GEZONDHEIDSENQUETE 2013

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "GEZONDHEIDSENQUETE 2013"

Transcriptie

1 GEZONDHEIDSENQUETE 2013 RAPPORT 3: GEBRUIK VAN GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSDIENSTEN

2 Sabine Drieskens, Lydia Gisle (ed.) Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat 14 B-1050 Brussel [email protected] Depotnummer: D/2015/2505/01 Intern referentienummer PHS Report

3 12. Financiële toegankelijkheid van gezondheidszorgen AUTEUR Stefaan DEMAREST

4 Gelieve bij het verwijzen naar resultaten van dit hoofdstuk de volgende referentie te gebruiken: Demarest S. Financiële toegankelijkheid van gezondheidszorgen. In: Drieskens S, Gisle L (ed.). Gezondheidsenquête Rapport 3: Gebruik van gezondheidsen welzijnsdiensten. WIV-ISP, Brussel, 2015

5 INHOUDSTAFEL Samenvatting Inleiding Vragen Indicatoren Resultaten Absolute en relatieve uitgaven voor gezondheidszorgen Perceptie rond (eigen) uitgaven voor gezondheid Uitstel van medische consumptie Discussie Bibliografie Tabellen FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID Inhoudstafel 781

6

7 SAMENVATTING In dit onderdeel wordt ingegaan op de financiële toegankelijkheid van gezondheidszorgen. Eerst worden de uitgaven voor gezondheidszorgen ingeschat en het relatief belang ervan binnen het huishoudbudget. Dan wordt ingegaan op de vraag hoe huishoudens de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen percipiëren. Tenslotte wordt nagegaan in welke mate huishoudens genoodzaakt zijn medische consumptie uit te stellen vanwege financiële redenen. Alle indicatoren die hier worden voorgesteld, werden berekend op het niveau van het huishouden en hebben enkel betrekking op niet-geïnstitutionaliseerde huishoudens. Maandelijks besteden huishoudens in België gemiddeld 108 aan gezondheidsverstrekkers, voorgeschreven en niet-voorgeschreven geneesmiddelen, aan een verblijf in een verzorgingsinstelling en/of aan medische hulpmiddelen. Het aandeel van deze uitgaven in het huishoudbudget wordt geschat op 5%. De gemiddelde uitgaven voor gezondheidszorgen hangen niet samen met het inkomen van het huishouden. Dit impliceert dat in relatieve termen, uitgaven voor gezondheidszorgen zwaarder doorwegen voor die huishoudens, die slechts een beperkt inkomen hebben; voor de 20% laagst verdienende huishoudens gaat het om 7% van het inkomen, bij de 20% meest verdienende huishoudens om 3%. Hetgeen huishoudens dienen te besteden aan uitgaven voor gezondheidszorgen blijft zowel in absolute termen als in relatieve termen grosso modo gelijk over de verschillende enquêtejaren heen. In België geeft 26% van de huishoudens aan dat de bijdragen voor gezondheidszorgen (zeer) moeilijk passen binnen het beschikbare huishoudbudget. De perceptie dat gezondheidszorgen hoog zijn vertoont een nauwe samenhang met het inkomensniveau van de huishoudens: bij de laagst verdienende huishoudens stelt niet minder dan 53% dat de uitgaven van gezondheidszorgen moeilijk om dragen zijn, bij de meest verdienende huishoudens gaat het om slechts 7% van de huishoudens. Er kan worden vastgesteld dat het percentage huishoudens dat het moeilijk heeft met uitgaven voor gezondheidszorgen sinds de start van de organisatie van gezondheidsenquêtes significant gedaald is. In België geeft 8% van de huishoudens aan dat financiële belemmeringen er de oorzaak van waren dat ze in de loop van de afgelopen 12 maanden medische zorgen, tandverzorging, (voorgeschreven) geneesmiddelen, een bril en/of mentale zorgen moesten uitstellen. Dit is, in vergelijking met de resultaten van de Gezondheidsenquête 2008, een substantiële vermindering, die echter niet in alle gewesten terug te vinden is: in zowel het Vlaams als het Waals Gewest daalt het percentage dat medische consumptie diende uit te stellen (respectievelijk van 11% tot 5% en van 14% tot 9% ). Voor het Brussels Gewest waar het percentage huishoudens dat medische consumptie diende uit te stellen historisch steeds het hoogst was is de daling in relatieve termen minder uitgesproken: van 26% tot 22%, een niet statistisch significante daling. FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID Samenvatting 783

8

9 1. INLEIDING België kan buigen op een zeer ver doorgedreven organisatie van de gezondheidszorgen die althans in principe een vrije keuze van behandelende arts door de patiënt, een therapeutische vrijheid voor de praktiserende artsen en de universele toegankelijkheid garandeert. Om dit te bewerkstelligen werd een complexe ziekteverzekering georganiseerd die zich richt tot werknemers, zelfstandigen en ambtenaren, maar ook tot werklozen, gepensioneerden, rechthebbenden op bestaansminimum, gehandicapten, studenten, wezen, plus de personen die zij ten laste hebben en die aan de voorwaarden voldoen om persoon ten laste te kunnen zijn: echtgenoten, samenwonenden, kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen, enz. In de praktijk kan worden gesteld dat de hele bevolking in België, enkele uitzonderingen daargelaten, toegang heeft tot de gezondheidsprestaties, mits het voldoet aan een aantal voorwaarden. Een universele toegankelijkheid van gezondheidszorgen betekent niet dat er geen drempels zouden zijn die deze toegankelijkheid, althans deels, in gevaar zou brengen. Eén van de mogelijke drempels betreft de kosten die gepaard gaan met het beroep doen op gezondheidszorgen. Deze kosten moeten worden beschouwd in het kader van het verzekeringskarakter dat in België aan het gezondheidssysteem ten grondslag ligt: het gaat in essentie om het verzekerd zijn tegen (gezondheids-) risico s die aanleiding kunnen geven tot een verlies van inkomen en/of meeruitgaven ten gevolge van ziekte of invaliditeit. Het principe hierbij is dat de patiënt het gehele honorarium van de zorgverstrekker waarop hij beroep doet, betaalt. De mutualiteit waartoe hij behoort, betaalt echter een deel van dit honorarium terug. Het deel dat niet terugbetaald wordt, wordt opgesplitst in remgelden (het verschil tussen de door het RIZIV gehanteerde vergoedingsbasis en het terugbetalingstarief) en supplementen (het verschil tussen het honorarium of de prijs die werkelijk betaald werd door de patiënt en de door het RIZIV gehanteerde vergoedingsbasis). Daarnaast dienen patiënten ook het volledige bedrag van de medische kosten die niet in het pakket van de verplichte ziekteverzekering zijn opgenomen te betalen. Onder deze laatste categorie vallen zowel de medische kosten buiten de ziekteverzekering (zoals sommige implantaten en geneesmiddelen in categorie D) als de diverse persoonlijke kosten voor niet-medische producten en diensten op de ziekenhuisfactuur, zoals televisie en telefoon (1). In oorsprong zoals voorzien in de Wet op de Ziekteverzekering van 9 augustus 1963 werd het remgeld bepaald op 25%, terwijl vanaf 1974 het recht op verhoogde verzekeringstegemoetkoming werd opgenomen voor kwetsbare groepen. Via de verhoogde verzekeringstegemoetkoming genieten de rechthebbende van een verminderd persoonlijk aandeel voor gezondheidszorg. Budgettaire problemen die opdoken in de jaren 80 van de vorige eeuw waren er de aanleiding van dat remgelden meer en meer gedifferentieerd werden, waarbij de algemene tendens was de eigen financiële inbreng van patiënten te verhogen. Meer recent worden remgelden ook aangepast om het medisch consumptiegedrag te beïnvloeden; zo werden maatregelen genomen om huisbezoeken te ontmoedigen (hogere remgelden bij huisbezoek), om het gebruik van het Globaal Medisch Dossier (GMD) te stimuleren (lagere remgelden bij raadpleging bij een GMD-houdende huisarts), (2). De noodzaak het honorarium van zorgverstrekkers voor te schieten én het aanpassen lees verhogen van het financieel aandeel van patiënten in de gezondheidszorgen, maakt dat de financiële toegankelijkheid van gezondheidszorg bedreigd kon worden. Daarom werd vanaf 1 januari 1994 het systeem van sociale en fiscale franchise ingevoerd, dat het remgeld dat mensen op jaarbasis betalen, begrenst. De sociale en fiscale franchises werden vanaf 2001 geleidelijk vervangen door de maximumfactuur (MAF). FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 1. Inleiding 785 De maximumfactuur zorgt ervoor dat de eigen bijdragen van de leden van eenzelfde huishouden voor verzekerde en noodzakelijke kosten, remgelden en persoonlijke bijdragen voor erelonen van artsen, verpleegkundigen en technische prestaties, noodzakelijke geneesmiddelen, het persoonlijk aandeel in de ligdagprijs en materiaalsupplementen bij hospitalisatie op jaarbasis een bepaalde grens niet overschrijden. Wordt deze grens overschreden, dan krijgt het huishouden automatisch een snelle terugbetaling van wat ze boven het plafond hebben betaald. Deze grenzen worden bepaald door het inkomen van het huishouden en zijn lager voor huishoudens met een bescheiden inkomen. Naast de maximumfactuur werden nog specifieke maatregelen afgekondigd met als doel de eigen bijdragen van patiënten binnen perken te houden, vooral dan voor kwetsbare groepen. Zo werd vanaf 2014 een nieuwe regeling van

10 verhoogde tegemoetkomingen ingevoerd, gericht op personen met een laag inkomen. In deze regeling werden de al bestaande systemen van verhoogde tegemoetkoming (RVV-statuut) en het OMNIO-statuut tot één eenvormige regeling samengevoegd (de naam OMNIO kwam dan ook te vervallen). Personen die een specifieke uitkering krijgen (leefloon, tegemoetkoming van personen met een handicap ) of onder een specifieke hoedanigheid zijn ingeschreven bij een mutualiteit (wezen) of die een beperkt inkomen hebben (met specifieke criteria voor gepensioneerden, minder-validen, weduwen/weduwnaars...) betalen minder remgelden. Daarnaast werd o.a. voor personen met langdurige en systematische hoge remgelden het statuut chronisch zieken ingevoerd. Dit statuut voorziet in een verlaging van het remgeldplafond voor de maximumfactuur. FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 1. Inleiding Naast het beperken van de persoonlijk bijdragen voor gezondheidszorgen, werd vanaf 1987 de zogenaamde regel van de derde betaler ingevoerd voor wat betreft de terugbetalingen in het kader van hospitalisatie. Hierbij dient de patiënt enkel het remgeld te betalen en wordt het overige deel van het honorarium rechtstreeks door de mutualiteit aan de zorgverstrekker betaald. Voor specifieke kwetsbare groepen bestaat de mogelijkheid beroep te doen op de derdebetalersregeling bij consultaties, bezoeken en raadplegingen en voor het grootste deel van de tandzorg (3). Niettemin kan worden vastgesteld dat deze regeling weinig wordt toegepast en dat de toepassingswijzen zeer ingewikkeld zijn (4). Sinds 1 mei 2014 kunnen artsen en tandartsen de derdebetalersregeling ook toepassen voor de rechthebbenden op het statuut chronisch zieken (al dan niet met RVV-statuut). Het gaat hier enkel om een mogelijkheid, niet om een verplichting. De opeenvolgende Gezondheidsenquêtes toonden aan dat ondanks alle beschermende maatregelen een substantieel hoog percentage huishoudens aangeeft medische consumptie uit te moeten stellen vanwege financiële redenen en dat dit percentage stijgend was: de resultaten van de Gezondheidsenquête 2008 gaven aan dat 14% van de huishoudens in dit geval waren. Reden genoeg om dit fenomeen van naderbij te bestuderen. Een diepgaande studie van de resultaten van de Gezondheidsenquête 2008 (en de voorafgaande enquêtes), in opdracht van het RIZIV, liet toe een profiel te schetsen van de huishoudens die aangaven medische consumptie te moeten uitstellen vanwege financiële redenen; het gaat relatief meer om eenouderhuishoudens, alleenstaanden, huishoudens met een beperkt opleidingsniveau, huishoudens waarvan de referentiepersoon buiten de EU geboren is, huishoudens woonachtig in het Brussels Gewest of, meer algemeen, in stedelijke gebieden. Het gaat bovendien om huishoudens met (relatief) lage inkomens en (relatief) hoge kosten voor gezondheidszorgen. Deze kosten kunnen worden verklaard door het feit dat (de leden van) deze huishoudens relatief meer met gezondheidsproblemen (chronische aandoeningen, beperkingen) geconfronteerd worden (5). 786

11 2. VRAGEN Voor het berekenen van de uitgaven voor gezondheidszorgen werd aan de huishoudens gevraagd (a) of ze uitgaven hebben gedaan voor specifieke zorgen en, indien dit het geval was, (b) hoeveel zij hebben uitgegeven. Belangrijk is te melden dat het hier enkel gaat om uitgaven, niet om eventuele terugbetalingen. In de Gezondheidsenquête 1997 werd gepoogd, naast de uitgaven, ook een idee te krijgen van de terugbetalingen. Dergelijke aanpak bleek evenwel niet haalbaar; in vele gevallen werden de aanvragen voor terugbetalingen gericht aan de ziekenfondsen gegroepeerd binnengebracht en gegroepeerd terugbetaald. Als gevolg hiervan bleken de terugbetalingen (die betrekking hadden op verschillende maanden) in sommige gevallen (veel) hoger te zijn dan de uitgaven voor de maand voorafgaand aan het interview. AC01 Aan de hand van de volgende vragen willen we graag een idee hebben van de uitgaven die uw huishouden de afgelopen maand voor gezondheidszorgen had. Hierbij moet geen rekening gehouden worden met eventuele terugbetalingen door een mutualiteit. Heeft uw huishouden de afgelopen maand uitgaven gehad voor... AC0101 AC0102 AC0103 AC0104 een huisarts, een specialist, een tandarts of een andere gezondheidszorgverstrekker? (Ja/Neen) voorgeschreven en niet-voorgeschreven geneesmiddelen? (Ja/Neen) het verblijf in een verzorgingsinstelling, zoals een ziekenhuis of een rusthuis? (Ja/Neen) medische hulpmiddelen zoals verbanden, injectiemateriaal of zuurstofflessen? (Ja/Neen) Telkenmale een huishouden aangaf uitgaven voor een huisarts, geneesmiddelen, verblijf in een verzorgingsinstellingen of medische hulpmiddelen gehad te hebben, werd gepeild hoeveel hieraan werd uitgeven. AC0201 AC0204 AC03 Hoeveel werd hieraan uitgegeven? Indien u dit bedrag niet juist kunt aangeven, geef dan een schatting. In het algemeen, vindt u dat uw persoonlijke bijdrage voor gezondheidskosten, dit is het geld dat u zelf moet betalen, (makkelijk in uw budget past/moeilijk in uw budget past/onmogelijk in uw budget past). FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 2. Vragen AC04 AC0401 AC0402 AC0403 AC0404 AC0405 Mensen hebben het soms moeilijk om een beroep te doen op de gezondheidszorg, terwijl ze het wel nodig hebben. Aan de hand van de volgende vragen willen we nagaan of u hiermee de afgelopen 12 maanden werd geconfronteerd. Is het de afgelopen 12 maanden voorgekomen dat u of iemand in uw huishouden de volgende zorgen nodig had, maar niet kon betalen? Medische zorgen of een operatie (Ja/Neen) Tandverzorging (Ja/Neen) Voorgeschreven geneesmiddelen (Ja/Neen) Een bril of contactlenzen (Ja/Neen) Mentale zorgen, zoals van een psycholoog of psychiater (Ja/Neen) 787

12

13 3. INDICATOREN AC_1: Absolute uitgaven voor gezondheidszorgen Met deze indicator wordt weergegeven hoeveel huishoudens (in de afgelopen maand) geld hebben uitgegeven aan gezondheidszorgen (gezondheidsverstrekkers, geneesmiddelen, kosten gepaard gaand met opname in een instelling, technische hulpmiddelen). Bij de berekening ervan worden enkel niet-geïnstitutionaliseerde huishoudens weerhouden. Om een vergelijking van de uitgaven in de tijd mogelijk te maken, werden deze uitgaven geïndexeerd met als basis de prijsindex van (december) AC_2: Relatieve uitgaven voor gezondheidszorgen AC_3: AC_4: Absolute uitgaven voor gezondheidszorgen zijn slechts één kant van de medaille. Om de impact ervan op het gezinsbudget in te schatten, worden de relatieve uitgaven per huishouden berekend. Hierbij worden de totale uitgaven voor gezondheidszorgen gedeeld door het maandelijks beschikbaar inkomen van het huishouden. De indicator geeft dus het aandeel weer (in %) in het beschikbaar budget van huishoudens van uitgaven voor gezondheidszorgen in de afgelopen maand. Perceptie van (eigen) uitgaven voor gezondheid Aan de hand van deze indicator wordt aangegeven wat het percentage huishoudens is dat vindt dat uitgaven voor gezondheidszorgen moeilijk passen in het huishoudbudget. Hierbij wordt zowel abstractie gemaakt van het beschikbare inkomen als van de hoogte van de uitgaven voor gezondheidszorgen. Uitstel van medische consumptie vanwege financiële redenen Aan de hand van deze indicator wordt weergegeven wat het percentage is van huishoudens die medische consumptie dienden uit te stellen in de afgelopen 12 maanden. Van zodra een huishouden aangeeft dat omwille van financiële redenen, voor minstens een van haar leden, het gebruik van gezondheidszorgen (medische zorgen of een operatie, tandverzorging, de aankoop van geneesmiddelen, een bril of mentale zorgen) moest uitstellen, wordt dit beschouwd als een huishouden dat de medische consumptie diende uit te stellen vanwege financiële redenen. FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 3. Indicatoren De indicatoren met betrekking tot de toegankelijkheid van gezondheidszorgen worden berekend op het niveau van het huishouden. De aantallen en percentages vermeld in de basistabellen hebben dan ook betrekking op huishoudens. Voor de interpretatie van de basistabellen heeft dit een aantal gevolgen: 789 De indicatoren geslacht en leeftijd hebben betrekking op respectievelijk het geslacht en de leeftijd van de referentiepersoon. Wie de referentiepersoon van een huishouden is, is een strikt administratieve aangelegenheid: de referentiepersoon is deze persoon die als dusdanig is aangeduid in het Rijksregister. In principe wordt als referentiepersoon de persoon genomen die werkelijk de belangen van het gezin behartigt of die voor het grootste deel in het onderhoud van het huishouden voorziet. Toch zal in werkelijkheid de referentiepersoon degene zijn die zich in het huishouden bezighoudt met de administratieve zaken. Er werd voor geopteerd in deze basistabellen ook de resultaten van de indicatoren voor te stellen in functie van het equivalent inkomen van het huishouden en het huishoudtype: Het equivalent inkomen van het huishouden is het door het huishouden vermeld maandelijks netto-inkomen gecorrigeerd voor de huishoudgrootte en samenstelling. Het doel van deze

