Leidraad screening project-milieueffectrapportage
|
|
|
- Camiel van der Velde
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Leidraad screening project-milieueffectrapportage -versie 1 juni INHOUDSTAFEL 1.Stroomschema bij de screening project-milieueffectrapportage 2.Werkinstrumenten bij onderzoek per geval 3. Wijzigingen op de wijze van screening plan-milieueffectrapportage. 1. Stroomschema bij de screening project-milieueffectrapportage Screening is de fase in de milieueffectrapportage waar beslist wordt of voor een specifiek project al dan niet de opmaak van een milieueffectrapport (MER) vereist is. Bij de screening zijn een aantal stappen te doorlopen. Figuur 1 illustreert dit en volgt daarbij de stappen van omzendbrief. Het toepassingsgebied van de omzendbrief in verhouding tot wat screening inhoudt is op deze figuur rood omkaderd. Leeswijzer bij figuur 1: Waar het schema verwijst naar het besluit, wordt bedoeld: het besluit van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage. De rubrieken in de bijlagen 1 en 2 van dit besluit bestaan meestal uit 2 onderdelen: enerzijds vermeldt elke rubriek de activiteit vervolgens wordt in de meeste gevallen dit aangevuld met bijkomende omvangs-of capaciteitsdrempels. Bijvoorbeeld: Zuivelfabrieken met een productiecapaciteit van ton per jaar of meer. Waar het schema verwijst naar de richtlijn, wordt bedoeld: de richtlijn 2011/92/EEG van de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Waar het schema verwijst naar de ontheffingsprocedure, wordt bedoeld: de ontheffingsprocedure voor projectmilieueffectrapportage zoals beschreven in artikel van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (het decreet). 1
2 Figuur 1 1 : STAP 1: Bijlage 1 van het besluit Is het project opgenomen in bijlage 1 van het besluit? JA MER vereist NEE STAP 2: Bijlage 2 van het besluit Is het project opgenomen in bijlage 2 van het besluit? JA Onderzoek per geval volgens de ontheffingsprocedure NEE Worden er als gevolg van het project aanzienlijke milieugevolgen verwacht? JA NEE MER vereist Geen MER vereist STAP 3: Bijlage 2 van de richtlijn Is het project genoemd bij de activiteiten van de bijlage 2 van de richtlijn? JA Onderzoek per geval tijdens de vergunningsprocedure NEE Geen MER of onderzoek geval per geval vereist Worden er als gevolg van het project aanzienlijke milieugevolgen verwacht? JA NEE MER vereist Geen MER vereist De informatie die tot de beslissing heeft geleid of er al dan niet een MER is vereist, is beschikbaar met de screeningsbeslissing. 1 Deze figuur is samen te lezen met de toelichting per stap die hierna volgt. 2
3 STAP 1 Bijlage 1 van het besluit Deze eerste stap van de screening gaat na of het project te categoriseren valt onder één van de rubrieken genoemd in de bijlage 1 van het besluit. Het project valt dus onder één van de activiteiten genoemd in bijlage 1 van het besluit en het overschrijdt de vermelde drempelwaarde. STAP 2 Bijlage 2 van het besluit Deze stap gaat na of het project te categoriseren valt onder één van de rubrieken genoemd in de bijlage 2 van het besluit. Het project valt dus onder één van de activiteiten genoemd in bijlage 2 van het besluit en het overschrijdt de vermelde drempelwaarde. STAP 3 Bijlage 2 van de richtlijn Deze stap gaat na of het project te categoriseren valt onder één van de activiteiten genoemd in de bijlage 2 van de richtlijn. Deze bijlage vindt u als bijlage van deze leidraad. Om deze stap te volledig uit te voeren zal een onderzoek per geval nodig zijn dat gebruik maakt van de criteria in de bijlage 2 van het decreet. Daarvoor zijn een aantal methoden mogelijk. Een illustratie daarvan volgt onder 2. Werkinstrumenten bij onderzoek per geval. Het is van belang dat deze methodes er niet zouden toe mogen leiden dat specifieke studies worden uitgevoerd. Deze werkinstrumenten zijn erop gericht snel en eenvoudig in gebruik te zijn, zodat ze toepasbaar zijn op het niveau van de kwalificaties en de ervaring die typisch bij de vergunningverlenende overheden en adviesverlenende instanties terug te vinden is. Op deze manier kan bij het onderzoek per geval maximaal gebruik gemaakt worden van de informatie over project en milieu die reeds beschikbaar is