de motor op de normale bedrijfstemperatuur is gekomen. Luchtverdeling E : Naar hoofdhoogte via de verstelbare luchtroosters. ) : Naar hoofdhoogte en voetenruimte. Klimaatregeling 137 [ : Naar de voetenruimte, waarbij een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit, de ruiten van de voorportieren en de zijdelingse luchtroosters wordt geleid. - : Naar de voorruit en voetenruimte, waarbij een geringe hoeveelheid lucht naar de ruiten van de voorportieren en de zijdelingse luchtroosters wordt geleid. 0 : Naar de voorruit en de ruiten van de voorportieren, waarbij een geringe hoeveelheid lucht naar de zijdelingse luchtroosters wordt geleid. Luchtdebiet Luchtdebiet instellen door de ventilatorknop in de gewenste stand te draaien. Om aan of uit te zetten, drukt u op P of past u de aanjagerknop aan. Automatische modus Het systeem regelt automatisch de ventilatorsnelheid, luchtverdeling, airconditioning en recirculatie om de auto tot de gewenste temperatuur te verwarmen of koelen. Wanneer het

139 138 Klimaatregeling AUTO-controlelampje brandt, werkt het systeem volledig automatisch. Als de instelling van luchtlevermodus, ventilatietoerental, recirculatie of airco werd aangepast, dooft het controlelampje AUTO. Voor een beter brandstofverbruik en snellere koeling van de auto kan de recirculatie bij warm weer automatisch worden geselecteerd. Het recirculatielampje gaat niet branden. Druk op W om de recirculatiefunctie te kiezen; druk nogmaals op de knop om voor luchtaanvoer van buiten te kiezen. Om het systeem uit te zetten, drukt u op stroom P. Basisinstelling voor maximaal comfort:. Druk op AUTO.. Open alle luchtroosters voor optimale luchtdistributie in de automatische modus.. Druk op A/C voor het inschakelen van optimale koeling en ontwaseming. De activering wordt aangeduid door de LED in de toets.. Gewenste temperatuur instellen. Temperatuur selecteren De temperatuur kan naar wens worden ingesteld. Als de minimumtemperatuur Lo is ingesteld, levert de klimaatregeling maximale koeling, indien de koeling A/C wordt ingeschakeld. Wanneer u de maximumtemperatuur Hi instelt, zorgt het klimaatregelsysteem voor een maximale verwarming. De aanbevolen temperatuur is 22 C. Aanwijzing Als A/C wordt ingeschakeld, kan door het verlagen van de ingestelde temperatuur de motor vanuit een Autostop opnieuw worden gestart of kan een Autostop 0 Stop/Start-systeem 0 146ii worden belemmerd. Luchtrecirculatiesysteem De luchtrecirculatiestand wordt in- of uitgeschakeld met W. Aan een brandend controlelampje is te zien dat de recirculatiefunctie is ingeschakeld. Recirculatiemodus uitschakelen door weer op W te drukken. { Waarschuwing Schakel regelmatig over op buitenlucht. In de luchtrecirculatiemodus wordt er minder verse lucht aangezogen. Bij het gebruik zonder koeling neemt de luchtvochtigheid toe waardoor de ruiten kunnen beslaan. De kwaliteit van de lucht in het passagierscompartiment neemt af, waardoor de inzittenden van de auto zich slaperig kunnen voelen. Ruiten ontwasemen en ontdooien. 0 indrukken. De activering wordt aangeduid door de LED in de toets. En de recirculatiemodus wordt automatisch op de buitenluchtmodus ingesteld en vastgezet. De airconditioning werkt, maar een controlelampje verandert niet.. Temperatuur en luchtverdeling worden automatisch ingesteld, de aanjager draait met een hoge snelheid.

140 . Verwarming achterruit R 1 inschakelen.. Vorige modus opnieuw inschakelen: Druk 0 om de automatische modus opnieuw in te schakelen: druk op AUTO Aanwijzing Als 0 wordt ingedrukt terwijl de motor loopt, wordt een Autostop verhinderd totdat er opnieuw op 0 wordt gedrukt. Als 0 wordt ingedrukt terwijl de motor in een Autostop is, zal de motor automatisch herstarten. Stop/Start-systeem 0 Stop/Start-- systeem 0 146ii. Handmatige instellingen U kunt de instellingen van het klimaatregelsysteem als volgt met de toetsen en draaiknoppen veranderen. Wanneer u een instelling verandert, wordt de automatische modus gedeactiveerd. Luchtdebiet Luchtdebiet instellen door de ventilatorknop in de gewenste stand te zetten. U herkent de gekozen aanjagersnelheid aan het aantal segmenten op het display. Als de aanjager wordt uitgeschakeld, wordt ook de airconditioning gedeactiveerd. Om de automatische modus opnieuw in te schakelen, drukt u op AUTO. Klimaatregeling 139 Luchtverdeling Druk op de betreffende knop voor de gewenste afstelling. De activering wordt aangeduid door de LED in de toets. E : Naar hoofdhoogte via de verstelbare luchtroosters. ) : Naar hoofdhoogte en voetenruimte. [ : Naar de voetenruimte, waarbij een geringe hoeveelheid lucht naar de voorruit, de ruiten van de voorportieren en de zijdelingse luchtroosters wordt geleid.

141 140 Klimaatregeling - : Naar de voorruit en voetenruimte, waarbij een geringe hoeveelheid lucht naar de ruiten van de voorportieren en de zijdelingse luchtroosters wordt geleid. 0 : Naar de voorruit en de ruiten van de voorportieren, waarbij een geringe hoeveelheid lucht naar de zijdelingse luchtroosters wordt geleid. Om terug te keren naar de automatische luchtverdeling: Druk op AUTO Koeling Druk op A/C om de koeling in te schakelen. De activering wordt aangeduid door de LED in de toets. Koeling werkt alleen bij een draaiende motor en ingeschakelde aanjager van de klimaatregeling. Druk nogmaals op A/C om de koeling uit te schakelen. De airconditioning koelt en ontvocht (droogt) de lucht vanaf een bepaalde buitentemperatuur. Er kan zich dan condens vormen en onder de auto op de grond druppelen. Als geen koeling of droging gewenst is, moet u omwille van het brandstofverbruik de koeling uitschakelen. Geactiveerde koeling kan Autostops 0 Stop/Start-systeem 0 146ii verhinderen. Luchtrecirculatiesysteem Luchtrecirculatiemodus met W inschakelen. De activering wordt aangeduid door de LED in de toets. Recirculatiemodus uitschakelen door weer op W te drukken. { Waarschuwing In de luchtrecirculatiemodus wordt er minder verse lucht aangezogen. Bij gebruik zonder koeling neemt de luchtvochtigheid toe, zodat de ruiten aan de binnenkant kunnen beslaan. De kwaliteit van de lucht in het passagierscompartiment neemt af, waardoor de inzittenden van de auto zich slaperig kunnen voelen. Wanneer de omgevingslucht warm en zeer vochtig is, kan de voorruit aan de buitenkant aandampen wanneer er koud lucht naartoe stroomt. Als de voorruit aan de buitenkant aandampt, moet u de ruitenwisser aanzetten. Maximaal koelen Ruiten kortstondig openen zodat de warme lucht snel kan ontsnappen.. Schakel de koeling A/C in.. Recirculatiesysteem W inschakelen.

142 . Luchtverdeelschakelaar E indrukken.. Draaiknop voor temperatuur in laagste stand zetten.. Luchtdebiet op hoogste stand zetten.. Alle luchtroosters openen. Luchtroosters Verstelbare luchtroosters Bij ingeschakelde koeling moet er minimaal één luchtrooster geopend zijn om te voorkomen dat de verdamper door gebrek aan luchtcirculatie bevriest. Klimaatregeling 141 luchtrooster naar buiten. De ventilatieopening heeft luchtlekkages in de gesloten positie. { Waarschuwing Bevestig geen voorwerpen aan de klepjes van de luchtroosters. Kans op schade en letsel in geval van een ongeluk. Vaste luchtroosters Er bevinden zich bovendien nog luchtroosters onder de voorruit en de zijruiten, alsook in de voetenruimte. Deze zijn vast en kunnen niet worden versteld. Stel de richting van de luchtstroom in door de lamellen te kantelen en te draaien. Als u de luchtstroom niet wilt voelen, verplaatst u de latjes van de centrale luchtrooster naar binnen of die van de zijdelingse

143 142 Klimaatregeling Onderhoud Luchtinlaat De luchtinlaat naar de motorruimte onder aan de voorkant van de voorruit moet voor voldoende luchttoevoer vrijgehouden worden. Bladeren, vuil of sneeuw verwijderen. Interieurluchtfilter Filtering lucht passagierscompartiment Het microfilter verwijdert vaste deeltjes zoals pollen, stof of roet uit de lucht in het interieur. Het filter moet worden vervangen tijdens het periodiek onderhoud. Voorzichtig Wanneer veel op stoffige en op onverharde wegen en in gebieden met zware luchtvervuiling wordt gereden, moet het luchtfilter vaker worden vervangen. Anders zal de efficiëntie van het filter afnemen en worden de ademwegen van de inzittenden zwaar belast. Regelmatig gebruik van de airconditioning Om te zorgen dat het systeem goed blijft werken, moet de koeling eenmaal per maand, ongeacht de weersgesteldheid of het seizoen, enkele minuten worden ingeschakeld. Bij te lage buitentemperaturen kan de koeling niet worden ingeschakeld. Onderhoud Voor een optimale koelfunctie moet het klimaatregelsysteem jaarlijks worden gecontroleerd.. functie- en druktest. werking van de verwarming. lektest. controle van de aandrijfriemen. afvoer van condensor en verdamper reinigen. prestatietest

144 Rijden en bedienen Informatie over het rijden Controle over de auto Stuurinrichting Starten en bediening Nieuwe auto inrijden Contactstanden Motor starten Ingeschakelde accessoirevoeding (RAP) Stop/start-systeem Parkeerplaats Motoruitlaat Motoruitlaat Katalysator Handgeschakelde versnellingsbak Handgeschakelde versnellingsbak Remsysteem Remsysteem Antiblokkeersysteem van de remmen (ABS) Parkeerrem Remassistent Hellingrem (HSA) Rijregelsystemen Traction Control-systeem (TCS) Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) Obstakeldetectiesystemen Parkeerhulp (Parkeerhulp achteraan) Bestuurdersondersteuningssystemen Bestuurdersondersteuningssystemen Cruise control Snelheidsbegrenzer Lane Departure Warning (LDW) Brandstof Brandstof (voor benzinemotoren) De tank vullen Brandstofverbruik - CO2-uitstoot Rijden en bedienen 143 Informatie over het rijden Controle over de auto Nooit laten vrijlopen wanneer de motor niet draait (uitgezonderd tijdens Autostop) Veel systemen werken dan niet meer (bijv. rembekrachtiger, stuurbekrachtiging). Als u op deze manier rijdt, brengt u uzelf en anderen in gevaar. Stationair aanjagen Als het nodig is om de accu op te laden wegens een probleem met de accu, moet het vermogen van de dynamo worden vergroot. Dit kan door stationair aanjagen, wat mogelijk hoorbaar is. Pedalen Om de pedalen ongehinderd te kunnen bedienen geen matten onder de pedalen leggen.

145 144 Rijden en bedienen Gebruik alleen vloermatten die goed passen en met de houders aan bestuurderszijde vastzitten. Stuurinrichting Als de stuurbekrachtiging niet meer werkt door het stoppen van de motor of een systeemstoring, kan de auto nog wel worden bestuurd, maar dat kan meer of minder moeite kosten. Controlelamp m Variabele stuurbekrachtiging 0 71ii. Voorzichtig Auto's uitgerust met elektrische stuurbekrachtiging: Als het stuurwiel tot in de eindstand wordt gedraaid en enige tijd in deze stand wordt vastgehouden, wordt de stuurbekrachtiging mogelijk begrensd. Wanneer u de stuurbekrachtiging langer gebruikt, kan de mate van bekrachtiging afnemen. (Vervolg) Voorzichtig (Vervolg) Wanneer het systeem afkoelt, dient de stuurbekrachtiging weer normaal te werken. Starten en bediening Nieuwe auto inrijden Rem tijdens de eerste ritten niet te krachtig. Bij de eerste rit kunnen was- en oliedampen van het uitlaatsysteem rookvorming veroorzaken. Parkeer de auto na de eerste rit een tijdje in de open lucht en adem de dampen niet in. Tijdens het inrijden kunnen het brandstof- en motorolieverbruik hoger zijn. Autostop is wellicht niet mogelijk wanneer de accu wordt opgeladen.

146 Contactstanden Contactslotstanden 0: Contact uit 1: stuurslot opgeheven, contact uit 2: Contact aan 3: Starten Motor starten Handgeschakelde versnellingsbak: Trap de koppeling in Automatische versnellingsbak: Bedien de rem en zet de keuzehendel in P of N. Geen gas geven. De sleutel kort naar stand 3 draaien en loslaten: Een automatische regeling bedient de startmotor na een korte vertraging zolang de motor draait; zie Automatische startmotorregeling. Rijden en bedienen 145 Om de motor opnieuw te starten of deze af te zetten, sleutel in het contactslot eerst terugdraaien naar stand 0. Tijdens een Autostop kan de motor gestart worden door het koppelingspedaal in te trappen. De auto starten bij lage temperaturen U kunt de auto starten zonder bijkomende verwarming tot een temperatuur van -25 C voor dieselmotoren en -30 C voor benzinemotoren. Dieselmotoren Het is mogelijk om de motor zonder bijkomende verwarming te starten tot -25 C. Benzinemotoren Het is mogelijk om de motor zonder bijkomende verwarming te starten tot -30 C. Motorolie met de juiste viscositeit, de juiste brandstof, uitgevoerd onderhoud en een voldoende opgeladen accu zijn vereist. Bij temperaturen onder -30 C moet de automatische versnellingsbak gedurende ca. 5 minuten worden verwarmd.

147 146 Rijden en bedienen De keuzehendel moet in stand P staan. Automatische startmotorregeling Deze functie regelt de startprocedure van de motor. U hoeft de sleutel niet meer in de stand 3 vast te houden. Het eenmaal actieve systeem zal de motor automatisch blijven ronddraaien tot deze start. Vanwege de controleprocedure begint de motor na een korte vertraging te lopen. Mogelijke redenen voor het niet starten van de motor:. koppelingspedaal niet ingetrapt (handgeschakelde versnellingsbak). er trad een time-out op Afsluiting brandstoftoevoer bij overtoeren De brandstoftoevoer wordt automatisch afgesloten bij het uitrollen, d.w.z. wanneer u met een ingeschakelde versnelling onder het rijden het gas loslaat. Ingeschakelde accessoirevoeding (RAP) Behouden stroom uit De volgende elektronische systemen kunnen werken tot het bestuurdersportier is geopend of ten laatste 10 minuten nadat het contact werd uitgeschakeld:. elektrisch bediende ruiten. stekkerdozen Het Infotainmentsysteem blijft van stroom voorzien en zal 30 minuten blijven werken of tot de sleutel uit de contactschakelaar wordt gehaald, onafhankelijk of er een portier geopend wordt of niet. Stop/start-systeem Het stop-startsysteem helpt brandstof besparen. Wanneer de omstandigheden het toelaten, schakelt het de motor uit van zodra de auto langzaam rijdt of stilstaat, bijv. voor een verkeerslicht of in een file. Het start de motor automatisch zodra u het koppelingspedaal bedient. Een accusensor zorgt ervoor dat een Autostop alleen wordt uitgevoerd, als de accu voldoende opgeladen is om opnieuw te kunnen starten. Activering Het stop-startsysteem is beschikbaar van zodra de motor is gestart, de auto is vertrokken en er aan de hieronder opgegeven omstandigheden is voldaan.

148 Deactivering Schakel het stop-startsysteem handmatig uit door op de knop te drukken. De deactivering wordt aangeduid door het doven van de LED in de toets. Autostop Als de auto langzaam rijdt of stilstaat, activeer dan een Autostop zoals hieronder beschreven:. Trap het koppelingspedaal in. Zet de hendel in de neutraalstand. Laat het koppelingspedaal los De motor wordt afgezet terwijl het contact ingeschakeld blijft. Een Autostop wordt aangegeven door de naald op de AUTOSTOP-- positie in de toerenteller. Tijdens een Autostop blijven de verwarming en remmen normaal werken. Voorwaarden voor een Autostop Het Stop/Start-systeem controleert of aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan.. Het stop-startsysteem is niet manueel uitgeschakeld. Rijden en bedienen 147. De motorkap is volledig gesloten.. Het bestuurdersportier is gesloten of de veiligheidsgordel van de bestuurder is vastgemaakt.. De accu is voldoende opgeladen en in goede staat.. De motor is warmgelopen.. De koelvloeistoftemperatuur is niet te hoog.. De temperatuur van de uitlaatgassen is niet te hoog, bijv. na het rijden met hoge motorbelasting.. De omgevingstemperatuur is niet te laag.. De ontdooiselectie verhindert geen Autostop.. Het klimaatregelsystemen staat een Autostop toe.. Het remvacuüm is voldoende.. De auto is verreden sinds de laatste Autostop. Anders is een Autostop niet mogelijk.

149 148 Rijden en bedienen Een Autostop wordt mogelijk minder beschikbaar, wanneer de omgevingstemperatuur het vriespunt nadert. Bepaalde instellingen van het aircosysteem kunnen een Autostop verhinderen. Raadpleeg het hoofdstuk Klimaatregeling voor meer details. Onmiddellijk na een snelwegrit kan mogelijk geen Autostop plaatsvinden. Nieuwe auto inrijden 0 Nieuw voertuig inrijden 0 144ii. Ontlaadbeveiliging accu Om het betrouwbaar opnieuw starten van de motor te garanderen, zijn er verschillende ontlaadbeveiligingen van de accu ingevoerd als onderdeel van het stop-startsysteem. Stroombesparingsmaatregelen Tijdens een Autostop worden verschillende elektrische functies zoals de extra elektrische verwarmer of de achterruitverwarming uitgeschakeld of in een stroombesparingsmodus gezet. De ventilatorsnelheid van het aircosysteem wordt verlaagd om stroom te besparen. Herstarten van de motor door de bestuurder Trap het koppelingspedaal in om de motor te herstarten. Het starten van de motor wordt aangeduid door de naald van de stationaire toerentalstand op de toerenteller. Als de keuzehendel uit neutraal is gezet voordat u de koppeling heeft ingetrapt, gaat lampje # branden of wordt het als symbool weergegeven op het Driver Information Center. Controlelamp # 0 Controlelampen 0 64ii. Herstarten van de motor door het stop/start-systeem De keuzehendel moet in neutraal staan om automatisch herstarten mogelijk te maken. Als een van de volgende omstandigheden zich voordoet tijdens een Autostop, dan zal de motor automatisch door het Stop/Start-systeem worden herstart.. Het stop-startsysteem is manueel uitgeschakeld.. De motorkap is geopend.. De veiligheidsgordel van de bestuurders is losgemaakt en het bestuurdersportier is geopend.. De motortemperatuur is te laag.. De accu is ontladen.. Het remvacuüm is niet voldoende.. De auto begint te rijden.. Het klimaatregelsysteem vereist het starten van de motor.. De airconditioning wordt handmatig ingeschakeld. Als de motorkap niet volledig gesloten is, verschijnt een waarschuwingsbericht in het Driver Information Center.

