Zomerbedverlaging Beneden-IJssel

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Zomerbedverlaging Beneden-IJssel"

Transcriptie

1 Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Deelrapport 3: grondwater Planstudie SNIP3 Programma Directie RvdR Rijkswaterstaat Mei 2013 Definitief

2 Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Deelrapport 3: grondwater Planstudie SNIP3 dossier : BA registratienummer : LW-AF versie : 2.0 Programma Directie RvdR Rijkswaterstaat Mei 2013 Definitief HaskoningDHV Nederland B.V. Niets uit dit bestek/drukwerk mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt d.m.v. drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van HaskoningDHV Nederland B.V., noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het kwaliteitssysteem van HaskoningDHV Nederland B.V. is gecertificeerd volgens ISO 9001.

3 SAMENVATTING Aanleiding In 2006 is de PKB Ruimte voor de Rivier vastgesteld. Hierin zijn 39 maatregelen opgenomen die de veiligheid van het rivierengebied in 2015 moet garanderen, bij een afvoer van m 3 /sec bij Lobith. De Zomerbedverlaging Beneden-IJssel is 1 van deze 39 maatregelen en heeft een werktaakstelling van 41 cm bij MHW. In september 2011 is vastgesteld dat het realiseren van een werktaakstelling van 41 cm middels een zomerbedverlaging onoverkomelijke effecten heeft op de drinkwaterwinning engelse Werk. Na het uitvoeren van een verkenning naar de mogelijkheden van een korte zomerbedverlaging is de doelstelling voor het project aangepast. De centrale doelstelling voor het project luidt: Een waterstandverlaging bij de maatgevende afvoer van 21 cm tussen rivierkilometer 979,0 en 980,0 bij Zwolle door een zomerbedvergraving in de Beneden-IJssel en het leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in het projectgebied. Het ontwerp voor de zomerbedverlaging is vervolgens aangepast. Deze rapportage beschrijft de effecten die, ten gevolge van het lagere IJsselpeil, op het grondwatersysteem optreden. Daarnaast wordt weergegeven wat de verandering in het grondwatersysteem betekent voor de functies in het gebied. Berekende situaties Om een beeld te krijgen van het effect van de zomerbedverlaging op de omgeving onder verschillende omstandigheden zijn de volgende situaties doorgerekend: 1. Regionaal effect zomerbedverlaging op het (grond)watersysteem voor de referentie situatie 2016 waarbij de autonome ontwikkelingen zijn verwerkt in het model. De autonome maatregelen bestaan uit de projecten Uiterwaardvergraving Scheller en Oldeneler Buitenwaarden, dijkverlegging Westenholte en hoogwatergeul Veessen-Wapenveld; 2. Situatie s Heerenbroek: het effect van de zomerbedverlaging op het (grond)watersysteem bij s Heerenbroek voor de volgende twee situaties: a. In de referentie situatie is wateraanvoer door de inlaat 130 dagen per jaar niet mogelijk, van eind juni t/m oktober. Ten gevolge van de zomerbedverlaging neemt deze periode toe tot 165 dagen, van half mei t/m oktober; b. In de referentie situatie wordt het peil binnendijks (gebied waar peil 0 m +NAP aangehouden wordt) gedurende 130 dagen per jaar verlaagd tot 10 cm onder het IJsselpeil opdat de inlaat blijft functioneren. Ten gevolge van de zomerbedverlaging neemt deze periode toe tot 165 dagen en dient het peil circa 2-5 cm extra verlaagd te worden binnendijks; 3. Situatie Kampen: één van de mogelijke toekomstscenario s die belangrijk is voor de regio, is dat in de toekomst het peil van het IJsselmeer omhoog gezet wordt. Ter oriëntatie is het effect van de zomerbedverlaging op het grondwatersysteem bij Kampen berekend voor de situaties waarbij het IJsselmeerpeil wordt verhoogd met 150 cm (tot 1,1 m +NAP). Effect zomerbedverlaging op het hydrologische systeem Onder gemiddelde omstandigheden leidt de zomerbedverlaging tot een verlaging van de grondwaterstand (> 5 cm) in het buitendijkse gebied van Zwolle tot Kampen. Binnendijks treedt onder gemiddelde omstandigheden geen significant effect op. In Kampen treedt een verhoging van de stijghoogte op als gevolg van het verwijderen van weerstand in het bed van de IJssel. Onder (extreme) laagwateromstandigheden worden geen significante verlagingen van de oppervlaktewater- en Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF i-

4 grondwaterstand berekend omdat de invloed van het peil van het IJsselmeer tot verder stroomopwaarts doorwerkt en het peil van het IJsselmeer niet verandert. Gecombineerde effecten zomerbedverlaging en Bypass Kampen In Kampen raken de 5 cm-verhogingscontouren van de gemiddelde stijghoogte verandering van de afzonderlijke maatregelen elkaar. Het invloedsgebied van de totale ingreep van de zomerbedverlaging en de bypass Kampen tezamen is groter dan dat van de twee invloedsgebieden afzonderlijk. Voor grondwateroverlast zijn niet de gemiddelde omstandigheden relevant, maar natte omstandigheden. In dat geval is het invloedsgebied van Zomerbedverlaging kleiner, en is de kans dat de effecten van beide projecten elkaar versterken ook kleiner. Effect van de zomerbedverlaging op functies Door de regionale partijen zijn de functies, die beoordeeld dienen te worden, aangedragen. De verschillende functies, het effect hierop ten gevolge van de zomerbedverlaging en eventuele vervolg uitzoekvragen zijn hieronder samengevat. Stedelijke grondwateroverlast tijdens hoogwater op de IJssel Door het uitvoeren van de zomerbedverlaging, wordt het IJsselpeil bij hoge waterpeilen verlaagd, hierdoor neemt het risico op wateroverlast langs de IJssel doorgaans af. Bij Kampen treedt echter praktisch geen effect op het IJsselpeil op, maar wordt wel de grootste vergraving uitgevoerd waardoor het contact tussen de IJssel en het grondwatersysteem vergroot wordt. Afhankelijk van de lokale situatie kan dit mogelijk leiden tot een toename van wateroverlast (kan verschillen op wijkniveau). Naar aanleiding van een analyse van hoog frequente meetreeksen en een second opnion is geconcludeerd dat het model de effecten overschat, wel bestaat er een risico dat er lokaal ongewenste effecten optreden. Afgesproken is om een gedetailleerd monitoringsplan op te stellen inclusief beheersmaatregelen. Dit monitoringsplan is vastgelegd in een separaat SNIP3-document. Functionering waterbeheer Voor de gemiddelde situaties worden geen negatieve effecten op het waterbeheer verwacht als gevolg van de zomerbedverlaging. Onder droge omstandigheden (laagwatersituaties) zijn drie aspecten beoordeeld: Toename inlaathoeveelheid bij gemiddelde / droge omstandigheden, is dit water beschikbaar? Kan het water ingelaten worden? Uit de analyse van de constructies blijkt dat alleen bij s-heerenbroek de inlaat negatief beïnvloed kan worden; Heeft het inlaten van extra water vanuit de IJssel een effect op de waterkwaliteit? Uit de modelberekeningen blijkt dat de wateraanvoer onder droge omstandigheden toeneemt (1-8%) en de waterafvoer afneemt (1-8%) in een vijftal polders tussen Zwolle en Kampen. Echter dit tekort in het oppervlaktewatersysteem is in verhouding met de gemaalcapaciteit beperkt (maximaal 0,4%).Er is er geen noodzaak om op polderniveau het oppervlaktewatersysteem aan te passen. De inlaat s-heerenbroek heeft invloed op ongeveer de helft van de polder Mastenbroek. Deze inlaat werkt momenteel niet optimaal en de werking verslechtert als gevolg van de aanleg van de zomerbedverlaging. Als er over een langere periode geen water aangevoerd kan worden, dan dalen de oppervlaktewaterpeilen in het gebied (en daarmee ook de grondwaterstand). Dit probleem wordt momenteel beheerst door de binnendijkse zomerpeilen te verlagen tot circa 10 cm onder het IJsselpeil, hierdoor kan wel water ingelaten worden gedurende de laagwaterperiode (maar met een lager peil). De negatieve effecten die dan nog Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF ii-

5 optreden ten gevolge van de zomerbedverlaging kunnen ondervangen worden door installatie van een pomp. Als er (extra) aanvoer vanuit de IJssel en/of Ketelmeer plaats moet vinden, dan kan de kwaliteit van het water in het watersysteem veranderen. De aanvoer van verontreinigingen met inlaatwater vanuit de IJssel is verwaarloosbaar ten opzichte van de lokale belasting vanuit de landbouw. Ontwatering gebied door IJssel Onder gemiddelde omstandigheden wordt door het uitvoeren van de zomerbedverlaging bovenstrooms van Zwolle 0,5 Mm 3 /jaar meer grondwater onttrokken door de IJssel +0,4%). Stroomafwaarts van Zwolle vindt 1,7 Mm 3 /jaar minder infiltratie plaats van water vanuit de IJssel naar het grondwatersysteem (-2,5%). Voor het gehele systeem wordt dit als een geringe hoeveelheid beschouwd. Onder droge omstandigheden is het effect van de zomerbedverlaging op de ontwatering van het gebied geringer. Verplaatsing verontreinigingen Bij vijf van de 42 bekende verontreinigingslocaties langs de IJssel is er mogelijk een effect op het verspreidingsrisico. De vijf locaties bevinden zich in Kampen. Bij deze locaties wordt het verhang gemonitoord, zie het monitoringsplan. Drinkwaterwinning Engelse Werk Het effect op de drinkwatervoorziening Engelse Werk hangt sterk samen met de aanwezigheid van ernstige mobiele grondwaterverontreinigingen in de binnenstad van Zwolle. Uit de analyse blijkt dat vanwege de zomerbedverlaging en de mitigerende maatregel: het verplaatsen van 2 putten op het winpark Engelse Werk het intrekgebied zich niet richting de binnenstad van Zwolle verplaatst. Inklinking veenweide gebieden De GLG/ grondwaterstand bij OLA-situatie daalt in de veenweidegebieden met minder dan 1 cm. Hierdoor bestaat er geen risico op extra inklinking van het veenweidegebied. Dit geldt zowel voor de veenweidegronden aan de Veluwse Oosterwolde en Hattemerbroek) als de Groot-Sallandse kant (Mastenbroek). Sprengen en beken op Veluwe, Molencaten en stadsgracht Hattem De stadsgracht ligt op de grens van het effectgebied, uitgaande van de aan te houden bandbreedte is het berekende effect op het stijghoogteverschil over de deklaag kleiner dan 1 cm. Hierdoor is het niet uit te sluiten dat er een effect op de stadsgracht optreedt. Het functioneren van de aanvoer van water naar de stadsgracht en de eventueel te nemen maatregelen worden meegenomen in de monitoringsrapportage. De sprengen en beken op de Veluwe en de beek Molencaten liggen buiten het effectgebied. Risico op zetting (Hattem en Zwolle) Het risico op zettingen is niet significant door een daling van de GLG van maximaal 5 cm en de lagere peilen op de IJssel in het verleden. Landbouw Als gevolg van de zomerbedverlaging treden er binnendijks geen effecten op de GLG op. Hierdoor is er ook geen toename van droogteschade. Uiterwaardmaatregelen Om te voldoen aan de ruimtelijke kwaliteitsdoelstelling zijn er uiterwaardmaatregelen ontworpen voor de uiterwaarden Scherenwelle, Bentinckswelle, Koppelerwaard, Zalkerbosch en Vreugderijkerwaard. In deze Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF iii-

6 uiterwaarden is het grootste effect van de zomerbedverlaging de afname van inundatiefrequentie, daarnaast vindt er een verlaging van de grondwaterstand plaats van enkele centimeters. Uiterwaardmaatregelen die ontworpen zijn betreffen o.a. : het verlagen van de zomerkade, aanpassen waterbeheer; (deels) verlagen maaiveld en aanleggen KRW-geulen. Scherenwelle: door het verlagen van de zomerkade, het aanleggen van een KRW-geul en het aanpassen van het waterbeheer kunnen de juiste omstandigheden gecreëerd worden om het areaal Kievistbloemen te behouden en te vergroten; Bentinckswelle :door het verlagen van de zomerkade en het verhogen van het polderpeil neemt het areaal plas-dras (gunstig voor fouragerende weidevogels) toe; Koppelerwaard: door het plaatsen van stuw in de zomerkade en het plaatsen van een molengemaal voor het opzetten van een hoger oppervlaktewaterpeil neemt het areaal plas-dras toe; Zalkerbosch: door het verlagen van een laaggelegen deel van de uiterwaard wordt de stromingsweerstand in de uiterwaard verlaagd. De deklaag wordt in standgehouden door het terugbrengen van klei. Daar ontstaat een plas-drasgebied wat gunstig is voor foeragerende weidevogels; Vreugderijkerwaard: door het aanbrengen van laagtes, verontdiepen en verbreden van de watergangen, verflauwen van de oevers, aanleggen poel en het plaatsen van een duiker in de zomerkade kan rietland zich beter ontwikkelen. Het is door het ontbreken van een deklaag niet mogelijk om water in het gebied vast te houden bij lage IJsselstanden. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF iv-

7 INHOUD BLAD SAMENVATTING I 1 AANLEIDING, DOELSTELLING & INITIATIEF Aanleiding voor de Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Keuze voor Zomerbedverlaging is gemaakt in de PKB Besluit tot wijziging basispakket van de PKB Doelstelling Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Het Initiatief Onderbouwing van locatie Autonome ontwikkelingen Leeswijzer deelrapport 3: Grondwater 10 2 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE Inleiding Hydrologisch systeem Waterbeheer Verontreinigingen Drinkwaterwinningen Stedelijk grondwater Kampen 22 3 EFFECT OP HYDROLOGISCHE SYSTEEM Doorgerekende situaties Effect op het peil van de IJssel Effect op de grondwaterstand Effect op stijghoogte Effect op kwel en infiltratie Effect op grondwaterregime in Kampen Gecombineerde effecten Bypass Kampen en de zomerbedverlaging 55 4 EFFECT OP FUNCTIES Criteria Effect op functionering waterbeheer Effect op ontwatering van gebied door de IJssel Effect op grondwaterregime in Kampen Risico op zetting (Hattem en Zwolle) Effect op veenweidegebied Effect op verspreidingsrisico van verontreinigingen buiten binnenstad Zwolle Effect op drinkwatervoorziening Engelse Werk Effect op stadsgracht Hattem, watermolen Molencaten Effect op landbouw Effect op natuur Effect op stabiliteit waterkeringen Samenvatting score Leemte in kennis en monitoring 76 5 UITERWAARDMAATREGELEN 77 Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF v-

8 5.1 Inleiding Scherenwelle Bentinckswelle Koppelerwaard Zalkerbosch Vreugderijkerwaard 124 REFERENTIES 126 COLOFON 127 Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF vi-

9 BIJLAGEN 1 Overzicht 2 Aanpak en onderbouwing MIPWAmodel 3 Hydrologisch systeem (2016) 4 Effect zomerbedverlaging op het peil van de IJssel 5 Situatie 2016: hydrologische effecten korte zomerbedverlaging 6 Waterbeheer 7 Stedelijk grondwater Kampen 8 Effecten zomerbedverlaging op winning Engelse Werk 9 Huidige situatie en effecten uiterwaardmaatregelen Scherenwelle 10 Huidige situatie Bentinckswelle 11 Besprekingsverslagen projectgroep Grondwater 12 Aangeleverde gegevens provincie Overijssel en gemeente Kampen m.b.t. verontreinigingen Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF vii-

10 FIGURENLIJST Afbeelding 1-1 Basispakket maatregelen Ruimte voor de Rivier (bron; 2 Afbeelding 1-2 Kaart van het voornemen: vergraving en uiterwaardmaatregelen... 5 Afbeelding 1-3 Uiterwaardmaatregelenkaart Beneden-IJssel... 7 Afbeelding 2-1: Hydrologisch systeem (bron: TNO,1985). Dwarsdoorsnede net ten zuiden van Zwolle (onderkant F. van Oosterhout is circa 100 m diep) Afbeelding 2-2: Globale schets van verandering in aan- en afvoer als gevolg van de zomerbedverlaging benedenstrooms van Hattem Afbeelding 2-3: Locaties van de verontreinigingen in Kampen Afbeelding 2-4: Weergave van winning Engelse Werk Afbeelding 2-5: Grondwatersysteem in Kampen Afbeelding 2-6: Gemeten IJsselpeil en stijghoogten in een peilbuis op 700 m van de IJssel Afbeelding 2-7: Gemeten verschil tussen IJsselpeil en stijghoogte op 700 m van de IJssel Afbeelding 2-8: Stromingsweerstand tussen de IJssel en het watervoerende pakket, opgenomen in het grondwatermodel Afbeelding 2-9: Gemiddelde grondwaterstijghoogte in het watervoerende pakket, berekend met het grondwatermodel MIPWA Afbeelding 2-10: Raai peilbuizen binnenstad Kampen Afbeelding 2-11: Gemeten grondwaterstanden binnenstad Kampen Afbeelding 2-12: Gemeten grondwaterstanden binnenstad Kampen Afbeelding 2-13: Relatie tussen (gelijktijdig gemeten) IJsselpeil en stijghoogte watervoerend pakket Afbeelding 2-14: Relatie tussen (gelijktijdig gemeten) IJsselpeil en grondwaterstand 21DR004X en21dr004b Afbeelding 2-15: Gemeten grondwaterstanden in Kampen Zuid Afbeelding 2-16: Gemeten grondwaterstanden in Hagenbroek Afbeelding 2-17: Gemeten grondwaterstanden in Bovenbroek Afbeelding 2-18: Gemeten grondwaterstanden in Cellesbroek Afbeelding 2-19: Gemeten grondwaterstanden in Industrieterrein Kampen Afbeelding 2-20: Gemeten grondwaterstanden in Industrieterrein IJsselmuiden Afbeelding 3-1: Ligging polder s-heerenbroek en gebied met zomerpeil gelijk aan 0 m +NAP Afbeelding 3-2: Berekend effect op het gemiddelde, laag- en hoogwater peil van de IJssel [m] langs de as van de IJssel bij een IJsselmeerpeil gelijk aan zomerpeil (0,2 m -NAP) Afbeelding 3-3: Berekend effect op het gemiddelde peil van de IJssel en de begrenzing van het effect bij hoog- en laagwater Afbeelding 3-4: Berekend effect op de gemiddelde grondwaterstand Afbeelding 3-5: Gemiddeld effect zomerbedverlaging bij inlaat s-heerenbroek tijdens de OLA-situatie als er geen wateraanvoer mogelijk is in de zomer Afbeelding 3-6: Gemiddeld effect op de kwel en infiltratie van de zomerbedverlaging bij inlaat s-heerenbroek tijdens OLA als er geen wateraanvoer mogelijk is in de zomer Afbeelding 3-7: Mogelijk effect zomerbedverlaging op stijghoogte t.g.v. vergraven weerstand IJsselbodem.47 Afbeelding 3-8: Gemeten verschil tussen IJsselpeil en stijghoogte, en het verwachte maximale effect van de Zomerbedverlaging Afbeelding 3-9: Berekend effect op de gemiddelde stijghoogte in het eerste watervoerende pakket (gemiddelde van de stijghoogte op de 14e en 28e van iedere maand in de periode ) Afbeelding 3-10: Berekend effect op de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket bij T1-hoog water (effect op de maximale stijghoogte in de T1-periode van 28 oktober t/m 27 november 1998) Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF viii-

11 Afbeelding 3-11: Berekend effect op de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket bij Overeengekomen Lage Afvoer (effect op de minimale stijghoogte in de OLA-periode van 28 februari t/m 27 oktober 1996) Afbeelding 3-12: Stationair effect van Zomerbedverlaging op stijghoogten bij verhoogde waterstanden op de IJssel (NAP+1,1 m). De effecten bij een 1/10 jaar storm zijn kleiner, en duren maximaal 36 uur Afbeelding 3-13 Effect Zomerbedverlaging op de grondwaterstand bij de Onderdijkse waard. Links: met bypass Kampen, rechts: zonder bypass Kampen Afbeelding 3-14 Effect Zomerbedverlaging op de stijghoogte in het watervoerende pakket bij de Onderdijkse waard. Links: met bypass Kampen, rechts: zonder bypass Kampen Afbeelding 3-15 Effect op de gemiddelde stijghoogte in het watervoerende pakket van de afzonderlijke maatregel zomerbedverlaging (rechtsboven) en de afzonderlijke maatregel bypass Kampen (linksonder) Afbeelding 4-1 Gemeten gemiddelde en extreme peilen van de IJssel bij Kateveer Afbeelding 5-1: Overzicht van de uiterwaarden waar maatregelen uitgevoerd worden Afbeelding 5-2: Ligging Scherenwelle en locaties Kievitsbloemen Afbeelding 5-3: Hoogtekaart (AHN2) Scherenwelle, met zomerkaden (rood) en hoogten van de zomerkaden (cijfers) Afbeelding 5-4: Bodemkaart Afbeelding 5-5: Waterbeheer in Scherenwelle, in 1890 (links) en nu (rechts). Op de rechterkaart is de indeling in deelgebieden weergegeven Afbeelding 5-6: Grondwaterstanden in Scherenwelle en het peil van de IJssel bij Scherenwelle Afbeelding 5-7: Huidig grondwaterregime Afbeelding 5-8: Duurlijn van het IJsselpeil ( ) en de inundatiehoogte Afbeelding 5-9: Duurlijn van het IJsselpeil voor en na Zomerbedverlaging en de inundatiehoogte Afbeelding 5-10: Waterstand IJssel bij Scherenwelle op basis van metingen (zwart) en de gesimuleerde waterstand na Zomerbedverlaging (oranje) Afbeelding 5-11: Hoogtekaart (AHN2) met watergangen en kunstwerken in Bentinckwelle Afbeelding 5-12: Zanddiepte (Bron: Zandbanenkaart Gelderland en Overijssel, rapport Zand in Banen UU, 2010) Afbeelding 5-13: Kleidikte op basis van boorbeschrijvingen van Alterra voor bodemkaart 1: (Bron: 95 Afbeelding 5-14: Ligging diepe boring B21D0121 binnen uiterwaard Bentinckwelle (Bron: 96 Afbeelding 5-15: Waterbeheer in Bentinckswelle Afbeelding 5-16: Waterstanden op de IJssel en afvoer gemaal Bentinckswelle Afbeelding 5-17: Duurlijn IJsselpeil en inundatiehoogte bij Bentinkcwelle Afbeelding 5-18: Met model berekende grondwaterstanden (links: GVG en rechts GLG) Afbeelding 5-19: Duurlijn IJsselpeil bij Bentinckswelle voor en na Zomerbedverlaging Afbeelding 5-20: Waterstand IJsselpeil bij Bentinckswelle op basis van metingen (zwart) en de gesimuleerde waterstand na Zomerbedverlaging (rood) Afbeelding 5-21: Inrichtingsschets Bentinckswelle Afbeelding 5-22: De met het grondwatermodel doorgerekende variant van de KRW-geul Afbeelding 5-20: Hoogtekaart Koppelerwaard Afbeelding 5-21: IJsselpeil bij Koppelerwaard Afbeelding 5-22: IJsselpeil bij Koppelerwaard, en gesimuleerd IJsselpeil met Zomerbedverlaging Afbeelding 5-23: Geïnundeerd gebied bij peil NAP 0,60m Afbeelding 5-24: Uitwerking putformule De Glee Afbeelding 5-25: Zandbanen Gelderland Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF ix-