14 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 3. Indicatoren correctie is inkomens, als proxy voor de socio-economische status van huishoudens - vergelijkbaar te maken: het is immers niet correct een huishouden van bijvoorbeeld 2 volwassen personen, met een netto inkomen van te vergelijken met een huishouden van 2 volwassen personen, met 4 inwonende kinderen, met een netto inkomen van Om het inkomen van huishoudens te vergelijken worden de vermelde inkomens gedeeld door de volgende som: 1 voor de referentiepersoon +0,5 voor elke bijkomende volwassene binnen het huishouden +0,3 voor elk kind binnen het huishouden Het equivalent inkomen wordt voorgesteld in kwintielen. Hiervoor werden alle equivalente inkomens van alle huishoudens geordend van laag naar hoog en daarop opgesplitst in 5 groepen die elk 20% van alle huishoudens omvatten. Het eerste kwintiel omvat de 20% huishoudens met de laagste equivalente inkomens, het vijfde kwintiel omvat de 20% huishoudens met de hoogste equivalente inkomens. Deze kwintielen werden berekend op het niveau van België en onveranderd ook toegepast wanneer de resultaten per gewest worden voorgesteld. Vier typen huishoudens worden onderscheiden en dit op basis van de samenstelling van het huishoudens en de verwantschap met de referentiepersoon: alleenstaanden, éénouder met kind, koppels zonder en met kinderen, ander (of niet gekend). Als ander huishouden worden die huishoudens bedoeld die niet ressorteren onder één van de andere typen huishoudens. 790

15 4. RESULTATEN 4.1. ABSOLUTE EN RELATIEVE UITGAVEN VOOR GEZONDHEIDSZORGEN BELGIË Gemiddeld spendeert een (niet-geïnstitutionaliseerd) huishouden in België 108 per maand aan gezondheidsverstrekkers, voorgeschreven en niet-voorgeschreven geneesmiddelen, een verblijf in een verzorgingsinstelling en/of medische hulpmiddelen. Het gaat hierbij enkel om uitgaven zonder rekening te houden met eventuele terugbetalingen achteraf. Zoals elk gemiddelde, zijn ook de gemiddelde uitgaven aan gezondheidszorgen gevoelig voor extreme waarden (lage of geen uitgaven versus zeer hoge uitgaven). De mediaanwaarde voor de absolute uitgaven voor gezondheidszorgen ligt op 45 (d.i. 50% van de huishoudens heeft in de maand voorafgaand aan het interview minder dan 45 uitgegeven aan gezondheidszorgen, 50% meer dan 45). Een schatting van het belang van uitgaven voor gezondheidszorgen in het huishoudbudget kan worden gemaakt door deze uitgaven te delen door het beschikbaar inkomen van het huishouden. Op basis van deze oefening kan het aandeel van uitgaven voor gezondheidsuitgaven in het huishoudbudget geschat worden op 5%. Analyse volgens leeftijd en geslacht Zoals vermeld, gaat het hier telkens om het geslacht en de leeftijd van de referentiepersoon. Huishoudens met een mannelijke referentiepersoon geven per maand gemiddeld meer uit voor gezondheidszorgen ( 113) dan huishoudens met een vrouwelijke referentiepersoon ( 95). Na correctie voor leeftijd (van de referentiepersoon) is dit verschil echter niet significant. In relatieve termen d.i. de uitgaven voor gezondheidszorgen in functie van het inkomen van het huishouden - kan een omgekeerd beeld teruggevonden worden: huishoudens met een vrouwelijke referentiepersoon geven gemiddeld 6% van hun beschikbaar maandelijks inkomen uit aan gezondheidszorgen, bij huishoudens met een mannelijke referentiepersoon gaat het om gemiddeld 5%. Na correctie voor leeftijd is ook dit verschil niet significant. Figuur 1 Aandeel (%) van de uitgaven voor gezondheidszorgen in het beschikbaar inkomen van huishoudens in de afgelopen maand, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête, België FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten 791

16 Zowel in absolute als in relatieve termen lijken de gemiddelde maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen grosso modo met de leeftijd (van de referentiepersoon) te stijgen (Figuur 1). Waar een jong huishouden (huishouden met een referentiepersoon van jaar) stelt per maand gemiddeld 31 uit te geven aan gezondheidszorgen (gemiddeld 2% van het beschikbare inkomen), gaat het bij oudere huishoudens (huishoudens met een referentiepersoon van 75 jaar en ouder) om 120 of, gemiddeld, 8% van het beschikbare inkomen. Na correctie voor geslacht (van de referentiepersoon), kan worden vastgesteld dat zowel in absolute als in relatieve termen de uitgaven voor gezondheidszorgen zwaarder doorwegen voor de oudere dan voor de jongere huishoudens. FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten Analyse volgens socio-economische achtergrondkenmerken De gemiddelde uitgaven voor gezondheidszorgen vertonen geen samenhang met de opleidingscategorie van het huishouden. In relatieve termen daalt het aandeel uitgaven voor gezondheidszorgen naarmate het opleidingsniveau stijgt. De 114 gemiddelde uitgaven bij de laagst opgeleide huishoudens betekent wel een aandeel van 8% in het totale huishoudbudget, terwijl de 123 gemiddelde uitgaven bij de hoogst opgeleiden, maar 4% betekent van het huishoudbudget. In relatieve termen zijn de uitgaven voor gezondheidszorgen bij de laagst opgeleide huishoudens significant hoger dan bij de hoogst opgeleide huishoudens. De gemiddelde uitgaven voor gezondheidszorgen vertonen geen samenhang met het equivalent inkomen van de huishoudens. Voor wat de gemiddelde relatieve uitgaven betreft, is er evenwel sprake van een uitgesproken sociale gradiënt: in het laagste inkomenskwintiel (dus bij de 20% huishoudens met de laagste equivalente inkomens) besteedt een huishouden gemiddeld 7% van het inkomen aan uitgaven voor gezondheidszorgen; bij huishoudens behorend tot het hoogste inkomenskwintiel (dus bij de 20% huishouden met de hoogste equivalente inkomens) gaat het om 3% van het equivalent inkomen. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) zijn de verschillen in gemiddelde relatieve uitgaven voor gezondheidszorgen tussen de laagste (2) inkomenskwintielen en de hoogste (2) inkomenskwintielen statistisch significant. Het is logisch dat de gemiddelde (relatieve) uitgaven voor gezondheidszorgen variëren in functie van het type huishouden: voor een alleenstaande gaat het om 87 (of 5% van het beschikbaar inkomen), voor een koppel met kinderen om 148 (of 5% van het beschikbaar inkomen). Speciale aandacht dient uit te gaan naar eenoudergezinnen: in relatieve termen zijn de uitgaven voor gezondheidszorgen er het hoogst (6% in vergelijking met 5% bij koppels met kinderen, een verschil dat weliswaar niet significant is na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon). Er kan geen, of althans geen systematische, samenhang vastgesteld worden tussen de gemiddelde (relatieve) uitgaven voor gezondheidszorgen en de urbanisatiegraad. 792 Evolutie over de tijd De gemiddelde (relatieve) uitgaven voor gezondheidszorgen, gebaseerd op geïndexeerde bedragen, wijst op een systematische weliswaar niet statistisch significante daling over de jaren heen (Figuur 2). Terwijl, in geïndexeerde termen, de gemiddelde maandelijkse uitgave voor gezondheidszorgen in was, gaat het in 2013 om gemiddeld 108 (verschil niet significant na correctie voor leeftijd en geslacht van de referentiepersoon). In relatieve termen dus in functie van het maandelijks beschikbaar inkomen is het aandeel dat aan gezondheidszorgen licht, maar statistisch niet significant, gedaald over de tijd (van 6 % in 1997 tot 5% in 2013).

17 GEWESTEN Huishoudens woonachtig in het Vlaams Gewest geven gemiddeld - per maand meer uit aan gezondheidszorgen ( 111) dan huishoudens woonachtig in het Brussels of het Waals Gewest ( 104 voor beide gewesten). Na correctie voor leeftijd en geslacht van de referentiepersoon, zijn deze verschillen echter niet significant. In relatieve termen dus in verhouding tot het maandelijks beschikbaar inkomen nemen de uitgaven voor gezondheidszorgen in de verschillende gewesten quasi eenzelfde aandeel in het huishoudbudget in beslag (5%). Figuur 2 Aandeel (%) van de uitgaven voor gezondheidszorgen in het beschikbaar inkomen van huishoudens in de afgelopen maand, volgens gewest en jaar, Gezondheidsenquête, België Vlaams Gewest Gemiddeld spendeert een (niet-geïnstitutionaliseerd) huishouden woonachtig in het Vlaams Gewest 111 per maand aan gezondheidsverstrekkers, voorgeschreven en niet-voorgeschreven geneesmiddelen, een verblijf in een verzorgingsinstelling en/of medische hulpmiddelen. Het gaat hierbij enkel om uitgaven zonder rekening te houden met eventuele terugbetalingen achteraf. Zoals elk gemiddelde, zijn ook de gemiddelde uitgaven aan gezondheidszorgen gevoelig voor extreme waarden (lage of geen uitgaven versus zeer hoge uitgaven). De mediaanwaarde voor de absolute uitgaven voor gezondheidszorgen ligt op 45 (d.i. 50% van de huishoudens heeft in de maand voorafgaand aan het interview minder dan 45 uitgegeven aan gezondheidszorgen, 50% meer dan 45). Een schatting van het belang van uitgaven voor gezondheidszorgen in het huishoudbudget kan worden gemaakt door deze uitgaven te delen door het beschikbaar inkomen van het huishouden. Op basis van deze oefening kan het aandeel van uitgaven voor gezondheidsuitgaven in het huishoudbudget geschat worden op 5%. FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten 793 De maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen zowel in absolute als in relatieve termen stijgen met de leeftijdsgroep (van de referentiepersoon) (Figuur 3). Beiden zijn het laagst in de jongste leeftijdsgroep (gemiddeld 24 per maand of 1% van het beschikbaar inkomen) en stijgen weliswaar niet lineair - tot 136 (9% van het beschikbaar inkomen) in de leeftijdsgroep van 75 jaar en ouder. Na correctie voor geslacht (van de referentiepersoon), kan worden vastgesteld dat zowel in absolute als in relatieve termen de uitgaven voor gezondheidszorgen significant hoger zijn bij de oudere dan bij de jongste huishoudens.

18 Figuur 3 Aandeel (%) van de uitgaven voor gezondheidszorgen in het beschikbaar inkomen van huishoudens in de afgelopen maand, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête, België 2013 Vlaams Gewest FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten 794 Tussen de gemiddelde uitgaven voor gezondheidszorgen en de opleidingscategorie van het huishouden (het hoogste opleidingsniveau binnen het huishouden na vergelijking van het hoogste diploma van de referentiepersoon met deze van zijn/haar partner) kan geen systematische samenhang worden onderkend. Uitgedrukt in relatieve termen dus in functie van het beschikbaar inkomen daalt het relatief aandeel van uitgaven voor gezondheid naarmate het opleidingsniveau stijgt: van een aandeel van 10% bij laagst opgeleide huishoudens tot 4% bij de hoogst opgeleide huishoudens. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kunnen evenwel geen statistisch significante verschillen tussen de opleidingsgroepen worden vastgesteld voor wat het relatief belang van gezondheidsuitgaven betreft. De gemiddelde uitgaven voor gezondheidszorgen vertonen geen systematische samenhang met het equivalent inkomen van huishoudens. Voor wat de gemiddelde relatieve uitgaven betreft, is er evenwel sprake van een uitgesproken sociale gradiënt: in het laagste inkomenskwintiel (dus bij de 20% huishoudens met de laagste equivalente inkomens) besteedt een huishouden gemiddeld 8% van het inkomen aan uitgaven voor gezondheidszorgen; bij huishoudens behorend tot het hoogste inkomenskwintiel (dus bij de 20% huishouden met de hoogste equivalente inkomens) gaat het om 3% van het equivalent inkomen. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) zijn de gemiddelde relatieve uitgaven voor gezondheidszorgen van huishoudens behorend tot het hoogste inkomenskwintiel significant lager dan bij de laagste (3) kwintielen. Het is logisch dat de gemiddelde (relatieve) uitgaven voor gezondheidszorgen variëren in functie van het type huishouden: voor een alleenstaande gaat het om 75 (of 6% van het beschikbaar inkomen), voor een koppel met kinderen om 138 (of 4% van het beschikbaar inkomen). Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kunnen geen significante verschillen volgens huishoudtype worden vastgesteld. Er kan geen, of althans geen systematische, samenhang vastgesteld worden tussen de gemiddelde (relatieve) uitgaven voor gezondheidszorgen en de urbanisatiegraad. De gemiddelde uitgaven voor gezondheidszorgen, gebaseerd op geïndexeerde bedragen, zijn in 2013 in vergelijking met alle voorgaande jaren gedaald. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de refe-

19 rentiepersoon) gaat het echter niet om een statistisch significante daling. In relatieve termen dus in functie van het maandelijks beschikbaar inkomen is het aandeel dat aan gezondheidszorgen wordt besteed, onveranderd gebleven over de tijd (5%). Brussels Gewest Gemiddeld spendeert een (niet-geïnstitutionaliseerd) huishouden woonachtig in het Brussels Gewest 104 per maand aan gezondheidsverstrekkers, voorgeschreven en niet-voorgeschreven geneesmiddelen, een verblijf in een verzorgingsinstelling en/of medische hulpmiddelen. Het gaat hierbij enkel om uitgaven zonder rekening te houden met eventuele terugbetalingen achteraf. Zoals elk gemiddelde, zijn ook de gemiddelde uitgaven aan gezondheidszorgen gevoelig voor extreme waarden (lage of geen uitgaven versus zeer hoge uitgaven). De mediaanwaarde voor de absolute uitgaven voor gezondheidszorgen ligt op 40 (d.i. 50% van de huishoudens heeft in de maand voorafgaand aan het interview minder dan 40 uitgegeven aan gezondheidszorgen, 50% meer dan 40). Een schatting van het belang van uitgaven voor gezondheidszorgen in het huishoudbudget kan worden gemaakt door deze uitgaven te delen door het beschikbaar inkomen van het huishouden. Op basis van deze oefening kan het aandeel van uitgaven voor gezondheidsuitgaven in het huishoudbudget geschat worden op 5%. De maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen zowel in absolute als in relatieve termen kent een grillig verloop over de leeftijdsgroepen (van de referentiepersoon) heen (Figuur 4). Beiden zijn het laagst in de jongste leeftijdsgroepen (gemiddeld 65 per maand of 4% van het beschikbaar inkomen in de leeftijdsgroep van jaar) en stijgen weliswaar niet lineair - tot 121 of 8% van het beschikbaar inkomen in de leeftijdsgroep van 75 jaar en ouder. Na correctie voor geslacht (van de referentiepersoon), kan worden vastgesteld dat, noch in absolute, noch in relatieve uitgaven significante verschillen tussen de verschillende leeftijdsgroepen teruggevonden kunnen worden. Figuur 4 Aandeel (%) van de uitgaven voor gezondheidszorgen in het beschikbaar inkomen van huishoudens in de afgelopen maand, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête, België 2013 Brussels Gewest FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten 795 Tussen de gemiddelde uitgaven voor gezondheidszorgen en de opleidingscategorie van het huishouden (het hoogste opleidingsniveau binnen het huishouden na vergelijking van het hoogste diploma van de referentiepersoon met deze van zijn/haar partner) kan geen samenhang worden onderkend. Uitgedrukt in relatieve termen dus in functie van het beschikbaar inkomen daalt het relatief aandeel van uitgaven voor gezondheid naarmate het opleidingsniveau stijgt. De verschillen in relatieve uitgaven