150 Rijden en bedienen 149 Als een elektrisch accessoire, bijv. een draagbare cd-speler op de elektrische aansluiting is aangesloten, merkt u mogelijk een korte spanningsdaling tijdens het herstarten. Parkeerplaats { Waarschuwing. De auto niet op een licht ontvlambare ondergrond parkeren. De ondergrond kan door de hoge temperatuur van het uitlaatgassysteem mogelijk vlam vatten.. Trek de handrem altijd aan. Schakel de handrem in zonder de ontgrendelingsknop in te drukken. Trek de handrem op een aflopende of oplopende helling zo stevig mogelijk aan. Trap tegelijkertijd het rempedaal in om de bedieningskracht te verminderen.. Zet de motor uit. (Vervolg) Waarschuwing (Vervolg). Als de auto vlak of op een oplopende helling staat, dan moet u voordat u de contactsleutel eruit trekt de eerste versnelling inschakelen. Op een oplopende helling bovendien de voorwielen van de stoeprand wegdraaien. Als de auto op een aflopende helling staat, moet u voordat u de contactsleutel eruit trekt de achteruitversnelling inschakelen. Bovendien de voorwielen naar de stoeprand toedraaien.. Sluit de ruiten en het schuifdak. (Vervolg) Waarschuwing (Vervolg). Trek de contactsleutel uit het contactslot. Draai het stuurwiel totdat het stuurslot voelbaar vergrendelt. Bij auto's met geautomatiseerde versnellingsbak kan de sleutel alleen uit het contactslot worden getrokken wanneer de handrem aangetrokken is.. Vergrendel de auto.. Schakel het diefstalalarmsysteem in.. Na het uitschakelen van de motor kunnen de motorkoelventilatoren draaien. Werkzaamheden uitvoeren 0 167ii.

151 150 Rijden en bedienen Voorzichtig Laat de motor na het draaien op hoge toerentallen of onder zware last korte tijd onder lichte last of ongeveer 30 seconden op nullast draaien voordat u deze uitschakelt, om de turbocompressor te beschermen. Aanwijzing Bij een ongeval waarbij airbags worden geactiveerd, wordt de motor automatisch uitgeschakeld als het voertuig binnen een bepaalde tijd tot stilstand komt. Motoruitlaat { Gevaar Uitlaatgassen van de motor bevatten het giftige koolmonoxide, dat kleurloos en reukloos is en dodelijk kan zijn bij inademing. Wanneer uitlaatgassen in de passagiersruimte dringen, de ruiten openen. Laat de oorzaak van de storing in een werkplaats verhelpen. Voorkom rijden met een geopende bagageruimte, in dat geval kunnen uitlaatgassen de auto binnendringen. Katalysator De katalysator vermindert de hoeveelheid schadelijke stoffen in de uitlaatgassen. Voorzichtig Bij andere brandstofkwaliteiten dan zoals vermeld op de pagina's Brandstof (voor benzinemotoren), Motorgegevens zou(den) de katalysator of elektronische componenten beschadigd kunnen raken. Brandstof (voor benzinemotoren) 0 162ii, Motorgegevens 0 214ii. Onverbrande benzine kan leiden tot oververhitting van en schade aan de katalysator. Daarom de startmotor niet onnodig lang laten draaien, de tank niet leegrijden en de motor niet door duwen of slepen proberen te starten. Bij overslag, een onregelmatige motorloop, beperkingen van het motorvermogen of andere ongewone storingen, de oorzaak van de storing meteen door een werkplaats laten verhelpen. In noodgevallen kan er korte tijd met matige snelheid en laag motortoerental verder worden gereden.

152 Handgeschakelde versnellingsbak Om in achteruit te schakelen, drukt u het koppelingspedaal, daarna schakelt u in achteruit. Kan de versnelling niet worden ingeschakeld, dan koppeling in de neutrale stand laten opkomen, koppeling weer intrappen en nogmaals schakelen. Laat de koppeling niet onnodig slippen. Bij bediening het koppelingspedaal helemaal intrappen. Uw voet niet op het pedaal laten rusten. Voorzichtig Rijd bij voorkeur niet met de hand voortdurend op de selectorhendel. Rijden en bedienen 151 Remsysteem Het remsysteem bestaat uit twee onafhankelijke remcircuits. Bij een defect remcircuit kan de auto nog wel worden afgeremd met het andere remcircuit. De remmen werken echter alleen effectief als het rempedaal stevig wordt ingedrukt. Er is aanzienlijk meer kracht nodig. De remweg is langer. Alvorens de reis te vervolgen, de hulp van een werkplaats inroepen. Als de motor niet draait, is er geen ondersteuning van de rembekrachtiging als het rempedaal één of twee keer wordt ingetrapt. Het remeffect is niet minder, maar er is aanzienlijk meer kracht nodig om te remmen. Houd daar vooral rekening mee als de auto wordt gesleept. Controlelamp $. Waarschuwingslamp rem- en koppelingssysteem 0 71ii.

153 152 Rijden en bedienen Antiblokkeersysteem van de remmen (ABS) Het antiblokkeerremsysteem (ABS) voorkomt dat de wielen blokkeren. Zodra een wiel dreigt te blokkeren, regelt het ABS de remdruk af op het desbetreffende wiel. De auto blijft ook bij een noodstop bestuurbaar. De ABS-regeling is merkbaar door het tikken van het rempedaal en door regelgeluiden. Voor optimale remwerking het rempedaal tijdens het hele remproces volledig intrappen, ongeacht het tikken van het pedaal. De druk op het rempedaal niet verminderen. Voordat u wegrijdt, voert het systeem een zelftest uit die u misschien kunt horen. Controlelamp!. Waarschuwingslampje van het antiblokkeersysteem van de remmen (ABS) 0 71ii. Adaptief remlicht Bij volledig remmen knipperen alle drie de remlichten gedurende de ABS-regeling. Storing { Waarschuwing Bij een defect aan het ABS kunnen de wielen bij krachtig remmen de neiging hebben te blokkeren. De voordelen van het ABS vallen dan weg. De auto is bij een noodstop mogelijk niet meer bestuurbaar en kan uitbreken. Oorzaak van de storing onmiddellijk door een werkplaats laten verhelpen. Parkeerrem { Waarschuwing Handrem altijd zonder indrukken van de ontgrendelingsknop stevig aantrekken, op op- of aflopende hellingen altijd zo stevig mogelijk. Om de handrem los te zetten, de handremhendel iets optillen, de ontgrendelingsknop indrukken en de hendel helemaal omlaagzetten. (Vervolg)

154 Waarschuwing (Vervolg) Om minder kracht te hoeven uitoefenen bij het aantrekken van de handrem, tegelijkertijd het rempedaal intrappen. Zie Waarschuwingslamp rem- en koppelingssysteem 0 71ii. Remassistent Bij het snel en krachtig intrappen van het rempedaal wordt automatisch met de maximale remkracht (noodstop) geremd. De druk op het rempedaal niet verminderen, zolang er maximaal geremd moet worden. Bij het loslaten van het rempedaal wordt de remkracht automatisch verminderd. Hellingrem (HSA) Het systeem helpt onvoorziene beweging te voorkomen wanneer u vanop een helling vertrekt. Wanneer u de voetrem loslaat nadat u op een helling bent gestopt, blijft de rem nog gedurende 2 seconden ingeschakeld. Bij het optrekken van de auto werken de remmen automatisch niet meer. De hellingrem werkt niet tijdens een Autostop. Rijden en bedienen 153 Rijregelsystemen Traction Control-systeem (TCS) De Traction Control (TC) is een onderdeel van de elektronische stabiliteitsregeling. TC verhoogt zo nodig de stabiliteit, ongeacht het type wegdek of de grip van de banden, door te voorkomen dat de aangedreven wielen doorslaan. Zodra de aangedreven wielen beginnen door te slaan, wordt het motorvermogen verminderd en wordt het wiel met de meeste slip afzonderlijk afgeremd. Daardoor wordt de rijstabiliteit van de auto op een glad wegdek aanmerkelijk verbeterd. TC is bedrijfsklaar zodra de controlelamp G dooft. Wanneer TC actief ingrijpt, knippert G.

155 154 Rijden en bedienen { Waarschuwing Laat u door deze speciale veiligheidsfunctie niet verleiden tot een roekeloze rijstijl. Snelheid aan de staat van het wegdek aanpassen. Controlelamp G. Controlelampje elektronische stabiliteitsregeling (ESC) 0 72ii. Deactivering Het is mogelijk de TC uit te schakelen wanneer de aandrijfwielen moeten kunnen doorslaan: Druk kort op G. De controlelamp i brandt. U kunt TC weer activeren door nogmaals op G te drukken. De TC wordt ook opnieuw geactiveerd wanneer u het contact de volgende keer weer inschakelt. Storing Bij een storing in het systeem licht het controlelampje i ononderbroken op en verschijnt er een bericht of een waarschuwingscode op het Driver Information Center. Het systeem is buiten werking. Oorzaak van de storing onmiddellijk door een werkplaats laten verhelpen. Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) De elektronische stabiliteitsregeling (ESC) verbetert indien nodig de rijstabiliteit ongeacht de staat van het wegdek of de grip van de banden. Het voorkomt ook dat de aangedreven wielen doorslaan. Zodra de auto dreigt uit te breken (onderstuur/overstuur) wordt het motorvermogen verminderd en worden de wielen afzonderlijk afgeremd. Daardoor wordt de rijstabiliteit van de auto op een glad wegdek aanmerkelijk verbeterd. ESC is bedrijfsklaar zodra de controlelamp d dooft. Wanneer ESC actief ingrijpt, knippert d. { Waarschuwing Laat u door deze speciale veiligheidsfunctie niet verleiden tot een roekeloze rijstijl. Snelheid aan de staat van het wegdek aanpassen. Controlelamp G 0 Controlelampje elektronische stabiliteitsregeling (ESC) 0 72ii.

156 Deactivering Voor rijden met optimaal vermogen kan ESC worden uitgeschakeld: Houd d gedurende ca. 5 seconden ingedrukt. De controlelamp g brandt. U kunt de ESC weer activeren door nogmaals op d te drukken. Wanneer de TC voorheen was uitgeschakeld, worden zowel TC als ESC opnieuw geactiveerd. De ESC wordt ook opnieuw geactiveerd wanneer u het contact de volgende keer weer inschakelt. Storing Bij een storing in het systeem licht het controlelampje g ononderbroken op en verschijnt er een bericht of een waarschuwingscode op het Driver Information Center. Het systeem is buiten werking. Oorzaak van de storing onmiddellijk door een werkplaats laten verhelpen. Stadsmodus De stadsmodus is een functie voor meer stuurbekrachtiging bij lagere snelheden, zoals in stadsverkeer of bij het inparkeren. De stuurbekrachtiging wordt versterkt voor meer comfort. Rijden en bedienen 155 Activering Druk bij een draaiende motor op "CITY". Het systeem werkt vanuit stationair draaien tot 60 km/u en in de achteruitversnelling. Bij hogere snelheden schakelt het systeem over op de reguliere modus. Na het activeren ervan werkt de stadsmodus automatisch bij een snelheid van minder dan 60 km/u. Een brandende LED in de stadsmodus geeft aan dat het systeem actief is. Deactivering Druk op CITY: de led in de knop dooft uit.

157 156 Rijden en bedienen Elke keer bij het starten van de motor wordt de stadsmodus gedeactiveerd. Overbelasting Bij een zware belasting van het stuurhuis in de stadsmodus, bijv. bij langdurig inparkeren of bij druk stadsverkeer, wordt het systeem gedeactiveerd om oververhitting te voorkomen. Het stuurhuis werkt in de reguliere modus totdat de stadsmodus automatisch wordt geactiveerd. Storing In geval van een systeemstoring brandt m en ziet u een melding op het Driver Information Center. Boordinformatie 0 Voertuigberichten 0 80ii. Obstakeldetectiesystemen Parkeerhulp (Parkeerhulp achteraan) { Waarschuwing De bestuurder is geheel verantwoordelijk voor het inparkeren. Controleer bij het achteruitrijden en het gebruik van de parkeerhulp achter de zone rondom de auto.

158 Rijden en bedienen 157 De parkeerhulp achter vereenvoudigt het inparkeren door de afstand tussen de auto en eventuele obstakels achter te meten. Deze informeert en waarschuwt de bestuurder met geluidssignalen en een aanduiding op het display. Het systeem heeft drie ultrasone parkeersensoren in de achterbumper. Aanwijzing Accessoires e.d. die in het detectiegebied van de sensoren gemonteerd zijn, kunnen storingen in het systeem veroorzaken. Activering Wanneer u de achteruit inschakelt, wordt het systeem automatisch geactiveerd. De aanwezigheid van een obstakel wordt aangegeven door geluiden. De geluidssignalen volgen elkaar sneller op naarmate de auto het obstakel nadert. Bij een afstand van minder dan 40 cm klinkt er een continu geluidssignaal. { Waarschuwing Reflecterende oppervlakken van voorwerpen of kleding en externe geluidsbronnen kunnen er in bepaalde omstandigheden toe leiden dat het systeem een obstakel niet registreert. In het bijzonder moet gelet worden op lage obstakels die het onderste gedeelte van de bumper kunnen beschadigen. Deactivering Het systeem schakelt automatisch uit wanneer de achteruitversnelling wordt uitgeschakeld. Het is mogelijk dat het systeem een obstakel niet detecteert wanneer de auto sneller rijdt dan10 km/u. Storing Bij een systeemstoring gaat X branden. Mocht het systeem bovendien tijdelijk niet werken wegens sneeuw op de sensoren, gaat X branden. Voorzichtig Het systeem werkt eventueel minder goed wanneer de sensoren zijn bedekt, bijv. met ijs of sneeuw. Het parkeerhulpsysteem werkt bij een zware belading eventueel minder goed. Speciale situaties gelden bij het inparkeren van grotere voertuigen (bijv. terreinwagens, minivans, bestelbusjes, campers, aanhangwagens en vrachtwagens). De objectherkenning en de juiste afstandsindicatie in het bovenste deel van deze voertuigen kan niet worden gegarandeerd. Objecten met een erg klein reflectievlak, zoals smalle voorwerpen of zachte materialen, herkent het systeem mogelijkerwijs niet. De parkeerhulp detecteert geen objecten buiten het detectiebereik.

159 158 Rijden en bedienen { Waarschuwing Bestuurdersondersteuningssystemen Bestuurdersondersteuningssystemen zijn ontwikkeld om de bestuurder te ondersteunen en niet om zijn aandacht te vervangen. De bestuurder aanvaardt de volledige verantwoordelijkheid wanneer hij de auto bestuurt. Wanneer bestuurdersondersteuningssystemen worden gebruikt, altijd op de huidige verkeerssituatie letten. Cruise control De cruise control kan snelheden van ca. 25 tot 170 km/u opslaan en aanhouden. Bij het op- en afrijden van hellingen zijn afwijkingen van de opgeslagen snelheid mogelijk. Om veiligheidsredenen kan de cruise control pas worden ingeschakeld nadat het rempedaal eenmaal werd bediend. Activeren in de eerste versnelling is niet mogelijk. De cruise control niet inschakelen wanneer het aanhouden van een constante snelheid onverstandig is. Controlelamp 5 0 Controlelampen 0 64ii. Inschakelen Druk op 5; controlelamp 5 in de instrumentengroep brandt wit. Activering Accelereer tot de gewenste snelheid en draai het stelwiel naar SET/-, de huidige snelheid wordt opgeslagen en vastgehouden. De controlelamp 5 in de instrumentengroep brandt groen. U kunt het gaspedaal loslaten. Het is mogelijk te versnellen door gas te geven. Na het loslaten van het gaspedaal wordt opnieuw de opgeslagen snelheid aangehouden. De cruise control blijft ingeschakeld tijdens het schakelen.

160 Snelheid verhogen Houd, terwijl de cruisecontrol actief is, het stelwiel op RES/+ of draai het meermaals kort naar RES/+: de snelheid loopt continu of in kleine stappen op. U kunt ook tot de gewenste snelheid accelereren en deze opslaan door het stelwiel naar SET/- te draaien. Snelheid verlagen Houd, terwijl de cruisecontrol actief is, het stelwiel op RES/- of draai het meermaals kort naar RES/-: de snelheid loopt continu of in kleine stappen af. Deactivering Druk op *; controlelamp 5 in de instrumentengroep brandt wit. De cruise control is gedeactiveerd. De laatste gebruikte ingestelde snelheid wordt in het geheugen opgeslagen voor het later hervatten van de snelheid. Automatisch uitschakelen:. De rijsnelheid is lager dan ca. 25 km/u.. Het rempedaal wordt bediend.. Het koppelingspedaal wordt een aantal seconden ingedrukt.. De keuzehendel staat in neutraal.. Het motortoerental is in een zeer laag bereik.. Het Traction Control-systeem of elektronische stabiliteitsregeling is actief. Opgeslagen snelheid hervatten Draai het stelwiel naar RES/+ bij een snelheid boven 25 km/u. De opgeslagen snelheid wordt bereikt. Rijden en bedienen 159 Uitschakelen Druk op 5; controlelamp 5 in de instrumentengroep dooft. De opslagen snelheid wordt gewist. Als u op s drukt voor het activeren van de snelheidsbegrenzer of het uitschakelen van het contact, wordt ook de cruisecontrol uitgeschakeld en wordt de opgeslagen snelheid gewist. Snelheidsbegrenzer De snelheidsbegrenzer voorkomt dat de auto een vooraf ingestelde snelheidslimiet overschrijdt. De snelheidslimiet kan worden ingesteld op een snelheid hoger dan 30 km/u. De bestuurder kan alleen accelereren tot de vooraf ingestelde snelheid. Bij het afrijden van hellingen zijn afwijkingen van de snelheidslimiet mogelijk. Als het systeem geactiveerd is, wordt de ingestelde snelheidslimiet op het Driver Information Center (DIC) weergegeven.

161 160 Rijden en bedienen Activering Druk op s. Als de cruisecontrol eerder geactiveerd was, wordt deze uitgeschakeld als de snelheidsbegrenzer wordt geactiveerd en dooft controlelamp 5. Ingestelde snelheidslimiet Als de snelheidsbegrenzer geactiveerd is, houd u het stelwiel op RES/+ of draait u herhaaldelijk kort naar RES/+ tot de gewenste snelheidslimiet op het DIC wordt getoond. U kunt ook tot de gewenste snelheid accelereren en het stelwiel kort naar SET/- draaien: de huidige snelheid wordt opgeslagen als maximale snelheid. De snelheidslimiet wordt weergegeven op het DIC. Snelheidslimiet wijzigen Als de snelheidsbegrenzer geactiveerd is, het stelwiel naar RES/+ draaien om te verhogen of naar SET/- om de gewenste snelheidslimiet te verlagen. Snelheidslimiet overschrijden In noodgevallen is het mogelijk de snelheidslimiet te overschrijden door het gaspedaal stevig door de weerstand heen in te trappen. De snelheidslimiet knippert in het DIC en er klinkt tegelijkertijd een geluidssignaal. Gaspedaal loslaten en de functie snelheidsbegrenzing wordt na het bereiken van een lagere snelheid dan de snelheidslimiet opnieuw geactiveerd. Deactivering Druk op *: snelheidsbegrenzer is gedeactiveerd en de snelheid van de auto is niet meer begrensd. De snelheidslimiet wordt opgeslagen en verschijnt tussen haakjes op het DIC. Ook verschijnt er een bijbehorend bericht. Snelheidslimiet hervatten Draai het stelwiel naar RES/+. De opgeslagen snelheidslimiet wordt bereikt. Uitschakelen Druk op s, de weergegeven snelheidslimiet dooft op het DIC. De opslagen snelheid wordt gewist. Door cruisecontrol te activeren door op 5 te drukken, wordt de snelheidsbegrenzer ook gedeactiveerd en de opgeslagen snelheid gewist.