bijvoorbeeld in de vergunningsaanvraag. Deze methodes moeten helpen een antwoord te geven op de vraag: zijn er als gevolg van het project aanzienlijke milieugevolgen te verwachten? Het resultaat van het aldus uitgevoerde onderzoek per geval wordt opgenomen als een duidelijk identificeerbare passage ( paragraaf ) bij de motivering van beslissing over de vergunningsaanvraag. Hierin is het van belang niet enkel te verwijzen naar het juridische kader van deze beslissing over het onderzoek per geval ; ook zal voor het project de per geval beoordeling in het licht van de concrete kenmerken, concrete plaatselijke omstandigheden en de concrete kenmerken van de mogelijke milieueffecten in beeld moeten worden gebracht. Hieronder volgt een voorbeeld voor een eenvoudig geval. Voorbeeld voor de aanleg van een kaaimuur: De bouw van een kaaimuur over een lengte van 300 m [ kenmerken van het project] is gelegen in een gebied voor industrie naast bestaande bedrijven en niet op een relevante afstand van een vogel-of habitatrichtlijngebied of overige relevante kwetsbare gebieden.[ plaats van het project] Deze ingreep zal geen wijziging in de grondwaterstroming met zich meebrengen, noch de stroom van het kanaal wijzigen. Er zijn geen ecologische relaties die in de 3
4 langsrichting van het kanaal worden beïnvloed: de oever stroomop- en stroomafwaarts is ook van kades voorzien [ kenmerken van mogelijke effecten] Bijgevolg kan geconcludeerd worden dat er voor dit project geen aanzienlijke milieugevolgen te verwachten zijn. 2. Werkinstrumenten bij onderzoek per geval. Bijlage 2 van het decreet geeft de criteria waarmee bij een screening is rekening te houden. Als hulpmiddel om dit uit te voeren kan gebruik worden gemaakt van vormen van checklists. Een eerste checklist is om na te gaan of de informatie om een onderzoek per geval uit te voeren voorhanden is. De aard van welke informatie nodig is, zal afhangen van de aard van het project. De mate, waarin deze informatie beschikbaar is, hangt uiteraard ook af van de fase van projectontwikkeling. De meeste van deze informatie is voorhanden bij de vergunningsprocedure; waar nodig kan deze informatie worden vervolledigd. Wanneer er leemten zijn, volstaat het dikwijls deze te identificeren, zodat ze bij het onderzoek per geval en de screeningsbeslissing kunnen worden meegenomen. Checklist van nodige informatie voor een screening 1. Kenmerken van het project - Korte beschrijving van het project. - Gegevens over de initiatiefnemer. - Algemeen overzichtsplan met aanduiding van de perimeter en ligging van het project. - Opgave van de projectonderdelen (input en output, processchema s,...) - Opgave van andere ingrepen als gevolg van het project (wegaanleg, bufferbekken,...) - Opgave van de verschillende fasen van het project en relatie andere bestaande of eventueel nog geplande projecten. - Opgave van de verschillende werken die met het project gepaard gaan (ontbossing, graafwerken ). - Maatregelen voorzien om de milieueffecten van het project te milderen. 2. Locatie van het project - Bodemgebruik in het projectgebied en de omgeving. - Kaarten, foto s die de kenmerken van de omgeving verduidelijken. - Beschermde gebieden (zoals vogel- en habitatrichtlijngebieden, duingebieden, beschermd landschap, erfgoedlandschap ) - Gevoelige gebieden (zoals woonzones, recreatiegebieden, scholen ) - 3. Kenmerken van mogelijke milieueffecten De volgende factoren bepalen het karakter van de milieueffecten: - Geografische reikwijdte. 4
5 - Kans van optreden. - Grootte en complexiteit. - Duur en frequentie. - Mate van milderende maatregelen. - Ligging ten opzichte van de (gewest)grens (in functie van inschatting van mogelijke grensoverschrijdende milieueffecten). - Deze informatie is nodig om vragen te kunnen beantwoorden als: - Zal de uitvoering van het project leiden tot wijzigingen in bodemafdekking? - Geeft het project aanleiding tot emissies naar water of lucht? - Geeft het project in de gebruiksfase aanleiding tot geluidsproductie? - Zijn er in de omgeving van het project gebieden gelegen die van beschermd zijn in functie van waterwinning? - Zijn in de omgeving van het project gebieden gelegen die omwille van hun ecologisch belang beschermd zijn (vb. vogel- of