2. Administratieve verplichtingen van de zelfmenger

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "2. Administratieve verplichtingen van de zelfmenger"

Transcriptie

1 2. Administratieve verplichtingen van de zelfmenger.

2 2.1 Inleiding In dit eindwerk zal ik vooral deze parameter van de administratieve verplichtingen uitgebreid bespreken want de administratie bij het zelfmengen is complex geworden en er heerst ook veel onduidelijkheid over de administratieve verplichtingen onder de landbouwers. Ook velen van hen ontzien hen die papieren die erbij komen te kijken, wat ook volkomen normaal is. Het is iets supplementairs, vele landbouwers zijn praktischer aangelegd, en velen zien die papieren niet meer zitten, het neemt bovendien ook meer tijd in beslag. Maar wanneer zij zich niet aanpassen en zich niets willen aantrekken van de papierwinkel dan zullen zij op de dag van vandaag genoodzaakt zijn om met een aanvullend dierenvoeder te werken, zij zijn dus afhankelijk van de leverancier en zij kunnen dus niet in aanmerking komen voor het fosforconvenant. 2.2 Erkenning of registratie? Inleiding De zelfmenger die erkend of geregistreerd wenst te worden zal gevraagd worden een dossier op te stellen waarin het gehele productieproces wordt omschreven. Vergelijkbaar met een GMP (Goede Mengpraktijken) bij de veevoederfabrikanten. Een dossier dat wel niet zo omslachtig is maar toch best vergelijkbaar is met dat wat veevoederfabrikanten moeten opstellen. Simpel gesteld houdt dit in dat men op papier zet wat men doet, hoe men het doet en welke controles er hierbij worden uitgevoerd. Voor landbouwers die hun voeder volledig zelf maken is het mogelijk dat er een erkenning of registratie nodig is. Dit is afhankelijk van de gebruikte kern/toevoegingsmiddelen. In de praktijk is een beslissing omtrent de erkennings-of registratieplicht niet altijd in gemaakt, dit is afhankelijk van verschillende situaties. Wat is nu wanneer nodig? Bijvoorbeeld: - Halfvoeder = aanvullend diervoeder niets nodig - kern = voormengsel => de gehalten bepaalde mineralen bevinden zich boven de bepaalde normen registratie - kern = voormengsel => bevat Antibiotica, Coccidiostatica of Groeibevorderaars erkenning

3 2.2.2 Geen erkenning of registratie Landbouwers die werken met een halfvoeder of met een kern waarvan de gehalten van bepaalde mineralen onder een bepaalde norm liggen, hebben geen erkenning of registratie nodig. In deze gevallen moet op het etiket van het halfvoeder of de kern de naam aanvullend diervoeder vermeld zijn in plaats van voormengsel. Een aanvullend diervoeder daarentegen is een mengsel van diervoeder dat een hoog gehalte aan een bepaalde stoffen (vet, eiwit, ) mag bevatten en slechts samen met een ander diervoeder een dagrantsoen vormt. Aanvullende dierenvoeders mogen hogere gehalten aan toevoegingsmiddelen bevatten dan max. toegelaten in volledige dierenvoeders op voorwaarde dat: - het gehalte in dagrantsoen (mg/kg, 12% vocht) niet hoger dan voor volledig voeder. - het voeder één of meer eigenschappen in de samenstelling vertoont waardoor wordt gewaarborgd dat het praktisch uitgesloten is dat de voor volledige dierenvoeders vastgestelde gehalten worden overschreden - gebruiksaanwijzing/dosis wordt aangegeven in g of kg aanvullend voeder/ kg dagrantsoen (of /dier/dag) - het gehalte aan antibiotica, coccidiostatica, groeibevorderende stoffen en andere gelijkaardige stoffen: mag hoogstens bestaan uit vijfmaal het maximaal toegestane gehalte in volledig diervoeder. alleen bestemd voor rundvee, varkens en pluimvee - het gehalte aan vitamine D mag maximaal I.E. (Internationale eenheden) per kilogram bedragen. - er geldt tevens een beperking voor Selenium, het aanvullend diervoeder mag maximaal 20 mg/kg bevatten bij rundvee maximaal 10 mg/kg voor andere diersoorten (pluimvee, varkens). - het gehalte aan andere sporenelementen tenslotte mag hoogstens 50 x het maximumgehalte voorzien voor het volledig dierenvoeder. Deze landbouwers moeten deze administratie (erkenning, registratie) niet bijhouden, maar zijn voor de kwaliteitsgarantie van het gemaakte voeder volledig afhankelijk van de leverancier van het aanvullend diervoeder. Een aanvullend diervoeder is natuurlijk maar een stukje van het volledige voeder. De vraag hierbij is natuurlijk of de leverancier garant zal blijven staan voor de kwaliteit van het volledige voeder. Tabel 2: overzicht soort mengsel (aanvullend of voormengsel) Voormengsel Aanvullend e Antibioticum + - Groeibevorderende stof + - Coccidiostaticum + - Gelijkaardige stof + - Vitamine D > IE/kg + - Se > 20 ppm voor rundvee Se > 10 ppm andere diersoorten

4 Sporen > 50x toegelaten maximum + - Vitaminen + Sporenelementen + Andere additieven + Voormengsel + ( ) + (*) Aanvullend diervoeder + Ruwe as >= 40% + Ruw eiwit in ds >= 35% - Ruw vet in ds >= 20% - Mineraalmengsel + Eiwitkern Vetkern - : mag niet aanwezig zijn. ( ): uitsluitend te gebruiken door erkende fabrikanten van mengvoeders en voormengels Indien inmengingspercentage kleiner dan 0,2%: uitsluitend te gebruiken door erkende fabrikanten van voormengsels (*): uitsluitend te gebruiken voor de bereiding van diervoeders In principe kunnen ook de niet-plichtige zelfmengers een registratie of erkenning aanvragen, bijvoorbeeld om in aanmerking te kunnen komen voor het fosforconvenant Wanneer erkenning of registratie Er is een erkenning vereist voor volgende bedrijven: fabrikanten en/of tussenpersonen van toevoegingsmiddelen en/of bijzondere stikstofhoudende producten: waarbij toevoegingsmiddelen: antibiotica groeibevorderende stoffen coccidiostatica vitaminen, provitaminen sporenelementen enzymen micro-organismen carotenoïden en xanthofylen oxydatietegengaande stoffen met een vastgesteld maximumgehalte waarbij stikstofhoudende producten: uit de volgende groepen micro-organismen verkregen proteïnen: bacteriën, algen, draadvormige schimmels. Nevenproducten van de door gisting verkregen aminozuren Aminozuren en zouten daarvan Hydroxy-analogen van aminozuren fabrikanten en/of tussenpersonen van voormengsels van toevoegingsmiddelen: waarbij toevoegingsmiddelen:

5 antibiotica groeibevorderende stoffen coccidiostatica vit A en vit D Cu en Se Fabrikanten van mengvoeders (verkoop of eigen gebruik) waarin voormengsels van toevoegingsmiddelen zijn verwerkt: waarbij toevoegingsmiddelen: antibiotica groeibevorderende stoffen coccidiostatica De zelfmengers behoren dus tot de laatste groep en hebben dus een erkenning nodig als de gehalten van bepaalde mineralen in het voormengsel boven een bepaalde norm liggen en als er gebruik gemaakt wordt van antibiotica, coccidiostatica of groeibevorderaars. Een registratie is vereist voor volgende bedrijven: fabrikanten van mengvoeders voor verkoop of eigen gebruik, waarbij toevoegingsmiddelen rechtstreeks worden verwerkt fabrikanten/tussenpersonen van voormengsels van toevoegingsmiddelen waarbij toevoegingsmiddelen: vitaminen en provitaminen met uitzondering van A en D sporenelementen, met uitzondering van Cu en Se enzymen micro-organismen carotenoïden en xanthofylen oxydatietegengaande stoffen met een vastgesteld maximumgehalte fabrikanten van mengvoeders voor verkoop of eigen gebruik, waarbij voormengsels van toevoegingsmiddelen zijn verwerkt waarbij toevoegingsmiddelen vitaminen en pro-vitaminen sporenelementen enzymen micro-organismen carotenoïden en xanthofylen oxydatietegengaande stoffen met een vastgesteld maximumgehalte Voor zelfmengers is dus registratie nodig als de gehalten van bepaalde mineralen in het voormengsel boven een bepaalde norm liggen en als er gebruik gemaakt wordt van antibiotica, coccidiostatica of groeibevorderaars. Ook vereist indien vitamines of sporenelementen, oxidatietegengaande stoffen met maximumgehalte carotenoïden en xantofyllen en tenslotte enzymen en micro-organismen toegevoegd worden.

6 Fabrikanten Zelfmengers Toevoegingsmiddelen Antibiotica x (1) x (1) Coccidiostatica en andere geneeskrachtige stoffen x (1) x (1) Groeibevorderende stoffen x (1) x (1) Vitaminen, provitaminen en stoffen met een gelijkaardige werking, die chemisch duidelijk A en D * (1) * (1) omschreven zijn Vitaminen, provitaminen en stoffen met een gelijkaardige werking die chemisch duidelijk * * omschreven zijn Overig e Sporenelementen Cu, Se * (1) * (1) Sporenelementen * * Overig e Enzymen * * Micro-organismen * * Carotenoïden en Xanthofyllen * * Oxydatietegengaande stoffen met een vastgesteld maximum * * Grondstoffen met een hoog gehalte aan x x ongewenste stoffen en producten (x): erkenning (*): registratie (1): alleen onder vorm van voormengsels Tabel 3: bepalen van erkenning of registratie Op de volgende pagina vind je nog een tabel die duidelijk weer geeft wanneer erkenning of registratie.

7

8

9 Tabel 4: Overzicht Erkenning of Registratie van bedrijven en tussenpersonen Antibiotica. Vit. A + D Cu + Se Andere Vitam. Andere sporenel. E = erkenning R = Registratie Coccidiostatic a Groeibevorderaars Antiox. met max. Kleurst. Enzym + Microorg Andere toev. met max. Biopr. Grondst. Met hoge gehalten aan ongew. stoffen Fabricanten toevoegingsmiddelen E E E E E E E R E / Tussenperson en E E E E E E E R E / Fabricanten Voormengsels E E R R R R R / / / Tussenperson en E E R R R R R / / / Fabricanten mengvoeders E R R R R R R / / E Zelfmengers E R R R R R R / / E

10

11 Onderscheid tussen volledige diervoeder, aanvullend diervoeder en voormengsel In de definitie van zowel volledig diervoeder als van aanvullend diervoeder staat met of zonder toevoegingsmiddelen. In de definitie van voormengsels staat mengsels van toevoegingsmiddelen onderling of mengsels van één of meer toevoegingsmiddelen met stoffen die dragers vormen. Alle 3 de groepen kunnen dus toevoegingsmiddelen bevatten. Een volledig diervoeder bevat een gehalte aan toevoegingsmiddelen die de maximale dosis toegelaten in een volledig diervoeder niet overschrijdt. Het onderscheid tussen een aanvullend diervoeder en een voormengsel berust op zowel het gehalte als op de aard van de aanwezige toevoegingmiddelen alsook op de bestemming. Voormengsels mogen alleen gebruikt worden voor de bereiding van diervoeders. Aanvullende diervoeders kunnen zowel gebruikt worden voor de bereiding van diervoeders als voor de rechtstreekse toediening aan dieren. Het is zo dat veel voormengsels van vroeger in principe aanvullende diervoeders waren. Maar doordat daar geen gevolgen aan vast hingen en men toch een erkenning had in de productieeenheid, liepen deze allemaal mee in het systeem en werden automatisch voormengsel genoemd. Op vandaag hangen hier wel gevolgen aan vast, dus is men de samenstelling gaan controleren, en heeft men die waar nodig aangepast om aanvullend dierenvoeder genoemd te worden Verschil erkenning-registratie De registratieprocedure is iets eenvoudiger dan de erkenningsprocedure.: - de aanvraagprocedure blijft gelijk - de opgelegde voorwaarden blijven gelijk behalve: kwaliteitsbewaking: controle laboratorium klachten en terugroepprocedure worden iets strenger behandeld bij de erkenning. - afgifte blijft gelijk: niet overdraagbaar, 10 jaar geldig (+ verlengbaar per 10 jaar) - retributie (betaling overheidsdiensten): verschillend erkenning: 248 registratie: 124 te storten op rekening Begrotingsfonds 1-malig, zelfs voor meerdere activiteiten - kwaliteitshandboek blijft gelijk voor erkenning en registratie - onderzoek naar aanvraag gelijk: eerst werden erkenningen gecontroleerd later dan de registraties - erkenning: moet om de 2 jaar een verslepingstest (volgens procedure van GMP), veel stalen, relatief duur (veel prijsverschil, ± 1000 ) - registratie: geen verslepingstest De homogeniteitstest blijft voor beiden hetzelfde (± 250 ) Vermits voor biggenvoeders meestal toevoegingen nodig zijn, worden voornamelijk door varkensboeren erkenningen of registraties aangevraagd, in de rundveehouderij daarentegen zijn dit vooral registraties.