162 Door het contact uit te schakelen wordt de snelheidsbegrenzer ook gedeactiveerd maar de snelheidslimiet wordt opgeslagen voor de volgende activering van de snelheidsbegrenzer. Lane Departure Warning (LDW) Het Lane Departure Warning-systeem houdt via een frontcamera de belijning in het oog van de rijstrook waarop u rijdt. Het systeem herkent veranderingen van rijstrook en waarschuwt u met visuele en akoestische signalen wanneer u onbedoeld van rijstrook verandert. De criteria voor een onbedoelde verandering van rijstrook zijn:. geen gebruik van de richtingaanwijzers. geen gebruik van het rempedaal. geen gebruik van het gaspedaal of snelheidsverhoging. geen actieve stuurbeweging Wanneer de bestuurder actief is, waarschuwt het systeem niet. Activering U activeert het Lane Departure Warning System door te drukken. De brandende led in de knop geeft aan dat het systeem is ingeschakeld. Wanneer de in de instrumentengroep groen brandt, is het systeem klaar voor gebruik. Het systeem werkt alleen bij snelheden van meer dan 56 km/u en wanneer een wegbelijning aanwezig is. Rijden en bedienen 161 Wanneer het systeem een onbedoelde verandering van rijstrook herkent, dan wordt de geel en knippert deze. Tegelijkertijd hoort u een geluidssignaal. Deactivering U deactiveert het systeem in te drukken. De LED in de knop gaat dan uit. Bij snelheden van minder dan 56 km/u werkt het systeem niet. Storing Het Lane Departure Warning-systeem werkt mogelijkerwijs niet goed wanneer:. De voorruit is niet schoon.

163 162 Rijden en bedienen. De omgevingsomstandigheden ongunstig zijn, bijv. harde regen, sneeuw, direct zonlicht of schaduwen. Het systeem werkt niet als geen wegbelijning wordt gedetecteerd. Brandstof Brandstof (voor benzinemotoren) Gebruik alleen loodvrije brandstof die voldoet aan de Europese norm EN 228 of E DIN of gelijkwaardig. De motor kan draaien op brandstof die maximaal 10% ethanol bevat (bijv. E10). Gebruik brandstof met het aanbevolen octaangetal Motorgegevens 0 214ii. Voorzichtig Gebruik geen brandstof of brandstofadditieven die metalen bestanddelen bevatten, zoals additieven op mangaanbasis. Dat kan motorschade veroorzaken. Voorzichtig Gebruik van brandstof die niet voldoet aan EN 228 of E DIN of soortgelijk, kan leiden tot neerslag of motorschade en vervallen van de garantie. Voorzichtig Het gebruik van brandstof met een te laag octaangetal kan ongecontroleerde verbranding en daarmee motorschade tot gevolg hebben.

164 Rijden en bedienen 163 De tank vullen { Gevaar Brandstof is brandbaar en explosief. Niet roken. Geen open vuur of vonken. Wanneer u brandstof in uw auto kunt ruiken, dient u de oorzaak daarvan onmiddellijk door een werkplaats te laten verhelpen. { Gevaar Zet het contact af en schakel externe verwarmingen met verbrandingskamers uit alvorens te beginnen met tanken. Volg de bedienings- en veiligheidsinstructies van het tankstation tijdens het tanken. Voorzichtig Wanneer u foute brandstof hebt getankt, mag u het contact niet aanzetten. 1. Schakel de motor uit. 2. Trek de ontgrendelhendel van het tankdopklepje omhoog dat zich op de vloer, linksvoor naast de bestuurdersstoel bevindt. 3. Draai het de tankdop langzaam linksom. Wacht met het volledig losdraaien van de tankdop als er een sissend geluid hoorbaar is, totdat dit geluid verdwenen is. Het tankdopklepje bevindt zich op het zijpaneel rechtsachter.

165 164 Rijden en bedienen 4. Verwijder de dop. De dop zit met een kettinkje aan de auto. 5. Draai de dop na het tanken weer vast. Draai deze rechtsom vast totdat u een aantal klikken hoort. 6. Druk het tankdopklepje dicht totdat het vergrendelt. Aanwijzing Tik zachtjes op het tankdopklepje als het tankdopklepje bij temperaturen onder het vriespunt niet opengaat. Probeer vervolgens nogmaals het tankdopklepje te openen. Voorzichtig Neem overstromende brandstof onmiddellijk af. Brandstofverbruik - CO2-uitstoot Het brandstofverbruik (gecombineerd) van het model Opel Karl varieert tussen 4,5 en 4,3 l/100 km. De CO 2 emissie (gecombineerd) ligt tussen 104 tot 99 g/km. Raadpleeg voor de specifieke waarden van uw auto het bij de auto geleverde EC-keurmerk of andere bij de auto geleverde voertuigdocumenten. Algemene informatie De officiële waarden voor brandstofverbruik en de specifieke CO 2 emissie betreffen het EU-basismodel met standaarduitrusting. De meting van het brandstofverbruik en de CO 2 -emissie volgens R(EC) Nr. 715/2007 (geldende versie) gaat uit van het voertuiggewicht tijdens bedrijf, conform deze richtlijn. De cijfers worden alleen vermeld ter vergelijking tussen verschillende voertuigvarianten en moeten niet worden beschouwd als garantie voor het werkelijke brandstofverbruik van een specifiek voertuig. Accessoires leiden mogelijk tot een geringe verhoging ten opzichte van het brandstofverbruik en de CO 2 -emissie die zijn opgegeven. Bovendien is het brandstofverbruik afhankelijk van de persoonlijke rijstijl en van de weg- en verkeersomstandigheden.

166 Verzorging van de auto Algemene informatie Accessoires en modificaties van auto Voertuigopslag Hergebruik na einde van levensduur Voertuigcontroles Werkzaamheden uitvoeren Motorkap Motorolie Koelvloeistof Sproeiervloeistof Remsysteem Remvloeistof Accu Wisserblad vervangen Gloeilamp vervangen Gloeilamp vervangen Koplampen en parkeerlichten Mistlampen Richtingaanwijzers vooraan Achterlichten Richtingaanwijzers opzij Derde remlicht Kentekenplaatverlichting Binnenverlichting Instrumentenverlichting Elektrisch systeem Zekeringen Zekeringenkast in motorruimte Zekeringenkast instrumentenpaneel Boordgereedschap Gereedschap Wielen en banden Wielen en banden Winterbanden Aanduidingen op banden Bandenspanning Bandenspanningscontrolesysteem Profieldiepte Wieldoppen Sneeuwkettingen Bandenreparatieset Wiel verwisselen Compact reservewiel Starthulp gebruiken Starthulp gebruiken Verzorging van de auto 165 Auto slepen Auto slepen Verzorging van het uiterlijk Verzorging exterieur Verzorging interieur

167 166 Verzorging van de auto Algemene informatie Accessoires en modificaties van auto Het wordt geadviseerd alleen gebruik te maken van originele onderdelen, accessoires en andere uitdrukkelijk door de fabriek voor uw autotype goedgekeurde onderdelen. Voor andere onderdelen kunnen wij ook als deze door autoriteiten of anderszins zijn goedgekeurd niet beoordelen of deze betrouwbaar zijn en er evenmin garant voor staan. Geen aanpassingen in het elektrische systeem aanbrengen, zoals wijzigingen in de elektronische stuurapparaten (chip-tuning). Voorzichtig Wanneer het voertuig getransporteerd wordt op een trein of een takelwagen kunnen de spatlappen beschadigd worden. Voertuigopslag Langdurig stallen Wanneer u de auto meerdere maanden moet stallen:. Auto wassen en conserveren.. Conservering van motorruimte en bodemplaat laten controleren.. Afdichtrubbers reinigen en conserveren.. Brandstoftank volledig vullen.. Motorolie verversen.. Sproeiervloeistofreservoir leegmaken.. Vorst- en corrosiebestendigheid koelvloeistof controleren.. Bandenspanning instellen op de waarde voor volle belasting.. Auto in een droge en goed geventileerde ruimte parkeren. Eerste of achteruitversnelling inschakelen. Voorkomen dat auto kan wegrollen.. Handrem niet aantrekken.. Motorkap openen, alle portieren sluiten en auto vergrendelen.. Poolklem van de minpool van de accu loskoppelen. Erop letten dat geen van de systemen werkt, waaronder het diefstalalarmsysteem. Weer in gebruik nemen Wanneer u de auto weer in gebruik neemt:. Poolklem op de minpool van de accu aansluiten. Elektronica voor de elektrische ruitbediening inschakelen.. Bandenspanning controleren.. Sproeiervloeistofreservoir vullen.. Motoroliepeil controleren.. Controleer het koelvloeistofpeil.. Zo nodig kentekenplaat monteren. Hergebruik na einde van levensduur Informatie over de verwerkingscentra van sloopauto's en het recycleren van sloopauto's vindt u

168 op onze website. Laat dit werk uitsluitend over aan een erkend recyclagebedrijf. Auto's op gas moeten worden gerecycleerd door een speciaal daartoe bevoegd bedrijf. Voertuigcontroles Werkzaamheden uitvoeren Verzorging van de auto 167 { Gevaar Het ontstekingssysteem werkt met een extreem hoge spanning. Niet aanraken. Motorkap Openen { Waarschuwing Voer alleen controles in de motorruimte uit wanneer het contact uitgeschakeld is. De koelventilator kan zelfs bij uitgeschakeld contact inschakelen. Aan de ontgrendelingshendel trekken en in de uitgangspositie terugduwen.

169 168 Verzorging van de auto Druk tegen de veiligheidspal en open de motorkap. Als de motorkap wordt geopend tijdens een Autostop, wordt de motor om veiligheidsredenen automatisch herstart. Sluiten Steun vóór het sluiten van de motorkap stevig in de houder duwen. Laat de motorkap zakken en laat deze vanaf een lage hoogte (20-25 cm) in de grendelpal vallen. Controleer of de motorkap vergrendeld is. Voorzichtig Druk de motorkap niet in het slot om deuken te voorkomen. Controleer terwijl de auto op een vlakke ondergrond staat. De motor moet op bedrijfstemperatuur zijn en minstens 5 minuten uitgeschakeld zijn geweest. Trek de peilstok tevoorschijn, veeg deze schoon, steek deze weer tot aan de aanslag op de handgreep naar binnen en haal de peilstok eruit om het motoroliepeil af te lezen. Steek de peilstok tot aan de aanslag op de handgreep naar binnen en draai de stok een halve slag. Zet de motorkapsteun vast. Motorolie Controleer het oliepeil regelmatig met de hand om schade aan de motor te voorkomen. Gebruik olie met de juiste specificatie. Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen 0 Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen 0 207ii. Wanneer het motoroliepeil tot het merkje MIN is gedaald, dan motorolie bijvullen.

170 Verzorging van de auto 169 Wij raden u aan dezelfde soort olie te nemen als voor de laatste olieverversing is gebruikt. Het motoroliepeil mag niet hoger zijn dan het MAX merkteken op de peilstok. Voorzichtig Een teveel aan motorolie moet worden afgetapt of afgezogen. Inhouden 0 Inhouden 0 216ii. Dop recht terugplaatsen en vastdraaien. Koelvloeistof De koelvloeistof biedt vorstbescherming tot ca. 28 C. In noordelijke landen met erg lage temperaturen voorziet het koelmiddel af-fabriek in een bescherming tot ca. -37 C. Voorzichtig Gebruik uitsluitend goedgekeurde antivries. Koelvloeistofpeil Voorzichtig Een te laag koelvloeistofpeil kan motorschade veroorzaken. Bij een koud koelsysteem moet de koelvloeistof boven de vulstreep staan. { Waarschuwing Laat de motor afkoelen alvorens de dop te openen. Dop voorzichtig openen zodat de druk langzaam kan ontsnappen. Gebruik voor bijvullen een mengsel van een courante geconcentreerde koelvloeistof met schoon kraanwater; verhouding 1:1. Als er geen geconcentreerde koelvloeistof voorhanden is, gebruik dan schoon

171 170 Verzorging van de auto leidingwater. Dop goed vastdraaien. Koelvloeistofgehalte door een werkplaats laten controleren en oorzaak van het koelvloeistofverlies laten verhelpen. Sproeiervloeistof Vullen met schoon water gemengd met een geschikte hoeveelheid sproeiervloeistof die antivries bevat. Voorzichtig Alleen sproeiervloeistof met een voldoende concentratie antivries levert bescherming bij lage temperaturen of een plotselinge daling in temperatuur. Het gebruik van sproeiervloeistof dat isopropanol bevat, kan de buitenlampen beschadigen. Remsysteem Wanneer de remvoering een minimale dikte heeft, hoort u een piepend geluid wanneer u remt. Verder rijden is mogelijk maar laat de remblokken zo spoedig mogelijk vervangen. Na de montage van nieuwe remblokken de eerste paar ritten niet onnodig hard remmen. Remvloeistof { Waarschuwing Remvloeistof is giftig en corrosief. Contact met ogen, huid, textiel en lakwerk vermijden. De remvloeistof moet tussen de merktekens MIN en MAX staan. Raadpleeg een werkplaats als het vloeistofpeil lager dan het merkje MIN is. Rem- en koppelingsvloeistof. Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen 0 207ii.

172 Accu De accu van de auto is onderhoudsvrij als de accu tijdens de ritten voldoende wordt bijgeladen. Bij korte ritten en veelvuldig starten kan de accu ontladen raken. Vermijd het gebruik van onnodige elektrische verbruikers. Batterijen horen niet in het huisvuil thuis. Ze moeten via speciale inzamelpunten gerecycled worden. Wanneer de auto meer dan 4 weken achtereen stilstaat, kan de accu ontladen raken. Poolklem van de minpool van de accu loskoppelen. Accu van de auto alleen bij uitgeschakeld contact aansluiten en loskoppelen. Accu vervangen Aanwijzing Elke afwijking van de in deze paragraaf gegeven instructies kan leiden tot een tijdelijke uitschakeling van het stop-startsysteem. Let er bij het vervangen van de accu op dat er bij de pluspool geen luchtroosters open zijn. Als er in dit gebied een ventilatieopening open is, moet deze met een afdekkap worden afgesloten en moet de ventilatie bij de minpool worden geopend. Laat bij auto's met een AGM (Absorptive Glass Mat)-accu de accu door een andere AGM-accu vervangen. Wij bevelen het gebruik aan van een originele Opel accu. Aanwijzing Als u een andere AGM-accu gebruikt dan de originele Opel-accu is het mogelijk dat het Stop/Start-- systeem slechter presteert. Verzorging van de auto 171 Het wordt geadviseerd de accu door een werkplaats te laten vervangen. Stop/Start-systeem. Stop/Start-systeem 0 146ii. Accu opladen { Waarschuwing Bij auto's met een stop-startsysteem moet u ervoor zorgen dat het oplaadvermogen geen 14,6 volt overschrijdt wanneer u een accu-oplader gebruikt. Anders kan de accu beschadigd raken. Starthulp gebruiken 0 200ii.

173 172 Verzorging van de auto Waarschuwingslabel. Er kan explosief gas aanwezig zijn in de buurt van de accu. Wisserblad vervangen Wisserbladen op de voorruit Wisserblad achterruit Betekenis van de symbolen:. Geen vonken, open vuur en niet roken.. Bescherm de ogen altijd. Explosieve gassen kunnen aanleiding geven tot blindheid of letsel.. Houd de accu uit de buurt van kinderen.. De accu bevat zwavelzuur dat blindheid of ernstige brandwonden kan veroorzaken.. Zie de gebruikershandleiding voor meer informatie. Wisserarm optillen. Ontgrendelingshendeltje indrukken en wisserblad loshaken. Maak het ruitenwisserblad in een lichte hoek vast aan de ruitenwisserarm en druk het in tot het vastklikt. Laat de wisserarm voorzichtig zakken. Wisserarm optillen. Duw het wisserblad onder een kleine hoek ten opzichte van de wisserarm omlaag tot hij loskomt. Bevestig het wisserblad onder een kleine hoek ten opzichte van de wisserarm en duw tot hij vergrendelt. Laat de wisserarm voorzichtig zakken.

174 Gloeilamp vervangen Contact uitschakelen en desbetreffende schakelaar uitschakelen of portieren sluiten. Nieuwe gloeilamp alleen aan fitting vastpakken! Het glas van de gloeilamp niet met blote handen aanraken. Bij vervangen altijd hetzelfde type gloeilamp gebruiken. Vervang de gloeilampen van de koplampen vanuit de motorruimte. Lampcontrole Schakel het contact in na het vervangen van een lamp en bedien en controleer de lichten. Koplampen en parkeerlichten Grootlicht en dimlicht 1. Draai aan de linkerkant van de auto aan de vulpijp uit het voorruitsproeiervloeistofreservoir en trek deze eruit. Verzorging van de auto Verwijder de afdekking van de zekeringhouder (alleen aan de LINKERkant van de auto).

175 174 Verzorging van de auto 3. Druk beide clips bij elkaar en trek de stekker uit de gloeilamp. 5. Druk de veerklem in, maak hem los. 7. Bij het aanbrengen van de nieuwe gloeilamp de lipjes in de uitsparingen van het reflectorhuis steken. 8. Draadveerklem vastklikken. 9. Koplampafdekking aanbrengen en vastdraaien. 10. Zorg dat de beschermkap goed geplaatst is om binnendringende water en veel condensvorming te voorkomen. Parkeerlicht/Dagrijlichten 4. Koplampafdekking verwijderen. 6. Gloeilamp uit reflectorhuis verwijderen. 1. Verwijder de afdekking van de zekeringhouder (alleen aan de LINKERkant van de auto).

176 Verzorging van de auto Lamphouder linksom eruit draaien. Mistlampen 3. Haal de lamp uit de lamphouder en vervang deze. 4. Draai de lamphouder rechtsom in de reflector vast. 1. Kantel het wiel en verwijder 2 drukmoeren op de buitenkant van het binnenscherm. 2. Ontkoppel de stekker van de lamphouder. 3. Draai de gloeilamp linksom en trek deze recht uit de lamp. 4. Breng een nieuwe gloeilamp recht in de lamp aan en draai deze rechtsom. 5. Sluit de stekker weer aan.

177 176 Verzorging van de auto Richtingaanwijzers vooraan Achterlichten Achterlichten, richtingaanwijzers, remlichten en achteruitrijlichten 1. Lamphouder linksom eruit draaien. 2. Draai de lamp linksom uit de lamphouder. 3. Vervang de lamp. 4. Draai de lamphouder rechtsom in de reflector vast. 1. Beide boutjes losdraaien. 2. Achterlicht-unit verwijderen. De kabelgeleider moet op zijn plaats blijven zitten.

178 3. Achterlicht/remlicht (1) Richtingaanwijzerlamp (2) Extra achterlicht (3) Achteruitrijlicht (passagagierskant)/ mistlamp achteraan (bestuurderskant) (4). 4. Lamphouder linksom draaien. Verzorging van de auto Lamphouder verwijderen. Gloeilamp iets in lamphouder duwen, linksom draaien, verwijderen en nieuwe gloeilamp plaatsen. 6. Lamphouder in de achterlicht-- unit steken en vastschroeven. Stekker aansluiten. Achterlicht-unit in carrosserie aanbrengen en boutjes vastdraaien. Afdekkingen sluiten en vastklikken. 7. Contact inschakelen, verlichting activeren en controleren of alle lampen werken.