habitatrichtlijngebied)? - Zijn in de omgeving van het project andere gebieden gelegen die van belang zijn voor de fauna en flora als broedplaats, overwinteringsplaats? - Zijn er in de omgeving van het project gebieden gelegen die beschermd zijn omwille van hun cultureel of historisch belang? - Leidt het project tot een wijziging in de hoeveelheid en aard van vervoersbewegingen? - Zijn er in de omgeving van het project gebieden gelegen met een kwetsbare bestemming (zoals wonen, recreatie, scholen, kinderdagverblijven, ziekenhuizen )? - 3. Wijzigingen op de wijze van screening plan-milieueffectrapportage. Het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2011, waarover u meer kunt lezen in de omzendbrief 2011 LNE/1, heeft vooral een effect op de Vlaamse project-mer-wetgeving. In dit hoofdstuk van de leidraad gaan we ook in op de impact van het arrest op de plan-merwetgeving en dan vooral op de manier waarmee we met plan-m.e.r.-screenings omgaan. Tot nu toe werd in een screeningsnota steeds getoetst of het RUP het kader kan vormen voor bijlage I of II projecten. Is dat het geval, dan moet gemotiveerd worden dat het RUP het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt, om in de screeningsprocedure te mogen stappen. Wat verandert er nu door het arrest en de omzendbrief Voortaan zal in de screeningsnota getoetst moeten worden of het RUP het kader kan vormen voor bijlage I projecten, bijlage II projecten of projecten bedoeld in de bijlage bij de omzendbrief screening project-milieueffectrapportage. Is dat het geval, dan moet gemotiveerd worden dat het RUP het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau of een kleine wijziging inhoudt, om in de screeningsprocedure te mogen stappen. Bijkomend zal de initiatiefnemer van het RUP en de screening dus moeten onderzoeken of het RUP het kader vormt voor projecten bedoeld in de bijlage bij de omzendbrief. 5
6 De opstellers van screeningsnota s zullen er daarom over moeten waken dat in de screeningsnota een extra bepaling wordt toegevoegd onder een hoofdstuk plan-m.e.r.-plicht. De volledige paragraaf die aantoont dat het RUP screeningsgerechtigd is, zal er dan als volgt uitzien: Het RUP vormt een kader voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlage I of bijlage II van het project-m.e.r.-besluit van 10 december 2004, of voor een project opgesomd in de bijlage bij omzendbrief LNE 2011/1, namelijk voor de rubriek [ ] van bijlage [ ]. Het RUP bepaalt echter het gebruik van een klein gebied op lokaal niveau of houdt een kleine wijziging in omdat [ ], en is derhalve screeningsgerechtigd. OF Het RUP vormt niet het kader voor de toekenning van een vergunning voor een project opgesomd in bijlage I of bijlage II van het project-m.e.r.-besluit van 10 december 2004, of voor een project opgesomd in de bijlage bij omzendbrief LNE 2011/1, en is derhalve screeningsgerechtigd. 6
7 Bijlage : Bijlage 2 uit de richtlijn 1. Landbouw, bosbouw en aquacultuur a) Ruilverkavelingsprojecten. b) Projecten voor het gebruik van niet in cultuur gebrachte gronden of seminatuurlijke gebieden voor intensieve landbouw. c) Waterbeheersingsprojecten voor landbouwdoeleinden, met inbegrip van irrigatieen droogleggingsprojecten. d) Eerste bebossing en ontbossing met het oog op omschakeling naar een ander bodemgebruik. e) Intensieve veeteeltbedrijven (voor zover niet in bijlage I opgenomen) 2. f) Intensieve aquacultuur van vis. g) Landwinning uit zee. 2. Extractieve bedrijven a) Steengroeven, dagbouwmijnen en turfwinning (niet onder bijlage I vallende projecten). b) Ondergrondse mijnbouw. c) Winning van mineralen door afbaggering van de zee- of rivierbodem. d) Diepboringen met name - geothermische boringen, - boringen in verband met de opslag van kernafval, - boringen voor watervoorziening, met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond. e) Oppervlakte-installaties van bedrijven voor de winning van steenkool, aardolie, aardgas, ertsen en bitumineuze schisten. 3. Energiebedrijven a) Industriële installaties voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water (niet onder bijlage I vallende projecten). b) Industriële installaties voor het transport van gas, stoom en warm water; transport van elektrische energie via bovengrondse leidingen (niet onder bijlage I vallende projecten). c) Bovengrondse opslag van aardgas. d) Ondergrondse opslag van gasvormige brandstoffen. e) Bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen. f) Industrieel briketteren van steenkool en bruinkool. g) Installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief afval (niet onder bijlage I vallende projecten). 2 In deze en een aantal van de volgende rubrieken wordt verwezen naar de bijlage I van de richtlijn: analoge rubrieken zijn nagenoeg identiek terug te vinden in de bijlage I van het project-m.e.r.-besluit. 7