12 2.2.5 Nadelen erkenning/registratie Het bijhouden van een handboek brengt heel wat extra schrijfwerk met zich mee en op een bedrijf met twee of meerdere diersoorten wordt dit papierwerk nog meer ingewikkeld. Dit neemt ook meer tijd in beslag maar ook de kosten gaan de hoogte in bv. analyses, homogeniteistest, verslepingstest, Voordelen erkenning/registratie Deze administratie geeft echter directe voordelen. Hiermee kan de landbouwer kwaliteitsgaranties bieden aan zijn afnemers wat het voeder betreft. De zelfmenger heeft ook het bijkomend voordeel dat hij volledig kan aantonen welke grondstoffen er in het voeder werden gebruikt. Deze administratie is moeilijk in het begin maar na verloop van tijd zou de landbouwer het moeten zien als een hulpmiddel om beter te produceren. Inleiding Procedure voor het bekomen van een erkenning Zoals reeds vermeld zal de meeste aandacht in dit eindwerk uitgaan naar de erkenning en om dit eindwerk wat praktischer te maken heb ik een erkenning aangevraagd voor het bestaand varkensbedrijf van Marc Vanderhaeghe. Aan de hand van dit bedrijf zal ik de procedure voor het behalen van de erkenning schetsen. Het begon allemaal begin het jaar 2001 er werd onrust veroorzaakt bij de zelfmengers want de geldigheid van alle bestaande erkenningen of registraties voor zelfmengers gingen vervallen op 1 april 2001 maar ondanks de dioxine crisis liepen de bedrijfscontroles wat vertraging op en werd de erkenning uitgesteld tot 1 oktober. Om daarna ook verder te kunnen zelfmengen, of om met zelfmengen te beginnen, dienden de meeste erkennings-of registratieplichtige bedrijven een aanvraagdossier in. De bedrijven die een erkenning aanvraagden werden eerst gecontroleerd op het bedrijf (dit was mogelijk tot 1 oktober) en als men voldeed werd de erkenning gegeven. De registraties werden daarentegen opgestuurd zonder dat men op het bedrijf kwam kijken. Maar bij het ministerie werd verondersteld dat wie een registratie heeft verkregen ook in orde is! Na het controleren van de erkenningen is men nu ook volop de registraties aan het controleren, nu worden ook de registraties in orde gesteld. Degenen die hoopten op een bijkomende verlenging van hun registratie zonder verdere controle sloegen de bal mis en vallen nu bij de controles door de mand. Bij afwezigheid van een gunstig advies van de buitendienst zal geen nieuwe erkenning, registratie worden toegekend. Vanaf die datum mag een zelfmenger die erkennings- of registratieplichtig is dus geen activiteiten meer uitvoeren. Deze beslissing is definitief.

13 Aanvraagdossier Om te kunnen worden erkend moet men bij de bevoegde overheid een aanvraag indienen. De aanvraag moet alle nuttige gegevens en inlichtingen bevatten om de bevoegde overheid toe te laten een administratief en technisch onderzoek in te stellen. Het aanvraagdossier bevat: 1) - aanvrager natuurlijk persoon: naam, voornaam, beroep, adres, telefoonnummer en eventueel faxnummer. - aanvrager rechtspersoon: aard en naam van de vennootschap, het adres, telefoonnummer en eventueel faxnummer van de maatschappelijke zetel, alsmede de naam van de personen die bevoegd zijn voor de rechtspersonen op te treden in de handelingen waarvoor de erkenning wordt aangevraagd, degene onder hen die de beroepskennis aanbrengt. 2) De precieze omschrijving van de activiteiten die de aanvrager voornemens is uit te oefenen: zijn de mengvoeders bestemd voor verkoop, of zijn ze uitsluitend bestemd voor de eigen fokkerij? 3) Het adres van de plaats waar de fabricatie zal uitgevoerd worden en waar de producten zullen opgeslagen worden. 4) De vermelding of de mengvoeders bestemd zijn voor de verkoop dan wel of zij uitsluitend bestemd zijn voor de eigen fokkerij. 5) Het algemeen grondplan van het bedrijf, het schema van de technische installaties en van het productieproces (m.a.w. een flowchart) evenals een lijst van het voornaamste materieel; 6) Een lijst van de apparatuur bestemd om controle uit te oefenen op de kwaliteit van de geproduceerde producten. Indien de aanvrager zelf niet beschikt over voldoende controlemiddelen, dan bezorgt hij een exemplaar van de overeenkomst waardoor hij die controle aan een daartoe erkend laboratorium toevertrouwt. Maken van kwaliteitshandboek Iedere zelfmenger is verplicht om een kwaliteitshandboek op te maken. Diverse landbouwers zien het niet zitten om een handboek op te maken en kopen dit tegen een bepaalde prijs aan in een bureau, firma, die dit tegen een bepaalde prijs maken. Maar de bedrijfscontroleur van DG 4 ondervindt dat deze landbouwers dan ook meestal door de mand vallen, ze laten het boek maken, maar kunnen het niet voldoende toepassen op hun eigen bedrijf. Daaruit besluit men dat de zelfmenger zijn kwaliteitshandboek niet in de praktijk toepast, want hij weet onvoldoende over de inhoud. Het gaat er dus niet alleen over dat je aan de bedrijfscontroleur een kwaliteitshandboek kan voorleggen maar je moet dus ook voldoende kunnen bewijzen dat je het ook in de praktijk toepast. Wie erkend wil worden moet voldoen aan een reeks van minimumvoorwaarden. Deze minimumvoorwaarden voor de erkenningen en de registraties in de sector dierenvoeding

14 zijn allemaal omschreven in een boekje uitgegeven door het ministerie van middenstand en landbouw, Bestuur voor de Kwaliteit van de Grondstoffen en de Plantaardige sector (DG 4). Deze voorwaarden hebben betrekking op: 1) Bedrijfsgegevens 2) Bedrijfsruimte - De bedrijfsruimte, stockagesilo s en productieapparatuur is zodanig gesitueerd/geplaatst, ontworpen, gebouwd en onderhouden zodat de werkzaamheden voor het fabriceren van de mengvoeders goed uitgevoerd worden. - Bouwplan en ontwerp van bedrijfsruimten en apparatuur is gericht op: Verlagen van het risico van fouten Mogelijk maken van doeltreffende reinigings-en onderhoudswerken Voorkomen van besmetting, kruisbesmetting, elke aantasting van de kwaliteit van het product - Bedrijfsruimten en apparatuur die van kritiek belang zijn voor de kwaliteit van de producten moeten regelmatig worden gecontroleerd - Bestrijdingsplan opstellen om schadelijke organismen te voorkomen 3) Personeel - De zelfmenger (medewerker en vervangers) moeten over voldoende kennis beschikken om de voeders aan te maken. Dit kan door het volgen van een aangepaste opleiding of door ervaring. Voor de formulering van de voeders en voedertechnische problemen wordt hij bijgestaan door een formulator (nutritionist). 4) Productie - de productie moet worden geleid door een persoon met de nodige kwalificaties. - productiewerkzaamheden moeten uitgevoerd worden volgens schriftelijk vastgelegde instructies en procedures om de kritische punten van het productieproces te bepalen, te valideren te ondervangen. - kritische punten: verwerking van het toevoegingsmiddel of voormengsel volgorde van de productie meet- en weegapparatuur (kalibratie) mengapparatuur (homogeniteitstest) transportsystemen (verslepingstest) - technische of organisatorische maatregelen dienen te worden genomen om kruisbesmetting en fouten te voorkomen. - opslag dient te gebeuren in passende recipiënten of ruimten die: ontworpen, ingericht en onderhouden worden met het oog op goede opslagomstandigheden

15 5) Kwaliteitsbewaking - kwaliteitsbewaking moet worden toegewezen aan een persoon die de nodige kwalificaties bezit - men moet een controlelab tot zijn beschikking hebben om na te gaan of de producten voldoen aan de voorschriften ter zake om na te gaan of de voormengsels/mengvoeders van de door de fabrikant omschreven specificaties voldoen vb. de aard, gehalten, homogeniteit, ongewenste stoffen, om een zo laag mogelijk niveau van kruisbesmetting te waarborgen en te controleren. Om naleving na te gaan van de vastgelegde maximumgehalten van ongewenste stoffen en producten. - er moet een kwaliteitsbewakingsplan opgesteld en uitgevoerd worden dat: de controle van de kritieke punten in het productieproces omvat de procedure voor en de frequentie van de monsternames omvat alsmede de analyse methoden en de frequentie analyses. dient voor de naleving van de specificaties voor grondstoffen - met het oog op de traceerbaarheid moeten voldoende monsters genomen worden van iedere partij mengvoeders/voormengsels/producten. Deze monsters dienen verzegeld te worden en van etiketten voorzien te zijn en dienen bewaard te worden. 6) Leveringen Niet van toepassing 7) Documentatie Alle vereiste documenten (facturen, vervoersdocumenten, labo analyses): 5 jaar bewaren Samenstellingen van de gefabriceerde mengsels (formulaties): 10 jaar bewaren zodat kan nagegaan worden wanneer welke grondstoffen werden vermengd. (vanaf 1 januari van het jaar dat op hun datum volgt) 8) Klachten - Men moet een systeem opzetten voor registratie en behandeling van de klachten - Systeem opzetten voor het snel terugroepen van producten uit het afzetcircuit indien nodig + procedure opstellen naar de bestemming van deze teruggeroepen producten. Praktijk: Klachtenformulier Formulier retour Recall procedure (= praktische richtlijn van wie dit doet, en wat moet worden teruggehaald bij wie)

16 Wat personeel en levering betreft zijn de minimumvoorwaarden niet van toepassing bij zelfmengers. Vooral de vereisten inzake productie en kwaliteit vormen een uitgebreide lijst. Op het bedrijf van Marc Vanderhaeghe werd besloten om het handboek zelf te maken en onmiddellijk te opteren voor een erkenning, alhoewel het bedrijf met een registratie eigenlijk genoeg had om verder voeders te fabriceren. Marc zijn stelling luidde als volgt We proberen een erkenning, is het onmogelijk dan kunnen we nog een registratie proberen te bekomen, maar aangezien de wetgeving steeds strenger wordt ben ik met mijn erkenning dan helemaal in orde, wie weet wat de toekomst brengen zal. Hij vroeg mij ten rade of ik wilde meehelpen en door de samenwerking en het wederzijds uitwisselen van informatie is het volgende handboek tot stand gekomen, bij het maken van het handboek heb ik mij gebaseerd op het boekje uitgegeven door het ministerie met de minimumvoorwaarden. Dit was toen dan ook de enige verkrijgbare bron. Onderzoek van de erkenningsaanvraag Het onderzoek wordt ingesteld door een ambtenaar van de bevoegde overheid (bezoek bedrijfslokalen + opslagruimtes). Audit DG 4 begon met de bedrijfscontroles voor de erkenningen begin Tot hun grote verbazing was het merendeel van de zelfmengers er nog te weinig op voorbereid. Want bij deze controle moet de zelfmenger aantonen dat hij een kwaliteitsboek bijhoudt en dat hij ook effectief toepast wat genoteerd staat. Op bedrijven waar nog geen handboek aanwezig was, is de controlerende overheid direct vertokken zonder verdere controle. Ook wanneer het bedrijf (maalderij) vuil en smerig was, dan heeft de landbouwer volgens hen geen tijd om op een kwalitatieve manier voeders te maken. Deze bedrijven kunnen dan ook geen erkenning, noch registratie verkrijgen. Tijdens de bedrijfscontrole worden een hele lijst vragen afgevuurd op de zelfmenger. Welke voeders worden geproduceerd? Welke maatregelen worden uitgevoerd op vlak van hygiëne, onderhoud van machines en ongediertebestrijding? Waar kan het op het bedrijf verkeerd lopen en hoe wordt dit aangepakt? Is er op het bedrijf een lijst met alle leveranciers met eventueel een kopie van hun GMP-erkenning? Welke eisen worden gesteld bij aankoop van grondstoffen en worden niet-conforme partijen geweigerd? Wanneer een lading grondstoffen het bedrijf binnenkomt, is het belangrijk om als zelfmenger een reeks zelfcontroles uit te voeren. Dit kan door geurwaarneming, een schatting van het percentage onzuiverheden, door het ruiken aan een monster dat men kortstondig opwarmt,. Als de zelfmenger een partij weigert, dan is hij verplicht om per fax het ministerie van landbouw te verwittigen. Hierbij moet de aard en de eigenaar van de partij vermeld worden evenals de reden van weigering. Bij de controle vragen de DG4- medewerkers ook naar de technische gegevens van de doseer-, weeg-, meng- en transportapparatuur.

