ANCIA NL LANCIA YPSILON Instructie
|
|
|
- Theodoor de Wit
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 ANCIA NL LANCIA YPSILON Instructie
2 Geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig te laten benutten. Wij raden u aan alle hoofdstukken door te lezen voordat u voor de eerste keer met de auto gaat rijden. Dit instructieboekje bevat informatie, tips en aanwijzingen die u zullen helpen de technische kwaliteiten van uw LANCIA volledig te benutten. U zult niet alleen de bijzondere eigenschappen ontdekken van uw LANCIA maar ook belangrijke aanwijzingen vinden voor de verzorging, het onderhoud, de rijveiligheid en het geprogrammeerd onderhoud. Wij raden u aan om de aanwijzingen en tips bij de symbolen onder aan de pagina aandachtig te lezen: veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu. In de de Service- en garantiehandleiding vindt u naast het schema voor het geprogrammeerd onderhoud: het garantiecertificaat en de bijbehorende voorwaarden een overzicht van de speciale aanvullende service voor de cliënten van LANCIA. Wij zijn ervan overtuigd, dat u met behulp van dit instructieboekje spoedig met uw auto vertrouwd zult raken en dat uw nieuwe auto en de ondersteuning van de LANCIA-organisatie u volledig tevreden zullen stellen. Veel leesplezier en goede reis! Hoewel in dit instructieboekje alle uitvoeringen van de LANCIA Ypsilon beschreven worden, dient u zich aan de informatie te houden met betrekking tot de uitrusting, de motoruitvoering en het model van de auto die u gekocht hebt.
3 VEILIG MILIEUBEWUST RIJD Veiligheid en respect voor het milieu zijn de uitgangspunten geweest bij het ontwerpen van de LANCIA Ypsilon. Dankzij deze opvatting kon de LANCIA Ypsilon strenge veiligheidstests het hoofd bieden en goed doorstaan. De LANCIA Ypsilon voldoet aan de strengste eisen in zijn klasse. Bovendien is deze auto, naar alle waarschijnlijkheid, al voorbereid op de toekomstige normen. Daarnaast is de LANCIA Ypsilon door het doorlopende onderzoek naar nieuwe en doeltreffende bijdragen aan het behoud van het milieu, een auto die navolging verdient. Alle uitvoeringen zijn uitgerust met emissiereductiesystemen die bijdragen aan de bescherming van het milieu, waardoor de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen lager is dan de nu geldende normen. Wij herinneren u er bovendien aan dat LANCIA hard heeft gewerkt een zeer ambitieus doel te bereiken: 100% recycling. Als uw LANCIA Ypsilon buiten gebruik wordt gesteld, dan kan deze vrijwel geheel worden gerecycled, omdat voldaan wordt aan de voorwaarden van het F.A.RE.-project. Dankzij dit project kunnen de LANCIA-dealers uw voertuig milieuvriendelijk (en geheel volgens de wettelijke normen) buiten gebruik stellen, als u tot de aanschaf van een nieuwe auto overgaat. Voor het milieu heeft dat grote voordelen: niets gaat verloren, niets wordt gestort en er zijn minder nieuwe grondstoffen nodig. BERMING VAN HET MILIEU Bij het ontwerp en de productie van de LANCIA Ypsilon is niet alleen rekening gehouden met traditionele aspecten, zoals prestaties en veiligheid, maar is er ook veel aandacht besteed aan de groeiende milieuproblemen. De materiaalkeuze en de technische systemen en speciale voorzieningen zijn het resultaat van inspanningen die er op gericht zijn om de vervuiling van het milieu drastisch terug te dringen. Uw auto voldoet dan ook aan de strengste internationale milieunormen.
4 GEBRUIK VAN MILIEUVRIDELIJKE MATERIAL Geen enkel onderdeel van de LANCIA Ypsilon bevat asbest. De vulling van de stoelen en de airconditioning bevatten geen CFK s (chloorfluorkoolwaterstoffen), het gas dat waarschijnlijk de oorzaak is van het gat in de ozonlaag. De kleurstoffen en de corrosiewerende behandeling van de bouten en moeren zijn niet schadelijk voor het milieu; ze bevatten geen lucht- en bodemverontreinigend cadmium meer. EMISSIEREDUCTIESYSTEM (benzinemotoren) Driewegkatalysator Het uitlaatsysteem is voorzien van een katalysator, die bestaat uit edelmetaallegeringen. De katalysator bevindt zich in een roestvast stalen houder, die bestand is tegen hoge bedrijfstemperaturen. De katalysator zet onverbrande koolwaterstoffen, koolmonoxide en stikstofoxiden in het uitlaatgas om (ook al zijn deze dankzij het elektronische motormanagementsysteem, slechts in kleine hoeveelheden aanwezig) in niet schadelijke stoffen. Omdat tijdens de werking de katalysator zeer warm wordt, verdient het aanbeveling niet te parkeren boven brandbare materialen (papier, brandstof, gras, droge bladeren enz.). Lambdasondes De lambdasondes meten de hoeveelheid zuurstof in het uitlaatgas. De door de lambdasondes verzonden signalen worden door de regeleenheid van het motormanagementsysteem gebruikt om het lucht/brandstofmengsel te regelen. Benzinedamp-opvangsysteem Het is onmogelijk, ook bij stilstaande motor, benzinedampen te voorkomen. Daarom vangt dit systeem de dampen in een speciaal actieve-koolfilter. Als de motor draait, dan worden deze dampen afgezogen en verbrand in de motor.
5 EMISSIEREDUCTIESYSTEM (Multijet-motor) Oxidatiekatalysator De katalysator zet schadelijke bestanddelen in het uitlaatgas (koolmonoxide, onverbrande koolwaterstoffen en roetdeeltjes zijn de belangrijkste) om in onschadelijke stoffen, waarmee tevens de rook en de typische dieselgeur verminderd worden. De katalysator bestaat uit een roestvrijstalen huis, met daarin een honingraatvormig keramisch binnenwerk. Hierop zit edelmetaal dat voor de katalytische reactie zorgt. Uitlaatgasrecirculatie-systeem (E.G.R.) Dit systeem zorgt voor recirculatie, oftewel hergebruik, van een deel van de uitlaatgassen. Het percentage dat gerecirculeerd wordt, is afhankelijk van de bedrijfsomstandigheden van de motor. Het systeem beperkt zonodig de uitstoot van stikstofoxiden.
6 ABSOLUUT LEZ! BRANDSTOF TANK Benzinemotoren: tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON die K voldoet aan de Europese specificatie 228. Multijet-motoren: tank uitsluitend diesel voor motorvoertuigen conform de Europese specificatie 590. Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. MOTOR START Benzinemotoren: controleer of de handrem is aangetrokken; zet de versnellingspook in vrij; trap het koppelingspedaal volledig in, maar trap het gaspedaal niet in; draai vervolgens de start-/contactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor aanslaat. Multijet-motoren: draai de start-/contactsleutel in stand MAR en wacht tot de waarschuwingslampjes Y en m doven; draai de start-/contactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor aanslaat. PARKER BOV BRANDBARE MATERIAL Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven gras, droge bladeren, dennennaalden of ander brandbaar materiaal: brandgevaar.
7 BERMING VAN HET MILIEU De auto is uitgerust met een diagnosesysteem, dat continu controles uitvoert op de componenten die van invloed zijn op de uitlaatgasemissie zodat overmatige vervuiling van het milieu wordt voorkomen. U ELEKTRI APPARATUUR Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die stroom verbruiken (waardoor de accu langzaam kan ontladen), wendt u dan tot de Lancia-dealer. Deze kan controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik. CODE-card Bewaar deze op een veilige plaats, maar niet in de auto. Wij raden u aan de elektronische code van de CODE-card te noteren en altijd bij u te hebben, omdat deze onmisbaar is voor het uitvoeren van een noodstart. GEPROGRAMMEERD Bedenk dat een goed onderhoud van de auto de beste manier is om de prestaties en de veiligheid van de auto gedurende langere tijd te garanderen. Daarbij wordt ook het milieu ontzien en blijven de exploitatiekosten laag. IN HET INSTRUCTIEBOEKJE... vindt u informatie, tips en belangrijke waarschuwingen voor het juiste gebruik, veilig rijden en het onderhoud van uw auto. Let vooral op de symbolen " (veiligheid van de inzittenden) # (bescherming van het milieu) â (conditie van de auto).
8 ... 8 INSTRUMTPANEEL... 9 SYMBOL LANCIA CODE DE SLEUTELS START-/CONTACTSLOT INSTRUMT MULTIFUNCTIONEEL DISPLAY ZITPLAATS HOOFDSTEUN STUURWIEL SPIEGELS KLIMAATREGELING VERWARMING VTILATIE AIRCONDITIONING, HANDBEDID AIRCONDITIONING, AUTOMA BUITVERLICHTING SSOR AUTOMAE KOPLAMP RUIT REINIG REGSSOR CRUISE-CONTROL PLAFONDVERLICHTING SORGAN INTERIEURUITRUSTING OPDAK PORTIER ELEKTRI RUIT BAGAGERUIMTE MOTORKAP ALLESDRAGERS KOPLAMP ABS ESP-SYSTEEM ASR-SYSTEEM EOBD-SYSTEEM AUTORADIO BOSE HIFI-AUDIOSYSTEEM EXTRA ACCESSOIRES ELEKTRI STUURBEKRACHTIGING DUALDRIVE PARKEERSSOR TANK MET DE LANCIA YPSILON BERMING VAN HET MILIEU START LAMPJES ZORG 7
9 De aanwezigheid en de opstelling van de bedieningsknoppen, de instrumenten en de controlelampjes kunnen per uitvoering verschillen. START LANCIA ZORG LAMPJES 8 fig. 1 L0C0001m 1. Uitstroomopeningen aan zijkant - 2. Linker hendel: bediening buitenverlichting - 3. Airbag bestuurderszijde - 4. Rechter hendel: bediening ruitenwissers voor/achter en tripcomputer - 5. Uitstroomopeningen in het midden - 6. Autoradio (indien aanwezig) / Opbergvakje - 7. Instrumentenpaneel - 8. Airbag passagierszijde - 9. Schakelaar voor uitschakeling airbag voor aan passagierszijde Dashboardkastje Bedieningsknoppen verwarming, ventilatie en airconditioning Versnellingspook Schakelaarpaneel Start-/contactslot Hendel stuurwielverstelling Hendel voor bediening cruise-control (indien aanwezig) Hendel motorkapontgrendeling.
10 INSTRUMTPANEEL A Snelheidsmeter B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve C Toerenteller D Multifunctioneel display START fig. 2 L0C0223m LAMPJES A Snelheidsmeter B Brandstofmeter met waarschuwingslampje brandstofreserve C Koelvloeistoftemperatuurmeter met waarschuwingslampje voor te hoge koelvloeistoftemperatuur D Toerenteller E Multifunctioneel display ZORG fig. 3 L0C0224m 9
11 START LAMPJES SYMBOL Op of in de nabijheid van enkele onderdelen van uw auto zijn plaatjes met een bepaalde kleur aangebracht, met daarop symbolen die uw aandacht vragen en die voorzorgsmaatregelen aangeven die u in acht moet nemen als u met het betreffende onderdeel te maken krijgt. fig. 4 L0C0004m LANCIA CODE Voor een nog betere bescherming tegen diefstal is de auto uitgerust met een elektronische startblokkering. Het systeem schakelt automatisch in als de start-/contactsleutel wordt uitgenomen. In iedere sleutel zit een elektronische component gemonteerd die bij het starten van de motor een signaal ontvangt via een speciale antenne die in het start-/contactslot is ingebouwd. Het signaal wordt bij het starten omgezet in een gecodeerd signaal en vervolgens aan de regeleenheid van de Lancia CODE gezonden, die, als de code wordt herkend, het starten van de motor mogelijk maakt. ZORG Onder de motorkap is een plaatje aangebracht, waarop de betekenis van de symbolen wordt verklaard fig
12 WERKING Als u bij het starten van de motor de sleutel in stand MAR draait, dan stuurt het Lancia CODE-systeem een code naar de regeleenheid van de motor die, als de code wordt herkend, de blokkering van de functies opheft. De code wordt alleen verzonden als de regeleenheid van het systeem de door de sleutel verzonden code heeft herkend. Iedere keer als u de contactsleutel in stand STOP zet, schakelt de Lancia CODE de functies van de elektronische regeleenheid van de motor uit. Als bij het starten de code niet wordt herkend, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje Y branden. In dat geval raden wij u aan de sleutel in stand STOP en vervolgens in stand MAR te draaien; als de motor geblokkeerd blijft, probeer het dan opnieuw met de andere geleverde sleutels. Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot de Lanciadealer. BELANGRIJK Elke sleutel heeft een eigen code, die in de regeleenheid van het systeem moet worden opgeslagen. Voor het opslaan van nieuwe sleutels (maximaal acht) moet u zich tot de Lancia-dealer wenden. Als het lampje Y tijdens het rijden gaat branden Als het lampje Y gaat branden, betekent dit dat het systeem zichzelf controleert (bijv. bij een vermindering van de spanning). Als het lampje Y blijft branden, wendt u dan tot de Lancia-dealer. START LAMPJES ZORG 11
13 START LAMPJES MECHANI SLEUTEL fig. 6 De sleutel heeft een metalen baard A en dient voor: het start-/contactslot; de sloten van de portieren; de sleutelschakelaar voor het uitschakelen van de airbag aan passagierszijde; De knop B dient voor het uitklappen van de metalen baard A. ZORG DE SLEUTELS CODE-CARD fig. 5 Bij de auto worden twee sleutels geleverd en de CODE-card waarop staan aangegeven: de elektronische code A de mechanische code van de sleutels B, die bij aanvraag van duplicaatsleutels aan de Lancia-dealer moet worden medegedeeld. BELANGRIJK Om schade aan de elektronische schakelingen in de sleutels te voorkomen, mogen de sleutels niet aan directe zonnestraling worden blootgesteld. fig. 5 L0C0026m fig. 6 L0C0047m Als de auto wordt verkocht, moeten alle sleutels en de CODE-card overhandigd worden aan de nieuwe eigenaar. 12
14 Houd voor het inklappen van de metalen baard in de handgreep de knop B ingedrukt en draai de baard in de richting van de pijl tot de baard vastklikt. Laat hierna de knop B los. ATTTIE Druk de knop B alleen in als de sleutel ver genoeg van het lichaam (speciaal de ogen) en van voorwerpen die snel beschadigen (bijvoorbeeld kledingstukken) is verwijderd. Laat de sleutel nooit onbeheerd achter. Hiermee voorkomt u dat iemand (dit geldt in het bijzonder voor kinderen) per ongeluk op de knop drukt. fig. 7 Knop Ë dient voor het ontgrendelen van de portieren en de achterklep. Knop Á dient voor het vergrendelen van de portieren en de achterklep. Knop R dient voor het op afstand ontgrendelen van de achterklep. Het lampje C gaat branden als de opdracht naar de ontvanger wordt verzonden. START LAMPJES SLEUTEL MET AFSTANDSBE- DIING fig. 7 De sleutel heeft een metalen baard A en dient voor: het start-/contactslot; de sloten van de portieren; de sleutelschakelaar voor het uitschakelen van de airbag aan passagierszijde. De knop B dient voor het uitklappen van de metalen baard. Houd voor het inklappen van de metalen baard in de handgreep de knop B ingedrukt en draai de baard in de richting van de pijl tot de baard vastklikt. Laat hierna de knop B los. ZORG 13
15 START LAMPJES ZORG Als onbedoeld het vergrendelknopje vanuit het interieur wordt ingedrukt en u de auto verlaat, worden uitsluitend de gebruikte portieren ontgrendeld; de achterklep blijft vergrendeld. Voor het herstellen van de centrale portiervergrendeling moet u de ver-/ontgrendelknopjes opnieuw indrukken. ATTTIE Druk de knop B alleen in als de sleutel ver genoeg van het lichaam (speciaal de ogen) en van voorwerpen die snel beschadigen (bijvoorbeeld kledingstukken) is verwijderd. Laat de sleutel nooit onbeheerd achter. Hiermee voorkomt u dat iemand (dit geldt in het bijzonder voor kinderen) per ongeluk op de knop drukt. Als de portieren worden ontgrendeld, wordt de interieurverlichting een bepaalde tijd ingeschakeld. BELANGRIJK De frequentie van de afstandsbediening kan worden gestoord door krachtige radiosignalen van buiten de auto (bijv. van mobiele telefoons, van radioamateurs enz.). Hierdoor kan de werking van de afstandsbediening worden beïnvloed. Portieren en achterklep ontgrendelen Druk kort op de knop Ë: de portieren en de achterklep worden ontgrendeld, de plafondverlichting wordt tijdelijk ingeschakeld en de richtingaanwijzers knipperen twee keer. Als de brandstofnoodschakelaar in werking treedt, worden de portieren automatisch ontgrendeld. BELANGRIJK De frequentie van de afstandsbediening kan worden gestoord door krachtige radiosignalen van buiten de auto (bijv. van mobiele telefoons, van radioamateurs enz.). Hierdoor kan de werking van de afstandsbediening worden beïnvloed. 14
16 Portieren en achterklep vergrendelen Druk kort op de knop Á: de portieren en de achterklep worden op afstand vergrendeld, de plafondverlichting dooft en de richtingaanwijzers knipperen één keer. BELANGRIJK De frequentie van de afstandsbediening kan worden gestoord door krachtige radiosignalen van buiten de auto (bijv. van mobiele telefoons, van radioamateurs enz.). Hierdoor kan de werking van de afstandsbediening worden beïnvloed. Achterklep op afstand ontgrendelen/openen Druk de knop R in om op afstand de achterklep te ontgrendelen (openen). Als de achterklep wordt ontgrendeld, knipperen de richtingaanwijzers twee keer. BELANGRIJK De frequentie van de afstandsbediening kan worden gestoord door krachtige radiosignalen van buiten de auto (bijv. van mobiele telefoons, van radioamateurs enz.). Hierdoor kan de werking van de afstandsbediening worden beïnvloed. fig. 8 L0C0050m Lampje op bestuurdersportier fig. 8 Als de portieren worden vergrendeld, gaat het afschriklampje A ongeveer 3 seconden branden en daarna knipperen (bewakingsfunctie). Als u de portieren wilt vergrendelen en een of meer portieren of de achterklep zijn niet goed gesloten, dan gaan het lampje en de richtingaanwijzers snel knipperen en wordt de vergrendeling niet uitgevoerd. START LAMPJES ZORG 15
17 START LAMPJES fig. 9 L0C0051m ZORG Batterij van de sleutel met afstandsbediening vervangen fig. 9 Als u de knopjes van de afstandsbediening indrukt en het lampje F op de sleutel knippert één keer kort, dan moet de batterij worden vervangen door een nieuw exemplaar dat normaal in de handel verkrijgbaar is. Ga voor het vervangen van de batterij als volgt te werk: druk op de knop A en klap de metalen baard B uit; draai de schroef C los met een kleine schroevendraaier; trek de batterijhouder D naar buiten en vervang de batterij E; let daarbij goed op de polariteit; plaats de batterijhouder D in de sleutel en draai de schroef C vast. Extra afstandsbedieningen bestellen Het systeem kan maximaal 8 afstandsbedieningen herkennen. Als u in de loop der tijd een nieuwe afstandsbediening nodig hebt, kunt u zich tot een Lancia-dealer wenden. Neem dan alle in uw bezit zijnde sleutels, de CODE-card, een identiteitsbewijs en het kentekenbewijs van de auto mee. Lege batterijen zijn schadelijk voor het milieu. Ze moeten in een daarvoor bestemde chemobox of afvalbak worden gedeponeerd. Ze kunnen ook ingeleverd worden bij de Lancia-dealer. Die zorgt vervolgens voor de afvoer. 16
18 Hieronder worden alle met de sleutel in te schakelen functies samengevat (met en zonder afstandsbediening): Type sleutel Mechanische sleutel Portieren ontgrendelen Sleutel linksom draaien Portieren vergrendelen Sleutel linksom draaien Openen achterklep Sleutel met afstandsbediening Knipperen richtingaanwijzers (alleen met sleutel met afstandsbediening) Lampje bestuurdersportier Sleutel linksom draaien Knop Ë kort indrukken 2 x knipperen Doven bewakingslampje Sleutel linksom draaien Knop Á kort indrukken START LAMPJES ZORG 1 x knipperen 3 Seconden continu branden en vervolgens knipperen bewakingslampje Knop R langer dan 2 seconden indrukken 2 x knipperen Bewakingslampje 17
19 START LAMPJES ZORG START-/CONTACT- SLOT De sleutel kan in 3 standen worden gedraaid: STOP: motor uit, sleutel uitneembaar en stuur geblokkeerd. Enkele elektrische installaties kunnen werken (bijv. autoradio, elektrische ruitbediening enz.). MAR: contact aan. Alle elektrische installaties werken. AVV: motor starten. Het contactslot is voorzien van een herstartbeveiliging. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP en nogmaals starten. ATTTIE Als het start-/contactslot is geforceerd (bijv. bij een poging tot diefstal) moet u, voordat u weer met de auto gaat rijden, de werking van het slot laten controleren bij de Lancia-dealer. fig. 12 L0C0054m ATTTIE Neem altijd de sleutel uit het contactslot als de auto wordt verlaten, om onvoorzichtig gebruik van de bedieningsknoppen te voorkomen. Vergeet niet de handrem aan te trekken. Schakel de eerste versnelling in als de auto op een helling omhoog staat en de achteruit bij een helling omlaag (gezien vanuit de rijrichting). Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. ATTTIE Verwijder de sleutel nooit uit het contactslot als de auto nog in beweging is. Bij de eerste stuuruitslag blokkeert het stuur automatisch. Dit geldt in alle gevallen, ook als de auto gesleept wordt. STUURSLOT Inschakelen Zet de sleutel in stand STOP, trek de sleutel uit het start-/contactslot en draai het stuur totdat het vergrendelt. Uitschakelen Draai het stuur iets heen en weer, terwijl u de sleutel in stand MAR draait. 18
20 INSTRUMT TOERTELLER fig. 13 De toerenteller geeft het toerental per minuut van de motor aan. BELANGRIJK De regeleenheid van de elektronische inspuiting blokkeert tijdelijk de toevoer van brandstof als de motor met te hoge toerentallen draait, waardoor het motorvermogen zal afnemen. Bij stationair draaiende motor kan de toerenteller onder bepaalde omstandigheden een geleidelijke of herhaalde toerentalstijging aangeven. Dit is een normaal verschijnsel en kan optreden als bijvoorbeeld de airconditioning of de elektroventilateur wordt ingeschakeld. In deze gevallen dient een geringe toerentalstijging voor het behoud van de lading van de accu. fig BRANDSTOFMETER fig De brandstofmeter geeft de hoeveelheid brandstof aan die in de tank aanwezig is. Het waarschuwingslampje K gaat branden als er nog ongeveer 6/7 liter brandstof aanwezig is. Rijd niet met een bijna lege brandstoftank: door een onregelmatige brandstoftoevoer kan de katalysator beschadigen. BELANGRIJK Als de wijzernaald op 0 staat en het waarschuwingslampje K knippert, dan is er een storing in het systeem. Wendt u in dit geval tot de Lancia-dealer om het systeem te laten controleren. L0C0010m fig. 14 L0C0253m fig. 15 L0C0254m START LAMPJES ZORG 19
21 Als het waarschuwingslampje u gaat branden en er verschijnt een melding op het multifunctionele display, dan is de koelvloeistoftemperatuur te hoog; zet in dat geval de motor uit en wendt u tot de Lanciadealer. START LAMPJES ZORG fig. 16 L0C0252m KOELVLOEISTOFTEMPERA- TUURMETER (indien aanwezig) fig. 16 De wijzer geeft de temperatuur aan van de motorkoelvloeistof, zodra de koelvloeistoftemperatuur hoger wordt dan ongeveer 50 C. Bij normaal gebruik van de auto kan de wijzernaald op verschillende posities in het bereik staan, afhankelijk van de gebruiksomstandigheden van de auto. Als de wijzernaald in het rode gebied komt, zet dan onmiddellijk de motor uit en wendt u tot de Lancia-dealer. fig. 17 L0C0190m SNELHEIDSMETER fig. 17 Geeft de snelheid van de auto aan. 20
22 MULTIFUNCTIO- NEEL DISPLAY (indien aanwezig) De auto kan zijn uitgerust met een multifunctioneel display dat, afhankelijk van de instelling, nuttige informatie levert aan de gebruiker tijdens de rit. BEGINRM fig. 20 Op het beginscherm kan het volgende worden weergegeven: A Datum B Symbool voor kans op gladheid. C Buitentemperatuur D Weergave CITY-functie (indien ingeschakeld) E Tijd (altijd weergegeven, ook bij uitgenomen contactsleutel en gesloten voorportieren) fig. 20 L0C1158i F Afstand tot volgende servicebeurt G Stand koplampverstelling (alleen als het dimlicht is ingeschakeld). H Kilometerteller (weergave kilometer-/mijltotaalteller) OPMERKING Bij het openen van een voorportier wordt het display verlicht en wordt enkele seconden de tijd en de kilometer-/mijltotaalteller weergegeven. fig. 21 L0C0225m SKNOPP fig. 21 ö Om in het scherm en de keuzemogelijkheden de volgende optie te selecteren of de weergegeven waarde te verhogen. MODE Kort indrukken voor toegang tot het menu en/of naar het volgende scherm te gaan of de keuze te bevestigen. Even ingedrukt houden om terug te keren naar het beginscherm. õ Om in het scherm en de keuzemogelijkheden de voorgaande optie te selecteren of de weergegeven waarde te verlagen. OPMERKING Bij de knoppen ö en õhangt de werking van het volgende af: START LAMPJES ZORG 21
23 START LAMPJES ZORG Weergave koplampafstelling (alleen als het dimlicht is ingeschakeld). als het beginscherm wordt weergegeven, dan kunt u de hoogteverstelling van de koplampen bedienen (zie de paragraaf Koplampen in dit hoofdstuk. Setup-menu binnen het menu kunt u naar de voorgaande of volgende optie in de keuzelijst gaan; tijdens het instellen kunt u de waarde verhogen of verlagen. SETUP-MU fig. 22 Het menu bestaat uit een aantal functies dat cyclisch wordt weergegeven. De functies kunnen met de knoppen ö en õ worden gekozen, waarna u keuzemogelijkheden kunt selecteren of instellingen (setup) kunt uitvoeren. Het setup-menu kan worden geactiveerd door de knop MODE kort in te drukken. Door de knop ö of õ steeds in te drukken, kunt u de lijst van het setup-menu doorlopen. De werking is afhankelijk van het geselecteerde menupunt. OPMERKING Als de auto is uitgerust met het Connect Nav+, kunt u op het display van het instrumentenpaneel uitsluitend de volgende functies regelen/instellen: Verl., Snelh.lim., Sens. licht (indien aanwezig), Buzz. gordels en Airbag pass.. De andere functies worden weergegeven op het display van het Connect Nav+, waarmee deze functies ook kunnen worden geregeld/ingesteld. 22
24 Een menupunt selecteren als u de knop MODE kort indrukt, kunt u in het menu de instelling selecteren die u wilt wijzigen; met de knop ö of õ (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd; als u de knop MODE kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd terugkeren naar het eerder geselecteerde menupunt. Datum en Reg. Klok selecteren: als u de knop MODE kort indrukt, kunt u de instelling selecteren die u wilt wijzigen (bijv. uren /minuten of jaar /maand /dag); met de knop ö of õ (door de knop telkens in te drukken) kan de nieuwe instelling worden geselecteerd; als u de knop MODE kort indrukt, kunt u de instelling opslaan en tegelijkertijd doorgaan naar het volgende menupunt. Als dit menupunt het laatste is, dan wordt teruggekeerd naar het daarvoor geselecteerde menupunt. Als u de knop MODE even ingedrukt houdt: u verlaat het setup-menu en alleen de al opgeslagen wijzigingen (bevestigd door het kort indrukken van de knop MODE) worden bewaard. Het setup-menu heeft een tijdregeling; als het menu na een bepaalde tijd verdwijnt, worden alleen de door u opgeslagen wijzigingen (bevestigd door het kort indrukken van de knop MODE) bewaard. START LAMPJES ZORG 23
25 START LAMPJES ZORG 24 Voorbeeld: Italiano Português MODE kort indrukken van de knop õ õ fig. 22 ö õ ö õ Deutsch Français ö AIRBAG PASS. SERVICE VOL. TOETS VOL. BUZZER VERL. MU VERLAT BUZZ. GORDELS (*) (indien aanwezig) ö õ ö õ English Español ö TAAL õ Om vanuit het beginscherm te kunnen navigeren, moet u kort op de knop MODE drukken. Druk op de knop ö of õ om in het menu te navigeren. Opmerking Als de auto rijdt is om veiligheidsredenen alleen een beperkt menu (instellingen Verlichting en Snelheidslimiet ) toegankelijk. Als de auto stilstaat is het uitgebreide menu toegankelijk. Bij uitvoeringen die zijn uitgerust met het Connect Nav+ worden veel functies op het display van het navigatiesysteem weergegeven. ö ö õ õ ö ö SNELH. LIM. TEMP. EH. ö õ õ VERBRUIK ö SS. LICHT TRIPB ö AFST. EH. õ ö õ õ Voorbeeld: Jaar õ ö REG. KLOK MOD. KLOK INSTELL DATUM Dag ö ACHTERKLEP ONAFH. ö VERGR. PORT. õ ö õ ö Maand MODE kort indrukken van toets õ õ L0C2169i (*) Functie wordt alleen weergegeven als het SBR-systeem door de Lancia-dealer is uitgeschakeld.
26 Lichtsterkte interieur regelen (Verl.) (alleen bij ingeschakelde buitenverlichting) Met deze functie kan - bij ingeschakelde buitenverlichting - de lichtsterkte (op 8 niveaus) van het instrumentenpaneel, de bediening van de autoradio en van de automatische klimaatregeling (indien aanwezig) worden geregeld. Ga voor het regelen van de lichtsterkte als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert het niveau van de ingestelde gevoeligheid; druk op knop ö of õ om de lichtsterkte in te stellen; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Snelheidslimiet (Snelh. Lim.) Met deze functie kan de snelheidslimiet van de auto (km/h of mph) worden ingesteld. Als deze limiet wordt overschreden, wordt de bestuurder gewaarschuwd (zie hoofdstuk Lampjes en berichten ). Ga voor het instellen van de snelheidslimiet als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display verschijnt het opschrift (Snelh. Lim.); druk op knop ö of õ om de snelheidslimiet in te schakelen (On) of uit te schakelen (Off); als de functie al was ingeschakeld (On), kan met de knop ö of õ de gewenste snelheidslimiet worden ingesteld en worden bevestigd door het indrukken van de knop MODE; Opmerking De waarde kan worden ingesteld tussen 30 en 250 km/h of tussen 20 en 155 mph, afhankelijk van de ingestelde eenheid; zie de paragraaf Meeteenheid afstand - die hierna is beschreven. Elke keer als u de knop ö / õ indrukt, wordt de waarde 5 eenheden verhoogd of verlaagd. Als u de knop ö / õ ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten. druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Ga als volgt te werk als u de instelling wilt annuleren: druk kort op de knop MODE; op het display knippert (On); druk op de knop õ; op het display knippert (Off); druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Gevoeligheid schemersensor instellen (Sens. licht) (indien aanwezig) Met deze functie kan de gevoeligheid van de schemersensor worden ingesteld op 3 niveaus (niveau 1 = minimum niveau, niveau 2 = gemiddeld niveau, niveau 3 = maximum niveau); hoe hoger de gevoeligheid, hoe minder buitenlicht er nodig is om de verlichting in te schakelen. De gevoeligheid is standaard ingesteld op niveau 2.Ga voor de gewenste instelling als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert het niveau van de ingestelde gevoeligheid; druk op de knop ö of õ om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. START LAMPJES ZORG 25
27 START LAMPJES ZORG Trip B (Trip B) Met deze functie kan de weergave van Trip B (dagteller) worden ingeschakeld (On) of uitgeschakeld (Off). Zie voor meer informatie de paragraaf Trip computer. Ga voor het in-/uitschakelen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert (On) of (Off), afhankelijk van de instelling; druk op de knop ö of õ om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Klokje instellen (Reg. klok) Met deze functie kunt u het klokje instellen. Ga voor het instellen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knipperen de uren ; druk op de knop ö of õ om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MODE; op het display knipperen de minuten ; druk op de knop ö of õ om de instelling uit te voeren; OPMERKING Elke keer als u de knop ö of õ indrukt, wordt de waarde een eenheid verhoogd of verlaagd. Als u de knop ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten. druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Tijdweergave 12h/24h (Mod. Klok) Met deze functie kan de tijdweergave worden ingesteld op 12h of 24h. Ga voor het instellen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert 12h of 24h, afhankelijk van de instelling; druk op de knop ö of õ om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Datum instellen (Inst. datum) Met deze functie kan de datum worden ingesteld (jaar - maand - dag). Ga voor het instellen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert het jaar ; druk op de knop ö of õ om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MODE; op het display knippert de maand ; 26
28 druk op de knop ö of õ om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MODE; op het display knippert de dag ; druk op de knop ö of õ om de instelling uit te voeren. OPMERKING Elke keer als u de knop ö of õ indrukt, wordt de waarde een eenheid verhoogd of verlaagd. Als u de knop ingedrukt houdt, lopen de cijfers automatisch snel door of terug. Als u dicht bij de juiste waarde bent, stelt u de exacte waarde in door de knop telkens in te drukken en los te laten. druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Onafhankelijke achterklepontgrendeling (Achterklep Onafh.) Als de functie is ingeschakeld (On), wordt als het commando voor ontgrendeling van de portieren wordt gegeven, de achterklep niet ontgrendeld: de achterklep kan ontgrendeld worden door knop R op de sleutel met afstandsbediening in te drukken. Uitschakelen (Off): de achterklep wordt gelijktijdig met de portieren ontgrendeld. Ga voor het inschakelen (On) of uitschakelen (Off) van deze functie als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert (On) of (Off), afhankelijk van de instelling; druk op de knop ö of õ om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Centrale portiervergrendeling bij rijdende auto (Vergr. deuren) Als deze functie is ingeschakeld (On), worden de portieren automatisch vergrendeld als de auto sneller rijdt dan 20 km/h. Ga voor het inschakelen (On) of uitschakelen (Off) van deze functie als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert (On) of (Off), afhankelijk van de instelling; druk op de knop ö of õ om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Meeteenheid afstand (Afst. Eenh.) Met deze functie kan de meeteenheid van de afstand (km of mijl) worden ingesteld. Ga voor het instellen van de gewenste meeteenheid als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert (km) of (mijl), afhankelijk van de instelling; druk op de knop ö of õ om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. START LAMPJES ZORG 27
29 START LAMPJES ZORG 28 Meeteenheid verbruik (Verbruik) Met deze functie kan de eenheid van het brandstofverbruik worden ingesteld (km/l, l/100km of mpg). Deze eenheid is gekoppeld aan de geselecteerde eenheid voor de afstand (km of mijl, zie de vorige paragraaf Meeteenheid afstand ). Als de meeteenheid afstand is ingesteld op km, kan de meeteenheid verbruik worden ingesteld op km/l of l/100 km. Als de meeteenheid afstand is ingesteld op mijl, geeft het display de hoeveelheid verbruikte brandstof aan in mpg. Ga voor het instellen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert (km/l) of (l/100km), afhankelijk van de instelling; druk op de knop ö of õ om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Meeteenheid temperatuur (Temp. Eenh.) Met deze functie kan de meeteenheid van de temperatuur ( C of F) worden ingesteld. Ga voor het instellen van de gewenste meeteenheid als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert ( C) of ( F), afhankelijk van de instelling; druk op de knop ö of õ om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Taal instellen (Taal) U kunt de taal van het display instellen: Italiaans, Duits, Engels, Spaans, Frans en Portugees. Ga om de gewenste taal in te stellen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert de ingestelde taal ; druk op de knop ö of õ om de keuze uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Volumeregeling waarschuwingszoemer (Vol. Buzzer) Het volume van het akoestische signaal (buzzer) dat klinkt als er een storing of waarschuwing wordt weergegeven, kan ingesteld worden op 8 niveaus. Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert het niveau van het ingestelde volume; druk op de knop ö of õ om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om
30 terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Volumeregeling knoppen (Vol. toetsen) Het akoestische signaal, dat klinkt bij het indrukken van de knoppen MODE, ö of õ, kan worden ingesteld op 8 niveaus. Ga voor het instellen van het gewenste volume als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert het niveau van het ingestelde volume; druk op de knop ö of õ om de instelling uit te voeren; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Herinschakeling buzzer voor melding SBR-systeem (Buzz. gordels) (indien aanwezig) De functie wordt alleen weergegeven als het SBR-systeem door de Lanciadealer is uitgeschakeld (zie de paragraaf SBR-systeem in het hoofdstuk Veiligheid ). Geprogrammeerd onderhoud (Service) Met deze functie kan worden weergegeven hoeveel kilometers of dagen nog resteren voordat een servicebeurt moet worden uitgevoerd. Ga voor het raadplegen van deze aanwijzingen als volgt te werk: druk kort op de knop MODE; op het display knippert de afstand in km of mijl, afhankelijk van de instelling (zie de paragraaf Meeteenheid afstand ); druk op de knop ö of õ voor weergave van het interval in dagen; druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het menuscherm of houd de knop even ingedrukt om terug te keren naar het beginscherm. OPMERKING Het Onderhoudsschema voorziet elke km (of het equivalent in mijl) of ieder jaar in een servicebeurt; deze weergave verschijnt automatisch als de sleutel in stand MAR staat, vanaf km (of het equivalent in mijl) of 30 dagen voor de servicebeurt. De weergave wordt elke 200 km (of het equivalent in mijl) of om de drie dagen weergegeven. Onder de 200 km wordt de weergave met kleinere intervallen weergegeven. Zie voor het vervangen van het luchtfilter, de motorolie en het motoroliefilter bij de 1.3 Multijet-uitvoeringen het Onderhoudsschema in het hoofdstuk Onderhoud en zorg. De weergave is afhankelijk van de ingestelde meeteenheid in km of mijl. Als u dicht bij de volgende servicebeurt bent en u de contactsleutel in stand MAR draait, verschijnt op het display het opschrift Service gevolgd door het aantal kilometers/mijlen of dagen dat resteert tot de volgende servicebeurt. De informatie van het Geprogrammeerd onderhoud wordt aangegeven in kilometers (km) of mijlen (mijl) of dagen (dd), afhankelijk van de eerstvolgende servicebeurt. Wendt u tot de Lancia-dealer voor het uitvoeren van de werkzaamheden van het Onderhoudsschema of van het Jaarlijks inspectieschema, en voor het op nul zetten van deze weergave (reset). START LAMPJES ZORG 29
31 START LAMPJES ZORG 30 Inschakeling/Uitschakeling van de frontairbag aan passagierszijde en de zij-airbag voor de bescherming van borstkas/ bekken (sidebag)(indien aanwezig) (Airbag pass.) Met deze functie kan de airbag aan passagierszijde worden in- en uitgeschakeld. Ga als volgt te werk: druk op de knop MODE en druk, nadat op het display het bericht (Airbag pass. Off) (voor uitschakeling) of het bericht (Airbag pass. On) (voor inschakeling) is verschenen door het indrukken van de knop ö of õ, opnieuw op de knop MODE; op het display verschijnt het bericht om de instelling te bevestigen; selecteer door het indrukken van de knop ö of õ (Ja) (voor bevestiging van de inschakeling/uitschakeling) of (Nee) (om te annuleren); druk kort op de knop MODE; er verschijnt een bevestiging van de gekozen instelling en er wordt teruggekeerd naar het menuscherm of, wanneer de knop even ingedrukt wordt gehouden, naar het beginscherm zonder op te slaan. L0C2177i L0C2175i L0C2173i L0C2171i MODE ö ö õ õ MODE ö õ ö õ MODE L0C2170i L0C2178i L0C2175i L0C2174i L0C2172i
32 Menu verlaten Laatste functie waarmee de instellingen uit het menuscherm worden afgesloten. Druk kort op de knop MODE om terug te keren naar het beginscherm zonder op te slaan. Als u de knop õ indrukt, wordt teruggekeerd naar het eerste menupunt (Snelh. Lim). TRIP COMPUTER (indien aanwezig) Algemene aanwijzingen Met de Trip computer kan, als de contactsleutel in stand MAR staat, op het display informatie worden weergegeven over de werking van de auto. Deze functie bestaat uit General trip, dat betrekking heeft op de hele rit van de auto, en Trip B, dat betrekking heeft op een deeltraject. Deze laatste functie vormt een onderdeel (zoals is afgebeeld in fig. 24) van het totale traject van de auto. Beide functies kunnen op nul worden gezet (reset - begin van een nieuwe rit). General Trip geeft informatie over: Autonomie (actieradius) Afgelegde afstand Gemiddeld verbruik Huidig verbruik Gemiddelde snelheid Reistijd. Trip B geeft informatie over: Afgelegde afstand B Gemiddeld verbruik B Gemiddelde snelheid B Reistijd B. OPMERKING De functie Trip B kan worden uitgeschakeld (zie de paragraaf Trip B ). De gegevens Autonomie en Huidig verbruik kunnen niet op nul worden gezet. START LAMPJES ZORG 31
33 START LAMPJES ZORG Weergegeven gegevens Autonomie (actieradius) Geeft het aantal kilometers aan dat nog gereden kan worden met de brandstof in de brandstoftank, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de rijstijl niet verandert. Op het display verschijnt de indicatie als: de actieradius kleiner is dan 50 km (of 30 mijl) of de brandstofvoorraad minder is dan 4 liter. de auto langere tijd met draaiende motor stilstaat. Afgelegde afstand Geeft de afstand aan die de auto heeft afgelegd vanaf het begin van een nieuwe rit. Gemiddeld verbruik Geeft het gemiddelde brandstofverbruik aan vanaf het begin van een nieuwe rit. Huidig verbruik Geeft doorlopend de wijziging in het brandstofverbruik aan. Als de auto stilstaat met draaiende motor wordt op het display weergegeven. Gemiddelde snelheid Geeft de gemiddelde snelheid van de auto aan op basis van de tijd die verstreken is vanaf het begin van een nieuwe rit. Reistijd Geeft de verstreken tijd aan vanaf het begin van een nieuwe rit. 32
34 BELANGRIJK Als er geen informatie is, verschijnt bij alle functies op de Trip computer de aanduiding in plaats van de waarde. Wanneer de normale werking weer hersteld is, worden de waarden van de gegevens weer op normale wijze weergegeven. De waarden die voor de storing werden weergegeven, worden niet op nul gezet en er wordt geen nieuwe rit begonnen. fig. 23 L0C0027m Bedieningsknop TRIP fig. 23 Met de knop TRIP, aan het uiteinde van de rechter hendel, krijgt u, als de contactsleutel in stand MAR staat, toegang tot de hiervoor beschreven gegevens en kunnen de gegevens op nul worden gezet om een nieuwe rit te beginnen: kort indrukken voor weergave van de verschillende gegevens even ingedrukt houden voor het op nul zetten (reset) en het beginnen van een nieuwe rit. Nieuwe rit Begint als een reset is uitgevoerd: handmatig door de gebruiker d.m.v. het indrukken van de betreffende knop; automatisch wanneer de afgelegde afstand de waarde 9.999,9 km bereikt of wanneer de reistijd de waarde 99.59:59 (99 uur en 59 minuten) bereikt; iedere keer als de accu losgekoppeld is geweest. BELANGRIJK Als u het systeem op nul zet terwijl het scherm van General trip wordt weergegeven, dan worden ook de gegevens van Trip B op nul gezet, terwijl bij het op nul zetten van Trip B alleen de gegevens van Trip B op nul worden gezet. START LAMPJES ZORG 33
35 Procedure voor het begin van een rit Voor het op nul zetten (reset) moet u, met de sleutel in stand MAR, langer dan 2 seconden op de knop TRIP drukken. TRIP verlaten De functie TRIP wordt automatisch verlaten, nadat alle grootheden zijn weergegeven of als knop MODE langer dan 2 seconden is ingedrukt. START LAMPJES Reset GERAL TRIP Einde rit Begin nieuwe rit TRIP B Reset TRIP B GERAL TRIP TRIP B Reset TRIP B Reset GERAL TRIP Einde rit Begin nieuwe rit ZORG fig. 24 Reset TRIP B Einde deeltraject Begin nieuw deeltraject Einde deeltraject Begin nieuw deeltraject Einde deeltraject Begin nieuw deeltraject TRIP B Reset TRIP B Einde deeltraject Begin nieuw deeltraject 34
36 ZITPLAATS De stoffen bekleding van uw auto is langdurig bestand tegen slijtage die ontstaat bij een normaal gebruik van de auto. Hevig en/of langdurig wrijven met kledingaccessoires zoals metalen gespen, sierknopen en klittenbandsluitingen, moet echter absoluut worden vermeden omdat hierdoor grote druk ontstaat op een bepaalde plek op de bekleding, waardoor deze plek kan slijten en de bekleding beschadigd wordt. Hoogteverstelling (bestuurdersstoel) Beweeg de hendel B herhaaldelijk omhoog of omlaag totdat de gewenste zithoogte is bereikt. BELANGRIJK De hoogte kan alleen worden ingesteld als u op de bestuurdersstoel zit en de auto stilstaat. START LAMPJES VOORSTOEL fig. 25 Rugleuning naar voren klappen Trek voor toegang tot de zitplaatsen achter, aan de handgreep C, zoals op de afbeelding is aangegeven, zodat de rugleuning naar voren klapt. De stoel kan nu naar voren worden geschoven door tegen de rugleuning te duwen (easy entry). Als de rugleuning wordt teruggeklapt, dan schuift de stoel in de oorspronkelijke stand terug (geheugenmechanisme). Controleer of de stoel goed geblokkeerd is door hem naar voren en naar achteren te schuiven. fig. 25 L0C0029m Verstellen in lengterichting Trek de hendel A omhoog en schuif de stoel naar voren of naar achteren: als u rijdt, moeten de armen licht gebogen zijn en de handen op de stuurwielrand steunen. Controleer of de stoel goed geblokkeerd is door hem naar voren en naar achteren te schuiven. ZORG 35
37 START LAMPJES Afstelling vanuit het interieur Verstellen in lengterichting Trek de hendel A omhoog, pak het middengedeelte vast en schuif de achterbank voor- of achteruit. Rugleuning verstellen Bij achterbank met ondeelbare rugleuning: trek hendel B omhoog en zet gelijktijdig met de andere hand de rugleuning in de gewenste stand. ZORG fig. 26 Verstellen van de rugleuning fig. 26 Draai de knop D. L0C0030m Lendensteunverstelling (indien aanwezig) fig. 26 Draai de knop E om het steunvlak van de rugleuning aan te passen. ATTTIE Alle afstellingen mogen uitsluitend bij een stilstaande auto worden uitgevoerd. ATTTIE Laat de hendel los en controleer of de stoel goed geblokkeerd is door deze naar voren en naar achteren te schuiven. Als de zitplaats niet goed geblokkeerd is, kan deze onverwachts verschuiven, waardoor u de controle over de auto kunt verliezen. ATTTIE Voor maximale veiligheid moet u de rugleuning rechtop zetten, tegen de leuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken. VERSCHUIFBARE ACHTER- BANK (indien aanwezig) fig fig Uitvoeringen met ondeelbare achterbank L0C0191m 36
38 ATTTIE Verstel de zitplaatsen alleen als de auto stilstaat. fig Uitvoering met in delen neerklapbare achterbank L0C0192m fig. 29 L0C0181m Verstellen vanuit de bagageruimte fig. 29 Verstellen in lengterichting Trek de lip in het midden A omhoog en schuif de achterbank voor- of achteruit. Haak na de afstelling de lip aan het klittenband op de rugleuning van de bank. Rugleuning verstellen / neerklappen Trek aan de lippen aan de zijkant B zoals beschreven in de paragraaf Bagageruimte vergroten in dit hoofdstuk. Controleer na de afstelling of de lippen uit de groeven in de kunststof kappen steken. START LAMPJES ZORG Bij achterbank met deelbare rugleuning: trek hendel B of C omhoog om respectievelijk het rechter of het linker deel van de rugleuning te verstellen. ATTTIE De stand waarbij de rugleuning volledig is neergeklapt, mag uitsluitend bij een stilstaande auto en volledig naar voren geschoven zitplaats worden gebruikt. ATTTIE Laat de hendel los en controleer of de zitplaats goed geblokkeerd is door deze naar voren en naar achteren te schuiven. Als de zitplaats niet goed geblokkeerd is, kan deze onverwachts verschuiven. 37
39 START LAMPJES steunen indrukken en de hoofdsteunen uittrekken. De auto kan zijn uitgerust met 3 hoofdsteunen achter bij een achterbank met drie zitplaatsen en met twee hoofdsteunen bij een achterbank met 2 zitplaatsen. BELANGRIJK Als de zitplaatsen achter gebruikt worden, moeten de hoofdsteunen altijd volledig zijn uitgetrokken. ZORG 38 HOOFDSTEUN VOOR fig. 30 Druk voor de hoogteverstelling op knop A en verplaats de hoofdsteun omhoog of omlaag totdat hij hoorbaar vergrendelt. Controleer na het loslaten van de knop of de hoofdsteun vergrendeld is. ATTTIE De hoofdsteunen moeten zo worden ingesteld dat ze het hoofd ondersteunen en niet de nek. Alleen in deze positie bieden de steunen bescherming. ATTTIE Voor een optimale bescherming moet de rugleuning zo zijn ingesteld dat u rechtop zit en dat uw hoofd zich zo dicht mogelijk bij de hoofdsteun bevindt. ACHTER (indien aanwezig) fig. 31 Alleen aanwezig op bepaalde uitvoeringen. Om de hoofdsteunen achter te verwijderen, moet u gelijktijdig de knoppen A aan de kant van de twee fig. 30 fig. 31 L0C0031m L0C0057m STUURWIEL Het stuurwiel kan zowel in lengterichting als in hoogte worden versteld. Ga voor het instellen als volgt te werk fig. 32: ontgrendel de hendel door hem naar het stuur te trekken (stand 2); plaats het stuur in de gewenste stand; vergrendel de hendel door deze naar voren te drukken (stand 1). ATTTIE Het is streng verboden om de-/montagewerkzaamheden uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging). Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring.