8 h) Installaties voor de productie van hydro-elektrische energie. i) Installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie (windturbineparken). 4. Productie en verwerking van metalen a) Installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten. b) Installaties voor verwerking van ferrometalen door i) warmwalsen, ii) smeden met hamers, iii) het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal. c) Smelterijen van ferrometalen. d) Installaties voor het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, inclusief terugwinningsproducten (affineren, vormgieten enz.). e) Installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en plastic materiaal door middel van een elektrolytisch of chemisch procédé. f) Automobielfabrieken en -assemblagebedrijven en fabrieken van automobielmotoren. g) Scheepswerven. h) Installaties voor de bouw en reparatie van luchtvaartuigen. i) Spoorwegmaterieelfabrieken. j) Uitstampen door middel van springstoffen. k) Installaties voor het roosten en sinteren van ertsen. 5. Minerale industrie a) Cokesovenbedrijven (droge distillatie van steenkool). b) Installaties voor de vervaardiging van cement. c) Installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten (niet onder bijlage I vallende projecten). d) Installaties voor de fabricage van glas, met inbegrip van glasvezels. e) Installaties voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels. f) Fabricage van keramische producten door middel van bakken, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein. 6. Chemische industrie (niet onder bijlage I vallende projecten). a) Behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën. b) Productie van bestrijdingsmiddelen en farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren en peroxiden. c) Opslagruimten voor aardolie, petrochemische en chemische producten. 8
9 7. Voedings- en genotmiddelenindustrie a) Vervaardiging van plantaardige en dierlijke oliën en vetten. b) Conservenfabrieken voor dierlijke en plantaardige producten. c) Zuivelfabrieken. d) Bierbrouwerijen en mouterijen. e) Suikerwaren- en siroopfabrieken. f) Installaties voor het slachten van dieren. g) Zetmeelfabrieken. h) Vismeel- en visoliefabrieken. i) Suikerfabrieken. 8. Textiel-, leder-, hout- en papierindustrie a) Industriële installaties voor de fabricage van papier en karton (niet onder bijlage I vallende projecten). b) Installaties voor de voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel. c) Installaties voor het looien van huiden. d) Installaties voor het produceren en bewerken van celstof. 9. Rubberverwerkende industrie Vervaardiging en behandeling van producten op basis van elastomeren. 10. Infrastructuurprojecten a) Industrieterreinontwikkeling. b) Stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen. c) Aanleg van spoorwegen en faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen en van overladingsstations (niet onder bijlage I vallende projecten). d) Aanleg van vliegvelden (niet onder bijlage I vallende projecten). e) Aanleg van wegen, havens en haveninstallaties, met inbegrip van visserijhavens (niet onder bijlage I vallende projecten). f) Aanleg van waterwegen (projecten die niet zijn opgenomen in bijlage I, werken inzake kanalisering en ter beperking van overstromingen (= floodrelief werken)). g) Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of voor de lange termijn opslaan van water (niet onder bijlage I vallende projecten). h) Trams, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en dergelijke bijzondere constructies, welke uitsluitend of overwegend voor personenvervoer zijn bestemd. i) Aanleg van olie- en gaspijpleidinginstallaties (niet onder bijlage I vallende projecten). j) Aanleg van aquaducten over lange afstand. 9