17 M.a.w. worden al de punten van het kwaliteitshandboek zorgvuldig overlopen en indien bepaalde dingen voldoen wordt dit door de DG 4 controleur genoteerd in de checklist, in dit geval door De heer Cobbaert. Checklist Na het bedrijfsbezoek, wordt een verslag opgemaakt aan de hand van een checklist met volgende kenmerken: in orde (+), kleine opmerkingen die in de toekomst in orde gemaakt moeten worden (+*), fouten (B) en fundamentele fouten (A) in de productie. De A- tekortkomingen moeten zeker volledig opgelost zijn en dit onmiddellijk. Voor de B- tekortkomingen kan, indien ze nog niet weggewerkt zijn, een plan van aanpak opgestuurd worden. In dit plan van aanpak beschrijft de zelfmenger samenvattend wat de corrigerende acties zullen zijn. De A en B opmerkingen moeten in orde gebracht worden vooraleer je je erkenning kan bekomen (aanpassingen doorzenden naar Ministerie). Afgifte van de erkenning De erkenning (registratie) is niet overdraagbaar. Zij wordt afgeleverd voor een duur van ten hoogste tien jaar. Zij wordt telkens voor ten hoogste tien jaar verlengd, op vraag van de erkenninghouder. De aanvraag voor vernieuwing moet ten minste twee maanden voor het verstrijken van de geldigheidstermijn worden ingediend. Bij afwezigheid van een aanvraag tot verlenging brengt het de schrapping van de erkenning met zich mee. Op vandaag verschilt de controle door DG4 tussen een registratie en een erkenning bijna niet. Het enige verschil tussen registratie en erkenning is de verslepingstest.

18 2.2.8 Opmerkingen Versleping Versleping = voedermiddelen, toevoegingsmiddelen of gemedicineerde voormengsels, verwerkt in een voormengsel of mengvoeder, dat in bepaalde mate achterblijft in het productieproces en daardoor terechtkomt in een volgende charge voormengsel of mengvoeder. Enerzijds is er ook een extra versleping als gevolg van verwerkingseigenschappen van de gebruikte producten. Het verslepingsniveau wordt gedefinieerd als de hoeveelheid van een nutriënt of bestanddeel uit een voorafgaande charge, uitgedrukt in procenten, die in de daarop volgende charge voeder (van dezelfde grootte) terechtkomt. Het verslepingsniveau kan worden gemeten over een gedeelte van de installatie of over de hele installatie. De versleping moet beperkt blijven, maar er zijn daaromtrent nog geen wettelijke normen vastgelegd. Afhankelijk van de mate van de versleping van de installatie dient het verwerken van voedermiddelen, toevoegingsmiddelen en voormengsels aangepast te worden, zodanig dat nog wordt voldaan aan hetgeen voor de individuele middelen in de lijst van toevoegingsmiddelen, vermeld als bijlage bij het MB van 12/02/1999, is aangegeven alsook om de aanwezigheid van stoffen in een mengvoeder waarin het verboden is (voor niet-doel dieren) te vermijden. De verslepingstest is verplicht voor: - installaties waar mengvoeders gefabriceerd worden op basis van antibiotica, coccidiostatica (ongeacht de wijze: onder vorm van een voormengsel, aanvullend dierenvoeder, ) of gemedicineerde voormengsels; - eenieder die deze activiteit (nog) niet uitvoert, maar toch een erkenning wenst voor het uitvoeren van een dergelijke activiteit; - een fabrikant van voormengsels; - bedrijven die medicatie op voorschrift van de dierenarts via het voeder toedienen. Bedrijven die geen risico producten gebruiken, moeten de test niet uitvoeren. Slechts in een beperkt aantal gevallen kan een uitzondering toegestaan worden op de bovenvermelde gevallen. Indien op een installatie bijvoorbeeld enkel voeders voor mestvarkens gefabriceerd worden en dit voeder bevat steeds salinomycine dan is de test niet vereist. Andere uitzondering zijn slechts valabel indien daartoe door het hoofdbestuur in Brussel de schriftelijke toelating is verleend. Het belang van de versleping is afhankelijk van het risico dat gekoppeld is aan de gebruikte voedermiddelen, toevoegingsmiddelen en/of voormengsels Een voorbeeld is de aanwezigheid van antibiotica/coccidiostatica/gemedicineerde voormengsels in bepaalde mengvoeders. 1) er moet vermeden worden dat er residuen in het vlees of in de zuivelproducten aanwezig zijn.

19 2) tegenwoordig zijn deze toevoegingsmiddelen telkens specifiek per diersoort. Ze mogen dus niet in de mengvoeders van andere diersoorten voorkomen. Bijgevolg is hier ook de verslepingstest noodzakelijk. De versleping is ook afhankelijk van de plaats waar de kritische grondstoffen toegevoegd worden. Voormengsels moeten aan de hoofdstroom van het mengvoeder worden toegevoegd, zo dicht mogelijk bij of in de menger, maar in normale omstandigheden na de hamermolen/het maalproces. Een langer traject zorgt voor een grotere versleping. a) Een minimum versleping zal moeten gewaarborgd worden i.f.v. het risico dat gekoppeld is aan de activiteiten die uitgeoefend worden. In heel wat gevallen betekent dit het uitvoeren van een verslepingstest. b) Het aanpassen van de werkzaamheden naar de resultaten van de verslepingstest kan door: - het aanpassen van de productievolgorde. Mengsels van toevoegingsmiddelen voor doeldieren worden niet gefabriceerd voor mengsels voor andere dieren waarin de verslepingshoeveelheid hoger is dan toegelaten residuniveaus van toevoegingsmiddelen in niet-doelvoeders. Na het gebruik van een risicovoedermiddel of toevoegingsmiddel worden één of meerder charges van een mengvoeder geproduceerd die dat product niet bevatten, maar waar versleping vanuit voorgaande charges geen problemen geeft. - het inbouwen van spoelcharges. Bij voorkeur spoelen met voedermiddelen of draagstoffen die nadien apart worden opgeslagen om te gebruiken bij de fabricage van dezelfde producten waaruit versleping is ontstaan. Vooraleer over te gaan tot het uitvoeren van de verslepingstest is het belangrijk om over een goede flowchart van de technische installatie te beschikken. Op die flowchart wordt het procesgedeelte aangeduid, waar de versleping zal gemeten worden. Alle uit te voeren handelingen dienen gedetailleerd weergegeven te worden in een procedure. Na het uitvoeren van de test moet een duidelijk en volledig rapport opgesteld worden zodat de nodige conclusies kunnen getrokken worden. Dit omvat naast de noodzakelijke bedrijfsgegevens, o.a. de verantwoordelijke personen, de gebruikte methode, de berekening van de homogeniteit, de versleping en het aantal vereiste spoelcharges. Indien overwogen wordt om de test zelf uit te voeren, kan er bet contact opgenomen worden met de leverancier van kernen voor de technische ondersteuning. Indien het bedrijf de test zelf uitvoert, dient op een geloofwaardige wijze aangetoond te worden dat de test op de juiste manier is uitgevoerd. Bij gebrek aan bewijzen kan het resultaat van de test in vraag gesteld worden. De verslepingstest wordt om de 2 jaar opnieuw uitgevoerd of als de installatie wijzigt. Hieronder worden de bruikbare methodes kernachtig weergegeven. Indien de test niet volgens één van deze methodes is gebeurd, zal het resultaat van de test niet aanvaard worden en zal de test opnieuw moeten gebeuren volgens één van deze methodes. Voor een meer gedetailleerde beschrijving kan men terugvallen op de GMP code.

20 Methode 1: Kobalt (Co) Dit is de meest gebruikte methode. Hierbij wordt gebruik gemaakt van 3 charges. De eerste charge is een blanco charge en bevat geen toegevoegd kobalt. De tweede charge daarentegen bevat een verhoogt gehalte aan Kobalt (zijnde 100, 50 of 25 ppm). Hoe hoger het gehalte, hoe groter de nauwkeurigheid. Dit kobalt wordt toegediend onder de vorm van een kobaltmengsel en wordt toegediend op de plaats waar normaal gezien de kernen worden toegediend. De derde charge is terug een blanco charge. De drie charges moeten, met uitzondering van het kobaltmengsel in de tweede charge, volledig dezelfde samenstelling hebben. Per charge dienen er telkens een minimum aantal monsters genomen te worden. Van de eerste charge dienen er op zijn minst 4 monsters genomen te worden, verdeeld over de uitlooptijd van het eindproduct. Van de tweede en derde charge dienen er telkens minstens 10 monsters genomen te worden. De monsters dienen op de volgende plaatsen genomen te worden: Charge 1: inloop van de gereedproductsilo (4 Co, 4 vocht) Charge 2: direct na de menger (10 Co, 4 vocht) Charge 3: inloop van de gereedproductsilo (10 Co, 4 vocht) De gereedproductsilo varieert, afhankelijk van het feit of de versleping op een meellijn of een perslijn gemeten wordt. versleping: (gebruik makend van de gemiddelde, voor vocht gecorrigeerde gehaltes Co) Co charge 3 - Co charge 1 x 100 Co charge 2 Co charge 1 De 10 monsters van de tweede charge kunnen gebruikt worden voor het meten van de homogeniteit Methode 2: Toevoegingsmiddel (TM) Indien een bedrijf gebruik maakt van slechts één antibiotica of coccidiostatica is deze methode ten stelligste aan te raden. In dat geval zijn er namelijk geen bijkomende omrekeningen meer nodig zodat een zeer betrouwbaar resultaat kan bekomen worden. Bij het uitvoeren van de verslepingstest met een toevoegingsmiddel maakt men gebruik van een antibiotica of een coccidiostatica. Bij voorkeur is dit een antibiotica of een coccidistatica dat gebruikt wordt op het bedrijf. Hierbij worden er eerst 3 charges gefabriceerd met het te analyseren toevoegingsmiddel (minimaal 35 ppm) om de installatie te conditioneren. Daarna wordt er een charge gefabriceerd dat dit toevoegingsmiddel niet bevat. De monsters dienen op de volgende plaatsen genomen te worden: Charge 1 en 2: geen monsters

21 Charge 3: direct na menger (10 TM) Charge 4: inloop van de gereedproductsilo (20 TM) Deze methode is minder geschikt voor het meten van versleping op de perslijn indien het gebruikte toevoegingsmiddel niet pelleteer bestendig is. Methode 3: Eiwit Mangaan (Mn) Deze methode voorziet dat er eerst een eiwit-en Mn-rijk sojamengsel gefabriceerd wordt. Direct daarna wordt er een eiwit- en Mn-arm maïsmengsel gefabriceerd. Op de plaats waar normaal het voormengsel gestort wordt (bijstort), wordt eerst het mangaanoxide en daarna het voederfosfaat of krijt gestort. Charge 1, het eiwit en Mn-rijk soja mengsel, heeft de volgende samenstelling: 92% maïs, 4% vet, 3% rietmelasse, 0,4% mangaanoxide en 0,8% dicalciumfosfaat (of zout of krijt). Van deze charge wordt van het laatste deel een goed mengmonster genomen. Deze monsters dienen genomen te worden bij de inloop van de gereedproductsilo. Charge 2, het eiwit en Mn-arm maïsmengsel, heeft de volgende samenstelling: 92% maïs, 4 % vet, 3% rietmelasse, 0,8% dicalciumfosfaat (of zout of krijt) Van deze charge dienen de volgende monsters genomen te worden: - 1 monster van maïs (gebruikt in de samenstelling) - 6 monsters maïsmengel-meel (persmeelbunker) - 6 monsters maismengsel-korrel (gereedproductsilo) Aangezien voornamelijk het eerste deel van deze laatste charge van belang is om een idee te krijgen over de werkelijke versleping dient deze intensief bemonsterd te worden. Daarom wordt de volgende bemonsteringsprocedure opgelegd ter hoogte van de persmeelbunker: Gedurende de eerste 30 seconden worden er zo veel mogelijk submonsters verzameld in een emmer. Hiervan wordt dan een mengmonster gemaakt. Gedurende de volgende 30 seconden gebeurt dit op dezelfde manier. Daarna wordt er elke 30 seconden een steekmonster uit de stroom verzameld tot de meelstroom staakt. Hiervan dienen er 6 monsters bewaard te worden, nl. de 3 die het eerst genomen zijn en dan nog 3 van de overige monsters. Ter hoogte van de gereedproductsilo gebeurt het op dezelfde wijze, maar omdat de looptijd meestal iets langer is, is de procedure nu als volgt: Gedurende de eerste minuut worden er zo veel mogelijk submonsters verzameld in een emmer. Hiervan wordt dan een mengmonster gemaakt. Gedurende de tweede minuut gebeurt dit op dezelfde manier. Daarna wordt er elke minuut een steekmonster uit de stroom verzameld tot de pellet stroom staakt. Ook hiervan dienen er 6 monsters bewaard te worden, nl.de 3 die het eerst genomen zijn en dan nog 3 van de overige monsters. De genomen monsters worden geanalyseerd op RE en Mn. De helft van de maïsmengselmeel en pellets worden bovendien op vocht geanalyseerd. Indien het