179 178 Verzorging van de auto Richtingaanwijzers opzij Demonteer voor het vervangen van de gloeilamp de lampbehuizing: 4. Breng de lamphouder aan en draai deze rechtsom. 5. Steek de voorkant in het spatbord voor, schuif naar voren en steek de achterkant erin. Derde remlicht 2. Draai de lamphouder linksom uit de behuizing. 1. Schuif de lamp naar voren en verwijder ze met de achterkant uit het spatbord voor. LED's door een werkplaats laten vervangen. 3. Trek de lamp uit de lamphouder en vervang deze.

180 Kentekenplaatverlichting 1. Beide boutjes losdraaien. 2. Lamphuis naar beneden toe verwijderen, hierbij niet aan de kabel trekken. Lamphouder linksom losdraaien. 3. Gloeilamp uit lamphouder nemen en nieuwe gloeilamp plaatsen. 4. Lamphouder in lamphuis plaatsen en rechtsom draaien. 5. Lamphouder aanbrengen en met een schroevendraaier vastdraaien. Binnenverlichting Instapverlichting 1. Wrik de kant tegenover de lichtschakelaar met een platte schroevendraaier los om deze te verwijderen (maak geen krassen). 2. Verwijder de gloeilamp. 3. Vervang de gloeilamp. 4. Plaats de lampeenheid terug. Bagageruimteverlichting 1. Lampelement met schroevendraaier loswerken. Verzorging van de auto Lamp verwijderen. 3. Nieuwe gloeilamp plaatsen. 4. Lampelement aanbrengen. Instrumentenverlichting Gloeilampen door een werkplaats laten vervangen.

181 180 Verzorging van de auto Elektrisch systeem Zekeringen Controleren of het opschrift op de vervangende zekering overeenkomt met dat op de defecte zekering. Er zitten drie zekeringenkasten in de auto:. Linksvoor in de motorruimte. Bij auto's met het stuur links, in het interieur achter het opbergvak, of bij auto's met het stuur rechts, achter het handschoenenkastje. Achter een deksel aan de linkerkant van de bagageruimte Alvorens een zekering te vervangen, de desbetreffende schakelaar en het contact uitschakelen. Een defecte zekering is te herkennen aan de doorgebrande smeltdraad. Zekering pas vervangen wanneer de oorzaak van de storing verholpen is. Sommige functies worden door meerdere zekeringen beveiligd. Er kunnen zekeringen aanwezig zijn die geen functie hebben. Zekeringtrekker In de zekeringenkast in de motorruimte zit mogelijk een zekeringtrekker.

182 Verzorging van de auto 181 Zekeringenkast in motorruimte Zekeringtrekker van boven af of van opzij op zekering steken en zekering lostrekken. De zekeringenkast zit linksvoor in de motorruimte. Maak het deksel los, til het op en verwijder het. Klik na het vervangen van doorgebrande zekeringen het deksel van het zekeringenkastje weer vast. Wanneer u de klep van de zekeringhouder niet goed sluit, kunnen er storingen optreden. Nr. Stroomkring 1 Vergrendeling achterklep 2 -

183 182 Verzorging van de auto 3 Achterruitverwarming 4 Verwarming buitenspiegel 5 Zonnedak 6 Regelmodule continu variabele transmissie 7 Luchtmassasensor 8 Pomp hulpverwarming 9 Klep ABS-systeem 10 Regeling voor spanningsregulatie 11 Achteruitkijkcamera Motorregelmodule/transmissieregelmodule 15 Regelmodule brandstofinspuiting/startmotor 16 Brandstofpompmotor 17 Motorregelmodule1 18 Motorregelmodule2 19 Verstuiver, ontsteking 20 Airconditioning 21 Intelligente accusensor 22 Elektrisch stuurslot 23 Koelventilator laag Schakelaar buitenspiegel 26 Motorregelmodule/ regelmodule automatische transmissie 27 Magneetklep koolstofreservoir 28 Rempedaalschakelaar 29 Extra inzittendensensor 30 Motor koplampafstelling 31 Claxon 32 Mistlamp voor 33 Grootlicht links 34 Grootlicht rechts Motor achterruitwisser 37 Bochtverlichting links 38 Motor sproeierpomp 39 Bochtverlichting rechts Startmotor 2 43 Elektrisch centrum met bussen in het paneel 44 Geautomatiseerde versnellingsbak 45 Startmotor 1 46 Pomp ABS-systeem 47 Koelventilator hoog 48 Motor voorruitwisser 49 Accessoire elektrisch centrum met bussen in het paneel/rap-vermogen

184 Zekeringenkast instrumentenpaneel Bij auto's met het stuurwiel links zit het zekeringenkastje achter het opbergvak in het instrumentenbord. Open het opbergvak, druk de borglippen in, klap het opbergvak omlaag en verwijder het. Nr. Stroomkring 1 Onstar 2 HVAC-module Verzorging van de auto Instrumentengroep 4 Regelmodule continu variabele transmissie 5 Radio 6 Carrosserieregelmodule 1 (CVT Stop & Start) 7 Dodehoekalarm zijkant/ parkeerhulp achteraan 8 Datalinkverbinding 9 Elektrisch stuurslot 10 Detectie- en diagnosemodule 11 Omvormer gelijkstroom-gelijkstroom Elektronisch tolheffingssysteem 14 Lineaire stroommodule 15 Passieve toegang en passieve start 16 Discrete logische contactschakelaar (geen CVT stop&start) 17 Vermijden frontale botsing

185 184 Verzorging van de auto 18 Instrumentengroep 19 Display waarschuwing reflecterende led 20 Schakelaar koplampafstelling 21 Elektrisch bediende ruit voor 22 Elektrisch bediende ruit achter Geautomatiseerde schakeltransmissiemodule 25 Extra stopcontact 26 Zonnedak Carrosserieregelmodule 8 29 Carrosserieregelmodule 7 30 Carrosserieregelmodule 6 31 Carrosserieregelmodule 5 32 Carrosserieregelmodule 4 33 Carrosserieregelmodule 3 34 Carrosserieregelmodule 2 (Geen CVT Stop & Start) 35 Carrosserieregelmodule 1 (Geen CVT Stop & Start) 36 Discrete logische contactschakelaar (CVT stop&start) 37 Achtergrondverlichting stuurbedieningsknoppen Logistiek/omvormer gelijkstroom-gelijkstroom 40 Elektrische bestuurdersruit, snelle regeling 41 Aanjagermotor 42 Voorstoelverwarming 43 HVAC-module 44 Verwarmd stuurwiel 45 Carrosserieregelmodule 2 (CVT Stop & Start) Boordgereedschap Gereedschap Auto's met bandenreparatieset Het boordgereedschap zit samen met de bandenreparatieset onder de vloerafdekking in de bagageruimte.

186 Auto's met reservewiel De krik en het boordgereedschap liggen in de bagageruimte. Zie Wiel verwisselen 0 196ii. Zie Compact reservewiel 0 199ii. Wielen en banden Toestand van banden en wielen Zo langzaam mogelijk en onder een rechte hoek over obstakels. Als u over scherpe randen rijdt, kunnen de banden en wielen schade oplopen. Klem de banden tijdens het parkeren niet tegen de stoeprand. De wielen regelmatig op beschadiging controleren. Bij beschadigingen of abnormale slijtage de hulp van een werkplaats inroepen. Wij raden aan de voorwielen niet om te wisselen met de achterwielen en vice versa, om de rijstabiliteit te behouden. Gebruik altijd de minst versleten banden op de achteras. Winterbanden Winterbanden maken het rijden veiliger bij temperaturen onder 7 C en moeten daarom op alle wielen worden aangebracht. Verzorging van de auto 185 Volgens landspecifieke voorschriften moet de snelheidssticker in het gezichtsveld van de bestuurder worden aangebracht. Aanduidingen op banden Bijv. 195/65 R H 195: bandbreedte, mm 65: verhouding dwarsdoorsnede (bandhoogte t.o.v. bandbreedte), % R: gordeltype: Radiaal RF: type: RunFlat 15: velgdiameter in inches 91: kengetal voor draagvermogen, 91 komt bijv. overeen met 615 kg H: snelheidscodeletter Kenletter voor snelheid: Q: tot 160 km/u S: tot 180 km/h T: tot 190 km/u H: tot 210 km/u V: tot 240 km/u W: tot 270 km/u

187 186 Verzorging van de auto Richtingsgebonden banden Richtingsgebonden banden moeten zo worden geïnstalleerd dat ze in de juiste richting draaien. De juiste draairichting is herkenbaar aan een symbool (bijv. een pijl) op de zijwand van de band. Bandenspanning Controleer de spanning van koude banden minstens om de 14 dagen en vóór een lange reis. Het reservewiel niet vergeten. Dit geldt ook voor auto's met een bandenspanningscontrolesysteem. Draai het ventieldopje los. Bandenspanning 0 217ii. De bandenspanningsinformatiesticker in de linker portieropening vermeldt de originele banden en de bijbehorende bandenspanning. Pomp de reserveband altijd op tot de spanning opgegeven voor maximale belading. De ECO-bandenspanning heeft het laagst mogelijk brandstofverbruik als doel. Onjuiste bandenspanning schaadt de veiligheid, het besturen van de auto, het comfort en brandstofverbruik en veroorzaakt meer slijtage van de banden. De bandenspanningswaarden verschillen afhankelijk van de diverse opties. Volg de procedure hieronder voor de juiste bandenspanningswaarde: 1. Bepaal de code van de motor-id Motorgegevens 0 214ii. 2. Bepaal de betreffende band. De bandenspanningswaardetabellen vermelden alle mogelijke bandencombinaties Bandenspanning 0 217ii. Raadpleeg de bij uw auto geleverde EU-conformiteitsverklaring of andere landelijke registratiedocumenten voor de banden die voor uw auto zijn goedgekeurd. De bestuurder is verantwoordelijk voor het juist instellen van de bandenspanning.

188 { Waarschuwing Als de spanning te laag is, kunnen de banden behoorlijk warm worden en inwendig schade oplopen, wat loslaten van het loopvlak en zelfs een klapband bij hoge snelheid tot gevolg heeft. Als u de bandenspanning van een auto met bandenspanningscontrolesysteem moet verhogen of verlagen, moet u het contact uitzetten. Zet na het aanpassen van de bandenspanning het contact aan en selecteer de betreffende instelling op de pagina Bandenbelasting in het Driver Information Centre, Driver Information Center (DIC) 0 75ii. Afhankelijkheid van temperatuur De bandenspanning is afhankelijk van de temperatuur van de band. Onderweg lopen de temperatuur en de spanning van de band op. De bandenspanningswaarden zoals vermeld op het etiket met informatie over de banden en het bandenspanningsoverzicht gelden voor koude banden, d.w.z. bij 20 C. Bij een temperatuurstijging van 10 C loopt de spanning op met bijna 10 kpa. Neem dit in acht wanneer u warme banden controleert. De bandenspanningswaarde op het Driver Information Center geeft de werkelijke bandenspanning aan. Een afgekoelde band geeft een afgenomen waarde weer. Dit duidt niet op een lekkage. Bandenspanningscontrolesysteem Het bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) controleert eenmaal per minuut de bandenspanning van de vier banden vanaf een bepaalde snelheid. Verzorging van de auto 187 Voorzichtig Het bandenspanningscontrolesysteem waarschuwt alleen bij een te lage bandenspanning en vervangt het gewone onderhoud van de banden door de bestuurder niet. Alle wielen moeten druksensoren hebben en de banden moeten de voorgeschreven bandenspanning hebben. Aanwijzing In landen waar het bandenspanningscontrolesysteem wettelijk vereist is, wordt de typegoedkeuring van de auto bij het gebruik van wielen zonder druksensoren ongeldig. U kunt de actuele bandenspanningswaarden bekijken in het Boordinformatiemenu op het Driver Information Center (DIC). U selecteert het menu met de knoppen op de richtingaanwijzerhendel.

189 188 Verzorging van de auto Druk op de toets MENU om het Boordinformatiemenu g te selecteren. Draai aan het afstelwiel om het bandenspanningscontrolesysteem te selecteren. De systeemstatus en bandenspanningswaarschuwingen worden getoond in een bericht waarbij de desbetreffende band knippert op het DIC. Voor de waarschuwingen houdt het systeem rekening met de temperatuur van de banden. Afhankelijkheid van temperatuur. Bandenspanning 0 186ii. Als een te lage bandenspanning wordt gedetecteerd gaat het controlelampje 7 branden. Verlichting bandenspanningscontrolesysteem 0 72ii. Als 7 oplicht, stop dan zo snel mogelijk en breng de banden op de aanbevolen spanningswaarden. Bandenspanning 0 217ii. Als seconden knippert en daarna continu wordt verlicht, is er een fout in het systeem. De hulp van een werkplaats inroepen. Na het op spanning brengen moet u wellicht een stukje rijden om de bandenspanningswaarden op het DIC bij te werken. Hierbij kan 7 oplichten. Als 7 bij lagere temperaturen oplicht en na een stukje rijden dooft, kan dit duiden op een te lage bandenspanning. Bandenspanning controleren. Boordinformatie 0 80ii.

190 Schakel het contact uit wanneer de bandenspanning verhoogd of verlaagd moet worden. Monteer alleen wielen met druksensoren, anders wordt de bandenspanning niet weergegeven en brandt 7 voortdurend. Een tijdelijk reservewiel is niet uitgerust met spanningssensoren. Het bandenspanningscontrolesysteem werkt niet op deze wielen. De controlelamp 7 brandt. Voor de overige drie wielen blijft het systeem werken. Gebruik van in de handel verkrijgbare vloeibare bandenreparatiesets kan de werking van het systeem nadelig beïnvloeden. Gebruik door de fabriek goedgekeurde reparatiesets. Werkende elektronische apparatuur of de nabijheid van installaties die op dezelfde frequenties werken kunnen het bandenspanningscontrolesysteem verstoren. Bij het verwisselen van de banden moeten de sensoren van het bandenspanningscontrolesysteem steeds worden gedemonteerd en onderhouden. Voor de geschroefde sensor: Vervang het bandventiel en de afdichtring. Voor de ingeklikte sensor: Vervang de volledige klepsteel. Status belading van auto Pas de bandenspanning volgens de informatie op het etiket van de band of in de tabel bandenspanningswaarden Bandenspanning 0 217ii aan op de belading van de auto en selecteer de betreffende instelling in het menu Bandenbelasting op het Driver Information Center, Boordinformatiemenu. Driver Information Center (DIC) 0 75ii. Deze instelling is de referentie voor de bandenspanningswaarschuwingen. Het menu Bandenbelasting verschijnt alleen als de auto stilstaat en de handrem is aangetrokken. Verzorging van de auto 189 Selecteer:. Lo voor een comfortabele spanning tot 3 inzittenden.. Eco voor Eco-spanning tot 3 inzittenden.. HI voor volledige belading Afstemmingsproces TPMS-sensor Elke TPMS-sensor heeft een unieke identificatiecode. De identificatiecode moet aan de positie van een nieuwe band/nieuw wiel worden gekoppeld nadat de banden zijn geroteerd of alle wielen zijn verwisseld en als één of meer

191 190 Verzorging van de auto TPMS-sensor is vervangen. Het TPMS-afstemmingsproces moet ook worden uitgevoerd als een reserveband is vervangen door een rijband met TPMS-sensor. Bij de volgende contactcyclus moeten de storingslamp en het waarschuwingsbericht doven/ verdwijnen. De sensoren worden met een TPMS-inleergereedschap in de volgende volgorde aan de diverse banden/wielen gekoppeld: Band linksvoor, band rechtsvoor, band rechtsachter, band linksachter. De richtingaanwijzer in de huidige actieve stand wordt verlicht totdat de sensor is gekoppeld. Raadpleeg uw werkplaats voor onderhoud of voor het aanschaffen van een inleergereedschap. Het kost twee minuten om de eerste band/ wiel-positie af te stemmen en in totaal vijf minuten om de alle vier band/wiel-posities af te stemmen. Duurt het langer, dan wordt het afstemproces gestopt en moet het opnieuw worden gestart. Het TPMS-sensorafstemmingsproces is: 1. Trek de handrem aan. 2. Schakel het contact in. 3. Zet de keuzehendel in neutraal. 4. Gebruik MENU op de hendel van de richtingaanwijzer om het Boordinformatiemenu in het Driver Information Center te selecteren. 5. Draai het afstelwiel om naar het bandenspanningsmenu te schuiven. 6. Druk op SET/CLR om de sensorafstemming te starten. Er moet een bericht verschijnen met de vraag de procedure te bevestigen. 7. Druk nogmaals op SET/CLR om uw keuze te bevestigen. De claxon piept twee keer om aan te geven dat de ontvanger in de inleermodus staat. 8. Begin met de band linksvoor. 9. Plaats de programmeertool naast de bandwang, bij het ventiel. Druk vervolgens op de knop om de TPMS-sensor te activeren. Een kort signaal van de claxon bevestigt dat de sensoridentificatiecode op deze band en wielpositie is afgestemd. 10. Ga verder met de band rechtsvoor en herhaal de procedure zoals beschreven in stap Ga verder met de band rechtsachter en herhaal de procedure zoals beschreven in stap Ga verder met de achterband links en herhaal de procedure zoals beschreven in stap 9. De claxon piept twee keer ter aanduiding dat de sensoridentificatiecode aan de achterband links is gekoppeld en dat de procedure voor het koppelen van de sensoren van het TPMS afgesloten is. 13. Schakel het contact uit. 14. Breng de vier banden op de aanbevolen bandenspanning zoals aangegeven op het label bandenspanningswaarden.

192 15. Zorg dat de bandenlaadstatus volgens de geselecteerde spanning ingesteld is. Driver Information Center (DIC) 0 75ii. Profieldiepte Regelmatig de profieldiepte controleren. Banden moeten bij een profieldiepte van 2-3 mm (4 mm voor winterbanden) om veiligheidsredenen worden vervangen. Omwille van de veiligheid wordt het aanbevolen dat de profieldiepte van de banden op dezelfde as onderling niet meer dan 2 mm verschilt. De wettelijk toegestane minimumprofieldiepte (1,6 mm) is bereikt wanneer het profiel tot aan één van de slijtage-indicatoren (TWI = Tread Wear Indicator) is afgesleten. De positie van de slijtage-indicatoren wordt aangeduid door merktekens op de zijwand van de band. Banden verouderen, ook als ze niet gebruikt worden. Wij raden aan om banden om de 6 jaar te vervangen. De banden- en velgmaten veranderen Bij het gebruik van banden met een andere maat dan af-fabriek gemonteerd, moeten mogelijk de Verzorging van de auto 191 snelheidsmeter en de voorgeschreven bandenspanning worden geherprogrammeerd en moeten er eventueel andere aanpassingen aan de auto worden verricht Na montage van banden met een andere bandenmaat moet u het etiket met de bandenspanning laten vervangen. { Waarschuwing Het gebruik van ongeschikte banden of velgen kan tot ongelukken leiden en maakt de typegoedkeuring van het voertuig ongeldig. Wieldoppen Er moeten wieldoppen en banden worden gebruikt die door de fabriek zijn goedgekeurd voor de betreffende auto en aan alle desbetreffende eisen voor wiel-bandcombinaties voldoen.