10 k) Kustwerken om erosie te bestrijden en maritieme werken die de kust kunnen wijzigen door de aanleg van onder meer dijken, pieren, havenhoofden, en andere kustverdedigingswerken, met uitzondering van het onderhoud en herstel van deze werken. l) Niet in bijlage I opgenomen werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater. m) Niet in bijlage I opgenomen projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden. 11. Andere projecten a) Permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen. b) Installaties voor de verwijdering van afval (niet onder bijlage I vallende projecten). c) Rioolwaterzuiveringsinstallaties (niet onder bijlage I vallende projecten). d) Slibstortplaatsen. e) Opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken. f) Testbanken voor motoren, turbines of reactoren. g) Installaties voor de vervaardiging van kunstmatige minerale vezels. h) Installaties voor de terugwinning of vernietiging van explosieve stoffen. i) Vilderijen. 12. Toerisme en recreatie a) Skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen. b) Jachthavens. c) Vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen. d) Permanente kampeer- en caravanterreinen. e) Themaparken Wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I of II waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. - Projecten van bijlage I die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt. 10
Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage DE VLAAMSE REGERING,
Vlaamse Regering Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage DE VLAAMSE REGERING, Gelet op titel IV van het decreet van
Onderdeel. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan de procedure als bedoeld in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de wet van toepassing is 1.1 1.2 e wijziging of uitbreiding van een
Aanvraaggegevens. Publiceerbare aanvraag/melding. Aanvraagnummer 1870083. OBM Activiteitenbesluit Brouwerij Stijl. Ingediend op 30-06-2015.
Gegevens bevoegd gezag Referentienummer Datum ontvangst Formulierversie Aanvraaggegevens Publiceerbare aanvraag/melding Aanvraagnummer 1870083 Aanvraagnaam OBM Activiteitenbesluit Brouwerij Stijl Uw referentiecode
Bijlage II.Categorieën activiteiten
Bijlage II.Categorieën activiteiten 1. Installaties of delen van installaties die voor onderzoek, ontwikkeling en het testen van nieuwe producten en processen worden gebruikt, en installaties die uitsluitend
Tabel Vergelijking van de activiteiten van bijlage I van de IPPC-richtlijn met de activiteiten van bijlage I van de E-PRTRverordening
Tabel Vergelijking van de activiteiten van bijlage I van de IPPC-richtlijn met de activiteiten van bijlage I van de E-PRTRverordening IPPC-richtlijn (96/61/EG) E-PRTR-verordening 1 Energie-industrie 1.
MINISTERIE VAN HET WAALSE GEWEST
N. 2006 2115 MINISTERIE VAN HET WAALSE GEWEST [2006/201750] 4 MEI 2006. Besluit van de Waalse Regering tot wijziging van het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 betreffende de procedure en diverse
Aanvraaggegevens. Nee. Blokkerende onderdelen weglaten. Nee. Bezoekadres: Vrijthof CA Hilvarenbeek. Postadres: Postbus AA Hilvarenbeek
Gegevens bevoegd gezag Referentienummer Datum ontvangst Formulierversie Aanvraaggegevens Publiceerbare aanvraag/melding Aanvraagnummer 2122039 Aanvraagnaam Uw referentiecode Jansma-Hesselmans; OBM en vvgb
Onderdeel. Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is 1.1 1.2 De aanleg van een autosnelweg of autoweg. de artikelen 5 en 8 j 9, tweede
Project-m.e.r.-screening
Project-m.e.r.-screening Aan het college van burgemeester en schepenen de deputatie van de provincieraad straat en nummer postnummer en gemeente LNE-MER-01-120913 In te vullen door de behandelende afdeling
Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen
Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen Pascal Van Ghelue Geograaf - Diensthoofd Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen Inhoud 1. Doel milieueffectrapportage 2. Regelgeving 3. Rapportagevormen
Wanneer is een plan of programma plan-m.e.r.- plichtig?