12 Afbeelding 5-26: Maaiveldhoogte Zalkerbosch met zomerkade (rood) en hoogten van de zomerkade Afbeelding 5-27: IJsselpeil en grondwaterstijghoogten Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF x-

13 TABELLENLIJST Tabel 2-1: Modeltechnische hydrologische definities Tabel 2-2: Samenvatting door provincie en gemeente aangeleverde gegevens m.b.t. verontreinigingen in Kampen Tabel 3-1: Effecten van de zomerbedverlaging op het peil van de IJssel Tabel 3-2: Effecten van de zomerbedverlaging op de grondwaterstand Tabel 3-3: Effecten van de zomerbedverlaging op de gemiddelde stijghoogte Tabel 3-4: Effecten van de zomerbedverlaging op de kwel en infiltratie (stroming van modellaag 3 naar 2).45 Tabel 3-5: Effecten van de zomerbedverlaging op de aan- en afvoer van de IJssel, sloten, greppels en oppervlakkige afstroming Tabel 3-6: Invloedsgebied verhogingen van stijghoogten Tabel 4-1: Beoordelingscriteria van de hydrologische effecten Tabel 4-2: Aantal hectare waar negatieve, niet mitigeerbare, effecten optreden Tabel 4-3: Toename wateraanvoer (berekende infiltratie) Tabel 4-4: Toename waterafvoer (berekende drainage) Tabel 4-5: Effect op waterbeheer voor OLA situatie 2016 per polder Tabel 4-6: Watersysteem polder Mastenbroek tijdens laagwatersituatie (OLA) Tabel 4-7: Effect zomerbedverlaging op regionaal hydrologisch systeem Tabel 4-8: Effecten van de zomerbedverlaging op de water aan- en afvoerbalans (de hoeveelheden zijn bepaald per jaar, dus uitgaande van de situatie dat de situatie het hele jaar aanhoudt) Tabel 4-9: Risico op zetting Tabel 4-10: Conservatieve bodemopbouw Tabel 4-11: Berekende maximale zetting op basis van conservatieve bodemopbouw Tabel 4-12: Risico op zetting veenweidegebied Tabel 4-13: Aantal verontreinigingen waarbij mogelijk effect is op verspreidingsrisico Tabel 4-14: Effect op grondwaterverontreinigingen als gevolg van de zomerbedverlaging Tabel 4-15: Verplaatsing intrekgebied winning Engelse Werk Tabel 4-16: Effect op kwelflux tijdens OLA-periode bij stadsgracht en Molencaten Tabel 4-17: Effect op landbouw Tabel 4-18: Samenvatting score per aspect Tabel 5-1: Tabel met eigenschappen bodemsoorten Tabel 5-2: Effecten van de Zomerbedverlaging op het peil van de IJssel en de grondwaterstand in Scherenwelle Tabel 5-3: Effecten van de Zomerbedverlaging op kwel en infiltratie en aan- en afvoer Tabel 5-4: Effecten van de Zomerbedverlaging op inundatiefrequentie van Zomerpolder Scherenwelle (deelgebied 1 en 2) Tabel 5-5: Ecologische vereisten ten aanzien van de waterhuishouding voor Kievitsbloemen Tabel 5-6: Effecten op de grondwaterstand Tabel 5-7: Effecten op kwel en infiltratie en aan- en afvoer Tabel 5-8: Effecten op de grondwaterstand Tabel 5-9: Effecten op kwel en infiltratie en aan- en afvoer Tabel 5-10: Totaal effect van de Zomerbedverlaging en uiterwaardmaatregelen op de grondwaterstand in Scherenwelle Tabel 5-11: Afvoer gemaal Bentinckswelle Tabel 5-12: Classificatie plas-dras omstandigheden Tabel 5-13: Effecten van de Zomerbedverlaging op het peil van de IJssel en grondwaterstand Tabel 5-14: Effecten van de Zomerbedverlaging op kwel en infiltratie en aan- en afvoer Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF xi-

14 Tabel 5-15: Maaiveldhoogten, huidige en toekomstige inundatiefrequenties Tabel 5-17: Huidige hydrologische situatie in westelijke polder Koppelerwaard Tabel 5-18: Effect van Zomerbedverlaging op de hydrologische situatie in westelijke polder Koppelwaard116 Tabel 5-19: Hydrologische randvoorwaarden voor de ontwikkeling van Plasdras grasland(februari maart).116 Tabel 5-20: Gevoeligheidsanalyse infiltratieflux Koppelerwaard Tabel 5-21: Hydrologische randvoorwaarden voor de ontwikkeling van Plas dras grasland (februari maart) Tabel 5-22: verwachte grondwaterstanden en perioden met grondwaterstanden aan en boven maaiveld in te vergraven gebied Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF xii-

15 1 AANLEIDING, DOELSTELLING & INITIATIEF 1.1 Aanleiding voor de Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Ruimte voor de rivier De hoogwatersituaties van 1993 en 1995 hebben aangetoond dat de bescherming van het rivierengebied in Nederland blijvende aandacht vraagt, temeer omdat er rekening mee gehouden wordt dat de rivierafvoeren in de toekomst verder zullen toenemen. Op de korte termijn dient er daarom uitgegaan te worden van een toename van de maatgevende rivierafvoer tot m 3 /s bij Lobith. In de Planologische Kernbeslissing Ruimte voor de Rivier (verder de PKB ), die vanaf 26 januari 2007 van kracht is, zijn door het Rijk doelstellingen opgenomen voor de veiligheid en de ruimtelijke kwaliteit van het rivierengebied. In de PKB is gekozen voor een trendbreuk in de wijze van bescherming tegen overstromingen, waardoor niet steeds zal worden gegrepen naar dijkversterking, maar zoveel mogelijk zal worden ingezet op maatregelen die de rivier meer ruimte geven en hoge waterstanden voorkomen. Met deze keuze is een gedeeltelijke herinrichting van het rivierengebied onontkoombaar, (PKB deel 4). In de PKB is een samenhangend pakket aan maatregelen vastgelegd, om in 2015 te voldoen aan het vereiste veiligheidsniveau in het rivierengebied rond de Rijntakken. Dit niveau dient in overeenstemming te zijn met de maatgevende afvoer van m 3 /s bij Lobith. Dit waarborgen van de veiligheid is de hoofddoelstelling van de PKB. De tweede doelstelling is het leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. In de PKB Ruimte voor de Rivier zijn vervolgens ruim 30 maatregelen vastgelegd in het zogenaamde Basispakket. Gezamenlijk moeten deze maatregelen er toe leiden dat de veiligheid vóór eind 2015 op het gewenste niveau wordt gebracht. De maatregelen uit het Basispakket worden weergegeven in Afbeelding 1-1. Naast het bereiken van de hoogwaterveiligheid, heeft de PKB Ruimte voor de Rivier ook tot doel een bijdrage te leveren aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het rivierengebied. Het project Zomerbedverlaging Beneden-IJssel draagt bij aan deze twee doelen. 1.2 Keuze voor Zomerbedverlaging is gemaakt in de PKB In de PKB Ruimte voor de Rivier zijn verschillende type maatregelen en locaties beoordeeld om de waterveiligheid langs de Nederlandse rivieren eind 2015 weer op het gewenste veiligheidsniveau te brengen. Bij de gemaakte keuzen voor de maatregelen bij de IJssel heeft een aantal overwegingen een rol gespeeld. Van belang bij de overwegingen is dat de combinatie van de relatief hoge taakstelling voor de lange termijn en de hoge ruimtelijke kwaliteit, het selecteren van maatregelen langs de IJssel tot een specifiek probleem maakt. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

16 Afbeelding 1-1 Basispakket maatregelen Ruimte voor de Rivier (bron; Uit de PKB deel 4 en het bijbehorende MER is een aantal overwegingen te herleiden die een rol hebben gespeeld bij de keuze voor de Zomerbedverlaging Beneden-IJssel. In de strategische beleidskeuzen is opgenomen dat de huidige buitendijkse landschappelijke, geomorfologische, natuur- en cultuurhistorische waarden langs de IJssel zo min mogelijk mogen worden aangetast. In het Regionaal Ruimtelijk Kader (RRK) is de huidige kwaliteit van de gehele IJsselvallei, met name van het buitendijkse gebied, als hoog aangemerkt. Veel uiterwaarden zijn in dit RRK opgenomen als handhavingsgebied respectievelijk aanpassingsgebied (PKB deel 4). Daarnaast geldt dat een aantal uiterwaarden voor grote delen behoren tot de blijf-af -gebieden uit het Strategisch Kader Vogel- en Habitatrichtlijn (2003). Dit betekent dat buitendijkse, ruimtelijke maatregelen een overwegend negatief effect hebben op de geldende bescherming in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Een mogelijke maatregel die is beschouwd in het kader van de PKB is kribverlaging. De huidige kribben in de IJssel zijn relatief kort en laag. Daardoor draagt de mogelijkheid van kribverlaging weinig bij aan de verlaging van de toetspeilen. Ook zijn er weinig hydraulische obstakels in de rivier, waardoor het verwijderen van deze obstakels weinig effect zal hebben. Voor de maatregel zomerbedverlaging zijn verschillende mogelijkheden bekeken. Een zomerbedverlaging in het bovenstroomse deel zou leiden tot teveel negatieve effecten op de bodemligging van het rivierbed en de aanwezige infrastructuur zoals de kades. Een verlaging van het zomerbed van het benedenstroomse deel is een optie waarbij de gestelde taakstelling wordt behaald en de effecten worden beperkt (PKB deel 4). De zomerbedvergraving van de Beneden-IJssel heeft de voorkeur gekregen, boven andere mogelijkheden in de benedenloop van de IJssel, omdat daardoor relatief voordelig een relatief groot effect werd verkregen zonder de bestaande ruimtelijke waarden in de uiterwaarden aan te tasten. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

17 1.3 Besluit tot wijziging basispakket van de PKB In de toelichting bij de PKB (pagina 64) is onderkend dat de zomerbedverlaging van ca. 22 kilometer zou kunnen leiden tot negatieve effecten op bepaalde habitattypen in Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel. Dit wordt veroorzaakt door afname van inundatieduur, -frequentie en sedimentatie. Verwacht werd dat de negatieve effecten gemitigeerd konden worden door bestaande kades in de uiterwaarden (verder) te verlagen. Bij de uitwerking van de planstudie voor de zomerbedverlaging is gebleken dat de negatieve effecten groter waren dan verwacht en dat tevens sprake was van een verlaging van de grondwaterpeilen. Deze daling van de grondwaterpeilen kan een verplaatsing van een grondwaterverontreiniging bij het stationsgebied van Zwolle veroorzaken, waardoor enkele drinkwaterputten verontreinigd kunnen raken. Hiervoor zijn geen directe oplossingen voorhanden. Beperking van de drinkwaterwinning ter plekke is niet mogelijk vanwege de verwachte toename van de vraag naar drinkwater, het ontbreken van alternatieve putten, de hoge kosten voor de aanleg van dergelijke putten en de lange proceduretijd die daarmee gemoeid is. Door deze negatieve effecten is de zomerbedverlaging uit de PKB niet volledig uitvoerbaar. Dit heeft de Staatssecretaris op 21 november 2011 bericht aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2011/12, , nr. 249). Een verkorte zomerbedverlaging van 7,5 kilometer is wel mogelijk (MER deel A, Royal HaskoningDHV 2013). Er is dan echter een aanvullende maatregel nodig om de beoogde waterstanddaling bij Zwolle te realiseren. Hiervoor zijn verschillende alternatieve maatregelen geanalyseerd (Kamerstukken II 2011/12, , nr. 60): 1. De aanleg van een volledige hoogwatergeul IJsseldelta-Zuid (maximale waterstanddaling door aanleg van dijken en een in- en uitlaat en verplaatsing van de Roggebotsluis in zuidelijke richting): Hiermee kan de restopgave ruimschoots worden gerealiseerd. Deze maatregel kan naar verwachting in 2019 gerealiseerd zijn. 2. De aanleg van een beperkte hoogwatergeul IJsseldelta-Zuid (minimaal halen van de benodigde restopgave aan waterstanddaling door de aanleg van dijken en een in- en uitlaat en geen verplaatsing van de Roggebotsluis, maar plaatsing van extra spuikokers). Een voordeel van een beperkte hoogwatergeul ten opzichte van de volledige hoogwatergeul is dat bij het definitieve ontwerp van de Roggebotsluis rekening kan worden gehouden met de beslissingen in het Deltaprogramma. Een beperkte hoogwatergeul past meer bij een adaptieve aanpak. Deze maatregel kan naar verwachting in 2017 gerealiseerd zijn. 3. Uiterwaardvergravingen: Uiterwaardvergravingen zijn niet nader uitgewerkt omdat deze de restopgave niet volledig realiseren en omdat de uitvoerbaarheid negatief wordt ingeschat. De uiterwaardvergravingen zijn zeer ingrijpend voor de landschappelijke en cultuurwaarde van het rivierengebied. 4. Dijkverhoging: Dijkverhoging kan gereed zijn tussen 2018 en 2025, onder andere afhankelijk van de relatie met andere dijkverbeteringen in het kader van het nieuwe Hoogwaterbeschermingsprogramma. De samenhang tussen de rivierverruimende maatregelen op de IJssel wordt bij dijkversterking verstoord. Dit betekent dat op termijn bovenstrooms van Zwolle maatregelen nodig zullen zijn. De levensduur van dijken bovenstrooms Kampen nemen af, doordat de waterstand stijgt of niet verder daalt. Op grond van de analyse van deze alternatieven is gekozen voor de beperkte hoogwatergeul IJsseldelta- Zuid als aanvullende maatregel (deze maatregel wordt ook vaargeul Reevediep genoemd). Door middel van een scopewijziging van de PKB worden de aangepaste maatregel (verkorte zomerbedverlaging) en de aanvullende maatregel (beperkte hoogwatergeul IJsseldelta-Zuid) opgenomen in het basispakket van de PKB en wordt de oorspronkelijke zomerbedverlaging hieruit verwijderd. Hiervoor wordt de binnenplanse wijzigingsprocedure uit de PKB gevolgd (ter inzage legging van het ontwerp-besluit, zes weken zienswijzentermijn, besluit en reactienota naar de Tweede Kamer, vaststelling besluit door Minister). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

18 1.4 Doelstelling Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Met het besluit om in plaats van de volledige zomerbedverlaging een verkorte zomerbedverlaging uit te voeren, is de doelstelling voor de zomerbedverlaging aangepast. De opgave van de maatregel Zomerbedverlaging Beneden-IJssel is verwoord in onderstaand kader. Doelstelling Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Een waterstandverlaging bij de maatgevende afvoer van 21 cm tussen rivierkilometer 979,0 en 980,0 bij Zwolle door een zomerbedvergraving in de Beneden-IJssel en het leveren van een bijdrage aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in het projectgebied Doelstelling waterveiligheid vergraving zomerbed Met het (gewijzigd) vaststellen van de PKB is bepaald dat de maatregel in de Beneden-IJssel een vergraving van het zomerbed zal zijn. Na studie en overleg is aan de doelstelling van de zomerbedvergraving de randvoorwaarde opgelegd dat deze zonder onacceptabele effecten op de drinkwaterwinning moet plaatsvinden. De bestuurlijke afweging heeft geleid tot een zo groot mogelijke taakstelling zonder effecten op drinkwaterwinning. Dit is een verlaging van de Maatgevende Hoogwaterstand met 21 cm tussen rivierkilometer 979,0 en 980,0 bij Zwolle Doelstelling ruimtelijke kwaliteit inrichting uiterwaarden Met de maatregel Zomerbedverlaging Beneden-IJssel wil de initiatiefnemer een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van dit gebied. Aan deze doelstelling is beoogd invulling te geven door: In de uiterwaarden meer ruimte te geven aan de natuurlijke dynamiek, waardoor bijzondere natuur- en landschapswaarden langs de Beneden-IJssel behouden blijven en worden versterkt; Het beleefbaar maken van de landschappelijke en ecologische waarden door de recreatieve toegankelijkheid te vergroten; De uiterwaardmaatregelen zodanig in te passen dat ze voortbouwen op de kenmerken en kernkwaliteiten van de Beneden-IJssel (Visie Ruimtelijke Kwaliteit Zomerbedverlaging, Bosch Slabbers, 2011, Ingezet is op het behoud van de kernkwaliteiten; behoud van openheid, cultuurlandschap en natuurlijk reliëf zijn hierbij bijzondere aandachtspunten. 1.5 Het Initiatief Er worden twee typen maatregelen uitgewerkt vanuit de dubbele doelstelling voor het project Zomerbedverlaging Beneden-IJssel: 1. vergraving van het zomerbed; 2. uiterwaardmaatregelen voor ruimtelijke kwaliteit. Afbeelding 1-2 toont de ligging van de maatregel Zomerbedverlaging Beneden-IJssel. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

19 Afbeelding 1-2 Kaart van het voornemen: vergraving en uiterwaardmaatregelen Vergraving van het zomerbed Door de rivier te verdiepen wordt meer ruimte gecreëerd voor de afvoer van rivierwater. Bij hoogwater komt de waterstand minder hoog ten opzichte van de situatie nu. Daarmee kan de rivier de vereiste waterhoeveelheid aan en op die manier aan de veiligheidseisen voldoen. Voor de zomerbedvergraving is een ontwerp gemaakt. In dit ontwerp zal het zomerbed van de IJssel over een lengte van ca 7,5 km worden verlaagd, tussen de Molenbrug bij Kampen en de Eilandbrug bij de monding van de IJssel. Het zomerbed wordt stroomafwaarts meer verlaagd dan stroomopwaarts. Het meest stroomopwaartse deel, de eerste stap, tussen rkm 992,9 996,3, wordt gemiddeld 1,8 m verlaagd (het oranje deel in Afbeelding 1-2). De tweede stap, tussen rkm 996,3 en 1000,6 (nabij de Eilandbrug), wordt met gemiddeld 2,3 m verlaagd (rode deel inafbeelding 1-2). Het getrapte ontwerp van de vergraving beperkt de verlaging van de waterstand tijdens een representatieve gemiddelde zomerafvoer en daarmee de effecten op de omgeving. Hiermee is de maatregel het meest effectief. Deze maatregel heeft de minste nadelige bijwerkingen/effecten op de omgeving. Een vergraving van het zomerbed in de omgeving van Zwolle met dezelfde taakstelling zal een groter ongewenst effect hebben op de omgeving en dat is niet acceptabel. De uitgangspunten voor de vergraving zijn als volgt: De bodem wordt alleen vergraven op plaatsen waar de huidige bodemhoogte hoger is dan de ontwerp-bodemhoogte, dat betekent dat diepere delen niet worden opgevuld. Op basis van een geotechnische analyse is een contourlijn gedefinieerd waarbinnen de vergraving van het zomerbed zal plaatsvinden. Deze contourlijn ligt op een minimum afstand van 15 m ten opzichte van de kribben, dijken, kades en oevers om de stabiliteit van deze constructies te Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

20 waarborgen. Als de bodem in de huidige situatie al dieper ligt dan de beoogde aanleg hoogte van de zomerbedverlaging, wordt er niet gegraven. Omdat de contourlijn de beoogde aanleghoogte volgt, kan het op deze locaties voorkomen dat de contourlijn dichterbij de kribben, kades en dijken ligt dan 15 meter. Hierdoor zal de stabiliteit van de constructies niet afnemen ten opzichte van de huidige conditie. Op veel plekken is een veel grotere afstand dan 15 m aangehouden. In de bochten is gekozen voor een smallere ontgravingcontour. De contour ligt aan de binnenbocht zijde minimaal 15 m uit de oever. Aan de buitenbocht zijde ligt de contour ongeveer op de locatie waar de geul op maximale diepte ligt. Dit betekent dat de overwegend diepe buitenbochten niet verder vergraven worden. Op basis van geotechnische overwegingen vindt de vergraving vanaf de contourlijn plaats onder een helling van 1:7, of flauwer, naar de gewenste ontwerphoogte. Ter hoogte van rivier km 996,5 bevindt zich de archeologische vindplaats van een 15 de -eeuwse Kogge. De Kogge blijft niet op deze plek liggen en zal worden geborgen. Aanleg en onderhoud De zomerbedvergraving wordt gerealiseerd in 1 tot 2 jaar met baggerschepen geschikt voor de IJssel. Het vrijkomende materiaal zal of aan de markt, of aan het project IJsseldelta-Zuid geleverd worden. Als het zand aan IJsseldelta-Zuid geleverd wordt dat, indien gewenst, opgeslagen in nabij gelegen depots. De rivier zal in de loop van de tijd de vergraving weer vullen met sediment. Daarom zal periodiek onderhoud plaats vinden met baggerschepen. Een deel van het materiaal dat daarbij vrijkomt wordt benedenstrooms, aan het eind van de vergraving weer in de IJssel gebracht. Een ander deel wordt gebruikt in de Pilot Zandafzetting. Constructieve maatregelen De vergraving van het zomerbed betekent ook dat enkele constructieve maatregelen getroffen worden. Dit zijn de volgende maatregelen. Eilandbrug: om de erosie nabij de strekdam te voorkomen, wordt de bestaande bodembescherming uitgebreid; Stadsbrug: aanpassen van het remmingswerk, dit is een constructie waarmee schepen worden afgeremd als ze een brug naderen of dreigen aan te varen. Meerpalen/steigers: op tweetal plaatsen vervangen door langere buispalen Uiterwaardmaatregelen voor ruimtelijke kwaliteit Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit gebeurt door in de uiterwaarden meer ruimte te geven aan natuurlijke dynamiek, waardoor bijzondere natuur- en landschapswaarden behouden blijven en worden versterkt. Daarbij is de insteek de landschappelijke en ecologische waarden ook beleefbaar te maken, door de recreatieve toegankelijkheid te vergroten. Tenslotte zijn de maatregelen passend bij de kernkwaliteiten van het landschap van de Beneden-IJssel. De ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd door uiterwaardmaatregelen in Scherenwelle, Zalkerbosch, Bentinckswelle en de Vreugderijkerwaard. In deze uiterwaarden worden als onderdeel dit initiatief de onderstaande maatregelen genomen (zie ook Afbeelding 1-3). Maatregelen Scherenwelle Lokaal verlagen zomerkade voor behoud bestaand kievitsbloemhooiland en ontwikkeling van nieuw kievitsbloemhooiland. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