40 SPIEGELS fig. 32 L0C0008m BINNSPIEGEL fig. 33 De binnenspiegel is voorzien van een beveiligingsmechanisme, waardoor de spiegel bij een krachtig contact met een inzittende losschiet. Met het hendeltje A kan de spiegel in twee standen worden gezet: normale of anti-verblindingsstand. fig. 33 L0C0014m ATTTIE Het stuur mag alleen BUITSPIEGELS fig. 34 worden versteld als de auto stilstaat en de motor is uitgezet. Handmatige verstelling Bedien in de auto hendel A om de spiegel af te stellen. fig. 34 L0C0170m START LAMPJES ZORG 39
41 START LAMPJES fig. 35 L0C0009m Elektrische verstelling (indien aanwezig) fig. 35 De elektrische verstelling is alleen mogelijk als de contactsleutel in stand MAR staat. Ga voor het verstellen als volgt te werk: met schakelaar A kiest u welke spiegel (links of rechts) u wilt verstellen (op de uitvoeringen met elektrische ruitbediening keert de schakelaar automatisch weer terug in de oorspronkelijke positie); met de schakelaar B kunt de spiegel in 4 richtingen verstellen. Stel de spiegels af als de auto stilstaat en de handrem is aangetrokken. fig. 36 L0C0058m Inklappen fig. 36 De spiegel kan (bijv. bij nauwe doorgangen) van stand A in stand B worden geklapt. ZORG ATTTIE Tijdens het rijden moeten de spiegels altijd in stand A staan. ATTTIE De spiegel aan bestuurderszijde is bol, waardoor de afstandswaarneming enigszins wordt beïnvloed. 40
42 KLIMAATREGELING ZORG LAMPJES START fig Vaste uitstroomopeningen voor ontwaseming/ontdooiing van de zijruiten - 2 Verstelbare luchtroosters aan de zijkant - 3 Vaste uitstroomopeningen voor ontwaseming/ontdooiing van de voorruit - 4 Verstelbare luchtroosters in het midden - 5 Uitstroomopeningen onder L0C0210m 41
43 VERWARMING VTILATIE START LAMPJES ZORG 42 fig. 38 L0C0000m LUCHTROOSTERS IN HET MIDD fig. 38 A Regelschuif voor openen/sluiten van de uitstroomopening en het richten (verticaal) van de luchtstroom B Regelschuif voor het zijdelings richten van de luchtstroom. fig. 39 L0C0000m LUCHTROOSTERS AAN DE ZIJKANT fig. 39 A Vaste uitstroomopening voor ontwaseming/ontdooiing van de zijruiten B Regelschuif voor openen/sluiten van de uitstroomopening en het richten (verticaal) van de luchtstroom C Regelschuif voor het zijdelings richten van de luchtstroom. SKNOPP fig. 40 A: knop voor inschakelen aanjager B: draaiknop voor regeling luchttemperatuur (menging van warme/koude lucht). C: drukknop voor in-/uitschakelen achterruitverwarming. D: draaiknop voor instelling luchtverdeling E: knop voor in-/uitschakeling luchtrecirculatie. KLIMAATREGELING Met de draaiknop D kan de lucht op 5 manieren over het hele interieur worden verdeeld: «luchtstroom uit de luchtroosters in het midden en de uitstroomopeningen aan de zijkant; voor verwarming van de beenruimten, waarbij de luchtstroom op het gelaat koel blijft ( bilevel -stand); voor een snellere verwarming van het interieur; ƒ voor verwarming van het interieur en ontwaseming van de voorruit;
44 - voor ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en de zijruiten voor. VERWARMING VAN HET INTERIEUR Ga als volgt te werk: draai de knop B geheel naar rechts (in het rode vlak); draai de knop A op de gewenste snelheid; draai de knop D in stand: ƒ voor verwarming van de beenruimten en ontwaseming van de voorruit; voor lucht naar de beenruimten en koelere lucht uit de luchtroosters in het midden en de uitstroomopeningen op het dashboard; voor een snelle verwarming. fig. 40 SNELLE VERWARMING Ga als volgt te werk: sluit alle luchtroosters op het dashboard; draai de knop B in het rode gebied; draai de knop A op stand 4 -; draai de knop D op stand. L0C0127m SNELLE ONTWASEMING/ ONTDOOIING VAN DE RUIT VOOR (VOORRUIT ZIJRUIT) Ga als volgt te werk: draai de knop B in het rode gebied; draai de knop A op stand 4 -; draai de knop D op stand -; schakel de luchtrecirculatie uit door de knop E in stand Ú te zetten. Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kan een stand gekozen worden waarbij het comfort optimaal blijft. START LAMPJES ZORG 43
45 START LAMPJES ZORG Beslaan van de ruiten voorkomen Als het buiten extreem vochtig is en/of bij regen en/of bij grote verschillen in interieur- en buitentemperatuur, raden wij u de volgende procedure aan om het beslaan van de ruiten te voorkomen: schakel de luchtrecirculatie uit door de knop E in stand Ú te zetten; draai de knop B in het rode gebied; draai de knop A op stand 2; draai de knop D in stand - of stand ƒ als de ruiten niet beslagen zijn. ONTWASEMING/ ONTDOOIING ACHTERRUIT (indien van toepassing) Druk op de knop C om deze functie in te schakelen: het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld. De functie is voorzien van een tijdschakeling, waardoor de functie na 30 minuten automatisch wordt uitgeschakeld. U kunt de verwarming eerder uitschakelen door nogmaals de knop C in te drukken. BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen. REGELING AANJAGERSNEL- HEID Ga voor een goede ventilatie van het interieur als volgt te werk: open de luchtroosters in het midden en aan de zijkant geheel; draai de knop B in het blauwe gebied; zet de knop A op de gewenste snelheid; zet de knop D op stand «; schakel de luchtrecirculatie uit door de knop E in stand Ú te zetten. RECIRCULATIE INSCHAKEL Zet de knop E op stand. Het verdient aanbeveling om de luchtrecirculatie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan. BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie kunnen, afhankelijk van de werking van het systeem ( verwarming of koeling ), de gewenste omstandigheden sneller bereikt worden. Het is echter niet raadzaam deze functie in te schakelen op regenachtige of koude dagen, omdat dan de ruiten aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan. 44
46 HANDBEDIDE AIRCONDITIONING (indien aanwezig) SKNOPP fig. 41 A: knop voor inschakelen aanjager; B: draaiknop voor regeling luchttemperatuur (menging van warme/koude lucht). C: drukknop voor in-/uitschakelen achterruitverwarming; D: drukknop voor in-/uitschakelen aircocompressor; E: draaiknop voor instelling luchtverdeling; F: knop voor in-/uitschakeling luchtrecirculatie. KLIMAATREGELING Met de draaiknop E kan de lucht op 5 manieren over het hele interieur worden verdeeld: «luchtstroom uit de luchtroosters in het midden en de uitstroomopeningen aan de zijkant; voor verwarming van de beenruimten, waarbij de luchtstroom op het gelaat koel blijft ( bilevel -stand); fig. 41 voor een snellere verwarming van het interieur; ƒ voor verwarming van het interieur en ontwaseming van de voorruit; - voor ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en de zijruiten voor. VERWARMING VAN HET INTERIEUR Ga als volgt te werk: draai de knop B geheel naar rechts (in het rode vlak); draai de knop A op de gewenste snelheid; draai de knop E op stand: ƒ L0C0128m voor verwarming van de beenruimten en ontwaseming van de voorruit; voor lucht naar de beenruimten en koelere lucht uit de luchtroosters in het midden en de uitstroomopeningen op het dashboard; voor een snelle verwarming. START LAMPJES ZORG 45
47 START LAMPJES ZORG SNELLE VERWARMING Ga als volgt te werk: sluit alle luchtroosters op het dashboard; draai de knop B in het rode gebied; draai de knop A op stand 4 -; draai de knop E op stand. SNELLE ONTWASEMING/ ONTDOOIING VAN DE RUIT VOOR (VOORRUIT ZIJRUIT) Ga als volgt te werk: draai de knop B in het rode gebied; draai de knop A op stand 4 -; draai de knop E op stand -; schakel de luchtrecirculatie uit door de knop F in stand Ú te zetten. Nadat de ruiten ontwasemd zijn, kan een stand gekozen worden waarbij het comfort optimaal blijft. Beslaan van de ruiten voorkomen Als het buiten extreem vochtig is en/of bij regen en/of bij grote verschillen in interieur- en buitentemperatuur, raden wij u de volgende procedure aan om het beslaan van de ruiten te voorkomen: schakel de luchtrecirculatie uit door de knop F in stand Ú te zetten; draai de knop B in het rode gebied; draai de knop A op stand 2; draai de knop E in stand - of stand ƒ als de ruiten niet beslagen zijn. BELANGRIJK De airconditioning is zeer bruikbaar om het beslaan van de ruiten te voorkomen: het is daarom voldoende om de bedieningsknoppen op ontwasemen te zetten zoals hiervoor beschreven is en de airconditioning in te schakelen door de knop D in te drukken. ONTWASEMING/ ONTDOOIING ACHTERRUIT Druk op de knop C om deze functie in te schakelen: het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld. De functie is voorzien van een tijdschakeling, waardoor de functie na 30 minuten automatisch wordt uitgeschakeld. U kunt de verwarming eerder uitschakelen door nogmaals de knop C in te drukken. BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen. 46
48 REGELING AANJAGERSNEL- HEID Ga voor een goede ventilatie van het interieur als volgt te werk: open de luchtroosters in het midden en aan de zijkant geheel; draai de knop B in het blauwe gebied; zet de knop A op de gewenste snelheid; zet de knop E op stand «; schakel de luchtrecirculatie uit door de knop F in stand Ú te zetten. RECIRCULATIE INSCHAKEL Zet de knop F op stand. Het verdient aanbeveling om de luchtrecirculatie in te schakelen in de file of in tunnels. Hiermee wordt voorkomen dat vervuilde lucht het interieur bereikt. Het is niet raadzaam dit systeem langdurig te laten werken, omdat anders, vooral als u met meerdere personen in de auto zit, de kans aanzienlijk toeneemt dat de ruiten beslaan. BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie kunnen, afhankelijk van de werking van het systeem ( verwarming of koeling ), de gewenste omstandigheden sneller bereikt worden. Het is echter niet raadzaam deze functie in te schakelen op regenachtige of koude dagen, omdat dan de ruiten aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan. AIRCONDITIONING (koeling) Ga als volgt te werk: draai de knop B in het blauwe gebied; draai de knop A op de gewenste snelheid; zet de knop E op stand «; zet de knop F op stand ; druk op de knop D (het lampje op de knop gaat branden). Regeling van de koeling Ga als volgt te werk: schakel de luchtrecirculatie uit door de knop F in stand Ú te zetten. draai de knop B naar rechts voor verhoging van de temperatuur; draai de knop A naar rechts voor verlaging van de aanjagersnelheid. START LAMPJES VAN HET SYS- TEEM Schakel in de winter de airconditioning 1 keer per maand gedurende 10 minuten in. Laat voor het zomerseizoen de werking van de airconditioning door de Lancia-dealer controleren. ZORG 47
49 START LAMPJES ZORG 48 KLIMAATREGELING, AUTOMA (indien aanwezig) ALGEME INFORMATIE De automatische airconditioning met gescheiden regeling regelt de temperatuur en de luchtverdeling in het interieur in twee zones: bestuurders- en passagierszijde. De temperatuurregeling is gebaseerd op temperatuurgelijkheid : d.w.z. dat het systeem continu werkt om het comfort in het interieur constant te houden en eventuele verschillen in de weersomstandigheden buiten te compenseren, ook zonnestraling (gesignaleerd door een zonnestralingssensor). Het systeem kan zijn uitgerust met een luchtkwaliteitsensor (Air Quality System) die automatisch de luchtrecirculatie kan inschakelen om de onaangename effecten van vervuilde lucht, tijdens het rijden in de stad, in de file en in tunnels, te verminderen, en een wasemsensor die kan registreren wanneer de voorruit beslaat en het systeem zo kan instellen dat het zicht wordt hersteld. De automatisch gecontroleerde parameters en functies zijn: luchttemperatuur naar de uitstroomopeningen aan bestuurderszijde/passagierszijde voor; luchtverdeling naar de uitstroomopeningen aan bestuurderszijde/ passagierszijde voor; aanjagersnelheid (traploze regeling van de luchtstroom); inschakeling van de compressor (voor koelen en drogen van de lucht); luchtrecirculatie. Deze functies kunnen handmatig worden gewijzigd, d.w.z. dat u het systeem kunt regelen door naar wens een of meer functies te selecteren en te wijzigen. Op deze manier worden de functies die handmatig zijn gewijzigd niet langer automatisch door het systeem geregeld. Het systeem grijpt alleen in om veiligheidsredenen (bijv. kans op beslaan). De handmatige instellingen hebben voorrang boven de automatische instellingen en blijven in het geheugen opgeslagen totdat de gebruiker de regeling weer overlaat aan de automatische werking, behalve in de gevallen dat het systeem om veiligheidsredenen ingrijpt. Als handmatig een functie wordt ingesteld, blijven de andere functies echter automatisch geregeld. De luchtopbrengst in het interieur is onafhankelijk van de snelheid van de auto omdat de luchtopbrengst elektronisch geregeld wordt door de aanjager. De luchttemperatuur in het interieur wordt altijd automatisch geregeld op basis van de ingestelde temperaturen op de displays van de bestuurder en de passagier voor (behalve als het systeem is uitgeschakeld of in enkele omstandigheden als de compressor is uitgeschakeld). De volgende parameters en functies kunnen handmatig worden ingesteld en gewijzigd: temperatuur bestuurderszijde/passagierszijde voor; aanjagersnelheid (traploze regeling); luchtverdeling in vijf standen (bestuurder/passagier voor); inschakelen van de compressor; niet gescheiden/gescheiden regeling; snelle ontwaseming/ontdooiing; luchtrecirculatie; achterruitverwarming; uitschakelen van het systeem.
50 SKNOPP fig. 44 A: drukknop voor inschakelen functie MONO (gelijkstellen ingestelde temperaturen) B: drukknop voor in-/uitschakelen aircocompressor C: drukknop voor in- en uitschakelen luchtrecirculatie D: display met informatie over de airconditioning E: drukknop voor uitschakelen airconditioning F: drukknop voor inschakelen functie MAX-DEF (snelle ontdooiing/ontwaseming voorruit en zijruiten voor) G: drukknop voor in-/uitschakelen achterruitverwarming fig. 44 H: drukknop voor inschakelen functie AUTO (automatische werking) en draaiknop voor regelen temperatuur aan passagierszijde I: drukknop voor instellen luchtverdeling aan passagierszijde L: verhogen/verlagen aanjagersnelheid L0C0226m START LAMPJES M: drukknop voor instellen luchtverdeling aan bestuurderszijde N: drukknop voor inschakelen functie AUTO (automatische werking) en draaiknop voor regelen temperatuur aan bestuurderszijde ZORG 49
51 START LAMPJES Tijdens de volledig automatische werking van het systeem kunt u op ieder moment de ingestelde temperaturen, de luchtverdeling en de aanjagersnelheid wijzigen m.b.v. de desbetreffende knoppen: het systeem zal automatisch de eigen instellingen wijzigen en aanpassen aan de nieuwe instellingen. Als tijdens de volledige automatische werking (FULL AUTO) de luchtverdeling en/of de luchtopbrengst gewijzigd worden en/of de inschakeling van de compressor en/of de recirculatie, dan verdwijnt het opschrift FULL. Op deze manier worden de functies niet langer automatisch geregeld maar moeten met de hand worden bediend, totdat u opnieuw de knop AUTO indrukt. De aanjagersnelheid is voor alle zones in het interieur gelijk. Als een of meer functies handmatig zijn ingeschakeld, dan blijft de regeling van de luchttemperatuur automatisch plaatsvinden, behalve als de compressor is uitgeschakeld: in dat geval kan er geen lucht in het interieur worden gevoerd waarvan de temperatuur lager is dan de buitentemperatuur. ZORG GEBRUIK VAN DE KLIMAAT- REGELING Het systeem kan op verschillende manieren worden ingeschakeld, maar wij raden u aan te beginnen met het indrukken van een van de knoppen AUTO en vervolgens de draaiknoppen te draaien om op het display de gewenste temperaturen in te stellen. Omdat het systeem het klimaat in twee zones in het interieur regelt, kunnen de bestuurder en de passagier voor verschillende temperatuurwaarden instellen. Het maximaal toegestane verschil is 7 C. Op deze wijze werkt het systeem geheel automatisch, zodat zo snel mogelijk de ingestelde temperatuur wordt bereikt. Het systeem regelt de temperatuur, de luchthoeveelheid, de luchtverdeling in het interieur, de recirculatiefunctie en het inschakelen van de aircocompressor. Tijdens de volledig automatische werking van het systeem, moeten alleen de volgende functies eventueel handmatig worden ingeschakeld: MONO, om de ingestelde temperatuur en de luchtverdeling aan bestuurders- en passagierszijde voor gelijk te stellen;, luchtrecirculatie, om de recirculatie altijd in- of uitgeschakeld te houden; -, voor een snelle ontwaseming/ontdooiing van de ruiten voor, de achterruit en de buitenspiegels; (, voor het ontwasemen/ontdooien van de achterruit. 50
52 SORGAN Draaiknoppen voor regeling luchttemperatuur H - N Als u de knoppen naar rechts of naar links draait, verhoogt of verlaagt u de luchttemperatuur respectievelijk in het gedeelte linksvoor (draaiknop N) en rechtsvoor (draaiknop H) van het interieur. Omdat het systeem het klimaat in twee zones in het interieur regelt, kunnen de bestuurder en de passagier voor verschillende temperatuurwaarden instellen. Het maximaal toegestane verschil is 7 C. De ingestelde temperaturen worden op het display weergegeven dicht bij de knoppen. Als u de knop A (MONO)) indrukt, wordt de temperatuur aan bestuurders- en passagierszijde voor automatisch gelijkgesteld, waarna u de temperatuur in de twee zones met de draaiknop N aan bestuurderszijde kunt regelen. De gescheiden regeling van de temperatuur en de luchtverdeling wordt automatisch weer hervat, als u de draaiknop H of N draait of nogmaals op de knop A (MONO) drukt als het lampje op de knop brandt. Als u de knoppen helemaal naar rechts of helemaal naar links draait, tot aan de uiterste waarden HI of LO, wordt respectievelijk de functie van de maximale verwarming of de maximale koeling ingeschakeld: Functie HI (maximale verwarming): wordt ingeschakeld als de draaiknop van de temperatuur naar rechts wordt gedraaid, voorbij de maximale waarde (32 C). Deze functie kan worden geactiveerd voor alleen de bestuurderszijde of de passagierszijde voor of voor beide zijden (ook door de functie MONO te selecteren). Deze functie kan worden ingeschakeld als u het interieur zo snel mogelijk wilt verwarmen, waarbij maximaal van het vermogen van het systeem gebruik wordt gemaakt. Deze functie maakt gebruik van de maximale temperatuur van de motorkoelvloeistof, terwijl de luchtverdeling en de snelheid van de aanjager door het systeem worden ingesteld. Als de motorkoelvloeistof niet warm genoeg is, schakelt het systeem niet onmiddellijk de maximale aanjagersnelheid in, om de toevoer van te koude lucht in het interieur te beperken. Als deze functie is ingeschakeld, zijn alle handmatige instellingen toegestaan. Voor het uitschakelen van de functie is het voldoende om de temperatuurknop naar links te draaien en de gewenste temperatuur in te stellen. Functie LO (maximale koeling): wordt ingeschakeld als de draaiknop van de temperatuur naar links wordt gedraaid, voorbij de maximale waarde (16 C). Deze functie kan worden geactiveerd voor alleen de bestuurderszijde of de passagierszijde voor of voor beide zijden (ook door de functie MONO te selecteren). Deze functie kan worden ingeschakeld als u het interieur zo snel mogelijk wilt koelen, waarbij maximaal van het vermogen van het systeem gebruik wordt gemaakt. Deze functie schakelt de luchtrecirculatie en de aircocompressor in, terwijl de luchtverdeling en de snelheid van de aanjager worden ingesteld op basis van de omgevingsomstandigheden. Als deze functie is ingeschakeld, zijn alle handmatige instellingen toegestaan. Voor het uitschakelen van de functie is het voldoende om de temperatuurknop naar rechts te draaien en de gewenste temperatuur in te stellen. START LAMPJES ZORG 51
53 START LAMPJES ZORG Drukknoppen voor de luchtverdeling voor I-M Als u op een van deze knoppen drukt, kunt u handmatig voor de linker- en de rechterzijde in het interieur een van de vijf instellingen voor de luchtverdeling kiezen: Luchtstroom naar de uitstroomopeningen van de voorruit en de zijruiten voor voor ontdooiing/ ontwaseming van de ruiten. Lucht uit de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard voor een koele luchtstroom op het lichaam en het gezicht bij warm weer. Lucht uit de uitstroomopeningen van de beenruimten. Met deze luchtverdeling kan in een zo kort mogelijke tijd de lucht in het interieur worden verwarmd, omdat warme lucht opstijgt. Dit geeft snel een behaaglijk gevoel. Lucht uit luchtroosters in de beenruimten voor en achter (warmere lucht) en de luchtroosters in het midden en aan de zijkant van het dashboard (koelere lucht). Deze luchtverdeling is bijzonder nuttig in de gematigde seizoenen (vooren najaar) als de zon schijnt. Lucht uit luchtroosters in de beenruimten en de luchtroosters voor ontwaseming/ontdooiing van de voorruit en zijruiten voor. Deze luchtverdeling zorgt voor een goede verwarming van het interieur en voorkomt het eventuele beslaan van de ruiten. De ingestelde luchtverdeling wordt aangegeven door een brandend lampje op de geselecteerde knoppen. Als een gecombineerde functie is ingesteld en er een knop wordt ingedrukt, dan wordt ook de functie van die knop ingeschakeld. Als daarentegen een knop van een reeds ingestelde functie wordt ingedrukt, dan wordt die functie uitgeschakeld (het betreffende lampje dooft). Voor het hervatten van de automatische werking van de luchtverdeling na een handmatige instelling, moet de knop AUTO worden ingedrukt. Als de bestuurder kiest voor luchtverdeling naar de voorruit, wordt ook de luchtstroom aan passagierszijde automatisch naar de voorruit geleid. De passagier kan vervolgens een andere luchtverdeling kiezen door de betreffende knoppen in te drukken. Drukknoppen voor regelen aanjagersnelheid L Als u op de knop p drukt, wordt de aanjagersnelheid respectievelijk verhoogd of verlaagd en daarmee de hoeveelheid lucht die in het interieur wordt gevoerd om de gewenste temperatuur te handhaven. De aanjagersnelheid wordt weergegeven door verlichte staafjes op het display Maximum aanjagersnelheid = alle staafjes verlicht Minimum aanjagersnelheid = een staafje verlicht De aanjager kan worden uitgeschakeld, maar alleen als u de aircocompressor hebt uitgeschakeld met de knop B. BELANGRIJK Voor het hervatten van de automatische werking van de aanjager na een handmatige instelling, moet de knop AUTO worden ingedrukt. 52
54 Drukknoppen AUTO (automatische werking) H-N Als u de knop AUTO aan bestuurderszijde en/of passagierszijde voor indrukt, regelt het systeem automatisch, in de betreffende zones, de hoeveelheid en de verdeling van de naar het interieur toegevoerde lucht en worden alle voorafgaande handmatige instellingen opgeheven. Dit wordt aangegeven door het verschijnen van het opschrift FULL AUTO op het display voor. Als er een of meerdere handmatige instellingen zijn uitgevoerd (luchtrecirculatie, luchtverdeling, aanjagersnelheid of uitschakeling aircocompressor), dooft het opschrift FULL op het display om aan te geven dat het systeem niet langer alle functies automatisch regelt (behalve de temperatuur die altijd automatisch wordt geregeld). BELANGRIJK Als het systeem vanwege handmatige instellingen de gewenste temperatuur in de verschillende zones niet meer kan garanderen en handhaven, knippert de ingestelde temperatuur om aan te geven dat het systeem een probleem heeft gesignaleerd; na een minuut dooft het opschrift AUTO. Voor het hervatten van de automatische werking van het systeem na een handmatige instelling (een of meerdere), moet de knop AUTO worden ingedrukt. Drukknop MONO (gelijkstellen ingestelde temperaturen en luchtverdeling) A Als u de knop MONO indrukt, wordt de temperatuur aan bestuurderszijde en aan passagierszijde voor automatisch gelijkgesteld, waardoor u in de twee zones dezelfde temperatuur en de luchtverdeling kunt instellen met de draaiknop aan bestuurderszijde. Met deze functie kan de temperatuur in het interieur makkelijk geregeld worden als alleen de bestuurder in de auto zit. De gescheiden regeling van de temperatuur en de luchtverdeling wordt automatisch weer hervat als u de draaiknop H of N draait voor de instelling van de temperatuur aan passagierszijde voor of nogmaals op de knop MONO drukt, als het lampje op de knop brandt. START LAMPJES ZORG 53
55 START LAMPJES ZORG Drukknop voor in-/uitschakelen luchtrecirculatie C (indien aanwezig) De luchtrecirculatie werkt als volgt: handmatig ingeschakeld (recirculatie altijd ingeschakeld); het lampje op de knop C en het symbool í op het display branden; geforceerde uitschakeling (recirculatie altijd uitgeschakeld met luchttoevoer van buiten); lampje op de knop en het symbool êop het display gedoofd. Deze mogelijkheden kunnen worden ingeschakeld door meerdere keren op de recirculatieknop C te drukken. Als de recirculatie een lange tijd (meer dan 15 minuten aaneengesloten) ingeschakeld is geweest, wordt de recirculatie om veiligheidsredenen automatisch uitgeschakeld om de lucht in het interieur te verversen. BELANGRIJK Met de recirculatiefunctie kunnen (verwarming of koeling van het interieur) de gewenste omstandigheden sneller bereikt worden. Het is echter niet raadzaam deze functie handmatig in te schakelen op regenachtige of koude dagen, omdat dan de ruiten aan de binnenzijde aanzienlijk sneller kunnen beslaan, vooral als de airconditioning niet is ingeschakeld. Bij buitentemperaturen onder 5-7 C wordt de recirculatie uitgeschakeld (met luchttoevoer van buiten) om het beslaan van de ruiten te voorkomen. Als de handmatige werking van de recirculatie is ingesteld, dooft het opschrift FULL en verdwijnt AUTO van het symbool op het display. ATTTIE Bij lage buitentemperaturen raden wij u aan om de recirculatiefunctie niet te gebruiken omdat hierdoor de ruiten sneller kunnen beslaan. 54
56 Knop voor uitschakeling van de aircocompressor B Als u op de knop ò drukt als het lampje op de knop brandt, wordt de aircocompressor uitgeschakeld en dooft het lampje. Als u nogmaals op de knop drukt als het lampje gedoofd is, wordt de inschakeling van de compressor weer automatisch door het systeem geregeld; dit wordt aangegeven door het gaan branden van het lampje op de knop. Als u de aircocompressor uitschakelt, wordt de recirculatie uitgeschakeld om het eventuele beslaan van de ruiten te voorkomen. Ook als het systeem de ingestelde temperatuur kan handhaven, verdwijnt het opschrift FULL van het display. Als het systeem de ingestelde temperatuur echter niet meer kan handhaven, gaat de temperatuur knipperen en dooft ook het opschrift AUTO. BELANGRIJK Met uitgeschakelde aircocompressor is het niet mogelijk lucht in het interieur te voeren met een temperatuur die lager is dan de buitentemperatuur; bovendien kunnen (in bijzondere weersomstandigheden) de ruiten zeer snel beslaan omdat de lucht niet gedroogd kan worden. De uitschakeling van de aircocompressor blijft in het geheugen opgeslagen, ook na het afzetten van de motor. U kunt de automatische regeling van de aircocompressor weer inschakelen door nogmaals de knop ò in te drukken of de knop AUTO. Als bij uitgeschakelde compressor de buitentemperatuur hoger is dan de ingestelde temperatuur, kan het systeem niet aan de wens voldoen. Dit wordt als volgt aangegeven: de ingestelde temperatuur knippert enkele seconden op het display en vervolgens dooft het opschrift AUTO. Als de compressor is uitgeschakeld, kan de aanjagersnelheid handmatig op nul worden gezet. Als de compressor is ingeschakeld bij draaiende motor, kan de aanjagersnelheid niet lager zijn dan een minimale waarde (één staafje verlicht). Drukknop voor snelle ontwaseming/ ontdooiing van de voorruit en de zijruiten voor F Als u deze knop indrukt, schakelt de klimaatregeling automatisch alle functies in die noodzakelijk zijn voor het snel ontdooien/ontwasemen van de voorruit en de zijruiten voor. D.w.z. dat het systeem: de aircocompressor inschakelt wanneer de klimatologische omstandigheden dit toestaan; de luchtrecirculatie uitschakelt; de maximale luchttemperatuur (HI) op beide displays instelt; een aanjagersnelheid inschakelt op basis van de koelvloeistoftemperatuur, om toevoer van nog te koude lucht voor de ontwaseming van de ruiten, te beperken; de luchtstroom naar de luchtroosters voor de voorruit en de zijruiten voor leidt; de achterruitverwarming inschakelt. BELANGRIJK De functie voor snelle ontwaseming/ontdooiing van de ruiten blijft ongeveer 3 minuten ingeschakeld nadat de koelvloeistoftemperatuur boven 50 C is gekomen (benzine-uitvoeringen) of 35 C (Multijet-uitvoeringen). START LAMPJES ZORG 55
57 START LAMPJES ZORG Als de functie voor snel ontdooien/ontwasemen is ingeschakeld, gaan het lampje op de betreffende knop en het lampje op de knop van de achterruitverwarming branden. Bovendien dooft het opschrift FULL AUTO op het display. Als de functie voor maximaal ontwasemen/ontdooien is ingeschakeld, kunnen alleen de aanjagersnelheid en de uitschakeling van de achterruitverwarming handmatig worden geregeld. Als u de knop voor maximale ontdooiing/ontwaseming indrukt, of de knoppen voor de luchtrecirculatie of de uitschakeling van de compressor of de knop AUTO, schakelt het systeem de functie maximaal ontdooien/ontwasemen uit en worden alle bedrijfsomstandigheden van voor het inschakelen van de functie hersteld. Drukknop voor snelle ontwaseming/ontdooiing van de achterruit G Als u deze knop indrukt, dan wordt de achterruitverwarming ingeschakeld. Het lampje op de knop gaat branden als deze functie wordt ingeschakeld. De functie schakelt na 30 minuten automatisch uit, of als opnieuw de knop wordt ingedrukt. De functie wordt ook uitgeschakeld als u de motor uitzet en blijft uitgeschakeld als u de motor opnieuw start. BELANGRIJK Plak geen stickers of andere plaatjes op de elektrische weerstandsdraden aan de binnenzijde van de achterruit, om beschadiging van de achterruitverwarming te voorkomen. Systeem uitschakelen (OFF) E Het systeem schakelt uit als u op de knop OFF drukt. Op het display verschijnt uitsluitend het symbool í voor ingeschakelde recirculatie. Als het systeem is uitgeschakeld: zijn alle lampjes gedoofd; zijn de temperatuurdisplays gedoofd; is de recirculatie ingeschakeld, waarbij geen lucht van buiten binnenkomt; is de aircocompressor uitgeschakeld; is de aanjager uitgeschakeld. Ook als het systeem is uitgeschakeld, kan de achterruitverwarming worden in-/uitgeschakeld. BELANGRIJK De regeleenheid van de klimaatregeling slaat de instellingen van het systeem in het geheugen op voordat het systeem wordt uitgeschakeld. Als u vervolgens op een willekeurige knop drukt (behalve de knop van de achterruitverwarming), worden de functies weer hersteld. Als de functie van de ingedrukte knop niet was ingeschakeld voor de uitschakeling, dan wordt deze functie ook geactiveerd; als deze daarentegen was ingeschakeld, blijft de functie gehandhaafd. Als u de volledig automatische werking van het systeem weer wilt inschakelen, druk dan op de knop AUTO. 56
58 Wasemsensor (indien aanwezig) Op de onderzijde van de binnenspiegel is een sensor gemonteerd die registreert of de voorruit beslagen is en zo nodig de regeling van het systeem aanpast om een goed zicht te garanderen. Het systeem reageert zodra de voorruit begint te beslaan bij bepaalde buitentemperaturen en een bepaalde luchtvochtigheid, en past de klimaatregeling aan zodat het zicht behouden blijft. Als de sensor vaststelt dat de voorruit beslaat, dan worden de volgende instellingen gekozen: inschakeling van de compressor (weergave van symbool ò op het display en knop B verlicht); uitschakeling van de luchtrecirculatie (uitsluitend toevoer van buitenlucht). Als deze instellingen niet afdoende zijn om het beslaan te verhelpen en een veilige situatie te herstellen, dan kiest het systeem de volgende instellingen: aanpassing van de luchtverdeling om de luchttoevoer naar de voorruit te vergroten; verhoging van de luchtopbrengst. De wasemsensor verhoogt de actieve veiligheid omdat de meetresultaten worden gebruikt zowel tijdens de automatische werking als bij eventuele handmatige aanpassingen in de werking van de klimaatregeling. Als instellingen, die het gevolg zijn van metingen door de sensor, met de hand worden gewijzigd, dan wordt de sensor buiten werking gesteld, totdat opnieuw op toets AUTO wordt gedrukt of totdat de motor de volgende keer wordt gestart. Als de sensor aan de klimaatregeleenheid doorgeeft dat de normale zichtomstandigheden zijn hersteld, dan kiest het systeem de instellingen die waren ingesteld, voordat de sensor een beslagen voorruit registreerde. BELANGRIJK Als de wasemsensor een beslagen voorruit registreert, dan zijn de buitentemperatuur en de luchtvochtigheid zodanig dat een goed en veilig zicht in gevaar is; als het systeem terugkeert naar de door de bestuurder gekozen instellingen, dan verdient het aanbeveling om de aircocompressor ingeschakeld te houden om te voorkomen dat de voorruit opnieuw beslaat. ATTTIE Voor een goede werking van de wasemsensor moet de voorruit schoon zijn en mag het meetbereik van de sensor achter de binnenspiegel niet gehinderd worden door stickers en soortgelijke voorwerpen. START LAMPJES ZORG 57
59 START LAMPJES ZORG BUIT- VERLICHTING Met de linker hendel bedient u de buitenverlichting. De buitenverlichting werkt uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat. VERLICHTING UIT fig. 45 Draaiknop in stand å. BUITVERLICHTING fig. 46 Draai de draaiknop in stand 6. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 3 branden. DIMLICHT fig. 47 Draai de draaiknop in stand 2. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 2 branden. fig. 45 L0C0062m fig. 48 fig. 46 L0C0061m L0C0101m GROOTLICHT fig. 48 Trek de hendel naar het stuurwiel (vergrendelde stand), als de draaiknop reeds in stand 2 staat. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 1 branden. Als de hendel opnieuw naar het stuurwiel wordt getrokken, dooft het grootlicht en wordt het dimlicht weer ingeschakeld. fig. 47 L0C0063m 58
60 fig. 49 L0C0064m GROOTLICHTSIGNAAL fig. 49 Het grootlichtsignaal kan worden gegeven door de hendel naar het stuurwiel te trekken (onvergrendelde stand) ongeacht de stand van de draaiknop. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 1 branden. PARKEERVERLICHTING fig. 50 Draai de contactsleutel in stand STOP of verwijder de sleutel en draai de draaiknop in stand 6. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 3 branden en de buitenverlichting en de kentekenplaatverlichting worden ingeschakeld. Als u de hendel omhoog plaatst a, gaat alleen de buitenverlichting aan de rechterzijde branden; als u de hendel omlaag plaatst b, gaat alleen de verlichting aan de linkerzijde branden. In beide gevallen gaat het lampje 3 op het instrumentenpaneel branden. RICHTINGAANWIJZERS fig. 50 Zet de hendel in de vergrendelde stand: omhoog (stand 1): inschakeling rechter richtingaanwijzer; omlaag (stand 2): inschakeling linker richtingaanwijzer. Op het instrumentenpaneel knippert het waarschuwingslampje F of D. De richtingaanwijzers schakelen automatisch uit als de auto weer rechtuit rijdt. Als u kort richting aan wilt geven, voor het uitvoeren van een handeling waarvoor het stuurwiel slechts weinig hoeft te worden verdraaid, dan drukt u de hendel iets omhoog of omlaag zonder dat de hendel vergrendelt. Zodra u de hendel loslaat, gaat deze automatisch terug. FOLLOW ME HOME SYTEEM fig. 51 Met dit systeem kan de ruimte voor de auto een bepaalde tijd worden verlicht. Inschakelen U schakelt deze functie in door de contactsleutel in stand STOP te draaien of uit te nemen en de linker hendel binnen 2 minuten na het uitzetten van de motor naar het stuur te trekken. Telkens als u de hendel bedient, blijft de verlichting 30 seconden langer branden, tot een maximum van 210 seconden; hierna schakelt de verlichting automatisch uit. START LAMPJES fig. 50 L0C0065m fig. 51 L0C0064m ZORG 59
61 START LAMPJES ZORG 60 Telkens als de hendel wordt bediend, gaat het controlelampje 3 op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ) met de tijd die de functie actief blijft. Het lampje gaat branden als de hendel voor het eerst bediend wordt en blijft branden totdat de functie automatisch uitschakelt. Telkens als de hendel wordt bediend, wordt alleen de inschakeltijd van de verlichting verlengd. Uitschakelen Houd de hendel langer dan 2 seconden naar het stuur getrokken. fig. 52 L0C0185m fig. 53 L0C0225m MERSSOR (automatisch inschakelende koplampen) (indien aanwezig) fig. 52 Deze sensor is in staat om de verschillen in sterkte van het omgevingslicht waar te nemen op basis van de ingestelde gevoeligheid: hoe hoger de gevoeligheid, hoe minder buitenlicht er nodig is om de verlichting in te schakelen. De gevoeligheid van de sensor kan worden ingesteld via het Setup-menu van het display. Inschakelen Draai de draaiknop in stand 2 A : op deze manier gaan, afhankelijk van de sterkte van het buitenlicht, de buitenverlichting en de dimlichten automatisch branden. Als de schemersensor is ingeschakeld, kan alleen het grootlichtsignaal worden gegeven. Uitschakelen Als via de sensor het commando voor uitschakeling wordt gegeven, wordt het dimlicht uitgeschakeld en vervolgens, na ongeveer 10 seconden, de buitenverlichting. De schemersensor is niet in staat om mist te signaleren. Daarom moet bij mist de verlichting handmatig worden ingeschakeld.