Wanneer is een plan of programma plan-m.e.r.- plichtig? Art. 4.1.1, 1, 4 DABM 3 cumulatieve voorwaarden Opstellen en/of vaststellen voorgeschreven op grond van decretale of bestuursrechtelijke bepalingen
Wanneer is een plan of programma plan-m.e.r.- plichtig?
Wanneer is een plan of programma plan-m.e.r.- plichtig? SCHEMA GEEN PLANMER GEEN PLAN-MER Fase 1: DEFINITIE? Neen Ja Fase 2: TOEPASSINGSGEBIED? Neen Ja Fase 3: VAN RECHTSWEGE? Neen Ja SCREENING PLAN-MER
Aanvraaggegevens. Ingediende aanvraag/melding. Aanvraagnummer 1852381. Ten Have Klein Avinck Lange Maat 2 Groenlo. Ingediend op 22-06-2015.
Gegevens bevoegd gezag Referentienummer Datum ontvangst Formulierversie Aanvraaggegevens Ingediende aanvraag/melding Aanvraagnummer 1852381 Aanvraagnaam Uw referentiecode Ten Have Klein Avinck Lange Maat
Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen. Pascal Van Ghelue Geograaf Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen
Vormen van milieueffectrapportage in Vlaanderen Pascal Van Ghelue Geograaf Dienst Begeleiding Gebiedsgerichte Planprocessen Inhoud 1. Doel milieueffectrapportage 2. Regelgeving 3. Rapportagevormen (4)
Project-m.e.r. screening
VVSG voormiddagen Omgevingsvergunning 2 december 2011 Peter Beusen Geert Pillu Dienst Mer Inhoud 1.Intro Praktijk VÓÓR Arrest Europees Hof van Justitie van 24 maart 2011 Arrest Europees Hof van Justitie
Aanvraaggegevens. Ingediende aanvraag/melding. Aanvraagnummer Theo Pouw Lelystad - Betoncentrale
Gegevens bevoegd gezag Referentienummer Datum ontvangst Formulierversie Aanvraaggegevens Ingediende aanvraag/melding Aanvraagnummer 1430767 Aanvraagnaam Theo Pouw Lelystad - Betoncentrale Uw referentiecode
Aanvraaggegevens. Ingediende aanvraag/melding. Aanvraagnummer 1661881. Uw referentiecode 252511. Ingediend op 16-02-2015.
Gegevens bevoegd gezag Referentienummer Datum ontvangst Formulierversie Aanvraaggegevens Ingediende aanvraag/melding Aanvraagnummer 1661881 Aanvraagnaam Milieuvergunning OBM Handelsonderneming Reitsma
Aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bijstellen van een verkaveling
VR 2015 1311 DOC.1190/8 Bijlage 6 bij het besluit van de Vlaamse Regering van [ ] tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning Aanvraag van een omgevingsvergunning
BIJLAGE I. Activiteiten. Nr. Activiteit Capaciteitsdrempel
L 33/8 NL Publicatieblad van de Europese Unie 4.2.2006 BIJLAGE I Activiteiten 1. Energiesector a) Aardolie- en gasraffinaderijen b) Installaties voor vergassing en vloeibaar maken van steenkool c) Thermische
Project-m.e.r.-screening
Project-m.e.r.-screening Aan het college van burgemeester en schepenen de deputatie van de provincieraad straat en nummer postnummer en gemeente LNE-MER-01-120913 In te vullen door de behandelende afdeling
Bijlage IPPC richtlijn
Bijlagen: Besluit en IPPC-richtlijn. A Besluit houdende aanwijzing van soorten van inrichtingen als bedoeld in de artikelen 1 tweede lid en 31 vierde lid Wvo (Stb. 1983, 577). Hierna Besluit. Bedrijven
augustus 17 Handleiding windturbines II, 3i en III, 3i
GOP - Dienst Mer Datum: augustus 17 Datum wijziging: (wijzigingen zijn gemarkeerd) Onderwerp: Rubrieken: Handleiding windturbines II, 3i en III, 3i Inhoudsopgave 1. Doel... 2 2. Rubrieken... 2 3. Toepassingsgebied
Hervergunning en verandering van Bayer Antwerpen