22 vochtgehalte door het pelleteren significant gewijzigd is, moeten de vereiste correcties in rekening gebracht worden. Deze methode heeft als nadeel dat de staalname en de berekening van de versleping vrij ingewikkeld is. Voor het meten van de homogeniteit moeten er minimaal 10 monsters van het Mn rijk mengsel genomen worden. Nauwkeurigheid verslepingstest In onderstaande tabel worden de nauwkeurigheden van de verschillende testen weergegeven. Afhankelijk van de keuze zal dus het resultaat apart geïnterpreteerd moeten worden. Methode Gehalte (in mengvoeder) Ondergrens* Kobalt 100 ppm 50 ppm 25 ppm Toevoegingsmiddel 35 ppm 5 Eiwit mangaan 4000 ppm Mn (*: de ondergrens van versleping is het verslepingspercentage waarover met de toegepaste methode nog een betrouwbare uitspraak kan worden gedaan.) Zoals reeds vermeld, zijn er wettelijk geen normen vastgesteld voor het verslepingspercentage. Maar na het uitvoeren van de test kan men bepaalde conclusies nemen om bepaalde gevolgen van de bestaande versleping te reduceren bv. de selectie van de grondstoffen, gewenste productievolgorde, aanpassing aan installatie. De verslepingstest wordt eigenlijk voornamelijk uitgevoerd om het aantal spoelcharges te weten die nodig zijn tussen 2 verschillende diervoeders, omdat bepaalde componenten uit het ene voeder niet gewenst worden bij het andere voeder. Met andere woorden de productievolgorde van mengvoeders met voormengsels dienen zodanig te zijn, dat wordt voldaan aan de normen zoals aangegeven in de lijst met gekende toevoegingsmiddelen en gemedicineerde voormengsels. De lijst van de stoffen en preparaten die als toevoegingsmiddelen in dierenvoeders zijn toegelaten is ter verkrijgen bij het ministerie. Homogeniteitstest De test is verplicht voor iedereen. Indien reeds een verslepingstest wordt uitgevoerd, kan de homogeniteitstest op hetzelfde moment uitgevoerd worden. Naast de hierboven aangehaalde methodes kan voor de homogeniteitstest ook beroep gedaan worden op één van de volgende methodes. Indien de verslepingstest niet uitgevoerd moet worden, kan er gekozen worden voor het analyseren van een ander sporenelement. In elk geval moeten er op gelijkaardige wijze 10 monsters genomen worden, verdeeld over de uitlooptijd van de menger. Indien de capaciteit van de menger kleiner is dan 1000 kg kunnen 6 monsters volstaan.

23 Voor het meten van de homogeniteit bij all mash kan toegestaan worden dat er 10 monsters met de NIR geanalyseerd worden, waarbij dan wel het volledig spectrum (RE, RV, RC, RA) dient geanalyseerd te worden. Iedereen zal de test moeten uitvoeren voor de in gebruik name van een nieuwe installatie en nadien om de drie jaar. Het resultaat van de test wordt bijgehouden. - De homogeniteit van de toevoegingsmiddelen is afhankelijk van de mengtijd. Een test m.b.t. de homogeniteit moet uitgevoerd worden om de optimale mengtijd te bekomen. Te lang mengen kan het mengsel terug gaan ontmengen. - De homogeniteit is ook afhankelijk van het inmengpercentage. De kans om minder homogeen te fabriceren is veel kleiner bij iemand die een voormengsel inmengt aan een percentage van 20% dan iemand die inmengt aan 3%. Een homogeniteitstest voor een zelfmenger kan worden uitgevoerd op Cu of Fe (in rundveevoeder). Vanaf het moment dat aan verkoop gedaan wordt, moet dit bepaald worden met Co, bij rundveevoeder op RV, RE, RA, RC. Wettelijk bestaan er eigenlijk geen normen maar indien het resultaat > 10% kan het eventueel wel moeilijker zijn om een erkenning of registratie te bekomen. Kalibraties Algemeen De weegapparatuur zoals weegbruggen of afzakinstallaties die gebruikt wordt om goederen in het verkeer te brengen wordt om de vier jaar door het Ministerie van Economische zaken geijkt. Voor deze apparatuur zijn geen bijkomende eisen opgesteld. De wegers voor intern gebruik moeten wel nog aan een controle onderworpen worden. Toestellen waar toevoegingsmiddelen of (gemedicineerde) voormengsels op gewogen worden, moeten 2 maal per jaar gecontroleerd worden op afwijkingen. De overige wegers worden 1 keer per jaar gecontroleerd en, indien er significante afwijkingen zijn, gekalibreerd. De bovenvermelde controles kunnen uitgevoerd worden door een externe firma. In dit geval zullen kalibratieverslagen de uitvoering bevestigen. Dit hoeft echter niet door een externe firma te gebeuren. Indien de firma zelf de kalibraties uitvoert, moet hij kunnen aantonen dat dit gebeurd is volgens een aanvaardbare methode. In elk geval dient er een procedure aanwezig te zijn die aangeeft op welke manier te werk gegaan is. Methodes De te gebruiken methode is deze van de stijgende en dalende gewichten. Cumulatief worden de gewichten op het weegtoestel geplaatst (het volledig meetbereik). Daarna worden de gewichten er stuk voor stuk terug afgenomen. Zowel bij het toevoegen als tijdens het afnemen van de gewichten worden enerzijds de waarde van de gewichten en anderzijds de werkelijk gemeten waarde genoteerd. Op die manier kunnen de afwijkingen geëvalueerd worden. De gebruikte gewichten hoeven niet geijkt te zijn, maar ze moeten minstens gecontroleerd zijn ten opzichte van geijkte gewichten.

24 Ook vloeibare doseersystemen (oa voor vet en melasse) dienen opgenomen te zijn bij deze controles. Dergelijke producten kunnen over een bepaalde tijdspanne opgevangen worden en telkens gewogen worden op gekalibreerde weegtoestellen. Daarna worden de gedoseerde waarden (veronderstelde hoeveelheid over die tijdspanne) vergeleken met de werkelijke waarden (afgelezen op gekalibreerde weegtoestellen). Hierbij is één enkele meting natuurlijk onvoldoende. Een andere methode is het gebruik van een gekalibreerde vloeistofmeter. Daarbij worden de hoeveelheden van de eigen doseersystemen vergeleken met de hoeveelheden, gemeten met de gekalibreerde vloeistofmeters. Ook hier moeten een aantal metingen verricht worden. Analyses Analysen wettelijk verplicht: homogeniteitstest (1x/3jaar): zie eventueel verslepingstest (1x/2j): zie analyses op diermeel: indien nodig (zie hieronder) Daarnaast dient de zelfmenger aan autocontrole te doen. Dit kan wettelijk niet worden opgelegd, maar indien men dit niet doet, kan het zijn dat de erkenning of registratie niet wordt verleend. (Bepalen van de inhoud van zijn voeder: bv. Weende-analyse: vocht, RC, RV, RE (ev. nog bepaling suikers, salmonella, fosfor, zetmeel, vitamines, mycotoxines, ). De kostprijs van zo n analyses zijn afhankelijk van labo, de gemiddelde prijzen zijn ongeveer: - nirs = ±25 - RE, Rvet, RC, Ras = ± 69 - Salmonella neg = ± 12,5 - Salmonella pos = ± 17,5 - Salmonella pos + typering = ± 21 - Diermeel = ± 94 Daarbij wordt dan nog zo n ± 11,5 gerekend per ophaaltoer Volgens de databank van de zelfmengers verplicht naast de wettelijke analyses - salmonella-analyse conform GMP-code: 4 analyses op eindvoeders, 4 analyses op grondstoffen/jaar - screeningtest op mycotoxines: bij aankoop van een voedermiddel van een niet GMP-erkend leverancier (vb. eigen CCM, of tarwe van een buur, ) Monstername - van iedere partij kritische voedermiddelen en toevoegingsmiddelen moet een representatief monster van minimum 500g worden bewaard gedurende minimum 6 maanden en ter beschikking van de bevoegde overheid worden gehouden. - het liefst van alle partijen inkomende voedermiddelen/toevoegingsmiddelen/voormengsels (eigen voordeel -> niet verplicht) - voor de eindproducten: volgens een vooraf door de fabrikant vastgestelde procedure moeten van iedere partij eindproduct of in geval van continuproductie, van elk bepaald

25 productiegedeelte voldoende monsters genomen worden die met het oog op de traceerbaarheid moeten worden bewaard. Zelfmengers moeten elke partij eindproduct bemonsteren, telkens als er een nieuwe partij grondstof (inclusief kern) gebruikt wordt in de samenstelling. deze monsters moeten gedurende ten minste 3 maanden ter beschikking van de bevoegde autoriteiten worden gehouden. eigen gebruik: frequent (= in functie van de turn-over van het meest kritische dierenvoeder) - deze monsters moeten zodanig verzegeld (indien mogelijk) en van etiketten (lotnummer, fabricatiedatum, naam product, ) voorzien worden dat zij gemakkelijk geïdentificeerd kunnen worden. Zij moeten dus zodanig worden bewaard (min. 3 maand) dat verandering van de samenstelling of abnormale aantasting van het monster uitgesloten is. Meldingsplicht Iedere invoerder of fabrikant of een andere persoon, die uit hoofde van zijn beroepsactiviteiten in het bezit is of is geweest, of te maken heeft gehad met een partij voedermiddelen of dierenvoeders waarvan hij op de hoogte is dat deze partij ongeschikt is voor gebruik in de dierenvoeding omdat: - ze niet gezond, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit is en derhalve een ernstig gevaar vormt voor de gezondheid van mens of dier. - ze niet voldoet aan de door de Minister vastgestelde maximum toegelaten gehalten aan ongewenste stoffen en producten en niet bestemd is voor een daartoe erkende mengvoederfabrikant - de partij voedermiddel niet voldoet aan de desgevallend door de minister vastgestelde absoluut maximum toegelaten gehalten aan ongewenste stoffen en producten en derhalve een ernstig gevaar vormt voor de gezondheid van mens of dier, Is verplicht de Minister hiervan onverwijld op de hoogte te brengen zelfs wanneer de vernietiging van de partij wordt overwogen. Deze aanmelding moet in een brief gericht worden aan de Dienst Kwaliteit van de Grondstoffen en Analyse Lijst van ingrediënten waarvan het in verkeer brengen en het gebruik ervan in mengvoeders en voormengsels is verboden 1. faecaliën, urine en de door het leegmaken of verwijderen van spijsverteringskanaal vrijgekomen inhoud daarvan, ongeacht de behandeling die zij hebben ondergaan of het mengsel waarin zij zijn verwerkt. 2. met looistoffen behandelde huiden en afval daarvan 3. na het oogsten met het oog op de bestemming ervan met fytofarmaceutische producten behandelde zaden, planten of ander plantaardig teeltmateriaal, en de daarvan afgeleide bijproducten.

26 4. met houtbeschermingsproducten behandeld hout en zaagsel, alsmede afgeleide producten van aldus behandeld hout en zaagsel. 5. alle afval dat is verkregen in de diverse stadia van de behandeling van stedelijk, huishoudelijk en industrieel afvalwater, ongeacht de verdere behandeling van dat afval en ongeacht de oorsprong van het afvalwater. 6. vast stadsafval, bijvoorbeeld huishoudelijk afval 7. voedsel bevattende producten van dierlijke oorsprong en afval van voedsel bestemd voor menselijke consumptie afkomstig van grootkeukens, eetgelegenheden, cateringbedrijven, de woongelegenheid van de veeteler bevattende producten van dierlijke oorsprong, bestemd voor het voederen van dieren waarvan het vlees of de producten bestemd zijn voor de productie van voedingsmiddelen. 8. verpakkingen en delen van verpakkingen afkomstig van het gebruik van producten van de voedingsmiddelenindustrie 9. verwerkte dierlijke eiwitten voor het voederen van dieren waarvan het vlees of de producten bestemd zijn voor de productie van voedingsmiddelen. Onder verwerkte dierlijke eiwitten wordt verstaan: vleesbeendermeel, dierenmeel, beendermeel, bloedmeel, gedroogd plasma en andere bloedproducten, gehydrolyseerde eiwitten, hoefmeel, horenmeel, pluimveemeel, pluimveeslachtafvalmeel, verenmeel, vetkanen, vismeel, visperssap, dicalciumfosfaat, gelatine en alle andere vergelijkbare producten, inbegrepen mengsels, dierenvoeders, toevoegingsmiddelen en voormengsels die dergelijke producten bevatten, met uitzondering van: - vismeel en visperssap door de voeding van dieren andere dan herkauwers - gelatine van niet-herkauwers bestemd voor het omhullen van toevoegingsmiddelen in de zin van de richtlijn 70/524/EEG - dicalciumfosfaat en gehydrolyseerde eiwitten, bekomen volgens de voorschriften vastgelegd door de Minister en in overeenstemming met de procedure voorzien in artikel 17 van de richtlijn 89/662/EEG - melk en melkproducten - eiproducten Opmerkingen Kritische grondstoffen Alle vetten, alle producten van dierlijke oorsprong en vismeel kwamen op een lijst terecht. Maar ook een aantal toevoegingsmiddelen (kaoliniet, ) ontsnapten er niet aan ook bindmiddelen, verdunningsproducten en stollingsmiddelen moesten er aan geloven. De lijst van de kritische grondstoffen is niet definitief, de lijst is veranderlijk. Er kunnen producten van weggehaald worden, maar er kunnen ook producten aan toegevoegd worden. Uit de praktijk weten we echter wel dat er eerder iets zal bijkomen, dan wegvallen. Diermeel is inmiddels verboden, maar ook de calciumproducten, dierlijke vetten en vismeel worden als kritische grondstoffen aanzien.