62 RUIT REINIG RUITWISSERS/ -SPROEIERS Deze werken uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat. De rechter hendel kan in vijf verschillende standen worden gezet fig. 54: A: ruitenwissers uitgeschakeld B: wissen met interval. Draai als de hendel in stand B staat, de draaiknop F in een van de vier intervalstanden:, = zeer lang interval -- = lang interval --- = gemiddeld interval ---- = kort interval fig. 54 L0C0066m C: langzaam continu wissen; D: snel continu wissen; E: tussenslag (onvergrendelde stand). In stand E werken de ruitenwissers, zolang u de hendel met de hand in deze stand houdt. Als u de hendel loslaat, springt deze direct weer in stand A en schakelen de ruitenwissers automatisch uit. ATTTIE Gebruik de ruitenwissers niet om opgehoopte sneeuw of ijs van de voorruit te verwijderen. In die omstandigheden grijpt, als de ruitenwissers te zwaar worden belast, de beveiliging in, die ervoor zorgt dat de ruitenwissers enkele seconden worden uitgeschakeld. Als hierna de werking niet wordt hervat, wendt u dan tot de Lancia-dealer. START LAMPJES ZORG 61
63 START LAMPJES ZORG fig. 55 L0C0067m Intelligente wis-/wasregeling Als u de hendel naar het stuur trekt (onvergrendelde stand), schakelen de ruitensproeiers in fig. 55. Als u de hendel langer dan een halve seconde aangetrokken houdt, dan worden in een beweging de ruitenwissers/-sproeiers ingeschakeld. Als u de hendel loslaat, maken de ruitenwissers nog 4 slagen. REGSSOR (indien aanwezig) De regensensor bevindt zich achter de binnenspiegel en staat in contact met de voorruit. De sensor zorgt ervoor dat de frequentie van de slagen van de ruitenwissers, tijdens het wissen met interval, automatisch wordt aangepast aan de hoeveelheid regen op de ruit. De sensor heeft een regelbereik dat oplopend varieert van uitgeschakelde ruitenwissers (geen slagen) als de ruit droog is, tot ruitenwissers die ingeschakeld worden op de eerste continue snelheid (langzaam continu wissen) bij hevige regen. Inschakelen fig. 56 Plaats de rechter hendel een stand naar beneden. Als de regensensor wordt ingeschakeld, maken de ruitenwissers 1 slag. BELANGRIJK Houd de ruit in de omgeving van de sensor schoon. Als u draaiknop F draait, dan wordt de gevoeligheid van de regensensor verhoogd, waardoor de overgang van stilstaande ruitenwissers bij een droge ruit, naar de eerste snelheid (langzaam continu wissen) sneller plaatsvindt. fig. 56 L0C0066m Als de gevoeligheid van de regensensor verhoogd wordt, maken de ruitenwissers 1 slag. Als de ruitensproeiers worden bediend bij ingeschakelde regensensor, werkt het normale reinigingsprogramma. Daarna hervat de regensensor zijn normale automatische werking. 62
64 Uitschakelen fig. 56 Draai de start-/contactsleutel in stand STOP. Als de motor daarna wordt gestart (sleutel in stand MAR), schakelt de regensensor niet weer in, ook niet als de hendel in stand B is blijven staan. Voor het inschakelen van de regensensor moet de hendel in stand A of C worden gezet en daarna in stand B. Als de regensensor op deze wijze opnieuw wordt ingeschakeld, maken de ruitenwissers ten minste 1 slag, ook bij een droge ruit. De regensensor is in staat om de volgende omstandigheden te herkennen en zijn gevoeligheid hieraan aan te passen: vuil op het controle-oppervlak (zoutaanslag, vuil enz.); waterstrepen veroorzaakt door versleten wisserrubbers; verschil tussen dag en nacht. fig. 57 L0C0068m ACHTERRUITWISSER/ -SPROEIER fig. 57 Deze werken uitsluitend als de contactsleutel in stand MAR staat. Als u de hendel naar het dashboard drukt (onvergrendelde stand), wordt de achterruitsproeier ingeschakeld en gaat de achterruitwisser continu werken. De werking stopt als de hendel wordt losgelaten. Als u draaiknop A van stand å in stand ' zet, dan werkt de achterruitwisser in de intervalstand. START LAMPJES ZORG 63
65 START LAMPJES ZORG CRUISE-CONTROL (snelheidsregelaar) (indien aanwezig) Dit is een elektronisch hulpmiddel, waardoor de auto (bij een snelheid boven 30 km/h) op lange, rechte en droge trajecten en bij weinig verandering in de rij-omstandigheden (bijv. snelwegen), met een constante en vooraf ingestelde snelheid blijft rijden zonder het gaspedaal te hoeven bedienen. Het gebruik van dit systeem biedt geen voordelen in druk verkeer. Gebruik dit systeem niet in de stad. fig. 58 L0C0069m SYSTEEM INSCHAKEL fig. 58 Draai de draaiknop A in stand ON. Het systeem kan alleen worden ingeschakeld in de vierde of vijfde versnelling. Op afdalingen kan bij ingeschakelde cruise-control de snelheid iets oplopen ten opzichte van de opgeslagen snelheid. Het systeem is ingeschakeld als het lampje Ü brandt en op het instrumentenpaneel het betreffende bericht verschijnt. SNELHEID OPSLAAN Ga als volgt te werk: zet de draaiknop A in stand ON en trap het gaspedaal in tot de auto met de gewenste snelheid rijdt; plaats de hendel ten minste 3 seconden omhoog (+) en laat vervolgens de hendel los: de snelheid van de auto is opgeslagen en het gaspedaal kan worden losgelaten. Indien nodig (bijvoorbeeld bij inhalen) kan de snelheid simpel verhoogd worden door het intrappen van het gaspedaal: als u daarna het gaspedaal loslaat, wordt teruggekeerd naar de opgeslagen snelheid. 64
66 OPGESLAG SNELHEID OPROEP Als het systeem is uitgeschakeld door bijvoorbeeld het intrappen van het rem- of koppelingspedaal, kan de opgeslagen snelheid op de volgende manier worden opgeroepen: geef geleidelijk gas, totdat de snelheid ongeveer gelijk is aan de opgeslagen snelheid; schakel de versnelling in die ingeschakeld was op het moment van het opslaan van de snelheid (vierde of vijfde versnelling); druk op de knop RES B. OPGESLAG SNELHEID VER- HOG Dit kan op twee manieren: trap het gaspedaal in sla vervolgens de nieuwe snelheid op; of plaats de hendel omhoog (+). Telkens als de hendel wordt bediend, wordt de snelheid iets verhoogd (ongeveer 1 km/h). Als de hendel omhoog wordt gehouden, verandert de snelheid traploos. OPGESLAG SNELHEID VER- LAG Dit kan op twee manieren: schakel het systeem uit en sla vervolgens de nieuwe snelheid op; of plaats de hendel omlaag ( ) totdat de nieuwe snelheid is bereikt die automatisch wordt opgeslagen. Telkens als de hendel wordt bediend, wordt de snelheid iets verlaagd (ongeveer 1 km/h). Als de hendel omlaag wordt gehouden, verandert de snelheid traploos. SYSTEEM UITSCHAKEL Zet de draaiknop A in stand OFF of de start-/contactsleutel in stand STOP. Het systeem schakelt in de volgende gevallen automatisch uit: als het rem- of koppelingspedaal wordt ingetrapt; als de ESP (indien aanwezig) ingrijpt. ATTTIE Als de cruise-control tijdens het rijden is ingeschakeld, zet dan nooit de versnellingspook in de vrijstand. ATTTIE Bij een storing of een afwijkende werking van de cruise-control, moet de draaiknop A in stand OFF worden gezet. Laat het systeem, na controle van de zekering, door de Lancia-dealer controleren. START LAMPJES ZORG 65
67 PLAFONDVER- LICHTING S- ORGAN START LAMPJES ZORG Zonneklepverlichting fig. 59 Druk op de knop A voor het in-/uitschakelen van de zonneklepverlichting aan bestuurderszijde en druk op de knop C voor het in-/uitschakelen van de zonneklepverlichting aan passagierszijde. Als de contactsleutel in stand STOP staat of is uitgenomen, blijft de verlichting nog ongeveer 15 minuten ingeschakeld. Plafondverlichting in het midden Het lampje gaat automatisch branden als u een portier opent en dooft als het betreffende portier wordt gesloten, na ongeveer 10 seconden. Als het portier geopend blijft, schakelt het plafondlampje na ongeveer 3 minuten uit. De plafondverlichting in het midden kan ook worden in-/uitgeschakeld door op de knop B te drukken. Het inschakelen/doven van de verlichting gaat geleidelijk. fig. 59 L0C0015m Na het inschakelen door het indrukken van de knop B, blijft de verlichting, als de contactsleutel in stand STOP staat of uit het contactslot is genomen, nog 15 minuten ingeschakeld. WAARSCHUWINGSKNIPPER- LICHT fig. 60 Druk op de schakelaar A, ongeacht de stand van de contactsleutel. Als het systeem is ingeschakeld, knippert het lampje in de schakelaar. Gelijktijdig gaan op het instrumentenpaneel de controlelampjes F en D branden. Druk voor uitschakeling nogmaals op de schakelaar. MISTLAMP VOOR (indien aanwezig) fig. 61 Druk bij ingeschakelde buitenverlichting op knop 5. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 5 branden. Druk voor uitschakeling nogmaals op de knop. ATTTIE Het gebruik van de waarschuwingsknipperlichten is afhankelijk van de wetgeving van het land waarin u zich bevindt. Houdt u aan de voorschriften. 66
68 Y fig. 60 fig. 61 L0C0228m L0C0229m fig. 62 L0C0046m BRANDSTOFNOODSCHAKE- LAAR fig. 62 Deze veiligheidsschakelaar bevindt zich onder het dashboard naast de portierstijl aan passagierszijde. Om de schakelaar te bereiken, moet u de bekleding verplaatsen. De schakelaar springt omhoog bij een ongeval, waardoor de toevoer van brandstof wordt gestopt en de motor afslaat. Als de brandstofnoodschakelaar is ingeschakeld, brandt het lampje è op het instrumentenpaneel en verschijnt er een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). Controleer de auto zorgvuldig op brandstoflekkage, bijvoorbeeld in de motorruimte, onder de auto of in de nabijheid van de brandstoftank. START LAMPJES MISTACHTERLICHT fig. 61 Druk op knop 4 voor inschakeling van het mistachterlicht. Het mistachterlicht werkt alleen als het dimlicht is ingeschakeld. Op het instrumentenpaneel gaat het controlelampje 4 branden. Druk voor uitschakeling nogmaals op de knop. ZORG 67
69 START LAMPJES Als u geen brandstoflekkage waarneemt en de auto kan nog verder rijden, druk dan op de knop A om de brandstoftoevoer weer te herstellen en de verlichting weer in te schakelen. Draai na een ongeval de contactsleutel in stand STOP om te voorkomen dat de accu ontlaadt. ATTTIE Als u na een ongeval een brandstoflucht ruikt of merkt dat het brandstofsysteem lekt, druk dan de schakelaar niet weer terug, zodat brand wordt voorkomen. INTERIEURUIT- RUSTING KASTJE fig. 63 Trek de handgreep in de richting van de pijl om het dashboardkastje te openen. BEKERHOUDER BLIKJES- HOUDER fig. 64 Deze zijn in de tunnelconsole geplaatst. PASJES/KAARTHOUDER Op de tunnelconsole bevinden zich uitsparingen voor het bewaren van telefoonkaarten, pasjes/credit-cards of tolkaarten. fig. 63 fig. 64 L0C0251m L0C0230m ZORG STEKKERDOOS (12V) Deze bevindt zich op de tunnelconsole en werkt alleen als de contactsleutel in stand MAR staat. Als de auto is uitgerust met de rokerskit, dan is de stekkerdoos vervangen door een aansteker. 68
70 AANSTEKER (indien aanwezig) Deze is in de tunnelconsole geplaatst naast de handrem. Druk voor het inschakelen van de aansteker de betreffende knop in, als de contactsleutel in stand MAR staat. Na ongeveer 15 seconden springt de knop in de beginstand en is de aansteker klaar voor gebruik. BELANGRIJK Controleer altijd of de aansteker na het indrukken ook uitschakelt. BELANGRIJK De aansteker wordt erg heet. Gebruik de aansteker voorzichtig en voorkom dat hij gebruikt wordt door kinderen: risico op brand en/of brandwonden. ASBAK (indien aanwezig) De asbak bestaat uit een uitneembaar kunststof houder met een veeropening. De asbak kan in de beker/blikjeshouders geplaatst worden op de tunnelconsole. BELANGRIJK Gebruik de asbak niet als prullenbak: papiertjes en dergelijke kunnen door peuken in brand raken. fig. 65 L0C0017m ZONNEKLEPP fig. 65 De zonnekleppen zitten aan beide zijden naast de binnenspiegel. Ze kunnen voor de voorruit of voor de zijruit worden gedraaid. De zonneklep aan de bestuurdersen de passagierszijde hebben een spiegeltje op de achterzijde. Om het spiegeltje aan de bestuurderszijde te gebruiken, moet het schuifklepje A worden geopend. START LAMPJES ZORG 69
71 START LAMPJES ZORG 70 OPDAK (indien aanwezig) Het opendak met grote ruit skydome bestaat uit 2 ruitpanelen, een vast paneel en een beweegbaar paneel. De panelen zijn voorzien van een zonnescherm dat met de hand in twee standen kan worden gezet (geopend/gesloten). Het opendak kan uitsluitend bediend worden als de contactsleutel in stand MAR staat. Met de knoppen A en B-fig. 66 bij het plafondlampje in het midden, kunt u het dak openen/sluiten. Automatisch openen: Als u knop A langer dan 1 seconde indrukt, opent het ruitpaneel voor automatisch in kantelstand. Druk nogmaals langer dan 1 seconde op knop A om het paneel geheel te openen. Na het eerste commando voor het openen, kan het paneel in een tussenliggende stand worden gezet door opnieuw op knop A te drukken. fig. 66 L0C0176m Automatisch sluiten Als het dak in geheel opende stand staat en u drukt langer dan 1 seconde op knop B, dan komt het ruitpaneel voor automatisch in kantelstand. Druk nogmaals langer dan 1 seconde op knop B om het paneel geheel te sluiten. Na het eerste commando voor het sluiten, kan het paneel in een tussenliggende stand worden gezet door opnieuw op knop B te drukken. Openen/sluiten met de hand Als u korter dan 1 seconde op knop A of B drukt, opent/sluit het paneel zolang de knop wordt ingedrukt. De beweging stopt als u de knop loslaat. Op deze manier kunt u het dak in een tussenliggende stand zetten. ANTI-LETSELFUNCTIE Het opendak is voorzien van een anti-letselfunctie. Sensoren in de ruitrubbers kunnen een eventueel obstakel waarnemen als de ruit sluit. In dat geval onderbreekt het systeem de ruitbeweging en wordt de ruit onmiddellijk geopend. INITIALISATIEPROCEDURE Als de accu losgekoppeld is geweest of als een zekering is doorgebrand, moet de werking van het opendak opnieuw ingesteld worden. Ga als volgt te werk: druk de knop B-fig. 66 in de sluitstand; houd de knop ingedrukt totdat het dak stapsgewijs geheel is gesloten; wacht nadat het dak geheel gesloten is, tot de elektrische motor van het dak uitschakelt. Verwijder altijd de contactsleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, om te voorkomen dat het opendak per ongeluk in beweging wordt gebracht en zo gevaar kan opleveren voor de achtergebleven passagiers: onzorgvuldig gebruik van het opendak kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens de bediening van de schakelaar altijd of de passagiers niet verwond kunnen worden door de beweging van het opendak zelf of door in beweging gebrachte voorwerpen.
72 Open het dak niet bij sneeuw of ijs: het kan dan beschadigd worden. fig. 67 L0C0186m IN NOOD fig. 67 Als het opendak niet elektrisch bediend kan worden, dan kan het handmatig worden bediend; ga hiervoor als volgt te werk: neem de zeskantige sleutel A uit het dashboardkastje verwijder de beschermdop aan de binnenzijde van het dak, naast het zonnescherm steek de sleutel in de zitting B en draai de sleutel: rechtsom om het dak te openen linksom om het dak te sluiten. Bedien het opendak niet als er allesdragers gemonteerd zijn. ATTTIE Verwijder altijd de contactsleutel uit het contactslot als u de auto verlaat, om te voorkomen dat het opendak per ongeluk in beweging wordt gebracht en zo gevaar kan opleveren voor de achtergebleven passagiers: onzorgvuldig gebruik van het opendak kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens de bediening van de schakelaar altijd of de passagiers niet verwond kunnen worden door de beweging van het opendak zelf of door in beweging gebrachte voorwerpen. PORTIER CTRALE PORTIERVER- GRDELING fig. 68 Van buitenaf Steek bij gesloten portieren de sleutel in het slot van het voorportier en draai de sleutel of druk op knopje Á op de afstandsbediening. fig. 68 L0C0231m Van binnenuit Druk bij gesloten portieren op de knop A (ontgrendeling van de portieren) of B (vergrendeling van de portieren) op het dashboard. BELANGRIJK De centrale portiervergrendeling werkt niet als een portier niet goed gesloten is of als er een storing in het systeem is. Als de oorzaak van de storing is opgelost, werkt het systeem weer normaal. START LAMPJES ZORG 71
73 START LAMPJES ZORG ELEKTRI RUIT BELANGRIJK Als de contactsleutel in stand STOP staat of is uitgenomen, dan kunnen de ruiten nog ongeveer 2 minuten worden bediend. Het systeem wordt echter onmiddellijk uitgeschakeld als een van de portieren wordt geopend. SKNOPP fig. 69 In de armsteun van het portier aan bestuurderszijde zijn de twee bedieningsschakelaars gemonteerd waarmee u, als de contactsleutel in stand MAR staat, de zijruiten bedient: A openen/sluiten zijruit linksvoor; B openen/sluiten zijruit rechtsvoor. Als u (bij bepaalde uitvoeringen) de schakelaar A aan bestuurderszijde langer dan een halve seconde ingedrukt houdt, gaat de ruit verder automatisch open of dicht: De beweging stopt als de ruit aan het einde van zijn slag is of als u nogmaals op de schakelaar drukt. fig. 69 L0C0019m ATTTIE Onzorgvuldig gebruik van de elektrische ruitbediening kan gevaarlijk zijn. Controleer voor en tijdens het bedienen van de ruit altijd of de passagiers niet kunnen worden verwond door de bewegende ruiten, hetzij direct door contact met de ruit, hetzij door voorwerpen die door de ruit worden meegesleept of geraakt. Verwijder altijd de sleutel uit het contactslot als u de auto verlaat om te voorkomen dat een onverwachtse inschakeling van de elektrische ruitbediening gevaar oplevert voor de achtergebleven passagiers. fig. 70 L0C0019m In de armsteun van het portier aan de passagierszijde zit een drukschakelaar om aan die zijde de ruit te bedienen fig
74 BAGAGERUIMTE fig. 71 L0C0082m fig. 72 L0C0049m ACHTERKLEP OP MET DE AFSTANDS fig. 72 Druk op de knop R. Als de achterklep wordt ontgrendeld, knipperen de richtingaanwijzers twee keer. Als de achterklep weer wordt vergrendeld, worden alle functies weer hersteld. ACHTERKLEP SLUIT Laat de achterklep zakken en druk op de achterklep totdat hij vergrendelt. BELANGRIJK Als de keuzemogelijkheid Achterklep onafhankelijk ontgrendelen is ingeschakeld, moet, voordat de achterklep wordt gesloten, gecontroleerd worden of u in het bezit bent van de contactsleutel, omdat de achterklep automatisch vergrendeld wordt. START LAMPJES De achterklep (indien ontgrendeld) kan alleen van buitenaf geopend worden met behulp van de elektrische ontgrendelhendel boven de kentekenplaathouder fig. 71. De achterklep kan bovendien altijd worden geopend als de portieren van de auto ontgrendeld zijn. Op het display van het instrumentenpaneel (zie de paragraaf Multifunctioneel display in dit hoofdstuk) kunt u de keuzemogelijkheid Achterklep onafhankelijk ontgrendelen inschakelen: op deze manier wordt de achterklep niet gelijktijdig met de portieren ontgrendeld. ZORG 73
75 Naderhand aangebrachte voorwerpen op de hoedenplank of de achterklep (luidsprekers, spoiler enz.) kunnen, behalve wanneer de auto hierop is voorbereid, de juiste werking van de gasveren verhinderen. A B START LAMPJES ZORG 74 ATTTIE Bij het gebruik van de bagageruimte mag het maximum laadvermogen van de auto nooit overschreden worden (zie het hoofdstuk Technische gegevens ). Controleer bovendien of de bagageruimte goed geladen is, om te voorkomen dat een voorwerp bij bruusk remmen naar voren schiet en letsel veroorzaakt. ATTTIE Rijd niet met voorwerpen op de hoedenplank: bij een ongeval of bruusk remmen kunnen ze de passagiers verwonden. fig. 73 ACHTERKLEP IN GEVAL VAN NOOD OP fig. 73 Om de achterklep vanuit het interieur te openen (bij een lege accu of bij een storing in het elektrische systeem van de achterklep zelf), moet als volgt te werk worden gegaan (zie Bagageruimte vergroten in dit hoofdstuk): verwijder de hoofdsteunen achter; klap de zittingen van de achterbank om: klap de rugleuningen naar voren; voor het mechanisch ontgrendelen van de achterklep, moet u in de bagageruimte dop A verwijderen en het hendeltje B bedienen. L0C0180m fig. 74 L0C0103m fig. 75 L0C0104m HOEDPLANK VERWIJDER fig Als u de hoedenplank wilt verwijderen om de bagageruimte te vergroten, ga dan als volgt te werk: haak de twee trekkoorden (een per zijde) los uit de bevestigingspennen B; trek de hoedenplank naar buiten door de pennen C uit de zittingen te verwijderen.
76 fig. 76 L0C0028m BAGAGERUIMTE VERGROT (uitvoeringen met ondeelbare achterbank) fig. 76 Gedeeltelijke vergroting Trek hendel A omhoog (vanuit het interieur) of trek aan de lip in het midden van de bagageruimte en plaats de bank naar voren. fig. 77 L0C0184m Trek hendel B omhoog om de rugleuning te ontgrendelen; Klap de rugleuning iets naar voren en verwijder de hoofdsteunen van de achterbank (indien aanwezig). Klap de rugleuning neer. Achterbank terugzetten Voer de beschreven handelingen in omgekeerde volgorde uit. Controleer of de gordels in de sluitingen aan de zijkant zitten ( zoals afgebeeld in fig. 77) voordat u de zitting terugklapt, zodat ze altijd bereikbaar zijn. Voor het terugplaatsen van de zitting moet de achterzijde eerst onder de rugleuning worden geschoven en vervolgens de voorzijde worden aangedrukt. BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met Isofix-bevestigingen (zie paragraaf Montagevoorbereiding voor Isofix-kinderzitjes in het hoofdstuk Veiligheid ), let er dan bij het terugplaatsen van de zitting op dat deze onder deze bevestigingen wordt geschoven. START LAMPJES Maximale vergroting Verwijder de hoedenplank zoals hiervoor beschreven; Trek hendel A omhoog of trek aan de lip in het midden van de bagageruimte en zet de bank geheel naar achteren; Til de zitting aan de voorzijde (1) omhoog (zoals afgebeeld) en klap de zitting aan de achterzijde (2) naar voren. ZORG 75
77 START LAMPJES ZORG 76 fig. 78 L0C0056m BAGAGERUIMTE VERGROT (uitvoeringen met deelbare achterbank) fig Gedeeltelijke vergroting Trek hendel A omhoog (vanuit het interieur) of trek aan de lip in het midden van de bagageruimte en plaats de bank naar voren. Maximale vergroting Verwijder de hoedenplank zoals hiervoor beschreven; Trek hendel A omhoog of trek aan de lip in het midden van de bagageruimte en zet de bank geheel naar achteren; fig. 79 L0C0074m fig. 80 L0C0184m Til het deel van de zitting dat u wilt neerklappen, aan de voorzijde (1) omhoog, en klap de zitting aan de achterzijde (2) naar voren; klap beide zittingen naar voren als u de rugleuning geheel wilt neerklappen. Trek hendel B of C omhoog of trek aan de lippen aan de zijkant D of E in de bagageruimte om het deel van de rugleuning dat u wilt neerklappen, te ontgrendelen; beide delen als u de rugleuning geheel wilt neerklappen. Klap de rugleuning iets naar voren en verwijder de hoofdsteunen van de achterbank (indien aanwezig). Klap een of beide rugleuningen neer. Achterbank terugzetten Voer de beschreven handelingen in omgekeerde volgorde uit. Controleer of de gordels in de sluitingen aan de zijkant zitten (zoals afgebeeld in fig. 80) voordat u de zitting terugklapt, zodat ze altijd bereikbaar zijn. Voor het terugplaatsen van de zitting moet de achterzijde eerst onder de rugleuning worden geschoven en vervolgens de voorzijde worden aangedrukt. BELANGRIJK Als de auto is uitgerust met Isofix-bevestigingen (zie paragraaf Montagevoorbereiding voor Isofix-kinderzitjes in het hoofdstuk Veiligheid ), let er dan bij het terugplaatsen van de zitting op dat deze onder deze bevestigingen wordt geschoven.
78 MOTORKAP OP Ga als volgt te werk: trek de hendel A-fig. 81 in de richting van de pijl; plaats het hendeltje B-fig. 82 naar links zoals aangegeven door de pijl; til de motorkap op en trek gelijktijdig de steunstang C-fig. 83 uit de klem D-fig. 83; steek vervolgens het uiteinde van de stang in de grote opening E-fig. 83 in de motorkap en druk de stang in de veilige stand (kleine opening) zoals afgebeeld. BELANGRIJK Controleer of de armen van de ruitenwissers tegen de ruit aanstaan voordat u de motorkap optilt. fig. 81 L0C0021m fig. 83 L0C0220m fig. 82 L0C0022m SLUIT Ga als volgt te werk: houd de motorkap met een hand omhoog, schuif en trek met de andere hand de stang C-fig. 83 uit de zitting D en plaats de steunstang terug in de klem; laat de motorkap tot op ongeveer 20 cm van de motorruimte zakken, laat de motorkap vallen en controleer of de motorkap goed is gesloten door de motorkap op te tillen. De motorkap mag niet alleen door de beveiliging vergrendeld zijn. Druk in dit laatste geval de motorkap niet dicht, maar til hem opnieuw op en herhaal de handeling. BELANGRIJK Controleer altijd of de motorkap vergrendeld is om te voorkomen dat deze tijdens het rijden opengaat. START LAMPJES ZORG 77
79 START LAMPJES ATTTIE Om veiligheidsredenen moet de motorkap tijdens het rijden altijd goed gesloten zijn. Controleer daarom altijd of de motorkap goed vergrendeld is. Als u tijdens het rijden merkt dat de motorkap niet goed is vergrendeld, stop dan onmiddellijk en sluit de motorkap op de juiste wijze. ALLESDRAGERS BELANGRIJK Wij raden u het gebruik aan van allesdragers uit het Lancia Lineaccesori-programma. U dient zich strikt aan de montagevoorschriften te houden die bij de set zijn geleverd. De montage moet altijd door deskundige personen worden uitgevoerd. BELANGRIJK Overschrijd nooit het maximum draagvermogen (zie het hoofdstuk Technische gegevens ). Controleer na enkele kilometers opnieuw of de bevestigingsbouten nog goed vastzitten. KOPLAMP KOPLAMP AFSTELL Goed afgestelde koplampen zijn belangrijk voor het comfort en de veiligheid van uzelf en de overige weggebruikers. Voor optimaal zicht en zichtbaarheid moeten de koplampen op de juiste wijze zijn afgesteld. Wendt u voor controle of afstelling tot de Lancia-dealer. ZORG ATTTIE Als de steunstang verkeerd geplaatst wordt, kan de motorkap onverwachts dichtvallen. Open het opendak niet als er allesdragers gemonteerd zijn. ATTTIE Voer deze handeling alleen uit als de auto stilstaat. 78
80 fig. 84 L0C0232m HOOGTEVERSTELLING VAN DE KOPLAMP fig. 84 De stand kan worden geregeld als de contactsleutel in stand MAR staat en de dimlichten zijn ingeschakeld. Als de auto beladen is, helt hij achterover. Het gevolg is dat de lichtbundel meer naar boven schijnt. De stand van de koplampen moet nu worden gecorrigeerd. Koplampverstelling De koplampen kunnen worden versteld met de knoppen ö en õ op het dashboard. Op het display van het instrumentenpaneel wordt de stand fig. 85 aangegeven. Stand 0 - een of twee personen op de voorstoelen. Stand 1 - vijf personen. Stand 2 - vijf personen + bagage. Stand 3 - bestuurder + maximale lading in de bagageruimte. BELANGRIJK Controleer de afstelling van de koplampen telkens als het gewicht van de lading wijzigt. KOPLAMPAFSTELLING IN HET BUITLAND De dimlichten zijn afgesteld voor gebruik in het land waarin de auto is verkocht. In landen waar op de andere weghelft wordt gereden, moeten, om tegenliggers niet te verblinden, delen van de koplamp worden afgedekt (zie voor de plaats en afmetingen de afbeeldingen). Gebruik voor het afplakken ondoorzichtige tape. De afbeeldingen fig hebben betrekking op de overgang van een land waar rechts wordt gereden naar een land waar links wordt gereden. START LAMPJES fig. 85 L0C0078m fig. 86 L0C0178m fig. 87 L0C0179m ZORG 79
81 START LAMPJES ZORG 80 ABS Het ABS dat geïntegreerd is in het remsysteem, voorkomt dat tijdens het remmen de wielen blokkeren, ongeacht de conditie van het wegdek en de pedaaldruk, en verhindert daarmee het doorslippen van een of meerdere wielen. Hierdoor blijft de auto bestuurbaar, zelfs bij noodstops. Het systeem wordt gecompleteerd met een elektronische remdrukverdeling EBD (Electronic Braking Force Distribution), die de remdruk verdeelt tussen de voor- en achterwielen. BELANGRIJK Voor een maximale werking van het remsysteem is een inrijperiode nodig van ongeveer 500 km: in deze periode moet bruusk, herhaaldelijk en langdurig remmen worden vermeden. ACTIVERING VAN HET SYSTEEM Als het ABS in werking treedt, merkt de bestuurder dit aan een trilling in het rempedaal, die gepaard gaat met enig geluid: dit geeft aan dat het noodzakelijk is uw snelheid aan te passen aan de beschikbare grip op het wegdek. Als het ABS in werking treedt, dan is de grip van de banden op het wegdek beperkt: u dient uw snelheid te verlagen en aan te passen aan de beschikbare grip. STORINGSMELDING Storing in ABS Bij een storing brandt het waarschuwingslampje > op het instrumentenpaneel en verschijnt er een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS. Rijd voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Lancia-dealer om het systeem te laten controleren. ATTTIE Als het ABS in werking treedt, dan is de grip van de banden op het wegdek beperkt: u dient uw snelheid te verlagen en aan te passen aan de beschikbare grip. ATTTIE Het ABS maakt zoveel mogelijk gebruik van de beschikbare grip maar kan deze niet verhogen. Daarom moet op gladde weggedeelten altijd voorzichtig worden gereden en mogen er geen onnodige risico s worden genomen. Storing in EBD Bij een storing branden de waarschuwingslampjes > en x op het instrumentenpaneel en verschijnt er een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). In dit geval kunnen bij krachtig remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan slippen. Rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Lancia-dealer om het systeem te laten controleren. BRAKE ASSIST (remregeling bij noodstops) (indien aanwezig) Dit is een onderdeel van het ESP. Deze functie, die niet kan worden uitgeschakeld, herkent noodstops (op basis van de snelheid waarmee het rempedaal wordt ingetrapt) en verhoogt de druk in het remcircuit aanzienlijk. De Brake Assist wordt uitgeschakeld bij een storing in het ESP (het lampje á brandt en er verschijnt een bericht op het display).
82 ATTTIE Als het ABS in werking treedt, merkt u dat aan een trilling in het rempedaal. Verlaag de remdruk niet maar houd het rempedaal juist goed ingetrapt; op deze manier hebt u de kortste remweg in relatie tot de conditie van het wegdek. ATTTIE Als het waarschuwingslampje x op het instrumentenpaneel gaat branden en op het display verschijnt ook een bericht, stop dan onmiddellijk en wendt u tot de Lancia-dealer. Als er vloeistof lekt uit het hydraulische systeem, wordt de werking van zowel het conventionele remsysteem als het ABS in gevaar gebracht. ESP-SYSTEEM (Electronic Stability Program) (indien aanwezig) Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft. De werking van het ESP is uitermate nuttig als de grip op het wegdek wisselt. ACTIVERING VAN HET SYSTEEM Bij activering gaat het lampje á op het instrumentenpaneel knipperen, om de bestuurder er op te wijzen dat de auto de stabiliteit en de grip dreigt te verliezen. ATTTIE De prestaties van het ESP-systeem mogen de bestuurder er niet toe verleiden onnodige en onverantwoorde risico s te nemen. De rijstijl moet altijd zijn aangepast aan het wegdek, het zicht en het verkeer. De verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid ligt altijd en overal bij de bestuurder van de auto. INSCHAKELING VAN HET SYSTEEM Het ESP wordt automatisch ingeschakeld als de motor wordt gestart en kan niet worden uitgeschakeld. STORINGSMELDING Bij een storing in het ESP wordt het systeem automatisch uitgeschakeld en gaat het lampje á op het instrumentenpaneel continu branden. Bovendien verschijnt een bericht op het multifunctionele display (zie hoofdstuk Lampjes en berichten ). Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. START LAMPJES ZORG 81
83 START LAMPJES ZORG 82 HILL HOLDER SYSTEEM (indien aanwezig) Dit in het ESP geïntegreerde systeem helpt bij het wegrijden op een helling. Het systeem schakelt automatisch in als: Omhoog: de auto stilstaat op een helling van meer dan 2% met draaiende motor, ingetrapt rem- en koppelingspedaal en versnellingsbak in vrij of als een andere versnelling dan de achteruit is ingeschakeld. Omlaag: de auto stilstaat op een helling van meer dan 2% met draaiende motor, ingetrapt rem- en koppelingspedaal en als de achteruit is ingeschakeld. Tijdens het wegrijden zorgt de regeleenheid van het ESP ervoor dat de wielen geremd blijven, totdat het noodzakelijke motorkoppel is bereikt om weg te rijden (of maximaal 2 seconden), zodat u meer tijd heeft om uw rechter voet van het rempedaal naar het gaspedaal te verplaatsen. Als u na 2 seconden niet bent weggereden, schakelt het systeem automatisch uit en wordt de remdruk geleidelijk verlaagd. Tijdens deze fase kunt u een typisch geluid horen. Dit geluid betekent dat de auto ieder moment in beweging kan komen. Storingsmeldingen Bij een eventuele storing gaat het lampje * op het instrumentenpaneel branden en verschijnt er een bericht op het multifunctionele display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). BELANGRIJK Het Hill Holder-systeem is geen handrem; verlaat dus nooit de auto zonder de handrem aan te trekken, de motor uit te zetten en de eerste versnelling in te schakelen. ATTTIE Als eventueel met het noodreservewiel wordt gereden, dan blijft het ESP ingeschakeld. Blijf er echter rekening mee houden dat het noodreservewiel kleiner is dan de normale band en dat daarom de grip lager is dan bij de andere banden van de auto. ATTTIE Voor de juiste werking van het ESP is het noodzakelijk dat de banden van alle wielen van hetzelfde merk en type zijn. De banden moeten in perfecte conditie zijn en de voorgeschreven afmetingen hebben. ASR (Antislip Regulation) (indien aanwezig) Het ASR-systeem controleert de trekkracht van de auto en grijpt automatisch in als een of beide aangedreven wielen dreigen door te slippen. Afhankelijk van de oorzaak van het doorslippen, worden er twee verschillende regelsystemen geactiveerd: als beide aangedreven wielen doorslippen, vermindert de ASR het motorvermogen; als slechts een aangedreven wiel doorslipt, zorgt de ASR ervoor dat het wiel automatisch wordt afgeremd. Het ASR-systeem is vooral nuttig onder de volgende omstandigheden: doorslippen van het binnenste wiel in bochten, door verandering van de wielbelasting of door te felle acceleratie; te hoog vermogen naar de wielen, ook in samenhang met de condities van het wegdek; acceleratie op gladde wegen en bij sneeuw en ijzel; verlies van grip op natte weggedeelten (aquaplaning).