20 voor gezondheid tussen de opleidingscategorieën zijn echter niet significant na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon). De gemiddelde uitgaven voor gezondheidszorgen vertonen een systematische samenhang met het equivalent inkomen van huishoudens. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) zijn de verschillen in gemiddelde relatieve uitgaven voor gezondheidszorgen tussen de laagste (2) inkomenskwintielen en de hoogste (2) inkomenskwintielen statistisch significant. Het is logisch dat de gemiddelde (relatieve) uitgaven voor gezondheidszorgen variëren in functie van het type huishouden: voor een alleenstaande gaat het om 69 (of 5% van het beschikbaar inkomen), voor een koppel met kinderen om 166 (of 6% van het beschikbaar inkomen). FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten De gemiddelde (relatieve) uitgaven voor gezondheidszorgen, gebaseerd op geïndexeerde bedragen, wijst op een weliswaar niet lineaire daling over de jaren heen. Terwijl, in geïndexeerde termen, de gemiddelde maandelijkse uitgave voor gezondheidszorgen in was, gaat het in 2013 om gemiddeld 104. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), lijken de gemiddelde uitgaven gerapporteerd in 2013 significant lager te zijn dan deze bekomen in de eerste enquêtejaren (1997, 2001). De relatieve uitgaven daarentegen, lijken onveranderd te zijn gebleven over de tijd. Waals Gewest Gemiddeld spendeert een (niet-geïnstitutionaliseerd) huishouden woonachtig in het Waals Gewest 104 per maand aan gezondheidsverstrekkers, voorgeschreven en niet-voorgeschreven geneesmiddelen, een verblijf in een verzorgingsinstelling en/of medische hulpmiddelen. Het gaat hierbij enkel om uitgaven zonder rekening te houden met eventuele terugbetalingen achteraf. Zoals elk gemiddelde, zijn ook de gemiddelde uitgaven aan gezondheidszorgen gevoelig voor extreme waarden (lage of geen uitgaven versus zeer hoge uitgaven). De mediaanwaarde voor de absolute uitgaven voor gezondheidszorgen ligt op 45 (d.i. 50% van de huishoudens heeft in de maand voorafgaand aan het interview minder dan 45 uitgegeven aan gezondheidszorgen, 50% meer dan 45). Een schatting van het belang van uitgaven voor gezondheidszorgen in het huishoudbudget kan worden gemaakt door deze uitgaven te delen door het gemiddeld inkomen van het huishouden. Op basis van deze oefening kan het aandeel van uitgaven voor gezondheidsuitgaven in het huishoudbudget geschat worden op 5% Figuur 5 Aandeel (%) van de uitgaven voor gezondheidszorgen in het beschikbaar inkomen van huishoudens in de afgelopen maand, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête, België 2013 Waals Gewest 796

21 De maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen zowel in absolute als in relatieve termen kent een grillig verloop over de leeftijdsgroepen (van de referentiepersoon) heen (Figuur 5). Beiden zijn het laagst in de jongste leeftijdsgroep (gemiddeld 13 per maand of 2% van het beschikbaar inkomen) en stijgen weliswaar niet lineair tot 90 of 6% in de leeftijdsgroep van 75 jaar en ouder. Na correctie voor geslacht (van de referentiepersoon), kan worden vastgesteld dat in relatieve termen de uitgaven gezondheidszorgen zwaarder doorwegen voor de oudere dan voor de jongere huishoudens. Tussen de gemiddelde uitgaven voor gezondheidszorgen en de opleidingscategorie van het huishouden (het hoogste opleidingsniveau binnen het huishouden na vergelijking van het hoogste diploma van de referentiepersoon met deze van zijn/haar partner) kan geen samenhang worden onderkend. Uitgedrukt in relatieve termen dus in functie van het beschikbaar inkomen is het relatief aandeel van uitgaven voor gezondheid quasi gelijk in alle opleidingscategorieën (5% à 7%). De gemiddelde uitgaven voor gezondheidszorgen vertonen geen samenhang met het equivalent inkomen van huishoudens. Voor wat de gemiddelde relatieve uitgaven betreft, is er evenwel sprake van een sociale gradiënt: waar in het laagste inkomenskwintiel (dus bij de 20% huishoudens met de laagste equivalente inkomens) een huishouden gemiddeld 6% van het inkomen besteedt aan uitgaven voor gezondheidszorgen, daalt dit aandeel tot 2% voor een huishouden behorend tot het hoogste inkomenskwintiel. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) zijn de verschillen in gemiddelde relatieve uitgaven voor gezondheidszorgen tussen het laagste inkomenskwintiel en de hoogste 2 inkomenskwintielen statistisch significant. Het is logisch dat de gemiddelde (relatieve) uitgaven voor gezondheidszorgen stijgen in functie van het type huishouden: voor een alleenstaande gaat het om 61 (of 5% van het beschikbaar inkomen), voor een koppel met kinderen om 162 (of 5% van het beschikbaar inkomen). Er kan geen, of althans geen systematische, samenhang vastgesteld worden tussen de gemiddelde (relatieve) uitgaven voor gezondheidszorgen en de urbanisatiegraad. De gemiddelde (relatieve) uitgaven voor gezondheidszorgen, gebaseerd op geïndexeerde bedragen, wijst op een weliswaar niet lineaire daling over de jaren heen. Terwijl, in geïndexeerde termen, de gemiddelde maandelijkse uitgave voor gezondheidszorgen in was, gaat het in 2013 om gemiddeld 104. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), zijn de gemiddelde uitgaven gerapporteerd in 2013 significant lager dan deze bekomen in de eerste enquêtejaren (1997, 2001 en 2004). De relatieve uitgaven daarentegen lijken eerder stabiel te zijn over de tijd PERCEPTIE ROND (EIGEN) UITGAVEN VOOR GEZONDHEID FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten BELGIË In België geeft 26% van de huishoudens aan dat de bijdragen voor gezondheidszorgen (zeer) moeilijk passen binnen het beschikbare huishoudbudget. Het gaat hier om een subjectieve inschatting die huishoudens erop nahouden, waarbij abstractie gemaakt wordt van wat deze huishoudens effectief aan gezondheidszorgen dienen te besteden. 797 Analyse volgens leeftijd en geslacht Huishoudens waarvan een vrouw de referentiepersoon is, geven in hogere mate (35%) dan huishoudens met een man als referentiepersoon (22%) aan dat ze de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen te hoog te vinden. Na correctie voor leeftijd (van de referentiepersoon) blijft dit verschil statistisch significant. Van een hechte samenhang tussen de leeftijd van het huishouden (geïndiceerd aan de hand van de leeftijd van de referentiepersoon) en de perceptie aangaande de bijdragen voor gezondheidszorgen is er weinig sprake: behoudens voor de oudste huishoudens (waar 32% van de huishoudens aangeeft dat deze uitgaven moeilijk om dragen zijn), variëren de percentages nauwelijks in functie van de leeftijd van het huishouden (Figuur 6).

22 Figuur 6 Percentage huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête, België, 2013 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten 798 Analyse volgens socio-economische achtergrondkenmerken Er kan een uitgesproken samenhang vastgesteld worden tussen het opleidingsniveau van de huishoudens en de perceptie van de eigen uitgaven voor gezondheid. Waar de helft van de huishoudens (49%) behorend tot het laagste opleidingsniveau de eigen uitgaven voor gezondheid te hoog vindt, daalt dit percentage stelselmatig over de hoger opleidingsniveaus heen. In het hoogste opleidingsniveau percipieert slechts 14% van de huishoudens deze uitgaven als te hoog. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kan worden vastgesteld dat het percentage huishoudens dat de uitgaven voor gezondheidszorgen zwaar om dragen vindt, significant stijgt naarmate het opleidingsniveau daalt. Mogelijks nog scherper is de samenhang tussen het inkomenskwintiel en de perceptie over de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen. Waar in het laagste inkomenskwintiel 50% van de huishoudens de eigen uitgaven te hoog vindt, daalt dit percentage systematisch over de hogere inkomenskwintielen heen. In het hoogste inkomenskwintiel gaat het nog om 5% van de huishoudens. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kan worden vastgesteld dat het percentage huishoudens dat de uitgaven voor gezondheidszorgen zwaar om dragen vindt, significant stijgt naarmate het inkomenskwintiel daalt. Bij eenoudergezinnen kan het hoogste percentage huishoudens teruggevonden worden dat de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen moeilijk te betalen vindt (45%). Opmerkelijk is dat bij koppels met kinderen relatief het laagste percentage (17%) huishoudens teruggevonden kan worden dat het moeilijk heeft om uitgaven voor gezondheidszorgen te verrichten. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) blijft het percentage huishoudens dat de uitgaven voor gezondheidszorgen te hoog vindt, significant hoger bij de eenoudergezinnen in vergelijking met alleenstaanden en koppels met of zonder kinderen. Huishoudens woonachtig in stedelijke gebieden vinden relatief meer (30%) dan huishoudens in halfstedelijke of landelijke gebieden (respectievelijk 22% en 24%) dat uitgaven voor gezondheidszorgen moeilijk om dragen zijn. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) is enkel het verschil tussen de percepties van huishoudens in stedelijke gebieden en deze woonachtig in halfstedelijke gebieden statistisch significant.

23 Evolutie over de tijd Het percentage huishoudens dat aangaf dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen in het huishoudbudget, kent een grillig verloop over de verschillende jaren van de enquête (Figuur 7). Globaal genomen met uitzondering van de resultaten bekomen in 2008 daalt dit percentage over de tijd (33% in 1997, 26% in 2013). Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) is het verschil tussen de resultaten bekomen in 1997 en deze bekomen in 2013 statistisch significant: het percentage huishoudens dat in 2013 aangeeft dat de eigen bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget is significant lager dan in GEWESTEN In 2013 vindt 36% van de huishoudens woonachtig in het Brussels Gewest de uitgaven voor gezondheid te hoog, voor het Waals Gewest gaat het om 31%, voor het Vlaams Gewest om 21%. Deze verschillen zijn significant na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon). Figuur 7 Percentage huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, volgens gewest en jaar, Gezondheidsenquête, België, 2013 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten Vlaams Gewest In het Vlaams Gewest geeft 21% van de huishoudens aan dat de bijdragen voor gezondheidszorgen (zeer) moeilijk passen binnen het beschikbare huishoudbudget. Het gaat hier om een subjectieve inschatting die huishoudens erop nahouden, waarbij abstractie gemaakt wordt van wat deze huishoudens effectief aan gezondheidszorgen dienen te besteden. 799 Huishoudens waarvan een vrouw de referentiepersoon is (29%), geven in hogere mate dan huishoudens met een man als referentiepersoon (18%) aan dat ze de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen te hoog te vinden. Na correctie voor leeftijd (van de referentiepersoon) blijft dit verschil statistisch significant. Van een hechte samenhang tussen de leeftijd van het huishouden (geïndiceerd aan de hand van de leeftijd van de referentiepersoon) en de perceptie aangaande de bijdragen voor gezondheidszorgen is weinig sprake (Figuur 8). Met uitzondering van huishoudens behorend tot de leeftijdsgroep van jaar (waar het percentage huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen relatief het laagst is, 14%) en tot de leeftijdsgroep van 75 jaar en ouder (met het hoogste percentage van dergelijke huishoudens, 30%), variëren de percentages nauwelijks in functie van de leeftijd van het huishouden.

24 Figuur 8 Percentage huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête, België, 2013 Vlaams Gewest FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten 800 Er kan een uitgesproken samenhang vastgesteld worden tussen het opleidingsniveau van de huishoudens en de perceptie van de eigen uitgaven voor gezondheid. Waar bijna de helft van de huishoudens (46%) behorend tot het laagste opleidingsniveau de eigen uitgaven voor gezondheid te hoog vindt, daalt dit percentage stelselmatig over de hogere opleidingsniveaus heen. In het hoogste opleidingsniveau percipieert slechts 9% van de huishoudens deze uitgaven als te hoog. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kan worden vastgesteld dat huishoudens in het hoogste opleidingsniveau significant minder dan alle andere huishoudens de uitgaven voor gezondheidszorgen zwaar om dragen vinden. Mogelijks nog scherper is de samenhang tussen het inkomenskwintiel en de perceptie over de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen. Waar in het laagste inkomenskwintiel 45% van de huishoudens de eigen uitgaven te hoog vindt, daalt dit percentage systematisch over de hogere inkomenskwintielen heen. In het hoogste inkomenskwintiel gaat het nog om 3% van de huishoudens. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kan worden vastgesteld dat huishoudens in de laagste 2 inkomenskwintielen significant meer dan huishoudens in de hoogste 2 inkomenskwintielen de uitgaven voor gezondheidszorgen zwaar om dragen vinden. Bij eenoudergezinnen kan het hoogste percentage huishouden teruggevonden worden dat de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen moeilijk te betalen vindt (37%). Opmerkelijk is dat bij koppels met kinderen relatief het laagste percentage (17%) huishoudens teruggevonden kan worden dat het moeilijk heeft om uitgaven voor gezondheidszorgen te verrichten. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) blijft het percentage huishoudens dat de uitgaven voor gezondheidszorgen te hoog vindt, significant hoger bij de alleenstaanden en eenoudergezinnen in vergelijking met alleenstaanden en koppels met of zonder kinderen. Er kunnen geen verschillen terug gevonden worden voor wat de perceptie van uitgaven voor gezondheidszorgen betreft in functie van de urbanisatiegraad. Het percentage huishoudens dat aangaf dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen in het huishoudbudget kent een grillig verloop over de verschillende enquêtejaren. Globaal genomen met uitzondering van de resultaten bekomen in 2008 daalt dit percentage over de tijd (25% in 1997, 21% in

25 2013). Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) is het verschil tussen het resultaat bekomen in 2013 significant lager dan deze bekomen in alle voorgaande enquêtejaren. Brussels Gewest In het Brussels Gewest geeft 36% van de huishoudens aan dat de bijdragen voor gezondheidszorgen (zeer) moeilijk passen binnen het beschikbare huishoudbudget. Het gaat hier om een subjectieve inschatting die huishoudens erop nahouden, waarbij abstractie gemaakt wordt van wat deze huishoudens effectief aan gezondheidszorgen dienen te besteden. Huishoudens waarvan een vrouw de referentiepersoon is (41%), geven in hogere mate dan huishoudens met een man als referentiepersoon (33%) aan dat ze de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen te hoog te vinden. Na correctie voor leeftijd (van de referentiepersoon) is dit verschil statistisch significant. Van een hechte samenhang tussen de leeftijd van het huishouden (geïndiceerd aan de hand van de leeftijd van de referentiepersoon) en de perceptie aangaande de bijdragen voor gezondheidszorgen is weinig sprake (Figuur 9). Tot de leeftijdsgroep van jaar stijgt het percentage huishoudens waarbij de kosten voor gezondheidszorgen moeilijk liggen, daarna dalen deze percentages (er moet hier wel aan toegevoegd worden dat deze percentages in vergelijking met de andere gewesten al relatief hoog liggen). Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kunnen evenwel geen significante verschillen in prevalenties tussen de verschillende leeftijdsgroepen worden vastgesteld. Figuur 9 Percentage huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête, België, 2013 Brussels Gewest FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten 801 Er kan een uitgesproken samenhang vastgesteld worden tussen het opleidingsniveau van de huishoudens en de perceptie van de eigen uitgaven voor gezondheid. Waar één op drie huishoudens (66%) behorend tot het laagste opleidingsniveau de eigen uitgaven voor gezondheid te hoog vindt, daalt dit percentage stelselmatig over de hoger opleidingsniveaus heen. In het hoogste opleidingsniveau percipieert 24% van de huishoudens deze uitgaven als te hoog. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kan worden vastgesteld dat huishoudens in beide hoogste opleidingsniveaus significant minder dan huishoudens in het laagste opleidingsniveau de uitgaven voor gezondheidszorgen zwaar om dragen vinden. Mogelijks nog scherper is de samenhang tussen het inkomenskwintiel en de perceptie over de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen. Waar in het laagste inkomenskwintiel 59% van de huishoudens de eigen uitgaven te hoog vindt, daalt dit percentage systematisch over de hogere inkomenskwintielen

26 heen. In het hoogste inkomenskwintiel gaat het om 12% van de huishoudens. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kan worden vastgesteld dat huishoudens in de laagste 3 inkomensniveaus significant meer dan huishoudens in het hoogste inkomensniveau de uitgaven voor gezondheidszorgen zwaar om dragen vinden. Bij eenoudergezinnen kan het hoogste percentage huishoudens teruggevonden worden dat de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen moeilijk te betalen vindt (53%). Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) zijn de prevalenties volgens huishoudtype niet statistisch verschillend. Het percentage huishoudens dat aangaf dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen in het huishoudbudget kent een grillig verloop over de verschillende enquêtejaren. Globaal genomen met uitzondering van de resultaten bekomen in 2004 en 2008 daalt dit percentage over de tijd (43% in 1997, 36% in 2013). Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) is het verschil tussen het resultaat bekomen in 2013 significant lager dan deze bekomen in FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten Waals Gewest In het Waals Gewest geeft 31% van de huishoudens aan dat de bijdragen voor gezondheidszorgen (zeer) moeilijk passen binnen het beschikbare huishoudbudget. Het gaat hier om een subjectieve inschatting die huishoudens erop nahouden, waarbij abstractie gemaakt wordt van wat deze huishoudens effectief aan gezondheidszorgen dienen te besteden. Huishoudens waarvan een vrouw de referentiepersoon is (39%), geven in hogere mate dan huishoudens met een man als referentiepersoon (26%) aan dat ze de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen te hoog te vinden. Na correctie voor leeftijd (van de referentiepersoon) blijft dit verschil statistisch significant. Van enige samenhang tussen de leeftijd van het huishouden (geïndiceerd aan de hand van de leeftijd van de referentiepersoon) en de perceptie aangaande de bijdragen voor gezondheidszorgen is geen sprake (Figuur 10). Figuur 10 Percentage huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête, België, 2013 Waals Gewest 802