21 Creëren kleine open plekken (zeer kleinschalig) om ontwikkeling kievitsbloemhooiland te stimuleren. Omvormen agrarisch beheer naar natuurbeheer. Kwaliteitsverbetering en uitbreiding bestaand rietmoeras door graven van laagtes en plaatsen duiker in zomerkade. Uitbreiding zachthoutooibos in 2 robuuste kernen. Opschonen oeverzone IJssel door verwijderen struiken en ondergroei. Aanleggen eenzijdig aangetakte nevengeul door opschonen en graven buitenste hank. Aanleggen natuurvriendelijke oevers langs nevengeul. Natuurvriendelijk inrichten van de ijsbaan. Natuurvriendelijke oevers aanleggen langs twee plassen. Verwijderen wilgenopslag in rietmoeras en langs de hanken. Maatregelen Koppelerwaard Plaatsen stuw in sloot om lokaal water langer vast te houden t.b.v. kwaliteitsverbetering plasdrassituatie. Plaatsen van een kleine (roos)molen om extra water in het gebied te brengen. Maatregelen Zalkerbosch Omvormen agrarisch beheer naar natuurbeheer voor die delen waar hardhoutooibos, stroomdalgrasland, natuurlijk grasland en plas-drassituaties worden gerealiseerd. Verwijderen graszoden t.b.v. de ontwikkeling van hardhoutooibos. Ontwikkelen hardhoutooibos. Reliëfvolgend bouwvoor verwijderen t.b.v. de ontwikkeling van stroomdalgrasland. Pilot: Stimuleren zandafzetting t.b.v. ontwikkeling stroomdalgrasland. Maaiveldverlaging (gemiddeld 30 cm) t.b.v. plas-drassituatie. Verwijderen bosjes en opgaande begroeiing op zomerkade en ter plekke van de maaiveldverlaging. Realiseren graanakker (vanuit cultuurhistorie). Realiseren wandelroute door verbinden bestaande en nieuw aan te leggen paden. Maatregelen Bentinckswelle Aanleggen tweezijdig aangetakte nevengeul. Kwaliteitsverbetering plas-dras en door introductie IJsselpeil, Behouden van geïsoleerde plassen door aanleg grondwal. Realiseren wandelroute met nieuw aan te leggen paden. Maatregelen Vreugderijkerwaard Kleinschalige maatregelen watergangen ter verbetering bestaand rietmoeras Aanbrengen van drie laagtes. Binnen laagtes worden alle struiken en bomen verwijderd. Kleinschalig afplaggen ter verbetering kwaliteit bestaand stroomdalgrasland. Pilot: Stimuleren zandafzetting t.b.v. stroomdalgrasland. Afbeelding 1-3 Uiterwaardmaatregelenkaart Beneden-IJssel Volgende pagina Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

22 Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

23 1.6 Onderbouwing van locatie Locatie vergraving In de planstudie is de ligging en de wijze van vergraven van het zomerbed geoptimaliseerd, vanaf het ontwerp uit de PKB tot aan het in paragraaf 1.5 gepresenteerde referentieontwerp. In deze paragraaf wordt deze optimalisatie kort beschreven. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar het MER deel A (Royal HaskoningDHV, 2013). Doordat de verlaging in het zomerbed wordt uitgevoerd, heeft de maatregel bij alle afvoeren, van extreem hoge tot lage afvoer, een verlagend effect op de rivierwaterstand. De daling van waterstanden tijdens lage en gemiddelde afvoeren kan ongewenste effecten hebben in de vorm van grondwaterstanddaling en een afname van overstromingsfrequentie in de uiterwaarden. De grondwaterstanddaling kan bovendien tot gevolg hebben dat er niet voldoende water meer beschikbaar is voor drinkwaterwinning. Met de optimalisatie worden deze effecten zoveel mogelijk beperkt. Om het waterstanddalende effect bij lage en gemiddelde afvoeren van de Zomerbedvergraving zoveel mogelijk te beperken (en het waterstanddalende effect bij hoge afvoer in stand te houden), wordt er gebruik gemaakt van de dempende werking van het IJsselmeer. De dempende werking wordt veroorzaakt doordat bij lage IJsselafvoeren de waterstand in de IJsseldelta vooral wordt bepaald door het IJsselmeerpeil, en nauwelijks afhangt van de (lage) afvoer op de IJssel. De locatie van de vergraving bepaalt daardoor het effect op de gemiddelde en lage waterstanden, waarbij het effect klein is bij de monding van de IJssel en toeneemt in de richting van Zwolle. Het eerste resultaat van deze optimalisatie is dat een steeds dieper wordende vergraving (getrapte vergraving) in de richting van de riviermonding tot een kleiner effect leidt op gemiddelde en lage waterstanden, dan een vergraving die overal even diep is. Een getrapte vergraving van een lange zomerbedvergraving leidde echter niet tot acceptabele effecten op de drinkwaterwinning ter plaatse van Zwolle. Daarom is besloten de doelstelling voor de zomerbedverlaging aan te passen (zie paragraaf 1.3). Om zo optimaal mogelijk gebruik te kunnen blijven maken van het dempende effect van het IJsselmeer tijdens lage en gemiddelde afvoeren, is ervoor gekozen om de Zomerbedvergraving vanaf Zwolle in benedenstroomse richting in te korten. Het resultaat van deze optimalisatie is een getrapte vergraving over een lengte van 7,5 km in het benedenstroomse deel van de IJssel Locatie uiterwaardmaatregelen In de planstudie zijn de best passende locaties voor de uiterwaardmaatregelen geselecteerd. In deze paragraaf wordt deze keuze kort beschreven. Voor een uitgebreide beschrijving wordt verwezen naar het MER deel A (Royal HaskoningDHV, 2013). Voor het verwezenlijken van de tweede doelstelling van het project bijdragen aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit - worden uiterwaardmaatregelen uitgevoerd tussen Kampen en Zwolle. Om tot het Inrichtingsplan voor de uiterwaarden te komen, is een proces voorafgegaan waarin de visie op ruimtelijke kwaliteit specifiek is gemaakt voor het project zomerbedverlaging. De visie is in lijn met de kernkwaliteiten van de gehele IJssel, die zijn benoemd en beschreven in de Handreiking Ruimtelijke Kwaliteit IJssel (Bosch Slabbers, 2008). Deze visie kent drie peilers: Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

24 Ruimte geven aan natuurlijke dynamiek, behoud en versterking van bijzondere natuurwaarden Vergroten toegankelijkheid Passend bij de kernkwaliteiten landschap De uiterwaarden gelegen binnen het invloedsgebied van de vergraving zijn met elkaar vergeleken en beoordeeld met de volgende methode: Ruimte geven aan natuurlijke dynamiek: behoud en versterking van bijzondere natuurwaarden is het eerste uitgangspunt van de visie voor ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast zijn natuurwaarden langs de Beneden-IJssel beschermd op grond van de Natuurbeschermingswet De locatiekeuze voor uiterwaardmaatregelen is daarom gestart met een selectie van uiterwaarden waar, ecologisch gezien, de beste condities voor behoud en ontwikkeling van de natuurwaarden aanwezig zijn. De geselecteerde uiterwaarden zijn vervolgens getoetst op ruimtelijke kwaliteit (vergroten toegankelijke en passend bij kernkwaliteiten Handreiking Ruimtelijke Kwaliteit IJssel), haalbaarheid en synergie. 1.7 Autonome ontwikkelingen Naast de Zomerbedverlaging Beneden-IJssel zijn er ook andere projecten in het gebied. Voor een volledig overzicht van de projecten in de regio, en de wijze waarop deze in de effectstudies zijn meegenomen wordt verwezen naar het MER Deel A (Royal HaskoningDHV, 2013). Als autonome ontwikkelingen zijn onder meer de Ruimte voor de Rivier-projecten Dijkverlegging Westenholte, en Uiterwaardvergraving Scheller en Oldeneler buitenwaarden meegenomen. In Zwolle wordt ook rivierverruiming gerealiseerd door de aanleg van een aantal geulen in de Scheller en Oldeneler Buitenwaarden, net ten zuidwesten van Zwolle. Een deel van het gebied wordt voor natuur ingericht. Verder worden in het gebied maatregelen voorbereid als uitwerking van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). 1.8 Leeswijzer deelrapport 3: Grondwater Doel van de modelberekeningen Het doel van dit deelproject is om vast te stellen wat de geohydrologische effecten zijn van de zomerbedverlaging op de Beneden-IJssel. Daarnaast worden deze geohydrologische effecten vertaald naar effecten op functies in de omgeving zoals waterbeheer, drinkwatervoorziening, verontreinigingen, landbouw, natuur en bebouwing om zo tot een onderbouwing van het effect van de zomerbedverlaging op de omgeving voor het MER te komen. Om tot een gedragen aanpak en uitwerking van het geohydrologische onderzoek te komen is een werkgroep opgericht die de geohydrologische werkzaamheden gedurende het project toetst. De verslagen van de overleggen die sinds het begin van het project zijn gevoerd met de toetsgroep zijn opgenomen in Bijlage 11.De volgende personen hebben deel uitgemaakt van de toetsgroep: Lisette van den Bos (waterschap Veluwe); Wilgert Veldman, Marloes ter Haar (waterschap Groot-Salland); Thomas de Meij (provincie Overijssel); Harm-Jan Reit (provincie Gelderland); Geert Menting (Rijkswaterstaat). Daarnaast is een second opinion uitgevoerd door Toine Vergroesen (Deltares) en Willem Jan Zaadnoordijk (KWR). De second opinion is gericht op de gebruikte modelschematisatie en wijze waarop de modelresultaten gebruikt of geïnterpreteerd kunnen worden voor de beoogde vragen. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

25 Relatie tot andere deelrapporten De veranderingen die optreden in het grondwatersysteem zijn afhankelijk van de veranderingen die optreden in het peil van de IJssel en de vergraving van het zomerbed. De resultaten van de hydraulische modelberekeningen vormen de directe input voor de grondwatermodelberekeningen (deelrapport 2- hydraulica). De berekende veranderingen in het grondwatersysteem vormen input voor diverse andere aspecten. Hieronder worden deze puntsgewijs weergegeven: Natuur, de natuur kan beïnvloed worden doordat de grondwaterstanden in het voorjaar en de zomer en de kwelfluxen in de omgeving van de IJssel veranderen (deelrapport 4 - natuur); Landbouw, de landbouw kan beïnvloed worden doordat de grondwaterstanden in de omgeving van de IJssel veranderen (MER Deel b - landbouw); Zetting, mogelijk treden er lokaal extra risico s op zetting op doordat de grondwaterstand tijdens de droge perioden van de zomer extra verlaagd wordt (MER Deel b - zetting); Beleving van de uiterwaard, mogelijk kan doordat de grondwaterstanden (en daarmee wellicht ook waterpeilen in het oppervlaktewatersysteem) veranderen het belevingsbeeld van plassen en het aanzicht van de uiterwaard veranderen (MER Deel b - beleving omgeving); De effecten zijn berekend met diverse modelinstrumentaria. Om de effecten straks daadwerkelijk te kunnen verifiëren wordt een monitoringsplan opgesteld. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het hydrologische systeem zoals het nu functioneert en wordt ingegaan op andere aspecten waar rekening mee gehouden moet worden (zoals waterbeheer, verontreinigingen) in de MERstudie. Hoofdstuk 3 en 4 geven inzicht in de effecten van de zomerbedverlaging. In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving van de varianten gegeven en zijn de kwantitatieve gebiedsdekkende geohydrologische effecten beschreven voor de verschillende varianten. Hoofdstuk 4 gaat in op wat de geohydrologische effecten betekenen voor de diverse belangen in het gebied en er worden scores toegekend. Paragraaf 4.1 geeft de criteria weer waaraan getoetst wordt in het MER en de wijze waarop dat gebeurd. Hoofdstuk 5 beschrijft de uiterwaardmaatregelen. In tegenstelling tot de opbouw van hoofdstuk 2-4 is in dit hoofdstuk per uiterwaard ook de huidige situatie beschreven en de effecten van de verschillende maatregelen op het grondwatersysteem. In bijlage 2 is een beschrijving opgenomen van de aanpassingen aan het MIPWAmodel. Daarnaast wordt ingegaan op: 1) de aannames voor de modellering en hoe wordt hiermee omgegaan in deze studie? En 2) hoe gevoelig is het model voor diverse parameters en wat is de bijbehorende bandbreedte? Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

26 In de loop van het planproces is er op een aantal onderdelen een andere keuze gemaakt, dan waar in voorliggende rapportage van uit is gegaan. Het gaat hierbij om de volgende keuzes: Ter hoogte van rivier km 996,5 bevindt zich de archeologische vindplaats van een 15 de -eeuwse Kogge. De Kogge blijft niet op deze plek liggen en zal worden geborgen; De inrichting van de uiterwaard Bentinckswelle is gewijzigd. Er wordt ondermeer een nevengeul aangelegd; In de uiterwaarden Zalkerbosch en Bentinckswelle wordt een wandelpad (laarzenpad) gerealiseerd. Het voorgenomen tracé is opgenomen in Afbeelding 1-3. De besluiten en vergunningen gaan uit van het in dit hoofdstuk 1 beschreven ontwerp voor de vergraving en inrichting van de uiterwaarden. Ook in het Milieueffectrapport en de Passende beoordeling zijn bovengenoemde keuzes verwerkt. In voorliggende rapportage wordt mogelijk op onderdelen een andere situatie beschreven. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

27 2 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE 2.1 Inleiding Het onderzoeksgebied is een groot gebied in een lange strook langs de IJssel (bijlage 1.1) ongeveer van Deventer tot en met Kampen. Van het gebied is een regionaal grondwatermodel beschikbaar dat is gebruikt voor deze studie (MIPWA, voor een beschrijving van het model zie bijlage 2). In dit hoofdstuk wordt ingegaan op hoe het systeem functioneert (deels op basis van het model) en welke belangen er zijn in het gebied. Hieruit volgt namelijk welke processen van het hydrologische systeem van belang zijn om de volgende vraag te kunnen beantwoorden: Wat is het effect van de zomerbedverlaging op de geohydrologie en wat betekent dit voor de diverse functies? In de rapportage gebruiken we diverse begrippen die soms verschillend geïnterpreteerd kunnen worden. In Tabel 2-1 geven wij weer wat wij in deze studie met deze begrippen bedoelen. Tabel 2-1: Modeltechnische hydrologische definities. Parameter Definitie Grondwaterstand De waterhoogte die wordt berekend in de deklaag (modellaag 1). Stijghoogte De waterhoogte die wordt berekend in de overige modellagen (modellaag 2-7). Toegevoegd zal worden om welke modellaag en/of welk watervoerend pakket het gaat. Kwel/infiltratie Verticale stroming over de onderrand van modellaag 2. Hier is voor gekozen omdat de deklaag op sommige plaatsen dun is en het oppervlaktewatersysteem insnijdt in modellaag 2. Een positief getal betekent kwel (opwaartse stroming), een negatief getal betekent infiltratie (neerwaartse stroming). Aan- en afvoer Stroming van grondwater van of naar het oppervlaktewatersysteem (in modeltermen: stroming van/ naar rivers, drains en overlandflow). Bij afvoer stroomt er grondwater uit het model naar het oppervlaktewater (negatief getal). Bij aanvoer stroomt er water naar het grondwater (positief getal). GG Gemiddelde grondwaterstand op de 14 e en 28 e van iedere maand gedurende de jaren GHG en GLG De gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstand. In tegenstelling tot de gangbare definitie voor de GHG en de GLG wordt hier de output van een bepaalde datum genomen (zie bijlage 2). GHG: 28 december 1998 en GLG: 14 april 1996 Dynamiek Het verschil tussen de GHG en GLG (GHG-GLG) GVG Gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand: het gemiddelde van de grondwaterstand op 28 maart en 14 april gedurende de jaren OLA Overeengekomen laagwater, dit is de afvoer die circa 20 dagen per jaar wordt onderschreden en komt overeen met een gemiddeld jaarminimum. De OLA-periode loopt van 28 februari 1996 t/m 27 oktober T1 Hoogwatergolf die eens per jaar voorkomt. De T1-periode loopt van 28 oktober 1998 t/m 27 november T10 Hoogwatergolf die eens per 10 jaar voorkomt. De T10-periode loopt van 28 december 1994 t/m 16 april Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

28 2.2 Hydrologisch systeem Geologie en IJssel De IJsselvallei is in het verleden gevormd door de IJssel. De IJssel stroomt van zuid naar noord (tevens loopt de maaiveldhoogte in deze richting af) richting het Ketelmeer. Het Ketelmeer staat in directe verbinding met het IJsselmeer. Het peil op de IJssel wordt beïnvloed door de bovenstroomse aanvoer en het peil op het IJsselmeer. Voor het IJsselmeer geldt een streefpeil voor het winter- en zomerseizoen. Uit metingen van het peil van het IJsselmeer blijkt dat het streefpeil in praktijk niet altijd gehandhaafd wordt. Vooral de laatste jaren is het werkelijke peil in de zomer hoger dan het streefpeil. Bij de hydraulische berekeningen die als input voor het grondwatermodel dienen is voor de gemiddelde situatie uitgegaan van het beleidsmatig vastgestelde zomerpeil van -0,2 m +NAP. West Veluwe, kleischotten IJssel Oost Afbeelding 2-1: Hydrologisch systeem (bron: TNO,1985). Dwarsdoorsnede net ten zuiden van Zwolle (onderkant F. van Oosterhout is circa 100 m diep). Afbeelding 2-1 geeft door middel van een dwarsdoorsnede globaal de geologische opbouw van het gebied weer. Ten westen van de IJssel bevindt zich de stuwwal van de Veluwe. De stuwwal bestaat uit een dik zandpakket dat doorsneden wordt door kleischotten die de afwatering van het grondwater richting de IJssel sterk beperken. Aan de onderkant wordt het zandpakket begrensd door de Formatie van Tegelen en Drenthe, een dikke slecht doorlatende laag. Het zandpakket in de IJsselvallei wordt aan de onderkant begrensd door dezelfde Formatie. Ter plaatse van de IJsselvallei komen meerdere wijdverbreide kleilagen voor die plaatselijk een hoge weerstand kunnen hebben (bijvoorbeeld de Eem Formatie). Hierdoor wordt op veel plaatsen het watervoerende pakket opgedeeld in meerdere watervoerende pakketten. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

29 In de omgeving van Zwolle is de deklaag dun, in het noorden tussen Zwolle en Kampen is de deklaag beter ontwikkeld en bestaat uit een laag klei en veen Grondwaterstand/stijghoogte Het grondwater stroomt globaal van zuid naar noord en vanaf de oostkant van de Veluwe richting de IJssel. Bijlage 3.1 en 3.2 geven de gemiddelde grondwaterstand berekend met het model weer (m +NAP en cm beneden maaiveld) en bijlage 3.3 de dynamiek. Bijlage 3.4 t/m 3.11 geven de gemiddelde grondwaterstand, GHG, GLG en GVG weer en de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket. Het noordelijke gebied tussen Kampen en Zwolle bestaat voornamelijk uit polders met klei en veen in de ondergrond waar intensief landbouw gepleegd wordt. Dit gebied wordt op peil gehouden door de aanwezigheid van sloten en watergangen. Het slotensysteem beïnvloedt de grondwaterstand sterk (grondwaterstand blijft rondom polderpeil en heeft een geringe dynamiek). De grondwaterstand varieert van 0,20-1,00 m-mv. In de uiterwaarden en sommige streefpeilgebieden (zie paragraaf 2.3) is de dynamiek van de grondwaterstand groter, deze gebieden worden namelijk niet jaarrond op peil gehouden door de Waterschappen. In het stedelijke gebied is de grondwaterstand dieper onder maaiveld door de aanwezigheid van lokale drainage, riolering en oppervlaktewater. De grondwaterstand varieert globaal tussen 1,0-2,0 m-mv. Bovenop de Veluwe reageert de grondwaterstand wegens de grootte diepte onder maaiveld (10-30 m-mv) traag op neerslag en verdamping, dit leidt ertoe dat er geen jaarlijkse trend in de grondwaterstand waarneembaar is maar een langjarige trend. De grondwaterstand kan in de tijd fors variëren en neemt bijvoorbeeld toe na enkele relatief natte jaren. Op de rand van de Veluwe geldt dit niet, hier reikt de grondwaterstand tot vlak onder het maaiveld. Ter plaatse van kleischotten treedt het grondwater uit en hier ontspringen beken. Rondom deze locaties staat de grondwaterstand vrijwel tot aan maaiveld en fluctueert weinig gedurende het jaar. Aan de flanken van de Veluwe neemt de dynamiek juist weer toe. Dit is een gebied waar nauwelijks water aangevoerd kan worden waardoor de grondwaterstand sterk door neerslag en verdamping beïnvloed wordt. Doordat het peil van de IJssel verlaagd (> 5 cm) wordt tussen Zwolle en Kampen door de aanleg van de zomerbedverlaging gedurende gemiddelde omstandigheden en hoogwater zullen tussen Zwolle en Kampen de grootste verlagingen in grondwaterstand en stijghoogte optreden. Het effect op het peil van de IJssel tussen Zwolle en Kampen ten gevolge van de zomerbedverlaging bedraagt ongeveer: Bij hoog water 0,27 (T1-situatie) -0,45 m (T10-situatie); Bij gemiddeld peil van de IJssel 0,07 m (zie bijlage 4.1); Bij een laagwater situatie (OLA) 0,02 m. De effecten op de grondwaterstand en stijghoogte zijn kleiner dan de veranderingen die optreden in het peil van de IJssel. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