84 IN-/UITSCHAKELING VAN HET SYSTEEM fig. 88 Het ASR-systeem schakelt automatisch in als de motor wordt gestart. De in-/uitschakeling van het systeem wordt aangegeven door het verschijnen van een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). Tijdens het rijden kan het ASR-systeem worden uitgeschakeld en vervolgens weer ingeschakeld door de schakelaar A op de middenconsole in te drukken. Als het systeem is uitgeschakeld dan brandt het lampje op de schakelaar. Als het ASR-systeem tijdens het rijden wordt uitgeschakeld, schakelt het automatisch weer in als de auto opnieuw wordt gestart. Schakel het ASR-systeem uit als u met sneeuwkettingen rijdt: onder deze omstandigheden levert het doorslaan van de aangedreven wielen juist meer trekkracht op. fig. 88 L0C0233m ATTTIE De prestaties van het systeem mogen de bestuurder er niet toe verleiden onnodige en onverantwoorde risico s te nemen. De rijstijl moet altijd zijn aangepast aan het wegdek, het zicht en het verkeer. De verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid ligt altijd en overal bij de bestuurder van de auto. ATTTIE Voor de juiste werking van de ASR is het noodzakelijk dat de banden van alle wielen van hetzelfde merk en type zijn. De banden moeten in perfecte conditie en altijd van het voorgeschreven type, merk en afmetingen zijn. EOBD-SYSTEEM Met het EOBD-systeem (European On Board Diagnosis) kan een doorlopende diagnose worden uitgevoerd op die componenten op de auto die van invloed zijn op de emissie. Bovendien meldt het systeem, door het branden van het lampje U op het instrumentenpaneel en het verschijnen van een bericht op het display (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ) dat de betreffende componenten defect zijn. Het doel is: de werking van het systeem controleren; signaleren wanneer door een storing de emissies boven de wettelijk vastgestelde drempelwaarde uitkomen; signaleren wanneer het noodzakelijk is defecte componenten te vervangen. Het systeem beschikt verder nog over een diagnosestekker die het mogelijk maakt, na het aansluiten van speciale apparatuur, de door de regeleenheid opgeslagen storingscodes en de specifieke parameters voor de diagnose en werking van de motor te lezen. Deze controle kan ook worden uitgevoerd door de verkeerspolitie. START LAMPJES ZORG 83
85 START LAMPJES ZORG BELANGRIJK Na het verhelpen van de storing moet de Lancia-dealer voor een complete controle van het systeem, tests uitvoeren op een testbank en, zo nodig, een proefrit maken die eventueel een langere afstand kan omvatten. Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje U gaat niet branden of het gaat branden of knipperen tijdens het rijden (er verschijnt ook een bericht op het display), wendt u dan zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. De werking van het lampje U kan worden gecontroleerd met behulp van speciale apparatuur van de verkeerspolitie. Houdt u aan de wetgeving van het land waarin u rijdt. AUTORADIO (indien aanwezig) Als de auto niet is uitgerust met de inbouwvoorbereiding autoradio, beschikt u op het dashboard en in de portieren over een aantal opbergvakken, die de functionaliteit van het interieur vergroten. Raadpleeg voor de werking van de autoradio met CD- of MP3 CD-speler (indien aanwezig) het supplement dat bij dit instructieboekje is geleverd. TECHNI Het systeem bestaat uit: 2 tweeter luidsprekers met elk een piekvermogen van 30W; 2 mid-woofer luidsprekers voor met een diameter van 165 mm en met elk een piekvermogen van 30W; 2 full-range luidsprekers achter met een diameter van 165 mm en met elk een piekvermogen van 30W. BOSE HIFI-AUDIO- SYSTEEM (indien aanwezig) Het BOSE hifi-systeem is speciaal ontwikkeld om de beste akoestische prestaties te leveren en een concert levensecht te laten klinken op iedere plaats in het interieur. Eén van de belangrijke kenmerken van het systeem is de kristalheldere weergave van de hoge tonen en de volle en rijke bassen, waardoor een betere weergave ontstaat dan bij de Loudness-functie. Bovendien worden de klanken in het gehele interieur weergegeven, waardoor de inzittenden het gevoel van ruimtelijkheid krijgen zoals bij het beluisteren van levende muziek. De componenten van het systeem zijn onder licentie gefabriceerd en ontwikkeld met de meest geavanceerde technologie. De bediening van de autoradio is echter eenvoudig, zodat ook minder ervaren mensen het systeem op de beste manier kunnen gebruiken. 84
86 TECHNI Het systeem bestaat uit: Breedbandluidsprekers met een diameter van 165 mm met coaxiale tweeter van 50 mm, ingebouwd in de voorportieren. Mid-woofer luidsprekers met een diameter van 150 mm, ingebouwd in de panelen achter, voor een optimale weergave van frequenties in het middelste en lage bereik. Een sub-woofer-box, type Bassreflex, in de bagageruimte, die een woofer bevat met een diameter van 130 mm en een dubbele spoel. Een versterker met uitgangsvermogen uit 6 gescheiden kanalen, op de carrosserie geplaatst achter de sub-woofer-box, voor het aansturen van alle luidsprekers in de auto. EXTRA ACCESSOIRES Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (autoradio, anti-diefstalsatellietbewaking enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, wendt u dan tot de Lancia-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties aanraden uit het Lancia Lineaccessori-programma en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren. ELEKTRI/ELEKTRONI- SYSTEM MONTER De elektrische/elektronische systemen die na aankoop van de auto en binnen de aftersales-service worden gemonteerd, moeten voorzien zijn van het merkteken: Fiat Auto S.p.A. autoriseert de montage van zendontvangapparatuur op voorwaarde dat de montagewerkzaamheden op de juiste wijze bij een gespecialiseerd bedrijf worden uitgevoerd, waarbij de aanwijzingen van de fabrikant in acht moeten worden genomen. BELANGRIJK Als door de montage van systemen de kenmerken van de auto worden gewijzigd, kan het rijbewijs worden ingenomen door de bevoegde instanties en eventueel de garantie komen te vervallen bij defecten die veroorzaakt zijn door de bovengenoemde modificatie of bij defecten die direct of indirect daarvan het gevolg zijn. Fiat Auto S.p.A. is op geen enkele wijze verantwoordelijk voor schade die het gevolg is van de installatie van accessoires die niet door Fiat Auto S.p.A. zijn geleverd of aanbevolen en die niet conform de geleverde instructies zijn geïnstalleerd. START LAMPJES ZORG 85
87 START LAMPJES ZORG RADIOZDAPPARATUUR MOBIELE TELEFOON Radiozendapparaten (mobiele telefoons, 27 mc en dergelijke) mogen alleen in de auto worden gebruikt met een aparte antenne aan de buitenkant van de auto. BELANGRIJK Het gebruik van dergelijke apparaten in de auto (zonder buitenantenne) kan niet alleen schadelijk zijn voor de gezondheid van de inzittenden, maar kan ook storingen in de elektrische systemen van de auto veroorzaken. Hierdoor wordt de veiligheid in gevaar gebracht. Bovendien wordt de zend- en ontvangstkwaliteit aanzienlijk beperkt door de isolerende eigenschappen van de carrosserie. Houdt u bij het gebruik van mobiele telefoons (GSM, GPRS, UMTS) met het officiële keurmerk, strikt aan de instructies die door de fabrikant van de mobiele telefoon zijn bijgeleverd. ELEKTRI STUURBEKRACH- TIGING DUAL- DRIVE De auto is uitgerust met de elektrische stuurbekrachtiging Dualdrive. De elektrische stuurbekrachtiging werkt alleen als de contactsleutel in stand MAR staat en de motor draait. Met het systeem kan de bestuurder de hulpkracht voor het verdraaien van het stuur aanpassen aan de rij-omstandigheden. IN-/UITSCHAKEL (CITY-functie) fig. 89 Druk voor het in-/uitschakelen van de functie op de knop CITY op het middelste deel van het dashboard. Als deze functie wordt ingeschakeld, verschijnt het opschrift CITY op het display van het instrumentenpaneel. Met ingeschakelde CITY-functie draait het stuur heel licht, waardoor makkelijker kan worden geparkeerd: deze instelling van de stuurbekrachtiging is dus zeer geschikt voor het rijden in de stad. fig. 89 L0C0234m STORINGSMELDING Eventuele storingen in het systeem worden aangegeven door het branden van het lampje g op het instrumentenpaneel (op het display verschijnt ook een bericht - zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ). Bij een storing in het systeem blijft de auto mechanisch bestuurbaar. BELANGRIJK De benodigde stuurkracht kan toenemen bij langdurige parkeermanoeuvres; dit is een normaal verschijnsel om oververhitting van de motor voor de stuurbekrachtiging te voorkomen, in deze situatie zijn er geen reparaties vereist. Als u de auto een volgende keer weer gebruikt, zal de stuurbekrachtiging weer normaal werken. 86
88 ATTTIE Het is streng verboden om de-/montagewerkzaamheden uit te voeren, waarvoor wijzigingen in de stuurinrichting of de stuurkolom vereist zijn (bijv. bij montage van een diefstalbeveiliging). Hierdoor kunnen de prestaties van het systeem, de garantie en de veiligheid in gevaar worden gebracht en voldoet de auto niet meer aan de typegoedkeuring. ATTTIE Zet altijd de motor uit en verwijder de contactsleutel uit het contactslot, waardoor het stuurwiel wordt vergrendeld, voordat er onderhoudswerkzaamheden worden uitgevoerd, vooral als de auto met de wielen los van de grond staat. Als dit niet mogelijk is (als de sleutel in stand MAR moet staan of de motor moet draaien), moet de hoofdzekering van de elektrische stuurbekrachtiging worden verwijderd. PARKEERSSOR (indien aanwezig) Deze bevindt zich in de achterbumper van de auto fig. 90 en attendeert de bestuurder via een repeterend geluidssignaal op de aanwezigheid van obstakels achter de auto. ACTIVERING Het sensorsysteem wordt automatisch geactiveerd als de achteruit wordt ingeschakeld. Als de afstand tot het obstakel achter de auto kleiner wordt, neemt de frequentie van het geluidssignaal toe. AKOES WAARSCHUWINGSSYSTEEM Als de achteruit wordt ingeschakeld, klinkt er automatisch een onderbroken geluidssignaal. De frequentie van het geluidssignaal: neemt toe als de afstand tot het obstakel kleiner wordt; het geluidssignaal klinkt ononderbroken als de afstand tot het obstakel minder is dan ongeveer 30 cm en stopt onmiddellijk als de fig. 90 L0C0023m afstand tot het obstakel groter wordt; blijft constant als de afstand tot het obstakel constant blijft. Meetbereik Meetbereik in het midden 120 cm Meetbereik aan de zijkant 60 cm Als het sensorsysteem meerdere obstakels signaleert, dan reageert het alleen op die obstakels die zich het dichtst bij de auto bevinden. STORINGSMELDING Een storing in de parkeersensor wordt tijdens het inschakelen van de achteruit aangegeven door een geluidssignaal met een duur van 3 seconden. START LAMPJES ZORG 87
89 START LAMPJES ZORG 88 WERKING MET AANHANGER De werking van de sensor wordt automatisch uitgeschakeld als de stekker van de elektrische kabel van de aanhanger wordt aangesloten op de stekkerdoos van de trekhaak. De sensor wordt automatisch weer ingeschakeld als u de aanhangerstekker loskoppelt. ALGEME OPMERKING Controleer tijdens parkeermanoeuvres of zich geen obstakels op of onder het sensorsysteem bevindt. Obstakels die zich dicht bij de voor- of achterkant van de auto bevinden, worden onder bepaalde omstandigheden niet door het systeem gesignaleerd en kunnen dus de auto beschadigen of zelf beschadigd worden. De metingen van het sensorsysteem kunnen beïnvloed worden/ zijn door beschadiging van de sensor zelf, door vuil, sneeuw of ijs op de sensor of door ultrasone systemen (bijv. luchtdrukremmen van vrachtwagens of pneumatische hamers) die zich in de nabijheid bevinden. Voor een juiste werking van het systeem mag er geen modder, vuil, sneeuw of ijs op de sensor zitten. Wees voorzichtig bij het reinigen van de sensor om krassen of beschadigingen te voorkomen; gebruik geen droge, grove of harde doek. De sensor moet worden gereinigd met schoon water, waaraan eventueel autoshampoo is toegevoegd. In wastunnels waar gebruik wordt gemaakt van stoom of hogedrukreiniging, moeten het sensorsysteem kort worden gereinigd. Houd hierbij de straalpijp op meer dan 10 cm afstand. ATTTIE De verantwoordelijkheid tijdens het parkeren en andere gevaarlijke handelingen ligt altijd en overal bij de bestuurder. Controleer als u de auto parkeert of zich geen personen (in het bijzonder kinderen) of dieren in de buurt van de auto bevinden. De parkeersensor moet als een hulpmiddel voor de bestuurder beschouwd worden. De bestuurder moet tijdens eventueel gevaarlijke parkeermanoeuvres altijd volledig zijn aandacht behouden, ook als deze met lage snelheid worden uitgevoerd. TANK MET DE LANCIA YPSILON BZINEMOTOR Tank uitsluitend loodvrije benzine. Om vergissingen te voorkomen is de diameter van de vulpijp van de tank kleiner, zodat het vulpistool voor loodhoudende benzine er niet in past. Het octaangetal van de benzine moet ten minste 95 RON zijn. BELANGRIJK Een beschadigde katalysator laat schadelijke stoffen in het uitlaatgas achter, waardoor het milieu wordt vervuild. BELANGRIJK Tank met de auto nooit, niet in noodgevallen en ook niet een klein beetje, loodhoudende benzine. U zou de katalysator onherstelbaar beschadigen. MULTIJET MOTOR Bij lage buitentemperaturen kan de vloeibaarheid van de dieselbrandstof verminderen door de vorming van paraffine, waardoor het brandstofsysteem niet meer goed werkt. Om dit probleem te voorkomen wordt er, afhankelijk van het seizoen, dieselbrandstof geleverd die speciaal voor de zomer, voor de win-
90 ter en voor zeer lage temperaturen (bergachtige gebieden) is ontwikkeld. Als dieselbrandstof wordt getankt die niet toereikend is voor de gebruikstemperatuur, raden wij aan de dieselbrandstof te mengen met het vorstbeveiligingsmiddel TUTE- LA DIESEL ART in de verhouding die in de gebruiksaanwijzing van het middel is aangegeven. Doe eerst het middel in de tank en voeg daarna de dieselbrandstof toe. Als de auto lange tijd wordt gebruikt/stilstaat in bergachtige /koude gebieden, is het raadzaam dieselbrandstof te tanken die ter plaatse beschikbaar is. In dat geval is het bovendien raadzaam een hoeveelheid brandstof in de tank te houden die groter is dan 50% van de nuttige inhoud. fig. 91 L0C0024m Tank bij auto s met dieselmotor uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen die voldoet aan de Europese specificatie 590. Het gebruik van andere producten of mengsels kan de motor onherstelbaar beschadigen en het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. Mocht u onverhoopt een ander type brandstof tanken, dan mag de motor niet worden gestart en moet de brandstoftank worden afgetapt. Ook als de motor slechts kort heeft gedraaid, moet naast de brandstoftank, ook alle brandstof uit de brandstofleidingen worden afgetapt. TANKDOP fig. 91 De tankdop A is voorzien van een koord B dat aan klepje C vastzit, om verlies van de dop te voorkomen. Open eerst klepje C en draai dan dop A los. Door de hermetische afsluiting van de tank kan de druk in de tank iets verhoogd zijn. Het is daarom normaal als u bij het losdraaien van de tankdop een sissend geluid hoort. Plaats tijdens het tanken de dop in de uitsparing op het tankklepje, zoals afgebeeld in de figuur. ATTTIE Kom niet dicht bij de vulopening met open vuur of een brandende sigaret: brandgevaar. Houd uw hoofd ook niet dichtbij de vulopening om te voorkomen dat u schadelijke dampen inademt. START LAMPJES ZORG 89
91 START LAMPJES ZORG BERMING VAN HET MILIEU De emissiereductiesystemen voor benzinemotoren zijn: driewegkatalysator (katalysator); lambdasondes; benzinedamp-opvangsysteem. Laat de motor nooit, ook niet tijdens testwerkzaamheden, met losgenomen bougiekabels draaien. De emissiereductiesystemen voor dieselmotoren zijn: oxidatiekatalysator; uitlaatgasrecirculatie-systeem (E.G.R.); roetfilter (DPF). DPF-ROETFILTER (Diesel Particulate Filter) (1.3 Multijet 90 pk) Het DPF-roetfilter (Diesel Particulate Filter) is een mechanisch filter in het uitlaatsysteem dat de partikels in het uitlaatgas van dieselmotoren opvangt. Het filter vangt bijna de totale hoeveelheid roetdeeltjes op, waardoor voldaan wordt aan de huidige/toekomstige wettelijke normen. Tijdens het normale gebruik van de auto registreert de inspuitregeleenheid een aantal gegevens met betrekking tot het gebruik (gebruiksduur, type traject, bereikte temperatuur enz.) en berekent de hoeveelheid verzameld roet in het filter. Het filter verzamelt de roetdeeltjes en moet periodiek worden geregenereerd (schoongemaakt) door de roetdeeltjes te verbranden. De regeneratieprocedure wordt geregeld door de regeleenheid van de motor op basis van de hoeveelheid opgevangen roetdeeltjes en de bedrijfsomstandigheden van de auto. Tijdens de regeneratie kan het volgende worden waargenomen: een beperkte toerentalverhoging, inschakeling van de elektroventilator, een beperkte toename van de rook uit de uitlaat en een hogere temperatuur bij de uitlaat. Dit zijn geen storingen en deze situatie heeft geen invloed op het milieu of het gedrag van de auto. Als het betreffende bericht op het display verschijnt, zie dan de paragraaf Lampjes en berichten. ATTTIE Onder normale bedrijfsomstandigheden bereikt de katalysator hoge temperaturen. Parkeer daarom niet boven brandbare materialen (gras, droge bladeren, dennennaalden enz.): brandgevaar. 90
92 SGORDELS GORDELSPANNERS KINDER VEILIG VERVOER MONTAGEVOORBEREIDING VOOR ISOFIX -KINDERZITJE FRONTAIRBAGS ZIJ-AIRBAGS (Sidebags - Headbags) START LAMPJES ZORG 91
93 START LAMPJES ZORG 92 S- GORDELS GEBRUIK VAN DE SGORDELS fig. 1 Ga goed rechtop zitten, steun tegen de rugleuning en leg dan de gordel om. Trek de gordel uit en maak de gordel vast door de gesp A in de sluiting B te drukken, totdat hij hoorbaar blokkeert. Als tijdens het uittrekken van de gordel de rolautomaat blokkeert, laat dan de gordel een stukje teruglopen en trek de gordel vervolgens weer geleidelijk uit. Druk, om de gordel los te maken, op de knop C. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen om te voorkomen dat de gordelband draait. Via de rolautomaat wordt de lengte van de gordel automatisch aangepast aan het postuur van de drager, waarbij voldoende bewegingsruimte overblijft. Als de auto op een steile helling staat, kan de rolautomaat blokkeren; dit is een normaal verschijnsel. Bovendien blokkeert de rolautomaat als u de gordel snel uittrekt. Hij blokkeert ook bij hard remmen, botsingen en bij hoge snelheden in bochten. fig. 1 L0C0038m De zijzitplaatsen van de achterbank zijn voorzien van driepuntsveiligheidsgordels met rolautomaat. Als optional (alleen bij uitvoeringen met 5 zitplaatsen) kan de middelste zitplaats achter worden uitgerust met een driepuntsveiligheidsgordel met rolautomaat. BELANGRIJK Bedenk dat achterpassagiers die geen gordel dragen, tijdens een ernstig ongeval niet alleen zelf aan gevaar worden blootgesteld maar ook gevaar opleveren voor de inzittenden voor. ATTTIE Druk tijdens het rijden niet op de knop C. SBR-systeem (indien aanwezig) De auto is uitgerust met het SBR-systeem (Seat Belt Reminder), dat bestaat uit een akoestisch waarschuwingssysteem dat, samen met het knipperende lampje < op het instrumentenpaneel, de bestuurder waarschuwt als de veiligheidsgordel niet is omlegd. Het akoestische signaal kan tijdelijk (totdat de motor wordt uitgezet) worden uitgeschakeld. Ga hiervoor als volgt te werk: maak de veiligheidsgordel aan bestuurderszijde vast; draai de contactsleutel in stand MAR; wacht langer dan 20 seconden en maak dan ten minste een van de veiligheidsgordels los. Voor permanente uitschakeling, dient u zich tot de Lancia-dealer te wenden. Het SBR-systeem kan uitsluitend weer worden ingeschakeld in het setupmenu (zie de paragraaf niet omgelegde veiligheidsgordels in het hoofdstuk Lampjes en berichten ). ATTTIE Bedenk dat achterpassagiers die geen gordel dragen, tijdens een ernstig ongeval niet alleen zelf aan gevaar worden blootgesteld maar ook gevaar opleveren voor de inzittenden voor.
94 fig. 2/b L0C0263m Gordel losmaken: druk op de knop O. Begeleid de gordel tijdens het teruglopen om te voorkomen dat de gordelband draait. Bagageruimte vergroten: haak de sluiting met de zwarte knop M los en begeleid de gordel tijdens het teruglopen om te voorkomen dat de gordelband draait; plaats de gesp G in het opbergvak H in de rolautomaat. BELANGRIJK Als de veiligheidsgordels achter niet worden gebruikt, plaats dan de gesp, zoals is afgebeeld in fig. 2/b. fig. 3 L0C0096m HOOGTEVERSTELLING VAN DE SGORDELS VOOR fig. 3-4 De hoogte van de gordel moet altijd worden aangepast aan het postuur van de inzittende. Zo wordt de kans op letsel bij een ongeval aanzienlijk verkleind. De gordel is goed afgesteld als hij over de schouder halverwege tussen nek en uiteinde van de schouder ligt, zoals is afgebeeld. Druk om de hoogte in te stellen op de knop A en schuif de beugel B omhoog of omlaag. START fig. 2/a L0C0189m Driepuntsveiligheidsgordel achter met rolautomaat (bepaalde uitvoeringen/markten) fig. 2/a De veiligheidsgordel is uitgerust met twee sluitingen en twee gespen. Voor het gebruik van de veiligheidsgordel moet u de gespen uit de rolautomaat halen en de gordel voorzichtig en rustig uittrekken om te voorkomen dat de gordelband draait. Druk vervolgens de gesp G in de sluiting L die voorzien is van een zwarte knop M. Om de gordel om te leggen, moet de gordel nog iets verder worden uitgetrokken en de gesp M in de sluiting N worden gestoken. ATTTIE Bedenk dat achterpassagiers die geen gordel dragen, tijdens een ernstig ongeval niet alleen zelf aan gevaar worden blootgesteld maar ook gevaar opleveren voor de inzittenden voor. BELANGRIJK Als de zitplaatsen weer in de normale stand staan, moet de gordel weer gebruiksklaar zijn (zoals hiervoor beschreven). ATTTIE Druk tijdens het rijden niet op de knop C. LAMPJES ZORG 93
95 START LAMPJES ZORG 94 fig. 4 L0C0039m ATTTIE De veiligheidsgordels mogen alleen worden versteld als de auto stilstaat. ATTTIE Controleer na het afstellen altijd of de beugel vergrendeld is in een van de vaste standen. Laat hiervoor de knop los en trek de gordel omlaag, zodat het bevestigingspunt blokkeert, als dit nog niet heeft plaatsgevonden. GORDELSPANNERS Voor een nog effectievere bescherming zijn de veiligheidsgordels voor voorzien van gordelspanners. Dit systeem wordt bij een heftige frontale botsing door een sensor in werking gesteld en trekt de gordel enige centimeters aan. Op deze wijze worden de inzittenden veel beter op hun plaats gehouden en wordt de voorwaartse beweging beperkt. Het blokkeren van de veiligheidsgordel geeft aan dat de gordelspanner in werking is geweest; de gordel wordt niet meer opgerold, ook niet als hij wordt begeleid. BELANGRIJK Voor een maximale bescherming door de gordelspanner moet de veiligheidsgordel zo worden omgelegd dat hij goed aansluit op borst en bekken. Er kan een beetje rook ontsnappen. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand. De gordelspanner behoeft geen enkel onderhoud of smering. Elke verandering van de oorspronkelijke staat zal de doelmatigheid verminderen. Als de gordelspanner door extreme natuurlijke omstandigheden (overstromingen, zeestormen) met water en modder in contact is geweest, dan moet de spanner worden vervangen. Werkzaamheden in de buurt van de gordelspanners, waarbij stoten, sterke trillingen of verhitting optreden (maximaal 100 C gedurende ten hoogste 6 uur), kunnen de gordelspanners beschadigen of activeren: bij die omstandigheden horen niet trillingen die voortgebracht worden door een slecht wegdek of door contacten met kleine obstakels zoals trottoirs. Als er iets aan de gordelspanners moet gebeuren, dient u zich tot een Lancia-dealer te wenden. TREKKRACHTBEGRZERS Om de bescherming van de inzittenden bij een ongeval te vergroten, zijn de oprolautomaten van de gordels voor voorzien van trekkrachtbegrenzers die tijdens een frontale aanrijding de piekbelasting op de borst en schouders beperken. ATTTIE De gordelspanner werkt slechts een maal. Als de gordelspanners hebben gewerkt, moet u zich tot de Lancia-dealer wenden om ze te laten vervangen. De geldigheid van het systeem staat vermeld op een plaatje dat zich in het dashboardkastje bevindt: Laat na het verstrijken van deze termijn het systeem door de Lancia-dealer vervangen.
96 fig. 5 L0C0041m ALGEME OPMERKING OVER HET GEBRUIK VAN SGORDELS De bestuurder is verplicht zich te houden aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot het verplichte gebruik van de veiligheidsgordels (en de inzittenden erop attent te maken). Leg de veiligheidsgordel altijd om voordat u vertrekt. Ook vrouwen die in verwachting zijn moeten een gordel dragen: ook voor hen (zowel voor de aanstaande moeder als het kind) is de kans op letsel bij een ernstig ongeval kleiner als ze een gordel dragen. Uiteraard moeten zwangere vrouwen het onderste deel van de gordel meer naar beneden omleggen, zodat de gordel over het bekken en onder de buik langs loopt (zoals in fig. 5 is aangegeven). fig. 6 L0C0039m fig. 7 L0C0040m START LAMPJES ZORG ATTTIE De gordelband mag nooit gedraaid zijn. Het diagonale gordelgedeelte moet via het midden van de schouder schuin over de borst liggen. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik liggen. Gebruik geen voorwerpen (wasknijpers, klemmen enz.) die een goed aansluiten van de gordel op het lichaam verhinderen. ATTTIE Voor maximale veiligheid moet u de rugleuning rechtop zetten, tegen de leuning aan gaan zitten en de gordel goed laten aansluiten op borst en bekken. Draag altijd veiligheidsgordels zowel voor als achter in de auto! Rijden zonder veiligheidsgordels vergroot het risico op ernstig letsel of dodelijke afloop bij een ongeval. ATTTIE Het is streng verboden onderdelen van de veiligheidsgordels of gordelspanners te demonteren of open te maken. Werkzaamheden aan de veiligheidsgordels en gordelspanners moeten worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel. Wendt u altijd tot de Lancia-dealer. 95
97 START LAMPJES ZORG ATTTIE Als de gordel aan een zware belasting wordt blootgesteld (bijvoorbeeld tijdens een ongeval), dan moet de gordel samen met de verankeringen, bevestigingspunten en de gordelspanners worden vervangen. Ook als de schade niet zichtbaar is, dan kan de gordel toch verzwakt zijn. HOE U DE S- GORDELS IN OPTIMALE STAAT HOUDT Zorg dat de gordel goed uitgetrokken en niet gedraaid is; controleer ook of de oprolautomaat zonder haperingen werkt. Vervang de gordels na een ongeval, ook al zijn ze ogenschijnlijk niet beschadigd. Vervang de gordels ook als de gordelspanners in werking zijn geweest. U kunt de gordels met de hand wassen met water en een neutrale zeep. Spoel ze uit en laat ze in de schaduw drogen. Gebruik geen bijtende, blekende of kleurende middelen. Vermijd het gebruik van alle chemische producten die het weefsel van de gordel kunnen aantasten. Voorkom dat vocht in de oprolautomaat komt: de werking van de oprolautomaten is alleen gegarandeerd, als ze niet nat zijn geweest. Vervang de gordels bij tekenen van slijtage of beschadigingen. KINDER VEILIG VERVOER Voor optimale bescherming bij een ongeval moeten alle inzittenden zittend reizen en beschermd worden door goedgekeurde veiligheidssystemen. Dit geldt met name voor kinderen. Dit is een wettelijk voorschrift volgens richtlijn 2003/20/EU in alle lidstaten van de Europese Unie. ATTTIE Iedere gordel dient slechts ter bescherming van een enkel persoon: gebruik de gordel niet voor een kind dat bij een volwassene op schoot zit, waarbij de gordel beiden zou moeten beschermen. Plaats bovendien geen enkel voorwerp tussen de gordel en het lichaam van een inzittende. 96
98 Het hoofd van kleine kinderen is in verhouding met de rest van het lichaam groter en zwaarder dan dat van volwassenen, terwijl spieren en botstructuur nog niet volledig zijn ontwikkeld. Daarom moeten kleine kinderen door andere systemen beschermd worden dan door de veiligheidsgordels. De resultaten van het onderzoek over de optimale bescherming van kleine kinderen zijn opgenomen in de Europese ECE/R44-voorschriften die wettelijk verplicht zijn. De systemen zijn onderverdeeld in vijf groepen: Groep 0 gewicht tot aan 10 kg Groep 0+ gewicht tot aan 13 kg Groep 1 gewicht: 9-18 kg Groep 2 gewicht: kg Groep 3 gewicht: kg Zoals u ziet is er een gedeeltelijke overlapping tussen de groepen; daarom zijn in de handel systemen verkrijgbaar die geschikt zijn voor verschillende gewichtsgroepen. Alle systemen moeten zijn voorzien van de typegoedkeuring en van een goed vastgehecht plaatje met het controlemerk, dat absoluut niet mag worden verwijderd. Kinderen met een lengte van meer dan 1,50 m worden, met betrekking tot de veiligheidssystemen, gelijkgesteld met volwassenen en moeten dan ook normaal de veiligheidsgordels omleggen. In het Lancia Lineaccessori-programma zijn kinderzitjes opgenomen voor elke gewichtsgroep. Deze zijn speciaal ontworpen en ontwikkeld voor de Lancia-modellen. ATTTIE ZEER GEVAARLIJK: Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de airbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben. Wij raden u aan kinderen altijd op de zitplaatsen achter te vervoeren, omdat die plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. Monteer absoluut geen kinderzitje op de stoel van de passagier voor als deze is uitgerust met een airbag. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben, onafhankelijk van de zwaarte van het ongeluk. ATTTIE Indien noodzakelijk kunnen kinderen op de passagiersstoel voor worden vervoerd bij auto s die zijn uitgerust met een uitschakelbare frontairbag aan passagierszijde. In dit geval moet u er absoluut zeker van zijn dat de airbag is uitgeschakeld door te controleren of het gele waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel brandt (zie Frontairbag aan passagierszijde in de paragraaf Frontairbags en zij-airbags ). Bovendien moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het dashboard. START LAMPJES ZORG 97
99 START LAMPJES ZORG 98 fig. 8 L0C0042m GROEP 0 en 0+ fig. 8 Kinderen tot 13 kg moeten in zitjes worden vervoerd die achterstevoren zijn geplaatst, waardoor het achterhoofd wordt gesteund en bij plotseling remmen de nek niet wordt belast. Het wiegje moet op zijn plaats worden gehouden door de veiligheidsgordel en het kind moet op zijn beurt worden beschermd door de gordel van het wiegje zelf. fig. 9 L0C0043m fig. 10 L0C0044m GROEP 1 fig. 9 Kinderen met een gewicht tussen 9 en 18 kg moeten worden vervoerd in kinderzitjes met een kussen die naar voren zijn gekeerd, waarbij de veiligheidsgordel van de auto zowel het kinderzitje als het kind op zijn plaats moet houden. ATTTIE De afbeelding dient alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. ATTTIE Er bestaan kinderzitjes die geschikt zijn voor de gewichtsgroepen 0 en 1. Deze kinderzitjes kunnen worden bevestigd aan de veiligheidsgordels achter en hebben zelf gordels om het kind te beschermen. Vanwege het gewicht kan het gevaarlijk zijn als ze verkeerd worden gemonteerd (bijvoorbeeld als een kussen tussen het kinderzitje en de veiligheidsgordels van de auto wordt geplaatst). Houdt u voor de montage strikt aan de bijgeleverde instructies. GROEP 2 fig. 10 Kinderen met een gewicht tussen 15 en 25 kg kunnen direct door de veiligheidsgordels van de auto worden beschermd. Kinderen moeten zo in de kinderzitjes worden geplaatst, dat het diagonale gordelgedeelte schuin over de borst en niet langs de nek ligt. Het horizontale gordelgedeelte moet over het bekken en niet over de buik van het kind liggen. ATTTIE De afbeelding dient alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren.