27 Er kan een uitgesproken samenhang vastgesteld worden tussen het opleidingsniveau van de huishoudens en de perceptie van de eigen uitgaven voor gezondheid. Waar net de helft van de huishoudens (50%) behorende tot het laagste opleidingsniveau de eigen uitgaven voor gezondheid te hoog vindt, daalt dit percentage stelselmatig over de hogere opleidingsniveaus heen. In het hoogste opleidingsniveau percipieert 17% van de huishoudens deze uitgaven als te hoog. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kan worden vastgesteld dat huishoudens in de twee hoogste opleidingsniveaus significant minder dat alle andere huishoudens de uitgaven voor gezondheidszorgen zwaar om dragen vinden. Mogelijks nog scherper is de samenhang tussen het inkomenskwintiel en de perceptie over de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen. Waar in het laagste inkomenskwintiel 53% van de huishoudens de eigen uitgaven te hoog vindt, daalt dit percentage systematisch over de hogere inkomenskwintielen heen. In het hoogste inkomenskwintiel gaat het nog om 7% van de huishoudens. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kan worden vastgesteld dat huishoudens in de laagste (2) inkomenskwintielen significant meer dan huishoudens in de hoogste (2) inkomenskwintielen de uitgaven voor gezondheidszorgen zwaar om dragen vinden. Bij eenoudergezinnen kan het hoogste percentage huishouden teruggevonden worden dat de eigen uitgaven voor gezondheidszorgen moeilijk te betalen vindt (51%). Opmerkelijk is dat bij koppels met kinderen relatief het laagste percentage (21%) huishoudens teruggevonden kan worden dat het moeilijk heeft om uitgaven voor gezondheidszorgen te verrichten. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) blijft het percentage huishoudens dat de uitgaven voor gezondheidszorgen te hoog vindt, significant lager bij koppels met kinderen in vergelijking met alleenstaanden en éénouder huishoudens. Er kunnen geen significante verschillen teruggevonden worden wat de perceptie van uitgaven voor gezondheidszorgen betreft in functie van de urbanisatiegraad. Het percentage huishoudens dat aangaf dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen in het huishoudbudget kent een grillig verloop over de verschillende enquêtejaren. Globaal genomen met uitzondering van de resultaten bekomen in 2008 daalt dit percentage over de tijd (42% in 1997, 31% in 2013). Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) is het verschil tussen het resultaat bekomen in 2013 significant lager dan deze bekomen in UITSTEL VAN MEDISCHE CONSUMPTIE BELGIË FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten In België geeft 8% van de huishoudens aan dat financiële belemmeringen er de oorzaak van waren dat ze in de loop van de afgelopen 12 maanden medische zorgen, tandverzorging, (voorgeschreven) geneesmiddelen, een bril en/of mentale zorgen nodig hadden, maar deze niet konden betalen. 803 Analyse volgens leeftijd en geslacht Huishoudens waarvan een vrouw de referentiepersoon is (12%), geven meer dan huishoudens waarvan een man de referentiepersoon is (7%) aan genoodzaakt te zijn geweest de medische consumptie uit te stellen. Dit verschil is significant na correctie voor leeftijd (van de referentiepersoon). Globaal genomen daalt het percentage huishoudens dat aangeeft medische consumptie uit te moeten stellen met de leeftijd (van de referentiepersoon) (Figuur 11): bij jonge huishoudens geeft 14% aan in dit geval te zijn, bij oude huishoudens (huishouden met een referentiepersoon van minstens 75 jaar) gaat het om 4%. Na correctie voor geslacht is het percentage huishoudens dat medische consumptie heeft moeten uitstellen significant lager bij huishoudens in de leeftijdsgroep van 75 jaar en ouder in vergelijking met de huishoudens in de leeftijdsgroep van jaar.

28 Figuur 11 Percentage huishoudens dat aangeeft in de afgelopen 12 maanden medische consumptie te hebben moeten uitstellen, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête 2013, België FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten 804 Analyse volgens socio-economische achtergrondskenmerken De noodzaak medische consumptie te moeten uitstellen, hangt samen met het opleidingsniveau van de huishoudens. Bij huishoudens behorend tot het laagste opleidingsniveau geeft 12% aan medische consumptie te hebben moeten uitstellen. Dit percentage daalt naarmate de opleidingscategorie stijgt: bij de hoogst opgeleiden gaat het nog om 6% van de huishoudens. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) is het percentage huishoudens dat gebruik van gezondheidszorgen heeft moeten uitstellen significant hoger bij de laagst opgeleiden in vergelijking met het percentage dat teruggevonden kan worden bij de hoogst opgeleiden. De sociale gradiënt die al onderkend kon worden in de relatie tussen opleidingsniveau en de noodzaak medische consumptie uit te stellen, is nog meer geprononceerd wanneer de relatie tussen het inkomensniveau van de huishoudens en de noodzaak medische consumptie uit te stellen wordt nagegaan. Waar 19% van de huishoudens behorend tot het eerste (laagste) inkomenskwintiel aangeeft medische consumptie uit te moeten stellen, gaat het om 3% van de huishoudens behorend tot het hoogste inkomenskwintiel. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) is het percentage huishoudens dat het gebruik van gezondheidszorgen moet uitstellen significant hoger bij de lagere inkomenskwintielen. De noodzaak medische consumptie uit te moeten stellen, treft vooral eenoudergezinnen: 20% van deze huishoudens dient vanwege financiële redenen medische consumptie uit te stellen. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), blijft dit percentage significant hoger in vergelijking met koppels (met of zonder kinderen). Vooral in stedelijke gebieden dienen huishoudens soms medische consumptie uit te stellen: 13% van de huishoudens melden in dit geval te zijn. In halfstedelijke en landelijke gebieden ligt het percentage huishoudens dat medische consumptie dient uit te stellen lager (respectievelijk 4% en 5% van de huishouden). Deze verschillen zijn significant na correctie voor leeftijd en geslacht van de referentiepersoon. Evolutie over de tijd Het percentage huishoudens dat genoodzaakt is medische consumptie uit te moeten stellen, valt in 2013 terug op het niveau van 1997 (8%). Voor de tussenliggende jaren kennen de percentages een eerder grillig verloop (Figuur 12). Het hoogste percentage kan worden teruggevonden voor het enquêtejaar

29 2008 (14%). Dat jaar springt ook in het oog wanneer de voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) gecorrigeerde percentages worden bekeken: de percentages teruggevonden in 2008 zijn significant hoger dan in de voorgaande jaren, maar ook significant hoger dan in Er mag dus worden gesteld dat in 2013 het percentage huishoudens dat aangaf medische consumptie te moeten uitstellen significant lager is dan in GEWESTEN Het percentage huishoudens dat aangaf medische consumptie te moeten uitstellen, is verschillend in de verschillende gewesten: in het Brussels Gewest geeft 22% van de huishoudens aan zich in deze positie te bevinden, in het Waals Gewest gaat het om 9% en in het Vlaams Gewest om 5%. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kan worden vastgesteld dat het percentage van toepassing voor het Brussels Gewest significant hoger ligt in vergelijking met zowel het Vlaams als het Waals Gewest. Figuur 12 Percentage huishoudens dat aangeeft in de afgelopen 12 maanden medische consumptie te hebben moeten uitstellen, volgens gewest en jaar, Gezondheidsenquête, België, 2013 Vlaams Gewest In het Vlaams Gewest geeft 5% van de huishoudens aan genoodzaakt te zijn geweest medische consumptie uit te stellen. Huishoudens met een vrouwelijke referentiepersoon (6%) geven meer dan huishoudens met een mannelijke referentiepersoon (4%) aan genoodzaakt te zijn geweest medische consumptie uit te stellen. Dit verschil is echter niet significant na correctie voor leeftijd (van de referentiepersoon). FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten 805 Van enige samenhang tussen de leeftijd van het huishouden (leeftijd van de referentiepersoon) en de noodzaak medische consumptie uit te moeten stellen, is geen sprake (Figuur 13). De percentages hieromtrent liggen iets hoger in de leeftijdsgroepen van jaar en jaar (percentages tussen 5% en 7%), maar na correctie voor geslacht (van de referentiepersoon), zijn de verschillen in percentages tussen de verschillende leeftijdsgroepen niet statistisch significant.

30 Figuur 13 Percentage huishoudens dat aangeeft in de afgelopen 12 maanden medische consumptie te hebben moeten uitstellen, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête 2013, België Vlaams Gewest FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten 806 De noodzaak medische consumptie te moeten uitstellen, hangt samen met het opleidingsniveau van de huishoudens: bij huishoudens behorend tot het laagste opleidingsniveau geeft 6% aan medische consumptie te hebben moeten uitstellen, bij de hoogst opgeleiden gaat het nog om 3% van de huishoudens. Dit verschil is significant na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon). De sociale gradiënt die al onderkend kon worden in de relatie tussen opleidingsniveau en de noodzaak medische consumptie uit te stellen, is nog meer geprononceerd wanneer de relatie tussen het inkomensniveau van de huishoudens en de noodzaak medische consumptie uit te stellen wordt nagegaan. Waar 12% van de huishoudens behorend tot het eerste (laagste) inkomenskwintiel aangeeft medische consumptie uit te moeten stellen, gaat het om 1% van de huishoudens behorend tot het hoogste inkomenskwintiel. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) is het percentage huishoudens dat het gebruik van gezondheidszorgen moet uitstellen significant hoger bij de lagere inkomenskwintielen. De noodzaak medische consumptie uit te moeten stellen, treft vooral eenoudergezinnen: 11% van deze huishoudens dient vanwege financiële redenen medische consumptie uit te stellen. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), kunnen echter geen significante verschillen in functie van het huishoudtype worden vastgesteld. Vooral in stedelijke gebieden dienen huishoudens soms medische consumptie uit te stellen: 8% van de huishoudens melden in dit geval te zijn. In halfstedelijke en landelijke gebieden ligt het percentage huishoudens dat medische consumptie dient uit te stellen lager (3% van de huishouden). Het verschil in percentages tussen stedelijke en halfstedelijke gebieden is significant na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon). Het percentage huishoudens dat genoodzaakt is medische consumptie uit te moeten stellen, valt in 2013 (5%) terug op het niveau van 1997 (4%). Voor de tussenliggende jaren kennen de percentages eerder een grillig verloop. Het hoogste percentage kan worden teruggevonden voor het enquêtejaar 2008 (11%). Dat jaar springt ook in het oog wanneer de voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) gecorrigeerde percentages worden bekeken: de percentages teruggevonden in 2008 zijn significant hoger dan in de voorgaande jaren, maar ook significant hoger dan in Er mag dus worden gesteld

31 dat in 2013 het percentage huishoudens dat aangaf medische consumptie te moeten uitstellen significant lager is dan in Brussels Gewest Het percentage huishoudens dat gedwongen is medische consumptie uit te stellen is het hoogst in het Brussels Gewest (22%), een percentage dat significant hoger is dan in de twee andere gewesten. Huishoudens met een vrouwelijke referentiepersoon (24%) geven iets meer aan medische consumptie te moeten uitstellen dan huishoudens met een mannelijke referentiepersoon (21%), maar dit verschil is niet statisch significant na correctie voor leeftijd (van de referentiepersoon). Van enige samenhang tussen de leeftijd van het huishouden (leeftijd van de referentiepersoon) en de noodzaak medische consumptie uit te moeten stellen, is weinig sprake (Figuur 14). De percentages hieromtrent liggen iets hoger in de leeftijdsgroepen van jaar (16%) en 75 jaar en ouder (12%), maar na correctie voor geslacht (van de referentiepersoon), zijn de verschillen in percentages tussen de verschillende leeftijdsgroepen niet statistisch significant. Figuur 14 Percentage huishoudens dat aangeeft in de afgelopen 12 maanden medische consumptie te hebben moeten uitstellen, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête 2013, België Brussels Gewest FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten De noodzaak medische consumptie te moeten uitstellen, hangt samen met het opleidingsniveau van de huishoudens: bij huishoudens behorend tot het laagste opleidingsniveau geeft 28% aan medische consumptie te hebben moeten uitstellen, bij de hoogst opgeleiden gaat het nog om 17% van de huishoudens. Dit verschil is significant na correctie voor leeftijd (van de referentiepersoon). 807 De sociale gradiënt die al onderkend kon worden in de relatie tussen opleidingsniveau en de noodzaak medische consumptie uit te stellen, is nog meer geprononceerd wanneer de relatie tussen het inkomensniveau van de huishoudens en de noodzaak medische consumptie uit te stellen wordt nagegaan. Waar 39% van de huishoudens behorend tot het eerste (laagste) inkomenskwintiel aangeeft medische consumptie uit te moeten stellen, gaat het om 6% van de huishoudens behorend tot het hoogste inkomenskwintiel. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) is het percentage huishoudens dat het gebruik van gezondheidszorgen moet uitstellen significant hoger bij het laagste inkomenskwintiel.

32 De noodzaak medische consumptie uit te moeten stellen, treft vooral eenoudergezinnen: 36% van deze huishoudens kan vanwege financiële redenen slechts beperkt beroep doen op gezondheidsvoorzieningen. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), ligt het percentage huishoudens dat medische consumptie moet uitstellen significante hoger bij eenoudergezinnen in vergelijking met koppels zonder kinderen. Het percentage huishoudens dat genoodzaakt is medische consumptie uit te moeten stellen, valt in 2013 (22%) iets terug in vergelijking met 2008 (26%), maar blijft in vergelijking met de voorgaande jaren hoog. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) kunnen echter geen significante verschillen wat de noodzaak medische consumptie te moeten uitstellen betreft, worden teruggevonden. FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten Waals Gewest In het Waals Gewest geeft 9% van de huishoudens aan vanwege financiële redenen gedwongen te zijn om medische consumptie uit te stellen. Huishoudens met een vrouwelijke referentiepersoon (12%) geven iets meer aan medische consumptie te moeten uitstellen dan huishoudens met een mannelijke referentiepersoon (7%), maar dit verschil is niet statisch significant na correctie voor leeftijd (van de referentiepersoon). Van enige samenhang tussen de leeftijd van het huishouden (leeftijd van de referentiepersoon) en de noodzaak medische consumptie uit te moeten stellen, is weinig sprake (Figuur 15). In de oudste huishoudens (referentiepersoon van 75 jaar en ouder) is dit percentage het laagst (3%), maar de verschillen met de overige leeftijdsgroepen zijn niet statistisch significant na correctie voor geslacht (van de referentiepersoon). Figuur 15 Percentage huishoudens dat aangeeft in de afgelopen 12 maanden medische consumptie te hebben moeten uitstellen, volgens leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), Gezondheidsenquête 2013, België Waals Gewest 808 De noodzaak medische consumptie te moeten uitstellen, hangt samen met het opleidingsniveau van de huishoudens: bij huishoudens behorend tot het laagste opleidingsniveau geeft 17% aan medische consumptie te hebben moeten uitstellen, bij de hoogst opgeleiden gaat het nog om 6% van de huishoudens. Dit verschil is significant na correctie voor leeftijd (van de referentiepersoon). De sociale gradiënt die al onderkend kon worden in de relatie tussen opleidingsniveau en de noodzaak medische consumptie uit te stellen, is nog meer geprononceerd wanneer de relatie tussen het inko-

33 mensniveau van de huishoudens en de noodzaak medische consumptie uit te stellen wordt nagegaan. Waar 17% van de huishoudens behorend tot het eerste (laagste) inkomenskwintiel aangeeft medische consumptie uit te moeten stellen, gaat het om 4% van de huishoudens behorend tot het hoogste inkomenskwintiel. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon) is het percentage huishoudens dat het gebruik van gezondheidszorgen moet uitstellen significant hoger bij het laagste inkomenskwintiel in vergelijking met het hoogste inkomenskwintiel. De noodzaak medische consumptie uit te moeten stellen, treft vooral eenoudergezinnen: 21% van deze huishoudens kan vanwege financiële redenen slechts beperkt beroep doen op gezondheidsvoorzieningen. Na correctie voor leeftijd en geslacht (van de referentiepersoon), kunnen echter geen significante verschillen in functie van het huishoudtype worden vastgesteld. In landelijke gebieden ligt het percentage huishoudens dat medische consumptie dient uit te stellen het hoogst: 10% van de huishoudens melden in dit geval te zijn. Niettemin zijn de verschillen met huishoudens woonachtig in halfstedelijk of stedelijke gebieden niet statistisch significant. Het percentage huishoudens dat genoodzaakt is medische consumptie uit te moeten stellen, valt in 2013 terug op 9%, lager dan in alle voorgaande enquêtejaren. Deze daling is significant in vergelijking met de percentages teruggevonden in 2001 (13%) en 2004 (15%), maar niet in vergelijking met de resultaten teruggevonden in 2008 (14%). FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 4. Resultaten 809