193 192 Verzorging van de auto Als de gebruikte wieldoppen en banden niet door de fabriek zijn goedgekeurd, moeten de banden een stevige velgbeschermingsrand hebben. Wieldoppen mogen de koeling van de remmen niet belemmeren. { Waarschuwing Gebruik van ongeschikte banden of wieldoppen kan plotseling spanningsverlies en als gevolg daarvan ongelukken tot gevolg hebben. Sneeuwkettingen Sneeuwkettingen zijn alleen toegestaan op de voorwielen. Gebruik altijd kettingen met fijne schakels waardoor het loopvlak en de binnenkanten (inclusief kettingslot) met niet meer dan 10 mm toenemen. { Waarschuwing Beschadiging kan een klapband tot gevolg hebben. Sneeuwkettingen zijn alleen toegestaan op bandenmaat 165/65 R14. Sneeuwkettingen zijn niet toegestaan op bandenmaat 185/55 R15 en 195/45 R16. Sneeuwkettingen mogen niet op het compact reservewiel worden gebruikt. Bandenreparatieset Lichte beschadigingen van de bandloopvlakken kunnen met de bandenreparatieset worden gerepareerd. Verwijder vreemde voorwerpen niet uit de banden. Beschadigingen die groter zijn dan 4 mm of die dicht bij de velg in de zijkant van de band zitten, kunnen niet met de bandenreparatieset worden verholpen. { Waarschuwing Rijd niet sneller dan 80 km/h. Niet langdurig gebruiken. Bestuurbaarheid en rijeigenschappen worden mogelijk nadelig beïnvloed.

194 Verzorging van de auto 193 Bij bandenpech: Trek de handrem aan. Schakel bij een handgeschakelde versnellingsbak in de eerste versnelling of de achteruitversnelling. 3. Verwijder de aansluitkabel (1) en de luchtslang (2) uit de opbergvakken aan de onderkant van de compressor. 2. Verwijder de compressor en de fles afdichtmiddel. De bandenreparatieset zit in de gereedschapskist onder de vloerafdekplaat in de bagageruimte. 1. Open de opbergruimte. 4. De schakelaar van de compressor moet op 9 staan. 5. Schroef de compressorluchtslang op de koppeling van de fles afdichtmiddel. 6. Steek de compressorstekker in de accessoireaansluiting (12 V-aansluiting of aanstekercontact.)

195 194 Verzorging van de auto Om te voorkomen dat de accu leegraakt, is het raadzaam de motor te laten draaien. 7. Zet de fles afdichtmiddel in de houder op de compressor. Plaats de compressor dicht bij de band, zodanig dat de fles afdichtmiddel rechtop staat. 8. Schroef de ventieldop van defecte band los. 9. Schroef de vulslang op het ventiel. 10. Zet de tuimelschakelaar van de compressor op I. De band wordt nu met afdichtmiddel gevuld. 11. De manometer van de compressor geeft even max. 6 bar aan wanneer de fles afdichtmiddel wordt geleegd (ca. 30 seconden). Daarna begint de druk te dalen. 12. Alle afdichtmiddel wordt in de band gepompt. Daarna wordt de band opgepompt. 13. De voorgeschreven bandenspanning (ongeveer 2,4 bar) moet binnen 10 minuten worden bereikt. Schakel de compressor uit wanneer de juiste bandenspanning is bereikt. Wordt de voorgeschreven bandenspanning niet binnen 10 minuten bereikt, moet u de bandenreparatieset verwijderen. Verplaats de auto één wielomwenteling. Sluit de bandenreparatieset weer aan en zet het vulproces 10 minuten lang verder. Wordt de voorgeschreven banden-

196 spanning nog niet bereikt, dan is de band te ernstig beschadigd. Roep de hulp in van een werkplaats. Laat eventueel de te hoge bandenspanning af via de knop boven op de manometer. De compressor niet langer dan 10 minuten achtereen laten werken. 14. Maak de bandenreparatieset los. Borglipje op houder indrukken om fles met afdichtmiddel uit houder te verwijderen. Bandenvulslang op vrije aansluiting van fles met afdichtmiddel schroeven. Hierdoor wordt voorkomen dat er afdichtmiddel uit de fles stroomt. Berg de bandenreparatieset op in de achterklep. 15. Eventueel vrijgekomen afdichtmiddel met een doek verwijderen. 16. Breng het op de fles met afdichtmiddel aanwezige etiket met de maximaal toelaatbare snelheid (ongeveer 80 km/h) in het gezichtsveld van de bestuurder. 17. Zet de rit onmiddellijk voort, zodat het afdichtmiddel zich gelijkmatig in de band kan verspreiden. Stop na zo'n 10 km rijden (met een maximale rijduur van 10 minuten) om de bandenspanning te controleren. Schroef hiervoor de luchtslang van de compressor rechtstreeks op bandventiel en compressor. Verzorging van de auto 195 Bij een bandenspanning van meer dan 1,3 bar moet u de bandenspanning op de voorgeschreven waarde (ongeveer 2,4 bar) brengen. Procedure herhalen totdat de bandenspanning niet meer afneemt. Bij een bandenspanning van minder dan 1,3 bar mag u de auto niet meer gebruiken. Roep de hulp in van een werkplaats. 18. Berg de bandenreparatieset op in de achterklep. Aanwijzing Het rijgedrag van de gerepareerde band is sterk verslechterd, laat deze band daarom vervangen. Als er een ongewoon geluid klinkt of de compressor warm wordt, de compressor gedurende minstens 30 minuten uitschakelen. Let op de vervaldatum van de set. Na deze datum is niet meer gegarandeerd dat het middel nog goed afdicht. Let op de informatie m.b.t. opslag op de fles afdichtmiddel.

197 196 Verzorging van de auto Gebruikte fles met afdichtmiddel vervangen. Voer de fles conform de geldende wetgeving af. De compressor en het afdichtmiddel kunnen worden gebruikt vanaf ongeveer -30 C ~ 70 C (-22 ~ 158 F). Wiel verwisselen Sommige auto's hebben een bandenreparatieset in plaats van een reservewiel. De onderstaande voorbereidingen treffen en de instructies opvolgen:. Auto op een vlakke, stevige en slipvrije ondergrond parkeren. Voorwielen in de rechtuitstand draaien.. Trek de handrem aan. Schakel bij een handgeschakelde versnellingsbak in de eerste versnelling of de achteruitversnelling.. Verwijder het reservewiel. Zie "Tijdelijk reservewiel" onder Compact reservewiel 0 199ii.. Nooit meerdere wielen tegelijkertijd vervangen.. Gebruik de krik alleen om een wiel te wisselen bij bandenpech en niet voor het verwisselen van winter- of zomerbanden. De krik is onderhoudsvrij.. Bij een zachte ondergrond, een stevige plank (max. 1 cm (0,4 inches) dik) onder de krik leggen. Haal vóór het opkrikken van de auto altijd eventuele zware objecten eruit.. In de op te krikken auto mogen zich geen personen of dieren bevinden.. Nooit onder een opgekrikte auto kruipen.. Opgekrikte auto niet starten.. Maak de wielmoeren en de schroefdraad schoon alvorens het wiel te monteren. Vet de wielbout, de wielmoer en de conus van de wielmoer niet in. Wiel verwisselen De onderstaande voorbereidingen treffen en de instructies opvolgen:. Auto op een vlakke, stevige en slipvrije ondergrond parkeren. Voorwielen in de rechtuitstand draaien.. Handrem aantrekken, eerste versnelling, achteruitversnelling of P inschakelen.. Nooit meerdere wielen tegelijkertijd vervangen.. Gebruik de krik alleen om een wiel te wisselen bij bandenpech en niet voor het verwisselen van winter- of zomerbanden.. De krik is onderhoudsvrij.. Bij een zachte ondergrond, een stevige en maximaal 1 cm dikke massieve plank onder de krik leggen.. Haal vóór het opkrikken van de auto altijd eventuele zware objecten eruit.. In de op te krikken auto mogen zich geen personen of dieren bevinden.

198 . Nooit onder een opgekrikte auto kruipen.. Opgekrikte auto niet starten.. Reinig de wielmoeren en schroefdraad met een schone doek voordat u het wiel monteert. { Waarschuwing Vet de wielbout, de wielmoer en de conus van de wielmoer niet in. Lichtmetalen velgen met wieldop: Steek de trekker in de open sleuf van de wieldop en trek de dop van de velg af. Boordgereedschap 0 Gereedschap 0 184ii. Verzorging van de auto 197 voordat u de wielsleutel erop zet. De adapter ligt in het handschoenenkastje. 1. Stalen velgen: Wieldop verwijderen. Lichtmetalen velgen met boutkappen: Wielboutdoppen met een schroevendraaier losklikken en verwijderen. Ter bescherming een zachte doek tussen de schroevendraaier en de lichtmetalen velg aanbrengen. 2. Plaats de wielsleutel stevig op de wielbouten en draai elke bout een halve slag los. De wielen kunnen met wielborgbouten beschermd zijn. Zet voor het losdraaien van deze specifieke bouten eerst de adapter voor de wielborgbouten op de boutkop 3. Zorg ervoor dat de krik op de juiste manier onder het dichtstbijzijnde kriksteunpunt staat.

199 198 Verzorging van de auto 4. Zet de krik op de vereiste hoogte. Zet deze zodanig onder het hefpunt dat deze niet kan losschieten. Zwengel bevestigen en met de krik recht onder het kriksteunpunt aan de zwengel draaien totdat het wiel van de grond komt. 5. Wielbouten losdraaien. 6. Wiel verwisselen. 7. Draai de wielmoeren erop. 8. Auto laten zakken. 9. zorg dat ze goed vastzitten en haal elke bout kruiselings aan. Het aanhaalmoment bedraagt 140 Nm. 10. Lijn de wieldop van de stalen velg vóór het aanbrengen zo dat de ventielopening over het bandventiel valt. Monteer de wielboutkappen of de wieldop op de lichtmetalen velg. 11. Afdekking kriksteunpunt terugplaatsen. 12. Breng het verwisselde wiel, het boordgereedschap en de adapter voor de wielborgbouten op en zet deze vast. 13. Controleer zo snel mogelijk de bandenspanning van het gemonteerde wiel en het aanhaalkoppel van de wielbouten. Laat de defecte band zo spoedig mogelijk vernieuwen of repareren. Hefpunt voor hefbrug De positie van de achterste arm van het hefplatform centraal onder de uitsparing van de dorpel.

200 Positie van de voorste arm van de hefbrug tegen de onderzijde van de auto. Compact reservewiel Sommige auto's hebben in plaats van een reservewiel een bandenreparatieset. Bij het aanbrengen van een reservewiel met een andere maat dan de andere wielen kan het wiel worden beschouwd als een tijdelijk reservewiel en gelden de betreffende maximumsnelheden, zelfs als dit niet door een label wordt aangegeven. Raadpleeg een werkplaats voor informatie over de geldende maximumsnelheid. Het reservewiel heeft een stalen velg. Voorzichtig Is het gemonteerde reservewiel kleiner dan de andere wielen of wordt het gebruikt in combinatie met winterbanden, dan kunnen de rijeigenschappen negatief worden beïnvloed. Defecte band zo spoedig mogelijk laten vervangen. Verzorging van de auto 199 Het reservewiel ligt in de bagageruimte onder de vloerafdekplaat. Het wordt in de kuip vastgezet met een vleugelbout. De kuip van het reservewiel is niet ontworpen voor alle toegestane bandenmaten. Wilt u een verwisseld wiel met een bredere band in de reservewielkuip leggen, dan kunt u de vloerafdekplaat op het uitstekende wiel laten rusten. Compact reservewiel Bij gebruik van het compact reservewiel kunnen de rijeigenschappen negatief worden beïnvloed. Laat de defecte band zo spoedig mogelijk vernieuwen of repareren. Slechts één compact reservewiel monteren. Niet sneller rijden dan 80 km/h. In bochten langzaam rijden. Niet langdurig gebruiken. Verwisseld wiel met een band in de bagageruimte opbergen Gebruik de band uit het boordgereedschap. Boordgereedschap 0 Gereedschap 0 184ii.

201 200 Verzorging van de auto 1. Verwijder de bagageruimte-afdekking en til de vloer van de bagageruimte op. Plaats de gereedschapskist en het beschadigde wiel rechtop in de ruimte voor de gereedschapskist. 2. Trek de ontgrendelknop op de hoofdsteun van de achterbank naar voor. 3. Plaats het lusuiteinde van de band van de gereedschapskist door de achterbankvergrendeling. 4. Steek het haakuiteinde van de band door de lus en trek tot de band stevig aan de achterbankvergrendeling bevestigd is. 5. Trek de rugleuningen van de achterbank achteruit. 6. Monteer de haak op de achterklepvergrendeling. 7. Trek de band strak en zet hem vast met behulp van de gesp. Starthulp gebruiken Niet starten met behulp van een snellader. Bij een ontladen accu kan de motor worden gestart met hulpstartkabels en de accu van een andere auto. { Waarschuwing Ga bij het werken met hulpstartkabels uiterst behoedzaam te werk. Elke afwijking van de onderstaande instructies kan letsel of schade als gevolg van het exploderen van de accu's en schade aan de elektrische systemen van beide auto's tot gevolg hebben. Contact met ogen, huid, textiel en lakwerk vermijden. De vloeistof bevat zwavelzuur, dat bij direct contact persoonlijk letsel en schade aan de auto kan veroorzaken.. De accu nooit aan vonken of open vuur blootstellen.

202 . Een lege accu kan al bij een temperatuur van 0 C bevriezen. Ontdooi de bevroren accu voordat u de startkabels aansluit.. Bij werkzaamheden aan de accu oogbescherming en beschermende kleding dragen.. Hulpstartacu met dezelfde spanning (12 V) gebruiken. De capaciteit van de hulpstartacu (Ah) mag niet veel minder zijn dan die van de lege accu.. Gebruik startkabels met geïsoleerde aansluitklemmen en een diameter van minstens 16 mm² (25 mm² voor diesel).. De ontladen accu niet van het boordnet loskoppelen.. Alle onnodige stroomverbruikers uitschakelen.. Tijdens de hulpstart niet over de accu leunen.. De aansluitklemmen van de ene kabel mogen die van de andere niet raken.. Ook de auto's mogen elkaar tijdens de hulpstart niet raken.. Handrem aantrekken, handgeschakelde versnellingsbak in neutrale stand, automatische versnellingsbak in stand P.. Open de pluspoolbeschermkappen van beide accu's. Aansluitvolgorde van de kabels: 1. Rode kabel op de pluspool van de hulpstartaccu aansluiten. 2. Het andere uiteinde van de rode kabel op de pluspool van de ontladen accu aansluiten. Verzorging van de auto Zwarte kabel op de minpool van de hulpstartaccu aansluiten. 4. Het andere uiteinde van de zwarte kabel op de massa van de auto aansluiten, bijv. op het motorblok of op een bout van de motorophanging. Zover mogelijk van de ontladen accu aansluiten; minimaal 60 cm (24 inch). De kabels zo leggen dat ze niet door de draaiende delen in de motorruimte geraakt kunnen worden. Om de motor te starten: 1. De motor van het stroom leverende voertuig starten. 2. Na 5 minuten de andere motor starten. Startpogingen niet langer dan 15 seconden laten duren met tussenpozen van 1 minuut. 3. Beide motoren met aangesloten kabels ca. 3 minuten stationair laten draaien.

203 202 Verzorging van de auto 4. Elektrische verbruikers (bijv. koplampen, achterruitverwarming) van de stroom ontvangende auto inschakelen. 5. Bovenstaande procedure bij het verwijderen van de kabels in de omgekeerde volgorde volgen. Auto slepen Wanneer een sleepservice niet beschikbaar bij een noodgeval, mag uw auto tijdelijk worden gesleept met een kabel die bevestigd is aan het noodsleepoog. Afdekking losmaken door de afdekking met een schroevendraaier te verwijderen. Het sleepoog bevindt zich bij het boordgereedschap. Zie Gereedschap 0 184ii. Sleepoog inschroeven en tot aan de aanslag in horizontale stand (moet moer van sleepoog raken) vastdraaien. Sleepkabel, of beter nog een sleepstang, aan het sleepoog bevestigen. Het sleepoog mag alleen worden gebruikt om te slepen en niet om het voertuig te bergen. Contact inschakelen om het stuurslot te ontgrendelen en remlichten, claxon en voorruitenwissers te kunnen bedienen. Zet de versnelling in de neutraalstand.

204 Voorzichtig Langzaam wegrijden. Schokkende bewegingen vermijden. Buitensporige trekkrachten kunnen de auto beschadigen. Als de motor niet loopt, vergen het remmen en sturen aanzienlijk meer inspanning. Schakel de luchtrecirculatie in en sluit de ramen om te voorkomen dat uitlaatgassen van het bergingsvoertuig binnendringen. De auto moet met de neus vooruit worden gesleept, niet sneller dan 88 km/u. In alle andere gevallen en wanneer de versnellingsbak defect is, moet de vooras worden opgetild. Roep de hulp in van een werkplaats. Schroef bij aankomst het sleepoog los. Afdekking insteken en afdekking sluiten. Verzorging van het uiterlijk Verzorging exterieur Sloten De sloten zijn af fabriek gesmeerd met een hoogwaardig slotcilindervet. Ontdooimiddelen alleen in dringende gevallen gebruiken, omdat ze ontvettend werken en de werking van de sloten belemmeren. Na gebruik van ontdooimiddelen, de sloten door een werkplaats opnieuw laten smeren. Wassen Het lakwerk van de auto staat bloot aan invloeden van buitenaf. De auto daarom regelmatig wassen en met was conserveren. Bij het bezoek aan de carwash, een programma met een wasbehandeling selecteren. Vogeluitwerpselen, dode insecten, boomhars en stuifmeel e.d. onmiddellijk verwijderen. Hierin zitten agressieve bestanddelen bevatten die lakschade kunnen veroorzaken. Verzorging van de auto 203 Bij een bezoek aan een wasstraat, de aanwijzingen van de exploitant opvolgen. Voorruitwissers en achterruitwisser uitschakelen. Auto vergrendelen zodat de tankvulklep niet kan worden geopend. Antenne en accessoires op de buitenkant van de auto zoals een dakdragersysteem verwijderen. Bij handmatig wassen erop letten dat ook de binnenkant van de wielkasten grondig schoongespoten wordt. Randen en naden van geopende portieren, achterklep en motorkap en de gebieden die erdoor bedekt worden reinigen. Reinig glanzende metalen lijsten het een reinigingsoplossing die voor aluminium geschikt is, om schade te voorkomen. Voorzichtig Gebruik altijd een reinigingsmiddel met een ph-waarde van 4 tot 9. (Vervolg)

205 204 Verzorging van de auto Voorzichtig (Vervolg) Gebruik reinigingsmiddelen niet op warme oppervlakken. Laat de scharnieren van alle portieren smeren door een werkplaats. Reinig de motorruimte niet met een stoomcleaner of hogedrukreiniger. Daarna de auto grondig afspoelen en afzemen. Zeemlap vaak uitspoelen. Gebruik verschillende zeemvellen voor gelakte en glazen oppervlakken: Wasresten op de ruiten belemmeren het zicht. Teervlekken niet met harde voorwerpen verwijderen. Op gelakte oppervlakken een spray voor het verwijderen van teervlekken gebruiken. Rijverlichting De afdekkingen van de koplampen en de andere verlichting zijn gemaakt van kunststof. Geen schurende, bijtende of agressieve middelen of ijskrabbers gebruiken en ze niet droog reinigen. Gebruik van cleaner en was De auto regelmatig met was conserveren (uiterlijk wanneer het water geen parels meer vormt). Zo niet, droogt de lak uit. Polijsten is alleen nodig als de laklaag mat geworden is of aanslag vertoont. Autopolish met siliconen vormt een vuilwerende laag, waardoor in de was zetten overbodig is. Kunststof carrosseriedelen mogen niet met autowas of polijstmiddelen worden behandeld. Ruiten en ruitenwisserbladen Een zachte, pluisvrije doek of een zeemleer en een ruitenreiniger en insectenverwijderaar gebruiken. Bij het reinigen van de achterruit de verwarmingsdraden aan de binnenkant niet beschadigen. Om handmatig ijs te verwijderen, een ijskrabber met een scherpe rand gebruiken. IJskrabber stevig tegen de ruit drukken, zodat er geen vuil onder de krabber kan komen en er geen krassen op de ruit worden gemaakt. Wisserbladen die strepen trekken, met een zachte doek en een ruitenreiniger reinigen. Zonnedak Reinig nooit met oplos- of schuurmiddelen, brandstoffen, agressieve middelen (bijv. lakreinigers, acetonhoudende oplossingen enz.), zuurhoudende of sterk alkalische middelen of schuursponzen. Geen was of polijstmiddelen op het zonnedak aanbrengen. Wielen en banden Niet schoonmaken met hogedrukreinigers. Velgen met een ph-neutrale velgenreiniger reinigen. Velgen zijn gelakt en kunnen met dezelfde middelen worden behandeld als de carrosserie.