Vlaamse overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid Dienst Milieueffectrapportagebeheer Graaf de Ferrarisgebouw Koning Albert II-laan 20, bus 8, 1000 BRUSSEL
Goedkeuringsverslag milieueffectrapport
Vlaamse overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid Koning Albert II-laan 20, bus 8 1000 BRUSSEL tel: 02/553.80.79 fax: 02/553.80.75 Goedkeuringsverslag
11 maart 2013. Algemene handleiding project-m.e.r.-screening
AMNE - Dienst Mer Datum: Datum wijziging: (wijzigingen zijn gemarkeerd) 11 maart 2013 / Onderwerp: Algemene handleiding project-m.e.r.-screening Inhoud Leeswijzer... 3 1. Doel van deze handleiding... 4
Verzoek tot ontheffing van het opstellen van een project-mer: Ontheffingsbeslissing. Project:
Vlaamse overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Dienst Mer Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 BRUSSEL Tel. (02)553 80 79 - Fax (02)553 80 75 www.mervlaanderen.be Verzoek tot ontheffing van
Beslissing over het verzoek tot ontheffing van de project-mer-plicht. Duurzaam Beheerplan Boven-Zeeschelde
Vlaamse overheid Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid Dienst Mer Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 BRUSSEL Tel: 02/553.80.79 e-mail: [email protected]
Aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bijstellen van een verkaveling
Bijlage 6 bij het ministerieel besluit houdende wijziging van een aantal formulieren naar aanleiding van de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning Bijlage 6 bij het besluit van de Vlaamse Regering
Scopingsadvies Project-MER Productie en bewerking van glas AGC Glass Europe NV in Mol Hervergunning en uitbreiding/wijziging
Vlaamse Overheid Departement Omgeving Afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en projecten Milieueffectrapportage Koning Albert II-laan 20 bus 8 1000 Brussel T 02/553 80 79 [email protected] www.omgevingvlaanderen.be
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Landgoed Hydepark, Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug
Notitie Contactpersoon Gosewien van Eck Datum 14 november 2013 Kenmerk N001-1220333GGV-evp-V01-NL Vormvrije m.e.r.-beoordeling Landgoed Hydepark, Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug 1 Inleiding De gemeente
11 maart Algemene handleiding project-m.e.r.-screening
AMNE - Dienst Mer Datum: Datum wijziging: (wijzigingen zijn gemarkeerd) 11 maart 2013 / Onderwerp: Algemene handleiding project-m.e.r.-screening Inhoud Leeswijzer... 3 1. Doel van deze handleiding... 4
Deze bijlage is geldig van: 25-06-2014 tot 01-04-2018 Vervangt bijlage d.d.: 10-01-2013
ISO 9001 Kwaliteitssysteemcertificatie, voor de werkterreinen (verwijzing naar EA/IAF codes en NACE rev. 2 waar relet): 1 landbouw en visserij 2 winning delfstoffen 3 voedings- en genotmiddelen 4 textiel
Scopingsadvies Project-MER Uitbreiding productie Brouwerij Duvel-Moortgat te Breendonk (Puurs)
Vlaamse Overheid Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en projecten Milieueffectrapportage bus 8 T 02/553 80 79 [email protected] www.omgevingvlaanderen.be Scopingsadvies Project-MER Uitbreiding productie
Bedrijf/Avtiviteit (eventueel met specificatie) OPSLAG GEVAARLIJKE STOFFEN opslag brandbare vloeistoffen, ondergronds K1, K2 en K3-klasse.
Bijlage 4 Code Lijst met bedrijven als bedoeld in artikel 5.10 van de PMV. Bedrijf/Avtiviteit (eventueel met specificatie) OPSLAG GEVAARLIJKE STOFFEN opslag brandbare vloeistoffen, ondergronds K1, K2 en