27 Wanneer men op een bedrijf met kritische grondstoffen werkt dan moet men rekening houden met het verslepingspercentage en moet men in het bedrijf een productievolgorde opmaken en deze dan ook naleven. Haringmeel (vismeel): Mag enkel nog gebruikt worden voor bedrijven die erkenning of registratie hebben en geen gebruik ervan mag op landbouwbedrijven waar rundvee, geiten of schapen aanwezig zijn. Om nog vismeel te kunnen toedienen, zal de mengvoederfabrikant of de zelfmenger een duidelijke scheiding moeten maken tussen de verschillende productie-eenheden. Het lossen, de productie, het laden en het transport van de voeders zal voor varkens, rundvee en pluimvee afzonderlijk moeten gebeuren. Vroeger was het zo, toen de reglementering op verbod van gebruik diermeel in rundveevoeders ingevoerd werd, dat wie verder vismeel wou gebruiken in zijn varkensvoeders een ontheffing, een verklaring, moest tekenen dat geen rundveevoeders werden geproduceerd op bedrijf. Op vandaag is het verboden dierlijke producten in te mengen in het voeder op plaatsen waar rundvee aanwezig zijn, dus heeft die ontheffing geen waarde meer en moet geen ontheffing aangevraagd worden. Dierenmeel/Beendermeel Beendermeel: gemalen beenderen Diermeel: volledig gemalen karkassen van dieren Het gebruik van diermeel in voeders voor herkauwers is in ons land al sinds 1 juli 1994 verboden. Op 1 januari van 2001 werd het EU-verbod op het gebruik van diermeel in dierenvoeding in het kader van de strijd tegen de BSE-ziekte ingevoerd. Er werd opgemerkt dat een verbod op het gebruik van diermeel in voeder voor varkens en pluimvee wetenschappelijk eigenlijk niet te verantwoorden was. Maar het totaal verbod kwam er omdat was gebleken dat sommige lidstaten het verbod op diermeel voor runderen niet volledig naleefden. Het totaalverbod moest ook de consument meer vertrouwen in het Europese vlees geven. Bij al de analyses in 2001 waarbij 564 monsters genomen werden door de inspectiedienst grondstoffen werden slechts 4 inbreuken vastgesteld. Analyses op diermeel: Een zelfmenger die enkel varkens heeft en enkel mengvoeders maakt voor varkens hoeft géén stalen te nemen. Een zelfmenger die enkel varkensvoeders maakt, maar op zijn bedrijf rundvee aanwezig heeft dient deze stalen wél te nemen. Een zelfmenger die zowel voor rundvee als voor varkens mengvoeders produceert dient vanzelfsprekend deze stalen ook te nemen. De frequentie van het nemen van deze stalen is als volgt:

28 Tabel 5: Inspectieschema per productielocatie 1 in het kader van BSE-beheersing voor mengvoeders Omvang totale productie in tonnen dierenvoeders op jaarbasis Productie van mengvoeders per locatie Aantal monsters/kwartaal Productie van mengvoeder op een locatie waar mengvoeders voor herkauwers gefabriceerd worden en waar ook dierlijke eiwitten gebruikt worden Aantal monsters/kwartaal < < < < > Bij wijze van uitzondering moet een bedrijf dat uitsluitend ten behoeve van zijn eigen fokkerij mengvoeders voor uitsluitend nietherkauwers fabriceert, de analyses overkomstig met de hierboven vermelde tabel niet uitvoeren. Monsters worden genomen van voeders, bestemd voor dieren waarvan het vlees of de producten bestemd zijn voor de productie van voedingsmiddelen. Deze monsters moeten onderzocht worden in gespecialiseerde laboratoria volgens de microscopische onderzoekmethode. De monsters die positief bevonden zijn, dienen bewaard te worden. De controles, uitgevoerd in het kader van de bescherming tegen BSE, hebben o.a. betrekking op de afwezigheid van dierlijke eiwitten in voeders (voedermiddelen, voormengsels, mengvoeders): - dierlijke proteïnen < detectielimiet (0,1%) Afwezigheid van dierlijke eiwitten in het voeder - detectielimiet # dierlijke proteïnen < 1% aanwezigheid van dierlijke eiwitten in het voeder in beslagname van de aanwezige voeders voor herkauwers terugroepen van de reeds verkochte voeders voor herkauwers enquête ter plaatse intensivering van de autocontrole - dierlijke proteïnen 1% aanwezigheid van dierlijke eiwitten in het voeder in beslagname van de aanwezige voeders voor herkauwers terugroepen van de reeds verkochte voeders voor herkauwers, 1 eenheid voor de fabricage van mengvoeders of voormengsels zoals die geregistreerd staat in het register erkenningen en registratie. 6

29 enquête ter plaatse intensivering van de autocontrole tijdelijke opschorting van de fabricage (minimum 2 weken) bewijs dat opnieuw de norm wordt gerespecteerd Ongewenste stoffen en producten 1. De ongewenste stoffen en producten opgenomen in kolom 1 van deel A van bijlage 5 zijn slechts toegelaten in de dierenvoeders bedoeld in kolom 2 en onder de voorwaarden vermeld in kolom 3. Indien het gehalte aan ongewenste stoffen of producten in de voedermiddelen van bijlage 5 deel B zo hoog is dat het onmogelijk wordt de in bijlage 5 deel A voor mengvoeders vastgestelde maximumgehalten in acht te nemen dan worden deze voedermiddelen niet geacht van gezonde handelskwaliteit te zijn en mogen zij dus niet in het verkeer worden gebracht 2. De in bijlage 5 deel B vermelde voedermiddelen mogen slechts in het verkeer worden gebracht indien het gehalte aan de in kolom 1 van die bijlage vermelde ongewenste stoffen of producten niet hoger ligt dan in kolom 3 daarvoor vastgestelde maximumgehalte. De voedermiddelen vermeld in bijlage 5 deel B waarvan het gehalte aan ongewenste stoffen of producten hoger is dan het maximumgehalte dat in bijlage 5 deel A voor de overeenstemmende voedermiddelen is toegelaten mogen slechts in het verkeer gebracht worden indien: A. deze bestemd zijn voor fabrikanten van mengvoeders bestemd voor de verkoop die hiertoe erkend zijn. De verkoper is gehouden zich ervan te vergewissen of de koper als zodanig erkend is. B. op het etiket of op het begeleidend document is vermeld: dat het voedermiddel is bestemd voor fabrikanten van mengvoeders die voldoen aan de onder punt 1 genoemde voorwaarden dat het voedermiddel als zodanig niet mag worden gebruikt voor rechtstreekse vervoedering aan dieren het gehalte aan ongewenste stof op product 3. Wat bepaald is in 2. is eveneens van toepassing op bijlage 5, deel C genoemde voedermiddelen en ongewenste stoffen of producten waarvoor in deel B geen maximumgehalte is aangegeven wanneer het gehalte aan ongewenste stoffen of producten in het voedermiddel hoger is dan het maximumgehalte dat in bijlage 5 deel A. voor de overeenstemmende voedermiddelen is toegelaten. Een partij van een in bijlage 5 deel B genoemd voedermiddel met een gehalte aan ongewenste stoffen of producten dat hoger is dan het in kolom 3 van dit deel bepaalde maximumgehalte, mag niet worden gemengd met andere partijen voedermiddelen of met partijen voeders.

30 2.3 Algemene verplichtingen MAP Inleiding De zelfmenger heeft zoals andere landbouwers ook het recht om zijn mestuitscheidingsbalans te kiezen om zo zijn fosfaatoverschotten te verminderen. Er zijn drie mogelijke types van balansen: type 1 veevoederconvenant, type 2 regressierechte en type 3 andere voeder en/of exploitatietechniek. Wie van één van deze types wil gebruik maken moet dit jaarlijks melden voor 21 januari aan de mestbank. Er is gebleken uit onderzoeken dat een volledige balans niet altijd voordeel biedt: zo kan het gerust zijn dat een bedrijf voor zijn zeugen via een volledige balans een resultaat uitkomt dat nauwelijks beter of zelfs minder is dan het resultaat van een ander type, terwijl voor de vleesvarkens de volledige balans wel de laagste nutriëntenuitstoot biedt. Het is dus wel opvallend dat met bepaalde formules toch wel opmerkelijk lagere normen kunnen gerealiseerd worden Bewijsstukken Iedere landbouwer die eigen gekweekte grondstoffen verwerkt op zijn bedrijf, moet bij de oogst alle grondstoffen nauwkeurig wegen en de weegetiketten bijhouden. Ook aangekochte grondstoffen van een collega landbouwer moeten gewogen worden. Het gewicht van de bij de handelaar aangekochte grondstoffen bewijst hij aan de hand van een factuur vb. bij de oogst van korrelmaïs wordt iedere kar eerst leeg gewogen. Noteer de nummerplaat van de trekker of de vrachtwagen op de weegbon. Daarna moet iedere kar die gevuld wordt gewogen worden. Ook op deze bonnen wordt de nummerplaat geschreven, zodat het juiste leeg gewicht kan afgetrokken worden. Duurt de oogst meerdere dagen, dan wordt gevraagd om eenmaal per dag het leeggewicht van iedere kar te bepalen. Maar velen stellen vragen naar de praktische haalbaarheid van deze regelgeving: niet iedere gemeente heeft een openbare weegbrug en ook bij het wegen moet men de weegbonnen kunnen afdrukken. Toch kan een correcte controle maar gebeuren met een correcte opgave van de oogst en de verbruikte voeders. Bij type 1 (convenant) en type 2 (regressierechte) moeten voederfacturen en weegbonnen in het geval van eigen gewonnen producten op elk moment op het bedrijf ter inzage liggen en in geval van type 2 balans deze dienen ingeschreven te zijn in een register. Bij de mestbankaangifte geeft u dan uw attest laag fosforvoeder (veevoederconvenant) of uw register (regressierechte) mee als bewijs. Wie als zelfmenger of inmenger gebruik wil maken van het veevoederconvenant, moet daarvoor beschikken over een erkenning of registratie.

31 2.3.3 Type 1: veevoederconvenant Dit systeem geldt voor kwekers die voeders afnemen van fabrikanten of erkende zelfmengers die het veevoederconvenant hebben ondertekend. Voor alle duidelijkheid: wie een aanvullend voeder koopt en daar zelf maïs bijmengt kan niet voor het veevoederconvenant kiezen, zij kunnen wel voor regressierechte kiezen. Zij kunnen wel voor veevoederconvenant kiezen als zij een registratie of erkenning hebben. Bindend is bovendien dat wie voor het fosforconvenant kiest in de loop van het jaar enkel laagfosforvoeder mag gebruiken. Wie al zijn voeders bij de veevoederfabriek koopt houdt al zijn facturen en betalingbewijzen bij. Een erkende zelfmenger houdt de facturen bij van alle grondstoffen die hij gebruikt heeft. Wie bovendien eigen granen of maïs mengt, moet de weegresultaten van die grondstoffen bijhouden. Naar de mestbank moet met de aangifte een overzicht van het voederverbruik worden meegestuurd. Wie alles aankoopt krijgt daartoe van zijn leverancier een attest. Een erkende zelfmenger moet zelf een overzicht maken. Voor de berekening van de productie van dierlijke mest per landbouw-en/of veeteeltinrichting en/of deel hiervan, voor alle dieren van de beschouwde diersoort, wordt uitgegaan van de volgende reële uitscheidingshoeveelheden, uitgedrukt in kg difosforpentoxyde en kg stikstof per dier en per jaar: Beschouwde diersoort Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg Andere varkens met een gewicht van 20 tot 110 kg Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg Legkippen (inclusief (groot)- ouderdierenlegkippen) Slachtkuikens Omschrijving in de veevoederconvenant Tabel 6: veevoederconvenant Difosforpento xide (P 2 O 5 )- uitscheiding (kg/dier.jaar) Voedersamenstelli ng geattesteerd door fabrikant (kg totaal P/ton voeder) Hoeveelhei d voeder (kg voeder /dier plaats.jaar) Stikstof (N)- uitscheiding (kg/dier.jaar) A. Laag-fosforvoeders Biggen tot 20 kg 1, ,46 Mestvarkens 5, kg kg 5,5 5 Zeugen 11, Legkippen 0, ,69 Mestkippen Tot 2 weken Vanaf 2 weken 0,18 6 5,5 B. Laag-stikstofvoeders C. Laag-fosforvoeders gecombineerd met laag-stikstofvoeders 30 0,62 0,62