100 fig. 11 L0C0045m GROEP 3 fig. 11 Bij kinderen met een gewicht tussen 22 en 36 kg is de borstomvang van dien aard dat de kinderen gewoon tegen de rugleuning kunnen steunen en niet meer in een kinderzitje hoeven te worden vervoerd. In fig. 11 wordt een voorbeeld gegeven van de juiste positie van het kind op de achterbank. Kinderen die langer zijn dan 1,50 m kunnen net zoals volwassenen de veiligheidsgordels omleggen. GESCHIKTHEID VAN DE ZITPLAATS VOOR HET GEBRUIK VAN DE KINDERZITJES De Lancia Ypsilon voldoet aan de nieuwe Europese 2000/3/EU-richtlijnen voor de montage van kinderzitjes op de verschillende plaatsen in de auto. Zie de volgende tabel: ZITPLAATS Groep Gewicht Passagier Passagier Passagier voor achter in het midden aan de zijkant (indien aanwezig) Groep 0, 0+ tot 13 kg U U * Groep kg U U * Groep kg U U * Groep kg U U * Legenda: U = geschikt voor Universele kinderzitjes overeenkomstig de Europese ECE/R44-voorschriften voor de aangegeven groepen. * Op de middelste zitplaats achter kan geen enkel type kinderzitje worden gemonteerd. START LAMPJES ZORG ATTTIE De afbeelding dient alleen ter illustratie van de bevestiging. Houdt u voor de montage van het kinderzitje aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. 99
101 START LAMPJES ZORG Hieronder zijn de richtlijnen voor een veilig vervoer van kinderen aangegeven. U dient zich hieraan te houden. Plaats het kinderzitje bij voorkeur op een van de zitplaatsen achter omdat deze plaatsen bij een ongeval de meeste bescherming bieden. Als de airbag aan passagierszijde buiten werking wordt gesteld, moet altijd gecontroleerd worden of het betreffende gele lampje F op het instrumentenpaneel continu brandt. Houdt u bij de montage van het kinderzitje strikt aan de instructies. De fabrikant is verplicht deze instructies bij te leveren. Bewaar de instructies samen met het instructieboekje in de auto. Monteer geen gebruikte kinderzitjes waarvan de gebruiksaanwijzingen ontbreken. Controleer of de gordels goed zijn vastgemaakt door aan de gordelband te trekken. Ieder veiligheidssysteem is bedoeld voor slechts een kind: vervoer nooit twee kinderen in een systeem. Controleer altijd of de gordel niet langs de nek van het kind loopt. Zorg er tijdens de rit voor dat het kind geen afwijkende houding aanneemt of de gordels losmaakt. Vervoer kinderen nooit in uw armen, ook geen pasgeboren kinderen. Niemand is sterk genoeg om ze bij een ongeval vast te houden. Na een ongeval moet het zitje door een nieuw exemplaar worden vervangen. ATTTIE Monteer absoluut geen kinderzitje op de voorstoel aan de passagierszijde als deze is uitgerust met een airbag, omdat kinderen nooit op de voorstoel vervoerd mogen worden. INBOUWVOORBE- REIDING VOOR ISOFIX -KINDER- ZITJES (indien aanwezig) De auto is voorbereid op de montage van Isofix-kinderzitjes; een nieuw gestandaardiseerd Europees systeem voor het vervoeren van kinderen. Het Isofix-kinderzitje is er voor drie gewichtsgroepen: 0, 0+ en 1. Vanwege het verschillende bevestigingssysteem, moet het kinderzitje aan de daarvoor bestemde beugels A-fig. 12 worden bevestigd. Deze bevinden zich tussen de rugleuning en zitting van de achterbank. Bevestig daarna de bovenste riem (in bovenste vak van het kinderzitje) aan het bevestigingspunt B-fig. 13 op de rugleuning van de achterbank. 100
102 fig. 12 L0C0166m Voor het loshaken moet de rugleuning vanuit de verticale stand tot op de derde stand worden gekanteld. Er kan ook een mengvorm worden gekozen, een traditioneel kinderzitje links en een Isofix-kinderzitje rechts. Wij herinneren u eraan dat bij het gebruik van Isofix-kinderzitjes alleen die kinderzitjes gebruikt kunnen worden die speciaal voor deze auto zijn ontworpen, getest en goedgekeurd. fig. 13 L0C0187m fig. 14 MONTAGE VAN ISOFIX- KINDERZITJE fig. 14 L0C0167m START LAMPJES ZORG ATTTIE Monteer het kinderzitje alleen als de auto stilstaat. Het kinderzitje is op de juiste wijze aan de beugels bevestigd als u het hoort vergrendelen. Houdt u in ieder geval aan de instructies voor de montage, de demontage en de plaatsing. De fabrikant van het kinderzitje is verplicht deze instructies bij te leveren. Groep 0 en 0+ Bij kinderen in deze gewichtsgroep (kinderen met een gewicht tot 13 kg) moet het kinderzitje achterstevoren zijn gekeerd en moet het kind door de gordels D van het zitje beschermd worden. Als het kind groeit en in de gewichtsgroep 1 komt, moet het 101
103 START LAMPJES ZORG kinderzitje in de rijrichting worden bevestigd. Ga voor een correcte montage van het kinderzitje als volgt te werk: controleer of de ontgrendelhendel B in ruststand (ingetrokken) staat; zoek de bevestigingsbeugels A en plaats vervolgens het kinderzitje met de bevestigingshaken C in de beugels; duw tegen het kinderzitje totdat het hoorbaar vergrendelt; controleer of het kinderzitje goed vergrendeld is door met kracht te proberen het kinderzitje te verplaatsen: de ingebouwde beveiligingsmechanismen verhinderen dat slechts een enkele bevestigingshaak is vergrendeld. Als het Isofix-kinderzitje tegen de rijrichting in wordt geplaatst, moet de passagiersstoel voor volledig naar achteren worden geschoven, zodat de rugleuning van de stoel en het kinderzitje elkaar raken. fig. 15 L0C0168m Groep 1 fig. 15 Ga voor een correcte montage van het kinderzitje als volgt te werk: controleer of de ontgrendelhendel B in ruststand (ingetrokken) staat; zoek de bevestigingsbeugels A en plaats vervolgens het kinderzitje met de bevestigingshaken C in de beugels; fig. 16 L0C0188m duw tegen het kinderzitje totdat het hoorbaar vergrendelt; bij kinderzitjes die in de rijrichting worden geplaatst, moet de bovenste riem (deze bevindt zich in het bovenste vakje van het kinderzitje) aan het bevestigingspunt D op de rugleuning van de achterbank worden bevestigd; controleer of het kinderzitje goed vergrendeld is door met kracht te proberen het kinderzitje te verplaatsen: de ingebouwde beveiligingsmechanismen verhinderen dat slechts een enkele bevestigingshaak is vergrendeld. In deze opstelling wordt het kind ook beschermd door de veiligheidsgordels van de auto en door de bovenste gordel: zie de handleiding van het kinderzitje voor het correct omleggen van de veiligheidsgordels van de auto. 102
104 FRONTAIRBAGS De auto is uitgerust met frontairbags aan bestuurders- en aan passagierszijde, met headbags (voor bescherming van het hoofd) en als optional met zij-airbags voor (sidebags); De frontairbags (bestuurder en passagier) beschermen de inzittenden voor bij middelzware en zware frontale botsingen, door het opblazen van een luchtkussen tussen de inzittende en het stuurwiel of het dashboard. Als de airbags niet worden geactiveerd bij andere soorten botsingen (zijdelings, van achter, over de kop slaan enz), betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert. Bij een frontale botsing zorgt een regeleenheid ervoor, indien nodig, dat het kussen wordt opgeblazen. Het kussen blaast onmiddellijk op, waardoor het lichaam van de inzittenden voor wordt opgevangen en de kans op letsel beperkt wordt. Direct daarna loopt het kussen weer leeg. De frontairbags (bestuurder en passagier) zijn geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa (en in de meeste landen daarbuiten). Bij een ongeval kan een inzittende die geen veiligheidsgordel heeft omgelegd, in contact komen met een airbag die nog niet volledig opgeblazen is. Hierdoor wordt de inzittende minder door de airbag beschermd. De frontairbags kunnen in de volgende gevallen niet worden geactiveerd: bij frontale botsingen, met een ander deel van de auto dan het front, tegen makkelijk vervormbare objecten (bijv. als het voorspatbord tegen de vangrail komt of tegen grindhopen); als de auto onder andere auto s of veiligheidsvoorzieningen schuift (bijvoorbeeld onder vrachtwagens of de vangrail); omdat geen enkele aanvullende bescherming wordt geboden op de veiligheidsgordels. Als de airbags in deze gevallen niet geactiveerd worden, betekent dit niet dat het systeem niet goed functioneert. ATTTIE Plaats geen stickers of andere objecten op het stuurwiel, op het deksel van de airbagmodule aan de passagierszijde of de zijkant van de hemelbekleding. Plaats geen voorwerpen op het dashboard aan de passagierszijde (bijv. een mobiele telefoon), omdat deze het correct openen van de airbag aan passagierszijde kunnen hinderen en de inzittenden ernstig kunnen verwonden. START LAMPJES ZORG 103
105 START LAMPJES FRONTAIRBAG AAN PASSA- GIERSZIJDE fig. 18 Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen met een groter volume dan dat aan bestuurderszijde. Het kussen is in een daarvoor bestemde ruimte in het dashboard geplaatst. De frontairbags aan bestuurders- en passagierszijde zijn ontworpen voor een optimale bescherming van de inzittenden voor met omgelegde veiligheidsgordels. Als de airbags volledig opgeblazen zijn, vullen zij het grootste deel van de ruimte tussen het stuurwiel en de bestuurder en het dashboard en de voorpassagier. ZORG fig. 17 L0C0083m FRONTAIRBAG AAN BESTUUR- DERSZIJDE fig. 17 Deze bestaat uit een opblaasbaar kussen dat in een daarvoor bestemde ruimte in het midden van het stuurwiel is geplaatst. Bij lichte frontale aanrijdingen (waarbij de werking van de veiligheidsgordel voldoende is) worden de airbags niet geactiveerd. Daarom is het gebruik van de veiligheidsgordels absoluut noodzakelijk, want de gordel houdt de inzittende bij een zijdelingse botsing in de juiste positie en voorkomt dat de inzittende uit de auto wordt geslingerd bij zware botsingen. fig. 18 L0C0084m ATTTIE ZEER GEVAARLIJK: Monteer absoluut geen kinderzitje achterstevoren op de passagiersstoel voor als de frontairbag aan passagierszijde is ingeschakeld. Als bij een ongeval de airbag in werking treedt (opblaast), kan dit ernstig letsel en zelfs de dood tot gevolg hebben. Als er geen andere mogelijkheid is, moet in ieder geval de airbag aan passagierszijde uitgeschakeld worden als het kinderzitje op de passagiersstoel voor wordt geplaatst. Bovendien moet de stoel zo ver mogelijk naar achteren zijn geschoven om te voorkomen dat het kinderzitje eventueel in aanraking komt met het dashboard. Ook als het niet wettelijk verplicht is, raden wij u aan, voor een optimale bescherming van de volwassenen, de airbag onmiddellijk weer in te schakelen zodra geen kinderen meer vervoerd worden. 104
106 ZIJ-AIRBAGS (Sidebags (indien aanwezig) - Headbags) SIDEBAGS Deze sidebags zijn kussens die zich snel opblazen en bevinden zich in de rugleuning van de voorstoelen fig. 20. Ze hebben tot doel de borstkas van de inzittenden te beschermen bij middelzware en zware zijdelingse aanrijdingen. fig. 20 L0C0086m HEADBAG fig. 21 De headbag is een gordijn -systeem, dat zich aan de zijkant in de hemelbekleding bevindt en dat is afgedekt met een afwerklijst. De headbags bieden bescherming aan het hoofd van de inzittenden voor en achter tijdens een zijdelingse botsing, dankzij het grote effectieve oppervlak van de kussens. fig. 21 L0C0087m De zij-airbags zijn geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Draag dus altijd veiligheidsgordels. Bovendien is het dragen van veiligheidsgordels wettelijk verplicht in Europa (en in de meeste landen daarbuiten). BELANGRIJK De inzittende wordt bij een zijdelingse botsing optimaal door het systeem beschermd als hij/zij in de juiste positie in de stoel zit. Hierdoor kan de headbag op de juiste wijze worden opgeblazen. BELANGRIJK De frontairbags en/of zij-airbags kunnen worden geactiveerd bij krachtige stoten aan de onderzijde van de carrosserie, bijvoorbeeld bij zware botsingen tegen drempels of stoepranden of obstakels op het wegdek, of als de auto terecht komt in grote gaten of verzakkingen in het wegdek. START LAMPJES ZORG 105
107 START LAMPJES ZORG BELANGRIJK Als de airbags in werking treden, ontsnapt een beetje rook. Deze rook is niet schadelijk en duidt niet op brand; bovendien kan het oppervlak van het opgeblazen kussen en het interieur van de auto bedekt zijn met een laagje poeder: dit poeder kan de huid en de ogen irriteren. Als u hiermee in aanraking bent gekomen, moet u zich met neutrale zeep en water wassen. Het airbagsysteem heeft een geldigheid van 14 jaar voor wat betreft de pyrotechnische lading en van 10 jaar voor wat betreft het spiraalmechanisme (zie de sticker aan de binnenzijde van het dashboardkastje). Na deze periode moeten ze door de Lancia-dealer worden vervangen. BELANGRIJK Na een ongeval waarbij een of meerdere airbags zijn geactiveerd, dient u contact op te nemen met de Lancia-dealer om de geactiveerde airbags te laten vervangen en de werking van het systeem te laten controleren. Alle controlewerkzaamheden, reparaties en de vervanging van de airbag moeten door de Lancia-dealer worden uitgevoerd. Aan het einde van de lange levensduur van uw auto, moet u contact opnemen met de Lancia-dealer om het systeem buiten werking te laten stellen. Bovendien moet bij verkoop van de auto de nieuwe eigenaar op de hoogte gesteld worden van het gebruik en de instructies, en moet hij het instructieboekje ontvangen. BELANGRIJK Het in werking treden van de gordelspanners, de frontairbags en de zij-airbags voor wordt door de elektronische regeleenheid bepaald, afhankelijk van het type ongeval. Als een van deze onderdelen niet in werking treedt, dan duidt dat niet op een storing in het systeem. ATTTIE Steun niet met het hoofd, de armen of de ellebogen tegen het portier, de ruiten of in het gebied van de headbag om verwondingen tijdens het opblazen te voorkomen. raam. ATTTIE Steek nooit het hoofd, de armen of ellebogen uit het FRONTAIRBAG ZIJ-AIRBAG (sidebag) (indien aanwezig) AAN PASSAGIERSZIJDE HANDMA- TIG UITSCHAKEL Als het absoluut noodzakelijk is een kind op de passagiersstoel voor te vervoeren, moeten de frontairbag en de sidebag (indien aanwezig) aan passagierszijde worden uitgeschakeld. Het waarschuwingslampje F op het dashboard blijft continu branden totdat de frontairbag en de zijairbag (sidebag) (indien aanwezig) aan passagierszijde opnieuw worden ingeschakeld. ATTTIE Raadpleeg voor het handmatig uitschakelen van de frontairbag en zij-airbag (sidebag) (indien aanwezig) aan passagierszijde, de paragrafen Multifunctioneel display in het hoofdstuk Dashboard en bediening. 106
108 ALGEME OPMERKING ATTTIE Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt aantal gevallen, niet op de juiste wijze geactiveerd worden. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met de Lancia-dealer om het systeem direct te laten controleren. ATTTIE Reis niet met voorwerpen op schoot of voor de borst en houd vooral geen pijp, potlood enz. in de mond. Bij een ongeval waarbij de airbag in werking treedt, kan dit ernstig letsel veroorzaken. ATTTIE Rijd altijd met beide handen op de stuurwielrand, zodat bij het in werking treden van de airbag, het systeem niet wordt gehinderd door obstakels. Rijd niet met voorover gebogen lichaam, maar ga goed rechtop zitten en steun tegen de rugleuning. ATTTIE Laat bij diefstal of een poging tot diefstal, bij beschadiging of als de auto bij een overstroming onder water is geweest, het airbagsysteem door een Lancia-dealer controleren. START LAMPJES ZORG ATTTIE Bedek de rugleuning van de voorstoelen niet met hoezen of kleden die niet zijn voorbereid op het gebruik met sidebags. 107
109 START LAMPJES ATTTIE Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje F (met de sleutelschakelaar voor uitschakeling van de airbag voor aan passagierszijde in stand ON) enkele seconden knipperen, om u eraan te herinneren dat de airbag aan passagierszijde bij een botsing wordt geactiveerd. Hierna moet het lampje doven. ATTTIE De stoelen mogen niet met water worden afgenomen of met stoom worden gereinigd (met de hand of in een automatisch wasapparaat). ATTTIE Haak geen harde voorwerpen aan de kledinghaakjes en aan de steunhandgrepen. ZORG ATTTIE Bedenk dat als de contactsleutel in stand MAR staat, ook bij uitgezette motor de airbags geactiveerd kunnen worden als de auto wordt aangereden door een andere auto. Daarom mogen, ook als de auto stilstaat, absoluut geen kinderen op de passagiersstoel voor worden geplaatst. Als de contactsleutel echter in stand STOP staat, wordt bij een ongeval geen enkel veiligheidssysteem (airbag of gordelspanners) geactiveerd; als een systeem niet in werking treedt, betekent dit niet dat het systeem niet goed werkt. 108
110 ATTTIE De frontairbag treedt in werking als de botsing zwaarder is dan een botsing waarbij alleen de gordelspanners worden geactiveerd. Bij aanrijdingen die tussen die twee drempelwaarden in liggen, treden alleen de gordelspanners in werking. ATTTIE De airbag is geen vervanging voor de veiligheidsgordels, maar een aanvulling. Omdat de frontairbags niet worden geactiveerd bij frontale botsingen bij lage snelheid, bij zijdelingse aanrijdingen en als de auto van achter wordt aangereden of over de kop slaat, worden in deze gevallen de inzittenden uitsluitend door de veiligheidsgordels beschermd. De gordels moeten dus altijd gedragen worden. START LAMPJES ZORG 109
111
112 MOTOR START PARKER GEBRUIK VAN DE VERSNELLINGSBAK BRANDSTOFBESPARING TREKK VAN AANHANGERS WINTERBAND SNEEUWKETTING AUTO LANGERE TIJD STALL START LAMPJES ZORG START 111
113 START LAMPJES ZORG MOTOR START De auto is uitgerust met een elektronische startblokkering: zie bij startproblemen de paragraaf Lancia CODE in het hoofdstuk Dashboard en bediening. Direct na het starten van de motor, vooral als de auto langere tijd niet is gebruikt, kan de motor iets meer geluid produceren. Dit geluid, dat niet schadelijk is voor de werking van de motor, wordt veroorzaakt door de hydraulische klepstoters: het distributiesysteem op de benzinemotor van de auto, dat bijdraagt aan een vermindering van de onderhoudswerkzaamheden. BZINEMOTOR START Ga als volgt te werk: trek de handrem aan; zet de versnellingspook in de vrijstand; trap het koppelingspedaal geheel in, zonder het gaspedaal in te trappen; draai de contactsleutel in stand AVV en laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP voordat u opnieuw start. Als met de contactsleutel in stand MAR het controlelampje Y samen met het waarschuwingslampje U blijft branden, raden wij u aan de sleutel in stand STOP te draaien en vervolgens weer in stand MAR; als het lampje nog steeds blijft branden, probeer het dan met de andere geleverde sleutels. Het verdient aanbeveling om gedurende de eerste kilometers niet de maximale prestaties van uw auto te eisen (bijv. snel accelereren, langdurig rijden met hoge toerentallen, krachtig remmen enz.). Laat de contactsleutel niet in stand MAR staan als de motor stilstaat, zodat de accu niet onnodig wordt ontladen. ATTTIE Het is zeer gevaarlijk om de motor in afgesloten ruimten te laten draaien. De motor verbruikt zuurstof en produceert kooldioxide, koolmonoxide en andere giftige gassen. Als de motor nog niet aanslaat, voer dan een noodstart uit (zie Noodstart in het hoofdstuk Noodgevallen ) en wendt u tot de Lancia-dealer. BELANGRIJK Laat de start-/contactsleutel niet in stand MAR staan als de motor is uitgezet. 112
114 MULTIJET-MOTOR START Ga als volgt te werk: trek de handrem aan; zet de versnellingspook in de vrijstand; draai de contactsleutel in stand MAR: op het instrumentenpaneel gaan de controlelampjes m en Y branden; wacht tot de lampjes Y en m gedoofd zijn. Hoe warmer de motor, hoe sneller het lampje dooft; trap het koppelingspedaal geheel in, zonder het gaspedaal in te trappen; draai de contactsleutel in stand AVV direct nadat het lampje m gedoofd is. Als u te lang wacht, zijn de voorgloeibougies weer afgekoeld. Laat de sleutel los zodra de motor is aangeslagen. BELANGRIJK Bij een koude motor mag het gaspedaal niet worden ingetrapt als u de contactsleutel in stand AVV draait. Als de motor bij de eerste poging niet aanslaat, moet u de sleutel terugdraaien in stand STOP voordat u opnieuw start. Als met de contactsleutel in stand MAR het lampje Y op het instrumentenpaneel blijft branden, raden wij u aan de sleutel in stand STOP te draaien en vervolgens weer in stand MAR; als het lampje nog steeds blijft branden, probeer het dan met de andere geleverde sleutels. Als de motor nog niet aanslaat, wendt u dan tot de Lancia-dealer. BELANGRIJK Laat de start-/contactsleutel niet in stand MAR staan als de motor is uitgezet. Als het lampje m gedurende 60 seconden gaat knipperen na het starten of tijdens een langdurige startpoging, dan duidt dat op een storing in het voorgloeisysteem. Als de motor aanslaat, kunt u de auto op de gewone manier gebruiken, maar wendt u zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. MOTOR OPWARM NA HET START (benzine en Multijet) Ga als volgt te werk: rijd rustig weg, laat de motor niet met hoge toerentallen draaien en trap het gaspedaal niet bruusk in; verlang de eerste kilometers geen maximale prestaties. Wij raden u aan te wachten tot de wijzernaald van de koelvloeistoftemperatuurmeter begint te bewegen. LAMPJES ZORG START 113
115 LAMPJES ZORG PARKER Ga als volgt te werk: zet de motor uit en trek de handrem aan; schakel een versnelling in (de 1e als de weg omhoog loopt, de achteruit als de weg omlaag loopt) en zet de voorwielen iets uitgestuurd. Als de auto op een steile helling staat, blokkeer de wielen dan met stenen of wiggen. Laat de contactsleutel nooit in stand MAR staan omdat hierdoor de accu ontlaadt en neem bovendien de sleutel altijd uit het contactslot als u de auto verlaat. START NOODSTART Als het lampje Y op het instrumentenpaneel constant blijft branden, kan een noodstart worden uitgevoerd met de code die op de CODE-card staat vermeld (zie het hoofdstuk Noodgevallen ). MOTOR UITZETT Draai de contactsleutel in stand STOP terwijl de motor stationair draait. BELANGRIJK Het is beter om de motor na een zware rit even op adem te laten komen. Zet de motor niet onmiddellijk uit, maar laat hem even stationair draaien. Hierdoor kan de temperatuur in de motorruimte dalen. Probeer auto s nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande benzine in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen. Gasgeven voordat u de motor uitzet heeft geen enkel nut, verspilt brandstof en is, vooral voor motoren met turbocompressor, schadelijk. ATTTIE Houd er rekening mee dat de rem- en de stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. ATTTIE Laat kinderen nooit alleen achter in de auto. Neem de sleutels altijd uit het contactslot als u de auto verlaat en neem de sleutels mee. 114
116 fig. 1 L0C0088m HANDREM fig. 1 De handrem bevindt zich tussen de voorstoelen. Om de handrem in te schakelen, moet u de hendel omhoog trekken zodat de auto blokkeert. Op een vlakke ondergrond hoort de auto geblokkeerd te zijn als de handrem vier of vijf tanden is aangetrokken. Op sterke hellingen en bij een beladen auto moet de handrem negen of tien tanden worden aangetrokken. BELANGRIJK Als dit niet het geval is, laat dan de Lancia-dealer de handrem afstellen. Als de handrem is aangetrokken en de contactsleutel in stand MAR staat, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingslampje x branden. Handrem uitschakelen: trek de hendel iets omhoog en druk op de ontgrendelknop A; houd de knop A ingedrukt en laat de hendel zakken. Het lampje x op het instrumentenpaneel dooft. Om onverwachtse bewegingen van de auto te voorkomen, moet bij het bedienen van de handrem het rempedaal worden ingetrapt. GEBRUIK VAN DE VERSNELLINGS- BAK Om de versnellingen in te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen en vervolgens de versnellingspook in de gewenste stand plaatsen (het schakelschema staat op de knop van de pook). BELANGRIJK De achteruit kan alleen bij een stilstaande auto worden ingeschakeld. Wacht bij een draaiende motor en een geheel ingetrapt koppelingspedaal minstens 2 seconden, voordat u de achteruit inschakelt. Hiermee wordt voorkomen dat de tandwielen beschadigen. START LAMPJES ZORG 115
117 LAMPJES ZORG START fig R Ga als volgt te werk om de achteruit (R) vanuit de vrijstand in te schakelen: Benzine-uitvoeringen trek de schuifring A-fig. 2 of fig. 3 onder de knop omhoog en verplaats de pook naar rechts en vervolgens naar achteren. Multijet-uitvoeringen plaats de pook naar rechts en vervolgens naar achteren. L0C0032m fig. 3 L0C0235m Voor het inschakelen van de 6e versnelling (indien aanwezig) moet de pook naar rechts worden gedrukt om te voorkomen dat per ongeluk de 4e versnelling wordt ingeschakeld. Dit geldt ook voor het schakelen van de 6e naar de 5e versnelling. ATTTIE Om op de juiste wijze te schakelen, moet u het koppelingspedaal geheel intrappen. Daarom mag er niets onder het pedaal liggen dat dit kan verhinderen: Let erop dat de vloermatten niet zijn dubbelgevouwen en zo de slag van de pedalen kunnen beperken. Laat na het schakelen de versnellingspook los. Door het rijden met een hand aan de versnellingspook wordt op het schakelmechanisme in de versnellingsbak een geringe kracht uitgeoefend, waardoor onnodige slijtage kan ontstaan. 116
118 BRANDSTOF- BESPARING Hierna volgen enkele nuttige tips, waardoor het brandstofverbruik zo laag mogelijk blijft en de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen zoveel mogelijk beperkt wordt. ALGEME OPMERKING Onderhoud van de auto Zorg voor een goed onderhoud van de auto door de controles en registraties die in het Onderhoudsschema staan vermeld, te laten uitvoeren. Airconditioning Het gebruik van de airconditioning leidt tot een toename van het brandstofverbruik (met gemiddeld 20%). Gebruik wanneer de buitentemperatuur het toelaat bij voorkeur de functies van het ventilatiesysteem. Aerodynamische accessoires Het gebruik van niet goedgekeurde aerodynamische accessoires kan de aerodynamica negatief beïnvloeden, waardoor het brandstofverbruik zal toenemen. Banden Controleer regelmatig, ten minste een keer per maand, de spanning van de banden: als de spanning te laag is, wordt de weerstand groter en neemt het verbruik toe. Overbodige bagage Rijd niet met een overbeladen bagageruimte. Het gewicht van de auto (vooral in stadsverkeer) en de wieluitlijning hebben grote invloed op het brandstofverbruik en de stabiliteit. LAMPJES ZORG START 117
119 LAMPJES ZORG START RIJSTIJL Starten Laat de motor als de auto stilstaat, niet warmdraaien met stationair toerental en ook niet met een hoog toerental: onder deze omstandigheden warmt de motor veel langzamer op, terwijl het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toenemen. Het is beter om rustig weg te rijden en geen hoge toerentallen te gebruiken: op deze manier warmt de motor sneller op. Overbodige handelingen Trap het gaspedaal niet in als u stilstaat voor een stoplicht of voordat u de motor afzet. Deze handeling heeft evenals het overschakelen met tussengas, geen enkel nut. Het kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. Imperiaal/skidrager Verwijder de imperiaal of skidrager als u deze niet meer gebruikt. Ze verminderen de aerodynamica van de auto, waardoor het brandstofverbruik toeneemt. Gebruik voor het vervoer van volumineuze voorwerpen bij voorkeur een aanhanger. Stroomverbruikers Gebruik de elektrische installaties alleen als u ze nodig hebt. De achterruitverwarming, de verstralers, de ruitenwissers en de aanjager van het ventilatie-/verwarmingssysteem vragen veel stroom, waardoor het brandstofverbruik toeneemt (tot aan 25% in stadsverkeer). Keuze van de versnellingen Gebruik als het verkeer en de weg het toelaten de hoogste versnelling. Het inschakelen van een lage versnelling voor een snelle acceleratie verhoogt het brandstofverbruik. Bij het oneigenlijke gebruik van een hoge versnelling neemt het verbruik en de schadelijke uitlaatgasemissie toe. Bovendien slijt de motor hierdoor sneller. 118
120 Maximum snelheid Het brandstofverbruik neemt aanzienlijk toe bij een hogere snelheid. Rijd daarom zoveel mogelijk met een gelijkmatige snelheid, vermijd overbodig remmen en optrekken. Dit kost brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen. Acceleratie Met vol gas optrekken kost veel brandstof en verhoogt de uitstoot van schadelijke uitlaatgassen: het is beter geleidelijk op te trekken en het toerental waarbij het maximum koppel wordt geleverd, niet te overschrijden. GEBRUIKSOMSTANDIGHED Koude start Bij korte ritten en regelmatig koud starten bereikt de motor niet de optimale bedrijfstemperatuur. Hierdoor neemt niet alleen het brandstofverbruik toe (van 15 tot aan 30% in stadsverkeer), maar ook de uitstoot van uitlaatgassen. Verkeerssituatie en conditie van het wegdek Op een drukke weg bijvoorbeeld bij filerijden, waarbij overwegend lage versnellingen worden gebruikt, of in de stad waar zich veel verkeerslichten bevinden, zal het brandstofverbruik aanzienlijk hoger zijn. Bochtige trajecten, bergwegen en een slecht wegdek verhogen eveneens het brandstofverbruik. Stilstaan in het verkeer Als u langere tijd stilstaat (bijv. spoorwegovergangen), is het raadzaam de motor uit te zetten. LAMPJES ZORG START 119
121 START LAMPJES ZORG TREKK VAN AANHANGERS BELANGRIJKE TIPS Voor het trekken van aanhangwagens of caravans moet de auto uitgerust zijn met een trekhaak van een goedgekeurd type en een adequate elektrische installatie. De montage van de trekhaak moet door gespecialiseerd personeel worden uitgevoerd. Ook moet documentatie worden overhandigd m.b.t. het rijden met een aanhanger. Monteer zo nodig speciale en/of extra achteruitkijkspiegels, waarmee u voldoet aan de geldende verkeerswetgeving. Let er op dat het maximum klimvermogen van de auto door het gewicht van een aanhanger of caravan wordt beperkt. Ook de remweg wordt langer en u hebt langer de tijd nodig om in te halen. Schakel een lage versnelling in tijdens het afdalen om te voorkomen dat u constant moet remmen. Het gewicht van de aanhanger dat op de trekhaak rust, moet worden afgetrokken van het laadvermogen van de auto. Om er zeker van te zijn dat u het maximum toelaatbaar aanhangergewicht niet overschrijdt, moet u er rekening mee houden dat het maximum betrekking heeft op het totale gewicht van de aanhangwagen of caravan, inclusief accessoires en bagage. Houdt u aan de snelheidsbeperkingen die voor auto s met aanhanger gelden. U mag in geen geval harder rijden dan 100 km/h. TREKHAAK MONTER De trekhaak moet door gespecialiseerd personeel aan de carrosserie worden bevestigd waarbij de richtlijnen die hierna zijn opgenomen, moeten worden aangehouden. Deze richtlijnen worden eventueel aangevuld door extra informatie van de fabrikant van de trekhaak. ATTTIE Het ABS waarmee de auto is uitgerust, werkt niet op het remsysteem van de aanhanger. Wees daarom extra voorzichtig op gladde wegen. ATTTIE Voer in geen geval modificaties aan het remsysteem van de auto uit. Het remsysteem van de aanhanger moet geheel onafhankelijk van het hydraulisch remsysteem van de auto worden bediend. De te installeren trekhaak moet voldoen aan de huidige ECE-normen 94/20 en daarop volgende wijzigingen. Voor iedere uitvoering moet een trekhaak worden gebruikt die geschikt is voor het maximale aanhangergewicht van de auto waarop de trekhaak wordt bevestigd. BELANGRIJK Eventuele extra verbruikers naast de buitenverlichting (bijv. elektrisch bediende rem, elektrische lier enz.) mogen uitsluitend worden gebruikt bij draaiende motor. 120
122 MONTAGEMA (fig. 4) De trekhaak moet op de punten aangegeven met Ø bevestigd worden met 4 M8-bouten, 2 M10-bouten en 2 M12-bouten. De trekhaak moet op de carrosserie gemonteerd worden zonder gaten in of vervormingen van de achterbumper die zichtbaar zijn bij gedemonteerde trekhaak. BELANGRIJK Het is verplicht om op dezelfde hoogte als de trekkogel een (goed zichtbaar) plaatje van voldoende afmetingen en kwaliteit aan te brengen met de volgende tekst: MAX. GEWICHT OP KOPPELING 60 kg LAMPJES ZORG Achteras Bestaande gaten Bestaande gaten START ATTTIE Na de montage van de trekhaak moeten de boutgaten worden afgedicht om te voorkomen dat uitlaatgassen in het interieur kunnen dringen. Hart trekkogel Bestaande gaten fig. 4 L0C0134m 121
123 START LAMPJES ZORG WINTERBAND Gebruik winterbanden die dezelfde maat hebben als de standaard geleverde banden. De Lancia-dealer kan u adviseren welke band het meest geschikt is voor het doel waarvoor u deze wilt gebruiken. Houdt u voor de bandenmaat, de bandenspanning en de winterbanden exact aan de aanwijzingen die staan aangegeven in de paragraaf Wielen in het hoofdstuk Technische gegevens. De specifieke eigenschappen van winterbanden verminderen aanzienlijk als de profieldiepte minder is dan 4 mm. In dat geval is het veiliger ze te vervangen. Door de specifieke eigenschappen van winterbanden zijn de prestaties onder niet-winterse omstandigheden of wanneer er lange afstanden op de snelweg worden gereden, minder dan die van de standaard gemonteerde banden. Beperk het gebruik van winterbanden tot die omstandigheden waarvoor ze zijn goedgekeurd. BELANGRIJK Als u winterbanden gebruikt waarvan de maximum toegestane snelheid lager is dan de topsnelheid van de auto (met een marge van 5%), dan dient u in het interieur van de auto een voor de bestuurder duidelijk zichtbaar waarschuwingsplaatje te plaatsen met de maximum toegestane snelheid wanneer met die winterbanden wordt gereden (overeenkomstig de EU-normen). Monteer op alle vier de wielen dezelfde banden (zelfde merk en profieldiepte) voor meer veiligheid tijdens het rijden en remmen en voor een betere bestuurbaarheid. Keer de draairichting van de banden niet om. ATTTIE Bij winterbanden met de indicatie Q geldt een maximum snelheid van 160 km/h; bij winterbanden met de indicatie T geldt een maximum snelheid van 190 km/h; bij winterbanden met de indicatie H geldt een maximum snelheid van 210 km/h. Deze maximum snelheden zijn in overeenstemming met de huidige wetgeving. 122
124 SNEEUW- KETTING Het gebruik van sneeuwkettingen is afhankelijk van de voorschriften van het land waar wordt gereden. De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen gemonteerd worden (aangedreven wielen). Wij raden u het gebruik aan van sneeuwkettingen uit het Lancia Lineaccessori-programma. Controleer na enkele tientallen meters rijden of de kettingen nog goed gespannen zijn. BELANGRIJK Op het noodreservewiel kan geen sneeuwketting worden gemonteerd. Als u een lekke voorband hebt, kunt u het noodreservewiel op de achteras plaatsen en het achterwiel op de vooras. Zo hebt u op de vooras twee normale wielen waarop u sneeuwkettingen kunt monteren. Uitvoeringen Bandenmaat Type sneeuwketting geschikt voor dat moet worden gebruikt sneeuwkettingen 1.2 8V 1.4 8V V 1.3 Multijet 1.2 8V V V Multijet 185/65 R14 86T 195/55 R15 85H 195/45 R16 80V Sneeuwkettingen met normale afmetingen met maximale dikte boven het profiel van de band: 12 mm. Sneeuwkettingen waarvan de dikte boven het profiel maximaal 9 mm is. De banden waarop sneeuwkettingen gemonteerd kunnen worden en het type sneeuwketting staan aangegeven in de bovenstaande tabel; houdt u strikt aan deze tabel. Beperk de snelheid als u sneeuwkettingen gebruikt; rijd niet harder dan 50 km/h. Vermijd kuilen, stoepranden en andere obstakels en rijd, om de auto en het wegdek niet te beschadigen, geen lange stukken op sneeuwvrije wegen. LAMPJES ZORG START 123
125 LAMPJES ZORG START AUTO LANGERE TIJD STALL Tref de volgende maatregelen als de auto enkele maanden niet wordt gebruikt: zet de auto in een overdekte, droge en goed geventileerde ruimte; schakel een versnelling in; zorg ervoor dat de handrem is aangetrokken; maak de minkabel los van de accu en controleer de acculading. Gedurende het stallen moet deze controle iedere drie maanden worden herhaald. Laad de accu op als de optische meter een donkere kleur heeft zonder een groen middenstuk; maak de gespoten plaatdelen schoon en behandel ze met een beschermende was; reinig en conserveer de glimmende metalen delen met daarvoor geschikte middelen; smeer de wisserrubbers van de ruitenwissers en achterruitwisser in met talkpoeder en laat ze los van de ruit staan; zet de ruiten een klein stukje open; dek de auto af met een stoffen of een ademende kunststof hoes. Gebruik geen dichte plastic hoes, omdat het in en op de auto aanwezige vocht dan niet kan verdampen; breng de bandenspanning 0,5 bar boven de normaal voorgeschreven spanning en controleer deze regelmatig; als u de accukabels niet loskoppelt, moet de lading iedere maand gecontroleerd worden; laad de accu op als de optische meter een donkere kleur heeft zonder groen middenstuk; tap het koelsysteem van de motor niet af. 124
126 ALGEME OPMERKING TE LAAG REMVLOEISTOFNIVEAU AANGETROKK HANDREM STORING AIRBAGSYSTEEM UITGESCHAKELDE AIRBAG PASSAGIERSZIJDE TE HOGE KOELVLOEISTOF- TEMPERATUUR ACCU WORDT NIET VOLDODE OPGELAD STORING ABS STORING EBD TE LAGE MOTOROLIEDRUK STORING ELEKTRI STUUR- BEKRACHTIGING DUALDRIVE NIET GOED GESLOT PORTIER STORING IN INSPUITSYSTEEM STORING MOTORMANAGEMTSYSTEEM (EOBD) BRANDSTOFRESERVE VOORGLOEI-INSTALLATIE STORING VOORGLOEI-INSTALLATIE LAMPJES WATER IN BRANDSTOFFILTER STORING ELEKTRONI STARTBLOKKERING - LANCIA CODE ACHTERRUITVERWARMING DEFECTE BUITVERLICHTING MISTACHTERLICHT STORINGSMELDING STORING IN ESP STORING HILL HOLDER BUITVERLICHTING DIMLICHT FOLLOW ME HOME MISTLAMP VOOR RICHTINGAANWIJZER LINKS RICHTINGAANWIJZER RECHTS INSCHAKELING ELEKTRI STUURBEKRACHTIGING DUALDRIVE GROOTLICHT VERSTOPT ROETFILTER KANS OP GLADHEID BEPERKTE ACTIERADIUS ASR-SYSTEEM VERSLET REMBLOKK CRUISE-CONTROL START LAMPJES ZORG 125
127 START LAMPJES Aangetrokken handrem Het lampje gaat branden als de handrem wordt aangetrokken. Als de auto in beweging is, hoort u ook een akoestisch signaal. BELANGRIJK Als het lampje tijdens het rijden gaat branden, controleer dan of de handrem niet is aangetrokken. ZORG 126 LAMPJES ALGEME OPMERKING Naast het branden van het lampje, verschijnt er - afhankelijk van het type instrumentenpaneel - ook een specifiek bericht en/of klinkt er een akoestisch signaal. Deze meldingen zijn kort en uit voorzorg en moeten als een aanvulling worden gezien en niet als alternatief voor de informatie in dit instructieboekje. Wij raden u daarom aan dit instructieboekje goed door te lezen. Houdt u bij een storing altijd aan de aanwijzingen die in dit hoofdstuk beschreven worden. BELANGRIJK De storingsmeldingen die op het display verschijnen, zijn onderverdeeld in twee categorieën: ernstige storingen en minder ernstige storingen. De ernstige storingen worden cyclisch weergegeven en herhaald totdat de oorzaak van de storing is verholpen. De minder ernstige storingen worden een bepaalde tijd cyclisch weergegeven. U kunt de weergavecyclus van beide categorieën onderbreken door op de knop MODE te drukken. Het lampje op het instrumentenpaneel blijft branden totdat de storing is verholpen. Zie voor de berichten bij uitvoeringen met DFn-versnellingsbak, de informatie in het bijgevoegde supplement. TE LAAG REMVLOEI- STOFNIVEAU (rood) x AANGETROKK HANDREM (rood) Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Te laag remvloeistofniveau Het lampje gaat branden als het remvloeistofniveau in het reservoir onder het minimum niveau is gedaald, bijvoorbeeld door lekkage in het remsysteem. Op het display verschijnt het betreffende bericht. ATTTIE Als het lampje x tijdens het rijden gaat branden (op het display verschijnt ook een bericht), stop dan onmiddellijk en wendt u tot de Lancia-dealer. STORING AIRBAG (rood) Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat constant branden bij een storing in het airbagsysteem. Op het display verschijnt het betreffende bericht.
128 ATTTIE Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje gaat niet branden of blijft branden tijdens het rijden, dan is er mogelijk een storing in de veiligheidssystemen; in dat geval kunnen de airbags of gordelspanners niet geactiveerd worden bij een ongeval of, in een zeer beperkt aantal gevallen, niet op de juiste wijze geactiveerd worden. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met de Lancia-dealer om het systeem direct te laten controleren. ATTTIE Een defect lampje (lampje gedoofd) wordt ook weergegeven doordat het lampje voor de uitgeschakelde passagiersairbag F langer dan de normale 4 seconden knippert. UITGESCHAKELDE AIRBAG PASSAGIERS- F ZIJDE (geel) Het lampje F brandt als de frontairbag aan passagierszijde is uitgeschakeld. Als u bij ingeschakelde frontairbag aan passagierszijde de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje F ongeveer 4 seconden branden en vervolgens 4 seconden knipperen. Hierna moet het lampje doven. ATTTIE Het lampje F geeft bovendien eventuele storingen van het lampje aan. Dit wordt aangegeven door het langer knipperen van het lampje F dan de normale 4 seconden. In dit geval kan het lampje geen storingen in de airbag-/gordelspannersystemen aangeven. Voordat u verder rijdt, dient u contact op te nemen met de Lancia-dealer om het systeem direct te laten controleren. TE HOGE KOELVLOEI- STOFTEMPERATUUR u (rood) Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat branden als de motor te warm is. Als het lampje gaat branden, moeten de volgende maatregelen worden genomen: bij normale rij-omstandigheden: stop de auto, zet de motor uit en controleer of het niveau van de koelvloeistof in het reservoir niet onder het MIN-merkteken staat. Als dit wel het geval is, wacht dan enkele minuten zodat de motor kan afkoelen, open vervolgens langzaam en voorzichtig de dop, vul koelvloeistof bij en controleer of de koelvloeistof tussen het MIN- en MAX-merkteken op het reservoir staat. Controleer ook of er geen vloeistof weglekt. Als bij het starten van de motor het lampje opnieuw gaat branden, wendt u dan tot de Lancia-dealer. ZORG START LAMPJES 127
129 START LAMPJES ZORG 128 Als de auto onder zware bedrijfsomstandigheden wordt gebruikt (bijvoorbeeld het trekken van een aanhanger bergopwaarts of met volbeladen auto): verlaag de snelheid en breng, als het lampje blijft branden, de auto tot stilstand. Wacht 2 tot 3 minuten met draaiende motor en geef iets gas voor een snellere circulatie van de koelvloeistof. Zet vervolgens de motor uit. Controleer het vloeistofniveau zoals hiervoor beschreven. BELANGRIJK Bij zware bedrijfsomstandigheden is het raadzaam de motor enkele minuten te laten draaien met iets ingetrapt gaspedaal voordat u de motor uitzet. Op het display verschijnt het betreffende bericht. ACCU WORDT NIET VOLDODE OPGEw LAD (rood) Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart (als de motor stationair draait, kan het voorkomen dat het lampje iets later dooft). Als het lampje blijft branden, wendt u dan onmiddellijk tot de Lanciadealer. STORING ABS (geel) > Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat branden als het systeem defect of niet beschikbaar is. In dat geval blijft het remsysteem normaal werken, maar zonder de mogelijkheden van het ABS. Rijd voorzichtig verder en wendt u zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. Op het display verschijnt het betreffende bericht. STORING EBD (rood) x > (geel) Als bij een draaiende motor tegelijkertijd de waarschuwingslampjes x en > gaan branden, dan is er een storing in het EBD-systeem of is het systeem niet beschikbaar; in dat geval kunnen bij krachtig remmen de achterwielen vroegtijdig blokkeren waardoor de auto kan gaan slippen. Rijd direct zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Lanciadealer om het systeem te laten controleren. Op het display verschijnt het betreffende bericht. TE LAGE MOTOROLIE- DRUK (rood) v OLIEKWALITEIT ONVOLDODE (rood) (uitvoeringen Multijet met DPF) Te lage motoroliedruk Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart. Op het display verschijnt het betreffende bericht. ATTTIE Als het lampje v tijdens het rijden gaat branden (op enkele uitvoeringen verschijnt ook een bericht op het display), zet dan onmiddellijk de motor uit en wendt u tot de Lancia-dealer. Oliekwaliteit onvoldoende Het lampje gaat knipperen en er verschijnt een bericht op het display als het systeem motorolie van onvoldoende kwaliteit constateert. Na de eerste constatering zal iedere keer bij het starten van de motor het lampje v 60 seconden knipperen en daarna iedere 2 uur, totdat de olie wordt ververst.