206 Lakschade Geringe lakschade voordat er roestvorming optreedt met een lakstift herstellen. Grotere lakschade of roestvorming door een werkplaats laten herstellen. Onderstel Sommige delen van de bodemplaat zijn voorzien van een beschermende pvc-laag, terwijl er op andere delen een duurzame beschermende waslaag is aangebracht. De bodemplaat na het schoonspuiten controleren en zo nodig een nieuwe waslaag laten aanbrengen. Bitumineuze/rubber materialen kunnen de pvc-laag aantasten. Werkzaamheden aan de bodemplaat door een werkplaats laten uitvoeren. De bodemplaat vóór en ná de winter schoonspuiten en daarna de beschermende waslaag laten controleren. Verzorging interieur Interieur en bekleding Interieur van de auto inclusief instrumentenpaneel en bekleding alleen met een droge doek of interieurreiniger schoonmaken. Reinig de lederen bekleding met zuiver water en een zachte doek. Gebruik een reinigingsmiddel voor leder als de bekleding erg vuil is. Reinig de instrumentengroep en displays uitsluitend met een zachte, bevochtigde doek. Gebruik indien nodig een milde zeepoplossing. Stoffen bekleding met een stofzuiger en een borstel reinigen. Vlekken met een bekledingreiniger verwijderen. Het weefsel van de stof is wellicht niet kleurvast. Dit kan zichtbare verkleuringen veroorzaken, met name bij lichtgekleurde bekleding. Reinig verwijderbare vlekken en verkleuringen zo spoedig mogelijk. Veiligheidsgordels met lauw water of een interieurreiniger schoonmaken. Verzorging van de auto 205 Voorzichtig Sluit klittenbandsluitingen omdat geopende klittenbandsluitingen bij kleding de stoelbekleding kan beschadigen. Hetzelfde geldt voor kledingstukken met scherpe voorwerpen zoals ritssluitingen, riemen of spijkerbroeken met metalen accenten. Kunststof en rubber onderdelen Kunststof en rubberen onderdelen mogen met dezelfde middelen worden gereinigd als de carrosserie. Zo nodig een interieurreiniger gebruiken. Geen andere middelen gebruiken. Vooral geen oplosmiddelen of brandstof. Niet schoonmaken met hogedrukreinigers.

207 206 Service en onderhoud Service en onderhoud Algemene informatie Service-informatie Aanbevolen vloeistoffen, smeermiddelen en onderdelen Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen Algemene informatie Service-informatie Het is voor de bedrijfs- en verkeersveiligheid en voor het behoud van de waarde van uw auto belangrijk dat alle servicewerkzaamheden met de voorgeschreven intervallen worden uitgevoerd. Het uitgebreide bijgewerkte serviceschema voor uw auto is beschikbaar in de werkplaats. Service-display 0 68ii. Europese service-intervallen Uw auto moet elke km of na 1 jaar - wat het eerst voorkomt - onderhouden worden, tenzij anders vermeld op het service-display Bij een zwaardere belasting, bijv. bij taxi's en politievoertuigen, geldt wellicht een korter onderhoudsinterval. De Europese service-intervallen gelden voor de volgende landen: Andorra, België, Bosnië- Herzegovina, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Groenland, Groot-Brittannië, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Kroatië, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Macedonië, Malta, Monaco, Montenegro, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, San Marino, Servië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechische Republiek, Zweden, Zwitserland. Service-display 0 68ii. Internationale service-intervallen Uw auto moet elke km of na 1 jaar - wat het eerst voorkomt - onderhouden worden, tenzij anders vermeld op het service-display De internationale service-intervallen zijn geldig in de landen die niet tot de groep behoren waarvoor de Europese service-intervallen werden opgesteld. Service-display 0 68ii.

208 Registraties Servicebevestigingen worden geregistreerd in het onderhoudsboekje. De datum en kilometerstand worden ingevuld en vergezeld van de stempel en handtekening van de onderhoudsgarage. Zorg ervoor dat het onderhoudsboekje correct is ingevuld, aangezien een doorlopend bewijs van service uiterst belangrijk is in geval van garantie- of goodwillclaims. Dit vormt bovendien een voordeel bij verkoop van de auto. Service-interval met resterende levensduur van motorolie Het service-interval is gebaseerd op diverse parameters afhankelijk van het gebruik. Het service-display meldt wanneer de motorolie moet worden ververst. Service-display 0 68ii. Aanbevolen vloeistoffen, smeermiddelen en onderdelen Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen Gebruik alleen producten die voldoen aan de aanbevolen specificaties. Schade als gevolg van het gebruik van producten die niet voldoen aan deze specificaties, wordt niet gedekt door de garantie. { Waarschuwing Bedrijfsvloeistoffen zijn gevaarlijk en mogelijk giftig. Voorzichtig hanteren. Informatie op de verpakking in acht nemen. Service en onderhoud 207 Motorolie Motorolie wordt onderscheiden naar de kwaliteit en viscositeit. Bij het kiezen van de juiste motorolie is kwaliteit belangrijker dan viscositeit. De oliekwaliteit zorgt bijvoorbeeld voor een schone motor, bescherming tegen slijtage en een maximale levensduur van de olie, terwijl de viscositeitsindex informatie geeft over de dikte van de olie binnen een bepaald temperatuurbereik. Dexos is de nieuwste motoroliekwaliteit die optimale bescherming biedt voor benzine- en dieselmotoren. Als deze niet voorhanden is moet motorolie van een andere gerenommeerde kwaliteit worden gebruikt. Aanbevelingen voor benzinemotoren zijn ook geldig voor motoren met de brandstoffen Compressed Natural Gas (CNG), Liquified Petroleum Gas (LPG) en Ethanol (E85). Kies de juiste motorolie op basis van zijn kwaliteit en de minimale omgevingstemperatuur 0 Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen 0 207ii. Motorolie bijvullen Motoroliesoorten van verschillende fabrikanten en merken kunnen worden gemengd zolang ze voldoen aan de vereiste motoroliekwaliteit en -viscositeit.

209 208 Service en onderhoud Gebruik van motorolie van niet meer dan ACEA A1/B1- of A5/B5-kwaliteit is verboden, aangezien dit op de lange termijn motorschade kan veroorzaken onder bepaalde gebruiksomstandigheden. Kies de juiste motorolie op basis van zijn kwaliteit en de minimale omgevingstemperatuur 0 Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen 0 207ii. Extra motorolieadditieven Het gebruik van extra motorolieadditieven kan schade tot gevolg hebben en de garantie ongeldig maken. Motorolieviscositeiten De SAE-viscositeitswaarde geeft informatie over de dikte van de olie. Multigrade-olie wordt aangeduid door twee cijfers, bv. SAE 5W-30. Het eerste cijfer, gevolgd door een W, duidt de lage temperatuurviscositeit aan en het tweede cijfer de hoge temperatuurviscositeit. Selecteer de betreffende viscositeitsindex afhankelijk van de minimumomgevingstemperatuur 0 Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen 0 207ii. Alle aanbevolen viscositeitswaarden zijn geschikt voor hoge omgevingstemperaturen. Koelvloeistof en antivries Gebruik uitsluitend Long Life koelvloeistof/antivries (LLC) op basis van organisch zuur, die voor de auto is goedgekeurd. De hulp van een werkplaats inroepen. Het systeem is af fabriek afgevuld met koelvloeistof voor optimale corrosiebescherming en vorstbescherming tot een temperatuur van ca. 36 C. In noordelijke landen met extreem lage temperaturen biedt de af fabriek bijgevulde koelvloeistof vorstbescherming tot ca. 50 C. Deze concentratie dient het gehele jaar in stand te worden gehouden. Het gebruik van extra koelvloeistofadditieven die corrosiewering bieden of geringe lekken dichten, kan prestatieproblemen veroorzaken. Aansprakelijkheid voor schade als gevolg van het gebruik van extra koelvloeistofadditieven wordt afgewezen. Rem- en koppelingsvloeistof Remvloeistof absorbeert na verloop van tijd vocht waardoor de remmen minder efficiënt werken. De remvloeistof moet daarom na het aangegeven interval worden ververst.

210 Service en onderhoud 209 Europees serviceschema Vereiste motoroliekwaliteit Alle Europese landen met Europees onderhoudsinterval Motoroliekwaliteit Benzinemotoren (inclusief CNG, LPG, E85) dexos 1 dexos 2 V Wanneer er geen dexos-kwaliteit beschikbaar is, kunt u één keer tussen olieverversingen max. 1 liter motorolie van de kwaliteit ACEA C3 bijvullen.

211 210 Service en onderhoud Motorolieviscositeiten Alle Europese landen met Europees onderhoudsinterval Omgevingstemperatuur Benzine tot -25 C: SAE 5W-30 of SAE 5W-40 onder -25 C: SAE 0W-30 of SAE 0W-40 Internationaal serviceschema Vereiste motoroliekwaliteit Alle landen met internationaal onderhoudsinterval Motoroliekwaliteit Benzinemotoren (inclusief CNG, LPG, E85) dexos 1 V dexos 2 V Wanneer er geen dexos-kwaliteit beschikbaar is, kunt u de onderstaande oliekwaliteiten gebruiken: Alle landen met internationaal onderhoudsinterval Motoroliekwaliteit Benzinemotoren (inclusief CNG, LPG, E85) GM-LL-A-025 V GM-LL-B ACEA A3/B3 V

212 Service en onderhoud 211 ACEA A3/B4 ACEA-C3 API SM API SN Resource Conserving Alle landen met internationaal onderhoudsinterval V V V V Motorolieviscositeiten Alle landen met internationaal onderhoudsinterval Omgevingstemperatuur Benzine tot -25 C: SAE 5W-30 of SAE 5W-40 onder -25 C: SAE 0W-30 of SAE 0W-40 tot -20 C: SAE 10W-30 1) of SAE 10W-40 1) 1) Toegestaan, maar het gebruik van SAE 5W-30 of SAE 5W-40 met dexos-kwaliteit is aanbevolen.

213 212 Technische gegevens Technische gegevens Voertuigidentificatie Voertuigidentificatienummer (VIN) Motoridentificatie Identificatielabel Voertuiggegevens Motorgegevens Prestaties Voertuiggewicht Afmetingen auto Hoeveelheden en specificaties Bandenspanning Voertuigidentificatie Voertuigidentificatienummer (VIN) Het voertuigidentificatienummer vindt u in de motorruimte. Het voertuigidentificatienummer kan ook in reliëf op het instrumentenpaneel zijn aangebracht, zichtbaar door de voorruit. Motoridentificatie De tabellen met technische gegevens bevatten de code van de motor-id. Motorgegevens 0 Motorgegevens 0 214ii. Voor het bepalen van de betreffende motor kunt u de EEG-conformiteitsverklaring die bij uw auto is geleverd, of andere landelijke registratiedocumenten raadplegen.

214 Identificatielabel Het identificatieplaatje bevindt zich op het frame van het portier links. Gegevens op het typeplaatje: 1: Fabrikant 2: Typegoedkeuringsnummer 3: Voertuigidentificatienummer 4: Maximaal toelaatbaar totaalgewicht in kg 5: Maximaal toelaatbaar treingewicht in kg 6: Maximale toelaatbare belading van de vooras in kg 7: Maximale toelaatbare belading van de achteras in kg De som van de voor- en achterasbelasting mag niet groter zijn dan het maximale totaalgewicht van de auto. Indien bijv. de vooras maximaal wordt belast, mag de achteras slechts met een gewicht worden belast dat gelijk is aan het maximaal toelaatbare totaalgewicht verminderd met de voorasbelasting. Deze technische gegevens zijn samengesteld volgens EU-normen. Wijzigingen voorbehouden. Technische gegevens 213 Specificaties in de voertuigdocumenten prevaleren altijd boven die in deze handleiding.

215 214 Technische gegevens Voertuiggegevens Motorgegevens Verkoopaanduiding 1,0 Motoraanduiding L5Q Aantal cilinders 3 Cilinderinhouden [cm³] 999 Motorvermogen [kw] bij omw/min. 55 Koppel [Nm] bij omw/min. 95 Octaangetal RON aanbevolen 95 mogelijk 98 mogelijk 91 Type brandstof Benzine Prestaties Motor 1,0 Topsnelheid [km/h] ([mph]) Handgeschakelde versnellingsbak 170 km/u Automatische versnellingsbak -

216 Technische gegevens 215 Voertuiggewicht Leeggewicht, basisuitvoering zonder enige opties Motor 4-zitter 5-zitter Zonder/met airco (kg) L5Q 938/ /945 Extra uitrusting en accessoires verhogen het leeggewicht. Aanwijzingen voor het beladen van de auto. Afmetingen auto Lengte [mm] 3675 Breedte zonder buitenspiegels [mm] 1595 Breedte met twee buitenspiegels [mm] 1876 Hoogte (zonder antenne) [mm] zonder dakdrager 1485 Lengte vloer bagageruimte [mm] 486 Lengte van bagageruimte met neergeklapte achterbank [mm] 1109 Breedte bagageruimte [mm] 978 Hoogte bagageruimte [mm] 522 Hoogte bagageklepopening [mm] 608

217 216 Technische gegevens Wielbasis [mm] 2385 Diameter draaicirkel [m] 9,6(14"), 10,4(15") Hoeveelheden en specificaties Motorolie 1,0 inclusief filter [l] 4.5L tussen MIN en MAX [l] 1 Brandstoftank benzine, nominale inhoud [l] 32

218 Bandenspanning Type Comfort Voor[kPa/bar] ([psi]) ECO Technische gegevens 217 Achter[kPa] Volle belasting Comfort ECO Volle belasting 165/65R14 220/2,2 (32) 270/2,7 (39) 260/2,6 (38) 210/2,1 (30) 250/2,5 (36) 300/3,0 (43) 185/55R15 220/2,2 (32) 270/2,7 (39) 260/2,6 (38) 210/2,1 (30) 250/2,5 (36) 300/3,0 (43) 195/45R16 220/2,2 (32) 270/2,7 (39) 260/2,6 (38) 210/2,1 (30) 250/2,5 (36) 300/3,0 (43) T105/70D14 (reserve) 420/4,2 (60)

219 218 Informatie voor de klant Informatie voor de klant Informatie voor de klant Conformiteitsverklaring Registratie van voertuigdata en privacy Event Data Recorders (EDR) Radiofrequentie-identificatie (RFID) Informatie voor de klant Conformiteitsverklaring Radiozendsystemen Dit voertuig is uitgerust met systemen voor het zenden en/of ontvangen van radiogolven overeenkomstig Richtlijn 1999/5/EC. Deze systemen voldoen aan de essentiële vereisten en andere relevante bepalingen in de Richtlijn 1999/5/EC. Kopieën van de originele Verklaringen van Conformiteit zijn te verkrijgen op onze website. Krik Vertaling van oorspronkelijke verklaring van conformiteit Verklaring van Conformiteit overeenkomstig EC-richtlijn 2006/42/EC Hierbij verklaren wij dat het product: Productaanduiding: Krik Type/GM-onderdeelnummer: is in overeenstemming met de bepalingen in Richtlijn 2006/42/EC. Toegepaste technische normen: GMN9737: krikken GMW14337: standaarduitrusting krik - materiaaltests GMN5127: voertuigintegriteit - opkrikken en hijsen in werkplaats GMW15005: standaarduitrusting krik en reservewiel, voertuigtest ISO TS 16949: kwaliteitscontrolesystemen Ondergetekende is bevoegd tot het samenstellen van de technische documentatie. Rüsselsheim, 31 januari 2014 was getekend Hans-Peter Metzger Engineering Group Manager Chassis & Structure Adam Opel AG D Rüsselsheim

220 Informatie voor de klant 219 Schadeherstel Dikte van laklaag Door productietoleranties kan de laklaag tussen 50 en 400 μm dik zijn. Daarom is een laklaag met een andere dikte geen aanleiding voor schadeherstel. Verklaring van erkentelijkheid voor software Bepaalde OnStar-componenten bevatten libcurl- en unzip-software en andere software van derden. Hieronder volgen de kennisgevingen en licenties in verband met libcurl en unzip. Raadpleeg voor andere externe software opensource/index. libcurl Kennisgeving inzake auteursrecht en toestemming Copyright (c) , Daniel Stenberg, Alle rechten voorbehouden. Hierbij wordt toestemming verleend om deze software voor enig doel, al dan niet tegen een vergoeding, te gebruiken, te wijzigen en te distribueren, op voorwaarde dat bovenstaande vermelding van het auteursrecht in alle exemplaren is opgenomen. De software wordt geleverd "as is", zonder enigerlei garantie, expliciet of stilzwijgend, met inbegrip van maar niet beperkt tot de garanties ten aanzien van verhandelbaarheid, geschiktheid voor een bepaald doel en schending. Onder geen enkele omstandigheid zijn de auteurs of auteursrechtgerechtigden aansprakelijk voor schadevergoeding of hebben zij enige andere aansprakelijkheid, ongeacht of een vordering is gebaseerd op een overeenkomst, onrechtmatige daad of anderszins, als gevolg van of in verband met de software of het gebruik of andere omgang met de software. Behalve zoals vastgesteld in deze voorwaarden zal de naam van een auteursrechthebbende niet in advertenties of op andere manieren worden gebruikt om de verkoop, het gebruik of andere handelingen in deze Software te bevorderen, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de copyrighthouder. unzip Dit is versie 2005-Feb-10 van de Info-ZIP copyright- en licentievoorwaarden. De definitieve versie van dit document treft u voor onbepaalde tijd aan op ftp://ftp.infozip.org/pub/infozip/license.html Copyright (c) Info-ZIP. Alle rechten voorbehouden. Voor de toepassing van deze copyright- en licentievoorwaarden wordt "Info-ZIP" gedefinieerd als de volgende groep individuen: Mark Adler, John Bush, Karl Davis, Harald Denker, Jean-Michel Dubois, Jean-loup Gailly, Hunter Goatley, Ed Gordon, Ian Gorman, Chris Herborth, Dirk Haase, Greg Hartwig, Robert Heath, Jonathan Hudson, Paul Kienitz, David Kirschbaum, Johnny Lee, Onno van der Linden, Igor Mandrichenko, Steve P. Miller, Sergio Monesi, Keith Owens,

221 220 Informatie voor de klant George Petrov, Greg Roelofs, Kai Uwe Rommel, Steve Salisbury, Dave Smith, Steven M. Schweda, Christian Spieler, Cosmin Truta, Antoine Verheijen, Paul von Behren, Rich Wales, Mike White. Deze software wordt "as is" verstrekt, zonder enige vorm van garantie, uitdrukkelijk of impliciet. Info-ZIP en zijn medewerkers zullen in geen geval aansprakelijk worden gesteld voor enige directe, indirecte, incidentele of speciale schade of gevolgschade, voortkomend uit het gebruik van deze software of het niet in staat zijn om deze software te gebruiken. Aan iedereen wordt toestemming verleend om deze software voor enig doel te gebruiken, inclusief commerciële toepassingen, en om het te wijzigen en gratis te distribueren, behoudens de volgende beperkingen: 1. Bij verspreiding van de broncode moeten bovenstaande copyrightverklaring, definitie, disclaimer en deze lijst met voorwaarden steeds worden opgenomen. 2. Bij herdistributie in binaire vorm (gecompileerde uitvoerbare bestanden) moet de bovenstaande copyrightverklaring, definitie, disclaimer en deze lijst met voorwaarden worden opgenomen in de documentatie en/of in andere materialen die worden meegeleverd. De enige uitzondering op deze voorwaarde is herdistributie van een standaard binair bestand UnZipSFX (inclusief SFXWiz), als onderdeel van een zelfuitpakkend archiefbestand; dit is toegestaan zonder opname van deze licentie, op voorwaarde dat de normale SFX-banner niet uit het binaire bestand is verwijderd of dat deze uitgeschakeld. 3. Gewijzigde versies, met inbegrip van maar niet beperkt tot poorten naar nieuwe besturingssystemen, bestaande poorten met nieuwe grafische interfaces en dynamische, gedeelde of statische versies van bibliotheken, moeten duidelijk als zodanig herkenbaar zijn en mogen niet verkeerd worden geïnterpreteerd als zijnde de originele bron. Dergelijke gewijzigde versies mogen niet verkeerd worden geïnterpreteerd als informatie-zip-versies, met inbegrip van maar niet beperkt tot het labelen van de gewijzigde versie met de naam "info-zip" (of een variant daarvan, inclusief maar niet beperkt tot verschillende uitvoeringen van de hoofdletters en kleine letters), "Pocket UnZip", "WiZ" of "MacZip", zonder de uitdrukkelijke toestemming van Info-ZIP. In dergelijke gewijzigde versies is het daarnaast verboden om een onjuiste voorstelling van zaken te geven als gevolg van het gebruik van de adressen van Zip-Bugs of Info-ZIP of de URL('s) van Info-ZIP.