32 Met het nieuwe veevoederconvenant moeten er in de loop van het jaar ten minste 3 monsters per diercategorie genomen worden. Wie nog maar 2 monsternames achter de rug heeft en het einde van de referentieperiode (van 1 oktober tot 30 september) ziet naderen, moet zelf acties ondernemen zodat ook de derde staalname tijdig zou gebeuren. De analyses laten ten aanzien van de voorgeschreven gehaltes een absolute afwijking van 0,06% toe op het gemiddelde resultaat van de 3 monsters. Bepaald werd ten slotte dat er jaarlijks een evaluatievergadering moet gehouden worden. Daarbij wordt een analyse gemaakt van de uitslag van staalnames genomen tijdens het voorbije jaar Type 2: de regressierechte In dit systeem berekent men op basis van een aantal strikt gedefinieerde formules zelf de uitscheidingscijfers. Daartoe moet men zelf het verbruik van fosfor en ruw eiwit op zijn bedrijf op jaarbasis uitrekenen (= de x-waarde in de formules). Dezelfde documenten dienen bijgehouden te worden. Bovendien moet er een register van het voederverbruik worden ingevuld en bijhouden. Dat register moet per diercategorie opgesteld worden. Voor zeugen, opfokzeugen en beren volstaat weliswaar één gezamenlijk register als ze hetzelfde voeder krijgen. Het register vermeldt tevens de begin- en de eindvoorraad. Op het einde van het jaar dient dus een inventaris te worden gemaakt van alle voeders op het bedrijf aanwezig. Op het bedrijf geleverde voeders worden op datum ingeschreven. Noteer op elke lijn de fosfor-en de ruw eiwit-inhoud. De som maken op het einde van het jaar is dan heel eenvoudig. Wie eigen granen of CCM voedert vult onmiddellijk de overeenkomstige hoeveelheid in. Bovendien moet CCM op het moment van de oogst ingescheven worden. Erkende zelfmengers hoeven geen apart register bij te houden. Zij hebben immers reeds een register van het ministerie. Deze groep moet er wel de inhoud van het voeder aan toevoegen. Het aantal met de aangifte mee te sturen is analoog als bij de veevoederconvenant. Tabel 7: regressierechte Beschouwde diersoort Difosforpentoxide (P2O5)-uitscheiding (kg/dier.jaar) Stikstof (N)- uitscheiding (kg/dier.jaar) Biggen met een gewicht van 7 tot 20 kg Y = 2,03 X 1,114 Y = 0,13 X 2,293 Andere varkens met een gewicht van 20 tot 110 kg Y = 1,92 X 1,204 Y = 0,13 X 3,018 Andere varkens met een gewicht groter dan 110 kg Y = 1,86 X + 0,949 Y = 0,13 X + 0,161 Zeugen, inclusief biggen met een gewicht kleiner dan 7 kg Y = 1,86 X + 0,949 Y = 0,13 X + 0,161 Beren Y = 1,86 X + 0,949 Y = 0,13 X + 0,161 Legkippen (inclusief (groot)ouderdieren-legkippen) Y = 2,30 X 0,115 Y = 0,16 X 0,434 Opfokpoeljen van legkippen Y = 2,33 X 0,064 Y = 0,16 X 0,107 Slachtkuikens Y = 2,25 X 0,221 Y = 0,15 X 0,455 Slachtkuikenouderdieren Y = 2,30 X 0,107 Y = 0,16 X

33 0,352 Opfokpoeljen van slachtkuikenouderdieren Y = 2,27 X 0,098 Y = 0,16 X 0,173 Y = de productie (in kg) is van respectievelijk difosforpentoxide en stikstof per dier en per jaar X = het verbruik (in kg) is van respectievelijk fosfor (P) en ruw eiwit (RE) per dier en per jaar Type 3: voeder- en/of exploitatietechniek Dit balanstype mag niet zomaar toegepast worden. Er dient op voorhand een zeer omslachtige motivering bij de aanvraag gevoegd te worden waarbij men zeer goed onderbouwd waarom u voeder en/of exploitatietechniek zo wezenlijk verschillend is van die zoals aangenomen bij de regressierechte techniek. Hierbij moet aangegeven welke uitscheidingsnorm men denkt uit te komen en wat de wetenschappelijke redenen zijn waarom men die uitstoot realiseert. Een simpele verklaring dat men een betere voederconversie of nutriëntenverteerbaarheid heeft, zal dus niet volstaan. Het waarom van die betere voederconversie of verteerbaarheid zal ofwel verklaard en onderbouwd moeten zijn of indien onmogelijk toch ten minste bevestigd langs andere wegen (bijvoorbeeld mestanalyses). Deze motivering en onderbouwing moet dus op voorhand bij uw kennisgeving meegestuurd worden naar de mestbank. Deze volledige balans is eigenlijk maar voor uitzonderlijke gevallen, die afwijken van de regressierechte. Zoals verkoop van beren of zeugen, verkoop van vleesvarkens op bv. 85 kg. Deze volledige balans vraagt ook veel meer administratief werk. Die bestaat uit 4 posten: aanvoer, afvoer, begintoestand en eindtoestand. Daarvoor moet zowel de voeders, de dieren en eventueel de dierproducten worden bijgehouden. De begintoestand geeft aan hoeveel dieren er per 1 januari op het bedrijf zijn, hun gewicht, de fosfaat- en de stikstofinhoud. Idem voor de voeders. Maar daarna de som van beide. Op dezelfde manier wordt een eindtoestand gemaakt. Idem voor het overzicht dat ment moet maken van de aanvoer en de afvoer, en dit opnieuw voor zowel voeders als dieren. De balans maakt de som van de verschillende posten. Volgende som: begintoestandeindtoestand+aanvoer-afvoer; resulteert in de totale productie aan fosfaat en stikstof op uw bedrijf. Het uitscheidingscijfer vindt men door een deling van het resultaat met de gemiddelde veebezetting. Bij te houden documenten zijn deze keer behalve de facturen en de betalingsbewijzen van de voeders, tevens de betreffende papieren voor de dieren. In geval van sterfte dient ment de ophalingsbewijzen van Rendac bij te houden. Worden er eigen voeders verbruikt dan moeten ook de weeg resultaten en eventueel de analyses bijgehouden worden. Bij de aangifte in het systeem balans moet de volledige berekening van de balans meegestuurd worden.

34 2.4 Toekomstige verplichtingen? OVPG Onder druk van nieuwe tendenzen, evoluties (IKB-IKKB, IKM, Meritus-Certus) in de voedingsindustrie worden nieuwe platforms gecreeërd. Het overlegplatform voor de verwerking van plantaardige grondstoffen (OVPG) is opgericht in juni 2000 in België. Het OVPG ontstond uit een toenemende behoefte bij de verwerkers van plantaardige grondstoffen naar een integraal keten kwaliteitsbeheer (IKKB) van de productieketen. Vooral de vaststelling dat voor de realisatie van IKKB moet rekening gehouden worden met de verschillende (alle) wisselteelten, leidde tot de conclusie dat een nauwe samenwerking tussen alle schakels in de keten en tussen alle verwerkers van plantaardige grondstoffen onontbeerlijk is. OVPG situeert zich binnen de voedingsindustrie, en maakt op zijn beurt deel uit van de bedrijfskolom plantaardige productie (akkerbouw, tuinbouw) Toelevering: zaaizaad en pootgoed meststoffen bestrijdingsmiddelen Diensten: loonwerk teeltadviezen Plantaardige landbouwproductie akkerbouw groenten fruit Productie van enkelvoudige voeders en mengvoeders Tussenhandel (invoer) en transport Tussenhandel (invoer) en transport Verwerking van plantaardige grondstoffen tot voedsel: OVPG Voedingsindustrie en distributie Schematisch overzicht: OVPG binnen de plantaardige bedrijfskolom Elementen van IKKB: Ze vonden dat in de schakel van de landbouwbedrijven er behoefte was aan een uniform en veralgemeend identificatie-en registratiesysteem (I&R) voor de plantaardige productie.

35 Het I&R systeem moet volgende elementen omvatten: identificatie van de percelen in een geografisch informatiesysteem registratie van operatoren die relevant zijn voor IKKB: naast de landbouwers lijkt het logisch om ook de andere operatoren in het systeem te registreren (handelaars en transporteurs, loonwerkers, verwerkers, ). Er moet een éénduidige relatie zijn tussen één landbouwproducent en één perceel. registratie van productiemiddelen: per perceel moet alle informatie, die relevant is voor IKKB, bijgehouden worden. Het gaat o.a. om informatie over de bodem, zaaizaad en pootgoed, bestrijdingsmiddelen, meststoffen,. Nieuwe wetgeving i.v.m. teelt/perceelsfiches: Veevoederbedrijven kopen soms granen en maïs aan klanten landbouwers. Deze landbouwers zouden nu een ook een teelt/perceelsfiche moeten bijhouden. Deze fiche dient ingevuld afgegeven te worden voor of ten laatste bij de levering van de granen of maïs. Er is nog discussie of de teeltfiche zal moeten ingevuld worden per perceel of per teelt. Dit is dus niet enkel voor zelfmengers dat dit moet worden ingevuld.

36 De veevoederbedrijven waaraan de landbouwer zijn graan, maïs levert zijn over het algemeen GMP-gecertificeerd. Zij zijn dan ook genoodzaakt om de lijn door de trekken, de landbouwers moeten de kwaliteitsovereenkomst van hun klant (veevoederfirma) opvolgen en goedkeuren (handtekening). De klanten landbouwers moeten dan ook hun kwaliteitssysteem toepassen GGO grondstoffen In België (en in Europa) vind je wel Genetisch Gewijzigde Organismen (GGO s) in voeding en op proefvelden maar voorlopig is het verboden GGO s op grote schaal commercieel te kweken. Het merendeel van de GGO s die in voedsel en veevoeder verwerkt worden komt uit de Verenigde Staten. Sinds 1991 heeft de EU het licht op groen gezet voor 14 GGO-toepassingen. Onder de druk bepaalde organisaties zoals bv. Greenpeace is er sinds oktober 1998 een moratorium dit betekent dat er sindsdien geen nieuwe GGO s meer op de Europese markt worden toegelaten. Niet om redenen van voedselveiligheid, maar volgens Greenpeace vormen GGO s een ernstig milieuprobleem. Ze bedreigen de biodiversiteit en maken de landbouw verder afhankelijk van chemische bestrijdingsmiddelen. Bovendien zou de gentechnologische landbouw de biologische landbouw in haar bestaan bedreigen. Terwijl de Europese GGO-sector tussen hamer en aambeeld verkeert, groeit de kloof met overzeese productiegebieden. In de VS werden in 2000 op 30,3 miljoen ha GGOgewassen geteeld. Daarna volgen Argentinië (10 miljoen ha) en Canada (3 miljoen ha). Met ha GGO-gewassen is Spanje met grote voorsprong Europees koploper. In België worden geen GGO-gewassen voor commerciële doeleinden geteeld. Desondanks draait het wetenschappelijk GGO-onderzoek in ons land op zeer hoog niveau. Zo werd op 10 januari 2002 in Gent nog een labo voor GGO-detectie officieel ingehuldigd. Omdat de Europese GGO-productie haast verwaarloosbaar is, concentreert Greenpeace zijn Europese campagne op de GGO-invoer via soja en maïs uit de VS, Argentinië en Canada. Naar eigen zeggen slaagt de milieuorganisatie er sinds 2000 in om op de Belgische markt GGO s uit de menselijke voeding te weren. Toch blijven genetisch gemodificeerde soja en maïs overspoelen. Ze worden verwerkt in mengvoeder en komen zo onrechtstreeks in de menselijke voedselketen terecht. De federatie van de mengvoederfabrikanten werkten reeds een lastenboek uit voor de productie van GGO-gecontroleerde mengvoeders. Dit zal het mogelijk maken GGO-vrije mengvoeders te certificeren, waardoor de consument straks een bewuste keuze zal kunnen maken inzake GGO-consumptie. Zowel Bemefa als Greenpeace roepen de grootdistributie, het beleid en de wetenschap op om samen te werken rond dit lastenboek dat alleszins zal geïntegreerd worden in het kwaliteitscontrolesysteem van de Goede Mengvoeder Praktijken (GMP). Anderzijds hoedt Bemefa zich voor onrealistische verwachtingen inzake een 100 procent GGO-vrije mengvoederproductie. De federatie verwijst naar een reeks knelpunten die eerst opgelost moeten worden. Er is in de eerste plaats nood aan een ondubbelzinnige