130 ATTTIE Als het lampje v knippert, wendt u dan onmiddellijk tot de Fiat-dealer voor de verversing van de motorolie en het uitschakelen van het betreffende lampje op het instrumentenpaneel. STORING ELEKTRI- STUURBEg KRACHTIGING DUAL- DRIVE (rood) Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Als het lampje blijft branden, werkt de elektrische stuurbekrachtiging niet meer en is meer kracht nodig voor het draaien van het stuur; de auto blijft echter normaal bestuurbaar: wendt u tot de Lancia-dealer. Op het display verschijnt het betreffende bericht. NIET GOED GESLOT PORTIER (rood) Als een of meer portieren of de achterklep niet goed gesloten zijn, gaat het lampje branden (bepaalde uitvoeringen). Op het display verschijnt het betreffende bericht. Als de auto in beweging is met geopende portieren of achterklep, dan klinkt er een akoestisch signaal. STORING INSPUITSYSTEEM U (Multijet-uitvoeringen - geel) STORING MOTORMANAGEMTSYS- TEEM EOBD (benzine-uitvoeringen - geel) Storing in inspuitsysteem Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het moet doven nadat de motor is gestart. Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden, dan duidt dit op een storing in het inspuitsysteem. Dit kan tot gevolg hebben dat de prestaties verminderen, de auto slechter gaat rijden en het brandstofverbruik toeneemt. Op het display verschijnt het betreffende bericht. U kunt onder deze omstandigheden doorrijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheid te rijden. Wendt u in dit geval zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. ZORG Storing motormanagementsysteem EOBD Als u onder normale omstandigheden de contactsleutel in stand MAR draait, dan gaat het lampje branden. Het lampje moet uitgaan als de motor is gestart. Het lampje gaat eerst branden om de juiste werking ervan aan te geven. Als het lampje blijft branden of tijdens het rijden gaat branden: continu branden: duidt op een defect in het inspuit-/ontstekingssysteem. Dit kan tot gevolg hebben dat schadelijke uitlaatgasemissie toeneemt, de prestaties verminderen, de auto slechter gaat rijden en het brandstofverbruik toeneemt. Op het display verschijnt het betreffende bericht. U kunt onder deze omstandigheden doorrijden zonder te veel van de motor te eisen of met hoge snelheid te rijden. Als lang met een brandend waarschuwingslampje wordt doorgereden, kun- 129 START LAMPJES
131 START LAMPJES ZORG nen beschadigingen ontstaan. Wendt u zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. Het lampje dooft als de storing verdwijnt. De storing wordt door het systeem in het geheugen opgeslagen. knipperend: duidt op een mogelijke beschadiging van de katalysator (zie EOBD-systeem in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). Als het lampje knippert, moet het gaspedaal worden losgelaten zodat de motor met lage toerentallen draait en het lampje niet meer knippert; u kunt met matige snelheid doorrijden waarbij rij-omstandigheden moeten worden vermeden die kunnen leiden tot het opnieuw gaan knipperen van het lampje. Wendt u zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. Als u de contactsleutel in stand MAR draait en het lampje U gaat niet branden of het gaat branden of knipperen tijdens het rijden (er verschijnt ook een bericht op het display), wendt u dan zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. De werking van het lampje U kan worden gecontroleerd met behulp van speciale apparatuur van de verkeerspolitie. Houdt u aan de wetgeving van het land waarin u rijdt. RESERVEBRANDSTOF (geel) K Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat branden als er nog ongeveer 6/7 liter brandstof in de tank aanwezig is. BELANGRIJK Als het waarschuwingslampje knippert, dan is er een storing in het systeem. Wendt u in dit geval tot de Lancia-dealer om het systeem te laten controleren. VOORGLOEI-INSTAL- LATIE (Multijet-uitvoeringen - geel) m STORING VOORGLOEI- INSTALLATIE (Multijet-uitvoeringen - geel) Voorgloeibougies Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Het lampje dooft als de voorgloeibougies de vooraf ingestelde temperatuur hebben bereikt. Start de motor zodra het lampje gedoofd is. BELANGRIJK Bij een hoge buitentemperatuur kan het lampje zeer kort branden. Storing in voorgloei-installatie Het lampje gaat knipperen als er een storing is in de voorgloei-installatie. Wendt u zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. Op het display verschijnt het betreffende bericht. 130
132 WATER IN BRAND- STOFFILTER c AANWEZIG (Multijetuitvoeringen - geel) Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje c gaat branden als er water in het dieselfilter zit. Op het display verschijnt het betreffende bericht. Water in het brandstofsysteem kan het inspuitsysteem ernstig beschadigen en de motor kan onregelmatig gaan draaien. Als het lampje c gaat branden (er verschijnt ook een bericht op het display), wendt u dan zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer om de condens te laten aftappen. Als het bericht en het symbool direct na het tanken verschijnen, bestaat de mogelijkheid dat er tijdens het tanken water in de brandstoftank is gekomen: zet in dat geval onmiddellijk de motor uit en wendt u tot de Lanciadealer. MISTACHTERLICHT (geel) 4 Het lampje gaat branden als het mistachterlicht wordt ingeschakeld. è ALGEME STORINGSMELDING (geel) Het lampje gaat bij de volgende omstandigheden branden. Storing buitenverlichting (geel) Het lampje gaat branden (bepaalde uitvoeringen) als er een storing is in een van de volgende systemen: buitenverlichting remlichten (behalve derde remlicht) mistachterlicht richtingaanwijzers kentekenplaatverlichting. De storing kan betreffen: doorbranden van een of meer lampen, doorbranden van de bijbehorende zekering of een onderbreking in de elektrische verbinding. Op het display verschijnt het betreffende bericht. START LAMPJES STORING ELEKTRONI- STARTBLOKKE- Y RING - LANCIA CODE (geel) Als u de contactsleutel in stand MAR zet, dan gaat het lampje één keer knipperen en dooft vervolgens. Als het lampje, met de contactsleutel in stand MAR, blijft branden, dan duidt dit op een mogelijke storing (zie Lancia CODE in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). BELANGRIJK Als de lampjes U en Y tegelijk branden, dan is er een storing in de Lancia CODE. Als bij een draaiende motor het lampje Y knippert, dan wordt de auto niet beveiligd door het systeem (zie de paragraaf Lancia Code in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). Wendt u tot de Lancia-dealer om alle sleutels in het geheugen te laten opslaan. ZORG 131
133 ZORG START LAMPJES Storing motoroliedruksensor Het lampje gaat branden bij een storing in de motoroliedruksensor. Wendt u zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer om de storing te laten verhelpen. Storing sensoren Het lampje gaat branden als er een storing is in de schemer- en regensensor. Wendt u zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. Op het display verschijnt het betreffende bericht. Brandstofnoodschakelaar Het lampje gaat branden als de brandstofnoodschakelaar inschakelt. Op het display verschijnt het betreffende bericht. STORING ESP (geel) Als u de contactsleutel in á stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Als het lampje niet dooft of tijdens het rijden blijft branden en het lampje op de knop ASR OFF gaat branden, wendt u dan tot de Lanciadealer. Op het display verschijnt een bericht. Opmerking Als het lampje knippert tijdens het rijden, dan geeft dit aan dat het ESP in werking is getreden. STORING HILL HOLDER (geel) * Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Als het lampje gaat branden, is er een storing in het Hill Holder-systeem. Wendt u in dat geval zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. Op het display verschijnt het betreffende bericht. 132
134 3 BUITVERLICHTING DIMLICHT (groen) FOLLOW ME HOME (groen) Buitenverlichting en dimlichten Het lampje gaat branden als de buitenverlichting of het dimlicht wordt ingeschakeld. Follow me home Het lampje gaat branden als dit systeem wordt gebruikt (zie Follow me home in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). Op het display verschijnt het betreffende bericht. MISTLAMP VOOR (groen) 5 Het lampje gaat branden als de mistlampen voor worden ingeschakeld. RICHTINGAANWIJZER LINKS (groen - knipperend) F Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omlaag wordt gezet of, tegelijkertijd met het lampje van de rechter richtingaanwijzer, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt. RICHTINGAANWIJZER RECHTS (groen - knipperend) D Het lampje gaat branden als de richtingaanwijzerhendel omhoog wordt gezet of, tegelijkertijd met het lampje van de linker richtingaanwijzer, als de drukknop voor de waarschuwingsknipperlichten wordt ingedrukt. INSCHAKELING ELEK- TRI STUURBE- CITY KRACHTIGING DUAL- DRIVE (groen) Het opschrift CITY gaat branden op het display als deze stand van de elektrische stuurbekrachtiging Dualdrive wordt ingeschakeld door het indrukken van de betreffende schakelaar. Als opnieuw op de knop wordt gedrukt, dooft het opschrift CITY. 1 GROOTLICHT (blauw) Het lampje gaat branden als het grootlicht wordt ingeschakeld. VERSTOPT ROETFILh TER (1.3 Multijet 90 pk-uitvoering) (geel) Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje gaat branden als het roetfilter verstopt is en de rijomstandigheden verhinderen dat de regeneratieprocedure automatisch wordt uitgevoerd. Voor de regeneratieprocedure en vervolgens het reinigen van het filter raden wij u aan te blijven rijden, totdat de weergave van het lampje verdwijnt. Op het display verschijnt een bericht. START LAMPJES ZORG 133
135 START LAMPJES ZORG 134 KANS OP GLADHEID Als de buitentemperatuur gelijk is aan of lager wordt dan 3 C, dan verschijnt op het display het symbool en een waarschuwingsbericht, en knippert de temperatuuraanduiding om aan te geven dat er kans op gladheid bestaat. BEPERKTE ACTIERADIUS Op het display verschijnt een bericht om de gebruiker te waarschuwen als de actieradius van de auto kleiner wordt dan 50 km. ASR-SYSTEEM Het ASR-systeem kan worden uitgeschakeld door het indrukken van de knop ASR OFF. Op het display verschijnt een bericht dat aangeeft dat het systeem is uitgeschakeld; gelijktijdig gaat het lampje op de knop branden. Als opnieuw op de knop ASR OFF wordt gedrukt, dooft het lampje op de knop en verschijnt op het display een bericht dat aangeeft dat het systeem weer is ingeschakeld. VERSLET REM- BLOKK (geel) d Het lampje gaat branden als de remblokken voor versleten zijn; laat deze in dat geval zo snel mogelijk vervangen. Op het display verschijnt een bericht. SNELHEIDSREGELAAR (CRUISE-CONTROL) (indien aanwezig) (groen) Ü Als u de contactsleutel in stand MAR draait, gaat het lampje op het instrumentenpaneel branden. Na enkele seconden moet het lampje doven. Het lampje (indien aanwezig) op het instrumentenpaneel gaat branden en op het display verschijnt een bericht als de draaiknop van de cruise-control in stand ON wordt gezet. Op het display verschijnt het betreffende bericht. SNELHEIDSLIMIET OVER- SCHRED Op het display verschijnt een bericht als de ingestelde snelheidslimiet wordt overschreden (zie Instelbaar multifunctioneel display in het hoofdstuk Dashboard en bediening ). Op het display verschijnt het betreffende bericht. NIET OMGELEGDE SGORDEL < (rood) Het lampje op het instrumentenpaneel gaat continu branden als bij stilstaande auto de veiligheidsgordel aan bestuurderszijde niet goed is omgelegd. Als de auto rijdt en de veiligheidsgordel aan bestuurderszijde is niet goed omgelegd, dan gaat het lampje knipperen en klinkt tegelijkertijd een akoestisch signaal (zoemer). Het akoestische signaal (zoemer) van het SBR-systeem (Seat Belt Reminder) kan permanent worden uitgeschakeld door de Lancia-dealer. Het systeem kan weer worden geactiveerd via het setup-menu.
136 MOTOR START FIX & GO automatic (snelle bandenreparatieset) WIEL VERWISSEL GLOEILAMP VERVANG GLOEILAMP BUITVERLICHTING VERVANG GLOEILAMP INTERIEURVERLICHTING VER- VANG ZEKERING VERVANG ACCU OPLAD OPKRIKK VAN DE AUTO SLEP VAN DE AUTO NOOD LAMPJES ZORG START 135
137 START LAMPJES ZORG MOTOR START NOODSTART Als de Lancia-code er niet in slaagt de startblokkering op te heffen, dan blijven de lampjes Y en U op het instrumentenpaneel branden en start de motor niet. Wendt u tot de Lancia-dealer. fig. 1 L0C0100m START MET E HULPACCU fig. 1 Als de accu leeg is, kan de motor worden gestart met een hulpaccu, die ten minste dezelfde capaciteit moet hebben als de lege accu. Ga voor het starten als volgt te werk: verbind de pluspolen (+ teken nabij de pool) van de beide accu s met een startkabel; sluit een tweede startkabel aan op de minpool ( ) van de hulpaccu en op de massa-aansluiting (E) op de motor of de versnellingsbak van de auto die gestart moet worden; start de motor; neem als de motor draait, de kabels in de omgekeerde volgorde los. Als de motor na enkele pogingen niet aanslaat, blijf dan niet proberen maar wendt u tot de Lancia-dealer. BELANGRIJK Verbind de minklemmen van de twee accu s niet direct met elkaar: eventuele vonken kunnen het explosieve gas ontsteken dat uit de accu kan ontsnappen. Als de hulpaccu is geïnstalleerd aan boord van een andere auto, mogen tussen deze auto en de auto met de lege accu niet per ongeluk metalen delen met elkaar in verbinding staan. Gebruik voor een noodstart beslist nooit een accusnellader: de elektronische systemen kunnen beschadigen; in het bijzonder de regeleenheden van de ontsteking en de inspuiting. 136
138 ATTTIE Laat deze procedure door gespecialiseerd personeel uitvoeren. Onjuiste handelingen kunnen leiden tot vonken. De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid en de ogen. Kom ook niet dicht bij een accu met open vuur of een brandende sigaret en veroorzaak geen vonken. ROLLD START Probeer auto s nooit te starten door ze aan te duwen, te slepen of van een helling af te laten rijden. Op die wijze kan er onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen, waardoor deze onherstelbaar zal beschadigen. BELANGRIJK Houd er rekening mee dat de rembekrachtiging en de elektrische stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. SNELLE BAND- REPARATIESET FIX & GO automatic (indien aanwezig) De snelle bandenreparatieset Fix & Go automatic bevindt zich in de bagageruimte. De set bestaat uit: een spuitbus A-fig. 2 met afdichtvloeistof, die voorzien is van: een vulbuis B-fig. 2; een sticker C-fig. 2 met het opschrift max. 80 km/h. Na het repareren van het wiel moet deze sticker op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats worden aangebracht (op het dashboard); een informatiefolder voor een correct gebruik van de snelle reparatieset. De folder moet overhandigd worden aan het personeel dat de band die behandeld is met de bandenreparatieset, moet repareren; fig. 2 fig. 3 L0C0236m L0C0237m ATTTIE Overhandig de informatiefolder aan het personeel dat de band moet repareren die behandeld is met de bandenreparatieset. LAMPJES ZORG START 137
139 LAMPJES ZORG START een compressor D-fig. 2 met manometer en aansluitnippels, die in het vak zijn te vinden; een paar werkhandschoenen die in het zijvak van de compressor zijn te vinden; adapters voor het oppompen van diverse voorwerpen. In de houder (die zich in de bagageruimte onder de vloerbedekking bevindt) van de bandenreparatieset zijn ook de schroevendraaier en de sleepogen te vinden. BELANGRIJK Gebruik de Fix & Go reparatieset niet als de band beschadigd is geraakt door het rijden met een lege band. HET IS NOODZAKELIJK TE WET DAT: De afdichtvloeistof bij buitentemperaturen werkt tussen 20 C en +50 C. De afdichtvloeistof een houdbaarheidsdatum heeft. Als u een lekke band krijgt, kan de band gerepareerd worden als de diameter van het lek niet groter is dan 4 mm. ATTTIE Het is niet mogelijk lekken aan de zijkanten van de band te repareren. Gebruik de reparatieset niet als de band beschadigd is geraakt door het rijden met een lege band. 138
140 ATTTIE Bij schade aan de velg (zodanige vervorming van het kanaal dat er lucht wegloopt) kan de band niet gerepareerd worden. Verwijder de eventueel in de band binnengedrongen voorwerpen (schroeven of spijkers) niet. ATTTIE Doe de handschoenen aan die bij de snelle bandenreparatieset zijn geleverd. LAMPJES ZORG ATTTIE De compressor mag niet langer dan 20 minuten achter elkaar worden ingeschakeld. Gevaar voor oververhitting. De snelle reparatieset is niet geschikt voor permanente reparatie; de gerepareerde banden mogen daarom slechts tijdelijk worden gebruikt. fig. 4 L0C0238m OPPOMP VAN DE BAND Trek de handrem aan. Draai de ventieldop los, neem de vulbuis A-fig. 4 uit en draai de ring B op het ventiel van de band; Vervang de spuitbus zodra de houdbaarheidsdatum van de afdichtvloeistof is verstreken. Spuitbussen en afdichtvloeistof zijn schadelijk voor het milieu. Houdt u voor het afvoeren van deze producten aan de wettelijke normen. START 139
141 START LAMPJES ZORG 140 ATTTIE De spuitbus bevat ethyleenglycol. Bevat latex: kan een allergische reactie veroorzaken. Schadelijk bij inslikken. Irriterend voor de ogen. Kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing en contact. Vermijd contact met ogen, huid en kleding. Spoel bij contact onmiddellijk overvloedig met water. Vermijd braken bij inslikken, spoel de mond uit, drink veel water en raadpleeg onmiddellijk een arts. Houd buiten het bereik van kinderen. Het product mag niet gebruikt worden door astmatische patiënten. Adem de dampen niet in tijdens het vullen en oppompen. Raadpleeg onmiddellijk een arts bij allergische reacties. Bewaar de spuitbus in de daarvoor bestemde ruimte, ver verwijderd van warmtebronnen. De afdichtvloeistof heeft een houdbaarheidsdatum. fig. 5 L0C0239m controleer of de schakelaar D-fig. 5 van de compressor in stand 0 (uitgeschakeld) staat, start de motor, steek de stekker A-fig. 6 in de aanstekerbus (of de 12V-contactdoos) en schakel de compressor in door de schakelaar D-fig. 5 in stand I (ingeschakeld) te zetten; Pomp de band op tot de juiste bandenspanning is bereikt (zie de paragraaf Bandenspanning in het hoofdstuk Technische gegevens ). Controleer de bandenspanning op de manometer F-fig. 5. Voor een nauwkeurige aflezing moet de compressor worden uitgeschakeld; als u er niet in slaagt binnen 5 minuten de bandenspanning op ten minste 1,5 bar te krijgen, koppel dan de compressor los van het ventiel en de contactdoos en verplaats vervolgens de auto ongeveer 10 meter naar voren of naar achteren, zodat de afdichtvloeistof in de band verdeeld wordt; pomp de band vervolgens weer op; fig. 6 L0C0240m als u er ook dan niet in slaagt om, binnen 5 minuten na inschakeling van de compressor, de spanning op ten minste 1,8 bar te brengen, mag niet verder worden gereden, omdat de band te erg beschadigd is en de reparatieset de vereiste wegligging niet kan garanderen; wendt u tot de Lancia-dealer;
142 fig. 7 L0C0241m fig. 8 L0C0242m ATTTIE Plaats de sticker op een voor de bestuurder goed zichtbare plaats om aan te geven dat de band behandeld is met de snelle bandenreparatieset. Rijd voorzichtig vooral in bochten. Rijd niet harder dan 80 km/h. Vermijd bruusk accelereren en remmen. ATTTIE Als de bandenspanning onder 1,8 bar is gedaald, mag niet verder worden gereden: de snelle reparatieset Fix & Go automatic kan de vereiste wegligging niet garanderen omdat de band te erg beschadigd is. Wendt u tot de Lancia-dealer. als de band op de juiste spanning is gebracht (zie de paragraaf Bandenspanning in het hoofdstuk Technische gegevens ), vertrek dan onmiddellijk; stop na ongeveer 10 minuten en controleer opnieuw de bandenspanning; vergeet niet de handrem aan te trekken; als een spanning van ten minste 1,8 bar wordt gemeten, herstel dan de correcte bandenspanning (met draaiende motor en aangetrokken handrem) en rijdt verder; rijd zeer voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Lancia-dealer. ALLE VOOR HET CONTRO- LER HERSTELL VAN DE SPANNING De compressor kan ook worden gebruikt voor het herstellen van de bandenspanning. Maak de snelkoppeling los en verbind de koppeling direct met het ventiel van de band; op deze manier wordt de spuitbus niet met de compressor verbonden en wordt de afdichtvloeistof niet in de band gespoten. START LAMPJES ZORG 141
143 START LAMPJES ZORG 142 fig. 9 L0C0243m PROCEDURE VOOR HET VER- VANG VAN DE SPUITBUS Ga als volgt te werk voor het vervangen van de spuitbus: maak de koppeling A-fig. 9 los; draai de te vervangen spuitbus linksom en trek de spuitbus omhoog; plaats de nieuwe spuitbus en draai de spuitbus rechtsom; sluit de koppeling A-fig. 9 aan op de spuitbus en plaats de doorzichtige vulbuis B-fig. 9 in het daarvoor bestemde vak. ATTTIE U moet absoluut aangeven dat de band is gerepareerd met de snelle bandenreparatieset. Overhandig de informatiefolder aan het personeel dat de band moet repareren die behandeld is met de bandenreparatieset. WIEL VERWISSEL ALGEME AANWIJZING Voor het verwisselen van het wiel en voor het juiste gebruik van de krik en het noodreservewiel moeten de onderstaande voorzorgsmaatregelen in acht worden genomen. ATTTIE Attendeer het overige wegverkeer op de stilstaande auto m.b.v.: de waarschuwingsknipperlichten, de eventueel wettelijk verplichte gevarendriehoek enz. Tijdens het verwisselen van een wiel moeten alle inzittenden de auto hebben verlaten, vooral als de auto zwaar beladen is, en op een veilige afstand van het verkeer wachten, totdat het wiel verwisseld is. Blokkeer de wielen met stenen of andere voorwerpen als de auto schuin op een helling of op een slecht wegdek staat. ATTTIE Het noodreservewiel (indien aanwezig) behoort bij de auto waarbij het geleverd is. Gebruik het reservewiel niet bij andere auto s en monteer geen reservewielen van andere auto s. Het noodreservewiel mag alleen in noodgevallen worden gebruikt. Het noodreservewiel moet zo kort mogelijk gebruikt worden en er mag niet sneller dan 80 km/h mee worden gereden. Op het noodreservewiel is een oranje sticker aangebracht waarop de belangrijkste aanwijzingen en de beperkingen staan vermeld met betrekking tot het gebruik van het noodreservewiel. Deze sticker mag absoluut niet worden verwijderd of afgedekt. Op het noodreservewiel mag nooit een wieldeksel worden gemonteerd. Op de sticker staan de volgende aanwijzingen in vier talen vermeld: attentie! alleen voor tijdelijk gebruik! max. 80 km/h! vervang zo snel mogelijk door een normaal wiel. Bedek deze aanwijzingen niet.
144 ATTTIE Bij een gemonteerd noodreservewiel veranderen de rij-eigenschappen van de auto. Vermijd met vol gas optrekken, bruusk remmen en hoge snelheden in de bochten. Het noodreservewiel heeft een levensduur van ongeveer 3000 km. Na deze afstand moet de band van het noodreservewiel vervangen worden door een nieuwe band van hetzelfde type. Monteer nooit een normale band op de velg van het noodreservewiel. Laat het verwisselde wiel zo snel mogelijk repareren en monteren. Gebruik nooit twee of meer noodreservewielen. Smeer de schroefdraad van de wielbouten niet met vet in, voordat u ze monteert: de bouten kunnen loslopen. ATTTIE De krik dient uitsluitend voor het verwisselen van een wiel van de auto waarbij de krik geleverd is of voor auto s van hetzelfde model. Gebruik de krik niet voor het opkrikken van andere auto s. En beslist nooit voor het uitvoeren van werkzaamheden onder de auto. Als de krik niet juist geplaatst wordt, kan de opgekrikte auto van de krik vallen. Op een sticker op de krik is het maximum hefvermogen aangegeven; de krik mag nooit voor een zwaardere last worden gebruikt. Het noodreservewiel is niet geschikt voor de montage van sneeuwkettingen. Als u een lekke voorband (aangedreven wiel) hebt en er moet met sneeuwkettingen worden gereden, dan moet u een wiel van de achteras afhalen en daarvoor in de plaats het noodreservewiel monteren. Zo hebt u op de vooras twee normale wielen waarop uw sneeuwkettingen kunt monteren. ATTTIE Door een verkeerde montage kan het wieldeksel tijdens het rijden loslaten. Maak het ventiel absoluut niet open. Plaats geen enkel stuk gereedschap tussen velg en band. Controleer regelmatig de spanning van de banden en van het noodreservewiel en houdt u daarbij aan de waarden die beschreven staan in het hoofdstuk Technische gegevens. LAMPJES ZORG START 143
145 START LAMPJES ZORG 144 Het is nodig te weten dat: de krik 1,76 kg weegt; de krik geen afstelwerkzaamheden vereist; de krik niet kan worden gerepareerd: bij een defect moet de krik door een krik van hetzelfde type worden vervangen; buiten de slinger geen enkel ander gereedschap op de krik gemonteerd mag worden. Ga voor het verwisselen van een wiel als volgt te werk: zet de auto stil op een plaats waar het verkeer niet in gevaar wordt gebracht en in alle veiligheid het wiel kan worden verwisseld. Zet de auto zo mogelijk op een vlakke en stevige ondergrond; fig. 10 L0C0114m zet de motor uit en trek de handrem aan; schakel de eerste versnelling of de achteruit in; til de bekleding op de vloer van de bagageruimte op; draai de blokkeerschroef A-fig. 10 los; neem de gereedschaphouder B- fig. 10 uit en zet de houder dicht bij het te verwisselen wiel; fig. 11 L0C0248m neem het noodreservewiel C- fig. 10 uit; verwijder het wieldeksel (alleen bij uitvoeringen met geklemde wieldeksels); draai met de bijgeleverde sleutel E-fig. 11 de wielbouten ongeveer een slag los; schud bij uitvoeringen met lichtmetalen velgen enige malen aan de bovenkant van de carrosserie, waardoor de velg los van de wielnaaf kan komen;
146 START LAMPJES fig. 12 L0C0117m draai de krik F-fig. 12 omhoog, zodat de inkeping G-fig. 12 aan de bovenzijde van de krik juist om het profiel H-fig. 12 onder de carrosserie valt bij punt I-fig. 12 (op ongeveer 72 cm vanaf het midden van het voorwiel of op 75 cm vanaf het midden van het achterwiel); waarschuw eventuele omstanders dat de auto wordt opgekrikt; zorg ervoor dat ze zich niet in de nabijheid van de auto bevinden en de auto vooral niet aanraken totdat deze weer geheel op de grond staat; plaats de slinger L-fig. 12 in de krik en krik de auto omhoog, totdat het wiel enige centimeters los van de grond is; verwijder het wieldeksel na het losdraaien van de drie wielbouten die het deksel op zijn plaats houden. Draai vervolgens de vierde wielbout los en trek het wiel los (alleen bij uitvoeringen met een wieldeksel dat is bevestigd met wielbouten). zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het reservewiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen; fig. 13 L0C0118m monteer het reservewiel, waarbij de gaten M-fig. 13 over de centreerpennen N-fig. 13 moeten vallen; draai met de bijgeleverde sleutel de vier wielbouten handvast aan; draai de slinger L-fig. 12 van de krik zodat de auto zakt, en verwijder de krik; ZORG 145
147 LAMPJES ZORG START fig. 14 L0C0119m draai met de bijgeleverde sleutel de wielbouten kruiselings vast, in de volgorde die is aangegeven in fig. 14. NORMALE WIEL MONTER Volg de hiervoor beschreven procedure, krik de auto op en demonteer het noodreservewiel. Uitvoeringen met stalen velgen Ga als volgt te werk: zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken van het reservewiel schoon zijn en geen onzuiverheden bevatten, omdat hierdoor na verloop van tijd de wielbouten kunnen loslopen; monteer het normale wiel en draai de eerste wielbout twee slagen in het gat dat zich het dichtst bij het ventiel bevindt; monteer het wieldeksel, waarbij het symbool C (dit bevindt zich op het deksel zelf) moet samenvallen met het ventiel en plaats vervolgens de andere drie wielbouten; draai met de bijgeleverde sleutel de wielbouten stevig vast; laat de auto zakken en verwijder de krik; draai met de bijgeleverde sleutel de wielbouten kruiselings vast, in de volgorde die eerder is afgebeeld. BELANGRIJK Door een verkeerde montage kan het wieldeksel tijdens het rijden loslaten. 146
148 fig. 15 L0C0114m Uitvoeringen met lichtmetalen velgen zorg ervoor dat de boutgaten en alle contactvlakken schoon zijn; monteer het normale wiel door het op de centreerpennen te plaatsen, monteer de wielbouten en draai ze met de bijgeleverde sleutel handvast aan; laat de auto zakken en verwijder de krik; draai met de bijgeleverde sleutel de wielbouten definitief vast in de volgorde die hiervoor is aangegeven voor het noodreservewiel (zie afbeelding). Ter afsluiting plaats het noodreservewiel C- fig. 15 op de daarvoor bestemde plek in de bagageruimte; druk de half geopende krik stevig in de houder B-fig. 15 om rammelen tijdens het rijden te voorkomen; berg het gebruikte gereedschap op in de gereedschaphouder; plaats de gereedschaphouder op het reservewiel en draai de blokkeerschroef A-fig. 15 vast; plaats de bekleding op de juiste wijze op de vloer van de bagageruimte. GLOEILAMP VERVANG ALGEME AANWIJZING Als een lamp niet brandt, controleer dan eerst of de zekering niet doorgebrand is, voordat u de lamp vervangt: zie voor de plaats van de zekeringen de paragraaf Zekeringen vervangen in dit hoofdstuk; controleer voordat u een lamp vervangt of de contacten niet zijn geoxideerd; vervang een defecte lamp door een exemplaar van hetzelfde type en vermogen; als u een gloeilamp in de koplamp hebt vervangen, controleer dan om veiligheidsredenen altijd of de afstelling nog goed is. Halogeenlampen mag u uitsluitend aanraken op het metalen gedeelte. Als u de bol met uw vingers aanraakt, zal de lichtopbrengst van de lamp teruglopen en kan ook de levensduur beperkt worden. Als u de bol per ongeluk toch hebt aangeraakt, moet u de bol schoonwrijven met een doekje met alcohol en daarna laten drogen. START LAMPJES ZORG 147
149 START LAMPJES ATTTIE Modificaties of reparaties aan de elektrische installatie die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brand veroorzaken. ATTTIE Halogeenlampen bevatten gas onder druk. Bij breuk kunnen er glassplinters wegschieten. TYP GLOEILAMP fig. 16 Op de auto zijn verschillende typen gloeilampen gemonteerd: A Glasfittinglampen: deze zijn voorzien van een klemfitting. Verwijder de lamp door de lamp uit de houder te trekken. B Gloeilampen met bajonetfitting: verwijder de lamp uit de houder door hem iets in te drukken en linksom te draaien. C Buislampen: verwijder de lamp door hem uit de veercontacten los te maken. D-E Halogeenlampen: verwijder de lamp door de borgveer los te haken uit de zitting. ZORG BELANGRIJK Aan de binnenzijde kan de koplamp een beetje beslagen zijn: dit duidt niet op een defect, maar is een natuurlijk verschijnsel dat veroorzaakt wordt door een lage temperatuur en de luchtvochtigheidsgraad, en verdwijnt snel als de koplampen worden ingeschakeld. De aanwezigheid van druppels aan de binnenzijde van de koplamp duidt daarentegen op het binnendringen van water: wendt u tot de Lancia-dealer. fig. 16 L0C0145m 148
150 Lampen Figuur Type Vermogen Grootlicht D H3 55W Dimlicht D H7LL 55W Buitenverlichting voor A W5WLL 5W Mistlampen voor (indien aanwezig) E H1 55W Richtingaanwijzers voor B PY21W 21W Richtingaanwijzers op voorspatbord A WY5W 5W Richtingaanwijzers achter B P21W 21W Achterlichten B P21/5W 21W Remlichten B P21/5W 21W Derde remlicht A W2,3W 2,3W Achteruitrijlicht B P21W 21W Mistachterlicht B P21W 21W Kentekenplaatverlichting C C5W 5W Plafondverlichting A W5W 10W/20W Bagageruimteverlichting A W5W 5W LAMPJES ZORG START 149
151 LAMPJES ZORG START GLOEILAMP BUI- TVERLICHTING VERVANG Zie voor het type lamp en het bijbehorende vermogen de paragraaf Gloeilamp vervangen. KOPLAMPUNITS In de koplampunits zijn de gloeilampen voor de buitenverlichting, het dimlicht, het grootlicht en de richtingaanwijzer opgenomen. Voor het vervangen van de gloeilampen van de buitenverlichting, het dimlicht en het grootlicht, moet u de beschermdoppen verwijderen. fig. 18 L0C0264m fig. 19 L0C0125m De lampen zijn op de volgende wijze in de lichtunit fig. 18 geplaatst: C richtingaanwijzer D grootlicht E buitenverlichting F dimlicht Monteer na het vervangen, de beschermdoppen op de vervangen gloeilampen en controleer of ze goed bevestigd zijn. BELANGRIJK Het deksel op de linker (bestuurderszijde) koplampunit voor het vervangen van de gloeilamp, is bereikbaar nadat het deksel B-fig. 19 van de zekeringen- en relaiskast in de motorruimte is verwijderd. 150
152 fig. 20 L0C0138m DIMLICHT fig Gloeilamp vervangen: verwijder de beschermdoppen; draai de lamphouder A linksom en verwijder hem uit de zitting; maak de twee lippen B los uit de borgingen, neem de lamp C uit en vervang hem; fig. 21 L0C0139m fig. 22 L0C0137m plaats de lamphouder A in de zitting en draai hem rechtsom. na de vervanging moeten de beschermdoppen correct worden gemonteerd. GROOTLICHT fig. 22 Gloeilamp vervangen: verwijder de beschermdoppen; haak de borgveer van de lamp A los; maak de stekker B los; trek de lamp C uit de houder en vervang hem; monteer de nieuwe lamp; hierbij moet de nok van het metalen deel vallen in de uitsparing in de reflector; sluit de stekker B weer aan en haak vervolgens de borgveer A vast; na de vervanging moeten de beschermdoppen correct worden gemonteerd. START LAMPJES ZORG 151
153 LAMPJES ZORG START fig. 23 RICHTINGAANWIJZERS L0C0140m Voor fig. 23 Gloeilamp vervangen: draai de lamphouder A linksom en verwijder hem; verwijder de lamp B (met bajonetfitting) door hem iets in te drukken en linksom te draaien; vervang de lamp; monteer de lamphouder, draai de lamphouder rechtsom en controleer of de houder goed vast zit. fig. 24 L0C0156m fig. 25 L0C0141m Op de flanken fig. 24 Gloeilamp vervangen: druk op het door de pijl aangegeven punt, zodat de borgveer wordt ingedrukt, en verwijder de lichtunit A; draai de lamphouder B linksom, verwijder de geklemde lamp en vervang hem; plaats de lamphouder B in het lampenglas, monteer de lampunit en controleer of de bevestigingsveer goed geborgd is. BUITVERLICHTING VOOR fig. 25 Gloeilampen vervangen: verwijder de beschermdoppen; trek de geklemde lamphouder A los, verwijder de lamp B en vervang hem; plaats de geklemde lamphouder A; na de vervanging moeten de beschermdoppen correct worden gemonteerd. 152
154 fig. 26 L0C0142m MISTLAMP VOOR (indien aanwezig) fig Gloeilamp vervangen: verwijder het voorste deel van de wielkuipbescherming; verwijder het beschermdeksel A door het linksom te draaien; maak de stekker B los; haak de borgveer van de lamp C los; verwijder en vervang de lamp; monteer de nieuwe lamp, haak de borgveer van de lamp C vast en sluit de stekker B aan; monteer het beschermdeksel A door het rechtsom te draaien. fig. 27 fig. 28 L0C0143m L0C0157m ACHTERLICHTUNITS Gloeilamp vervangen: open de achterklep; draai de twee bevestigingsschroeven los en verwijder de lichtunit fig. 28; druk op de bevestigingslippen A- fig. 29 van de lamphouder en verwijder hem uit de zitting; verwijder de lampen B - C - D- fig. 29 door ze iets in te drukken en linksom te draaien. fig. 29 START LAMPJES L0C0144m De lampen zijn op de volgende wijze in de lichtunit geplaatst: B achterlichten/remlichten; C richtingaanwijzers D achteruitrijlicht (linkerzijde)/ mistachterlicht (rechterzijde). ZORG 153
155 START LAMPJES ZORG fig. 30 L0C0158m fig. 31 L0C0159m DERDE REMLICHT fig Gloeilampen vervangen: open de achterklep en verwijder de twee rubber doppen A; druk op de twee borglippen B die zich in de twee gaten bevinden om de unit los te maken; sluit de achterklep en verwijder de lichtunit; druk op de twee borglippen C en verwijder de lamphouder; verwijder de geklemde lampen en vervang ze. fig. 32 L0C0160m KTEKPLAAT- VERLICHTING fig. 32 Gloeilampen vervangen: verwijder het lampenglas A op het door de pijl aangegeven punt; maak de lamp B los uit de veercontacten aan de zijkant en vervang hem; controleer of de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten; monteer het lampenglas. 154
156 GLOEILAMP INTERIEUR- VERLICHTING VERVANG PLAFONDVERLICHTING Gloeilampen vervangen: maak op de door de pijlen aangegeven punten het voorgevormde deel A-fig. 33 los; draai de twee bevestigingsschroeven B-fig. 34 los en maak de unit Zie voor het type lamp en het bijbehorende vermogen de paragraaf los; Gloeilamp vervangen. L0C0161m fig. 33 vervang de middelste lamp C - fig. 35 door de lamp uit de veercontacten aan de zijkant los te maken; controleer of de nieuwe lamp goed vastzit in de veercontacten; vervang de lampen D-fig. 35 aan de zijkant door de twee lamphouders linksom te draaien en de geklemde lampen los te trekken. fig. 34 L0C0162m LAMPJES ZORG START fig. 35 L0C0163m 155
157 ZEKERING VERVANG START LAMPJES ZORG fig. 36 L0C0165m BAGAGERUIMTEVERLICHTING fig. 36 Gloeilamp vervangen: open de achterklep; maak de lichtunit A op het door de pijl aangegeven punt los. open het beschermkapje B en vervang de geklemde lamp; sluit het beschermdeksel B op het lampenglas; monteer de lichtunit A door het eerst aan een zijde in de juiste stand te plaatsen en vervolgens de andere zijde aan te drukken, totdat de borging inklikt. ALGEME AANWIJZING fig. 37 Het elektrische systeem wordt door zekeringen beveiligd: de zekering brandt door bij een storing of bij oneigenlijk gebruik van het systeem. Als een elektrisch onderdeel niet werkt, controleer dan eerst of de zekering niet is doorgebrand: de verbindingsstrip A mag niet onderbroken zijn. Is dit wel het geval, dan moet u de zekering vervangen door een exemplaar met dezelfde stroomsterkte (zelfde kleur). B zekering in goede staat C zekering met doorgebrande strip. Gebruik het tangetje D voor het vervangen van de zekeringen. Dit tangetje is vastgehaakt in de zekeringenkast op het dashboard. Vervang een defecte zekering nooit door ander materiaal. fig. 37 L0C0122m ATTTIE Vervang een zekering nooit door een zekering met een hogere stroomsterkte (ampère); BRANDGEVAAR. ATTTIE Als een hoofdzekering (MEGA-FUSE, MAXI- FUSE) doorbrandt, wendt u dan tot een Lancia-dealer. Controleer, voordat u een zekering vervangt, of de contactsleutel uit het contactslot is genomen en alle stroomgebruikers uit staan en/of zijn uitgeschakeld. ATTTIE Als de zekering opnieuw doorbrandt, wendt u dan tot de Lancia-dealer. 156
158 TOEGANG TOT DE ZEKERING De zekeringen van de auto bevinden zich in twee zekeringenkasten op het dashboard aan de linkerkant van de stuurkolom en in de motorruimte naast de accu. Zekeringenkast op dashboard fig. 39 De zekeringen in de zekeringenkast op het dashboard zijn bereikbaar nadat de kunststof bescherming A-fig. 38 is verwijderd. fig. 38 L0C0121m ZORG LAMPJES START fig. 39 L0C0123m 157
159 Zekeringenkast naast de accu fig. 41 De zekeringen in de zekeringkast naast de accu zijn bereikbaar nadat het betreffende beschermdeksel B-fig. 40 is verwijderd. START fig. 40 L0C0125m ZORG LAMPJES 158 fig. 41 L0C0124m
160 ZEKERINGTABEL Zekeringenkast op dashboard VERBRUIKERS ZEKERING AMPERE Dimlicht rechts Dimlicht links/hoogteverstelling koplampen Achteruitrijlichten/relais regeleenheid motorruimte/body computer +30 plafondverlichting voor Beschikbaar Beschikbaar +15 achteruitrijlicht, luchtkwantummeter (diesel), waterdetectiesensor in brandstoffilter +30 achterklepontgrendeling +15 remlichten, derde remlicht, instrumentenpaneel Centrale portiervergrendeling (relais in body computer) +30 navigatiesysteem / inbouwvoorbereiding autoradio / autoradio, Blue&Me regeleenheid, airconditioning, EOBD-diagnosestekker Achterruitverwarming Beschikbaar +15 regeleenheid ABS / ESP, gierhoeksensor (ESP) Ruitenwissers, ruitensproeier-/achterruitsproeierpomp Aansteker - stekkerdoos Beschikbaar Beschikbaar Ruitbediening bestuurderszijde Ruitbediening passagierszijde +15 voor klimaatregeling, centraal bedieningspaneel op dashboard, bedieningspaneel op bestuurdersportier, spiegelverstelling, regeleenheid automatisch ruitbediening voor bestuurderszijde, opendak, regen-/schemersensor Airbagsysteem +15 voor navigatiesysteem, inbouwvoorbereiding autoradio/ autoradio (low), bediening op stuurwiel, Blue&Me-regeleenheid, cruise-control Achterruitenwisser +30 instrumentenpaneel, mistachterlicht F12 F13 F31 F32 F33 F34 F35 F36 F37 F38 F39 F40 F41 F42 F43 F44 F45 F46 F47 F48 F49 F50 F51 F52 F53 7,5 7, , ,5 START LAMPJES ZORG 159
161 START LAMPJES ZORG Zekeringenkast in motorruimte VERBRUIKERS Regeleenheid dashboard 1 Regeleenheid elektrische stuurbekrachtiging Start-/contactslot Zekeringenkast dashboard 2 Regeleenheid ABS / ESP Elektroventilateur motorkoelsysteem (lage snelheid) Elektroventilateur motorkoelsysteem (hoge snelheid) Aanjager klimaatregeling Beschikbaar Claxon Secundaire verbruikers elektronische inspuiting Grootlicht rechts Grootlicht links Primaire verbruikers elektronische inspuiting (behalve 1.4 8V) +30 inspuitregeleenheid, inspuitsysteem, spoel van relais voor serie/parallelschakeling elektroventilateurs van motorkoelsysteem (motor1.3 Diesel 90 pk met airco) Compressor Beschikbaar Brandstofpomp (behalve 1.2 8v) Primaire verbruikers elektronische inspuiting (1.4 16v, 1.4 8v) brandstofpomp (1.2 8v) Primaire verbruikers elektronische inspuiting (Diesel) 15/54 regeleenheid stuurbekrachtiging Mistlampen voor ZEKERING F1 F2 F3 F4 F5 F6 F7 F8 F9 F10 F11 F14 F15 F17 F18 F19 F20 F21 F22 F22 F24 F30 AMPERE ,5 7,5 10 7,5 7, ,
162 Externe zekeringen 20A-zekering voor externe audioversterker (Bose Hi-Fi) nabij de zekeringen- en relaiskast op het dashboard (bereikbaar na verwijdering van kunststof kap A-fig. 38); 20A-zekering voor opendak nabij de zekeringen- en relaiskast op het dashboard (bereikbaar na verwijdering van kunststof kap A- fig. 38); 30A-zekering voor pomp van elektrohydraulisch schakelmechanisme, in motorruimte nabij accu; 50A-zekering voor voorgloeiregeleenheid, in motorruimte nabij accu. ACCU OPLAD BELANGRIJK De beschrijving voor het opladen van de accu dient slechts ter informatie. Wendt u bij voorkeur tot een Lancia-dealer om deze werkzaamheden uit te laten voeren. We raden u aan de accu langzaam en met een lage stroomsterkte (ampère) gedurende ca. 24 uur op te laden. Als u de accu langer oplaadt, kan de accu worden beschadigd. Ga voor het opladen als volgt te werk: maak de klem van de minpool van de accu los; sluit de kabels van het laadapparaat aan op de accupolen; let hierbij op de polariteit; schakel de acculader in; aan het einde van het opladen: schakel eerst de acculader uit en koppel dan de accu los; sluit de klem weer aan op de minpool van de accu. ATTTIE De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Vermijd het contact met de huid en de ogen. Het opladen van de accu moet worden uitgevoerd in een goed geventileerde ruimte, ver verwijderd van open vuur en vonkvormende apparaten: branden ontploffingsgevaar. ATTTIE Probeer een bevroren accu niet op te laden: eerst moet de accu ontdooid worden, anders loopt u het risico dat de accu ontploft. Als de accu bevroren is geweest, moet door deskundig personeel worden gecontroleerd of de cellen niet beschadigd zijn en of de bak geen scheuren vertoont, waardoor de giftige en corrosieve vloeistof kan weglekken. LAMPJES ZORG START 161
163 LAMPJES ZORG START OPKRIKK VAN DE AUTO Als de auto opgekrikt moet worden, moet u zich tot de Lancia-dealer wenden. Deze beschikt over een garagekrik of hefbrug fig. 42. De auto mag uitsluitend worden opgekrikt door de hefarm van de garagekrik of de hefbrug te plaatsen, zoals is afgebeeld. fig. 42 L0C0244m SLEP VAN DE AUTO Bij de auto zijn sleepogen geleverd. Deze bevinden zich in de gereedschaphouder onder de vloerbedekking in de bagageruimte. De twee sleepogen verschillen in lengte: de kortste moet aan de voorzijde en de langste aan de achterzijde gemonteerd worden. SLEEPOOG BEVESTIG fig Ga als volgt te werk: verwijder dop A door de schroevendraaier in de daarvoor bestemde opening te steken, en druk de dop naar buiten; pak het sleepoog B uit de houder; draai het sleepoog geheel op de schroefdraadpen voor of achter. 162
164 fig. 43 L0C0098m ATTTIE Draai voor het slepen de sleutel in stand MAR en vervolgens in STOP zonder de contactsleutel uit het slot te verwijderen. Als de contactsleutel uit het contactslot wordt genomen, schakelt automatisch het stuurslot in waardoor het onmogelijk wordt de auto te besturen. ATTTIE Houd er rekening mee dat de rembekrachtiging en de elektrische stuurbekrachtiging niet werken zolang de motor niet is aangeslagen, waardoor meer kracht nodig is voor de bediening van het rempedaal en het stuur. Gebruik voor het slepen geen elastische kabels en rijd zo gelijkmatig mogelijk. Controleer tijdens het slepen of de sleepkabel geen carrosseriedelen kan beschadigen. Houdt u bij het slepen van een auto aan de wettelijke voorschriften. Dit geldt zowel voor het slepen zelf als voor het gedrag naar andere weggebruikers. LAMPJES ZORG START fig. 44 L0C0099m ATTTIE Start de motor niet tijdens het slepen van de auto. 163
165
166 GEPROGRAMMEERD GEPROGRAMMEERD SMA PERIODIEKE CONTROLES ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO NIVEAUS CONTROLER LUCHTFILTER/POLLFILTER DIESELFILTER ACCU WIEL BAND RUBBER SLANG RUITWISSERS/ACHTERRUITWISSER CARROSSERIE INTERIEUR ZORG LAMPJES START ZORG 165
167 START LAMPJES GEPROGRAM- MEERD ONDER- HOUD Doelmatig onderhoud is een beslissende factor voor een lange levensduur, de beste prestaties en een zo zuinig mogelijk gebruik van de auto. Om dit te realiseren heeft Lancia een reeks controle- en onderhoudsbeurten samengesteld die iedere km moeten worden uitgevoerd. Onthoud echter dat het geprogrammeerd onderhoud niet volledig toereikend is om de auto in optimale staat te houden: zowel in de beginperiode voor de servicebeurt bij kilometer als daarna, tussen twee servicebeurten in, moet regelmatig wat aandacht aan de auto worden geschonken. Controleer bijvoorbeeld regelmatig de bandenspanning en de vloeistofniveaus en vul deze laatste zo nodig bij. BELANGRIJK De servicebeurten van het Geprogrammeerd Onderhoud zijn door de fabrikant voorgeschreven. Het niet uitvoeren van deze servicebeurten kan het vervallen van de garantie tot gevolg hebben. De werkzaamheden van het geprogrammeerd onderhoud kunnen door alle Lancia-dealers tegen vaste tarieftijden worden uitgevoerd. Eventuele reparaties die nodig blijken tijdens het uitvoeren van de diverse inspecties en controles van het geprogrammeerd onderhoud worden uitsluitend na toestemming van de klant uitgevoerd. BELANGRIJK Het is raadzaam eventuele kleine defecten onmiddellijk door de Lancia-dealer te laten verhelpen en daarmee niet te wachten tot de volgende servicebeurt. Als de auto vaak wordt gebruikt voor het trekken van aanhangers, moeten er kortere intervallen worden aangehouden voor de werkzaamheden van het geprogrammeerd onderhoud. ZORG 166
168 GEPROGRAMMEERD SMA x 1000 km Banden op conditie en slijtage controleren en bandenspanning eventueel herstellen Werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten, bagageruimte, interieur, dashboardkastje, waarschuwings-/controlelampjes enz.) controleren Werking ruitenwissers/-sproeiers controleren Stand wisserbladen voor/achter controleren en wisserbladen op slijtage controleren Remblokken voor (schijfremmen) op conditie en slijtage controleren Remschoenen achter (trommelremmen) op conditie en slijtage controleren Visueel de conditie controleren van: buitenzijde carrosserie, bodemplaatbescherming, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.), en rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem Vergrendelmechanismen van de motorkap en achterklep op vervuiling controleren en mechanismen smeren Spanning van diverse aandrijfriemen controleren en eventueel afstellen (behalve uitvoeringen met automatische riemspanners) Conditie van diverse aandrijfriemen voor hulporganen visueel controleren Klepspeling controleren/afstellen (1.2 8V V) Handrem controleren/afstellen Uitlaatgasemissie/roetuitstoot controleren Benzinedamp-opvangsysteem controleren (benzine-uitvoeringen) Brandstoffilterelement vervangen (Green filter) (1.3 Multijet) Luchtfilterelement vervangen START LAMPJES ZORG 167
169 START LAMPJES ZORG 168 x 1000 km Vloeistofniveaus bijvullen (motorkoelsysteem, remsysteem, ruitenwissers, accu enz.) Getande distributieriem controleren (behalve 1.3 Multijet) Getande distributieriem vervangen (*) (behalve 1.3 Multijet) Bougies vervangen (benzine-uitvoeringen) Inspuiting/ontsteking controleren (m.b.v. diagnosestekker) Oliepeil in versnellingsbak controleren Aandrijfriem voor hulporganen vervangen Motorolie en oliefilter vervangen (Multijet-uitvoeringen zonder DPF) (of om de 24 maanden) Motorolie en oliefilter vervangen (Multijet-uitvoeringen met DPF) (**) (of om de 24 maanden) Motorolie en oliefilter vervangen (of om de 24 maanden) (benzine-uitvoeringen) Remvloeistof vervangen (of elke 24 maanden) Pollenfilter vervangen (of in ieder geval elk jaar) ( ) ( ) ( ) ( ) ( ) ( ) (*) Of iedere 4 jaar als de auto overwegend onder zware bedrijfsomstandigheden wordt gebruikt, zoals: langdurig gebruik in warme of koude klimaten; in stadsverkeer met langdurig stationair draaiende motor; gebruik op zeer stoffige wegen of op wegen met veel zand en/of strooizout. Of iedere 5 jaar, onafhankelijk van het aantal afgelegde kilometers en gebruiksomstandigheden van de auto. (**) De motorolie en het oliefilter moeten worden vervangen bij een brandend waarschuwingslampje op het instrumentenpaneel (zie het hoofdstuk Lampjes en berichten ) of in ieder geval om de 24 maanden. Als de auto overwegend in de stad wordt gebruikt wordt en daardoor jaarlijks minder dan km wordt gereden, moet de motorolie en het oliefilter iedere 12 maanden worden vervangen.