222 4. Info-ZIP behoudt het recht om de namen Info-ZIP, Zip, UnZip, UnZipSFX, WiZ, Pocket UnZip, Pocket Zip en MacZip te gebruiken voor zijn eigen bronversies en binaire versies. Registratie van voertuigdata en privacy Event Data Recorders (EDR) Gegevensopslagmodules in de auto Een groot aantal elektronische componenten van uw auto bevat gegevensopslagmodules die tijdelijk of permanent technische gegevens over de staat van de auto, voorvallen en fouten opslaan. In het algemeen documenteert deze technische informatie de staat van onderdelen, modules, systemen of de omgeving.. Staat van systeemcomponenten (bijv. vulniveaus). Statusberichten van de auto en de afzonderlijke componenten (bijv. aantal omwentelingen van het wiel / toerental, deceleratie, zijwaartse acceleratie) Informatie voor de klant 221. Disfunctioneren en defecten in belangrijke systeemcomponenten. Reacties van de auto in specifieke verkeerssituaties (bijv. ontplooien van een airbag, activeren van de stabiliteitsregeling). Omgevingscondities (bijv. temperatuur) Deze data zijn puur technisch en helpen bij het herkennen en corrigeren van fouten, maar ook bij het optimaliseren van de voertuigfuncties. Bewegingsprofielen die op afgelegde routes duiden, kunnen niet met deze gegevens worden aangemaakt. Als er services worden gebruikt (bijv. reparatiewerkzaamheden, onderhoudsprocessen, garantieclaims, kwaliteitsborging), kunnen medewerkers van het servicenetwerk (inclusief de fabrikant) deze technische informatie met speciale diagnoseapparatuur uit de voorvaalen foutgegevensopslagmodules

223 222 Informatie voor de klant aflezen. U zult zo nodig aanvullende informatie van deze werkplaatsen ontvangen. Nadat een fout is verholpen, worden de data in de storingsgeheugenmodule gewist dan wel permanent overschreven. Bij het gebruik van deze auto kunnen er zich situaties voordoen waarin deze technische gegevens in verband met andere informatie (o.a. ongevalmelding, schade aan de auto, getuigenverklaringen) met een persoon kunnen worden geassocieerd - mogelijk met behulp van een expert. Bij extra contractueel met de klant overeengekomen functies (bijv. lokaliseren van de auto in noodgevallen) mogen er bepaalde gegevens m.b.t. de auto vanuit de auto worden verzonden. ook samen gebruikt met apparaten zoals radiogestuurde afstandsbedieningen voor het vergrendelen/ ontgrendelen van de deuren en starten en zenders in de auto voor het openen van garagedeuren. RFID-technologie in Opel-voertuigen gebruikt geen persoonlijke informatie, houdt ze niet bij of koppelt deze niet aan andere Opel-systemen die persoonlijke informatie bevatten. Radiofrequentie-identificatie (RFID) RFID-technologie wordt in sommige voertuigen gebruikt voor functies zoals de controle van het spanningsverlies en beveiliging van het ontstekingssysteem. Het wordt

224 Index A Aan/Uit Ingeschakelde accessoire (RAP) Aan/uit Beveiliging, accu Elektrische aansluitingen Lampje Motorvermogen verminderd Ruiten Spiegels Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen Aanduidingen Onderhoud Aanwijzers, richting Accessoires en modificaties van auto Accessoirevoeding Accu Ontlaadbeveiliging Starthulp gebruiken Achterlichten Achterste zijruiten Verwarmbaar Achteruitkijkspiegels Achteruitrijlichten Afdekkingen Index 223 Afdekkingen (Vervolg) Achterin/opbergpaneel Beslagen lampglazen Afdekplaat achterin/opbergruimte Afmetingen Voertuig Afmetingen auto Airbags Aan/uit-schakelaar Gordijn Lampje deactivering Systeemcontrole Verklikkerlampje gordelspanner Voor Zijkant Airconditioning Alarm Knipperlichten Alarmknipperlichten Alarmsysteem Antidiefstal AM/FM-radio Ander serviceonderdeel Airconditioning Antiblokkeersysteem (ABS) Waarschuwingslampje

225 224 Index Antiblokkeersysteem van de remmen (ABS) Antidiefstal Alarmsysteem Apparatuur Hulp Audio Antidiefstalfunctie Auto Controle Slepen Auto Stop-modus Automatisch Stop/start-systeem B Bagagenet Bagageruimte , 52 Banden Aanduidingen Compact reservewiel Kettingen Spanningscontrolesysteem Verwisselen Winter Banden en wielen Bandenreparatieset Bandenspanning Bediening Infotainmentsysteem Bekerhouders Belading van de auto Beladingsinformatie Beslagen lampglazen Bestuurdersinformatiecentrum (DIC) Bestuurdersondersteuningssystemen Binnenverlichting Blad vervangen, wisser Bluetooth Overzicht Bochtverlichting Bolle spiegels Boord Meldingen Persoonlijk Service Soon Light (SVS-lampje) Brandstof De tank vullen Meter Te laag brandstofpeil Verbruik - CO2-uitstoot Buitentemperatuur C Centrale vergrendeling Claxon , 60 Compact reservewiel Conformiteit Verklaring van Conformiteitsverklaring Contactstanden Controle Motorstoringslampje Controle over de auto Controlelampen Controle over Controlelampje elektronische stabiliteitsregeling Controlelampje voor de achterlichten Controlesysteem, bandenspanning Cruise control Lampje D Dagrijlicht (DRL) Dagteller Dak Zonnedak Dashboardkastje De motor starten

226 Deksels Wiel Derde remlicht Diefstalbeveiligingssystemen Startbeveiliging Displays Onderhoud Driehoek, gevaren Driepuntsgordel E EHBO-set Elektrisch systeem Zekeringen Zekeringenkast in motorruimte Zekeringenkast instrumentenpaneel Elektrische aansluitingen Aan/uit Elektronisch klimaatregelsysteem Elektronische stabiliteitsregeling Event Data Recorders (EDR) F Frontaal airbagsysteem G Gebruik van deze handleiding Gegevensrecorders, Gebeurtenis Gereedschap Gevaar, Waarschuwing en Voorzichtig Gevarendriehoek Gewicht Voertuig Gloeilamp vervangen Achterlichten Binnenverlichting Derde remlicht Instrumentenverlichting Kentekenplaatlampen Koplampen Koplampen en parkeerlichten Mistlampen Parkeerlichten Richtingaanwijzers opzij Richtingaanwijzers vooraan Gordijnairbagsysteem Index 225 H Handbediende ruiten Handgeschakelde versnellingsbak Handzender Radio Hellingrem (HSA) Hergebruik na einde van levensduur Hoeveelheden en specificaties Hoofdsteunen Hulp- Apparatuur I Identificatielabel Inbouwposities kinderveiligheidssystemen Infotainment Ingeschakelde accessoirevoeding (RAP) Inklapbare spiegels Inleiding , 97 Inrijden, nieuwe auto Instapverlichting Instellingen Opgeslagen

227 226 Index Instrumentenpaneel Opbergruimte Overzicht Instrumentenverlichting Interieurluchtfilter ISOFIX-kinderzitjes K Katalysator Kettingen, sneeuw Kilometerteller Rit Kindersloten Kinderzitjes Inbouwposities ISOFIX Systemen Top-Tether Klimaatregelsysteem Elektronica Klimaatregelsystemen Verwarming en ventilatie Klok Knipperlichten, alarm Koelvloeistof Motor Motorthermometer Waarschuwingslampje motortemperatuur Koolmonoxide Brandstofverbruik - CO2-uitstoot Motoruitlaat Koplampen Dagrijlicht (DRL) Gloeilamp vervangen Grootlicht Lampje groot licht aan Parkeerlichten , 173 Verstelling Koplampen bij rijden in het buitenland Koplampverstelling L Lampen Achterlichten Achteruitrijden Beslagen lampglazen Bochten Dagrijlicht (DRL) Interieur , 179 Kentekenplaat Koplampen en parkeerlichten Lichtschakelaar Mist voor Mistachterlicht Lampen (Vervolg) Richtingaanwijzers opzij Richtingaanwijzers vooraan Storing Lampje Elektronische stabiliteitsregeling (ESC), uit Schakelen Traction Control-systeem (TCS) Variabele stuurbekrachtiging Lampje bandenspanningscontrolesysteem Lampje Elektronische stabiliteitsregeling (ESC) uit Lampje groot licht aan Lampje Lane Departure Warning Lampje motorkap open Lampje Motorvermogen verminderd Lampje oplaadsysteem Lampje ultrasoonparkeerhulp Lampje variabele stuurbekrachtiging Lampje, Auto Stop-modus Lane Departure Warning (LDW)

228 Lekke band Verwisselen Lichtschakelaar Luchtfilter, Interieur Luchtinlaat M Meldingen Boord Meters Brandstof Dagteller Kilometerteller Motorkoelvloeistoftemperatuur Richtingaanwijzer Service-display Snelheidsmeter Toerenteller Middenconsoleverlichting Mistachterlicht , 92 Mistlamp voor Lampje Mistlampen Achter Gloeilamp vervangen Voor Motor Koelvloeistof Motor (Vervolg) Koelvloeistofthermometer Lampje controleer en onderhoud motor spoedig Lampje Motorvermogen verminderd Lampje oliedruk Starten , 145 Stop/start-systeem Uitlaat Waarschuwingslampje koelvloeistoftemperatuur Motor starten Motorgegevens Motoridentificatie Motorkap N Net, bagage Nieuwe auto inrijden O Olie Lampje bandenspanning Motor Onderhoud Accessoires en modificaties van auto Motor spoedig-lampje Index 227 Onderhoud (Vervolg) Regelmatig gebruik van de airconditioning Vehicle soon (SVS-lampje) Werkzaamheden uitvoeren Onderhoudsschema Aanbevolen vloeistoffen en smeermiddelen OnStar -systeem Opbergruimte Auto Bagageruimte , 52 Opbergruimten Afdekplaat achterin/opbergruimte Bagagenet Beladingsinformatie Dashboardkastje Instrumentenpaneel Opbergvakken Opbergruimte Opgelet, gevaar en waarschuwing Opgeslagen instellingen Overzicht

229 228 Index P Parkeerhulp Parkeerplaats Lampje ultrasoonparkeerhulp...72 Rem Personaliseren Persoonlijk Boord Portier Centrale vergrendeling Lampje, open Prestaties Privacy Radiofrequentie-identificatie (RFID) Profieldiepte R Radio Personaliseren Radio's AM/FM-radio Radiodatasysteem (RDS) Radiofrequentie Identificatie (RFID) Regelmatig gebruik van de airconditioning Remsysteem , 170 Antiblokkeersysteem Remsysteem (Vervolg) Assistent Parkeerplaats Vloeistof Waarschuwingslampje remen koppelingssysteem Reparatieset Band Reservewiel Compact Richtingaanwijzer Richtingaanwijzers Richtingaanwijzers opzij Richtingaanwijzers vooraan Rijregelsystemen Elektronische stabiliteit (ESC) Ruimte Lading Ruiten Aan/uit Handmatig Verwarming, achter Ruitenwissers Achterruitensproeier S Schakelaars Airbag deactiveren Schakellampje Schoonmaken Verzorging exterieur Verzorging interieur Service en onderhoud Service-informatie Service-display Service-informatie Slepen Auto Sleutels Sloopauto Einde van levensduur Sloten Centrale vergrendeling Veiligheid Snelheidsbegrenzer Snelheidsmeter Spanning Band Specificaties en hoeveelheden Spiegels Aan/uit Bol

230 Spiegels (Vervolg) Handmatig verstelbare achteruitkijkspiegel Inklappen Verwarmbaar Sproeiervloeistof Startbeveiliging Lampje Starthulp gebruiken Starthulp, hellingen Stoelen Afstelling, voor Hoofdsteunen Positie, voor Verwarmd voor Stoelpositie voorstoelen Instellen Storingslampje Stuurinrichting Verwarmd wiel Wiel verstellen Wielknoppen Symbolen Systeem Infotainment Systemen Bestuurdersondersteuning T Te laag brandstofpeil Technische gegevens Bandenspanning Telefoon Bluetooth Temperatuur Buiten Thermometer Buitentemperatuur Tijd Toerenteller Top-Tether-bevestigingsogen Tractie Control-systeem (TCS) Traction Control (TCS) Uit-lampje U Uitstapverlichting Uitstoot - CO2 Brandstofverbruik V Vaste luchtroosters Veiligheidsgordels Driepuntsgordel Kinderzitjes Waarschuwingen Index 229 Ventilatie Vaste luchtroosters Verstelbare luchtroosters Verlichting Airbag en gordelspanner Airbag-deactivering Bandenspanningscontrolesysteem Controlelampje voor de achterlichten Cruise control Groot licht aan Grootlicht Instap Lane Departure Warning Middenconsole Mistachterlicht Mistlamp voor Motorkap open Motoroliedruk Motorvermogen verminderd Oplaadsysteem Portier open Regelbare verlichting Rem- en koppelingssysteem Service-indicatie (SVS-lampje) Startbeveiliging

231 230 Index Verlichting (Vervolg) Te laag brandstofpeil Uitstap Ultrasoonparkeerhulp Veiligheidsgordelwaarschuwingen Waarschuwing antiblokkeersysteem (ABS) Waarschuwing koelvloeistoftemperatuur Verstelbare luchtroosters Verstelling Stoel, algemeen Verwarmbaar Achterruit Verwarmd Stuurwiel Verwarmde spiegels Verwarmde voorstoelen Verwarming Verwarmings- en ventilatiesysteem Verzorging van de auto Bandenspanning Verzorging van het uiterlijk Exterieur Interieur Vloeistof Remsysteem Sproeier Voertuig Identificatienummer (VIN) Voertuiggewicht Voertuigidentificatie Label Voertuigopslag Voorruit Wis-/wasinstallatie Voorstoelen Instellen Verwarmbaar W Waarschuwing Lane Departure (LDW) Opgelet en gevaar Waarschuwingszoemers Wieldoppen Wielen en banden Winterbanden Wis-/wasinstallatie achterruit Wisserblad vervangen Z Zekeringen Zekeringenkast in motorruimte Zekeringenkast instrumentenpaneel Zijdelings airbagsysteem Zoemers, waarschuwing Zonnedak Zonnekleppen

232 Copyright by ADAM OPEL AG, Rüsselsheim, Germany. De gegevens in deze publicatie waren correct op de onderstaande uitgiftedatum. Wijzigingen in de techniek, uitrusting of vorm van de auto's ten opzichte van de gegevens in deze publicatie, alsmede wijzigingen van deze publicatie zelf blijven Adam Opel AG voorbehouden. Uitgave: 09/2015, ADAM OPEL AG, Rüsselsheim. Gedrukt op chloorvrij gebleekt papier. KTA-2779/2-nl *KTA-2779/2-NL* 09/2015

OPEL ASTRA. Gebruikershandleiding

OPEL ASTRA. Gebruikershandleiding OPEL ASTRA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 23 Stoelen, veiligheidssystemen... 41 Opbergen... 63 Instrumenten en bedieningsorganen... 104

Nadere informatie

OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding

OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 47 Opbergen... 72 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

2 Inleiding. Inleiding

2 Inleiding. Inleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 39 Opbergen... 56 Instrumenten en bedieningsorganen... 66 Verlichting... 98 Infotainmentsysteem...

Nadere informatie

2 Inleiding. Inleiding

2 Inleiding. Inleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 33 Opbergen... 51 Instrumenten en bedieningsorganen... 56 Verlichting... 93 Klimaatregeling...

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder

Nadere informatie

2 Inleiding. Inleiding

2 Inleiding. Inleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 32 Opbergen... 53 Instrumenten en bedieningsorganen... 60 Verlichting... 77 Infotainmentsysteem...

Nadere informatie

OPEL ZAFIRA TOURER Gebruikershandleiding

OPEL ZAFIRA TOURER Gebruikershandleiding OPEL ZAFIRA TOURER Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 36 Opbergen... 67 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

OPEL AMPERA. Gebruikershandleiding

OPEL AMPERA. Gebruikershandleiding OPEL AMPERA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 34 Opbergen... 52 Instrumenten en bedieningsorganen... 59

Nadere informatie

Orlando. Instructieboekje

Orlando. Instructieboekje Orlando Instructieboekje Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 34 Opbergen... 61 Instrumenten en bedieningsorganen... 67 Verlichting...

Nadere informatie

Cruze. Instructieboekje

Cruze. Instructieboekje Cruze Instructieboekje Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 40 Opbergen... 59 Instrumenten en bedieningsorganen... 70 Verlichting...