30 2.2.3 Kwel/infiltratie en water aan- en afvoer De gemiddelde kwel/infiltratie en water aan en afvoer berekend met het model is weergegeven in bijlage 3.12 en bijlage Een negatieve waarde betekent infiltratie of waterafvoer en een positieve waarde kwel of wateraanvoer. Op de Veluwe infiltreert neerslag. Uit het model blijkt dat ongeveer mm per jaar gemiddeld infiltreert van modellaag 2 naar 3 (orde grote 1-2 mm/dag). De rest van de neerslag komt ten goede aan gewasverdamping. Ter plaatse van de beken en in het relatief laaggelegen gebied vanaf de Veluwe tot aan de IJssel kwelt water op dat afgevoerd wordt door het oppervlaktewatersysteem (orde grote mm/jaar). In het stedelijke gebied is de netto grondwateraanvulling geringer (circa 300 mm/jaar) en in de IJsselvalei orde grootte mm/jaar. De infiltratiehoeveelheid van mm per jaar op de Veluwe is fors en wordt niet realistisch geacht door de gebiedskenners. Het gemiddelde van de grondwateraanvulling (berekend met het niet-stationaire model) is daarom vergeleken met de stationaire grondwateraanvulling in MIPWA. Hieruit blijkt dat de stationaire grondwateraanvulling in het hele modelgebied minder is dan met de niet-stationaire berekening berekend wordt. Tussen Zwolle en Kampen bedraagt gemiddeld de grondwateraanvulling berekend met het niet-stationaire model 1,3 mm/dag, de stationaire grondwateraanvulling bedraagt 0,9 mm/dag. Bijlage 2.9 geeft het effect van deze twee grondwateraanvullingen op het effect van de zomerbedverlaging weer. Hieruit blijkt dat bij minder grondwateraanvulling het effect van de zomerbedverlaging bij Hattem verder kan uitstralen. Typen sloten: DEKLAAG grondwaterstand WVP1 IJssel aanvoer naar grondwatersysteem neemt af 1. wateraanvoerende sloot grondwaterstand daalt verder aanvoer neemt toe 2. gering waterafvoerende sloot grondwaterstand daalt tot onder oppervlaktewaterpeil afvoer slaat om in aanvoer 3. waterafvoerende sloot grondwaterstand daalt afvoer neemt af Afbeelding 2-2: Globale schets van verandering in aan- en afvoer als gevolg van de zomerbedverlaging benedenstrooms van Hattem. Tot aan Heerde voert de IJssel in de gemiddelde situatie water af (draineert), tussen Heerde en Hattem slaat de afvoer om in aanvoer (infiltreert). Tussen Hattem en het Ketelmeer voert de IJssel water aan. Doordat het peil van de IJssel door de zomerbedverlaging verlaagd wordt, neemt vanaf Heerde de wateraanvoer van de IJssel toe. Dit heeft een verdrogend effect op het grondwatersysteem in de omgeving van de IJssel. De grondwaterstand in de omgeving van de IJssel neemt daardoor af en het omliggende oppervlaktewatersysteem zal minder grondwater gaan afvoeren. Afbeelding 2-2 geeft schematisch weer Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

31 hoe de aan- en afvoer van het oppervlaktewatersysteem kunnen veranderen als gevolg van de zomerbedverlaging. 2.3 Waterbeheer Waterschap Groot Salland en waterschap Veluwe zijn verantwoordelijk voor het waterbeheer rondom de IJssel. In bijlage 6.1 is weergegeven in welke gebieden een winter- en zomerpeil gehandhaafd wordt en waar niet. In de overige gebieden is geen aanvoer van water mogelijk. Hier kunnen de sloot- en beekpeilen in droge perioden uitzakken waardoor sloten en beken mogelijk droogvallen. De gebieden met een vast winter- en zomerpeil worden op peil gehouden doordat wateraanvoer mogelijk is van elders. Omdat ten gevolge van de zomerbedverlaging mogelijk meer water moet worden aangevoerd in de polders dicht bij de IJssel om het peil te garanderen is het van belang om te toetsen of er na uitvoering van de zomerbedverlaging genoeg water beschikbaar is om aan te voeren in droge perioden en of de benodigde gemaalcapaciteit groot genoeg is. De polders die getoetst moeten worden, aangegeven door de Waterschappen, zijn weergegeven in bijlage 6.2. Door waterschap Veluwe zijn vier aandachtsgebieden aangegeven: De Hoenwaard: De Hoenwaard kan vanuit de IJssel inunderen. Er is aanvoer direct uit de IJssel mogelijk voor een deel van het gebied, maar het gemaaltje is klein en wordt vrijwel niet ingezet en alleen in het buitendijkse gebied. Er vindt wel eens peilonderschrijding plaats, maar dat is in een deel (oeverwallen langs de IJssel) waar geen aanvoer mogelijk is. Het is een streefpeilgebied, dus is er geen verplichting om water aan te voeren en er zijn geen klachten over; Veessen-Wapenveld: Dit gebied wordt momenteel via de weteringen vanuit Terwolde van water voorzien. Hier wordt het peil in het Toevoerskanaal (globaal van gemaal Terwolde naar Apeldoorn) opgezet en vervolgens via drie weteringen (Grote, Nieuwe en Terwoldse) het gebied ingelaten. De capaciteit van het gemaal is 250 m³/minuut. Het aangevoerde water zal de bovenstroomse delen van de peilvakken op de oeverwal langs de IJssel veelal niet bereiken; Terwoldse Wetering: Dit is een vergelijkbaar gebied als Veessen-Wapenveld. Het vastgestelde peil in de wetering blijft op peil door aanvoer vanuit Terwolde, maar op de oeverwal zakt het peil uit. Gemaal Antlia: Het Waterschap geeft aan dat waterinlaat hier in principe niet plaatsvindt. Gezien de binnendijkse peilen is voor waterinlaat bij lage afvoeren een pomp noodzakelijk (in verdronken positie). Gezien het geringe effect van de zomerbedverlaging onder droge omstandigheden wordt de werking van de pomp niet beïnvloed. Uit deze analyse en een nader overleg met waterschap Veluwe blijkt dat er zich naar verwachting geen problemen zullen voor doen. Door waterschap Groot Salland zijn 13 peilgebieden aangegeven die gevoelig zijn voor veranderingen in het IJsselpeil. Het betreffen vooral gebieden ten noordwesten van Zwolle. In deze gebieden is een vast winter- en zomerpeil ingesteld. Wateraanvoer in deze gebieden vindt plaats vanuit de IJssel en vanuit de randmeren. Ten zuiden van Zwolle zijn de peilen voornamelijk gedefinieerd als streefpeilen, deze peilen kunnen namelijk niet altijd gegarandeerd worden door het hellende karakter van het gebied. Het oppervlaktewatersysteem in Zwolle wordt grotendeels op peil gehouden middels een verbinding met het Zwarte meer. Alleen langs de IJssel, in Katerveer wordt het peil op niveau gehouden door de IJssel. Op basis van het functioneren van de inlaten en gemalen langs de IJssel waar het peil verlaagd wordt (deelrapport 2) is bepaald welke inlaten en gemalen mogelijk lastiger water kunnen inlaten na uitvoering van de zomerbedverlaging. Dit wordt hieronder toegelicht: Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

32 Inlaat s-heerenbroek: hier is het momenteel lastig om in droge tijden water in te laten. De verwachting is dat dit verergerd wordt als het waterpeil in de IJssel extra verlaagd wordt en er geen technische maatregelen uitgevoerd worden; Inlaat Stoter: Het gehandhaafde peil binnendijks is fors lager dan het IJsselpeil (0.85 m NAP). De inlaat onder vrij verval wordt door de zomerbedverlaging daarom niet beïnvloed; Inlaat de Zande: Het polderpeil achter de inlaat in de zomer bedraagt 0.25 m NAP volgens de legger. Tijdens OLA-omstandigheden is het effect op het IJsselpeil maximaal 2 cm. Door het Waterschap is aangegeven dat de waterinlaat momenteel geen probleem is bij deze inlaat (ook niet in het droge jaar 2003). Een extra verlaging van 2 cm wordt daarom niet als negatief effect beoordeeld door het Waterschap; Gemaal Adsum: wordt niet gebruikt als inlaatgemaal. Inlaatgemaal Zalk: Volgens de beschikbare gegevens is waterinlaat mogelijk door inzet van een pomp (in verdronken positie). Gezien het geringe effect van de zomerbedverlaging onder droge omstandigheden wordt de werking van de pomp niet beïnvloed. Gemaal Katerveer: Water kan onder vrij verval ingelaten worden. Tijdens OLA-omstandigheden is het verval circa 23 cm, dit neemt af naar 21 cm. Het functioneren van de waterinlaat wordt niet significant beïnvloed. Uit deze analyse en een nader overleg met het Waterschap Groot-Salland blijkt dat alleen de waterinlaat bij s-heerenbroek een aandachtspunt vormt voor deze studie. 2.4 Verontreinigingen In de directe omgeving van de IJssel zijn meerdere (grondwater)verontreinigingen aanwezig. Vooral de binnenstad van Zwolle staat bekend als een gebied waar ernstige mobiele grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn tot grote diepte (diepte van eerste watervoerende pakket tot circa 90 m-mv). Bij de beherende instanties zijn de verontreinigingslocaties langs de IJssel waar significante IJsselpeilveranderingen berekend worden opgevraagd. In totaal zijn er zijn 42 locaties waar mogelijk een ernstige mobiele verontreiniging aanwezig is in het grondwater. Of daar ook daadwerkelijk een significant effect optreedt op de stroming ten gevolge van de zomerbedverlaging moet blijken uit de grondwatermodelberekeningen. Afbeelding 2-3 geeft de locaties van de verontreinigingen in Kampen weer. De verontreinigingen liggen voornamelijk in/rondom Zwolle, Hattem en Kampen. In Kampen zijn door gemeente en provincie zes verontreinigingen in het grondwater aangegeven. In Tabel 2-2. is een samenvatting weergegeven van de informatie die door de gemeente Kampen en provincie Overijssel zijn aangeleverd. Het betreft drie restverontreinigingen na sanering en drie nog te saneren verontreinigingen In Bijlage 12 is alle aangeleverde informatie weergegeven. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

33 Tabel 2-2: Samenvatting door provincie en gemeente aangeleverde gegevens m.b.t. verontreinigingen in Kampen. 37 Voormalige gasfabriek Bolwerk te Kampen (Noordweg) Eigenaar gemeente Kampen Situatie In het grondwater sterke verontreiniging met voornamelijk vluchtige aromaten. Verontreiniging komt voor tot 16 m mv. Horizontale verspreiding lijkt niet significant. Aandacht voor eventuele verticale verspreiding. Status Uitvoeren actieve nazorg. Monitoring sinds 2008 Sinds 2004 vindt grondwatermonitoring plaats. Grondwater is in tegenstelling tot saneringsplan niet gesaneerd. Afgesproken is, in verband met gewijzigd beleid, te monitoren om gedrag van de verontreiniging te bepalen en aan de hand daarvan te bepalen of (sanerings)maatregelen noodzakelijk zijn. Eind 2012 en 2013 vindt monitoring plaats. In 2014 worden resultaten beoordeeld en eventueel vervolg bepaald. 38 Voormalige gasfabriek De La Sablonierekade te Kampen Eigenaar gemeente Kampen Situatie In grond en in het freatische grondwater verontreiniging met vluchtige aromaten en minerale olie. Deze verontreiniging is achtergebleven bij sanering. Ontgraving was door bebouwing niet mogelijk en in situ techniek lukte niet door hoeveelheid puin in de bodem. Een leeflaag met dikte van 1 meter is vervolgens aangebracht.verontreiniging is beperkt van omvang. Om gedrag van de verontreiniging in het grondwater te bepalen en om risico s voor bewoners uit te sluiten vindt monitoring plaats. Er is een grote fluctuatie in de gemeten gehalten. Status Risico: grond en grondwater nog onduidelijk na leeflaagsanering en poging tot in situ sanering. Status: monitoring. 39 Voormalige Berkterrein Noordweg 5 te Kampen Eigenaar Mateboer Projectontwikkeling Situatie Grootschalige sterke verontreiniging (overschreiding interventiewaarde) met VOCL in het grondwater. De verontreiniging is in de grond in twee kernen aanwezig die elkaar in het grondwater overlappen. Het grondwater is tot een maximale diepte van 18 m-mv verontreinigd. Ook verontreiniging van olie, zware metalen en PAK. Status Er is een beschikking van 13 juni 2005 op nader onderzoek en raamsaneringsplan. Op dit moment loopt er een monitoringsplan. De uiterste datum betreffende het VOCl geval waarop met de saneringsmaatregelen moet zijn aangevangen, wordt hierbij vastgesteld op 1 april Voor de olie- en zware metalen en PAKverontreinigingsgevallen wordt geen tijdstip vastgesteld. 40 Industrieweg 25 (voormalig brandstoffendepot van Texaco) te Kampen Eigenaar Chevron Situatie Het olieopslag en overslagterrein is verlaten in Sindsdien is het terrein braakliggend. Als gevolg van de activiteiten is de bodem (grond en grondwater) verontreinigd geraakt met minerale olie en vluchtige aromaten. Er zijn in totaal drie verontreinigingskernen aanwezig, waarvan twee binnendijks en de andere (de grootste) buitendijks. Er is vermoedelijk sprake van een grootschalig geval van bodemverontreiniging. Dit betekent dat meer dan m3 bodemvolume sterk verontreinigd is. De bodem is nog niet gesaneerd. Wel vinden er periodiek controlemetingen plaats van de grondwaterkwaliteit. Status Moet nog gesaneerd worden. 41 Industrieweg 37 te Kampen Eigenaar Van Dijk Educatie Situatie Beschikking uit 1999 voor een deelsaneringplan ivm. verontreingingen met zware metalen en minerale olie. Beschikking uit 2003 voor een saneringsplan ivm. de verontreiniging met VOCL. Op dit moment loopt er een monitoringsplan, waarbij jaarlijks wordt gemonitord. Status In 2008 evaluatiebeschikking in verband met de uitgevoerde sanering van de verontreinigingen met zware metalen en minerale olie. 42 Blekerijweg 4 (voormalige wasserij) te Ijsselmuiden Eigenaar Nog niet bekend Situatie Ter plaatse van de voormalige wasserij en stroomafwaarts is het grondwater sterk verontreinigd met VOCl. De omvang van het sterk met VOCl verontreinigd grondwater bedraagt minimaal m³. Uit geohydrologische onderzoek blijkt dat de grondwaterverontreiniging en afbraakprodukten nog (over grote afstand) verder kunnen zijn verspreid in noordelijke tot noordoostelijke richting. Vastgesteld is dat er sprake is van een onaanvaardbaar verspreidingsrisico. Status Grondwaterverontreiniging (status humaan / spoed) die nog moet worden gesaneerd. Rapport Royal Haskoning 2011: omvang van het gebied met ernstige grondwaterverontreiniging is nog onbekend. Aanbeveling: stel omvang en groei van de pluim vast, stel afbraakomstandigheden vast. Er is momenteel opdracht gegeven voor vervolgonderzoek naar de omvang van de pluim, de afbraakomstandigheden en naar de risico s voor de mens. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

34 Afbeelding 2-3: Locaties van de verontreinigingen in Kampen. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

35 2.5 Drinkwaterwinningen Engelse Werk Binnen de invloedssfeer van de zomerbedverlaging bevindt zich één strategische drinkwaterwinning van Vitens, het Engelse Werk ten zuidwesten van Zwolle. Deze winning onttrekt grondwater op 2 locaties: het Engelse Werk en de Schellerdijk. Het water dat hier gewonnen wordt is grotendeels afkomstig uit de IJssel, daarom is de verwachting dat een verlaging van het peil van de IJssel een effect zal hebben voor deze winning. De verwachte effecten bestaan uit: Afname van de hoeveelheid water die onttrokken wordt uit de IJssel; Verplaatsing intrekgebied richting de stad Zwolle waardoor de verontreinigingen in de omgeving van het stationsgebied wellicht weer een risico voor de drinkwatervoorziening vormen; Extra afname van de grondwaterstand door de winning t.g.v. de zomerbedverlaging in het omliggende EHS-gebied. Afbeelding 2-4: Weergave van winning Engelse Werk. De situatie bij de drinkwaterwinning is volop in ontwikkeling. Naast de winning is een grootschalige sanering in gang om te voorkomen dat verontreinigd grondwater in de putten van Vitens stroomt, hierdoor is het maximaal te winnen debiet voor de winning momenteel bijgesteld. Daarnaast wordt in het kader van het Ruimte voor de Rivier programma in de Scheller en Oldenelerbuitenwaard een geul in open verbinding met de IJssel aangelegd, de zogenoemde Hank. Het maximale windebiet bij de winning Engelse Werk is als volgt vergund: Tot en met 1 oktober 2011 mag er 10,7 Mm³/jaar gewonnen worden, hiervan is 0,7 Mm³/jaar tijdelijk; Vanaf 1 oktober 2011 tot 31 december 2012 mag er 10,4 Mm³/jaar gewonnen worden, 4,1 Mm³/jaar in het park Engelse Werk en 6,3 Mm³/jaar op het terrein aan de Schellerwaard; Vanaf 1 jan 2013 mag er 10 Mm³/jaar gewonnen worden, 3,7 Mm³/jaar in het park Engelse Werk en 6,3 Mm³/jaar op het terrein aan de Schellerwaard. Dit komt omdat voor de sanering nu 4 interceptieputten in bedrijf zijn die circa 1,5 Mm³/jaar winnen. Echter met de Provincie en Gemeente zijn afspraken gemaakt om deze vergunning uit te breiden op het terrein Schellerwaard naar 12 Mm³/jaar als de interceptiewinning uitgezet wordt (uitbreiding winning met 1,5 Mm³/jaar) en de Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

36 Hank aangelegd is (uitbreiding winning met 0,5 Mm³/jaar). Vitens heeft de hoeveelheid van 12 Mm³/jaar drinkwater namelijk nodig voor de stad Zwolle. Van het gebied is een detailmodel beschikbaar. Met dit model is het effect van de zomerbedverlaging op de winning berekend. De resultaten van deze berekeningen zijn opgenomen in bijlage 8. Rapportage: Effecten zomerbedverlaging op winning Engelse Werk: verkenning, analyse oplossingsrichtingen en advies, DHV 2011 beschrijft de aanpassingen die in het kader van dit project aan het model zijn uitgevoerd. De referentiesituatie in deze berekeningen is het toekomstige beleidsmatige scenario waarbij de winning is uitgebreid naar 12 Mm³/jaar. Tegelijkertijd met de uitvoering van de zomerbedverlaging worden 2 putten op het winpark Engelse Werk verplaatst richting de IJssel ter mitigatie. De Koppelerwaard Ten zuiden van Wilsum, tussen Zwolle en Kampen is een potentiële strategische drinkwatervoorzieningslocatie vastgesteld in het beleid van de Provincie: de Koppelerwaard. In het beleid van de Provincie is deze locatie gereserveerd voor een winning met een debiet van 10 Mm³/jaar. Door de geringe invloed van de zomerbedverlaging op de grondwaterstand is geoordeeld dat het intrekgebied niet zodanig zal veranderen dat de administratieve grenzen aangepast moeten worden. Om deze reden is dit niet nader onderzocht. Overige drinkwaterlocaties De winning Boerhaar, Diepenveen, Espelose Broek en Wezep liggen ook binnen het studiegebied. Voor al deze locaties geldt dat de winningen ruimschoots buiten het invloedsgebied van de zomerbedverlaging liggen. Effecten op deze winningen treden daarom niet op. Afstand van winning tot uiterste effectcontour van de zomerbedverlaging voor de gemiddelde situatie: Wezep: 2,5 km; Boerhaar: 2 km; Espelose Broek: > 3 km; Diepenveen: > 3 km. 2.6 Stedelijk grondwater Kampen Voor Zomerbedverlaging wordt de IJsselbodem bij Kampen vergraven. Dit zal op twee manieren effect hebben op het grondwatersysteem in Kampen: De intredeweerstand van de IJsselbodem wordt lager, waardoor er meer water uit de IJssel naar het watervoerende pakket infiltreert. Daardoor worden stijghoogten verhoogd en kunnen grondwaterstanden stijgen; Het peil van de IJssel wordt verlaagd. Dit heeft een tegenovergesteld effect:: stijghoogten en grondwaterstanden kunnen onder bepaalde omstandigheden worden verlaagd. In deze paragraaf wordt de huidige toestand van het grondwater in Kampen beschreven. Locaties worden aangeduid met de namen van buurten in Kampen (zie Bijlage 7.1). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