37 reglementering op Europees niveau. Zo bestaan nog geen officiële analysemethoden voor GGO s om een GGO-vrije productie te controleren. Er bestaat ook nog geen tolerantiedrempel voor accidentele inmenging. Voor menselijke voeding bedraagt dergelijke drempel 1 procent. Vervolgens zal ook de huidige etiketteringsverplichting van GGO-gecontroleerde mengvoeders moeten bijgestuurd worden. Een probleempunt blijft het feit dat andere Europese lidstaten (invoerende landen) het GGO-thema niet als prioritair beschouwen. Bijgevolg wordt niet onder dezelfde concurrentiële voorwaarden geproduceerd. De meerprijs van de grondstoffen heeft een zeer grote weerslag op de prijs van het eindproduct (vlees, melk, eieren) hetgeen de export naar bijvoorbeeld Frankrijk en Duitsland enorm bemoeilijkt. Korte toelichting van het lastenboek: de productie en levering van GGOgecontroleerd ( 1%) mengvoeder opgesteld door SGS & Bemefa (11/02/2002). Het lastenboek maakt integraal deel uit van het kwaliteits- en controlesysteem GMP. Dat laatste kan als één van de verst gevorderde beschouwd worden in de Europese mengvoedersector. Intussen is 95 procent van de Belgische mengvoederproductie GMPgecertificeerd. Deze certificering gebeurt door onafhankelijke controle-instanties. Al wie het GGO-lastenboek onderschrijft, onderwerpt zich vrijwillig aan de controle van een onafhankelijke derde partij, die beschikt over een officiële Belcert-accreditatie. De bemonstering en de analyses door onafhankelijke derden omsluiten evengoed de grondstoffen als de mengvoeders. Al de producenten die aan het lastenboek voldoen kunnen door de certificatie-instelling gecertificeerd worden als producent van GGO-gecontroleerd mengvoeder ( 1%). Enkele definities: Genetisch gemodificeerd organisme (GGO) Organisme waarvan het genetisch materiaal veranderd is op een wijze welke van nature door voortplanting en/of recombinatie niet mogelijk is GGO-kritische voedermiddelen/toevoegingsmiddelen Zijn deze waarbij een ernstig risico bestaat dat er genetisch gemodificeerde varianten in voorkomen. GGO kritische voedermiddelen: cichorei, katoenzaad, lijnzaad, maïs, raap/koolzaad, aardappelen, rijst, soja, suikerbiet (alle afgeleide producten van deze GGO-kritische voedermidden zijn per definitie ook GGO-kritisch). GGO kritische toevoegingsmiddelen: - preparaten op basis van micro-organismen: bv. gist - vitamines: A, B2, B6, B12, C, D, E, K - aminozuren: glutaminezuur, leucine, lysine, methionine, phenylalanine, threonine, tryptofaan - enzymen: alfa-amylase, cellulase, glucanase, hemi-cellulase, lipase, pectinase, phytase, protease, xylanase GGO-gecontroleerd ( 1%) voedermiddel: - voedermiddel dat vergezeld gaat van analysebulletin, opgesteld door een onafhankelijk, bij voorkeur EN45001 geaccrediteerd lab, waarbij door middel van een PCR analyse (Polymerase Chain Reaction= een analyse methode om kwalitatief en

38 kwantitatief de aanwezigheid van GGO te bepalen) op een representatief monster van de desbetreffende partij geen ( 1%) residu s van GGO werden vastgesteld terwijl analytisch wel plant DNA werd gedetecteerd. Op hetzelfde moment moet de integriteit van de partij na de analyse aangetoond kunnen worden. - of voedermiddel dat afkomstig is van een IP-programma met betrekking tot GGOvrije voedermiddelen. (IP= Identity Preservation-programma dat een volledige traceerbaarheid verzekert van het voedermiddel tot het eindproduct in kwestie en dat opgesteld is volgens de BRC standaard of gelijkwaardig) GGO-gecontroleerde ( 1%) toevoegingsmiddelen: Worden in dit lastenboek zo beschouwd als ze het resultaat zijn van een productieproces waarbij een dusdanige zuiveringsstap wordt toegepast dat kan aangenomen worden dat geen GGO-eiwit of DNA aanwezig is in het eindproduct. Dit moet evenwel documentair worden aangetoond door de leverancier. Er moet gestreefd worden naar het gebruik van toevoegingsmiddelen die met GGO-gecontroleerde ( 1%) voedermiddelen geproduceerd zijn. Aangezien deze GGO s belangrijk worden in de veevoederindustrie zal ook de zelfmenger daar vroeg of laat mee geconfronteerd worden. Welke gevolgen dit in de toekomst zal hebben voor de zelfmenger daar kan op heden nog niemand antwoord op vinden.

Kwaliteitshandboek zelfmengers. Ir. Herman Diricks FAQ.consult Prof. Dr. Piet Vanthemsche

Kwaliteitshandboek zelfmengers. Ir. Herman Diricks FAQ.consult Prof. Dr. Piet Vanthemsche Kwaliteitshandboek zelfmengers Ir. Herman Diricks FAQ.consult Prof. Dr. Piet Vanthemsche Voor wie is het handboek bestemd? Doelgroep zijn de zelfmengers die ofwel een registratie nodig hebben ofwel aanvullende

Nadere informatie

BT-08. Homogeniteit en versleping. Ver BT-07 v0.2

BT-08. Homogeniteit en versleping. Ver BT-07 v0.2 BT-08 Ver 0.3 Homogeniteit en versleping 1 BT-07 v0.2 HISTORIEK VAN HET DOCUMENT Versie en datum van goedkeuring Reden van revisie Draagwijdte van de revisie Uiterste datum van toepassing 0.0 03/07/2008

Nadere informatie

TRA 3191 Onmiddelijke verpakking diervoeders - INFRASTRUCTUUR, INRICHTING EN HYGIENE [3191] v1

TRA 3191 Onmiddelijke verpakking diervoeders - INFRASTRUCTUUR, INRICHTING EN HYGIENE [3191] v1 Provinciale dienst van : Datum : Veranwoordelijke controleur : Nr : Operator : N uniek : Adres : TRA 9 Onmiddelijke verpakking diervoeders - INFRASTRUCTUUR, INRICHTING EN HYGIENE [9] v C: conform NC: Niet-conform

Nadere informatie

MINIMUMVOORWAARDEN VOOR DE ERKENNINGEN EN DE REGISTRATIES IN DE SECTOR DIERENVOEDING

MINIMUMVOORWAARDEN VOOR DE ERKENNINGEN EN DE REGISTRATIES IN DE SECTOR DIERENVOEDING MINISTERIE VAN MIDDENSTAND EN LANDBOUW Bestuur voor de Kwaliteit van de Grondstoffen en de Plantaardige sector (DG 4) MINIMUMVOORWAARDEN VOOR DE ERKENNINGEN EN DE REGISTRATIES IN DE SECTOR DIERENVOEDING

Nadere informatie

(VO 183/2005 Bijlage II) Ruimten voor de be- en verwerking en de opslag van diervoeders en de onmiddellijke omgeving ervan, moeten schoon zijn.

(VO 183/2005 Bijlage II) Ruimten voor de be- en verwerking en de opslag van diervoeders en de onmiddellijke omgeving ervan, moeten schoon zijn. Erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor de vervaardiging van mengvoeders voor herkauwers en van mengvoeders voor niet-herkauwers die bepaalde dierlijke eiwitten bevatten. Bijlage II.8.4. bij het koninklijk

Nadere informatie

Gemedicineerde diervoeders

Gemedicineerde diervoeders Gemedicineerde diervoeders Onderzoek naar versleping 2014-2015 Vanaf 1 juli 2014 vallen de diervoederbedrijven, die voorheen via het Productschap Diervoeder (PDV) een vergunning hadden voor het produceren

Nadere informatie

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van (datum), nr., Directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van (datum), nr., Directie Wetgeving en Juridische Zaken; WIJ BEATRIX, BIJ DE GRATIE GODS, KONINGIN DER NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE- NASSAU, ENZ. ENZ. ENZ. Besluit van... houdende regels inzake diervoeders (Besluit diervoeders 2012) Besluit van Op de voordracht

Nadere informatie

(Voor de EER relevante tekst)

(Voor de EER relevante tekst) 6.5.2015 NL L 115/25 UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/724 VAN DE COMMISSIE van 5 mei 2015 tot verlening van een vergunning voor retinylacetaat, retinylpalmitaat en retinylpropionaat als en voor diervoeding

Nadere informatie

Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen

Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Omzendbrief betreffende de dioxinemonitoring van voor de diervoeding bestemde risicovolle producten Kenmerk PCCB/S1/DVO/912984 Datum 16/12/2015

Nadere informatie

TRA 3358 Gemedicineerde diervoeders - VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN) [3358] v2

TRA 3358 Gemedicineerde diervoeders - VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN) [3358] v2 Provinciale dienst van : Datum : Veranwoordelijke controleur : Nr : Operator : N uniek : Adres : TRA 58 Gemedicineerde diervoeders - VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN) [58] v2 C : conform

Nadere informatie

Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen

Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Federaal gentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Omzendbrief betreffende de dioxinemonitoring van voor de diervoeding bestemde risicovolle producten Kenmerk PCCB/S1/JPM/912984 Datum 18/02/2014

Nadere informatie

AT-10. Beheersing Salmonella. Ver BT-12 v0.12

AT-10. Beheersing Salmonella. Ver BT-12 v0.12 AT-10 Ver 1.2 Beheersing Salmonella 1 BT-12 v0.12 HISTORIEK VAN HET DOCUMENT Versie en datum van goedkeuring Reden van revisie Draagwijdte van de revisie Uiterste datum van toepassing 0.0 03/07/2008 Vereenvoudiging

Nadere informatie

Toelatingsvoorwaarden voor opslagbedrijven voor producten afkomstig van categorie 2- en 3 materiaal

Toelatingsvoorwaarden voor opslagbedrijven voor producten afkomstig van categorie 2- en 3 materiaal Toelatingsvoorwaarden voor opslagbedrijven voor producten afkomstig van categorie 2- en 3 materiaal Bijlage III.7.1. bij het koninklijk besluit van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels

Nadere informatie

Convenant Zink. Vraag & Antwoord. Versie 5

Convenant Zink. Vraag & Antwoord. Versie 5 Convenant Zink Vraag & Antwoord Versie 5 20/03/2014 Hieronder vindt u een overzicht van de meest gestelde vragen in verband met het Convenant Zink dat in de zomer van 2013 werd ondertekend in samenwerking

Nadere informatie

HACCP-stappenplan. Aan de slag met HACCP 24-09-08. Stap 6 Basisvoorwaardenprogramma. Stap 6 Basisvoorwaardenprogramma. Govert Schouten.

HACCP-stappenplan. Aan de slag met HACCP 24-09-08. Stap 6 Basisvoorwaardenprogramma. Stap 6 Basisvoorwaardenprogramma. Govert Schouten. HACCP-stappenplan Aan de slag met HACCP Govert Schouten Schouten Advies B.V. Giessen www.schoutenadvies.nl Stap 1 HACCP-team en validatie-team samenstellen Stap 2 Beschrijven van producten Stap 3 Bedoeld

Nadere informatie

Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen

Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Omzendbrief met betrekking tot erkenning-/registratievoorwaarden van opslagbedrijven van dierlijke bijproducten en afgeleide producten die niet

Nadere informatie

Titel Feedban Nummer DV-01 Datum juli 2016

Titel Feedban Nummer DV-01 Datum juli 2016 Catharijnesingel 59 3511 GG Utrecht Postbus 43006 3540 AA Utrecht www.nvwa.nl Contactpersoon T 088 223 33 33 F 088 223 33 34 [email protected] Titel Feedban Nummer DV-01 Om de verspreiding van BSE en soortgelijke

Nadere informatie

3. GMP. Eindwerk: De administratie bij zelfmengers.

3. GMP. Eindwerk: De administratie bij zelfmengers. 3. GMP 3.1 nleiding GMP is een kwaliteitsgarantiesysteem met 3 hoofdthema s: ongewenste stoffen en producten buiten de productieketen houden maximaal hygiënisch produceren vnl. met het oog op het vermijden

Nadere informatie

Titel Feedban Nummer DV-01 Datum januari 2017

Titel Feedban Nummer DV-01 Datum januari 2017 Catharijnesingel 59 3511 GG Utrecht Postbus 43006 3540 AA Utrecht www.nvwa.nl Contactpersoon T 088 223 33 33 F 088 223 33 34 [email protected] Titel Feedban Nummer DV-01 Om de verspreiding van BSE en soortgelijke

Nadere informatie

4. Vereniging van zelfmengers VZW

4. Vereniging van zelfmengers VZW 4. Vereniging van zelfmengers VZW 4.1 Inleiding De vereniging van zelfmengers is een VZW die opgericht is op 9 maart in 2000 door enkele landbouwers die al ren zelfmengen of bijmengen en telt intussen