170 PERIODIEKE CONTROLES Iedere km of voor een lange reis controleren en eventueel bijvullen: niveau van de motorkoelvloeistof; niveau van de remvloeistof; niveau van de ruitensproeiervloeistof; conditie en spanning van de banden; werking verlichting (koplamp-/achterlichtunits, richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten enz.); werking ruitenwissers/-sproeiers voor/achter en stand/slijtage wisserbladen voor/achter. Iedere km controleren en eventueel bijvullen: motoroliepeil. Gebruik bij voorkeur producten van FL Selenia omdat die speciaal zijn afgestemd op de Lancia-modellen (zie de Vullingstabel in het hoofdstuk Technische gegevens ). ZWAAR GEBRUIK VAN DE AUTO Als de auto overwegend onder zware bedrijfsomstandigheden rijdt, zoals: trekken van aanhangers of caravans; rijden op stoffige wegen; veel korte ritten (minder dan 7-8 km) en bij buitentemperaturen onder nul; veel langdurig stationair draaiende motor of lange ritten bij lage snelheden (bijv. bij huis-aan-huis bezorging) of als de auto lang stilstaat; in de stad; is het noodzakelijk de volgende controles vaker uit te voeren, dan in het Onderhoudsschema staat aangegeven: remblokken voor (schijfremmen) op conditie en slijtage controleren; vergrendelmechanismen van de motorkap en achterklep op vervuiling controleren en mechanismen smeren; visueel de conditie controleren van: motor, versnellingsbak, aandrijfassen, uitlaat, brandstof- en remleidingen, rubber delen (stofkappen, hoezen enz.) en rubber slangen van rem- en brandstofsysteem; acculading en niveau van het elektrolyt in de accu controleren; conditie van diverse aandrijfriemen visueel controleren; pollenfilter controleren en eventueel vervangen; luchtfilter controleren en eventueel vervangen. START LAMPJES ZORG 169
171 START NIVEAUS CONTROLER BELANGRIJK Let er tijdens het bijvullen op dat de vloeistoffen met verschillende specificaties niet gemengd worden: als de specificaties van de vloeistoffen verschillen, kan de auto ernstig beschadigd worden. LAMPJES ATTTIE Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen of dampen aanwezig zijn; brandgevaar. fig. 1 - Uitvoering 1.2 8V L0C0090m ZORG 1. Motorolie 2. Accu 3. Remvloeistof 4. Ruitensproeiervloeistof 5. Koelvloeistof fig. 2 - Uitvoering 1.4 8V L0C0249m 170
172 1. Motorolie 2. Accu 3. Remvloeistof 4. Ruitensproeiervloeistof 5. Koelvloeistof ATTTIE Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen of dampen aanwezig zijn; brandgevaar. fig. 3 - Uitvoering V L0C0246m LAMPJES START ZORG 171
173 1. Motorolie 2. Accu 3. Remvloeistof 4. Ruitensproeiervloeistof 5. Koelvloeistof 6. Dieselfilter START LAMPJES ATTTIE Rook nooit tijdens werkzaamheden in de motorruimte: er kunnen licht ontvlambare gassen aanwezig zijn; brandgevaar. fig. 4 - Uitvoering 1.3 Multijet L0C0255m ZORG 172
174 fig. 5 - Uitvoering 1.2 8V MOTOROLIE L0C0091m Motoroliepeil controleren Controleer het oliepeil als de auto op een vlakke ondergrond staat en enige minuten (circa 5) na het uitzetten van de motor. Verwijder de oliepeilstok A en maak de peilstok schoon. Plaats de peilstok geheel terug, verwijder de peilstok en controleer of het niveau tussen het MIN- en MAX-merkteken op de peilstok staat. Het verschil tussen het MIN- en MAX-merkteken komt overeen met ongeveer 1 liter olie. fig. 6 - Uitvoering 1.4 8V fig. 7 - Uitvoering V fig. 8 - Uitvoering 1.3 Multijet L0C0256m L0C0257m L0C0258m Motorolie bijvullen Als het olieniveau dicht bij of onder het MIN-merkteken staat, moet via de olievulopening B motorolie tot aan het MAX-merkteken worden bijgevuld. Het olieniveau mag nooit het MAXmerkteken overschrijden. BELANGRIJK Als het motoroliepeil, na regelmatige controles, boven het MAX-niveau blijft, laat dan door de Lancia-dealer het juiste niveau herstellen. BELANGRIJK Na het bijvullen of het verversen van de olie, moet u de motor enige seconden laten draaien, vervolgens de motor uitzetten en na enige minuten het olieniveau controleren. Motorolieverbruik Als richtlijn geldt een maximaal motorolieverbruik van ongeveer 400 gram per 1000 km. De motor van een nieuwe auto moet nog worden ingereden. Dit betekent dat het motorolieverbruik pas na de eerste km stabiliseert. BELANGRIJK Het motorolieverbruik hangt af van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden van de auto. START LAMPJES ZORG 173
175 BELANGRIJK Vul nooit motorolie bij met andere specificaties dan de olie waarmee de motor is gevuld. LAMPJES START ZORG ATTTIE Wees bij het uitvoeren van werkzaamheden in de motorruimte extra voorzichtig als de motor nog warm is: gevaar voor verbranding. Onthoud dat bij een warme motor de elektroventilateur onverwacht kan inschakelen: kans op verwonding. Pas op als u sjaals, dassen of loszittende kledingstukken draagt: deze kunnen door de bewegende onderdelen worden gegrepen. Afgetapte motorolie en gebruikte oliefilters bevatten stoffen die schadelijk zijn voor het milieu. Het is raadzaam om het verversen van de olie en het vervangen van het oliefilter door de Lancia-dealer te laten uitvoeren. fig. 9 - Uitvoering benzine L0C0259m KOELVLOEISTOF VAN HET MOTORKOELSYSTEEM Het niveau van de koelvloeistof moet gecontroleerd worden bij een koude motor en mag niet onder het MINmerkteken op het expansiereservoir staan. Een te laag niveau bijvullen door een mengsel van 40% gedemineraliseerd water en PARAFLU UP langzaam via de vuldop A van het expansiereservoir te gieten. fig Uitvoering diesel L0C0260m Een mengsel van PARAFLU UP en gedemineraliseerd water in een mengverhouding van 40% beveiligt tot een temperatuur van 22 C. 174
176 Het motorkoelsysteem gebruikt PARAFLU UPkoelvloeistof. Als eventueel moet worden bijgevuld, gebruik dan vloeistof met dezelfde specificaties. PARAFLU UP kan niet worden gemengd met welke andere koelvloeistof dan ook. Als dit toch gebeurt, mag de motor absoluut niet worden gestart en moet u zich tot de Lancia-dealer wenden. ATTTIE Draai bij een zeer warme motor de dop van het expansiereservoir nooit los: gevaar voor verbranding. ATTTIE Het koelsysteem staat onder druk. Vervang de dop zonodig alleen door een exemplaar van hetzelfde type, anders kan de werking van het systeem in gevaar worden gebracht. fig. 11 L0C0261m RUIT-/KOPLAMPSPROEIER- VLOEISTOF Verwijder dop A en vul het reservoir met een mengsel van water en TUTELA PROFESSIONAL SC 35 in de volgende mengverhouding: 30% TUTELA PROFESSIONAL SC 35 en 70% water in de zomer; 50% TUTELA PROFESSIONAL SC 35 en 50% water in de winter. Bij temperaturen onder 20 C TUTE- LA PROFESSIONAL SC 35 onverdund gebruiken. Controleer visueel het niveau van de vloeistof in het reservoir. ATTTIE Rijd niet met een leeg ruitensproeierreservoir: de ruitensproeiers zijn van fundamenteel belang voor een optimaal zicht. ATTTIE Enkele in de handel verkrijgbare ruitensproeiervloeistoffen zijn licht ontvlambaar. In de motorruimte bevinden zich warme onderdelen die bij contact de vloeistof kunnen doen ontbranden. START LAMPJES ZORG 175
177 START LAMPJES fig. 12 L0C0262m REMVLOEISTOF Draai de dop A los en controleer of de vloeistof in het reservoir op het maximum niveau staat. Het niveau mag nooit het MAXmerkteken overschrijden. Controleer regelmatig de werking van het waarschuwingslampje x op het instrumentenpaneel. Voor het bijvullen mag uitsluitend remvloeistof worden gebruikt die voldoet aan de DOT 4-specificaties. Het verdient aanbeveling TUTELA TOP 4 remvloeistof te gebruiken; dezelfde remvloeistof, waarmee het remsysteem door de fabriek is gevuld. ZORG BELANGRIJK De remvloeistof is hygroscopisch (trekt water aan). Daarom verdient het aanbeveling, als de auto overwegend wordt gebruikt in gebieden met een hoge luchtvochtigheid, de vloeistof vaker te vervangen dan in het Onderhoudsschema staat aangegeven. Voorkom, als u de dop losdraait, contact tussen de zeer corrosieve vloeistof en de lak. Als remvloeistof wordt gemorst, moet de lak onmiddellijk met water worden afgespoeld. ATTTIE De remvloeistof is giftig en zeer corrosief. Als per ongeluk remvloeistof wordt gemorst, moeten de betreffende delen onmiddellijk worden gewassen met water en neutrale zeep en daarna met veel water worden afgespoeld. Bij inslikken dient onmiddellijk een arts te worden geraadpleegd. ATTTIE Het symbool π op het reservoir geeft aan dat synthetische remvloeistof en geen minerale vloeistof moet worden gebruikt. Het gebruik van minerale vloeistoffen moet absoluut worden vermeden, omdat de rubbers in het remsysteem door deze vloeistoffen worden beschadigd. 176
178 LUCHTFILTER/ POLLFILTER Laat het luchtfilter of het pollenfilter vervangen door de Lancia-dealer. DIESELFILTER CONDS AFTAPP MULTIJET-UITVOERING) ACCU De accu van de auto is onderhoudsarm : onder normale omstandigheden hoeft het elektrolyt niet bijgevuld te worden met gedestilleerd water. ACCULADING CONTROLER fig. 13 De acculading kan gecontroleerd worden door de kleur van de optische meter A te controleren. Zie de volgende tabel of de sticker B op de accu. fig. 13 L0C0092m START LAMPJES Water in het brandstofsysteem kan het inspuitsysteem ernstig beschadigen en de motor kan onregelmatig gaan draaien. Als het lampje gaat branden (bij bepaalde uitvoeringen verschijnt ook een bericht op het display), wendt u dan zo snel mogelijk tot de Lanciadealer om de condens te laten aftappen. Als het bericht en het symbool direct na het tanken verschijnen, bestaat de mogelijkheid dat er tijdens het tanken water in de brandstoftank is gekomen: zet in dat geval onmiddellijk de motor uit en wendt u tot de Lancia-dealer. Helderwitte kleur Donkere kleur zonder groen middenstuk Donkere kleur met groen middenstuk Elektrolyt bijvullen Accu niet voldoende opgeladen Niveau elektrolyt en acculading voldoende Wendt u tot de Lancia-dealer. Accu opladen (het is raadzaam dit door de Lancia-dealer te laten uitvoeren) Geen enkele handeling ZORG 177
179 LAMPJES ACCU VERVANG Als de accu vervangen wordt, moet een originele accu met dezelfde specificaties worden geïnstalleerd. Als de accu vervangen wordt door een accu met andere specificaties, vervallen de onderhoudsintervallen die in het Onderhoudsschema staan aangegeven. Voor het onderhoud van de nieuwe accu dient u zich strikt te houden aan de aanwijzingen van de fabrikant van de accu. START ZORG ATTTIE De vloeistof in de accu is giftig en corrosief. Voorkom contact met de huid en de ogen. Houd open vuur en vonkvormende apparaten verwijderd van de accu: brand- en ontploffingsgevaar. ATTTIE Als de accu werkt met een zeer laag vloeistofniveau, ontstaat onherstelbare schade aan de accu en kan de accu openbarsten. Onoordeelkundige montage van elektrische en elektronische apparatuur kan ernstige schade toebrengen aan de auto. Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren (diefstalalarm, mobiele telefoon enz.), wendt u dan tot de Lanciadealer. Deze kan u de meest geschikte installaties aanraden en controleren of het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren. Accu s bevatten zeer schadelijke stoffen voor het milieu. Het is raadzaam om de accu door de Lancia-dealer te laten vervangen. De dealer beschikt over de uitrusting voor het op milieuvriendelijke wijze en conform de wettelijke bepalingen afvoeren van de accu. ATTTIE Als u de auto langere tijd stalt in extreem koude omstandigheden moet, om bevriezing te voorkomen, de accu worden verwijderd en op een verwarmde plaats worden bewaard. ATTTIE Bij werkzaamheden aan de accu of in de buurt van de accu, moet u uw ogen altijd beschermen met een speciale bril. 178
180 PRAKE TIPS OM DE LEVSDUUR VAN DE ACCU TE VERLG Om het snel ontladen van de accu te voorkomen en de levensduur te verlengen, dient u de volgende aanwijzingen nauwkeurig op te volgen: wanneer u de auto parkeert, controleer dan of de portieren, de motorkap en de achterklep goed gesloten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat de interieurverlichting blijft branden; schakel de interieurverlichting uit: de auto is in ieder geval uitgerust met een systeem voor automatische uitschakeling van de interieurverlichting; voorkom zoveel mogelijk het gebruik van stroomverbruikers als de motor uitstaat (autoradio, waarschuwingsknipperlichten enz.); maak voordat werkzaamheden aan de elektrische installatie van de auto worden uitgevoerd eerst de minpool van de accu los; de klemmen moeten altijd goed zijn bevestigd. BELANGRIJK Een accu die gedurende langere tijd minder dan 50% geladen is (optische meter donker zonder groen middenstuk), raakt door sulfatering beschadigd. Hierdoor loopt de capaciteit en het startvermogen terug. Ook is de accu dan gevoeliger voor bevriezing (reeds bij temperaturen van 10 C). Als u de auto langere tijd niet gebruikt, zie dan Auto langere tijd stallen in het hoofdstuk Starten en rijden. Als u na aanschaf van uw auto accessoires wilt monteren die constante voeding nodig hebben (diefstalalarm enz.), of accessoires die de elektrische installatie zwaar belasten, raden wij u aan contact op te nemen met de Lancia-dealer. Deze kan u de meest geschikte installaties uit het Lancia Lineaccessori-programma aanraden en controleren of de elektrische installatie van de auto geschikt is voor het extra stroomverbruik of dat het noodzakelijk is een accu met een grotere capaciteit te monteren. Deze stroomverbruikers blijven continu stroom verbruiken ook als de motor is uitgezet, waardoor de accu geleidelijk kan ontladen. Het totale energieverbruik van deze accessoires (standaard en achteraf gemonteerde accessoires) moet minder zijn dan 0,6 ma x Ah (van de accu), zoals in de volgende tabel staat vermeld: Accu van Maximum stroomverbruik bij stilstaande motor 40 Ah 24 ma 44 Ah 27 ma LAMPJES START ZORG 179
181 START LAMPJES ZORG WIEL BAND De spanning van de banden, inclusief het noodreservewiel, moet regelmatig, om de twee weken en voor een lange rit, worden gecontroleerd: de bandenspanning moet bij koude banden worden gecontroleerd. Tijdens het rijden neemt de bandenspanning toe; zie voor de juiste waarde van de bandenspanning de paragraaf Wielen in het hoofdstuk Technische gegevens. Een onjuiste bandenspanning veroorzaakt een onregelmatige slijtage van de banden: A juiste spanning: gelijkmatige slijtage van het loopvlak. B te lage spanning: te grote slijtage aan de zijkanten van het loopvlak. C te hoge spanning: te grote slijtage in het midden van het loopvlak. Banden moeten worden vervangen als de profieldiepte van het loopvlak minder is dan 1,6 mm. Houdt u echter altijd aan de bepalingen van het land waarin u rijdt. fig. 14 L0C0093m BELANGRIJK Voorkom bruusk remmen, met spinnende wielen optrekken, harde contacten tussen banden en stoepranden, kuilen en andere obstakels. Het langdurig rijden op een slecht wegdek kan de banden beschadigen; controleer de banden regelmatig op scheuren in de wangen en bulten of slijtplekken op het loopvlak. Wendt u in dit geval tot de Lancia-dealer; rijd nooit met een te zwaar beladen auto: hierdoor kunnen de banden en de velgen ernstig beschadigd worden; stop zo snel mogelijk bij een lekke band en verwissel het wiel om beschadiging van de band, de velg, de wielophanging en de stuurinrichting te voorkomen. banden verouderen, ook als zij weinig of nooit gebruikt zijn. Scheurtjes in het loopvlak en op de wangen geven aan dat de band verouderd is. Banden die langer dan zes jaar onder een auto gemonteerd zijn, moeten dan ook door een specialist worden gecontroleerd. Dit geldt in het bijzonder voor het noodreservewiel; monteer nooit gebruikte banden of banden, waarvan de herkomst onbekend is; bij de montage van een nieuwe band moet ook het ventiel vernieuwd worden; om een gelijke slijtage van de banden op de vooras en de achteras te verkrijgen, is het raadzaam de banden om de / km van as te verwisselen. Hierbij moeten de banden aan dezelfde zijde van de auto gemonteerd blijven, zodat een omkering van de draairichting wordt voorkomen. 180
182 ATTTIE Bedenk dat ook de wegligging afhankelijk is van een juiste bandenspanning. ATTTIE Door een te lage bandenspanning wordt de band te heet, waardoor er onherstelbare inwendige schade aan de band kan ontstaan. ATTTIE Verwissel de banden niet kruiselings, waarbij de banden van de rechterzijde aan de linkerzijde en omgekeerd worden gemonteerd. ATTTIE Voer bij lichtmetalen velgen geen spuitwerkzaamheden uit die een temperatuur vereisen boven 150 C. De mechanische eigenschappen van de wielen kunnen hierdoor in gevaar worden gebracht. RUBBER SLANG Houd voor de rubber slangen van het rem- en brandstofsysteem zeer nauwkeurig de voorschriften van het Onderhoudsschema in dit hoofdstuk aan. Ozon, hoge temperaturen en het gedurende langere tijd ontbreken van vloeistof in een systeem zorgen ervoor dat de slangen uitdrogen en scheuren, waardoor het betreffende systeem kan gaan lekken. Daarom is zorgvuldige controle noodzakelijk. RUITWISSERS/ ACHTERRUIT- WISSER WISSERBLAD Maak de wisserbladen regelmatig schoon met een schoonmaakmiddel; wij raden TUTELA PROFESSION- AL SC 35 aan. Vervang de wisserbladen als het rubber vervormd of versleten is. Het verdient aanbeveling ten minste één maal per jaar de wisserbladen te vervangen. Met enkele simpele voorzorgsmaatregelen is het mogelijk beschadigingen van het rubber te voorkomen: wanneer de temperatuur onder 0 C is gedaald, moet gecontroleerd worden of er geen ijs tussen wisserblad en ruit zit. Maak de wissers zo nodig vrij met een antivriesmiddel; verwijder eventueel opgehoopte sneeuw van de ruit: om de wisserbladen te beschermen en oververhitting van de ruitenwissermotor te voorkomen; schakel de ruitenwissers/achterruitwisser niet op een droge ruit in. START LAMPJES ZORG 181
183 START LAMPJES fig. 15 L0C0094m Rijden met versleten ruitenwisserbladen is gevaarlijk, omdat ze het zicht onder extreme weersomstandigheden aanzienlijk beperken. Wisserbladen voor vervangen fig. 15 Ga als volgt te werk: til de wisserarm A van de voorruit en plaats het wisserblad onder een hoek van 90 ten opzichte van de arm; druk op de lip B van de veerklem en verwijder het wisserblad; monteer het nieuwe blad, waarbij de lip in de zitting op de wisserarm moet vallen. Controleer of het wisserblad geborgd is. fig. 16 L0C0095m Wisserblad achter vervangen fig. 16 Ga als volgt te werk: kantel het dopje A omhoog, draai de moer B los, waarmee de wisserarm aan de as is bevestigd, en neem de arm van de as; plaats de nieuwe wisserarm in de juiste stand en draai de moer zorgvuldig vast; kantel het dopje naar beneden. RUITSPROEIERS Voorruit (ruitensproeiers) Als de ruitensproeiers niet werken, controleer dan eerst het niveau in het ruitensproeiertankje (zie de paragraaf Niveaus controleren in dit hoofdstuk). Controleer vervolgens of de ruitensproeiermonden niet verstopt zijn. Deze kunnen zo nodig met een speld worden doorgeprikt. De stralen moeten op ongeveer 1/3 van de bovenkant van de ruit worden gericht. Achterruit (achterruitsproeier) De stralen van de achterruitsproeier kunnen op dezelfde manier worden afgesteld als die van de ruitensproeiers voor. De ruitensproeiermond is links naast het derde remlicht gemonteerd. ZORG 182
184 CARROSSERIE BERMING TEG ATMOS- FERI INVLOED De belangrijkste oorzaken van roest zijn: luchtverontreiniging; zoutgehalte in de lucht en luchtvochtigheid (gebieden aan zee, warm en vochtig klimaat); omgevings-/seizoensinvloeden. Ook de invloed van schurende elementen, zoals stoffige omgeving, opwaaiend zand, modder en steenslag op de lak en de onderzijde moet niet worden onderschat. Lancia heeft voor uw auto de beste technologische oplossingen toegepast om de carrosserie efficiënt tegen roest te beschermen. De belangrijkste zijn: de toepassing van aangepaste spuittechnieken en lakproducten die de auto de benodigde weerstand tegen roest en schurende elementen verlenen; het gebruik van verzinkte (of voorbehandelde) plaatdelen met een hoge corrosiebestendigheid; het aanbrengen van een gespoten beschermende waslaag op de onderzijde, in de wielkuipen, in de motorruimte en verschillende holle ruimtes, met een hoog beschermend vermogen; het aanbrengen van een beschermende kunststof laag op kwetsbare delen: onderzijde van de portieren, binnenzijde van de spatborden, naden, randen enz.; toepassing van open holle ruimtes om condensvorming te voorkomen en binnendringend water af te voeren, waardoor roest van binnenuit wordt voorkomen. CARROSSERIEGARANTIE Bij de auto is de carrosserie tegen doorroesten van alle originele componenten van de carrosserie en van alle dragende delen gegarandeerd. Voor de specifieke voorwaarden van deze garantie wordt verwezen naar de Service- en garantiehandleiding. START LAMPJES ZORG 183
185 START LAMPJES ZORG TIPS VOOR HET BEHOUD VAN DE CARROSSERIE Lak De lak heeft behalve een esthetische functie ook een beschermende functie. Daarom moeten beschadigingen van de laklaag, zoals krassen, onmiddellijk worden bijgewerkt om roestvorming te voorkomen. Het bijwerken dient met de originele lak te worden uitgevoerd (zie Plaatje met informatie over de carrosserielak in het hoofdstuk Technische gegevens ). Het normale onderhoud van de auto beperkt zich tot wassen, waarbij de frequentie afhankelijk is van het gebruik van de auto en van de omgeving. Het is raadzaam de auto vaker te wassen bij sterke luchtverontreiniging of bij het rijden over wegen met strooizout. De juiste wasmethode: verwijder de antenne van het dak als u de auto in een wastunnel wast, om te voorkomen dat deze beschadigt; spoel de auto eerst met een waterstraal onder lage druk af; was de auto met een zachte spons met een oplossing van neutrale zeep; spoel daarbij de spons regelmatig uit; spoel de auto af met schoon water en droog de auto met warme lucht of een schone, zachte zeem. De minder zichtbare delen zoals de randen van de portieren, achterklep, motorkap en de koplampranden moeten tijdens het drogen niet vergeten worden, omdat daar water kan blijven staan. Het verdient aanbeveling de auto na het wassen niet onmiddellijk binnen te zetten, maar de auto nog even buiten te laten staan, zodat waterresten buiten kunnen verdampen. Was de auto nooit in de zon of als de motorkap nog warm is: de glans van de lak kan afnemen. De kunststof carrosseriedelen kunnen op dezelfde wijze worden gewassen als de gespoten carrosseriedelen. Parkeer de auto niet onder bomen, aangezien harsdruppels bij langere inwerking de lak kunnen beschadigen, waardoor de kans op roestvorming wordt vergroot. BELANGRIJK Vogeluitwerpselen dienen zo snel en zo goed mogelijk van de lak verwijderd te worden, omdat door de agressieve bestanddelen de lak kan beschadigen. Schoonmaakmiddelen verontreinigen het water. Daarom moet de auto bij voorkeur worden gewassen op een plaats waar het afvalwater direct wordt opgevangen en gezuiverd. 184
186 Ruiten Gebruik voor het schoonmaken van de ruiten een daarvoor geschikt schoonmaakmiddel. Gebruik een schone, zachte doek om krassen en beschadigingen te voorkomen. BELANGRIJK Let er bij het schoonmaken van de binnenzijde van de achterruit op dat de elektrische weerstandsdraden van de achterruitverwarming niet worden beschadigd. Veeg voorzichtig in de richting van de draden. Motorruimte Het verdient aanbeveling de motorruimte na het winterseizoen zorgvuldig te laten uitspuiten. Hierbij mag de waterstraal niet direct op de elektronische regeleenheden worden gericht. Laat deze werkzaamheden verzorgen door een gespecialiseerd bedrijf. BELANGRIJK Voor het uitspuiten van de motorruimte moet de contactsleutel in stand STOP staan en de motor koud zijn. Controleer na het reinigen of de verschillende beschermingen (rubber kappen, deksels enz.) nog op hun plaats zitten en niet beschadigd zijn. INTERIEUR Controleer af en toe of er onder de vloerbedekking geen water is blijven staan (dooiwater van sneeuwresten aan schoenen, lekkende paraplu s enz.), waardoor roestvorming op de bodem veroorzaakt zou kunnen worden. STOEL STOFF BEKLEDING Verwijder stof met een zachte borstel of een stofzuiger. Voor een nog betere reiniging van de stoffen bekleding raden wij u aan de borstel vochtig te maken. Reinig de zittingen met een vochtige spons en een oplossing van neutrale zeep. ATTTIE Gebruik nooit ontvlambare producten zoals petroleum of wasbenzine voor het reinigen van de interieurdelen van de auto. De elektrostatische lading die tijdens het reinigen door het wrijven ontstaat, kan brand veroorzaken. START LAMPJES ZORG 185
187 LAMPJES START MET LEER BEKLEDE STOE- L COMPONT Verwijder droog vuil met een zeemleer of een iets vochtige doek, zonder hard te drukken. Dep een vochtige vlek of vet met een droge en absorberende doek en wrijf daarbij niet. Behandel de plek vervolgens met een doek of zeem bevochtigd met water en een neutrale zeep. Als de vlek nog niet verwijderd is, behandel de vlek dan met een speciaal schoonmaakmiddel, waarbij de instructies op de verpakking strikt moeten worden opgevolgd. BELANGRIJK Gebruik nooit alcohol of producten op basis van alcohol. KUNSTSTOF INTERIEURDEL Gebruik speciale reinigingsmiddelen om het visuele effect van de componenten niet te wijzigen. BELANGRIJK Gebruik nooit alcohol of benzine om het glas van het instrumentenpaneel schoon te maken. ATTTIE Bewaar nooit spuitbussen in de auto: ontploffingsgevaar. Spuitbussen mogen niet worden blootgesteld aan temperaturen boven 50 C. In de zomer kan de temperatuur in het interieur ver boven deze waarde oplopen. ZORG 186
188 IDTIFICATIE MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERING MOTOR BRANDSTOFSYSTEEM TRANSMISSIE REMM WIELOPHANGING STUURINRICHTING WIEL AFMETING PRESTATIES GEWICHT VULLINGSTABEL VLOEISTOFF SMEERMIDDEL BRANDSTOFVERBRUIK CO 2 -EMISSIE RADIOGOLF-AFSTANDS: MINISTERIËLE GOEDKEURING TECHNI LAMPJES START ZORG TECHNI 187
189 LAMPJES IDTIFICATIE- Wij raden u aan om nota te nemen van de identificatiegegevens. De identificatiegegevens zijn op de volgende typeplaatjes ingeslagen: Typeplaatje met identificatiegegevens Chassisnummer Plaatje met informatie over de carrosserielak Motorcode. fig. 1 TYPEPLAATJE MET IDTIFICATIE fig. 1 Het typeplaatje is aangebracht op de fronttraverse in de motorruimte en bevat de volgende informatie: A Naam van de fabrikant. B Nummer typegoedkeuring. C Identificatiecode van het autotype. D Chassisnummer. E Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto. F L0C0129m Max. toelaatbaar totaalgewicht van de auto met aanhanger. START ZORG TECHNI G Max. toelaatbare voorasbelasting. H Max. toelaatbare achterasbelasting. I Motortype. L Code van de carrosserie-uitvoering. M Nummer voor de onderdelen. N Correctiewaarde voor de uitlaatrookgasmeting (alleen bij dieselmotoren). 188
190 fig. 2 L0C0131m fig. 3 L0C0130m PLAATJE MET INFORMATIE OVER DE CARROSSERIELAK fig. 3 Het plaatje is op de binnenzijde van de motorkap aangebracht en bevat de volgende informatie: A Fabrikant van de lak. B Kleurbenaming. C Lancia kleurcode. D Kleurcode voor bijwerken en overspuiten. LAMPJES MOTORCODE De motorcode is in het cilinderblok ingeslagen, en bestaat uit het motortype en een oplopend productienummer. CHASSISNUMMER fig. 2 Het chassisnummer is ingeslagen in de bodemplaat naast de rechter voorstoel. Het is bereikbaar nadat het klepje in de vloerbedekking is opgetild en bevat de volgende gegevens: type van de auto; oplopend productienummer. START ZORG TECHNI 189
191 LAMPJES MOTORCODES - CARROSSERIE-UITVOERING 1.2 8V Typecode motor 188A4000 Code van de carrosserie-uitvoering 843AXA1A 00 (*) 843AXA1A 00B ( ) START ZORG TECHNI 1.4 8V V 1.3 Multijet 75 pk 1.3 Multijet 90 pk (*) Uitvoeringen 4 zitplaatsen ( ) Uitvoeringen 5 zitplaatsen ( ) Uitvoering met DPF 350A A A A AXG1A 11(*) 843AXG1A 11B ( ) 843AXC1B 06 (*) 843AXC1B 06B ( ) 843AXF1A 09 (*) 843AXF1A 09B ( ) 843AXE1A 07 (*) 843AXE1A 07B ( ) 843AXE1A 07C (*) ( ) 843AXE1A 07D ( ) ( ) 190
192 MOTOR 1.2 8V 1.4 8V V 1.3 Multijet 75 pk 1.3 Multijet 90 pk ALGEME INFORMATIE Typecode Cyclus Aantal en opstelling cilinders Boring en slag mm 188A4000 Otto 4 in lijn 70,8 x 78,86 350A1000 Otto 4 in lijn 72 x A1000 Otto 4 in lijn 72 x A2000 Diesel 4 in lijn 69,6 x A3000 Diesel 4 in lijn 69,6 x 82 START Cilinderinhoud cm3 Compressieverhouding Max. vermogen (EU) kw pk bijbehorend toerental min -1 Max. koppel (EU) Nm kgm bijbehorend toerental min -1 Bougies Brandstof ,5 ± 0, NGK DCPR7E- N-10 Loodvrije benzine 95 RON ,1 ± 0, , NGK ZKR7A-10 Loodvrije benzine 95 RON ± 0, , NGKDCPR7E- N-10 Loodvrije benzine 95 RON ,6 ± 0, , ,6 ± 0, , Diesel voor Diesel voor motorvoertuigen motorvoertuigen (specificatie (specificatie 590) 590) LAMPJES ZORG TECHNI 191
193 BRANDSTOFSYSTEEM Brandstofsysteem 1.2 8V V V Elektronische sequentiële, gefaseerde Multipoint inspuiting. Returnless-systeem 1.3 Multijet Elektronisch geregelde directe inspuiting multijet Common Rail. Turbocompressor met vaste geometrie START LAMPJES ZORG TRANSMISSIE Versnellingsbak Koppeling Aandrijving 1.2 8V V Multijet Vijf gesynchroniseerde versnellingen vooruit en een versnelling achteruit Zelfstellend met koppelingspedaal zonder vrije slag Voor V Zes gesynchroniseerde versnellingen vooruit en een versnelling achteruit Zelfstellend met koppelingspedaal zonder vrije slag Voor TECHNI Modificaties of reparaties aan het brandstofsysteem die niet correct worden uitgevoerd en waarbij geen rekening wordt gehouden met de technische specificaties van het systeem, kunnen storingen in de werking en zelfs brandgevaar veroorzaken. 192
194 REMM Voetrem: voor achter Handrem BELANGRIJK Water, ijs en strooizout op de wegen kunnen zich afzetten op de remschijven waardoor de gewenste remvertraging iets later wordt bereikt. WIELOPHANGING 1.2 8V V V Multijet 75 pk Multijet 90 pk Schijfremmen met zwevende remtangen, en een remcilinder per wiel. Trommelremmen Bediend met handremhefboom, werkend op de achterwielen START LAMPJES Voor Achter STUURINRICHTING Type Draaicirkel (tussen stoepranden)m 1.2 8V V V Multijet 75 pk Multijet 90 pk Onafhankelijke wielophanging, type McPherson Semi-onafhankelijk met via torsietraverse gekoppelde wielen 1.2 8V V V Multijet 75 pk Multijet 90 pk Tandheugelstuurhuis met elektrische stuurbekrachtiging 9,83 ZORG TECHNI 193
195 START LAMPJES WIEL VELG BAND Geperst stalen of lichtmetalen velgen. Tubeless radiaalbanden. Op de typegoedkeuring zijn bovendien alle goedgekeurde banden aangegeven. BELANGRIJK Als de gegevens in het instructieboekje afwijken van die van de typegoedkeuring, dient u zich altijd aan de gegevens van de typegoedkeuring te houden. Voor de rijveiligheid is het noodzakelijk dat alle wielen zijn voorzien van banden van hetzelfde merk en hetzelfde type. BELANGRIJK In tubeless banden mogen geen binnenbanden gebruikt worden. fig. 4 L0C0132m VERKLARING VAN DE CODERING OP DE BAND fig. 4 Voorbeeld: 185/65 R T 185 = Nominale breedte (S, afstand in mm tussen de flanken). 65 = Hoogte/breedte-verhouding (H/S) (percentage). R = Radiaalband. 14 = Diameter van de velg (in inch) (Ø). 86 = Beladingsindex (draagvermogen). T = Snelheidsindex. ZORG TECHNI NOODRESERVEWIEL Geperst stalen velg. Tubeless band. WIELUITLIJNING Toespoor gemeten tussen de velgranden van de voorwielen: 0±1 mm. De waarden zijn van toepassing op een onbelaste auto in rijklare staat. 194
196 Beladingsindex (draagvermogen) 60 = 250 kg 84 = 500 kg 61 = 257 kg 85 = 515 kg 62 = 265 kg 86 = 530 kg 63 = 272 kg 87 = 545 kg 64 = 280 kg 88 = 560 kg 65 = 290 kg 89 = 580 kg 66 = 300 kg 90 = 600 kg 67 = 307 kg 91 = 615 kg 68 = 315 kg 92 = 630 kg 69 = 325 kg 93 = 650 kg 70 = 335 kg 94 = 670 kg 71 = 345 kg 95 = 690 kg 72 = 355 kg 96 = 710 kg 73 = 365 kg 97 = 730 kg 74 = 375 kg 98 = 750 kg 75 = 387 kg 99 = 775 kg 76 = 400 kg 100 = 800 kg 77 = 412 kg 101 = 825 kg 78 = 425 kg 102 = 850 kg 79 = 437 kg 103 = 875 kg 80 = 450 kg 104 = 900 kg 81 = 462 kg 105 = 925 kg 82 = 475 kg 106 = 950 kg 83 = 487 kg Snelheidsindex Q = tot 160 km/h. R = tot 170 km/h. S = tot 180 km/h. T = tot 190 km/h. U = tot 200 km/h. H = tot 210 km/h. V = tot 240 km/h. W = tot 270 km/h. Y = tot 300 km/h. Maximale snelheid bij winterbanden QM + S = tot 160 km/h. TM + S = tot 190 km/h. HM + S = tot 210 km/h. VERKLARING VAN DE CODE- RING OP DE VELG Voorbeeld: 6 J x 14 H2 ET40 6 = breedte van de velg in inch (1). J = velgbedprofiel (deel aan de zijkanten waarop de band steunt) (2). 14 = montagediameter in inch (komt overeen met die van de band die gemonteerd moet worden) (3 = Ø). H2 = vorm en aantal humps (vorm van de velgrand die de wang van de tubeless band op zijn plaats houdt). ET 40 = diepte van de velgbolling (afstand tussen het montagevlak van de velg op de naaf en het velghart). START LAMPJES ZORG TECHNI 195
197 START UITVOERING VELG BAND NOODRESERVEWIEL Standaard Winterbanden Velgmaat Bandenmaat 1.2 8V-1.4 8V V 1.3 Multijet 75 pk - 90 pk (*) Lichtmetalen velgen. 6J x 14H2-ET 40 6J x 15H2-ET 40 6,5J x 16H2-ET 40(*) 6J x 14H2-ET 40 6J x 15H2-ET 40 6,5J x 16H2-ET 40(*) 185/65 R14 86T 195/55 R15 85H 195/45 R16 80V 185/65 R14 86T 195/55 R15 85H 195/45 R16 84V 185/65 R14 86Q M+S 195/55 R15 85T M+S 185/65 R14 86Q M+S 195/55 R15 85T M+S 4,00x14 -H-43 4,00x14 -H /80 B14 80P 135/80 R14 84P 135/80 B14 80P 135/80 R14 84P LAMPJES ATTTIE Bij auto s met stalen 15 -velgen en wieldeksels, mogen geen banden met stootranden/wangbescherming worden gemonteerd; hierdoor kan een onjuiste aansluiting van het wieldeksel op de band ontstaan, waardoor het ventiel kan worden beschadigd. TECHNI ZORG 196
198 BANDSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) 1.2 8V-1.4 8V 1.4 8V-16V STANDAARD BAND RESERVE- Bandenmaat Onbelast Volbeladen WIEL Voor Achter Voor Achter 185/65 R14 86T 195/55 R15 85H 195/45 R16 80V 2 2,1 2,2 2 2,1 2,2 2,2 2,3 2,4 2,2 2,3 2,4 2,8 1.3 Multijet 75 pk-90 pk 185/65 R14 86T 195/55 R15 85H 195/45 R16 84V 2 2,1 2,2 2 2,1 2,2 LAMPJES 2,2 2,3 2,4 2,2 2,3 2,4 2,8 START Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de spanning opnieuw bij koude banden. Bij winterbanden moet de in de tabel aangegeven waarde van de standaard gemonteerde banden met 0,2 bar verhoogd worden. TECHNI ZORG 197
199 START LAMPJES AFMETING De afmetingen zijn aangegeven in mm en hebben betrekking op een auto die is uitgerust met standaard banden. De hoogte heeft betrekking op een onbelaste auto. Inhoud bagageruimte Inhoud bij onbeladen auto (V.D.A.-norm) 215(*)/290( ) dm 3 (*) met achterbank in achterste stand ( ) met achterbank in voorste stand L0C0247m ZORG TECHNI A B C D E F G H 1.2 8V V V 1.3 Multijet 75 pk (*) 1.3 Multijet 90 pk (*) Afhankelijk van de velgmaat kunnen er kleine verschillen zijn in de maten. 198
200 PRESTATIES Max. snelheid na de inrijperiode van de auto, in km/h V 1.4 8V V 1.3 Multijet 75 pk 1.3 Multijet 90 pk TECHNI LAMPJES START ZORG 199
201 START LAMPJES GEWICHT Gewichten (kg) Rijklaar gewicht (met volle reservoirs, reservewiel, gereedschap en accessoires): Nuttig laadvermogen (*) inclusief de bestuurder: Max. toelaatbaar gewicht (**) vooras: achteras: totaalgewicht: 1.2 8V V V Multijet 75 pk Multijet 90 pk ZORG TECHNI Trekgewichten geremde aanhanger: ongeremde aanhanger: Max. dakbelasting (***): Max. gewicht op de trekhaak (geremde aanhanger): (*) Als er speciale accessoires zijn gemonteerd (opendak, trekhaak enz.), dan stijgt het rijklaar gewicht, waardoor het totale laadvermogen met hetzelfde gewicht daalt. (**) Maximum waarden die niet mogen worden overschreden. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker dat de auto zodanig wordt beladen dat deze limieten niet worden overschreden. (***) Allesdrager opgenomen in het Lancia Lineaccessori-programma, max. draagvermogen: 40 kg