37 2.6.1 Grondwatersysteem in het stedelijk bebouwde gebied in Kampen Bodemopbouw Afbeelding 2-5 toont een schematische dwarsdoorsnede van de ondergrond in Kampen met alle relevante grondwaterstromen. De ondergrond in Kampen bestaat uit een deklaag die is opgebouwd uit leem, klei, veen en zand. De deklaag is matig tot slecht doorlatend is voor grondwater. Daaronder ligt het watervoerende pakket, dat is opgebouwd uit matig fijn tot grof zand en bij Kampen een zeer grote dikte (circa 250 m) en een hoog doorlaatvermogen (meer dan 5000 m 2 /dag). Dat pakket is dus zeer goed doorlatend voor grondwater. Polders Bijlage 7.2 toont de maaiveldhoogten in en rond Kampen. De binnenstad en de buurten Brunepe, Hanzewijk Greente en Kampen-Zuid zijn relatief hooggelegen (maaiveld NAP+2 tot NAP+3,5 m). Alle andere buurten liggen lager: maaiveldhoogten tussen NAP+0,5 en NAP+1 m. Om die laaggegelen wijken droog te houden wordt met gemalen water afgevoerd uit het stelsel van watergangen (sloten, vijvers) in die wijken. De waterstanden (polderpeilen) die worden gehandhaafd zijn weergegeven in Bijlage 7.3. In veel buurten in Kampen is het winterpeil NAP-0,85 en het zomerpeil NAP-0,7 m. Er zijn ook polders met lagere peilen, zoals de Koekoekspolder (ten noordoosten van IJsselmuiden) met winterpeil NAP-3,8 m, en de Flevopolder (peilen tot dieper dan NAP-6 m). Als gevolg van de lage polderpeilen zijn de stijghooogten in het watervoerende pakket onder Kampen gemiddeld circa NAP-0,5 tot NAP-1,5 m. Dit wordt verder toegelicht op pagina 26. Afbeelding 2-5: Grondwatersysteem in Kampen Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

38 Infiltratie vanuit de IJssel Door het gebied stroomt de IJssel. De waterstanden in de IJssel bij Kampen worden bepaald door het IJsselmeerpeil (zomerpeil NAP-0,2, winterpeil NAP-0,4 m) en door de rivierafvoer. Afbeelding 2-6 toont de in de Kamper Bovenhaven gemeten waterstanden in de periode Ze variëren tussen NAP-0,4 m (laag IJsselmeerpeil en zeer lage IJsselafvoer) en NAP+1,5 m (hoge IJsselafvoer). Afbeelding 2-6 toont ook de gemeten stijghoogten in een peilbuis op circa 700 m afstand van de IJssel. De stijghoogten in het watervoerende pakket variëren tussen NAP-0,80 en NAP-0,50 m, met pieken naar NAP+0,20 cm. De IJsselpeilen zijn hoger dan de stijghoogte. Dat blijkt uit Afbeelding 2-7, die het verschil tussen het IJsselpeil en de stijghoogte toont. Dit verschil is opvallend constant en bedraagt circa 50 cm. Bij lage IJsselpeilen is het verschil kleiner (40 cm) en bij hoge IJsselpeilen groter (60 cm met pieken bij hoog water van meer dan 1 m stijghoogteverschil). Als gevolg van het stijghoogteverschil treedt er bij Kampen permanent infiltratie op vanuit de IJssel naar het watervoerende pakket. 150 H-Kampen Bovenhaven [cm] 100 B21D Waterstand en stijghoogte [cm tov NAP] Jan-2005 Jan-2006 Jan-2007 Jan-2008 Jan-2009 Jan-2010 Jan-2011 Afbeelding 2-6: Gemeten IJsselpeil en stijghoogten in een peilbuis op 700 m van de IJssel 0 Stijghoogteverschil [cm] dh_ijssel - B21D Jan-2005 Jan-2006 Jan-2007 Jan-2008 Jan-2009 Jan-2010 Jan-2011 Afbeelding 2-7: Gemeten verschil tussen IJsselpeil en stijghoogte op 700 m van de IJssel Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

39 De stromingsweerstand van de IJsselbodem De hoeveelheid water die van de IJssel naar het watervoerende pakket stroomt wordt onder anderen bepaald door de samenstelling van het bodemmateriaal van de IJsselbodem en de lagen daaronder. In het kader van de zomerbedverlaging zijn boringen in het IJsselbed uitgevoerd: 3 boringen naast elkaar om de 400 m tot m onder de IJsselbodem; 2 boringen naast elkaar om de 1000 m tot 5 m onder de IJsselbodem. Bijlage 7.5 toont de beschikbare onderwaterboringen in de IJsselbodem. Dit zijn in raaien geplaatste boringen met een diepte van of tot 5 m. Per boring is de gezamenlijke dikte van klei-, leem-, en veenlaagjes weergegeven. Uit boringen blijkt dat de bodem onder de IJssel bestaat uit matig grof tot grof zand. Op basis van de boringen is vastgesteld dat er op meerdere plekken bovenin de bodem klei-, leem- en veenlaagjes aanwezig zijn met een dikte van 1 tot 3 m. Daaronder is grover zand aanwezig: het watervoerende pakket. In de meeste raaien zijn één of meerdere boringen waarin geen weerstandbiedend materiaal is aangetroffen. Als hier grond afgegraven wordt dan zal het contact met het grondwatersysteem niet sterk beïnvloed worden. Op enkele locaties zijn klei-/leem-/ en/of veenlaagjes aangetroffen over de hele breedte van de rivier. Na uitvoering van de zomerbedverlaging zullen daar weerstandbiedende lagen uit de IJsselbodem verwijderd worden. Daardoor neemt het contact tussen IJssel en het watervoerende pakket toe en kan dit leiden tot een verhoging van de stijghoogte. Afbeelding 2-8 toont de weerstand tussen de IJssel en het watervoerende pakket, zoals voor de huidige situatie is opgenomen in het grondwatermodel. Afbeelding 2-8: Stromingsweerstand tussen de IJssel en het watervoerende pakket, opgenomen in het grondwatermodel Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

40 Grondwaterstroming in het watervoerende pakket Het water dat uit de IJssel naar het watervoerende pakket infiltreert stroomt zijdelings af (zie Afbeelding 2-9). De stroming op de rechteroever is noordoostelijk en noordelijk gericht. Veel water stroomt naar de Koekoekspolder, waar het weer opkwelt. De stroming op de rechteroever is zuidoostelijk gericht, naar de Flevopolder. Afbeelding 2-9: Gemiddelde grondwaterstijghoogte in het watervoerende pakket, berekend met het grondwatermodel MIPWA Grondwaterstanden in het stedelijk bebouwde gebied in Kampen De neerslag in stedelijke gebieden wordt afgevoerd door verdamping, door oppervlakkige afstroming over verharde oppervlakten (naar riolen en naar oppervlaktewater) en het restant door grondwaterstroming. De hoeveelheid water die naar het grondwater wordt afgevoerd is het neerslagoverschot of grondwateraanvulling. De grondwaterstand wordt vervolgens bepaald door de volgende factoren (zie ook: Afbeelding 2-5): De grootte van de grondwateraanvulling (neerslag minus oppervlakkige afstroming naar riolering en oppervlaktewater én minus verdamping); De horizontale doorlatendheid van de deklaag; De afstand tot ontwateringsmiddelen. Ontwateringsmiddelen zijn bijvoorbeeld de IJssel, de Burgel, polderwatergangen, maar ook drains en lekke rioolbuizen; De maaiveldhoogte (zie Bijlage 7.2); De waterstand of waterdruk in ontwateringsmiddelen. Dit is polderpeil (zie Bijlage 7.3). Bij lekke riolen en drainage is de waterdruk in het algemeen niet gelijk aan het polderpeil, maar is de hoogteligging bepalend. Het verschil tussen de maaiveldhoogte en het polderpeil wordt ook wel drooglegging genoemd. Deze is op kaart weergegeven in Bijlage 7.4; Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

41 De verticale doorlatendheid of weerstand van de deklaag; De stijghoogte in het watervoerende pakket. Dit is een groot aantal factoren,die in stedelijke gebieden ruimtelijk sterk kunnen variëren en daarom niet overal in detail bekend zijn. De bodemopbouw van stedelijk gebied is variabel, zeker in de oude binnenstad die eeuwenlang is opgehoogd met verschillend materiaal. Daarom is het lastig om met een computermodel een goede voorspelling van de grondwaterstand in stedelijke gebieden te maken. In dit rapport worden de grondwaterstanden in Kampen daarom beschreven aan de hand van metingen in peilbuizen Gemeten grondwaterstanden in Kampen De beschikbare peilbuizen in Kampen zijn op kaart weergegeven in Bijlage 7.6. Op basis van de beschikbare metingen is door middel van tijdreeksanalyse het grondwaterregime bepaald, dat wordt uitgedrukt in de termen GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) en GLG (Gemiddeld Laagste Grondwaterstand). Dit zijn langjarig gemiddelde grondwaterstanden die gemiddeld 40 dagen per jaar worden overschreden, respectievelijk 40 dagen per jaar worden onderschreden. Grondwaterstanden in de Binnenstad In de binnenstad is door het waterschap een raai van peilbuizen geplaatst (zie onderstaande kaart. De groene lijn is de locatie van Waterkering Kampen Midden, een systeem van muren en afsluitbare schuiven die de waterkering vormt. Deze is deels aangelegd met ondergrondse constructies, die lokaal invloed op de grondwaterstroming kunnen hebben. Waar dit precies het geval is, is niet verder onderzocht. Afbeelding 2-10: Raai peilbuizen binnenstad Kampen Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

42 Waterstand en stijghoogte [cm tov NAP] IJsselpeil Kampen Bovenhaven [cm] B21D Stijghoogte 21DR004W Afst. tot IJssel = 25 m 21DR004W Maaiveld jan-05 1-jan-06 1-jan-07 1-jan-08 1-jan-09 1-jan-10 1-jan-11 Afbeelding 2-11: Gemeten grondwaterstanden binnenstad Kampen. Waterstand en stijghoogte [cm tov NAP] IJsselpeil Kampen Bovenhaven [cm] B21D Stijghoogte 21DR004X (Filter: NAP+1,28 tot NAP+2,28 m) 21DR004B (Filter: NAP+0,23 tot NAP+0,63 m) maaiveld 21DR004X jan-05 1-jan-06 1-jan-07 1-jan-08 1-jan-09 1-jan-10 1-jan-11 Afbeelding 2-12: Gemeten grondwaterstanden binnenstad Kampen. De grafieken in Afbeelding 2-11 en Afbeelding 2-12 tonen de peilen op de IJssel (zwart, gemiddeld circa NAP) en de gemeten stijghoogten in het watervoerende pakket (blauw, gemiddeld circa NAP-0,5 m). De Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

43 gemeten grondwaterstanden op deze locaties in de binnenstad zijn beduidend hoger (NAP+1,5 tot NAP+3 m). Uit deze metingen kunnen de volgende conclusies worden getrokken: De grondwaterstand in het centrum van Kampen is hoger dan het IJsselpeil en hoger dan de stijghoogte. Waarschijnlijk is het ook hoger dan de binnen onderkant van het riool (dat is niet ondezocht). Water stroomt van locaties met een hoge potentiaal naar locaties met een lage potentiaal. Dus het stroomt vanaf de grondwaterspiegel omlaag naar het watervoerende pakket, zijwaarts naar de IJssel en zijwaarts naar lekke riolen; Er is een heel directe lineaire relatie tussen IJsselpeil en de stijghoogte, zie Afbeelding Als het IJsselpeil omhoog gaat, gaat de stijghoogte ook omhoog. Voor de beschouwde plaats plek geldt: stijghoogte = 0,61xIJsselpeil - 54 cm. De afwijking van deze voorspelling is gering: ± 10 cm met een correlatiecoëfficiënt 0,9. (Als het baggeren effect heeft op de stijghoogte, dan verandert die relatie, bijvoorbeeld: stijghoogte = 0,7xIJsselpeil - 30 cm.); Er is ook een relatie tussen IJsselpeil en grondwaterstand, maar die relatie is veel minder duidelijk, zie Afbeelding Over het algemeen is de grondwaterstand hoog als het IJsselpeil hoog is, maar de relatie is veel zwakker (grondwaterstand = 0,2 tot 0,3 x IJsselpeil +150 cm). Bovendien is de correlatiecoëfficiënt veel lager (0,1 tot 0,2) en de afwijking van de voorspelling is groot (± 30 cm); De grondwaterstand wordt dus wel beïnvloed door het IJsselpeil, maar in beperkte mate. Er zijn andere invloeden die voor die afwijkingen zorgen, namelijk neerslag en verdamping, de aanwezigheid van (lekke) riolering, drains en misschien de Burgel; Er is sprake van een beperkte invloed van de IJssel op de grondwaterstand. Zie bijvoorbeeld de beperkte en trage reactie op hoog water in 2011 (21DR004B en 21DR004X). En er zijn perioden waarin de grondwaterstand stijgt en het IJsselpeil daalt, of omgekeerd (2 e helft 2008, 1 e helft van 2011); De grondwaterstand is op 25 m (21DR004W) van de IJssel zeer ondiep (0 tot 50 cm onder maaiveld). Blijkbaar is hier de weerstand tussen het ondiepe freatische pakket en het onderliggende watervoerende pakket relatief groot én is er een grote stromingsweerstand tussen het freatische pakket en de IJssel, in de vorm van damwanden. Van de damwanden is bekend dat deze hier insteken tot NAP-9 m, en dus het hele freatische pakket afsluiten. Uitgaande van een gemiddelde grondwateraanvulling van 0,5 mm/dag en een gemeten stijghoogteverschil van 2,5 m, moet de weerstand van de deklaag dus minstens 5000 dagen zijn. Op 60 m van de IJssel (21DR004B en 21DR004X) is het stijghoogteverschil kleiner, maar nog steeds ca 2 m. Bovenstaande conclusies gelden voor deze twee locaties in de binnenstad van Kampen. Lokaal zijn er grote variaties over korte afstanden. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de heterogene bodemopbouw onder de oude binnenstad, (lekke) riolen, drains, en ondergrondse constructies (kelders, parkeergarages, kademuren, constructies van de waterkering Kampen midden). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

44 Relatie IJsselpeil Chart - stijghoogte Title B21D Stijghoogte Linear (B21D Stijghoogte) y = x R 2 = Stijghoogte [cm tov NAP] Waterstand IJssel [cm tov NAP] Afbeelding 2-13: Relatie tussen (gelijktijdig gemeten) IJsselpeil en stijghoogte watervoerend pakket. Relatie IJsselpeil - grondwaterstand 250 Grondwaterstand [cm tov NAP] DR004X (Filter: NAP+1,28 tot NAP+2,28 m) 21DR004B (Filter: NAP+0,23 tot NAP+0,63 m) Linear (21DR004B (Filter: NAP+0,23 tot NAP+0,63 m)) Linear (21DR004X (Filter: NAP+1,28 tot NAP+2,28 m)) y = 0.305x R 2 = y = x R 2 = IJsselpeil [cm tov NAP] Afbeelding 2-14: Relatie tussen (gelijktijdig gemeten) IJsselpeil en grondwaterstand 21DR004X en21dr004b. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

45 Grondwaterstanden in een hooggelegen buurt (Kampen Zuid) Rond het centrum liggen een aantal buurten met een relatief hoge maaiveldhoogte van NAP+2 tot NAP+3 m: Kampen Zuid, Brunepe en Hanzewijk/Greente. Afbeelding 2-15 toont gemeten grondwaterstanden in Kampen Zuid: De blauwe lijn toont het verloop van de stijghoogte bij peilbuis B21D0073. Deze peilbuis staat aan de andere kant van de IJssel. De stijghoogte onder de wijk Kampen Zuid is waarschijnlijk vergelijkbaar, of enkele decimeters hoger; De andere lijnen tonen de gemeten grondwaterstanden bij verschillende peilbuizen in de wijk. Maaiveldhoogten bij die peilbuizen zijn weergegeven in dezelfde kleur, met een dikke lijn. Conclusies: Over het algemeen zijn de grondwaterstanden in Kampen Zuid diep onder maaiveld (GHG>1 m) en vertonen ze een traag seizoensverloop, hetgeen duidt op een dikke onverzadigde zone en een hoge drainageweerstand; Uitzonderingen zijn 21DG105E (gelegen nabij de IJssel) en 21DG105C (gelegen in de lage rand rond Kampen-Zuid), waar de dynamiek groter is, en de grondwaterstanden dichter bij maaiveld; Net als in het centrum zijn grondwaterstanden over het algemeen ruim hoger dan de stijghoogte (NAP-0,5) en het IJsselpeil (NAP). Dat duidt op wegzijging en een grote weerstand van de deklaag (tenminste 2000 dagen) Grondwaterstand [m tov NAP] DG105A Kampen Zuid 21DG105B Kampen Zuid 21DG105C Kampen Zuid 21DG105F Kampen Zuid 21DG106C Kampen Zuid 21DG106D Kampen Zuid B21D stijghoogte 21DG105A Kampen Zuid Maaiveld 21DG105B Kampen Zuid Maaiveld 21DG105C Kampen Zuid Maaiveld 21DG105F Kampen Zuid Maaiveld 21DG106C Kampen Zuid Maaiveld 21DG106D Kampen Zuid Maaiveld jan/05 jan/06 jan/07 jan/08 jan/09 jan/10 jan/11 Afbeelding 2-15: Gemeten grondwaterstanden in Kampen Zuid Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

46 Grondwaterstanden in laaggelegen buurten (Hagenbroek, Bovenbroek, Cellesbroek, Industrieterrein IJsselmuiden en Industrieterreinen Kampen Noord) Dit zijn laaggelegen buurten (maaiveld NAP+0,5 tot NAP+1 m), met relatief veel oppervlaktewater. De dynamiek van de grondwaterstand is variabel: er zijn peilbuizen met een verschil tussen GHG en GLG van meer dan 0,5 m, er zijn ook peilbuizen met een verschil van minder dan 0,3 m. Grondwaterstanden zijn ongeveer gelijk aan de stijghoogten in het watervoerende pakket. Een aantal peilbuizen vertoont dezelfde dynamiek als de stijghoogte. In de laaggelegen buurten Groene Hart, Flevowijk, IJsselmuiden Centrum en Trekvaart zijn geen meetgegevens beschikbaar CC905A Hagenbroek 21DG904D.1 Hagenbroek 21DG904Y.1 Hagenbroek 21DG905B.1 Hagenbroek 21DG905A.1 Hagenbroek 21DG904C.1 Hagenbroek 21DG904X.1 Hagenbroek B21D stijghoogte 21CC905A Hagenbroek Maaiveld 21DG904D.1 Hagenbroek Maaiveld 21DG904Y.1 Hagenbroek Maaiveld 21DG905B.1 Hagenbroek Maaiveld 21DG905A.1 Hagenbroek Maaiveld 21DG904C.1 Hagenbroek Maaiveld 21DG904X.1 Hagenbroek Maaiveld Grondwaterstand [m tov NAP] jan/05 jan/06 jan/07 jan/08 jan/09 jan/10 jan/11 Afbeelding 2-16: Gemeten grondwaterstanden in Hagenbroek Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

47 Grondwaterstand [m tov NAP] DC106B Bovenbroek, Acacialaan 21DC106B Bovenbroek, Acacialaan Maaiveld 21DR106F Bovenbroek 21DR106F Bovenbroek Maaiveld 21DR106A Bovenbroek 21DR106A Bovenbroek Maaiveld B21D stijghoogte -2 jan/05 jan/06 jan/07 jan/08 jan/09 jan/10 jan/11 Afbeelding 2-17: Gemeten grondwaterstanden in Bovenbroek Grondwaterstand [m tov NAP] DC005A Cellesbroek, Wederiklaan 21DC005A Cellesbroek, Wederiklaan Maaiveld B21D stijghoogte -2 jan/05 jan/06 jan/07 jan/08 jan/09 jan/10 jan/11 Afbeelding 2-18: Gemeten grondwaterstanden in Cellesbroek Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

48 Grondwaterstand [m tov NAP] CC903A Industrieterrein Kampen, Industrieweg 21CC903A Industrieterrein Kampen, Industrieweg 21CC804A Industrieterrein Kampen, Haatland 21CC804A Industrieterrein Kampen, Haatland B21D stijghoogte -2 jan/05 jan/06 jan/07 jan/08 jan/09 jan/10 jan/11 Afbeelding 2-19: Gemeten grondwaterstanden in Industrieterrein Kampen DG015A.1 Industrieterrein IJsselmuiden 21DG015B.1 Industrieterrein IJsselmuiden 21DG015A.1 en 21DG015B.1 Maaiveld 21DG025E.1 Industrieterrein IJsselmuiden 21DG025F.1 Industrieterrein IJsselmuiden 21DG025E.1 en 21DG025F.1 Maaiveld B21D stijghoogte Grondwaterstand [m tov NAP] jan/00 jan/01 jan/02 jan/03 jan/04 jan/05 jan/06 jan/07 Afbeelding 2-20: Gemeten grondwaterstanden in Industrieterrein IJsselmuiden Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

49 Conclusies over grondwaterregime in Kampen In Kampen kan onderscheid worden gemaakt tussen hooggelegen buurten en laaggelegen buurten. De hooggelegen buurten zijn de Binnenstad, Kampen Zuid, Brunepe en Hanzewijk/Greente (zie Bijlage 7.1). Alleen in Kampen Zuid zijn voldoende meetpunten van de grondwaterstand beschikbaar om het grondwaterregime te kunnen karakteriseren (Bijlage 7.6). De maaiveldhoogte is hoog (circa NAP+3 m) en de grondwaterstand ligt diep onder maaiveld (gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 1 m). Van de binnenstad is bekend dat het grondwaterregime ruimtelijk varieert. Er zijn plaatsen met hoge grondwaterstanden (ondiep ten opzichte van maaiveld), maar ook plaatsen met diepere grondwaterstanden. Er zijn onvoldoende metingen beschikbaar om een compleet beeld van de hudige grondwatersituatie in de binnenstad te kunnen vaststellen. In Brunepe en Hanzewijk/Greente zijn geen metingen beschikbaar. De laaggelegen buurten hebben maaiveldhoogten van NAP+0,5 tot NAP+1 m). Er ligt relatief veel oppervlaktewater met een beheerst peil. Het aantal beschikbare meetreeksen is beperkt. In de laaggelegen buurten Groene Hart, Flevowijk, IJsselmuiden Centrum en Trekvaart zijn geen meetgegevens beschikbaar. De dynamiek van de grondwaterstand is variabel: er zijn peilbuizen met een verschil tussen GHG en GLG van meer dan 0,5 m, er zijn ook peilbuizen met een verschil van minder dan 0,3 m. De grondwaterstandsdiepte varieert. Op de meeste plaatsen is de GHG dieper dan 0,5 m, maar er zijn ook locaties waar ondiepere GHG voorkomen. De belangrijkste conclusie uit de verkenning is dat er onvoldoende meetpunten beschikbaar zijn om een gebiedsdekkend beeld van het grondwaterregime van Kampen te kunnen geven, in relatie met mogelijke risico s voor grondwateroverlast. In het kader van het monitoringsplan voor Zomerbedverlaging wordt in samenwerking met de gemeente en Waterschap Groot-Salland een meetnet ingericht binnen het gebied waar eventueel effecten kunnen optreden. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