Nadere informatie

1 Regionaliteit. Nieuwe wetgeving bio veevoeder van kracht

1 Regionaliteit. Nieuwe wetgeving bio veevoeder van kracht Nieuwe wetgeving bio veevoeder van kracht 1/ Sinds 18 juni is de nieuwe wetgeving rond biologisch veevoeder van kracht. Hieronder geven we een overzicht van de belangrijkste verschillen met de vroegere

Nadere informatie

Tekst Inhoudstafel Begin

Tekst Inhoudstafel Begin 27 FEBRUARI 2003. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de wijze van het nemen van monsters voor de officiële controle op de maximum-gehalten aan mycotoxines in bepaalde voedingsmiddelen. (NOTA : Raadpleging

Nadere informatie

TRA 3355 Kritische voedermiddelen - VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN) [3355] v1

TRA 3355 Kritische voedermiddelen - VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN) [3355] v1 Provinciale dienst van : Datum : Veranwoordelijke controleur : Nr : Operator : N uniek : Adres : TRA 55 Kritische voedermiddelen - VERPAKKING EN ETIKETTERING (INCLUSIEF HANDELSNORMEN) [55] v C: conform

Nadere informatie

(Voor de EER relevante tekst)

(Voor de EER relevante tekst) 8.6.2017 L 145/13 UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/962 VAN DE COMMISSIE van 7 juni 2017 tot intrekking van de vergunning voor ethoxyquine als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten en

Nadere informatie

(Niet-wetgevingshandelingen) VERORDENINGEN

(Niet-wetgevingshandelingen) VERORDENINGEN 16.3.2012 Publicatieblad van de Europese Unie L 77/1 II (Niet-wetgevingshandelingen) VERORDENINGEN VERORDENING (EU) Nr. 225/2012 VAN DE COMMISSIE van 15 maart 2012 tot wijziging van bijlage II bij Verordening

Nadere informatie

FAQ - Autocontrolegids Dierenvoeders

FAQ - Autocontrolegids Dierenvoeders PB 07 FAQ (G-001) REV 2 2011-1/10 Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen FAQ - Autocontrolegids Dierenvoeders Van toepassing vanaf: 24-08-2012 Opgesteld door: DG Controlebeleid Jacques

Nadere informatie

BC-02. Productie van diervoeders of te verwerken nevenstromen : Aanvullende bepalingen. Ver BT-12 v0.12

BC-02. Productie van diervoeders of te verwerken nevenstromen : Aanvullende bepalingen. Ver BT-12 v0.12 BC-02 Ver 0.4 Productie van diervoeders of te verwerken nevenstromen : Aanvullende bepalingen 1 BT-12 v0.12 HISTORIEK VAN HET DOCUMENT Revisie en datum van goedkeuring Reden voor de revisie Draagwijdte

Nadere informatie

Bijlage III Inrichtingen waarvan de activiteiten onderworpen zijn aan een toelating door het Agentschap

Bijlage III Inrichtingen waarvan de activiteiten onderworpen zijn aan een toelating door het Agentschap Bijlage III Inrichtingen waarvan de activiteiten onderworpen zijn aan een toelating door het Agentschap 1. Voedingsmiddelen 1.1. Inrichtingen voor de De fabricage, de verwerking en het in de fabricage,

Nadere informatie

Export van verwerkte dierlijke eiwitten en producten die verwerkte dierlijke eiwitten bevatten

Export van verwerkte dierlijke eiwitten en producten die verwerkte dierlijke eiwitten bevatten Export van verwerkte dierlijke eiwitten en producten die verwerkte dierlijke eiwitten bevatten 1. Doel Verordening (EG) nr. 999/2001 zoals gewijzigd door verordening (EU) nr. 893/2017 legt voorwaarden

Nadere informatie

(VO 183/2005 Bijlage III) De productie-eenheid is zo ontworpen dat zij adequaat kan worden gereinigd.

(VO 183/2005 Bijlage III) De productie-eenheid is zo ontworpen dat zij adequaat kan worden gereinigd. Toelatingsvoorwaarden voor veehouderijen welke voedermiddelen van dierlijke oorsprong vervoederen aan veedieren gehouden voor de productie van levensmiddelen. (implementatie van VO 79/2005) Bijlage III.8.9.

Nadere informatie

PRI 3050 Konijnenbedrijven - geneesmiddelen en bedrijfsbegeleiding [3050] v1

PRI 3050 Konijnenbedrijven - geneesmiddelen en bedrijfsbegeleiding [3050] v1 Provinciale dienst van : Datum : Veranwoordelijke controleur : Nr : Operator : N uniek : Adres : PRI 050 Konijnenbedrijven - geneesmiddelen en bedrijfsbegeleiding [050] v C: conform NC: Niet-conform NA:

Nadere informatie

FAQ. 2. Op wie heeft de Europese Verordening 183/2005 betrekking?

FAQ. 2. Op wie heeft de Europese Verordening 183/2005 betrekking? FAQ 1. Waaruit bestaat de Europese Verordening 183/2005? Deze nieuwe Verordening bepaalt de voorschriften voor diervoederhygiëne. Alle verschillende activiteiten in de diervoederketen worden onderverdeeld

Nadere informatie

BIJLAGE 1: CHECKLIST AANVRAAG ERKENNING IN HET KADER VAN VERORDENING EG Nr. 1774/2002 ART COMPOSTEERINSTALLATIES

BIJLAGE 1: CHECKLIST AANVRAAG ERKENNING IN HET KADER VAN VERORDENING EG Nr. 1774/2002 ART COMPOSTEERINSTALLATIES BIJLAGE 1: CHECKLIST AANVRAAG ERKENNING IN HET KADER VAN VERORDENING EG Nr. 1774/2002 ART. 15 - COMPOSTEERINSTALLATIES 1. Algemeen 1.1 Beschikt het bedrijf over een milieuvergunning? 0 JA * 0 NEEN * Indien

Nadere informatie

X C D X C D. landbouw en natuurlijke omgeving 2009 dierhouderij en -verzorging gezelschapsdieren CSPE KB. minitoets bij opdracht 1

X C D X C D. landbouw en natuurlijke omgeving 2009 dierhouderij en -verzorging gezelschapsdieren CSPE KB. minitoets bij opdracht 1 landbouw en natuurlijke omgeving 2009 dierhouderij en -verzorging gezelschapsdieren CSPE KB minitoets bij opdracht 1 variant c Naam kandidaat Kandidaatnummer Meerkeuzevragen - Omcirkel het goede antwoord

Nadere informatie

FAQ - Autocontrolegids Dierenvoeders

FAQ - Autocontrolegids Dierenvoeders PB 07 FAQ (G-001) REV 3 2011-1/10 Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen FAQ - Autocontrolegids Dierenvoeders Van toepassing vanaf: 25-04-2013 Opgesteld door: DG Controlebeleid Jacques

Nadere informatie

Momenteel zijn er bijzondere instructies voor export - met de onder punt VII vermelde certificaten - naar Zuid-Korea van:

Momenteel zijn er bijzondere instructies voor export - met de onder punt VII vermelde certificaten - naar Zuid-Korea van: IB.KR.12 I. EXPORTMOGELIJKHEDEN Momenteel zijn er bijzondere instructies voor export - met de onder punt VII vermelde certificaten - naar Zuid-Korea van: - varkensvlees (vers; gehakt; vleesbereiding; verhitte

Nadere informatie

Informatieblad Transport van levensmiddelen, diervoeders en dierlijke bijproducten.

Informatieblad Transport van levensmiddelen, diervoeders en dierlijke bijproducten. Informatieblad Transport van levensmiddelen, diervoeders en dierlijke bijproducten. Nadere uitwerking van de Hygiënecode Transport Opslag en Distributie en de Hygiënecode Diervoedersector Wegtransport

Nadere informatie

Omzendbrief betreffende de registratie, de toelating en de erkenningen van inrichtingen uit de diervoedersector

Omzendbrief betreffende de registratie, de toelating en de erkenningen van inrichtingen uit de diervoedersector Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen Omzendbrief betreffende de registratie, de toelating en de erkenningen van inrichtingen uit de diervoedersector Kenmerk PCCB/S1/DVO/637117 Datum

Nadere informatie

Omzendbrief met betrekking tot de microbiologische analyses van gehakt vlees en vleesbereidingen in de detailhandel

Omzendbrief met betrekking tot de microbiologische analyses van gehakt vlees en vleesbereidingen in de detailhandel Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Omzendbrief met betrekking tot de microbiologische analyses van gehakt vlees en in de detailhandel Referentie PCCB/S3/VCT/1424950 Datum 29/03/2018

Nadere informatie

(Voor de EER relevante tekst)

(Voor de EER relevante tekst) L 171/100 26.6.2019 UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/1084 VAN DE COMMISSIE van 25 juni 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 142/2011 wat betreft de harmonisatie van de lijst van erkende of geregistreerde

Nadere informatie

Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen 2012R0028 NL 25.06.2012 001.001 1 Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen B VERORDENING (EU) Nr. 28/2012 VAN DE COMMISSIE van

Nadere informatie

VERORDENINGEN. (Voor de EER relevante tekst)

VERORDENINGEN. (Voor de EER relevante tekst) L 125/10 VERORDENINGEN VERORDENING (EU) 2015/786 VAN DE COMMISSIE van 19 mei 2015 tot vaststelling van criteria voor de aanvaardbaarheid van zuiveringsprocedés die worden toegepast op producten die bedoeld

Nadere informatie

23.3.2011 Publicatieblad van de Europese Unie L 77/25

23.3.2011 Publicatieblad van de Europese Unie L 77/25 23.3.2011 Publicatieblad van de Europese Unie L 77/25 VERORDENING (EU) Nr. 284/2011 VAN DE COMMISSIE van 22 maart 2011 tot vaststelling van specifieke voorwaarden en gedetailleerde procedures voor de invoer

Nadere informatie

Augustus Deze instructiebundel beschrijft de modaliteiten inzake pre-attestatie en precertificatie.

Augustus Deze instructiebundel beschrijft de modaliteiten inzake pre-attestatie en precertificatie. I. Toepassingsgebied Omschrijving van het product GN-code Land Broedeieren Levende dieren Sperma Embryo s Eicellen Producten van dierlijke oorsprong bestemd voor humane consumptie Diervoeders Levensmiddelen

Nadere informatie

Aan geadresseerde. Geachte heer/mevrouw,

Aan geadresseerde. Geachte heer/mevrouw, Directie Voedselkwaliteit en Diergezondheid Aan geadresseerde uw brief van uw kenmerk ons kenmerk datum VD. 2004/2884 8-10-2004 onderwerp doorkiesnummer bijlagen Kaderwet diervoeders. (TRC 2004/7011) 3785633

Nadere informatie

FAQ - Autocontrolegids Dierenvoeders

FAQ - Autocontrolegids Dierenvoeders PB 07 FAQ (G-001) REV 4 2019-1/10 Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen FAQ - Autocontrolegids Dierenvoeders Van toepassing vanaf: 26-04-2019 Naam functie/ dienst Datum Handtekening

Nadere informatie

Algemene Informatie M-Controle Frequentie Reduced Checks (ALIM06) 29 December 2015 Versie: 1.1.1

Algemene Informatie M-Controle Frequentie Reduced Checks (ALIM06) 29 December 2015 Versie: 1.1.1 1. DOEL Deze instructie schrijft voor met welke frequentie de NVWA de materiële controle moet uitvoeren van partijen met oorsprong en herkomst een derde land, die worden aangeboden bij een Nederlandse

Nadere informatie

(Voor de EER relevante tekst)

(Voor de EER relevante tekst) 17.1.2017 NL L 13/167 UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/59 VAN DE COMMISSIE van 14 december 2016 betreffende vergunningen voor 1,1-dimethoxy-2-fenylethaan, fenethylformiaat, fenethyloctanoaat, fenethylisobutyraat,

Nadere informatie

Omzendbrief met betrekking tot materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen.

Omzendbrief met betrekking tot materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen. Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen Omzendbrief met betrekking tot materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in aanraking te komen. Referentie PCCB/S3/CDP/5200333 Datum

Nadere informatie

Publicatieblad van de Europese Unie L 289/33

Publicatieblad van de Europese Unie L 289/33 NL 31.10.2013 Publicatieblad de Europese Unie L 289/33 UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1060/2013 VAN DE COMMISSIE 29 oktober 2013 tot verlening een vergunning voor bentoniet als toevoegingsmiddel voor

Nadere informatie

Diervoederetikettering Naleving etiketterings- en claimvoorschriften

Diervoederetikettering Naleving etiketterings- en claimvoorschriften Diervoederetikettering 2015-2016 Naleving etiketterings- en claimvoorschriften Om een beeld te krijgen van de naleving van de voorschriften voor etikettering en het juiste gebruik van claims heeft de NVWA

Nadere informatie