34

35 5. DISCUSSIE In dit hoofdstuk gaat de aandacht uit naar mogelijke financiële problemen waarmee huishoudens geconfronteerd worden indien ze beroep willen doen op gezondheidszorgen. De essentiële vraag hierbij is of financiële barrières het principe van universele toegang tot gezondheidszorgen één van de pijlers waarop de gezondheidszorg in België uitgebouwd is kunnen bedreigen. Om dit in te kunnen schatten werd al vanaf de eerste gezondheidsenquête (1997) een specifieke module opgenomen rond financiële toegankelijkheid van gezondheidszorgen. De vragen opgenomen in deze module richten zich tot het huishouden in z n geheel, niet tot de geselecteerde individuen van de participerende huishoudens. Er mag immers vanuit gegaan worden dat een financiële barrière voor het ten volle gebruik maken van gezondheidszorgen, de resultante is van een cumulatie van de uitgaven voor alle leden van een huishouden. Mits uitzonderingen (bijvoorbeeld voor kwetsbare groepen of voor bepaalde diensten) is de regel dat bij het gebruik maken van gezondheidszorgen, patiënten de volledige rekening betalen en later hiervoor (deels) terugbetaald worden. Wat niet wordt terugbetaald, het remgeld, dient door de patiënt zelf te worden opgehoest. De burden van deze uitgaven wordt slechts indirect ingeschat; de aandacht gaat naar het totaal van de uitgaven, terwijl niet ingegaan wordt op de terugbetalingen. Deze eenzijdige aandacht is vooral geschoeid op praktische redenen: terugbetalingen kunnen pas (veel) later zijn gebeurd waardoor de relatie tussen uitgaven en de ermee gepaard gaande terugbetalingen in de loop van eenzelfde maand (de maand voorafgaand aan het interview) volledig afwezig kan zijn. Hoewel de feitelijke directe kosten voor huishoudens dus lager zullen zijn dan deze die in dit rapport worden vermeld, mag ervan uitgegaan worden dat de verschillen in uitgaven tussen huishoudens in functie van leeftijd, opleidingsniveau, inkomensniveau, wellicht een weerspiegeling is van de situatie nadat ook de terugbetalingen mee in rekening zouden worden gebracht. Naast het screenen van de uitgaven die huishoudens hebben voor gezondheidszorgen, wordt ook gepeild of huishoudens deze uitgaven zwaar om dragen vinden wat een indicatie is voor een mogelijk toekomstig uitstellen van medische consumptie. Tenslotte werd nagegaan of huishoudens vanwege financiële redenen medische consumptie hebben moeten uitstellen. De resultaten geven aan dat de uitgaven voor gezondheidszorgen zonder rekening te houden met mogelijke terugbetalingen over de verschillende enquêtejaren nauwelijks veranderen, noch in absolute, noch in relatieve termen. Globaal genomen nemen uitgaven voor gezondheidszorgen zo n 5% van het huishoudbudget in beslag. Achter dit globaal percentage gaat echter een verschillende realiteit schuil: zo stijgt het aandeel voor gezondheidszorgen in de laagste inkomensgroep (20% van de huishoudens met de laagste equivalente inkomens) tot 20% (1/5!) van het huishoudbudget. Nogmaals, het gaat hier om uitgaven zonder rekening te houden met terugbetalingen, maar zelf maar het voorschieten van kosten voor gezondheidszorgen kan voor deze inkomensgroep al een zeer zwaar probleem zijn. FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 5. Discussie 811 Dat er met betrekking tot bijdragen voor gezondheidszorgen een sociale gradiënt is, is duidelijk. Lager opgeleiden, respectievelijk lagere inkomensgroepen, hebben het soms moeilijk kosten voor gezondheidszorgen op te hoesten: zo is net de helft van de huishoudens in het laagste inkomenskwintiel van oordeel dat de kosten voor gezondheidszorgen moeilijk te dragen zijn en geeft ongeveer 20% van de laagst verdienende huishoudens aan medische consumptie te hebben moeten uitstellen. Niettemin geven de cijfers een relatieve verbetering van de situatie aan en dan vooral in vergelijking met de resultaten bekomen in het enquêtejaar Zo daalt het percentage huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget significant van 35% (2008) tot 26%, terwijl ook het percentage huishoudens dat medische consumptie heeft moeten uitstellen significant daalt van 14% tot 8%. Deze vaststelling moet echter gerelativeerd worden: waar de resultaten effectief danig verschillen van deze vastgesteld in 2008, verschillen ze niet of althans niet

36 significant met deze van de aan 2008 voorafgaande enquêtejaren. De resultaten laten zien dat het percentage huishoudens dat medische consumptie diende uit te stellen tussen 2008 en 2013 danig daalt in het Vlaams Gewest (van 11% tot 5%), iets minder in het Waals Gewest (van 14% tot 9%) en nauwelijks in het Brussels Gewest (van 26% tot 22%). De vraag blijft waarom de percentages teruggevonden in de Gezondheidsenquête 2013 danig verschillen met deze van Meer correct, gezien deze cijfers van de Gezondheidsenquête 2013 veel meer aansluiten met deze van de Gezondheidsenquêtes van 1997, 2001 en 2004, dient gezocht te worden naar de redenen van de plotse en tot dusver eenmalige sterke stijging vastgesteld voor het jaar Zonder de impact ervan echt te kunnen inschatten, kan het zijn dat maatregelen, erop gericht de eigen bijdragen (remgelden) onder controle te houden, meer en meer effectief worden. De oorzaak kan echter ook te maken hebben met de samenstelling in socio-demografische en socio-economische termen van de participanten aan de opeenvolgende Gezondheidsenquêtes. Voor de samenstelling van de steekproef wordt in de Gezondheidsenquête een rigoureuze methodologie gehanteerd. Op basis van de gegevens van het Rijksregister wordt een steekpoef samengesteld die representatief is voor de bevolking in België in termen van leeftijdsstructuur (van de referentiepersoon), geslachtsstructuur (van de referentiepersoon), huishoudgrootte, territoriale spreiding... Na toepassen van wegingsfactoren mag ervan uitgegaan worden dat de resultaten van de enquête representatief zijn in termen van de criteria gehanteerd bij het samenstelling van de steekproef. Helaas werd hiervoor geen rekening gehouden met socio-economische factoren, gezien dergelijke informatie niet in het Rijksregister is opgenomen. Het kan dus zijn dat in de Gezondheidsenquête 2008, hoewel de resultaten ervan representatief zijn in termen van de gehanteerde selectiecriteria, specifieke socio-economische bevolkingsgroepen onder- of oververtegenwoordigd waren. Zo is het mogelijk dat toevallig iets zwakkere socio-economische groepen oververtegenwoordigd waren in de steekproef van 2008, waardoor indicatoren verondersteld sterk beïnvloed te worden door de socio-economische positie zoals deze rond toegankelijkheid van gezondheidszorgen een licht vertekend beeld geven. Om hierover meer inzicht te krijgen, is het noodzakelijk een diepgaande analyse uit te voeren van de samenstelling van alle Gezondheidsenquêtes in termen van socio-demografische en socio-economische karakteristieken.

37 6. BIBLIOGRAFIE (1) Farfan-Portet MI, Devos C, Devriese S, Cleemput I, Van de Voorde C. Vereenvoudiging van de remgelden: toepassing op de raadplegingen en huisbezoeken van artsen. Brussel: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE); (2) Nonneman W, van Doorslaer E. The role of the sickness funds in the Belgian health care market. Soc Sci Med 1994;39: (3) Peers J, Gillet P, Hermesse J, Polus C. Gezondheidszorg in België. Uitdagingen en opportuniteiten (4) Gezamelijke tekst van de Verenigingen Partners van het Algemeen Verslag over de Armeode, opgesteld met de hulp van het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (5) Mimilidis H, Demarest S. Les déterminants de l accès aux soins de santé en Belgique; une étude des besoins de soins non-satisfaits pour des raisons financières sur base de l enquête de santé belge FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 6. Bibliografie 813

38

39 7. TABELLEN Tabel 1 Tabel 2 Tabel 3 Tabel 4 Gemiddelde maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen, België Aandeel (%) van het beschikbaar inkomen van huishoudens besteed aan uitgaven voor gezondheidszorgen in de afgelopen maand, België Percentage van de huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, België Percentage van de huishoudens dat aangeeft medische consumptie te hebben moeten uitstellen, België Tabel 5 Gemiddelde maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen, Vlaams Gewest Tabel 6 Aandeel (%) van het beschikbaar inkomen van huishoudens besteed aan uitgaven voor gezondheidszorgen in de afgelopen maand, Vlaams Gewest Tabel 7 Tabel 8 Percentage van de huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, Vlaams Gewest..823 Percentage van de huishoudens dat aangeeft medische consumptie te hebben moeten uitstellen, Vlaams Gewest Tabel 9 Gemiddelde maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen, Brussels Gewest Tabel 10 Tabel 11 Tabel 12 Aandeel (%) van het beschikbaar inkomen van huishoudens besteed aan uitgaven voor gezondheidszorgen in de afgelopen maand, Brussels Gewest Percentage van de huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, Brussels Gewest. 827 Percentage van de huishoudens dat aangeeft medische consumptie te hebben moeten uitstellen, Brussels Gewest Tabel 13 Gemiddelde maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen, Waals Gewest Tabel 14 Tabel 15 Tabel 16 Aandeel (%) van het beschikbaar inkomen van huishoudens besteed aan uitgaven voor gezondheidszorgen in de afgelopen maand, Waals Gewest Percentage van de huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, Waals Gewest Percentage van de huishoudens dat aangeeft medische consumptie te hebben moeten uitstellen, Waals Gewest FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 815

40

41 Tabel 1 Gemiddelde maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen, België AC_1 Gemiddelde (Ruw) 95% BI gemid Gemiddelde (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 113,1 (103,1-123,0) 112,0 (102,2-121,8) 2495 Vrouwen 95,4 (81,8-109,0) 93,1 (79,2-107,1) 1465 LEEFTIJDSGROEP ,9 (4,6-57,3) 33,4 (8,1-58,6) ,0 (55,3-102,7) 78,4 (54,4-102,4) ,8 (104,8-144,7) 123,1 (103,3-143,0) ,9 (89,8-130,0) 108,1 (88,1-128,2) ,9 (84,8-117,0) 99,2 (83,1-115,3) ,7 (91,9-131,5) 110,8 (90,7-130,8) ,3 (101,8-138,8) 123,6 (104,6-142,6) 498 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 114,0 (90,2-137,9) 95,1 (69,9-120,3) 461 Lager secundair 98,7 (80,6-116,8) 82,5 (64,3-100,8) 602 Hoger secundair 92,2 (79,5-104,9) 78,5 (66,0-91,0) 1289 Hoger onderwijs 122,7 (108,5-136,9) 108,7 (93,6-123,7) 1557 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 87,1 (72,3-101,9) 88,5 (73,6-103,3) kwintiel 110,7 (92,9-128,6) 107,5 (89,5-125,6) kwintiel 129,0 (108,4-149,7) 126,4 (106,1-146,7) kwintiel 109,2 (91,1-127,4) 105,6 (87,5-123,6) kwintiel 102,1 (84,3-119,9) 100,1 (81,6-118,5) 790 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 69,1 (60,1-78,2) 63,6 (54,1-73,2) 1382 Eén ouder met kind 106,1 (72,1-140,1) 106,8 (71,7-141,9) 384 Koppel zonder kind(eren) 118,8 (102,3-135,4) 115,1 (94,2-135,9) 921 Koppel met kind(eren) 148,1 (128,7-167,6) 157,0 (136,9-177,1) 1027 Ander of niet gekend 122,4 (86,1-158,7) 126,6 (90,7-162,6) 246 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 106,4 (94,5-118,2) 107,1 (95,5-118,7) 2137 Halfstedelijk gebied 107,5 (92,9-122,2) 103,3 (88,8-117,7) 866 Landelijk gebied 110,4 (94,0-126,7) 105,0 (88,7-121,3) 957 VERBLIJFPLAATS Vlaams Gewest 110,7 (99,5-121,9) 106,3 (94,8-117,8) 1335 Brussels Gewest 104,0 (89,0-119,1) 110,1 (94,6-125,6) 1092 Waals Gewest 104,0 (89,1-118,9) 102,5 (87,9-117,2) 1533 JAAR ,9 (130,7-153,2) 142,0 (130,9-153,0) ,7 (136,6-150,8) 141,3 (134,3-148,4) ,3 (120,7-139,8) 129,3 (119,8-138,7) ,5 (117,7-139,2) 130,2 (119,4-140,9) ,7 (99,7-115,8) 105,5 (97,5-113,5) 3960 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 817 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van lineair regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

42 Tabel 2 Aandeel (%) van het beschikbaar inkomen van huishoudens besteed aan uitgaven voor gezondheidszorgen in de afgelopen maand, België AC_2 Gemiddelde (Ruw) 95% BI gemid Gemiddelde (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 4,8 (4,4-5,3) 4,9 (4,4-5,4) 2495 Vrouwen 6,0 (5,1-6,8) 5,6 (4,8-6,4) 1465 LEEFTIJDSGROEP ,1 (0,4-3,8) 2,0 (0,3-3,7) ,3 (2,5-4,1) 3,3 (2,6-4,1) ,0 (4,1-5,9) 5,0 (4,2-5,9) ,3 (3,5-5,1) 4,3 (3,5-5,2) ,9 (4,0-5,9) 5,0 (4,0-6,0) ,2 (4,9-7,4) 6,2 (5,0-7,5) 529 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen ,0 (6,8-9,3) 7,9 (6,6-9,2) 498 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 8,4 (6,6-10,2) 6,9 (5,1-8,8) 461 Lager secundair 5,8 (4,8-6,8) 5,1 (4,1-6,1) 602 Hoger secundair 4,6 (3,9-5,3) 4,3 (3,6-5,0) 1289 Hoger onderwijs 4,4 (3,9-4,9) 4,2 (3,6-4,9) 1557 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 6,9 (5,8-8,0) 6,9 (5,8-8,0) kwintiel 6,9 (5,7-8,0) 6,3 (5,2-7,4) kwintiel 5,8 (4,9-6,8) 5,8 (4,9-6,7) kwintiel 3,6 (3,1-4,2) 3,7 (3,2-4,3) kwintiel 2,6 (2,2-3,1) 2,9 (2,4-3,4) 790 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 5,2 (4,5-6,0) 4,8 (4,0-5,5) 1382 Eén ouder met kind 6,1 (3,9-8,2) 6,3 (4,2-8,4) 384 Koppel zonder kind(eren) 5,4 (4,7-6,1) 5,1 (4,2-5,9) 921 Koppel met kind(eren) 4,6 (4,0-5,2) 5,5 (4,7-6,2) 1027 Ander of niet gekend 5,0 (3,6-6,5) 5,4 (3,9-6,8) 246 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 5,5 (4,8-6,1) 5,5 (4,9-6,2) 2137 Halfstedelijk gebied 4,8 (4,2-5,4) 4,6 (4,0-5,2) 866 Landelijk gebied 5,0 (4,2-5,7) 4,9 (4,1-5,7) 957 VERBLIJFPLAATS Vlaams Gewest 5,1 (4,5-5,7) 5,0 (4,5-5,6) 1335 Brussels Gewest 5,3 (4,6-6,0) 5,7 (5,0-6,4) 1092 Waals Gewest 5,2 (4,5-5,9) 5,1 (4,4-5,8) 1533 JAAR ,9 (5,4-6,3) 6,4 (6,0-6,9) ,6 (6,3-7,0) 6,7 (6,4-7,1) ,8 (5,4-6,3) 6,1 (5,7-6,6) ,8 (5,4-6,2) 6,1 (5,7-6,5) ,2 (4,8-5,6) 5,2 (4,8-5,6) 3960 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van lineair regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

43 Tabel 3 Percentage van de huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, België AC_3 % (Ruw) 95% BI ruw % (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 22,1 (20,2-24,0) 22,0 (20,1-24,0) 3091 Vrouwen 34,8 (31,8-37,9) 34,1 (31,2-37,2) 1781 LEEFTIJDSGROEP ,1 (11,2-32,9) 20,0 (11,9-31,7) ,1 (19,1-27,1) 23,0 (19,2-27,3) ,4 (21,5-29,2) 26,0 (22,3-30,1) ,6 (20,2-27,0) 24,5 (21,1-28,2) ,7 (22,0-29,4) 26,5 (22,8-30,5) ,3 (21,7-30,9) 26,6 (22,2-31,6) ,3 (27,4-37,2) 29,9 (25,2-35,0) 664 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 49,2 (43,5-54,8) 50,7 (44,5-56,8) 602 Lager secundair 35,9 (31,3-40,6) 36,6 (32,0-41,4) 729 Hoger secundair 26,2 (23,4-28,9) 26,1 (23,4-29,0) 1563 Hoger onderwijs 13,7 (11,7-15,7) 13,3 (11,4-15,5) 1911 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 50,5 (46,3-54,7) 50,3 (46,0-54,6) kwintiel 37,5 (32,9-42,0) 36,1 (31,7-40,8) kwintiel 26,9 (22,8-30,9) 26,7 (22,8-30,9) kwintiel 11,7 (9,0-14,4) 11,7 (9,3-14,7) kwintiel 5,4 (3,5-7,3) 5,3 (3,7-7,6) 839 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 31,8 (28,8-34,8) 29,9 (26,8-33,2) 1668 Eén ouder met kind 45,0 (38,8-51,3) 42,8 (36,3-49,7) 463 Koppel zonder kind(eren) 20,7 (17,5-23,9) 21,0 (17,9-24,5) 1170 Koppel met kind(eren) 17,2 (14,6-19,9) 18,6 (15,6-22,0) 1263 Ander of niet gekend 32,1 (24,9-39,3) 33,2 (26,4-40,8) 308 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 29,7 (27,4-32,1) 29,1 (26,8-31,6) 2574 Halfstedelijk gebied 21,6 (18,4-24,7) 21,4 (18,4-24,8) 1047 Landelijk gebied 23,9 (20,5-27,3) 24,2 (21,0-27,7) 1251 VERBLIJFPLAATS Vlaams Gewest 20,7 (18,3-23,0) 20,6 (18,3-23,0) 1592 Brussels Gewest 36,5 (33,3-39,6) 36,0 (32,8-39,3) 1377 Waals Gewest 30,7 (27,9-33,6) 30,1 (27,3-33,1) 1903 JAAR ,1 (31,1-35,2) 35,9 (33,8-38,1) ,4 (27,7-31,2) 30,0 (28,3-31,8) ,5 (27,9-31,1) 30,3 (28,6-31,9) ,8 (32,7-36,8) 34,6 (32,6-36,7) ,9 (24,3-27,6) 25,6 (24,0-27,3) 4872 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 819 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van logistisch regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