Nadere informatie

MOKKA X Gebruikershandleiding

MOKKA X Gebruikershandleiding MOKKA X Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 40 Opbergen... 61 Instrumenten en bedieningsorganen... 79 Verlichting...

Nadere informatie

OPEL AMPERA. Gebruikershandleiding

OPEL AMPERA. Gebruikershandleiding OPEL AMPERA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 52 Instrumenten en bedieningsorganen... 60

Nadere informatie

Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN

Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN E81931 2 U mag de stoel niet tijdens het rijden verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1 De stoel, de hoofdsteun, de

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 39 Opbergen... 59 Instrumenten en bedieningsorganen... 77 Verlichting...

Nadere informatie

OPEL Vivaro Gebruikershandleiding

OPEL Vivaro Gebruikershandleiding OPEL Vivaro Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 45 Opbergen... 70 Instrumenten en bedieningsorganen... 78

Nadere informatie

OPEL Astra Gebruikershandleiding

OPEL Astra Gebruikershandleiding OPEL Astra Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 22 Stoelen, veiligheidssystemen... 40 Opbergen... 62 Instrumenten en bedieningsorganen... 104

Nadere informatie

OPEL ASTRA Gebruikershandleiding

OPEL ASTRA Gebruikershandleiding OPEL ASTRA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 39 Opbergen... 62 Instrumenten en bedieningsorganen... 101

Nadere informatie

Dit instructieboekje gebruiken

Dit instructieboekje gebruiken Inhoudsopgave Inleiding...1 Kort en bondig...3 Sleutels, portieren en ruiten...17 Stoelen, hoofdsteunen...35 Opbergruimte...59 Instrumenten en bedieningsorganen... 71 Verlichting...107 Infotainment- systeem...115

Nadere informatie

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer

Nadere informatie

OPEL MOKKA Gebruikershandleiding

OPEL MOKKA Gebruikershandleiding OPEL MOKKA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 34 Opbergen... 54 Instrumenten en bedieningsorganen... 71

Nadere informatie

OPEL MOKKA. Gebruikershandleiding

OPEL MOKKA. Gebruikershandleiding OPEL MOKKA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 52 Instrumenten en bedieningsorganen... 71

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 39 Opbergen... 62 Instrumenten en bedieningsorganen... 75 Verlichting...

Nadere informatie

OPEL AMPERA. Gebruikershandleiding

OPEL AMPERA. Gebruikershandleiding OPEL AMPERA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 37 Opbergen... 57 Instrumenten en bedieningsorganen... 65

Nadere informatie

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting

Nadere informatie

OPEL Mokka Gebruikershandleiding

OPEL Mokka Gebruikershandleiding OPEL Mokka Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 56 Instrumenten en bedieningsorganen... 75

Nadere informatie

OPEL MOKKA. Gebruikershandleiding

OPEL MOKKA. Gebruikershandleiding OPEL MOKKA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 56 Instrumenten en bedieningsorganen... 75

Nadere informatie

KARL Gebruikershandleiding

KARL Gebruikershandleiding KARL Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 33 Opbergen... 51 Instrumenten en bedieningsorganen... 58 Verlichting...

Nadere informatie

OPEL Vivaro Gebruikershandleiding

OPEL Vivaro Gebruikershandleiding OPEL Vivaro Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 43 Opbergen... 68 Instrumenten en bedieningsorganen... 75

Nadere informatie

OPEL MOKKA. Gebruikershandleiding

OPEL MOKKA. Gebruikershandleiding OPEL MOKKA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 56 Instrumenten en bedieningsorganen... 75

Nadere informatie

OPEL ADAM. Gebruikershandleiding

OPEL ADAM. Gebruikershandleiding OPEL ADAM Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 32 Opbergen... 51 Instrumenten en bedieningsorganen... 71

Nadere informatie

OPEL MERIVA Gebruikershandleiding

OPEL MERIVA Gebruikershandleiding OPEL MERIVA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 62 Instrumenten en bedieningsorganen... 82

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 47 Opbergen... 74 Instrumenten en bedieningsorganen... 94 Verlichting...

Nadere informatie

OPEL ADAM Gebruikershandleiding

OPEL ADAM Gebruikershandleiding OPEL ADAM Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 33 Opbergen... 52 Instrumenten en bedieningsorganen... 71

Nadere informatie

Aveo. Instructieboekje

Aveo. Instructieboekje Aveo Instructieboekje Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 36 Opbergen... 59 Instrumenten en bedieningsorganen... 66 Verlichting...

Nadere informatie

CORSA Gebruikershandleiding

CORSA Gebruikershandleiding CORSA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 57 Instrumenten en bedieningsorganen... 76 Verlichting...

Nadere informatie

OPEL INSIGNIA. Gebruikershandleiding

OPEL INSIGNIA. Gebruikershandleiding OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 42 Opbergen... 63 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

OPEL CORSA Gebruikershandleiding

OPEL CORSA Gebruikershandleiding OPEL CORSA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 22 Stoelen, veiligheidssystemen... 37 Opbergen... 60 Instrumenten en bedieningsorganen... 79

Nadere informatie

OPEL CORSA Gebruikershandleiding

OPEL CORSA Gebruikershandleiding OPEL CORSA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 36 Opbergen... 58 Instrumenten en bedieningsorganen... 76

Nadere informatie

OPEL COMBO Gebruikershandleiding

OPEL COMBO Gebruikershandleiding OPEL COMBO Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 33 Opbergen... 58 Instrumenten en bedieningsorganen... 66

Nadere informatie

OPEL Insignia Gebruikershandleiding

OPEL Insignia Gebruikershandleiding OPEL Insignia Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 46 Opbergen... 71 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

OPEL MERIVA. Gebruikershandleiding

OPEL MERIVA. Gebruikershandleiding OPEL MERIVA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 58 Instrumenten en bedieningsorganen... 80

Nadere informatie

CROSSLAND X Gebruikershandleiding

CROSSLAND X Gebruikershandleiding CROSSLAND X Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 42 Opbergen... 64 Instrumenten en bedieningsorganen... 74

Nadere informatie

OPEL INSIGNIA. Gebruikershandleiding

OPEL INSIGNIA. Gebruikershandleiding OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 43 Opbergen... 64 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

OPEL CORSA Gebruikershandleiding

OPEL CORSA Gebruikershandleiding OPEL CORSA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 57 Instrumenten en bedieningsorganen... 76

Nadere informatie

OPEL Adam Gebruikershandleiding

OPEL Adam Gebruikershandleiding OPEL Adam Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 33 Opbergen... 52 Instrumenten en bedieningsorganen... 72

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 44 Opbergen... 73 Instrumenten en bedieningsorganen... 88 Verlichting...

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 33 Opbergen... 53 Instrumenten en bedieningsorganen... 60 Verlichting...

Nadere informatie

OPEL COMBO Gebruikershandleiding

OPEL COMBO Gebruikershandleiding OPEL COMBO Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 34 Opbergen... 60 Instrumenten en bedieningsorganen... 69

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 34 Opbergen... 60 Instrumenten en bedieningsorganen... 69 Verlichting...

Nadere informatie

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1. Verstelling naar voren/naar achteren. 2. Hoogteverstelling.

Nadere informatie

OPEL ADAM. Gebruikershandleiding

OPEL ADAM. Gebruikershandleiding OPEL ADAM Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 32 Opbergen... 51 Instrumenten en bedieningsorganen... 71

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 46 Opbergen... 71 Instrumenten en bedieningsorganen... 81 Verlichting...

Nadere informatie

OPEL COMBO. Gebruikershandleiding

OPEL COMBO. Gebruikershandleiding OPEL COMBO Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 32 Opbergen... 53 Instrumenten en bedieningsorganen... 61

Nadere informatie

ZAFIRA Gebruikershandleiding

ZAFIRA Gebruikershandleiding ZAFIRA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 36 Opbergen... 69 Instrumenten en bedieningsorganen... 99 Verlichting...

Nadere informatie

Spark. Instructieboekje

Spark. Instructieboekje Spark Instructieboekje Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 56 Instrumenten en bedieningsorganen... 63 Verlichting...

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 4 Sleutels, portieren en ruiten... 16 Stoelen, veiligheidssystemen... 38 Opbergen... 59 Instrumenten en bedieningsorganen... 67 Verlichting...

Nadere informatie

OPEL Antara Gebruikershandleiding

OPEL Antara Gebruikershandleiding OPEL Antara Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 36 Opbergen... 59 Instrumenten en bedieningsorganen... 77

Nadere informatie

OPEL Ampera Gebruikershandleiding

OPEL Ampera Gebruikershandleiding OPEL Ampera Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 37 Opbergen... 58 Instrumenten en bedieningsorganen... 66

Nadere informatie

OPEL ZAFIRA TOURER. Gebruikershandleiding

OPEL ZAFIRA TOURER. Gebruikershandleiding OPEL ZAFIRA TOURER Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 38 Opbergen... 67 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen Stoelen VOORSTOELEN De stoel nooit afstellen als het voertuig in beweging is. Als van deze instructies wordt afgeweken, kan dit leiden tot lichamelijk letsel of verlies van controle over het voertuig.

Nadere informatie

OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding

OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding OPEL INSIGNIA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 47 Opbergen... 72 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

OPEL Meriva Gebruikershandleiding

OPEL Meriva Gebruikershandleiding OPEL Meriva Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 36 Opbergen... 63 Instrumenten en bedieningsorganen... 84

Nadere informatie

OPEL CORSA. Gebruikershandleiding

OPEL CORSA. Gebruikershandleiding OPEL CORSA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 56 Instrumenten en bedieningsorganen... 73

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 47 Opbergen... 75 Instrumenten en bedieningsorganen... 86 Verlichting...

Nadere informatie

OPEL Zafira Tourer Gebruikershandleiding

OPEL Zafira Tourer Gebruikershandleiding OPEL Zafira Tourer Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 37 Opbergen... 66 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 35 Opbergen... 56 Instrumenten en bedieningsorganen... 75 Verlichting...

Nadere informatie

OPEL VIVARO Gebruikershandleiding

OPEL VIVARO Gebruikershandleiding OPEL VIVARO Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 43 Opbergen... 68 Instrumenten en bedieningsorganen... 76

Nadere informatie

OPEL ZAFIRA TOURER Gebruikershandleiding

OPEL ZAFIRA TOURER Gebruikershandleiding OPEL ZAFIRA TOURER Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 21 Stoelen, veiligheidssystemen... 37 Opbergen... 70 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

OPEL Movano Gebruikershandleiding

OPEL Movano Gebruikershandleiding OPEL Movano Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 18 Stoelen, veiligheidssystemen... 36 Opbergen... 61 Instrumenten en bedieningsorganen... 70

Nadere informatie

OPEL MOVANO Gebruikershandleiding

OPEL MOVANO Gebruikershandleiding OPEL MOVANO Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 39 Opbergen... 67 Instrumenten en bedieningsorganen... 75

Nadere informatie

OPEL VIVARO. Gebruikershandleiding

OPEL VIVARO. Gebruikershandleiding OPEL VIVARO Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 34 Opbergen... 58 Instrumenten en bedieningsorganen... 63

Nadere informatie

Opel Agila Gebruikershandleiding

Opel Agila Gebruikershandleiding Opel Agila Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 18 Stoelen, veiligheidssystemen... 28 Opbergen... 44 Instrumenten en bedieningsorganen... 51

Nadere informatie

OPEL ZAFIRA. Gebruikershandleiding

OPEL ZAFIRA. Gebruikershandleiding OPEL ZAFIRA Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 26 Stoelen, veiligheidssystemen... 45 Opbergen... 69 Instrumenten en bedieningsorganen... 80

Nadere informatie

OPEL Cascada Gebruikershandleiding

OPEL Cascada Gebruikershandleiding OPEL Cascada Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 46 Opbergen... 70 Instrumenten en bedieningsorganen...

Nadere informatie

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM

Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM Sloten en alarm ALARM-SYSTEEM H6716G Uw voertuig is voorzien van een uiterst verfijnd elektronisch diefstalalarm en motor-immobilisatiesysteem. Tevens beschikt het voertuig over een aantal extra veiligheidssystemen.

Nadere informatie

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33. Instrumenten verklikkerlichten De verklikkerlichten die hier staan vermeld, zijn niet in alle auto s aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentenuitvoeringen. X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing VeloPlus Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

OPEL VIVARO. Gebruikershandleiding

OPEL VIVARO. Gebruikershandleiding OPEL VIVARO Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 19 Stoelen, veiligheidssystemen... 34 Opbergen... 55 Instrumenten en bedieningsorganen... 60

Nadere informatie

Verwarming en ventilatie

Verwarming en ventilatie Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding Inhoud Inleiding... 2 Kort en bondig... 6 Sleutels, portieren en ruiten... 20 Stoelen, veiligheidssystemen... 43 Opbergen... 74 Instrumenten en bedieningsorganen... 85 Verlichting...

Nadere informatie

Veiligheid van kinderen

Veiligheid van kinderen Veiligheid van kinderen KINDERZITJES Voor maximale veiligheid moeten kinderen altijd achterin zitten. Wij raden u aan om kinderen nooit voorin te laten zitten. Als het echter onvermijdelijk is om een kind

Nadere informatie

Veiligheid van kinderen

Veiligheid van kinderen KINDERZITJES WAARSCHUWINGEN Op een stoel waarvoor een werkende airbag is aangebracht, mag u geen kinderzitje plaatsen. Wanneer de airbag wordt opgeblazen, bestaat er een risico op ernstig letsel of zelfs

Nadere informatie

Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist

Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist BEDIENINGSUITLEG 1 - Bestuurderszetel 17 - Hendel stuurafstelling 2 - Sleutelschakelaar (START) 18 - Bedieningshendel hijsen linker

Nadere informatie

Installation instructions, accessories. Stuurwiel, leer. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden , ,

Installation instructions, accessories. Stuurwiel, leer. Volvo Car Corporation Gothenburg, Sweden , , Installation instructions, accessories Instructienr. 30756608 Versie 1.2 Ond. nr. 30756607, 30756606, 31316446 Stuurwiel, leer IMG-339612 Volvo Car Corporation Stuurwiel, leer- 30756608 - V1.2 Pagina 1

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding MamaLoes Ding Twist 360 0-36kg Autostoel YB104A 1 Hoofdsteun Rugsteun Kussen Bovenstel Schouderkussen Gesp Onderstel Gordelhouder 0+) FIX-connector (voor Handgreep voor rotatie FIX-ontgrendelingsknop

Nadere informatie

Renault TRAFIC. Instructieboekje

Renault TRAFIC. Instructieboekje Renault TRAFIC Instructieboekje eenpassievoor presteren ELF partner van de RENAULT adviseert ELF ELF en Renault, partners op het vlak van hightech in de automobielsector, bundelen hun krachten zowel op

Nadere informatie

Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN

Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN Gema ksvoorzie ningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING AUTO E80434 De zonneklep kan tegen verblinding naar beneden of zijwaarts worden geklapt. ZONNESCHERMEN E993 Verdraai het duimwieltje

Nadere informatie

2014 Instructieboekje Chevrolet Captiva M

2014 Instructieboekje Chevrolet Captiva M Instructieboekje Chevrolet Captiva - 2014 - Black plate (1,1) 2014 Instructieboekje Chevrolet Captiva M Kort en bondig............... 1-1 Basisinformatie................ 1-1 Sleutels.......................

Nadere informatie

Veiligheidsgordels ALGEMENE INFORMATIE

Veiligheidsgordels ALGEMENE INFORMATIE ALGEMENE INFORMATIE oefenen hun werking uit via het beendergestel van het lichaam en horen laag over de voorkant van het bekken, de borstkas en de schouders gedragen te worden. Draag het heupgedeelte van

Nadere informatie

SCdefault. 900 Montagerichtlijn. Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces 12 799 012 9:88-15 May 03 12 798 998 12 798 998 Jun 02

SCdefault. 900 Montagerichtlijn. Accessories Part No. Group Date Instruction Part No. Replaces 12 799 012 9:88-15 May 03 12 798 998 12 798 998 Jun 02 SCdefault 900 Montagerichtlijn SITdefault Kinderzitje Saab Child Seat MONTERINGSANVISNING INSTALLATION INSTRUCTIONS MONTAGEANLEITUNG INSTRUCTIONS DE MONTAGE Accessories Part No. Group Date Instruction

Nadere informatie

COP Quick start KA OLANDESE :32 Pagina 1. FordKa. Feel the difference

COP Quick start KA OLANDESE :32 Pagina 1. FordKa. Feel the difference OP Quick start K OLNS 7-07-2008 8:32 Pagina FordKa Kort Owner s overzicht handbook Feel the difference K0468_Service_Portfolio_090508. 09.05.2008 5:52:47 Uhr 604.39.307 PP K OL 8-07-2008 4:03 Pagina S

Nadere informatie

VOORWAARTS GERICHT GEBRUIKSAANWIJZING ECE R GROEP GEWICHT LEEFTIJD kg 4-12 j

VOORWAARTS GERICHT GEBRUIKSAANWIJZING ECE R GROEP GEWICHT LEEFTIJD kg 4-12 j VOORWAARTS GERICHT GEBRUIKSAANWIJZING ECE R44 04 GROEP GEWICHT LEEFTIJD 2-3 15-36 kg 4-12 j 1 Bedankt dat U voor de BeSafe izi Up hebt gekozen BeSafe heeft dit product uiterst zorgvuldig ontworpen om uw

Nadere informatie

Gebruiksaanwijzing ECE R kg 4-12 jr

Gebruiksaanwijzing ECE R kg 4-12 jr Voorwaarts gericht Gebruiksaanwijzing ECE R44 04 Groep Gewicht Leeftijd 2-3 15-36 kg 4-12 jr 1 Bedankt dat U voor de BeSafe izi Up FIX hebt gekozen BeSafe heeft dit product uiterst zorgvuldig ontworpen

Nadere informatie

Handleiding. Tilly Light fietsendrager

Handleiding. Tilly Light fietsendrager Handleiding Tilly Light fietsendrager mei 2015 Tilly Light BV Inhoudsopgave Algemeen 4 Onderdelen 5 Stekker aansluiting 10 Eerste gebruik 11 Op de auto plaatsen 15 Fietsen plaatsen 18 Rijden 23 Fietsen

Nadere informatie

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net

Nadere informatie

Gebruiksaanwijzing kort

Gebruiksaanwijzing kort O-Pair² Van Raam BV Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Tel. : +31 (0)315 257370 E-mail : [email protected] Internet : www.vanraam.nl Versie 14.10 Zadelhoogte U stelt de zadelhoogte correct in, door op de

Nadere informatie

VOORWOORD. Dit instructieboekje hoort bij uw auto. Bewaar het daarom altijd in uw auto, ook als u de auto verkoopt.

VOORWOORD. Dit instructieboekje hoort bij uw auto. Bewaar het daarom altijd in uw auto, ook als u de auto verkoopt. VOORWOORD Dit instructieboekje maakt u vertrouwd met de bediening van en het onderhoud aan uw nieuwe auto. Verder vindt u in dit instructieboekje belangrijke informatie over veiligheid. Lees het daarom

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing Fun2Go Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

AYGO. Instructieboekje

AYGO. Instructieboekje AYGO Instructieboekje Voorwoord Welkom in de steeds groeiende groep van waardebewuste automobilisten die voor Toyota hebben gekozen. Wij zijn trots op de vooruitstrevende techniek en hoge kwaliteit van

Nadere informatie

Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote

Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote Alarmsysteem met afstandsbediening leidraad bij het instellen - Dutch Geachte klant, In deze handleiding vindt u de informatie en bedieningen die nodig

Nadere informatie