50 3 EFFECT OP HYDROLOGISCHE SYSTEEM 3.1 Doorgerekende situaties Met het MIPWAmodel zijn de effecten van de zomerbedverlaging voor de volgende situaties in beeld gebracht: 1. Regionaal effect zomerbedverlaging op het (grond)watersysteem voor de referentie situatie 2016 waarbij de autonome ontwikkelingen zijn verwerkt in het model. De autonome maatregelen bestaan uit de projecten Uiterwaardvergraving Scheller en Oldeneler Buitenwaarden, dijkverlegging Westenholte en hoogwatergeul Veessen-Wapenveld; 2. Situatie s-heerenbroek: het effect van de zomerbedverlaging op het (grond)watersysteem bij s-heerenbroek voor de volgende twee situaties: 2.1. In de referentie situatie is wateraanvoer door de inlaat 130 dagen per jaar niet mogelijk, van eind juni t/m oktober. Ten gevolge van de zomerbedverlaging neemt deze periode toe tot 165 dagen, van half mei t/m oktober; 2.2. In de referentie situatie wordt het peil binnendijks (gebied waar peil 0 m +NAP aangehouden wordt) gedurende 130 dagen per jaar verlaagd tot 10 cm onder het IJsselpeil opdat de inlaat blijft functioneren. Ten gevolge van de zomerbedverlaging neemt deze periode toe tot 165 dagen en dient het peil circa 2-5 cm extra verlaagd te worden binnendijks; 3. Situatie Kampen: één van de mogelijke toekomstscenario s die belangrijk is voor de regio, is dat in de toekomst het peil van het IJsselmeer omhoog gezet wordt. Ter oriëntatie is het effect van de zomerbedverlaging op het grondwatersysteem bij Kampen berekend voor de twee situaties: 3.1. Het IJsselmeerpeil wordt verhoogd met 50 cm (tot 0,1 m +NAP); 3.2. Het IJsselmeerpeil wordt verhoogd met 150 cm (tot 1,1 m +NAP). 4. Het effect van de zomerbedverlaging dat optreedt indien tevens de Bypass Kampen wordt uitgevoerd. Verwerking situatie 1 in het uitsnedemodel Eerst zijn er oppervlaktewatermodelberekeningen uitgevoerd om de IJsselpeilen te berekenen die horen bij de situatie met en zonder zomerbedverlaging. In het oppervlaktewatermodel is de diepte van het zomerbed aangepast aan de vergravingsdiepte en zijn andere Ruimte voor de Rivierprojecten verwerkt. Met het oppervlaktewatermodel zijn oppervlaktewaterpeilen berekend voor de diverse situaties (zoals gemiddeld, hoog- en laagwaterpeil, zie bijlage 2 en deelrapportage 2). In het grondwatermodel zijn de parameters van het oppervlaktewatermodel (zonder en met zomerbedverlaging) overgenomen: De ligging van de IJssel en de aangetakte geulen (autonome ontwikkeling) is exact overgenomen; De bodemhoogte van de rivier is overgenomen, daar waar de rivier de deklaag na vergraving doorsnijdt is de rivier ook opgenomen in modellaag 2 (zie bijlage 2); De oppervlaktewaterpeilen zijn overgenomen; Nieuw aangelegde geulen krijgen eenzelfde rivierbodemweerstand als de IJssel. De rivierbodemweerstand van de IJssel verandert niet door vergravingen (de weerstand van de deklaag wel); Voor de situatie met zomerbedverlaging is de weerstand van de deklaag aangepast op basis van de mate van insnijding van de IJssel in de deklaag. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

51 Verwerking situatie 2 in het uitsnedemodel In de deelrapportage kunstwerken wordt het effect van de zomerbedverlaging op de verschillende inlaten en gemalen beschreven. Alleen voor de inlaat s-heerenbroek geldt dat door een daling van het IJsselpeil het functioneren van de inlaat verder af kan nemen als er geen aanvullende maatregelen uitgevoerd worden. Voor de overige inlaten geldt dat er geen negatief effect optreedt. Om inzicht te krijgen in wat een afname van functioneren van de inlaat betekent voor het gebied (zie Afbeelding 3-1) waar de inlaat op van invloed is, zijn de twee bovengenoemde situaties doorgerekend: Geen aanvoer mogelijk gedurende een bepaalde periode (infiltratiefactor = 0.001), deze situatie is doorgerekend voor het gehele poldergebied dat afhankelijk van inlaat s-heerenbroek; Polderpeil zakt mee met IJsselpeil gedurende bepaalde periode (peil waterlopen is aangepast), deze situatie is doorgerekend voor het gebied met een zomerpeil van 0 m +NAP. Kampen Gebied afhankelijk van inlaat s-heerenbroek zomerpeil = 0 m +NAP Zwolle Afbeelding 3-1: Ligging polder s-heerenbroek en gebied met zomerpeil gelijk aan 0 m +NAP. Verwerking situatie 3 in het uitsnedemodel Om inzicht te krijgen in wat het effect is van een hoger IJsselmeerpeil zijn de twee bovengenoemde situaties stationair doorgerekend: De IJssel is opgelegd aan het gebied dat bij een T=10 periode onder water staat (zomerbed en een gedeelte van de uiterwaarden); Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

52 Het peil is voor de IJssel, het IJsselmeer en de randmeren gelijkgesteld aan het toekomstige IJsselmeerpeil (0,1 m +NAP en 1,1 m +NAP); Bij de berekeningen is geen verschil in oppervlaktewaterpeil aangehouden ten gevolge van de zomerbedverlaging (worst-case inschatting); De aanpassingen aan het model ten gevolge van de zomerbedverlaging beperken zich dus tot een verschil in de deklaagweerstand en in welke modellaag de IJssel is opgenomen. Verwerking situatie 4 in het uitsnedemodel Om inzicht te krijgen in de gecombineerde effecten van de Bypass Kampen en de Zomerbedverlaging is de situatie Bypass Kampen zonder zomerbedverlaging doorgerekend en de situatie Bypass Kampen met zomerbedverlaging. Deze twee situaties zijn met elkaar vergeleken. De Bypass Kampen is in het model ingevoerd in het binnendijkse gebied op basis van de door Tauw aangeleverde bestanden van december 2010/januari Dit betreffen wijzigingen aan het oppervlaktewatersysteem (inclusief overlandflow), maaiveldhoogte en de weerstand van de deklaag. De bypass sluit bij de Onderdijksewaard aan op de IJssel. In de Onderdijksewaard worden de huidige zandwinplassen gedempt, in plaats van de zandwinplassen komt er een geul. De aanpassingen in de uiterwaard zijn op dezelfde manier als door Tauw in het model ingevoerd: - De plassen zijn nog aanwezig, met een aangepaste bodemhoogte; - De noordelijke plas is in het model niet verbonden met de IJssel, maar werkt in het model net zo doordat het peil gelijk is aan het IJsselpeil als de uiterwaard niet geïnundeerd is; - De zuidelijke plas is wel verbonden met de IJssel. Hier wijzigt alleen de bodemhoogte; - De nieuwe geul is modelmatig ingevoerd door een aangepaste deklaagweerstand. Algemene verwerking situaties in het uitsnedemodel Het MIPWAmodel is voor deze studie aangepast aan diverse parameters. Deze aanpassingen staan beschreven in bijlage 2. Daarnaast is op basis van een gevoeligheidsanalyse een bandbreedte voor het modelresultaat vastgesteld (zie bijlage 2). Deze bandbreedte is op de belangrijkste effectkaarten weergegeven, zoals: Bijlage 5.1: Effect op gemiddelde grondwaterstand; Bijlage 5.3: Effect op grondwaterstand tijdens OLA; Bijlage 5.4: Effect op grondwaterstand tijdens GHG; Bijlage 5.5: Effect op grondwaterstand tijdens GLG.; 3.2 Effect op het peil van de IJssel De effecten van de zomerbedverlaging op de grondwaterstand en stijghoogte in de omgeving van de IJssel kunnen niet groter zijn dan de effecten op het peil van de IJssel zelf. In Afbeelding 3-2 en Afbeelding 3-3 zijn de effecten op het peil van de IJssel onder gemiddelde omstandigheden weergegeven en het gebied waarbinnen meer dan 5 cm effect optreedt bij hoogwater (T10). Tabel 3-1 geeft de maximale effecten op het IJsselpeil weer tijdens hoog- en laagwater en onder gemiddelde omstandigheden. Bij een gemiddelde afvoer van de IJssel zijn de effecten nergens meer dan 10 cm. Het grootste effect (7 cm) treedt op ten zuiden van Kampen ter hoogte van Scherenwelle. In Kampen en benedenstrooms van Kampen zijn de effecten kleiner dan 5 cm. Bovenstrooms van de A28 bij Zwolle zijn de effecten ook kleiner dan 5 cm. De effecten op het peil van de IJssel bij Engelse Werk zijn ongeveer 4,5 cm. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

53 De verlaging van het peil van de IJssel bij hoogwater (T10) strekt zich uit vanaf de Hoenwaard ter hoogte van Wapenveld tot voorbij Kampen. De grootste effecten treden op ter hoogte van Scherenwelle. De verlaging is daar ongeveer 45 cm. Bij de laagwatersituatie daalt het IJsselpeil minder dan 5 cm. Bij Engelse Werk is de verlaging ongeveer 10 cm bij hoogwater en 2 cm bij laagwater. In bijlage 4 zijn de veranderingen van het peil van de IJssel voor de korte zomerbedverlaging situatie 2016 voor verschillende afvoeren weergegeven. De verhoging van de waterstand die zichtbaar is voor de T1- en T10-afvoergolf ter hoogte van rivierkilometer 1000 treedt op aan het einde van de Zomerbedverlaging en is circa 3 cm. De verhoging heeft waarschijnlijk te maken met de overgang van het verlaagde gebied naar de originele bodem. De verhoging die optreedt, vormt geen veiligheidsrisico. De maatgevende conditie voor dit deel van de IJssel (benedenstroom rivierkilometer 1000) wordt veroorzaakt door stormopzet in het Ketelmeer. Tijdens stormopzet zal een verhoging van de waterstand bij rivierkilometer 1000 niet optreden. Tabel 3-1: Effecten van de zomerbedverlaging op het peil van de IJssel. Ter hoogte van Scherenwelle Bij Engelse Werk Gemiddeld 0,07 m verlaging 0,04 m verlaging Hoogwater T10 0,45 m verlaging 0,10 m verlaging Laagwater OLA 0,02 m verlaging 0,02 m verlaging Afbeelding 3-2: Berekend effect op het gemiddelde, laag- en hoogwater peil van de IJssel [m] langs de as van de IJssel bij een IJsselmeerpeil gelijk aan zomerpeil (0,2 m -NAP). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

54 Afbeelding 3-3: Berekend effect op het gemiddelde peil van de IJssel en de begrenzing van het effect bij hoog- en laagwater. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

55 3.3 Effect op de grondwaterstand In Bijlage 5.1 t/m 5.5 zijn kaarten opgenomen met de effecten van de zomerbedverlaging op de grondwaterstand. Op de kaarten zijn de effecten tijdens de verschillende situaties (gemiddeld, hoog- en laagwater, GHG en GLG) weergegeven. In Afbeelding 3-4 is het gemiddelde effect op de grondwaterstand weergegeven voor de korte zomerbedverlaging In Tabel 3-2 zijn de effecten voor de verschillende situaties weergegeven ter hoogte van Scherenwelle (maximaal effect) en bij Engelse Werk. Tabel 3-2: Effecten van de zomerbedverlaging op de grondwaterstand. Korte ZBY 2016 Scherenwelle Korte ZBY 2016 Engelse Werk Korte ZBY 2016* s-heerenbroek Geen aanvoer** s-heerenbroek Beperkt aanvoer*** s-heerenbroek Gemiddeld 0,07 m verlaging 0,04 m verlaging nvt nvt nvt Hoogwater T=10 0,44 m verlaging 0,10 m verlaging nvt nvt nvt Laagwater OLA 0,02 m verlaging 0,02 m verlaging < 0,01 m tot 0,11 m tot 0,07 m verlaging verlaging verlaging GHG 0,07 m verlaging 0,04 m verlaging nvt nvt nvt GLG 0,05 m verlaging 0,03 m verlaging nvt nvt nvt * Inlaat bij s-heerenbroek functioneert altijd ** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert niet gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) *** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert beperkt gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) Gemiddeld blijft het effect (verlaging) op de grondwaterstand beperkt tot het buitendijkse gebied. De verlagende effecten blijven beperkt tot de IJssel en de uiterwaarden waar ook het peil van de IJssel verlaagd wordt. Dit is het gebied vanaf de A28 bij Zwolle tot aan Kampen. De grootste verlaging treedt dan ook op ter hoogte van Scherenwelle en bedraagt 7 cm. Bij Engelse Werk bedraagt de verlaging van de grondwaterstand slechts 5 cm. De effecten op de GHG lijken sterk op de gemiddelde effecten, met uitzondering dat de effecten ongeveer 200 m verder binnendijks uitstralen bij Wilsum en in de Koppelerwaard (buitendijks). Tussen de IJssel en de geulen van de Vreugderijkerwaard en in de uiterwaard ten oosten van gemaal Antlia zijn ook verlagingen van de GHG. In Kampen ten westen van de IJssel is een gebied met verhoging van de grondwaterstand. Dit wordt niet veroorzaakt door de verandering van het peil van de IJssel, maar door het vergraven van de klei en het veen die zich in het zomerbed bevinden. Door het vergraven van de klei en het veen, neemt de weerstand tussen de deklaag en het watervoerende pakket af en is er meer contact tussen de IJssel en het watervoerende pakket. Omdat de IJssel infiltreert, vindt hier een verhoging van de grondwaterstand plaats in plaats van een verlaging. Bij hoogwater is het gebied waarbinnen verlagingen optreden groter (net als bij het effect op het peil van de IJssel). De effecten blijven echter vrijwel overal beperkt tot het buitendijkse gebied. De grootste verlaging treedt op ter hoogte van Scherenwelle. De verlaging in de uiterwaard bij Engelse werk bedraagt 9 cm. Bij laagwater zijn er geen significante verlagende effecten op de grondwaterstand (maximaal 2 cm). In Kampen is wel, net als bij de gemiddelde effecten, een gebied met verhoging van de grondwaterstand, als gevolg van het verwijderen van klei en veen in het zomerbed. Het grootste effect treedt op ter hoogte van Scherenwelle. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

56 Afbeelding 3-4: Berekend effect op de gemiddelde grondwaterstand. Geen wateraanvoer in de zomer Als de wateraanvoer minder goed functioneert, blijkt dat de grondwaterstand in het gedeelte van de polder Mastenbroek dat van water wordt voorzien vanuit de inlaat s-heerenbroek sterker uitzakt (0 0,11 m). Hoe Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

57 langer de wateraanvoerstop aanhoudt hoe groter het effectgebied wordt. In Afbeelding 3-5 wordt het effect op de grondwaterstand tijdens de OLA-situatie weergegeven. Afbeelding 3-5: Gemiddeld effect zomerbedverlaging bij inlaat s-heerenbroek tijdens de OLA-situatie als er geen wateraanvoer mogelijk is in de zomer. Beperkte wateraanvoer in de zomer Als er wel wateraanvoer mogelijk is, maar in mindere mate, dan zakt het slootpeil in een klein gebied tot 10 cm onder het peil van de IJssel bij de inlaat. Als gevolg van de zomerbedverlaging zal het slootpeil in dat gebiedje zakken met 2 tot 9 cm en dit zal gedurende een langere (165 in plaats van 130 dagen) periode optreden. Het effect op de grondwaterstand is zeer gering en blijft beperkt tot een klein gebiedje van enkele pixels binnen het gebied. Het effect is een enkele centimeter. 3.4 Effect op stijghoogte Kaartbijlagen van de effecten van de zomerbedverlaging zijn opgenomen in bijlagen 5.6 t/m Per situatie wordt het effect op de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket weergegeven voor de gemiddelde situatie, tijdens hoog- en laagwater en het effect op de stijghoogte in de diepere pakketten. Tabel 3-3 geeft de effecten weer ter hoogte van Scherenwelle en bij Engelse Werk. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

58 Tabel 3-3: Effecten van de zomerbedverlaging op de gemiddelde stijghoogte Korte ZBY 2016 Z. van Kampen Korte ZBY 2016 Engelse Werk WVP 1/2a 0,06 m verlaging 0,04 m verlaging WVP 2b/3/4 0,06 m verlaging 0,03 m verlaging WVP 5 0,01 m verlaging 0,01 m verlaging De effecten van de zomerbedverlaging op de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket zijn geringer qua grootte dan de effecten op de grondwaterstand maar ze reiken wel verder. De effecten in watervoerend pakket 2a (modellaag 3) zijn vergelijkbaar met die in het eerste watervoerende pakket (modellaag 2). Tussen het vierde en het vijfde watervoerende pakket bevindt zich een laag met een hoge weerstand waardoor het effect niet uitstraalt naar de diepere watervoerende pakketten. 3.5 Effect op kwel en infiltratie Kaartbijlagen van de effecten van de zomerbedverlaging op kwel en infiltratie en aan- en afvoer van het oppervlaktewatersysteem zijn opgenomen in bijlagen 5.11 t/m In de bijlagen wordt het effect op de gemiddelde situatie weergegeven en het effect bij een hoogwater- (T10) en laagwatersituatie (OLA). In Tabel 3-4 en Tabel 3-5 zijn de veranderingen op de kwel- en infiltratieflux en de aan- en afvoerflux weergegeven in het gebied ter hoogte van Scherenwelle en bij Engelse Werk. De grootste effecten op kwel en infiltratie en aan- en afvoer vinden plaats in de IJssel zelf, omdat het peil van de IJssel zelf verandert. De IJssel tussen Zwolle en Kampen voert water aan (infiltreert). Door de verlaging van het peil van de IJssel infilteert de IJssel minder water. Binnendijks vindt vooral afvoer van water plaats. Omdat de grondwaterstand in de omgeving lager wordt heeft het slotensysteem minder water af te voeren en kwelt er minder water op vanuit diepere lagen of kan er meer water infiltreren naar grotere diepten. Buiten de IJssel treden er effecten in de uiterwaard en binnendijks op. De effecten binnendijks treden voornamelijk in het gebied tussen Zwolle en Kampen op en bij Hattem. De afvoer van het slotensysteem neemt af (kwel neemt af). Dichter bij de IJssel neemt de infiltratie toe. Bij hoogwater neemt het gebied waar binnendijks afname van kwel (of toename infiltratie) en afvoer berekend wordt toe. Ook de fluxen worden groter. Bij laagwater neemt het effectgebied af en zijn de verschillen kleiner. Bij Engelse Werk (in de uiterwaard) vindt infiltratie plaats en aanvoer van water naar het grondwatersysteem. Als gevolg van de zomerbedverlaging nemen de infiltratie af en de aanvoer af. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

59 Tabel 3-4: Effecten van de zomerbedverlaging op de kwel en infiltratie (stroming van modellaag 3 naar 2). Gemiddeld Hoogwater T=10 Laagwater OLA Korte ZBY 2016 Scherenwelle 0,2 1,0 mm/d afname kwel 0,2 5,0 mm/d afname kwel 0,1 0,3 mm/d afname kwel * Inlaat bij s-heerenbroek functioneert altijd Korte ZBY 2016 Engelse Werk ~ 0,1 mm/d afname infiltratie 0,2 0,3 mm/d afname infiltratie <0,1 mm/d afname infiltratie Korte ZBY 2016* s-heerenbroek Geen aanvoer** s-heerenbroek Beperkt aanvoer*** s-heerenbroek nvt nvt nvt nvt nvt nvt max 0,3 mm/d toename infiltratie/afname kwel max 0,3 mm/d afname infiltratie/toenam e kwel ** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert niet gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) *** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert beperkt gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) max 0,3 mm/d afname infiltratie/toename kwel Tabel 3-5: Effecten van de zomerbedverlaging op de aan- en afvoer van de IJssel, sloten, greppels en oppervlakkige afstroming. Gemiddeld Hoogwater T=10 Laagwater OLA Korte ZBY 2016 Scherenwelle 0,2 0,6 mm/d afname afvoer 0,2 2,0 mm/d afname afvoer 0,1 0,2 mm/d afname afvoer * Inlaat bij s-heerenbroek functioneert altijd Korte ZBY 2016 Engelse Werk ~ 0,1 mm/d afname aanvoer ~ 0,5 mm/d afname aanvoer**** geen aanvoer Korte ZBY 2016* s-heerenbroek Geen aanvoer** s-heerenbroek Beperkt aanvoer*** s-heerenbroek nvt nvt nvt nvt nvt nvt max 0,3 mm/d afname afvoer/toename aanvoer max 0,3 mm/d afname aanvoer ** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert niet gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) *** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert beperkt gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) **** Uiterwaard is geïnundeerd 0,2 mm/d afname aanvoer in gebied met verlaagde peilen Geen wateraanvoer in de zomer In de polder Mastenbroek treedt tijdens droge perioden een kwelflux op vanuit de diepe ondergrond. Daarnaast infiltreert water vanuit het oppervlaktewatersysteem. Als het watersysteem in droge tijden 35 dagen eerder geen water meer kan inlaten dan daalt de grondwaterstand in de polder. Op de plekken waar de grondwaterstand daalt (> 5 cm) neemt de kwel toe / infiltratie af. De flux verandert met circa 0,1-0,3 mm/dag. In een rand langs de dijk neemt de kwel af. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