44 Tabel 4 Percentage van de huishoudens dat aangeeft medische consumptie te hebben moeten uitstellen, België AC_4 % (Ruw) 95% BI ruw % (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 7,0 (5,8-8,2) 6,3 (5,2-7,6) 3095 Vrouwen 11,6 (9,8-13,4) 11,9 (10,1-14,0) 1786 LEEFTIJDSGROEP ,2 (4,3-24,2) 12,5 (5,7-25,2) ,6 (7,7-13,6) 10,4 (7,8-13,7) ,9 (8,3-13,4) 11,0 (8,7-14,0) ,0 (6,8-11,2) 9,3 (7,3-11,8) ,2 (6,7-11,6) 9,4 (7,1-12,3) ,8 (2,9-8,8) 5,8 (3,4-9,7) ,6 (1,9-5,3) 3,0 (1,9-4,9) 665 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 12,5 (8,7-16,3) 16,7 (12,0-22,6) 605 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 820 Lager secundair 9,7 (7,5-11,8) 9,7 (7,6-12,4) 731 Hoger secundair 8,3 (6,5-10,1) 7,1 (5,6-8,9) 1564 Hoger onderwijs 6,2 (4,9-7,6) 5,0 (3,9-6,3) 1913 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 19,1 (15,8-22,4) 17,6 (14,2-21,6) kwintiel 11,2 (8,3-14,1) 11,5 (8,8-15,0) kwintiel 7,1 (4,8-9,3) 6,4 (4,6-8,7) kwintiel 3,6 (2,0-5,1) 3,1 (2,0-4,8) kwintiel 2,6 (1,3-3,8) 2,0 (1,2-3,4) 839 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 10,0 (8,3-11,6) 9,8 (8,1-11,7) 1675 Eén ouder met kind 19,5 (14,7-24,4) 14,7 (10,9-19,5) 463 Koppel zonder kind(eren) 4,5 (2,6-6,5) 5,1 (3,4-7,7) 1172 Koppel met kind(eren) 7,3 (5,3-9,3) 6,3 (4,6-8,5) 1262 Ander of niet gekend 8,3 (5,3-11,4) 7,6 (5,2-11,1) 309 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 12,7 (11,0-14,5) 11,7 (10,0-13,7) 2584 Halfstedelijk gebied 3,9 (2,4-5,5) 3,8 (2,5-5,7) 1047 Landelijk gebied 5,3 (3,8-6,9) 5,2 (3,8-6,9) 1250 VERBLIJFPLAATS Vlaams Gewest 4,8 (3,5-6,0) 4,7 (3,6-6,1) 1593 Brussels Gewest 22,5 (19,7-25,3) 19,9 (17,2-22,9) 1381 Waals Gewest 8,9 (7,0-10,8) 8,3 (6,6-10,5) 1907 JAAR ,5 (7,4-9,5) 8,4 (7,4-9,5) ,1 (9,1-11,1) 9,9 (9,0-11,0) ,7 (8,7-10,7) 9,2 (8,3-10,2) ,6 (12,1-15,1) 11,9 (10,6-13,2) ,4 (7,4-9,4) 7,8 (6,9-8,9) 4881 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van logistisch regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

45 Tabel 5 Gemiddelde maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen, Vlaams Gewest AC_1 Gemiddelde (Ruw) 95% BI gemid Gemiddelde (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 113,9 (101,2-126,5) 112,8 (100,1-125,4) 931 Vrouwen 101,1 (77,4-124,8) 93,6 (68,8-118,3) 404 LEEFTIJDSGROEP ,0 (0,0-53,8) 22,2 (0-46,4) ,3 (51,3-139,2) 93,7 (48,9-138,6) ,8 (82,1-125,6) 101,1 (79,3-122,8) ,8 (81,7-125,9) 100,8 (78,4-123,3) ,6 (81,1-132,1) 103,8 (78,0-129,6) ,7 (91,4-154,1) 120,5 (88,7-152,3) ,0 (108,0-164,0) 138,5 (110,2-166,7) 189 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 135,8 (99,1-172,5) 103,7 (67,3-140,1) 143 Lager secundair 109,1 (80,0-138,2) 85,5 (57,7-113,4) 184 Hoger secundair 89,4 (73,6-105,2) 72,1 (55,1-89,1) 480 Hoger onderwijs 123,8 (104,2-143,5) 109,1 (84,6-133,7) 521 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 93,7 (70,5-116,9) 87,7 (64,7-110,8) kwintiel 111,1 (87,4-134,8) 101,8 (78,4-125,2) kwintiel 128,3 (101,3-155,4) 123,5 (96,9-150,2) kwintiel 111,0 (90,1-131,9) 108,7 (87,6-129,8) kwintiel 105,0 (77,3-132,7) 105,4 (75,3-135,6) 299 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 75,1 (59,3-91,0) 60,9 (45,3-76,4) 408 Eén ouder met kind 86,6 (44,7-128,6) 91,5 (46,8-136,2) 96 Koppel zonder kind(eren) 126,3 (102,2-150,5) 118,0 (83,8-152,2) 384 Koppel met kind(eren) 138,4 (116,9-160,0) 159,1 (134,0-184,2) 378 Ander of niet gekend 109,4 (67,7-151,1) 113,4 (73,6-153,2) 69 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 109,4 (86,9-131,8) 106,1 (83,3-129,0) 458 Halfstedelijk gebied 111,6 (94,8-128,4) 106,6 (90,2-122,9) 574 Landelijk gebied 110,9 (93,2-128,6) 105,7 (87,2-124,3) 303 JAAR ,6 (120,4-154,7) 135,4 (118,6-152,2) ,6 (126,3-147,0) 132,4 (122,1-142,6) ,2 (116,2-146,2) 127,8 (113,0-142,6) ,1 (119,0-149,2) 133,9 (118,9-148,9) ,7 (99,5-121,9) 105,8 (94,4-117,2) 1335 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 821 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van lineair regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

46 Tabel 6 Aandeel (%) van het beschikbaar inkomen van huishoudens besteed aan uitgaven voor gezondheidszorgen in de afgelopen maand, Vlaams Gewest AC_2 Gemiddelde (Ruw) 95% BI gemid Gemiddelde (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 4,7 (4,1-5,3) 4,8 (4,1-5,4) 931 Vrouwen 6,3 (4,9-7,7) 5,6 (4,2-6,9) 404 LEEFTIJDSGROEP ,0 (0,0-2,1) 1,0 (0,1-1,9) ,5 (2,1-4,8) 3,5 (2,2-4,9) ,6 (2,8-4,4) 3,7 (2,9-4,5) ,7 (2,8-4,5) 3,8 (2,8-4,8) ,2 (3,6-6,8) 5,3 (3,7-7,0) ,5 (4,5-8,5) 6,6 (4,6-8,6) 192 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen ,9 (7,1-10,7) 8,8 (7,0-10,6) 189 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 9,6 (6,7-12,5) 7,1 (4,2-10,1) 143 Lager secundair 6,2 (4,7-7,8) 4,9 (3,5-6,3) 184 Hoger secundair 4,3 (3,4-5,2) 3,8 (2,8-4,7) 480 Hoger onderwijs 4,3 (3,5-5,0) 4,1 (3,1-5,1) 521 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 7,5 (5,4-9,7) 7,1 (5,0-9,2) kwintiel 6,9 (5,3-8,5) 6,0 (4,5-7,5) kwintiel 5,9 (4,6-7,1) 5,7 (4,5-7,0) kwintiel 3,7 (3,0-4,4) 3,9 (3,2-4,6) kwintiel 2,6 (1,9-3,3) 3,1 (2,3-3,9) 299 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 5,7 (4,3-7,0) 4,6 (3,3-5,9) 408 Eén ouder met kind 5,0 (2,2-7,7) 5,5 (2,7-8,2) 96 Koppel zonder kind(eren) 5,9 (4,8-6,9) 5,2 (3,9-6,5) 384 Koppel met kind(eren) 4,0 (3,3-4,6) 5,5 (4,6-6,4) 378 Ander of niet gekend 4,0 (2,6-5,4) 4,3 (2,9-5,7) 69 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 5,5 (4,2-6,7) 5,4 (4,1-6,7) 458 Halfstedelijk gebied 5,0 (4,2-5,7) 4,7 (4,0-5,4) 574 Landelijk gebied 4,9 (3,9-5,9) 5,0 (4,0-6,0) 303 JAAR ,4 (4,7-6,2) 6,1 (5,3-6,8) ,2 (5,7-6,7) 6,2 (5,7-6,7) ,8 (5,0-6,5) 6,0 (5,3-6,7) ,7 (5,1-6,3) 6,0 (5,5-6,6) ,1 (4,5-5,7) 5,0 (4,4-5,6) 1335 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van lineair regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

47 Tabel 7 Percentage van de huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, Vlaams Gewest AC_3 % (Ruw) 95% BI ruw % (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 17,8 (15,2-20,5) 17,8 (15,3-20,6) 1106 Vrouwen 29,0 (23,9-34,0) 26,9 (22,2-32,1) 486 LEEFTIJDSGROEP ,7 (0,0-45,4) 21,1 (6,9-49,1) ,2 (12,9-25,5) 19,6 (13,9-26,8) ,0 (13,5-24,4) 19,9 (14,8-26,1) ,9 (9,3-18,5) 14,8 (10,5-20,3) ,1 (15,6-26,6) 22,1 (17,0-28,4) ,4 (16,5-28,2) 23,1 (17,7-29,6) ,8 (22,9-36,7) 28,1 (21,8-35,4) 241 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 45,5 (36,9-54,1) 46,3 (36,8-56,1) 185 Lager secundair 29,2 (22,1-36,3) 30,2 (23,5-38,0) 226 Hoger secundair 20,8 (17,1-24,4) 21,3 (17,7-25,4) 581 Hoger onderwijs 9,1 (6,3-11,9) 9,1 (6,6-12,5) 591 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 44,7 (37,4-52,1) 45,0 (37,7-52,5) kwintiel 31,9 (25,3-38,5) 31,3 (25,0-38,3) kwintiel 23,0 (17,3-28,6) 23,2 (17,9-29,6) kwintiel 8,7 (5,4-11,9) 8,9 (6,0-12,9) kwintiel 3,3 (0,9-5,7) 3,4 (1,6-7,1) 320 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 27,5 (22,6-32,4) 24,7 (19,7-30,4) 479 Eén ouder met kind 36,7 (26,2-47,3) 38,7 (28,1-50,6) 114 Koppel zonder kind(eren) 17,1 (13,3-20,9) 15,7 (12,1-20,2) 477 Koppel met kind(eren) 12,1 (8,6-15,7) 14,2 (10,2-19,5) 435 Ander of niet gekend 31,5 (19,9-43,1) 32,1 (21,5-44,9) 87 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 21,0 (17,0-24,9) 20,2 (16,4-24,7) 536 Halfstedelijk gebied 20,1 (16,6-23,6) 19,8 (16,4-23,8) 698 Landelijk gebied 21,3 (16,0-26,5) 22,5 (17,7-28,2) 358 JAAR ,2 (22,2-28,1) 28,7 (25,6-32,1) ,2 (23,6-28,8) 26,8 (24,2-29,6) ,7 (22,4-27,0) 25,4 (23,1-27,9) ,2 (27,1-33,4) 30,3 (27,2-33,5) ,7 (18,3-23,0) 20,0 (17,7-22,5) 1592 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 823 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van logistisch regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

48 Tabel 8 Percentage van de huishoudens dat aangeeft medische consumptie te hebben moeten uitstellen, Vlaams Gewest AC_4 % (Ruw) 95% BI ruw % (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 4,2 (2,7-5,7) 3,6 (2,5-5,1) 1107 Vrouwen 6,4 (4,0-8,8) 6,4 (4,3-9,5) 486 LEEFTIJDSGROEP ,0 (0,0-9,5) 2,8 (0,4-18,5) ,3 (2,2-10,3) 6,3 (3,3-11,9) ,0 (2,6-9,5) 6,4 (3,6-11,1) ,7 (1,9-7,5) 5,0 (2,7-9,1) ,3 (3,5-11,2) 7,7 (4,6-12,8) ,5 (0,1-3,0) 1,6 (0,6-4,0) ,5 (0,3-4,7) 2,2 (0,9-5,2) 241 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 824 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 6,4 (2,5-10,4) 8,9 (4,6-16,7) 186 Lager secundair 3,5 (1,1-5,9) 3,5 (1,7-6,9) 226 Hoger secundair 6,2 (3,5-8,8) 5,2 (3,3-7,9) 581 Hoger onderwijs 3,1 (1,5-4,7) 2,4 (1,4-4,2) 591 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 12,1 (7,2-17,1) 11,6 (7,5-17,4) kwintiel 7,8 (3,7-11,9) 7,6 (4,5-12,7) kwintiel 4,9 (2,0-7,9) 4,1 (2,2-7,5) kwintiel 1,2 (0,1-2,4) 0,9 (0,3-2,5) kwintiel 1,0 (0,0-2,2) 0,7 (0,2-2,4) 320 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 6,3 (3,9-8,7) 6,1 (4,0-9,2) 480 Eén ouder met kind 11,4 (4,3-18,4) 9,5 (5,1-16,9) 114 Koppel zonder kind(eren) 2,1 (0,4-3,9) 2,0 (0,9-4,4) 477 Koppel met kind(eren) 5,1 (2,3-7,9) 4,3 (2,3-7,9) 435 Ander of niet gekend 2,5 (0,0-6,4) 2,1 (0,5-9,3) 87 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 8,2 (5,4-11,0) 7,4 (5,2-10,5) 538 Halfstedelijk gebied 3,0 (1,3-4,7) 2,7 (1,5-4,8) 697 Landelijk gebied 3,2 (1,4-5,1) 3,0 (1,6-5,6) 358 JAAR ,2 (2,9-5,5) 4,5 (3,3-6,0) ,7 (4,5-7,0) 5,9 (4,7-7,3) ,0 (3,8-6,2) 5,0 (4,0-6,4) ,9 (8,6-13,2) 9,9 (8,1-12,0) ,8 (3,5-6,0) 4,7 (3,5-6,1) 1593 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van logistisch regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

49 Tabel 9 Gemiddelde maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen, Brussels Gewest AC_1 Gemiddelde (Ruw) 95% BI gemid Gemiddelde (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 111,0 (88,8-133,2) 113,5 (93,1-134,0) 609 Vrouwen 94,8 (75,9-113,7) 100,3 (81,5-119,0) 483 LEEFTIJDSGROEP ,5 (0,0-100,2) 49,0 (0-100,1) ,4 (46,6-84,1) 66,8 (47,9-85,6) ,7 (99,1-198,3) 149,2 (99,5-198,8) ,4 (71,7-119,1) 95,9 (72,4-119,5) ,5 (82,2-158,8) 121,3 (83,0-159,7) ,9 (68,2-125,6) 99,1 (70,6-127,7) ,1 (84,2-158,0) 124,3 (87,9-160,7) 106 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 93,7 (55,5-131,9) 82,6 (43,4-121,7) 104 Lager secundair 115,3 (55,3-175,3) 107,2 (49,1-165,3) 161 Hoger secundair 95,5 (71,8-119,3) 91,6 (68,8-114,4) 314 Hoger onderwijs 108,0 (86,8-129,1) 103,3 (81,0-125,6) 491 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 86,3 (65,7-106,9) 91,4 (71,8-111,1) kwintiel 115,1 (74,6-155,6) 120,5 (81,8-159,1) kwintiel 120,9 (75,1-166,6) 128,9 (83,1-174,6) kwintiel 84,9 (54,1-115,8) 92,0 (61,3-122,7) kwintiel 113,9 (81,8-146,0) 113,0 (81,7-144,3) 229 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 68,9 (55,1-82,7) 77,5 (62,0-92,9) 420 Eén ouder met kind 134,0 (58,6-209,5) 140,5 (52,4-228,6) 134 Koppel zonder kind(eren) 112,5 (83,0-141,9) 115,1 (85,4-144,7) 178 Koppel met kind(eren) 166,3 (123,7-209,0) 169,9 (126,9-212,9) 275 Ander of niet gekend 122,9 (44,8-201,1) 129,4 (55,8-203,0) 85 JAAR ,6 (122,6-154,6) 146,5 (130,1-162,9) ,3 (132,9-161,8) 152,5 (137,8-167,2) ,5 (95,9-119,2) 116,8 (104,7-128,8) ,8 (107,8-143,7) 136,9 (118,4-155,3) ,0 (89,0-119,1) 114,5 (99,5-129,6) 1092 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 825 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van lineair regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