202 VULLINGSTABEL Brandstoftank: inclusief een reserve van: Motorkoelsysteem met airconditioning: Carter: Carter en filter: Versnellingsbak en differentieel: Hydraulisch remcircuit met ABS: Vloeistofreservoir ruitensproeiers voor en achter 1.2 8V 1.4 8V V Voorgeschr. brandstof liter kg liter kg liter kg Aanbevolen producten 47 5/7 4,8 2,5 2,7 1,65 0,55 1,8 2,2 2, /7 4,5 2,4 2,6 1,8 0,7 1,8 (4,5) 2,1 2, /7 4,5 2,75 2,9 1,7 0,7 1,8 (4,5) 2,4 2,55 Loodvrije benzine met octaangetal v. ten minste 95 RON (specificatie 228) Mengsel van gedemineraliseerd water en 40% PARAFLU UP SELIA K TUTELA CAR ZC 75 SYNTH TUTELA TOP 4 Mengsel van water en TUTELA PROFESSION- AL SC 35 LAMPJES START ZORG TECHNI 201
203 START LAMPJES Brandstoftank: inclusief een reserve van: Motorkoelsysteem met airconditioning: Carter: Carter en filter: Versnellingsbak en differentieel: Hydraulisch remcircuit met ABS: Vloeistofreservoir ruitensproeiers voor en achter 1.3 Multijet 75 pk 1.3 Multijet 90 pk Voorgeschr. brandstof liter kg liter kg Aanbevolen prod. 47 5/7 6 3,0 3,2 1,5 0,7 1,8 (4,5) 47 5/7 6 3,0 3,2 1,5 0,7 1,8 (4,5) Diesel voor motorvoertuigen(specificatie 590) Mengsel van gedemineraliseerd water en 40% PARAFLU UP SELIA WR TUTELA CAR ZC 75 SYNTH TUTELA TOP 4 Mengsel van water en TUTELA PROFES- SIONAL SC 35 TECHNI ZORG 202
204 VLOEISTOFF SMEERMIDDEL AANBEVOL PRODUCT HUN SPECIFICATIES Gebruik Smering voor benzinemotoren Specificaties van de vloeistoffen en smeermiddelen voor een correct functioneren van de auto Motorolie SAE 5W-40 op synthetische basis met kwalificatie FIAT M2. Orginele vloeistoffen en smeermiddelen SELIA K Vervangingsinterval Volgens het Geprogrammeerde Onderhoudsschema START LAMPJES Smering voor dieselmotoren Motorolie SAE 5W-40 op synthetische basis met kwalificatie FIAT N2. SELIA WR Volgens het Geprogrammeerde Onderhoudsschema Gebruik voor een correcte werking van de Multijet-uitvoeringen met DPF uitsluitend het originele type smeermiddel. In geval van nood, als het originele product niet beschikbaar is, vul dan maximaal 0,5 liter bij en wendt u zo snel mogelijk tot de Lancia-dealer. Als u niet de originele SAE 5W/40-producten gebruikt, moeten de smeermiddelen minimaal voldoen aan de specificaties ACEA A3 voor de benzinemotoren en ACEA B4 voor de dieselmotoren; in dit geval zijn de optimale prestaties van de motor niet gegarandeerd. Het gebruik van producten die niet voldoen aan de specificaties ACEA A3 en ACEA B4 kan beschadigingen aan de motor veroorzaken die niet door de garantie gedekt worden. Vraag bij zeer strenge klimatologische omstandigheden de Lancia-dealer om het juiste product uit de Selenia-lijn. ZORG TECHNI DATI TECNICI 203
205 START LAMPJES ZORG Gebruik Olie en vetten voor krachtoverbrengingen Remvloeistof Koelvloeistof voor motorkoelsystemen Vloeistof voor ruitensproeiers/ achterruitsproeier Specificaties van de smeermiddelen en vloeistoffen voor een correct functioneren van de auto Transmissie-olie SAE 75W-80 EP op synthetische basis die ruimschoots voldoet aan de specificaties API GL5, MIL - L D LEV. Vet op basis van lithiumzepen. Indringingsgetal NLGI 0 Vet op basis van lithiumzepen, bevat organisch molybdeenbisulfide. Indringingsgetal NLGI 2 Synthetische remvloeistof FMVSS n 116 DOT 4, ISO 4925, CUNA NC Roodgekleurd beschermingsmiddel met antivries op basis van glycol-monoethyleen voor koelsystemen. Met organische formule gebaseerd op O.A.T.-technologie. Overtreft de specificaties CUNA NC , ASTM D Mengsel van alcoholen en oppervlakte-actieve stoffen CUNA NC Aanbevolen vloeistoffen en smeermid. TUTELA CAR ZC 75 SYNTH TUTELA MRM ZERO TUTELA STAR 325 (1.4-uitvoeringen) TUTELA STAR 500 TUTELA TOP 4 PARAFLU UP (*) TUTELA PROFESSIONAL SC 35 Toepassing Mechanische versnel.bak en differentieel Homokinetische koppeling aan differentieelzijde Homokinetische koppeling aan wielzijde Hydraulisch remsysteem en koppelingbediening Motorkoelsysteem. Mengverhouding: 40% tot 22 C Onverdund of met water gebruiken TECHNI (*)Belangrijk. Nooit bijvullen of mengen met vloeistoffen waarvan de specificaties afwijken van hetgeen is voorgeschreven. 204
206 BRANDSTOFVERBRUIK Het brandstofverbruik dat in de tabellen is opgenomen, is gemeten volgens een vastgestelde testmethode die in EU-normen is vastgelegd. Het brandstofverbruik is gemeten volgens onderstaande procedure: een stadsrit: opgebouwd uit een koude start gevolgd door een gesimuleerde, normale testrit in stadsverkeer; een rit buiten de stad: waarbij veelvuldig wordt geaccelereerd in alle versnellingen en waarmee een normaal gebruik van de auto buiten de stad wordt gesimuleerd. De snelheid varieert tussen de 0 en 120 km/h; gecombineerd verbruik: hierbij telt de waarde van de stadsrit mee voor 37% en de waarde van de testrit buiten de stad voor 63%. BELANGRIJK Het soort wegdek, verkeerssituatie, atmosferische omstandigheden, rijstijl, algemene conditie van de auto, uitrustingsniveau, gebruik van de airconditioning, lading van de auto, imperiaal op het dak en andere situaties die de aërodynamica kunnen beïnvloeden, leveren een ander brandstofverbruik op dan hier vermeld. Brandstofverbruik volgens EU-normen 1999/100 (liter x 100 km) LAMPJES START 1.2 8V 1.4 8V V 1.3 Multijet 75 pk 1.3 Multijet 90 pk Stadsverkeer Buitenweg Gecombineerd 7, ,2 4,6 5,5 8,5 5,4 6,6 5,4 3,9 4,5 5,4 3,9 4,5 ZORG TECHNI 205
207 CO 2 -EMISSIE De CO 2 -emissie, vermeld in de volgende tabellen, is gemeten op een gecombineerd traject. CO 2 -emissie volgens EU-normen 1999/100 (g/km) 1.2 8V 1.4 8V V 1.3 Multijet 75 pk 1.3 Multijet 90 pk LAMPJES START TECHNI ZORG 206
208 TECHNI ZORG LAMPJES START AVVIAMTO 207
209 TECHNI ZORG LAMPJES START 208
210 TECHNI ZORG LAMPJES START 209
211 TECHNI ZORG LAMPJES START 210
212 Aansteker ABS Accu -accu opladen starten met een hulpaccu verwisselen Achterklep Achterruitsproeier -bediening vloeistofniveau Achterruitwisser -bediening ruitensproeiers wisserbladen Achteruitrijlicht Afmetingen Airconditioning, automatisch met gescheiden regeling Airconditioning, handbediend.. 45 Asbak ALFABE ASR Auto langere tijd stallen Autoradio Bagageruimte -hoedenplank verwijderen openen en sluiten Bagageruimte vergroten Banden -onderhoud standaard verklaring van bandencodering 194 -verwisselen winterbanden Bandenspanning Bedieningsknoppen Bedieningsorganen Beker/blikjeshouder Bescherming van het milieu Bougies -type Brandstof -brandstofmeter Brandstofmeter Brandstofnoodschakelaar Brandstofsysteem Brandstofverbruik Buitenverlichting -bediening gloeilamp achter vervangen gloeilamp voor vervangen Buitenverlichting Carrosserie -carrosseriecodes onderhoud Chassisnummer CO2-emissie Code Card START LAMPJES ZORG ALFABE 211
213 START LAMPJES ZORG ALFABE 212 Cruise-control (snelheidsregelaar) 64 Dashboard... 8 Dashboard en bediening... 7 Dashboardkastje Dead-lock (systeem) Derde remlicht Dieselfilter -condens aftappen Dimlicht -bediening gloeilamp vervangen Dop van brandstoftank Dualdrive (elektrische stuurbekrachtiging) Elektrische ruitbediening Elektrische stuurbekrachtiging "Dualdrive" EOBD (systeem) ESP (systeem) Extra accessoires Fix & Go automatic (bandenreparatieset) Follow me home (systeem) Frontairbags Gebruik van de handgeschakelde versnellingsbak Gewichten Gloeilamp (vervangen van een) -algemene aanwijzingen lamptypen Gordelspanners Grootlicht -bediening gloeilamp vervangen grootlichtsignaal Grootlichtsignaal Handrem Hill Holder-systeem Hoofdsteunen Identificatiegegevens Instrumenten Instrumentenpaneel... 9 Intelligente wis-/wasregeling Interieur Interieuruitrusting "Isofix"-kinderzitje Kentekenplaatverlichting Kilometerteller (display) Kinderen veilig vervoeren Kinderzitjes (geschiktheid voor gebruik) Klimaatregeling Koelvloeistoftemperatuurmeter 20 Koplampen koplampen afstellen koplampverstelling Koppeling Krik
214 Lak Lampjes en berichten Lancia CODE (startblokkering) 11 Luchtfilter Luchtrecirculatie Luchtroosters Motor -chassisnummer identificatiecode identificatiegegevens Motor starten -benzinemotor starten motor opwarmen na het starten motor uitzetten Niveau motorkoelvloeistof Niveau motorolie Niveau remvloeistof Niveau ruitensproeiervloeistof Niveaus controleren Noodgevallen Noodreservewiel START Mechanische sleutel Mistachterlicht -bedieningsknop gloeilamp vervangen Mistlampen -bedieningsknop gloeilamp vervangen Montagevoorbereiding voor -Multijet-uitvoeringen starten noodstart rollend starten start-/contactslot starten met een hulpaccu Motorkap Motorolie -niveau controleren specificaties verbruik Multifunctioneel display Onderhoud en zorg geprogrammeerd onderhoud Onderhoudsschema periodieke controles zwaar gebruik van de auto Opbergvak Opendak Opkrikken van de auto LAMPJES ZORG Isofix-kinderzitjes ALFABE 213
215 START LAMPJES ZORG ALFABE 214 Parkeerlichten Parkeersensoren Parkeren Plafondverlichting voor -bediening gloeilampen vervangen Pollenfilter Portieren Portieren vergrendelen Portiervergrendeling Prestaties Radiogolf-afstandsbediening: Ministeriële goedkeuring Radiozendapparatuur en mobiele telefoons Regensensor Remmen -specificaties vloeistofniveau Richtingaanwijzers -bediening gloeilamp achter vervangen gloeilamp op voorspatbord vervangen gloeilamp voor vervangen Ruiten (reinigen) Ruiten reinigen Ruitensproeiers -bediening vloeistofniveau Ruitenwissers -bediening ruitensproeiers wisserbladen Sensor automatische koplampen (schemersensor) Slepen van de auto Sleutel met afstandsbediening.. 13 Sleutels Sneeuwkettingen Snelheid (maximum) Snelheidsregelaar (Cruise-control) 64 Spiegels -binnenspiegel buitenspiegels elektrisch verstelbaar Start-/contactslot Startblokkering Lancia CODE. 11 Starten en rijden Stoelverstelling Stuurinrichting Stuurslot Stuurwiel (verstellen) Symbolen Tanken Tankklepje Technische gegevens Toerenteller Transmissie Trekken van aanhangers Trekkrachtbegrenzers Typeplaatjes -carrosserielak
216 -identificatiegegevens Veiligheid Veiligheidsgordels -algemene opmerkingen gebruik hoogteverstelling onderhoud trekkrachtbegrenzers Velgen Ventilatie Versnellingsbak -handgeschakelde versnellingsbak specificaties Verwarming en ventilatie Vloeistoffen en smeermiddelen. 203 Vullingstabel Waarschuwingsknipperlichten 66 Wiel verwisselen Wielophanging Wisserbladen voor en achter Zekeringen (vervangen) Zij-airbags Zitplaatsen Zonnekleppen START LAMPJES ALFABE ZORG 215
217 NOTITIES
218
219
220
221
222
223 De kracht achter uw motor. Vraag uw dealer naar
224 Selenia: de perfecte keuze voor uw auto De motor van uw nieuwe auto is ontwikkeld met Selenia; een motorolielijn die voldoet aan de meest geavanceerde internationale specificaties. Tijdens specifieke tests blijkt dat door de hoge technische specificaties Selenia het smeermiddel is om de prestaties van uw motor optimaal en betrouwbaar te houden. Selenia omvat een reeks technologisch geavanceerde producten: SELIA PERFORMER MULTIPOWER Ideale olie voor bescherming van de nieuwe generatie benzinemotoren zelfs onder de zwaarste bedrijfssituaties en extreemste klimatologische omstandigheden. Garandeert een beperking van het brandstofverbruik (Energy conserving) en is bijzonder geschikt voor motoren op alternatieve brandstoffen. SELIA K Een synthetisch smeermiddel op basis van een nieuwe technologie, dat bij benzinemotoren de koude start verbetert en maximale bescherming biedt, ook als de auto overwegend in stadsverkeer wordt gebruikt. Dankzij een viscositeit van 5W-40 en de speciale formule wordt bijzonder effectief voldaan aan de nieuwe Europese emissie-eisen en moeiteloos de zwaarste internationale specificaties overtroffen. SELIA WR Specifieke olie voor common rail of Multijet dieselmotoren voor een optimale koude start, maximale bescherming tegen slijtage, optimale werking van hydraulische klepstoters, beperking van het verbruik en stabiliteit bij hoge temperaturen. SELIA DIGITECH Volledig synthetische motorolie voor benzine- en dieselmotoren. Geavanceerde technologie voor de motor; de garantie voor maximale bescherming, brandstofbesparing en betrouwbaarheid onder extreme klimatologische omstandigheden. De Selenialijn wordt gecompleteerd door Selenia StAR, Selenia Racing, Selenia 20K Alfa Romeo, Selenia TD, Selenia Performer 5W-40. Bezoek voor verdere informatie over de Selenia producten de site
225 BANDSPANNING IN KOUDE TOESTAND (bar) 1.2 8V-1.4 8V 1.4 8V-16V STANDAARD BAND RESERVE- Bandenmaat Onbelast Volbeladen WIEL Voor Achter Voor Achter 185/65 R14 86T 195/55 R15 85H 195/45 R16 80V 2 2,1 2,2 2 2,1 2,2 2,2 2,3 2,4 2,2 2,3 2,4 2,8 1.3 Multijet 75 pk-90 pk 185/65 R14 86T 195/55 R15 85H 195/45 R16 84V 2 2,1 2,2 2 2,1 2,2 2,2 2,3 2,4 2,2 2,3 2,4 2,8 Bij warme banden moet de bandenspanning 0,3 bar hoger zijn dan de voorgeschreven waarde. Controleer de spanning opnieuw bij koude banden. Bij winterbanden moet de in de tabel aangegeven waarde van de standaard gemonteerde banden met 0,2 bar verhoogd worden. MOTOROLIE VERVERS 1.2 8V 1.4 8V V 1.3 Multijet 75 pk 1.3 Multijet 90 pk liter kg liter kg liter kg liter kg liter kg Carter 2,5 2,2 2,4 2,1 2,75 2,4 3,0 3,0 Motorcarter en filter 2,7 2,35 2,6 2,25 2,9 2,55 3,2 3,2 BRANDSTOFTANK (liters) Tankinhoud 47 Reserve 5/7 De benzinemotoren zijn uitsluitend geschikt voor loodvrije benzine met een minimum octaangetal van 95 RON (Europese specificatie 228). De dieselmotoren zijn uitsluitend geschikt voor dieselbrandstof voor motorvoertuigen (specificatie 590). Fiat Auto S.p.A. Quality - Assistenza Tecnica - Ingegneria Assistenziale Importeur voor Nederland: Fiat Auto Nederland b.v. - Singaporestraat RA Lijnden Druknummer NL - VII/ e editie Gedrukt door Hoogcarspel Grafische Communicatie - Middenbeemster
226 De gegevens in deze publicatie zijn uitsluitend indicatief bedoeld. Lancia behoudt zich het recht voor op elk moment de in deze publicatie beschreven modellen om technische of commerciële redenen te wijzigen. Wendt u voor de recentste informatie over dit onderwerp tot de Lancia-dealer. Gedrukt op milieuvriendelijk chloorvrij papier. NEDERLANDS
F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S
F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer
FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten
F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R U C T I E B O E K
F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben
F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S
F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting
603.81.234NL Instructieboekje
603.81.234NL Instructieboekje Geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig
FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten
veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.
F I A T P U N T O 530.02.037 NL I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld
veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.
F I A T D U C A T O G E B R U I K E N O N D E R H O U D Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boek samengesteld
FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk
veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.
F I A T P U N T O G E B R U I K E N O N D E R H O U D Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld
FIAT PANDA 603.81.058 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT PANDA 603.81.058 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Panda. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk
Wij raden u aan de waarschuwingen en tips aandachtig te lezen die worden voorafgegaan door de symbolen:
F I A T B R A V O 603.81.708 NL I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Bravo. Wij hebben dit boek samengesteld
F I A T C R O M A I N S T R U C T I E B O E K J E
F I A T C R O M A 603.81.273 I N S T R U C T I E B O E K J E Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Croma. Wij hebben dit boekje samengesteld
ANCIA. 603.45.899 NL LANCIA MUSA Instructie
ANCIA 603.45.899 NL LANCIA MUSA Instructie Geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van
FIAT DUCATO NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT DUCATO 603.81.088 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten
ANCIA. 603.45.408 NL LANCIA YPSILON Instructie
ANCIA 603.45.408 NL LANCIA YPSILON Instructie Geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van
F I A T F I O R I N O NL I N S T R U C T I E B O E K J E
F I A T F I O R I N O 603.81.260 NL I N S T R U C T I E B O E K J E Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Fiorino. Wij hebben dit boekje
F I A T D O B L Ó NL I N S T R U C T I E B O E K
F I A T D O B L Ó 530.02.166 NL I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Doblò. Wij hebben dit boek samengesteld
FIAT CROMA 603.45.976 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT CROMA 603.45.976 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Croma. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten
F I A T B R A V O 603.81.207 NL i n s t r u c t i e b o e k j e
F I A T B R A V O 603.81.207 NL i n s t r u c t i e b o e k j e Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Bravo. Wij hebben dit boekje samengesteld
F I A T 5 0 0 530.02.160
F I A T 5 0 0 530.02.160 I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze. Wij hebben dit boek samengesteld zodat u elk onderdeel
veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.
F I A T 5 0 0 603.81.189 I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk onderdeel
FIAT STILO 603.45.644 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT STILO 603.45.644 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Stilo. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk
G R A N D E P U N T O A B A R T H NL I N S T R U C T I E B O E K J E
G R A N D E P U N T O A B A R T H 603.81.267 NL I N S T R U C T I E B O E K J E Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Abarth hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Grande Punto Abarth.
FIAT STILO NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT STILO 603.45.911 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Stilo. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk
FIAT DOBLÒ 603.45.891 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT DOBLÒ 603.45.891 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Doblò. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk
F I A T Q U B O 530.02.004 NL I N S T R U C T I E B O E K
F I A T Q U B O 530.02.004 NL I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat QUBO. Wij hebben dit boekje samengesteld
INSTRUCTIEBOEK 530.05.014 NL ALFA
INSTRUCTIEBOEK 530.05.014 NL ALFA Geachte klant, Wij bedanken u dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Uw Alfa Spider is ontworpen voor een veilige, comfortabele en rustige rit, zoals u van Alfa Romeo
ANCIA 603.45.549 NL LANCIA PHEDRA INSTRUCTIEBOEK
ANCIA 603.45.549 NL LANCIA PHEDRA INSTRUCTIEBOEK Veilig en milieubewust rijden... 2 Signalen voor een correct gebruik van de auto... 6 Symbolen... 7 Inhoud... 11 WEGWIJS IN UW AUTO... 12 Lancia CODE...
FIAT MULTIPLA 603.45.730 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT MULTIPLA 603.45.730 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, H artelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Multipla. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat
FIAT SCUDO 603.81.143 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT SCUDO 603.81.143 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat SCUDO. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten
IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter
Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder
INSTRUCTIEBOEK 530.05.000 NL ALFA
STRUCTIEBOEK 530.05.000 NL ALFA 159 Geachte klant, Wij bedanken u dat u voor een Alfa Romeo heeft gekozen. Uw Alfa 159 is ontworpen voor een veilige, comfortabele en rustige rit, zoals u van Alfa Romeo
FIAT STRADA NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT STRADA 603.50.926 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Strada. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk
NL ESP-Systeem
603.83.515 NL ESP-Systeem ESP-SYSTEEM (Electronic Stability Program) Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft. De werking
COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook
COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1 FordKa Instructieboekje Owner s handbook Feel the difference K10468_Service_Portfolio_090508.1 1 09.05.2008 15:52:47 Uhr 001-025 Ford KA NL 22-07-2008 9:45 Pagina
INSTRUCTIEBOEK NL ALFA
INSTRUCTIEBOEK 604.31.439 NL ALFA Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Uw Alfa Spider is ontworpen om maximale veiligheid, comfort en rijplezier te garanderen. Dit instructieboekje
INSTRUCTIEBOEK 604.31.037 NL ALFA
INSTRUCTIEBOEK 604.31.037 NL ALFA 156 Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Zoals iedere Alfa Romeo is uw Alfa 156 ontworpen om maximale veiligheid, comfort en rijplezier
Instructieboek NL
Instructieboek 603.81.451 NL Geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig
FIAT ULYSSE 603.45.458 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT ULYSSE 603.45.458 NL INSTRUCTIEBOEK WEGWIJS IN UW AUTO Fiat-CODE... 7 Diefstalalarm... 12 Start-/contactslot... 14 Portieren... 14 Kinderveiligheidsslot... 19 Zitplaatsen voor... 20 Zitplaatsen achter...
604.31.649 NL INSTRUCTIEBOEK ALFA
604.31.649 NL INSTRUCTIEBOEK ALFA 147 Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Uw Alfa 147 is ontworpen om maximale veiligheid, comfort en rijplezier te garanderen. Dit instructieboekje
WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN
F I A T P A N D A G E B R U I K E N O N D E R H O U D WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Wij, die uw auto hebben bedacht, ontworpen en gebouwd, kennen daarvan werkelijk elk detail en onderdeel. In
COP Quick start KA OLANDESE :32 Pagina 1. FordKa. Feel the difference
OP Quick start K OLNS 7-07-2008 8:32 Pagina FordKa Kort Owner s overzicht handbook Feel the difference K0468_Service_Portfolio_090508. 09.05.2008 5:52:47 Uhr 604.39.307 PP K OL 8-07-2008 4:03 Pagina S
Alfa 604.31.655 NL INSTRUCTIEBOEK
Alfa 604.31.655 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Uw Alfa GT is ontworpen om maximale veiligheid, comfort en rijplezier te garanderen. Dit instructieboekje
Verwarming en ventilatie
Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde
X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.
Instrumenten verklikkerlichten De verklikkerlichten die hier staan vermeld, zijn niet in alle auto s aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentenuitvoeringen. X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht
veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.
F I A T 5 0 0 603.81.795 NL I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze. Wij hebben dit boek samengesteld om ude kwaliteiten
veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.
F I A T 5 0 0 G E B R U I K E N O N D E R H O U D Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten
VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen
VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net
Cop Alfa Giulietta NL:Alfa 159 cop. LUM ITA :10 Pagina 1 NEDERLANDS INSTRUCTIEBOEKJE Alfa Services
INSTRUCTIEBOEKJE Geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig te
Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN
Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1. Verstelling naar voren/naar achteren. 2. Hoogteverstelling.
GEBRUIKSAANWIJZING EN. PROJECTION ALARM CLOCK INSTRUCTION MANUAL DE. PROJEKTIONSWECKER
PRC 280 NL. PROJECTIE WEKKER EN. PROJECTION ALARM CLOCK DE. PROJEKTIONSWECKER FR. RÉVEILLE PROJECTION GEBRUIKSAANWIJZING INSTRUCTION MANUAL BEDIENUNGSANLEITUNG MODE D EMPLOI GEBRUIKSAANWIJZING Wij feliciteren
Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN
Kort overzicht Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN 6 5 4 3 2 1 12 9 3 6 80 100 120 km/h 60 140 40 160 LAND - - ROVER 20 0 180 200 H4959 7 8 9 1. Frisseluchtrooster - bedieningsknop 2. Ventilator - regeling
Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen
Stoelen VOORSTOELEN De stoel nooit afstellen als het voertuig in beweging is. Als van deze instructies wordt afgeweken, kan dit leiden tot lichamelijk letsel of verlies van controle over het voertuig.
Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN
IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN E81931 2 U mag de stoel niet tijdens het rijden verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1 De stoel, de hoofdsteun, de
L ANCIA L YBRA GEBRUIK EN ONDERHOUD 603.45.316 NL
L ANCIA L YBRA 603.45.316 NL GEBRUIK EN ONDERHOUD Zeer geachte cliënt, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA hebt gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten
NEDERLANDS INSTRUCTIEBOEKJE. Alfa Services
Cop Alfa Giulietta NL:Alfa 159 cop. LUM ITA 16-09-2011 9:18 Pagina 1 NEDERLANDS INSTRUCTIEBOEKJE Alfa Services WAAROM KIEZEN VOOR ORIGINELE ONDERDELEN Wij hebben uw auto ontworpen en gebouwd en kennen
FIAT SCUDO NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT SCUDO 603.45.699 NL INSTRUCTIEBOEK WELKOM AAN BOORD VAN DE SCUDO Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de SCUDO. Wij hebben dit boekje
LCD scherm va LCD scherm
scherm 1. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica
Verkorte gebruiksaanwijzing
Verkorte gebruiksaanwijzing Fun2Go Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06
Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama
Instructie www.lolkama.com Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Voor het CBR praktijkexamen worden door de examinator, controle vragen gesteld over de banden, motor, dashboard
LCD scherm ve LCD scherm
scherm. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica zelf
Instructieboek 603.81.438 NL
Instructieboek 603.81.438 NL Geachte klant, Wij feliciteren u met uw aankoop en bedanken u dat u voor een LANCIA heeft gekozen. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten van deze auto volledig
Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud
Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Lees de gebruikershandleiding voor gebruik zorgvuldig door en maak u vertrouwd met de verschillende functies van uw autoalarm. Deze handleiding beschrijft de functies
Ducato INSTRUCTIEBOEKJE
Ducato INSTRUCTIEBOEKJE ABSOLUUT LEZEN! BRANDSTOF TANKEN Benzinemotoren: Tank uitsluitend loodvrije benzine met een minimum octaangetal 95 RON. Dieselmotoren: Tank uitsluitend dieselbrandstof voor motorvoertuigen
PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide
VOLVO V70 & XC70 quick guide PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid. Neem deze beknopte handleiding door om nog meer plezier te beleven aan uw nieuwe
Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93
Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93 Inleiding Het Car Access System (CAS) regelt de toegangsmogelijkheden tot de auto.ne De CASregeleenheid
Gebruikershandleiding Puch Radius, State of the Art, Boogy BMS
Gebruikershandleiding Puch Radius, State of the Art, Boogy BMS Gefeliciteerd! U heeft gekozen voor een fiets met elektrische ondersteuning, de E-bike. Uw E-bike zal u door zijn elektrische ondersteuning
INSTRUCTIEBOEK NL ALFA
INSTRUCTIEBOEK 530.05.007 NL ALFA Geachte klant, Wij bedanken u dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Uw Alfa Brera is ontworpen voor een veilige, comfortabele en rustige rit, zoals u van Alfa Romeo
De voorkant. De zijkant. De banden
Controlepunten: De voorkant De verlichting moet heel zijn en werken (de werking van de verlichting, remlichten en richtingaanwijzers kan voor je gaat rijden gecontroleerd worden door de examinator) De
Verkorte gebruiksaanwijzing
Verkorte gebruiksaanwijzing VeloPlus Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06
GEBRUIKSHANDLEIDING. Art. 866 DRIVERCARD 06DE1939A - 03/04. Cobra is a registered trade mark by DELTA ELETTRONICA
GEBRUIKSHANDLEIDING Art. 866 DRIVERCARD 12 Cobra is a registered trade mark by DELTA ELETTRONICA 06DE1939A - 03/04 1 06DE1939A.pmd 1 GARANTIE Garantie bepaling INHOUD Introductie... pagina 2 1. DriverCard
Mauer GmbH Technologie voor beveiliging. Code Combi B VdS-Cl 2 Artikelnummer 82131 - standaard
Informatie over de bediening: Mauer GmbH Technologie voor beveiliging Code Combi B VdS-Cl 2 Artikelnummer 82131 - standaard Bedieningsinstructies Lees deze instructies aandachtig door voordat u het slot
FIAT SEICENTO 603.45.266 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT SEICENTO 603.45.266 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Seicento. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk
RUITENWISSERS/-SPROEIERS
Elektrische functie printen RUITENWISSERS/-SPROEIERS RUITENWISSERS/-SPROEIERS - BESCHRIJVING De ruitenwissers/-sproeiers worden bediend via de hendel rechts naast het stuur: de hendel kan - door omhoog
Bedieningen Dutch - 1
Bedieningen 1. Functieschakelaar Cassette/ Radio/ CD 2. Golfband schakelaar 3. FM antenne 4. CD deur 5. Schakelaar om zender af te stemmen 6. Bass Boost toets 7. CD skip/ voorwaarts toets 8. CD skip/ achterwaarts
Powerpack. gebruikshandleiding
Powerpack gebruikshandleiding 1 INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding De RMA powerpack is een hulpmiddel voor de begeleiding. Het vergemakkelijkt het duwen van een rolstoel gebruiker. De hulpmotor is niet ontworpen
HANDLEIDING! " # $ %! & ' ' ' % $ %! & ( % ) * +, -. +/ ". +/
HANDLEIDING! " # $ %! & ' ' ' % $ %! & ( % ) * +, -. +/ 0 +1 1 ". +/ 0 + 1 1 2 1. Instructie verstelling tafel De loungewerktafel is voor een correcte zithouding uitgerust met horizontale en verticale
Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist
Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist BEDIENINGSUITLEG 1 - Bestuurderszetel 17 - Hendel stuurafstelling 2 - Sleutelschakelaar (START) 18 - Bedieningshendel hijsen linker
Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina".
Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u de gebruiksaanwijzing
veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.
F I A T S C U D O G E B R U I K E N O N D E R H O U D Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat SCUDO. Wij hebben dit boekje samengesteld
Handleiding: instellen en werking LCD display t.b.v. ombouwset 004 en prolithium Velvet. Gefeliciteerd met de aankoop van een R A T - Holland product!
Handleiding: instellen en werking LCD display t.b.v. ombouwset 004 en prolithium Velvet Beste Gebruiker, Gefeliciteerd met de aankoop van een R A T - Holland product! Neemt u a.u.b. deze handleiding zorgvuldig
Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".
Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto.
Uw gebruiksaanwijzing. ALFA ROMEO 156
U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor ALFA ROMEO 156. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de ALFA ROMEO 156 in de gebruikershandleiding (informatie,
GEBRUIKSAANWIJZING. Afstandsbediening BRC315D7
GEBRUIKSAANWIJZING 1 3 2 1 4 11 NOT AVAILABLE 12 6 5 5 7 8 14 9 10 19 17 18 21 13 20 15 16 1 ONZE WELGEMEENDE DANK VOOR UW AANKOOP VAN DEZE AFSTANDS- BEDIENING. LEES DE HANDLEIDING AANDACHTIG ALVORENS
Programma Eco stand 8-SYMBOOL DISPLAY
BEDIENINGS INSTRUCTIES 8-SYMBOOL AFSTANDBEDIENING Kinder slot Tijd Signaal indicator Thermostatische stand Batterij Countdown F or C Programma Eco stand Temperatuur Dubbele brander 8-SYMBOOL DISPLAY INSTELLING
Handleiding Alma Rally & Alma Rally Off-road
Handleiding Alma Rally & Alma Rally Off-road Versie 1.2.1 Korsmit Rally Elektronics 16-7-2017 Inhoud Inhoud... 2 Samenvatting... 3 1. informatie... 4 Achtergrond... 4 Weergaven:... 4 2. Werking... 5 3.1:
Duurzaam rijden, samen met ECOdrive
Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Beknopte gebruiksaanwijzing Algemene versie 07-2014 Introductie Het duurzaam ondernemen wordt steeds belangrijker. Veel bedrijven zijn verplicht CO 2 -doelstellingen
Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles
! Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch
Handleiding afstandsbediening voor mobiele airconditioning
Handleiding afstandsbediening voor mobiele airconditioning Lees deze handleiding aandachtig door voor een veilig en correct gebruik van de mobiele airconditioner. Bewaar de handleiding zorgvuldig, zodat
ANCIA NL LANCIA YPSILON Dual FuNction System
ANCIA 603.46.956 NL LANCIA YPSILON Dual FuNction System In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde Dual FuNction System bediening in de
NL Dual FuNction System (automaat)
603.83.516 NL Dual FuNction System (automaat) In dit supplement worden de gebruiksinstructies beschreven voor de versnellingsbak met elektronisch geregelde Dual FuNction System bediening in de Lancia Musa.
Automatische transmissie
Automatische transmissie TRANSMISSIEHENDEL H3916 De CommandShift transmissie kan als automaat en als handbak worden gebruikt. Automatische bediening Normaal staat de transmissie op 'automatisch'. Nadat
Handleiding tijdklok 230V~
Handleiding tijdklok 230V~ 1. Tijdklok 230V~ met interne back-up accu Detectech bestelnummer: 005-003-001-001 EAN-nummer: 7434031829805 Voedingsspanning: 230V~ (+10 en - 20%.) Energieverbruik: 0,05W. Schakelcontact:
Praktijk Vragen over auto
Praktijk Vragen over auto BANDEN: Wat moet je controleren op Auto banden 1- spannig: Meters/Lampjes Juiste banden spanning hangt af: Auto (merk, Type, gewicht) maat Gewicht lading (of aantal personen).
Gebruikershandleiding Inhoud
Gebruikershandleiding Inhoud 1 Overzicht onderdelen...4 2 Display en bediening... 6 2.1 Functies stuurbediening... 6 2.2 Functies display... 7 2.3 Gashendel (Optioneel)... 9 3 atterijpakket en lader...
603.45.278 INSTRUCTIEBOEKJE
603.45.278 INSTRUCTIEBOEKJE Importeur voor België: FIAT AUTO BELGIO Genèvestraat 175 1140 Brussel Importeur voor Nederland: FIAT AUTO NEDERLAND B.V. Hullenbergweg 1-3 1101 BW Amsterdam Zuidoost ABSOLUUT
INHOUDSOPGAVE LCD DISPLAY INTELLIGENT 800S... 2
E-BIKE HANDLEIDING INHOUDSOPGAVE LCD DISPLAY INTELLIGENT 800S... 2 LCD DISPLAY KEY-DISP KD21C... 5 LCD DISPLAY INTELLIGENT... 8 LCD DISPLAY BAFANG C07.UART... 10 LCD DISPLAY BAFANG (MODUS) DP C10.UART...
Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote
Vehicle Security System VSS3 - Alarm system remote Alarmsysteem met afstandsbediening leidraad bij het instellen - Dutch Geachte klant, In deze handleiding vindt u de informatie en bedieningen die nodig
Lampen en waarschuwingslampjes
Lampen en waarschuwingslampjes VERLICHTING OP BUITENKANT VAN AUTO Hoofdverlichtingsschakelaar H5740 1 1. Uit. 2. Stadslichten. 3. Koplampen aan. 4. Automatische controlelampjes. Stadslichten De voorste