60 Afbeelding 3-6: Gemiddeld effect op de kwel en infiltratie van de zomerbedverlaging bij inlaat s-heerenbroek tijdens OLA als er geen wateraanvoer mogelijk is in de zomer. Beperkte wateraanvoer in de zomer Als er beperkt aanvoer van water in de zomer plaats kan vinden, treden er ten opzichte van de veranderingen als gevolg van de zomerbedverlaging met onbeperkte aanvoer van water alleen veranderingen op in het gebied waarbinnen het peil niet gehandhaafd kan worden. Hier vindt in plaats van een toename van aanvoer bij beperkte aanvoer een afname van aanvoer plaats. De afname bedraagt maximaal 0,2 mm/dag. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

61 3.6 Effect op grondwaterregime in Kampen De Zomerbedverlaging heeft drie consequenties voor het grondwatersysteem bij Kampen: Het waterpeil van de IJssel gaat ten gevolge van deze maatregel omlaag. Deze verlagingen werken door in het grondwater (paragraaf 3.6.1); De bodem van de IJssel wordt vergraven, waardoor de stromingsweerstand tussen IJssel en grondwater afneemt. Hierdoor zullen stijghoogten worden verhoogd (paragraaf 3.6.2) en kunnen grondwaterstanden gaan stijgen (paragraaf 3.6.4); Na aanleg van de zomerbedverlaging zal er slib neerslaan op de IJsselbodem. Daardoor zal de stromingsweerstand tussen IJssel en grondwater geleidelijk weer toenemen, waardoor grondwaterstanden weer kunnen dalen (paragraaf 3.6.3) Verlaging van het IJsselpeil Het uiteindelijke doel van het project is om bij Zwolle de IJsselpeilen tijdens hoogwatermomenten te verlagen. Afbeelding 3-2 op pagina 39 toont de veranderingen van de waterstand bij verschillende afvoeren op de IJssel. Bij gemiddelde afvoer is de verlaging van het IJsselpeil 0 bij de Eilandbrug, 8 cm bij de Molenbrug en 5 cm bij Zwolle. Bij lage afvoeren is de verlaging 0 bij de Eilandburg tot 3 cm bij de Molenbrug. De verlagingen van het IJsselpeil werken door in het grondwater. De effecten op grondwaterstijghoogten en grondwaterstanden zijn kleiner dan de effecten op het IJsselpeil. De gecombineerde effecten van IJsselpeilverlaging én vergraving van de waterbodem worden behandeld in de volgende paragraaf Vergraven van het zomerbed van de IJssel en verhoging van stijghoogten Ten gevolge van de zomerbedverlaging wordt op locaties waar klei- en veenlagen aanwezig zijn, de kleien veenlagen gedeeltelijk of geheel verwijderd. Hierdoor neemt de interactie tussen de IJssel en het watervoerende pakket toe. Dit betekent dat de IJssel, die bij Kampen een infiltrerende werking heeft, makkelijker water kan infiltreren naar het grondwatersysteem, waardoor de hoogte van de stijghoogte in het watervoerende pakket in omgeving van de vergravingswerkzaamheden toeneemt. Dit effect wordt weergegeven in Afbeelding 3-7 en Afbeelding 3-8. Afbeelding 3-7: Mogelijk effect zomerbedverlaging op stijghoogte t.g.v. vergraven weerstand IJsselbodem. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

62 0 Stijghoogteverschil [cm] dh_ijssel - B21D Pal langs de IJssel: afname stijghoogteverschil met 20 cm -150 Jan-2005 Jan-2006 Jan-2007 Jan-2008 Jan-2009 Jan-2010 Jan-2011 Afbeelding 3-8: Gemeten verschil tussen IJsselpeil en stijghoogte, en het verwachte maximale effect van de Zomerbedverlaging. Berekend gezamenlijk effect van de vergraving én veranderingen van het IJsselpeil op de grondwaterstijghoogten De effecten zijn berekend met het grondwatermodel MIPWA. Meer informatie hierover is te vinden in Bijlage 2. De verwachting is dat door Zomerbedverlaging het gemiddelde stijghoogteverschil tussen IJssel en het watervoerende pakket afneemt. De maximale afname is op de plaats waar de meeste weerstand uit de waterbodem wordt verwijderd. Het stijghoogteverschil neemt daar gemiddeld met circa 20 cm af. Op die plaats daalt het gemiddelde IJsselpeil ook enkele centimeters. Het totale effect is daardoor een verhoging van de stijghoogte van 15 tot 20 cm. Het verhogende effect van de vergraving is groter dan het verlagende effect van de peilverlaging op de IJssel. Het totale effect op de gemiddelde stijghoogte is weergegeven in Afbeelding 3-9. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

63 Afbeelding 3-9: Berekend effect op de gemiddelde stijghoogte in het eerste watervoerende pakket (gemiddelde van de stijghoogte op de 14e en 28e van iedere maand in de periode ). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

64 Bij hoge afvoeren en waterstanden op de IJssel is er benedenstrooms van de binnenstad sprake van verhogingen van de stijghoogte (Afbeelding 3-10). Bovenstrooms van de binnenstad heeft de verlaging van het IJsselpeil een groter effect dan de vergraving en is er netto dus sprake van verlagingen van de stijghoogte. Let wel: dit zijn verlagingen in natte perioden en hoge grondwaterstanden. Deze verlagingen leiden dus niet tot zettingsrisico s. Ze leveren een vermindering van de risico s voor grondwateroverlast op. Afbeelding 3-10: Berekend effect op de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket bij T1-hoog water (effect op de maximale stijghoogte in de T1-periode van 28 oktober t/m 27 november 1998). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

65 Bij lage afvoeren is het effect van de zomerbedverlaging op IJsselpeilen minimaal. In die situatie is het verhogende effect van de vergraving dus de belangrijkste ingreep, en zijn de verhogingen van de stijghoogten dus het grootst. Het berekende effect is maximaal circa 25 cm langs de IJssel, op een locatie waar de relatief veel klei- en veen uit de IJsselbodem zal worden verwijderd (zie Afbeelding 3-11). Verhogingen van de stijghoogte van 5 cm treden op tot een afstand van 1 à 1,5 km van de IJssel. De rode lijn in Afbeelding 3-11 is het maximale effectgebied van Zomerbedverlaging op stijghoogten. Tabel 3-6: Invloedsgebied verhogingen van stijghoogten. Situatie Verlaging van IJsselpeil bij de stadsbrug (m) Lengte van het gebied waar verhoging van de stijghoogte op kan treden, bij verschillende IJsselstanden Laagwater (OLA) 1 cm 4 km (tot 1,5 km het binnendijkse gebied in) Gemiddeld IJsselpeil 4 cm 4 km (tot 1 km het binnendijkse gebied in) Hoogwater T=1 18 cm 1.5 km (tot 1 km het binnendijkse gebied in) Afbeelding 3-11: Berekend effect op de stijghoogte in het eerste watervoerende pakket bij Overeengekomen Lage Afvoer (effect op de minimale stijghoogte in de OLA-periode van 28 februari t/m 27 oktober 1996). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

66 Effecten bij storm op IJsselmeer met kans van optreden 1 keer per 10 jaar Bij noordwesterstorm op het IJsselmeer treden er bij Kampen hoge waterstanden op de IJssel op. De Zomerbedverlaging heeft vrijwel geen effect op het IJsselpeil dat bij storm optreedt. Het verlagende effect van de Zomerbedverlaging treedt bij storm daardoor niet op. Hoge waterstanden door storm zijn doorgaans kortdurend, namelijk orde van grootte 1 tot 2 dagen. Een storm met een kans van optreden van 1 maal per 10 jaar veroorzaakt een IJsselpeil van circa NAP+1,1 m. Met het grondwatermodel zijn twee stationaire berekeningen gemaakt voor deze IJsselpeilen, namelijk voor de huidige situatie, en voor de situatie na aanleg van de Zomerbedverlaging. Het effect op de berekende stijghoogte in het watervoerende pakket staat in Afbeelding Dit is een stationair berekend effect. Dat wil zeggen dat in het model de peilverhoging permanent is. In werkelijkheid duurt peilopzet door storm circa 36 uur. Dat betekent dat de berekende effecten een overschatting zijn: dichtbij de IJssel zullen de verhogingen van de stijghoogte vrijwel overeenkomen met het berekende stationaire effect. Op grotere afstand van de IJssel zijn ze minder groot dan het stationaire effect. Uit een verkennende analytische berekening volgt dat het effect op een afstand van 2 km van de IJssel het effect ongeveer 50% is van het stationaire effect. Op grond daarvan hebben we het maximale effectgebied voor stijghoogteverhogingen door Zomerbedverlaging gelegd op de 10-cm verhogingslijn. Afbeelding 3-12: Stationair effect van Zomerbedverlaging op stijghoogten bij verhoogde waterstanden op de IJssel (NAP+1,1 m). De effecten bij een 1/10 jaar storm zijn kleiner, en duren maximaal 36 uur Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

67 Permanente peilverhoging IJsselmeer De afgelopen jaren is er in het landelijk waterbeleid sprake geweest van een scenario waarbij het waterpeil in het IJsselmeer zou worden verhoogd. Bij het maximale scenario was sprake van een peilverhoging van 1,5 m ten opzichte van de huidige situatie (dus naar NÄP+1,1 m). Ter informatie is het effect van Zomerbedverlaging op stijghoogten na een permanente peilverhoging van 1,5 m doorgerekend. Dit is dezelfde berekening als hiervoor toegelicht onder stormsituaties. De berekende extra verhoging van stijghoogten als gevolg van de vergraving door Zomerbedverlaging is weergegeven in Afbeelding In deze situatie is er ook zonder Zomerbedverlaging sprake van verhoogde stijghoogten, die hier niet worden getoond, maar waarbij regionale maatregelen getroffen moeten worden Verlaging van stijghoogten door sedimentatie Nadat de IJsselbodem is afgegraven gaat de infiltratie van IJsselwater naar het watervoerende pakket door. De verwachting is dat door de infiltratie fijn materiaal (slib) de bodem in zal dringen, waardoor de intredeweerstand van de waterbodem weer zal toenemen. De verhogingen van de stijghoogte, zoals hiervoor toegelicht zullen daardoor weer gedeeltelijk worden weggenomen. Dit proces zou snel kunnen verlopen, maar daarover is op voorhand niets met zekerheid te zeggen. Bij het meest stroomopwaartse punt van de vergraving, nabij de Molenbrug, wordt verwacht dat daar relatief veel sediment zal neerslaan, omdat de stroomsnelheid van het IJsselwater daar permanent lager zal zijn dan juist stroomopwaarts van de vergraving. Hier is sprake van een zogenaamd sedimentatiefront. Omdat daar in de huidige situatie weinig weerstandbiedende lagen in de IJsselbodem liggen, kan de sedimentatie ertoe leiden dat de stromingsweerstand tussen de IJssel en het watervoerende pakket hier in de loop van de tijd toeneemt, waardoor een verlaging van stijghoogten zou kunnen optreden. Omdat dit sediment door middel van onderhoudsbaggerwerk regelmatig zal worden verwijderd zullen de effecten zeer beperkt blijven Verhoging van grondwaterstanden in Kampen De verwachte verhoging van de stijghoogten in het watervoerende pakket (gemiddelde verhoging: zie Afbeelding 3-9) zal ook effecten hebben op de grondwaterstand. Op plaatsen waar de stijghoogte verhoogd wordt zullen ook grondwaterstanden stijgen. In welke mate dat gebeurt hangt af van lokale factoren, namelijk: Als de deklaag lokaal ontbreekt dan kunnen de grondwaterstand en stijghoogte praktisch gelijk zijn en is een verhoging van de grondwaterstand plausibel; Als er gaten in de deklaag zijn aangebracht (door bijvoorbeeld aanleg van kelders, boringen, funderingen, watergangen) dan kunnen de grondwaterstand en stijghoogte praktisch gelijk zijn en is een verhoging van de grondwaterstand plausibel; Als er veel ontwateringsmiddelen in een gebied aanwezig zijn (drains, lekke riolen, watergangen), dan dempen deze de verhogingen uit door een toename van de afvoer. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

68 Door de verhoging van de stijghoogte neemt de wegzijging af en moet een groter deel van het neerslagoverschot door de lokale ontwateringsmiddelen worden afgevoerd. Dit leidt tot verhoging van de grondwaterstand en een toename van de afvoer. Voor de stijging van de grondwaterstand en de afname van de afvoer gelden de volgende vergelijkingen: W gws = φ c1+w) gws φ afvoer = = W (c1+w) Met: gws verandering grondwaterstand [m] afvoer verandering afvoer [m/dag] φ verandering stijghoogte [m] W drainageweerstand [dagen] c1 weerstand deklaag [dagen] De verhoging van de grondwaterstand is dus de stijghoogteverhoging vermenigvuldigd met een factor W/(c1+W). Deze factor is altijd kleiner dan 1: De factor is heel klein als een buurt goed gedraineerd is (lage drainageweerstand, door korte afstanden van ontwateringsmiddelen in goed doorlatend freatisch watervoerend pakket) in combinatie met een hoge weerstand tussen het freatische pakket en het watervoerende pakket (grote c1). De factor benadert een waarde van 1 als de drainageweerstand groot is (weinig of geen ontwateringsmiddelen en een gering doorlaatvermogen van het freatische pakket) in combinatie met een relatief lage weerstand tussen het freatische pakket en het watervoerende pakket. Verwachte verhoging van de grondwaterstand Verhogingen van de grondwaterstand kunnen leiden tot een toename van grondwateroverlast in natte perioden. De verwachting is dat Zomerbedverlaging in natte periode juist relatief geringe verhogingen van de stijghoogte zal veroorzaken en op een aantal plaatsen ook verlagingen (zie Afbeelding 3-10). De verwachting is daarom dat de kans op toename van grondwateroverlast door Zomerbedverlaging klein is. Hierover bestaat echter geen zekerheid. Omdat het huidige grondwaterregime in Kampen maar op een beperkt aantal plaatsen bekend is, en daardoor de karakteristieke parameters W en c1 nog niet in detail kunnen worden bepaald, moet in het hele gebied waarbinnen verhogingen van de stijghoogten kunnen optreden ook rekening worden gehouden met een verhoging van de grondwaterstand. Dat gebied is aangegeven met de rode lijn in Afbeelding Let wel: dat is het gebied waar in het uiterste geval effecten zouden kunnen optreden. De verwachting is dat het effectgebied veel kleiner is. In overleg met de gemeente Kampen, het waterschap en twee externe experts, Willem Jan Zaadnoordijk (KWR) en Toine Vergroesen (Deltares) is dit besproken. Naar aanleiding van dit overleg zijn nadere analyses uitgevoerd op basis van hoog frequente peilbuismetingen rondom Kampen (KWR, Deltares, 2011). Op basis hiervan is geconcludeerd dat het model de effecten van het vergraven van het zomerbed overschat. Om deze reden is geen score voor deze functie toebedeeld. Omdat vlakdekkende gedetailleerde informatie van 1) de stijghoogte (relatie IJsselstand met stijghoogte) en 2) waar treedt nu wateroverlast op, ontbreekt, is afgesproken om op basis van de beschikbare Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

69 gegevens een monitoringsplan te ontwerpen zodat de nul-situatie in beeld gebracht kan worden en de effecten van de zomerbedverlaging gemonitoord kunnen worden. Tevens worden de beheersmaatregelen benoemd (welke, kosten, inzettermijn) die uitgevoerd kunnen worden als negatieve effecten optreden Conclusie over effecten van Zomerbedverlaging op grondwater in Kampen Als gevolg van de vergraving van de IJsselbodem wordt de stromingsweerstand tussen de IJssel en het watervoerende pakket verlaagd, vooral op plaatsen waar klei- en leemlagen onder de IJsselbodem worden verwijderd. Als gevolg daarvan treden er verhogingen van stijghoogten in het watervoerende pakket op. Deze zijn maximaal 25 cm nabij de IJssel en nemen af met toenemende afstand tot de IJssel. Het maximale invloedsgebied van de Zomerbedverlaging is het gebied waarbinnen verhogingen van 5 cm of meer worden verwacht. Dit gebied is aangegeven met een rode lijn in Afbeelding Verhogingen van de grondwaterstand kunnen leiden tot een toename van grondwateroverlast in natte perioden. De verwachting is dat Zomerbedverlaging in natte periode juist relatief geringe verhogingen van de stijghoogte en van de grondwaterstand zal veroorzaken en op een aantal plaatsen ook verlagingen (zie Afbeelding 3-10). In natte perioden wordt het verhogende effect op de stijghoogte (vergraven weerstand) voor een deel teniet gedaan door het verlagende effect van een lager IJsselpeil. Omdat een toename van grondwateroverlast alleen op kan treden waar de stijghoogte verhoogd wordt is de verwachting daarom dat de kans op toename van grondwateroverlast door Zomerbedverlaging klein is. Waar daadwerkelijk een toename van grondwateroverlast optreedt is afhankelijk van de mate van de verhoging van de stijghoogte en de factor W/(c1+W). Omdat op veel plaatsen het huidige grondwaterregime niet bekend is kan niet betrouwbaar worden voorspeld waar een toename van grondwateroverlast op zal treden. Daarom wordt in Kampen een monitoringssysteem aangelegd, zodat de nul-situatie in beeld gebracht kan worden en de effecten van de zomerbedverlaging gemonitoord kunnen worden. Het monitoringsplan voor Zomerbedverlaging is in een separaat document beschreven. 3.7 Gecombineerde effecten Bypass Kampen en de zomerbedverlaging Het effect op de grondwaterstand, kwel en afvoer van de zomerbedverlaging in combinatie met de bypass Kampen ten opzichte van de situatie zonder zomerbedverlaging met bypass Kampen levert een vergelijkbaar effect op als wanneer de bypass buiten beschouwing gelaten zou worden. Kleine verschillen in effect treden op bij de aantakking van de bypass op de IJssel. Dit komt door de vergravingen in de uiterwaard Onderdijkse waard. Afbeelding 3-13 en Afbeelding 3-14 geven het effect op de grondwaterstand en stijghoogte bij de Onderdijkse waard weer voor de situatie met en zonder bypass Kampen. De effecten van de afzonderlijke maatregelen: bypass Kampen en de zomerbedverlaging overlappen elkaar in een gebied van ongeveer 25 ha. De effecten op de stijghoogte zijn echter tegengesteld (verhoging van de stijghoogte als gevolg van de aanleg van de bypass en verlaging van de stijghoogte als gevolg van de aanleg van de zomerbedverlaging) en dempen elkaar daardoor (gedeeltelijk) uit. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

70 Afbeelding 3-13 Effect Zomerbedverlaging op de grondwaterstand bij de Onderdijkse waard. Links: met bypass Kampen, rechts: zonder bypass Kampen. Afbeelding 3-14 Effect Zomerbedverlaging op de stijghoogte in het watervoerende pakket bij de Onderdijkse waard. Links: met bypass Kampen, rechts: zonder bypass Kampen. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

71 Zomerbedverlaging Bypass Kampen Afbeelding 3-15 Effect op de gemiddelde stijghoogte in het watervoerende pakket van de afzonderlijke maatregel zomerbedverlaging (rechtsboven) en de afzonderlijke maatregel bypass Kampen (linksonder). In Afbeelding 3-15 zijn de afzonderlijke effecten op de gemiddelde stijghoogte in het watervoerende pakket van de alleen de bypass Kampen en de effecten van de zomerbedverlaging in Kampen weergegeven. Te zien is dat de 5 cm-verhogingscontouren van de gemiddelde stijghoogte verandering van beide maatregelen elkaar raken. Het gezamenlijke effect van de Zomerbedverlaging en de Bypass Kampen op de gemiddelde stijghoogte wordt aan de zuidwestrand van het invloedsgebied van Zomerbedverlaging groter dan het afzonderlijke effect (namelijk circa 10 cm i.p.v. circa 5 cm). Het invloedsgebied van de totale ingreep van de Zomerbedverlaging en de Bypass Kampen tezamen is dus onder gemiddelde omstandigheden groter dan dat van de twee invloedsgebieden afzonderlijk. Het risico bestaat dat verhogingen van de grondwaterstand in Kampen van de afzonderlijke projecten elkaar ook zullen versterken. Voor grondwateroverlast zijn niet de gemiddelde omstandigheden relevant, maar natte omstandigheden. In dat geval is het invloedsgebied van Zomerbedverlaging kleiner, en is de kans dat de effecten van beide projecten elkaar versterken ook kleiner. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

72 4 EFFECT OP FUNCTIES 4.1 Criteria De geohydrologische effecten zijn geëvalueerd op 10 onderwerpen: Effect op waterbeheer: Het is ongewenst dat de aanvoervraag zodanig verandert dat de Waterschappen problemen krijgen om het watersysteem op peil te houden (in droge tijden). Tevens is weergegeven wat dit betekent voor de waterkwaliteit; Effect op ontwatering gebied door de IJssel: Het is ongewenst als de totale hoeveelheid water die door de IJssel wordt onttrokken aan de omgeving toeneemt; Effecten op grondwateroverlast bij Kampen: Wateroverlast bestaat enerzijds uit een te hoge grondwaterstand in binnendijks stedelijk gebied (grondwaterstand ondieper dan 0,70 m beneden maaiveld) en anderzijds uit extra kwel. Dit effect treedt alleen mogelijk op bij Kampen; Risico op zetting (Hattem en Zwolle): Het is niet gewenst dat een risico op zetting bij gebouwen of andere objecten optreedt. Tevens is het niet gewenst dat in droge perioden houten palen droogvallen waardoor paalrot ontstaat; Effect op veenweidegebied, het is niet wenselijk dat risico op extra inklinking van veenlagen optreedt; Effect op verontreinigingen: een significante verandering in het stromingspatroon kan een extra verspreiding van verontreinigingen veroorzaken of een (lopende) sanering beïnvloeden; Effect op drinkwatervoorziening Engelse werk: Het is niet wenselijk als het intrekgebied van de winning zich richting Zwolle verplaatst waardoor het risico optreedt dat verontreinigingen aangetrokken worden door de winning; Effect op stadsgracht Hattem, watermolen Molencaten, beken en sprengen: Bij Hattem liggen enkele watergangen die gevoelig zijn voor droogte. Het is niet gewenst dat de situatie bij deze watergangen verslechtert; Effecten op landbouw: Doordat de grondwaterstand afneemt in droge perioden is het niet gewenst dat extra droogteschade optreedt; Effecten op natuur: zie deelrapport 4; De effecten van de verschillende situaties zijn met elkaar vergeleken met behulp van kwantitatieve maatlatten, en gescoord op een vijf-puntschaal. Deze maatlatten en schaalverdeling zijn opgenomen in Tabel 4-1. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