50 Tabel 10 Aandeel (%) van het beschikbaar inkomen van huishoudens besteed aan uitgaven voor gezondheidszorgen in de afgelopen maand, Brussels Gewest AC_2 Gemiddelde (Ruw) 95% BI gemid Gemiddelde (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 5,2 (4,2-6,1) 5,5 (4,6-6,5) 609 Vrouwen 5,4 (4,4-6,5) 5,7 (4,7-6,8) 483 LEEFTIJDSGROEP ,9 (0,0-6,3) 2,9 (0-6,2) ,7 (2,5-4,9) 3,7 (2,5-4,9) ,7 (4,6-8,7) 6,6 (4,6-8,7) ,3 (3,1-5,5) 4,3 (3,1-5,5) ,8 (4,2-7,3) 5,8 (4,2-7,3) ,4 (3,9-6,9) 5,4 (3,8-6,9) 100 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen ,4 (5,5-11,4) 8,4 (5,5-11,2) 106 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 7,2 (4,2-10,1) 6,6 (3,6-9,5) 104 Lager secundair 6,3 (3,6-8,9) 5,9 (3,3-8,6) 161 Hoger secundair 5,4 (4,1-6,6) 5,3 (4,1-6,5) 314 Hoger onderwijs 4,5 (3,7-5,4) 4,4 (3,3-5,6) 491 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 6,4 (5,1-7,8) 6,9 (5,6-8,2) kwintiel 7,1 (4,8-9,4) 7,3 (5,1-9,5) kwintiel 5,7 (3,7-7,6) 6,1 (4,1-8,1) kwintiel 3,4 (2,0-4,8) 3,8 (2,4-5,2) kwintiel 3,1 (2,3-3,9) 3,3 (2,4-4,2) 229 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 4,8 (3,8-5,8) 5,2 (4,1-6,2) 420 Eén ouder met kind 6,6 (3,4-9,9) 7,0 (3,1-10,8) 134 Koppel zonder kind(eren) 4,9 (3,7-6,1) 5,0 (3,7-6,3) 178 Koppel met kind(eren) 6,0 (4,6-7,3) 6,5 (4,9-8,0) 275 Ander of niet gekend 5,6 (2,0-9,3) 6,1 (2,7-9,6) 85 JAAR ,5 (5,7-7,2) 6,8 (6,1-7,6) ,9 (6,2-7,6) 7,1 (6,4-7,7) ,9 (4,4-5,4) 5,3 (4,8-5,8) ,0 (5,3-6,6) 6,4 (5,8-7,1) ,3 (4,6-6,0) 5,7 (5,0-6,4) 1092 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van lineair regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

51 Tabel 11 Percentage van de huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, Brussels Gewest AC_3 % (Ruw) 95% BI ruw % (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 32,9 (28,9-36,9) 32,5 (28,6-36,7) 778 Vrouwen 41,3 (36,3-46,4) 41,9 (36,9-47,0) 599 LEEFTIJDSGROEP ,7 (0,2-27,2) 12,6 (4,7-29,4) ,1 (26,6-41,7) 33,0 (26,1-40,7) ,4 (31,7-45,2) 38,0 (31,5-45,0) ,0 (32,6-47,4) 39,5 (32,3-47,2) ,8 (33,7-50,0) 41,3 (33,7-49,3) ,8 (19,4-36,2) 27,1 (19,7-36,0) ,0 (31,1-48,9) 37,8 (29,2-47,2) 156 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 66,1 (56,6-75,5) 64,7 (54,1-74,0) 143 Lager secundair 53,0 (44,4-61,5) 50,7 (42,2-59,0) 194 Hoger secundair 39,1 (33,4-44,8) 38,7 (33,2-44,5) 384 Hoger onderwijs 23,8 (19,3-28,2) 22,1 (18,1-26,8) 623 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 58,8 (52,9-64,6) 59,9 (53,7-65,9) kwintiel 51,5 (42,4-60,6) 51,4 (42,7-60,0) kwintiel 38,0 (29,7-46,2) 38,7 (30,9-47,2) kwintiel 19,1 (12,4-25,9) 18,4 (12,6-26,0) kwintiel 12,1 (6,9-17,2) 10,9 (6,7-17,0) 244 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 37,0 (31,9-42,0) 37,1 (32,1-42,3) 527 Eén ouder met kind 53,3 (43,6-62,9) 48,5 (37,6-59,5) 160 Koppel zonder kind(eren) 26,8 (19,6-34,0) 27,7 (20,8-35,9) 243 Koppel met kind(eren) 35,0 (29,2-40,8) 34,5 (28,6-40,9) 342 Ander of niet gekend 35,9 (25,2-46,5) 35,8 (26,0-46,9) 105 JAAR ,2 (40,0-46,5) 43,8 (40,5-47,1) ,2 (34,7-41,6) 38,3 (34,8-41,8) ,1 (37,4-42,8) 40,4 (37,7-43,2) ,2 (42,0-48,3) 45,2 (42,0-48,3) ,5 (33,3-39,6) 36,6 (33,5-39,8) 1377 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 827 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van logistisch regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

52 Tabel 12 Percentage van de huishoudens dat aangeeft medische consumptie te hebben moeten uitstellen, Brussels Gewest AC_4 % (Ruw) 95% BI ruw % (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 21,0 (17,5-24,5) 19,4 (16,1-23,2) 779 Vrouwen 24,5 (20,0-29,0) 23,6 (19,6-28,1) 602 LEEFTIJDSGROEP ,3 (4,6-46,0) 24,2 (9,7-48,7) ,0 (15,9-30,1) 22,5 (16,4-30,0) ,6 (19,5-31,7) 25,3 (19,7-31,9) ,2 (19,1-31,4) 25,0 (19,4-31,6) ,9 (17,4-30,5) 23,7 (17,9-30,6) ,5 (9,3-23,6) 16,1 (10,2-24,7) ,3 (6,7-17,9) 11,6 (7,2-18,3) 156 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 828 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 28,4 (19,8-37,0) 29,1 (20,9-39,0) 143 Lager secundair 36,2 (27,9-44,5) 34,4 (26,7-42,9) 194 Hoger secundair 22,8 (18,1-27,5) 20,6 (16,3-25,7) 384 Hoger onderwijs 17,2 (13,0-21,3) 15,1 (11,7-19,2) 626 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 39,2 (33,4-44,9) 36,7 (31,0-42,9) kwintiel 32,6 (23,1-42,0) 31,5 (23,2-41,3) kwintiel 16,3 (10,5-22,2) 15,7 (10,7-22,4) kwintiel 13,0 (7,6-18,5) 12,1 (7,8-18,4) kwintiel 6,5 (2,6-10,3) 5,6 (3,0-10,4) 244 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 22,8 (18,3-27,3) 22,1 (18,1-26,8) 530 Eén ouder met kind 35,8 (26,4-45,3) 32,1 (22,4-43,7) 160 Koppel zonder kind(eren) 14,3 (9,6-19,0) 14,7 (10,4-20,3) 244 Koppel met kind(eren) 20,8 (15,9-25,7) 18,4 (14,1-23,8) 342 Ander of niet gekend 26,1 (16,4-35,8) 23,8 (15,6-34,6) 105 JAAR ,0 (16,5-21,5) 18,0 (15,6-20,6) ,9 (19,0-24,9) 20,8 (18,1-23,8) ,2 (15,1-19,3) 15,8 (13,9-17,9) ,6 (22,5-28,7) 23,0 (20,4-25,9) ,5 (19,7-25,3) 20,5 (18,0-23,4) 1381 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van logistisch regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

53 Tabel 13 Gemiddelde maandelijkse uitgaven voor gezondheidszorgen, Waals Gewest AC_1 Gemiddelde (Ruw) 95% BI gemid Gemiddelde (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 112,2 (92,2-132,1) 109,0 (90,1-128,0) 955 Vrouwen 88,7 (68,1-109,3) 88,1 (66,1-110,1) 578 LEEFTIJDSGROEP ,9 (0,1-25,6) 16,5 (1,9-31,1) ,4 (29,6-95,2) 61,1 (27,6-94,6) ,7 (103,8-193,5) 147,6 (103,2-192,0) ,9 (77,0-174,8) 125,2 (76,8-173,7) ,6 (67,3-105,8) 85,7 (66,8-104,7) ,6 (76,5-112,7) 95,1 (76,9-113,3) ,5 (69,2-111,7) 95,5 (72,6-118,5) 203 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 89,3 (54,2-124,5) 82,7 (42,1-123,2) 214 Lager secundair 78,8 (57,6-99,9) 63,7 (42,3-85,2) 257 Hoger secundair 96,3 (69,9-122,7) 81,7 (57,5-105,8) 495 Hoger onderwijs 128,2 (99,2-157,2) 108,5 (81,8-135,1) 545 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 80,6 (54,3-107,0) 82,6 (56,4-108,8) kwintiel 108,8 (75,3-142,4) 108,9 (75,2-142,6) kwintiel 133,5 (92,5-174,6) 131,9 (92,3-171,5) kwintiel 111,8 (70,7-152,8) 102,9 (63,2-142,5) kwintiel 89,7 (70,7-108,8) 86,9 (67,9-105,9) 262 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 60,9 (48,7-73,1) 61,0 (46,4-75,6) 554 Eén ouder met kind 114,4 (49,4-179,3) 107,0 (45,7-168,3) 154 Koppel zonder kind(eren) 103,1 (85,6-120,6) 106,4 (83,5-129,2) 359 Koppel met kind(eren) 161,7 (115,9-207,5) 154,5 (111,9-197,1) 374 Ander of niet gekend 141,7 (62,1-221,3) 142,4 (61,6-223,2) 92 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 104,7 (84,7-124,6) 106,5 (86,7-126,3) 587 Halfstedelijk gebied 83,1 (64,5-101,7) 78,3 (59,2-97,4) 292 Landelijk gebied 109,8 (81,4-138,2) 103,4 (75,9-130,9) 654 JAAR ,5 (132,1-169,0) 150,2 (131,9-168,4) ,9 (141,8-165,9) 151,7 (139,7-163,7) ,8 (122,4-151,2) 136,0 (121,8-150,3) ,9 (99,9-137,9) 121,1 (101,6-140,5) ,0 (89,1-118,9) 101,7 (86,8-116,5) 1533 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 829 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van lineair regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

54 Tabel 14 Aandeel (%) van het beschikbaar inkomen van huishoudens besteed aan uitgaven voor gezondheidszorgen in de afgelopen maand, Waals Gewest AC_2 Gemiddelde (Ruw) 95% BI gemid Gemiddelde (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 4,9 (4,1-5,7) 4,9 (4,1-5,6) 955 Vrouwen 5,7 (4,4-7,0) 5,6 (4,2-6,9) 578 LEEFTIJDSGROEP ,6 (0,0-3,7) 1,5 (0-3,3) ,8 (1,6-3,9) 2,8 (1,7-4,0) ,6 (4,4-8,8) 6,6 (4,4-8,8) ,4 (3,4-7,3) 5,4 (3,4-7,3) ,2 (3,3-5,1) 4,2 (3,3-5,1) ,7 (4,4-7,1) 5,7 (4,4-7,0) 237 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen ,3 (4,5-8,1) 6,2 (4,3-8,0) 203 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 7,0 (4,5-9,5) 6,3 (3,6-9,0) 214 Lager secundair 5,1 (3,6-6,6) 4,5 (3,0-6,1) 257 Hoger secundair 5,0 (3,7-6,3) 4,6 (3,3-5,8) 495 Hoger onderwijs 4,6 (3,7-5,6) 4,1 (3,1-5,1) 545 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 6,5 (4,9-8,1) 6,5 (5,0-8,1) kwintiel 6,7 (4,8-8,6) 6,3 (4,3-8,3) kwintiel 5,9 (4,2-7,5) 5,9 (4,3-7,5) kwintiel 3,6 (2,6-4,7) 3,3 (2,3-4,4) kwintiel 2,4 (1,9-2,9) 2,5 (1,9-3,0) 262 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 4,9 (3,8-5,9) 4,7 (3,6-5,8) 554 Eén ouder met kind 7,0 (2,7-11,3) 6,8 (2,8-10,8) 154 Koppel zonder kind(eren) 4,6 (3,8-5,4) 4,6 (3,5-5,7) 359 Koppel met kind(eren) 5,4 (3,9-6,8) 5,3 (3,8-6,9) 374 Ander of niet gekend 6,3 (3,0-9,7) 6,5 (3,1-9,9) 92 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 5,6 (4,6-6,7) 5,6 (4,6-6,7) 587 Halfstedelijk gebied 3,8 (2,9-4,7) 3,7 (2,8-4,5) 292 Landelijk gebied 5,0 (3,8-6,2) 4,8 (3,6-6,0) 654 JAAR ,3 (5,6-6,9) 6,7 (6,1-7,4) ,3 (6,7-7,9) 7,3 (6,7-7,9) ,3 (5,6-7,1) 6,5 (5,8-7,2) ,8 (5,1-6,5) 6,0 (5,2-6,7) ,2 (4,5-5,9) 5,1 (4,4-5,8) 1533 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van lineair regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

55 Tabel 15 Percentage van de huishoudens dat aangeeft dat bijdragen voor gezondheidszorgen moeilijk passen binnen het huishoudbudget, Waals Gewest AC_3 % (Ruw) 95% BI ruw % (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 26,5 (23,0-30,0) 26,2 (22,8-29,9) 1207 Vrouwen 39,2 (34,2-44,1) 38,6 (33,8-43,6) 696 LEEFTIJDSGROEP ,8 (11,3-58,3) 32,3 (15,4-55,7) ,3 (14,5-28,0) 21,3 (15,4-28,8) ,7 (22,7-36,7) 30,1 (23,6-37,5) ,3 (28,1-40,5) 34,9 (29,1-41,3) ,4 (22,4-34,4) 28,7 (23,0-35,2) ,9 (24,2-41,7) 32,6 (24,1-42,5) ,0 (26,8-43,1) 32,1 (24,4-40,9) 267 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 50,0 (41,2-58,8) 50,4 (40,9-59,8) 274 Lager secundair 40,2 (32,9-47,5) 39,7 (32,4-47,4) 309 Hoger secundair 32,3 (27,3-37,3) 31,6 (26,8-36,8) 598 Hoger onderwijs 16,6 (13,0-20,3) 16,1 (12,8-20,1) 697 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 52,8 (46,2-59,4) 52,5 (45,7-59,3) kwintiel 42,7 (35,6-49,7) 39,8 (32,8-47,2) kwintiel 30,4 (23,3-37,5) 30,2 (23,5-37,8) kwintiel 15,9 (10,5-21,3) 14,6 (10,2-20,6) kwintiel 6,8 (2,9-10,7) 6,7 (3,8-11,7) 275 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 35,0 (30,2-39,9) 33,5 (28,4-38,9) 662 Eén ouder met kind 50,6 (40,5-60,6) 46,4 (35,9-57,2) 189 Koppel zonder kind(eren) 27,2 (20,7-33,7) 28,7 (22,5-35,8) 450 Koppel met kind(eren) 21,2 (16,4-26,0) 21,3 (16,2-27,7) 486 Ander of niet gekend 31,5 (20,7-42,4) 31,1 (21,2-43,1) 116 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 34,3 (29,8-38,9) 33,8 (29,4-38,5) 661 Halfstedelijk gebied 30,5 (23,7-37,4) 29,3 (23,1-36,4) 349 Landelijk gebied 26,5 (22,3-30,8) 25,8 (21,7-30,4) 893 JAAR ,3 (38,7-45,8) 44,3 (40,8-48,0) ,7 (29,1-34,4) 32,0 (29,4-34,7) ,8 (31,0-36,6) 34,1 (31,3-37,0) ,0 (35,9-42,2) 38,4 (35,3-41,6) ,7 (27,9-33,6) 30,1 (27,3-33,0) 1903 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 831 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van logistisch regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

56 Tabel 16 Percentage van de huishoudens dat aangeeft medische consumptie te hebben moeten uitstellen, Waals Gewest AC_4 % (Ruw) 95% BI ruw % (Corr*) 95% BI stand N GESLACHT Mannen 7,4 (5,0-9,8) 6,5 (4,6-9,0) 1209 Vrouwen 11,8 (8,6-15,1) 11,8 (8,8-15,6) 698 LEEFTIJDSGROEP ,3 (0,0-13,4) 5,5 (1,8-15,5) ,6 (3,6-13,6) 8,5 (4,8-14,8) ,8 (7,0-16,7) 11,8 (7,8-17,4) ,6 (6,7-14,6) 10,7 (7,3-15,4) ,7 (4,4-11,0) 7,6 (4,9-11,7) ,6 (2,5-18,7) 10,2 (4,4-22,1) ,2 (0,3-6,2) 2,7 (1,1-6,7) 268 FINANCIËLE TOEGANKELIJKHEID 7. Tabellen 832 OPLEIDINGSNIVEAU Lager/geen diploma 16,7 (8,9-24,5) 20,1 (12,6-30,6) 276 Lager secundair 9,8 (5,9-13,8) 8,6 (5,5-13,3) 311 Hoger secundair 7,6 (4,9-10,3) 5,9 (4,0-8,6) 599 Hoger onderwijs 6,0 (3,4-8,6) 4,5 (2,8-7,2) 696 EQUIVALENT INKOMEN 1 kwintiel 17,3 (11,4-23,1) 15,2 (10,1-22,2) kwintiel 10,6 (6,6-14,6) 10,1 (6,8-14,7) kwintiel 7,6 (3,6-11,7) 6,7 (3,8-11,4) kwintiel 5,8 (1,7-9,9) 4,8 (2,3-9,8) kwintiel 4,2 (0,6-7,8) 3,5 (1,5-8,2) 275 HUISHOUDTYPE Alleenstaande 8,5 (5,9-11,1) 8,1 (5,7-11,2) 665 Eén ouder met kind 21,0 (12,3-29,6) 14,6 (8,7-23,5) 189 Koppel zonder kind(eren) 7,3 (2,0-12,7) 8,2 (4,3-15,1) 451 Koppel met kind(eren) 7,0 (3,9-10,2) 5,8 (3,5-9,2) 485 Ander of niet gekend 9,9 (4,4-15,3) 8,6 (4,8-15,0) 117 URBANISATIEGRAAD Stedelijk gebied 10,0 (6,7-13,3) 8,8 (6,1-12,5) 665 Halfstedelijk gebied 9,4 (5,5-13,4) 8,4 (5,3-13,1) 350 Landelijk gebied 7,4 (5,0-9,9) 6,8 (4,8-9,5) 892 JAAR ,1 (8,9-13,3) 10,4 (8,5-12,7) ,3 (11,5-15,2) 12,7 (10,9-14,7) ,6 (12,4-16,8) 13,5 (11,5-15,7) ,9 (11,6-16,1) 11,8 (9,9-13,9) ,9 (7,0-10,8) 8,0 (6,3-10,1) 1907 Bron: Gezondheidsenquête, België, 2013 *Correctie voor leeftijd en/of geslacht op basis van logistisch regressiemodel (Belgische bevolking van 2013 als referentie)

57

58 Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid OPERATIONELE DIRECTIE VOLKSGEZONDHEID EN SURVEILLANCE Juliette Wytsmanstraat Brussel België Verantwoordelijke uitgever: Dr. Johan Peeters Depotnummer: D/2015/2505/01

Toegankelijkheid van gezondheidszorgen

Toegankelijkheid van gezondheidszorgen Toegankelijkheid van gezondheidszorgen Stefaan Demarest Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57

Nadere informatie

Gezondheidsenquête, België Methodologie. Wetenschap ten dienste van Volksgezondheid, Voedselveiligheid en Leefmilieu.

Gezondheidsenquête, België Methodologie. Wetenschap ten dienste van Volksgezondheid, Voedselveiligheid en Leefmilieu. Methodologie Wetenschap ten dienste van Volksgezondheid, Voedselveiligheid en Leefmilieu. Methodologie Inleiding Om sociale ongelijkheden in gezondheid in kaart te brengen en om mogelijke trends in de

Nadere informatie

Leefstijl en preventie

Leefstijl en preventie Leefstijl en preventie Wetenschap ten dienste van Volksgezondheid, Voedselveiligheid en Leefmilieu. . Inhoudstafel Inhoudstafel... 59 Bestudeerde indicatoren... 61 1. Voedingsgewoonten.... 61 3. Gebruik

Nadere informatie

GEZONDHEIDSENQUETE 2013

GEZONDHEIDSENQUETE 2013 GEZONDHEIDSENQUETE 2013 RAPPORT 3: GEBRUIK VAN GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSDIENSTEN Sabine Drieskens, Lydia Gisle (ed.) Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance

Nadere informatie

Samenvatting van de IMA-studie. Sociaaleconomisch profiel en zorgconsumptie van personen in primaire arbeidsongeschiktheid

Samenvatting van de IMA-studie. Sociaaleconomisch profiel en zorgconsumptie van personen in primaire arbeidsongeschiktheid 1 Samenvatting van de IMA-studie Sociaaleconomisch profiel en zorgconsumptie van personen in primaire arbeidsongeschiktheid Het aantal arbeidsongeschikten alsook de betaalde uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid

Nadere informatie

GEZONDHEIDSENQUETE 2013

GEZONDHEIDSENQUETE 2013 GEZONDHEIDSENQUETE 2013 RAPPORT 3: GEBRUIK VAN GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSDIENSTEN Sabine Drieskens, Lydia Gisle (ed.) Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance

Nadere informatie

6.7.1. Ongelijkheden in gezondheidstoestand, levensstijl en preventie

6.7.1. Ongelijkheden in gezondheidstoestand, levensstijl en preventie 6.7. Ongelijkheid in Gezondheid 6.7.1. 6.7.1.1. Samenvatting 6.7.1.1.1 Gezondheidsstatus De perceptie van de eigen gezondheid vertoont een negatieve samenhang met het opleidingsniveau: bij personen zonder

Nadere informatie

GEZONDHEIDSENQUETE 2013

GEZONDHEIDSENQUETE 2013 GEZONDHEIDSENQUETE 2013 RAPPORT 1: GEZONDHEID EN WELZIJN Johan Van Der Heyden, Rana Charafeddine (ed.) Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J.

Nadere informatie

GEZONDHEIDSENQUETE 2013

GEZONDHEIDSENQUETE 2013 GEZONDHEIDSENQUETE 2013 RAPPORT 3: GEBRUIK VAN GEZONDHEIDS- EN WELZIJNSDIENSTEN Sabine Drieskens, Lydia Gisle (ed.) Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance

Nadere informatie

Contacten met paramedische zorgverstrekkers

Contacten met paramedische zorgverstrekkers Contacten met paramedische zorgverstrekkers Edith Hesse Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57

Nadere informatie

Socio-economische ongelijkheden in gezondheid in het Vlaams Gewest

Socio-economische ongelijkheden in gezondheid in het Vlaams Gewest Socio-economische ongelijkheden in gezondheid in het Vlaams Gewest Analyse indicatoren Gezond leven Analyse van de gezondheidsenquête in opdracht van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid Door Sabine

Nadere informatie

Preventie van wiegendood bij zuigelingen

Preventie van wiegendood bij zuigelingen Preventie van wiegendood bij zuigelingen Edith Hesse Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57 71

Nadere informatie

4. Resultaten. 4.1 Levensverwachting naar geslacht en opleidingsniveau

4. Resultaten. 4.1 Levensverwachting naar geslacht en opleidingsniveau 4. Het doel van deze studie is de verschillen in gezondheidsverwachting naar een socio-economisch gradiënt, met name naar het hoogst bereikte diploma, te beschrijven. Specifieke gegevens in enkel mortaliteit

Nadere informatie

Vaccinatie. Jean Tafforeau

Vaccinatie. Jean Tafforeau Vaccinatie Jean Tafforeau Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57 71 E-mail : [email protected]

Nadere informatie

Vlaams Patiëntenpanel

Vlaams Patiëntenpanel Vlaams Patiëntenpanel Onderzoek kosten: Toelichting resultaten 1. Beschrijving respondenten 571 ingevulde bevragingen 71% vrouw Geografische spreiding: lichte oververtegenwoordiging Oost- en West- Vlaanderen,

Nadere informatie

Onderzoek kosten Vlaams Patiëntenpanel Ontwerp vragenlijst

Onderzoek kosten Vlaams Patiëntenpanel Ontwerp vragenlijst Datum: 21-05-2013 Voor: Document: nota Volg nr. : ph Onderzoek kosten Vlaams Patiëntenpanel Ontwerp vragenlijst Een chronische ziekte kan gepaard gaan met belangrijke meeruitgaven. Met deze bevraging van

Nadere informatie

Het Inkomen van Chronisch zieke mensen

Het Inkomen van Chronisch zieke mensen Het Inkomen van Chronisch zieke mensen een uiteenzetting door: Greet Verbergt voor t Lichtpuntje & Vlaamse pijnliga 18 april 2009 Greet Verbergt is navorser en collega van Prof. Bea Cantillon aan het Centrum

Nadere informatie

Contacten met de huisarts

Contacten met de huisarts Contacten met de huisarts Johan Van der Heyden Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57 26 E-mail

Nadere informatie

Gezondheidsenquête door middel van Interview België 2001

Gezondheidsenquête door middel van Interview België 2001 Gezondheidsenquête door middel van Interview België 2001 Deel 1 Methoden IPH/EPI REPORTS nr 2002-22 Afdeling Epidemiologie Juliette Wytsmanstraat 14 1050 Brussel Tel : 02/642.57.94 e-mail : [email protected]

Nadere informatie

GEZONDHEIDSENQUETE 2013

GEZONDHEIDSENQUETE 2013 GEZONDHEIDSENQUETE 2013 RAPPORT 2: GEZONDHEIDSGEDRAG EN LEEFSTIJL Lydia Gisle, Stefaan Demarest (ed.) Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J.

Nadere informatie

De verhoogde tegemoetkoming en de sociale maximumfactuur

De verhoogde tegemoetkoming en de sociale maximumfactuur De verhoogde tegemoetkoming en de sociale maximumfactuur 41 Het omnio-statuut en de sociale maximumfactuur De verhoogde tegemoetkoming en de sociale maximumfactuur 41 Nuttige info Verhoogde tegemoetkoming

Nadere informatie

De Belgische kinesitherapeut verdient 33.000 euro per jaar, een tandarts 103.000 en een huisarts 165.000.

De Belgische kinesitherapeut verdient 33.000 euro per jaar, een tandarts 103.000 en een huisarts 165.000. De Belgische kinesitherapeut verdient 33.000 euro per jaar, een tandarts 103.000 en een huisarts 165.000. De afgelopen tien jaar is het gemiddelde inkomen van de Belgische kinesitherapeut met 40% gestegen,

Nadere informatie

GEZONDHEIDSENQUETE 2013

GEZONDHEIDSENQUETE 2013 GEZODHEIDSEQUETE 2013 RAPPORT 3: GEBRUIK VA GEZODHEIDS- E WELZIJSDIESTE Sabine Drieskens, Lydia Gisle (ed.) Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance

Nadere informatie

Inleiding. Sabine Drieskens

Inleiding. Sabine Drieskens Inleiding Sabine Drieskens Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 50 25 E-mail : [email protected]

Nadere informatie

GEZONDHEIDSENQUETE 2013

GEZONDHEIDSENQUETE 2013 GEZONDHEIDSENQUETE 2013 RAPPORT 5: PREVENTIE Stefaan Demarest, Rana Charafeddine (ed.) Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat

Nadere informatie

Resultaten voor Vlaamse Gemeenschap Contacten met de Huisarts Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor Vlaamse Gemeenschap Contacten met de Huisarts Gezondheidsenquête, België, 1997 7.1.1. Inleiding De huisarts vervult een essentiële rol binnen het geheel van de gezondheidszorg. Deze rol is bovendien in volle evolutie. Thema s zoals het globaal medisch dossier en de echelonnering

Nadere informatie

De honden en katten van de Belgen

De honden en katten van de Belgen ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 31 juli 2007 De honden en katten van de Belgen Highlights Ons land telde in 2004 1.064.000 honden en 1.954.000 katten; In vergelijking

Nadere informatie

Barometer kinesitherapie 2013

Barometer kinesitherapie 2013 Barometer kinesitherapie 2013 Ingevolge de nomenclatuurhervorming van 2002, lag het uitgavenniveau voor kinesitherapie in 2003 op het laagste niveau sinds 1991. Vanaf 2004 beginnen de uitgaven opnieuw

Nadere informatie

TOELICHTING BIJ DE OPNAMEVERKLARING: kamerkeuze & financiële voorwaarden voor een opname in een psychiatrisch ziekenhuis

TOELICHTING BIJ DE OPNAMEVERKLARING: kamerkeuze & financiële voorwaarden voor een opname in een psychiatrisch ziekenhuis Nakuurhome Papiermoleken Oudebaan 293 3000 Leuven TOELICHTING BIJ DE OPNAMEVERKLARING: kamerkeuze & financiële voorwaarden voor een opname in een psychiatrisch ziekenhuis Inleiding Met dit document willen

Nadere informatie

Campagne Eenzaamheid Bond zonder Naam

Campagne Eenzaamheid Bond zonder Naam Campagne Eenzaamheid Bond zonder Naam Leen Heylen, CELLO, Universiteit Antwerpen Thomas More Kempen Het begrip eenzaamheid Eenzaamheid is een pijnlijke, negatieve ervaring die zijn oorsprong vindt in een

Nadere informatie

De verhoogde tegemoetkoming en de sociale maximumfactuur

De verhoogde tegemoetkoming en de sociale maximumfactuur De verhoogde tegemoetkoming en de sociale maximumfactuur 41 Nuttige info Verhoogde tegemoetkoming De verhoogde tegemoetkoming (VT) is een beschermingsmaatregel voor personen met een laag gezinsinkomen.

Nadere informatie

Resultaten voor Brussels Gewest Gezondheidsklachten Gezondheidsenquête, België, 1997

Resultaten voor Brussels Gewest Gezondheidsklachten Gezondheidsenquête, België, 1997 5.4.1. Inleiding De meerwaarde van een gezondheidsenquête in vergelijking met de traditioneel verzamelde gezondheidsinformatie bestaat er o.a. uit dat ook gepeild wordt naar klachten waarvoor niet persé

Nadere informatie

Concentratie van de gezondheidsuitgaven: bewijs met behulp van gegevens van het IMA

Concentratie van de gezondheidsuitgaven: bewijs met behulp van gegevens van het IMA Gezondheidsongelijkheden Concentratie van de gezondheidsuitgaven: bewijs met behulp van gegevens van het IMA Hervé Avalosse (R&D-LCM), Joeri Guillaume (NVSM) Intermutualistisch Agentschap Samenvatting

Nadere informatie

5. Discussie. 5.1 Informatieve waarde van de basisgegevens

5. Discussie. 5.1 Informatieve waarde van de basisgegevens 5. 5.1 Informatieve waarde van de basisgegevens Relevante conclusies voor het beleid zijn pas mogelijk als de basisgegevens waaruit de samengestelde indicator berekend werd voldoende recent zijn. In deze

Nadere informatie

TOELICHTING BIJ DE OPNAMEVERKLARING:

TOELICHTING BIJ DE OPNAMEVERKLARING: UMC Sint-Pieter Hoogstraat 322 1000 Brussel RIZIV num. : 7/10076/61 TOELICHTING BIJ DE OPNAMEVERKLARING: kamerkeuze & financiële voorwaarden voor een klassieke opname of een opname in dagziekenhuis Inleiding

Nadere informatie

Gezondheidsverwachting volgens socio-economische gradiënt in België Samenvatting. Samenvatting

Gezondheidsverwachting volgens socio-economische gradiënt in België Samenvatting. Samenvatting Verschillende internationale studies toonden socio-economische verschillen in gezondheid aan, zowel in mortaliteit als morbiditeit. In bepaalde westerse landen bleek dat, ondanks de toegenomen welvaart,

Nadere informatie

Het gebruik van tabak

Het gebruik van tabak Het gebruik van tabak Lydia Gisle Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57 53 E-mail : [email protected]

Nadere informatie

Opname in het ziekenhuis

Opname in het ziekenhuis Opname in het ziekenhuis Sabine Drieskens Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 50 25 E-mail :

Nadere informatie

Contacten met de tandarts

Contacten met de tandarts Contacten met de tandarts Johan Van der Heyden Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57 26 E-mail

Nadere informatie

Patiëntentevredenheid

Patiëntentevredenheid Patiëntenheid Johan Van der Heyden Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid Operationele Directie Volksgezondheid en surveillance J. Wytsmanstraat, 14 B - 1050 Brussel 02 / 642 57 26 E-mail : [email protected]

Nadere informatie

DE INHOUD, VOORWAARDEN EN DE PROCEDURE OM DE MEDISCHE KOSTEN VIA DE ZIEKTEVERZEKERING TE LATEN BETALEN

DE INHOUD, VOORWAARDEN EN DE PROCEDURE OM DE MEDISCHE KOSTEN VIA DE ZIEKTEVERZEKERING TE LATEN BETALEN DE INHOUD, VOORWAARDEN EN DE PROCEDURE OM DE MEDISCHE KOSTEN VIA DE ZIEKTEVERZEKERING TE LATEN BETALEN 1. Welke medische kosten worden door het ziekenfonds betaald? De ziekenfondsen vergoeden geneeskundige

Nadere informatie

De verhoogde verzekeringstegemoetkoming

De verhoogde verzekeringstegemoetkoming De verhoogde verzekeringstegemoetkoming www.lm.be Wat is de verhoogde tegemoetkoming? Je hebt een laag inkomen? Dan heb je misschien recht op de verhoogde tegemoetkoming. Dankzij de verhoogde tegemoetkoming

Nadere informatie

Omnio en RVV onder de loep!

Omnio en RVV onder de loep! PRAKTISCH Omnio en RVV onder de loep! Een uitgave van de Onafhankelijke Ziekenfondsen Sint-Huibrechtsstraat 19-1150 Brussel T 02 778 92 11 - F 02 778 94 04 [email protected] Foto s > Reporters www.mloz.be

Nadere informatie

30 augustus blauw. Toelatingsexamen arts en tandarts. Informatie verwerven en verwerken (IVV) STILLEESTEKST 2

30 augustus blauw. Toelatingsexamen arts en tandarts. Informatie verwerven en verwerken (IVV) STILLEESTEKST 2 Kleef hier onmiddellijk een identificatiesticker blauw Toelatingsexamen arts en tandarts 30 augustus 2016 Informatie verwerven en verwerken (IVV) STILLEESTEKST 2 Figuur 1: Kerncijfers over armoede in België.

Nadere informatie

De honden en katten van de Belgen

De honden en katten van de Belgen ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 13 juli 2010 De honden en katten van de Belgen Enkele conclusies Ons land telde in 2008 1.167.000 honden en 1.974.000 katten; In vergelijking

Nadere informatie