73 Tabel 4-1: Beoordelingscriteria van de hydrologische effecten. Aspect Criterium Sterk Sterk Negatief Positief negatief Neutraal (0) positief effect (-) effect (+) effect (--) effect (++) Functionering waterbeheer o.a. functioneren inlaatwerken en aanen afvoercapaciteit gemalen Effect op wisselwerking IJssel grondwatersysteem (gemiddelde situatie en laagwatersituatie) Grondwateroverlast tijdens hoog water op IJssel Risico op zetting (Hattem en Zwolle) Effect op veenweidegebied Extra verspreidingsrisico van verontreinigingen Verplaatsing intrekgebied drinkwatervoorziening Engelse Werk richting Zwolle Optreden van significant effect op waterhoeveelheid in stadsgracht van Hattem en de beek bij Molencate (OLA) Effect op landbouw Aantal hectare waar negatieve, niet mitigeerbare, effecten optreden > 400 ha ha < 100 ha - - Toename ontwatering of afname van infiltratie > 10 % 5-10 % 0-5 % nvt nvt door de IJssel Verhoging grondwaterstand op potentiele wateroverlastlocaties Kwalitatief Toename risico op inklinking op basis van daling GLG Mogelijk effect op verspreidingsrisico Verplaatsing intrekgebied richting binnenstad Zwolle afname waterhoeveelheid in gracht / beek Verandering doelrealisatie droogteschade Effect op natuur Zie deelrapport 4 Effect op stabiliteit waterkeringen Zie deelrapport 1B > 25 cm verhoging op 1 ha 5 25 cm verhoging op 1 ha < 5 cm verhoging op 1 ha - - Ernstig risico Matig risico Geen risico - - GLG daalt GLG > 15 cm GLG daalt 3- verandert (zetting cm niet cm per 100 significant jaar) - - Minimaal 5 Minimaal 1 Geen effect - - Intrekgebie Intrekgebied Intrekgebied d verplaatst verplaatst blijft binnen zich > 50 m zich 1-50 m referentie richting richting intrekgebied Zwolle Zwolle - - > 15% 2-15 % < 2 % - - Toename Toename Verandering > 10 % 3-10 % < 3 % - - Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

74 4.2 Effect op functionering waterbeheer Tabel 4-2: Aantal hectare waar negatieve, niet mitigeerbare, effecten optreden Korte ZBY 2016 Geen aanvoer** s-heerenbroek**** Beperkt aanvoer*** s-heerenbroek**** Aantal hectare 0 ha 0 ha 0 ha Score * Inlaat bij s-heerenbroek functioneert altijd ** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert niet gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) *** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert beperkt gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) **** Uitgangspunt is dat bij een negatief effect op de inlaat s-heerenbroek als beheersmaatregel een pomp wordt geïnstalleerd om de inlaathoeveelheid te kunnen waarborgen. Om dit effect te beoordelen dienen drie aspecten beoordeeld te worden: Toename inlaathoeveelheid bij gemiddelde / droge omstandigheden, is dit water beschikbaar? Kan het water ingelaten worden? Uit de analyse van de constructies blijkt dat alleen bij s-heerenbroek de inlaat negatief beïnvloed kan worden; Heeft het inlaten van extra water vanuit de IJssel een effect op de waterkwaliteit? Toename inlaathoeveelheid beschikbaar Voor alle aangegeven polders is de water aan- en afvoer berekend voor de referentie situatie en de situatie met korte zomerbedverlaging en de situaties met en zonder zomerbedverlaging voor geen en beperkt functioneren van de inlaat s-heerenbroek. Onderscheid is gemaakt tussen de gemiddelde, laagwater- en hoogwatersituatie. De resultaten zijn in tabellen weergegeven in bijlage 6.4. Uit de berekeningen blijkt dat de aan- en afvoervraag in de polders, uiteen vallen in vijf gebieden: De polders gelegen tussen Kampen en het Ketelmeer ondervinden een toename van de waterafvoer en een afname van de wateraanvoer als gevolg van de verhoging van de grondwaterstand door het vergraven van het IJsselbed. Het betreft de polders Vosje, Roggebot, t Raasje, Gansje, de Pijper, Noordewaard en Rechterveld; De polders die niet in het directe beïnvloedingsgebied van de zomerbedverlaging liggen. Deze polders ondervinden een afname van de waterafvoer en een toename van de wateraanvoervraag van enkele procenten. Het gaat om de polders: De Koekoek, Veessen-Wapenveld, Terwoldse wetering, Hoenwaard en Gemaal Antlia polder Hattem; De polders die in het directe beïnvloedingsgebied van de zomerbedverlaging liggen tussen Kampen en Zwolle. Hier is een afname van de waterafvoer- en een toename van wateraanvoervraag berekend. De veranderingen worden veroorzaakt door een daling van het peil van de IJssel en een verlaging van de grondwaterstand. Het betreft de polders Kamperveen, Benoorden de Willemsvaart, Adsum, Katerveer en Mastenbroek. De veranderingen in deze polders zullen in deze paragraaf verder toegelicht worden. De binnenstad van Zwolle wordt op peil gehouden door een verbinding met het Zwarte water. Gezien de afstand tussen de IJssel en de binnenstad van Zwolle en het berekende effectgebied wordt geen significant effect verwacht op het waterbeheersysteem in de binnenstad van Zwolle. Oeverwalgebieden, het Waterschap geeft aan dat de oeverwalgebieden langs de IJssel relatief hooggelegen gebieden zijn waar geen wateraanvoer plaatsvindt. In het model is dit ook als zodanig gemodelleerd, de waterlopen kunnen alleen water afvoeren. Het gevolg hiervan is dat de Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

75 grondwaterstand hier lokaal uitzakt in droge perioden. Dit vindt plaats zonder en met zomerbedverlaging. Bij de berekening van de effecten op aan- en afvoer als gevolg van de zomerbedverlaging is geen rekening gehouden met eventuele toekomstige toename in beregeningsbehoefte voor landbouw. Wateraanvoer Uit Tabel 4-3 blijkt dat in de polders in de gemiddelde en in de laagwatersituaties water moet worden aangevoerd op bepaalde plaatsen om het peil te handhaven. In de gemiddelde situatie is de wateraanvoervraag ruimschoots kleiner (factor 2 40) dan tijdens een laagwaterperiode. Tijdens gemiddelde omstandigheden wordt er door het model er netto meer afvoer dan aanvoer berekend. De extra wateraanvoervraag kan opgevangen worden door waterafvoer elders in de polder. Uit de berekeningen blijkt dat de waterafvoer in een polder minstens 8-maal zo groot is als de wateraanvoer in de gemiddelde situatie. Tijdens een laagwaterperiode wordt de wateraanvoervraag groter. Dit is het moment dat meestal ook actief met grote capaciteit water moet worden ingelaten vanuit de IJssel (of andere oppervlaktewateren). In enkele polders berekent het model ook dat de wateraanvoervraag praktisch gelijk of groter is dan de waterafvoer (polder Adsum, Katerveer en Mastenbroek). De toename wordt berekend op 1 2% (behalve bij Benoorden de Willemsvaart, hier is de toename groter). Hierbij is de randvoorwaarde dat het water ook daadwerkelijk ingelaten kan worden. DHV heeft het effect van de zomerbedverlaging op de inlaatwerken beoordeeld, hieruit blijkt dat vooral het functioneren van het inlaatwerk s-heerenbroek mogelijk zal afnemen, deze situatie wordt later in deze paragraaf toegelicht. Tabel 4-3: Toename wateraanvoer (berekende infiltratie). Kamperveen Benoorden de Willemsvaart Adsum Katerveer Mastenbroek Gemiddelde situatie 2016 m 3 /dag % % % % % OLA-situatie 2016 m 3 /dag % % % % % Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

76 Waterafvoer De waterafvoer (ontwatering) van de polders neemt af door de daling van het IJsselpeil. Dit heeft als gevolg dat het slotensysteem in de polder zelf minder gevoed wordt vanuit het grondwatersysteem. Tabel 4-4: Toename waterafvoer (berekende drainage). Kamperveen Benoorden de Willemsvaart Adsum Katerveer Mastenbroek Gemiddelde situatie 2016 m 3 /dag % % % % % OLA-situatie 2016 m 3 /dag % % % % % Conclusie Voor de gemiddelde situatie wordt verwacht dat effecten van de zomerbedverlaging niet tot negatieve effecten op het beheer leiden. Voor de laagwatersituatie neemt de waterafvoer af en de wateraanvoervraag toe. Aangenomen is dat de uitlaathoeveelheid van een polder niet dient te dalen in verband met kwaliteitseisen van het water. Dit betekent dus dat er meer water aangevoerd moet worden. In onderstaande tabel wordt weergeven welke hoeveelheid met het model berekend wordt en hoe dit in verhouding staat tot de gemaalcapaciteit. De extra aan te voeren hoeveelheid water bedraagt niet meer dan 1% van de gemaalcapaciteit. Dit leidt niet tot problemen voor het beheer van het watersysteem. Tabel 4-5: Effect op waterbeheer voor OLA situatie 2016 per polder Overige polders Effect op waterafvoer Effect op wateraanvoer Extra inlaathoeveelheid per polder Capaciteit inlaat Percentage capaciteit Kamperveen m 3 /dag m 3 /dag 619 m 3 /dag, 0,43 m 3 /min 180 m 3 /min 0,39% Benoorden de Willemsvaart m 3 /dag + 31m 3 /dag 326 m 3 /dag, 0,23 m 3 /min 65 m 3 /min 0,21% Adsum m 3 /dag m 3 /dag 615 m 3 /dag, 0,43 m 3 /min 110 m 3 /min 0,39% Katerveer m 3 /dag m 3 /dag 381 m 3 /dag, 0,26 m 3 /min 110 m 3 /min 0,24% Mastenbroek m 3 /dag m 3 /dag 511 m 3 /dag, 0,36 m 3 /min 300 m 3 /min 0,12% Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

77 4.2.2 Inlaat s-heerenbroek De inlaat s-heerenbroek heeft invloed op ongeveer de helft van de polder Mastenbroek. Deze inlaat werkt momenteel niet optimaal. De volgende situaties zijn berekend voor de laagwatersituatie OLA: De inlaat werkt goed (zonder en met zomerbedverlaging); De inlaat werkt de laatste 130 dagen niet van de laagwaterperiode zonder zomerbedverlaging en de laatste 165 dagen niet met zomerbedverlaging; De inlaat werkt de laatste 130 dagen van de laagwaterperiode met een lager polderpeil zonder zomerbedverlaging en de laatste 165 dagen met zomerbedverlaging. Tabel 4-6: Watersysteem polder Mastenbroek tijdens laagwatersituatie (OLA) Waterafvoer Wateraanvoer Verschil Verschil Situaties m³/dag m³/dag afvoer aanvoer Functionerende inlaat, geen zomerbedverlaging Functionerende inlaat, wel -276 m³/dag 235 m³/dag zomerbedverlaging (-1%) (+1%) 130 dgn geen inlaat, geen zomerbedverlaging 165 dgn geen inlaat, wel -595 m³/dag m³/dag zomerbedverlaging (-3%) (-4%) 130 dgn beperkt inlaat, geen zomerbedverlaging 165 dgn beperkt inlaat, wel -272 m 3 /dag 201 m 3 /dag zomerbedverlaging (-1%) (+1%) Uit Tabel 4-6 blijkt duidelijk dat als de inlaat minder goed werkt (en het oppervlaktewaterpeil maximaal kan uitzakken) de wateraanvoer afneemt omdat deze gedurende een langere periode niet meer beschikbaar is. De waterafvoer neemt af omdat de grondwaterstand in het gebied lager is. Het beeld is enigszins vertekend, de inlaat heeft namelijk een effect op ongeveer de helft van de polder, in de andere helft van de polder verandert het peil van het oppervlaktewatersysteem niet. Het effect van de afname van de inlaatperiode is dat de grondwaterstanden in de polder dalen en dat daardoor mogelijk negatieve effecten op andere functies optreden. Als er wel water ingelaten kan worden (maar met een lager peil, oppervlaktewaterpeilen zakken tot 10 cm onder het peil van de IJssel dan neemt de wateraanvoer toe, net als in de situatie met een goed functionerende inlaat, zij het in mindere mate. Hier vindt vertekening van het effect plaats doordat de polder Mastenbroek groter is dan het gebied waarop de inlaat invloed heeft. Omdat de oppervlaktewaterpeilenlager lager zijn, neemt de wateraanvoer af in het gebied waarop de inlaat invloed heeft. Een mogelijke mitigerende maatregel voor dit negatieve effect is het plaatsen van een pomp bij de inlaat s-heerenbroek. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

78 4.2.3 Invloed op waterkwaliteit in binnendijkse polders Om de oppervlaktewaterpeilen in deze polders te handhaven dient extra water vanuit de IJssel te worden ingelaten. In theorie kan dit tot negatieve beïnvloeding van de waterkwaliteit in de polders leiden. De belangrijkste potentiële probleemstoffen zijn nutriënten (fosfaat en stikstof) en zware metalen. In het binnendijkse gebied (waar effecten van de zomerbedverlaging berekend zijn) zijn geen KRWlichamen aanwezig. Ten westen van Hattem is een HEN-watergang (sprengenbeek) gelegen. De plassen en geulen in de uiterwaarden horen bij het KRW-lichaam IJssel. Omdat de laatst genoemde al gedomineerd worden door de waterkwaliteit van de IJssel is de verwachting dat deze waterlichamen niet significant beïnvloed worden (zie deelrapportage natuur). De sprengenbeek ten westen van Hattem ligt buiten het beïnvloedingsgebied van de zomerbedverlaging. Significante effecten op de waterkwaliteit in KRW-lichamen of HEN/SED watergangen worden daarom niet verwacht. Dit wordt uitgebreider toegelicht in de deelrapportage natuur. De betreffende polders zijn landbouwgebieden. Van de landbouw is bekend dat deze door uit- en afspoeling van landbouwgronden voor een groot deel bijdraagt aan de belasting van het oppervlaktewater met stikstof, fosfor, zware metalen en gewasbeschermingsmiddelen. Omdat veel van de bovengenoemde stoffen al een lange tijd vrijkomen bij deze sector en ook in de landbouwbodems terecht zijn gekomen, en deze stoffen langzaam uitspoelen naar oppervlaktewater (en grondwater), zal het nog vele jaren duren voordat de belasting naar het oppervlaktewater zal afnemen. Voor de nutriënten stikstof en fosfor is de bijdrage vanuit de landbouw en de uit- en afspoeling vanuit landbouw- en natuurgronden in 2009 ruim de helft van de landelijke belasting voor alle regionale oppervlaktewateren samen; voor de zware metalen cadmium, zink, nikkel en lood is dit aandeel oplopend van 25 tot 65% (CBS, PBL, Wageningen UR, 2011). Voor de sloten in de betreffende landbouwpolders zullen de relatieve bijdragen vanuit de landbouw nog groter zijn. De aanvoer van IJsselwater naar een aantal polders door de zomerbedverlaging zal toenemen. De grootste relatieve toename onder gemiddelde omstandigheden (8%) geldt voor de polder Benoorden de Willemsvaart (van 376 m 3 /d naar 407 m 3 /d). De grootste absolute toename geldt voor polder Adsum: van 6831 m 3 /d naar 7112 m 3 /d (4% toename). Genoemde inlaathoeveelheden zijn een fractie van het aanwezige watervolume in de polders. De concentraties van de potentiële probleemstoffen zijn niet alarmerend: fosfaat en stikstof voldoen aan het Goed Ecologisch Potentieel van de IJssel en de zware metalen voldoen (na tweedelijnsbeoordeling, rekening houdend met biobeschikbaarheid) aan de norm (Min. van V&W, 2009). Geconcludeerd kan worden dat de aanvoer van verontreinigingen met inlaatwater vanuit de IJssel verwaarloosbaar is ten opzichte van de lokale belasting vanuit de landbouw bij gemiddelde en laagwater omstandigheden. Dit geldt voor bestrijdingsmiddelen, zware metalen, calciumgehalte en basen (zie voor een uitgebreidere onderbouwing de deelrapportage natuur). 4.3 Effect op ontwatering van gebied door de IJssel Dit aspect beschrijft het effect van de zomerbedverlaging op de aan- en afvoerbalans van het grondwatersysteem op regionaal niveau. Globaal ontwatert de IJssel het grondwatersysteem bovenstrooms van Zwolle en infiltreert de IJssel benedenstrooms van Zwolle. De Provincie Gelderland en het waterschap Veluwe voeren het beleid om het grondwater lokaal zoveel mogelijk vast te houden. Voor Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

79 de gemiddelde situatie, OLA-laagwatersituatie en tijdens een T=10 laagwatersituatie tijdens extreme droogte zijn waterbalansen per deelgebied opgesteld. Tabel 4-7: Effect zomerbedverlaging op regionaal hydrologisch systeem Korte ZBY 2016 % toename ontwatering bovenstrooms van Zwolle (gemiddeld / OLA) 0,38 / 0,16 % afname infiltratie benedenstrooms van Zwolle (gemiddeld / OLA) 2,5 / 0,88 Score uitgaande van gemiddelde peil IJssel (bovenstrooms / benedenstrooms) 0 Score uitgaande van peil op IJssel (OLA) (bovenstrooms / benedenstrooms) 0 In de waterbalans kan het effect van de zomerbedverlaging gecompenseerd worden door een verandering in de fluxen van het overige oppervlaktewatersysteem, grondwateraanvulling en berging. De andere fluxen (onttrekkingen en flux op de rand van het model) worden niet beïnvloed door het verlagen van het IJsselpeil. Uit de analyse van de fluxen blijkt dat het effect op de neerslag en berging maximaal 0,1 Mm³/jaar bedraagt. Om deze reden zijn alleen de fluxen voor het oppervlaktewatersysteem hierna beschreven (alle deelfluxen worden in bijlage 6.8 in tabelvorm gepresenteerd). De IJssel en uiterwaard onttrekken in de gemiddelde referentie situatie 117,8 Mm³/jaar (M=miljoen) uit het grondwatersysteem (stroomopwaarts van Zwolle) en infiltreert 67,6 Mm³/jaar (stroomafwaarts van Zwolle). De onderstaande tabel geeft het verschil in de berekende fluxen weer voor verschillende deelgebieden (zie bijlage 6.3) ten gevolge van de zomerbedverlaging voor twee situaties, gemiddelde situatie en OLA-situatie. De resultaten worden in bijlage 6.5 en 6.6 op kaarten gepresenteerd. Onder aanvoer wordt verstaan infiltratie naar het grondwatersysteem en onder afvoer ontwatering van het grondwatersysteem. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

80 Tabel 4-8: Effecten van de zomerbedverlaging op de water aan- en afvoerbalans (de hoeveelheden zijn bepaald per jaar, dus uitgaande van de situatie dat de situatie het hele jaar aanhoudt). Deelgebied IJssel en uiterwaard bovenstrooms van Zwolle IJssel en uiterwaard benedenstrooms van Zwolle Peilgebieden WS Veluwe Overig ws Veluwe Veluwe Peilgebieden WS Groot Salland Overig WS Groot Salland Overige gebieden Effect gemiddelde situatie korte ZBY ,5 Mm³/jaar toename van ontwatering (+ 0,38%) 1,7 Mm³/jaar afname van infiltratie (- 2,5%) 0,4 Mm³/jaar netto afname van ontwatering 0,1 Mm³/jaar netto afname van ontwatering 0,0 Mm³/jaar netto afname van ontwatering 1,2 Mm³/jaar netto afname van ontwatering 0,4 Mm³/jaar netto afname van ontwatering 0,0 Mm³/jaar netto afname van ontwatering Effect OLA-situatie korte ZBY ,1 Mm³/jaar toename van ontwatering (+ 0,16%) 0,6 Mm³/jaar afname van infiltratie (- 0,88%) 0,2 Mm³/jaar netto afname van ontwatering 0,0 Mm³/jaar netto afname van ontwatering 0,0 Mm³/jaar netto afname van ontwatering 0,4 Mm³/jaar netto afname van ontwatering 0,1 Mm³/jaar netto afname van ontwatering 0,0 Mm³/jaar netto afname van ontwatering Gemiddelde situatie Door het uitvoeren van de zomerbedverlaging wordt er 2,2 Mm³/jaar minder water aan het grondwatersysteem toegevoegd door de IJssel (deelgebied IJssel + uiterwaard). Dit wordt door het systeem opgevangen doordat het oppervlaktewatersysteem binnendijks minder water afvoert, ook: 2,2 Mm³/jaar minder (alle andere deelgebieden opgeteld). Deze hoeveelheid stroomt door de ondergrond extra naar de IJssel. Uit de berekende hoeveelheden wordt duidelijk dat vooral de peilgestuurde gebieden en het overige gebied van waterschap Groot-Salland de verlaging van het IJsselpeil compenseren. OLA-situatie De verlaging van het oppervlaktewaterpeil op de IJssel is geringer, hierdoor is het effect op het binnendijkse oppervlaktewatersysteem ook geringer. Door de verlaging van het IJsselpeil is er circa 0,7 Mm³/jaar minder water beschikbaar in het grondwatersysteem (circa een derde van het effect dat optreedt in de gemiddelde situatie). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

81 4.4 Effect op grondwaterregime in Kampen Grondwateroverlast treedt op door hoge grondwaterstanden of door een hoog peil op de IJssel. Ten gevolge van de zomerbedverlaging wordt het peil op de IJssel verlaagd vooral tijdens hoogwatersituaties, hierdoor neemt de grondwaterstand in de omgeving van de IJssel af. Het risico op wateroverlast door hoge IJsselpeilen/ hoge grondwaterstanden neemt daardoor regionaal gezien af. Ter plaatse van Kampen is het IJsselpeil echter sterk gekoppeld aan het peil van het IJsselmeer, het effect van de zomerbedverlaging op het IJsselpeil is daardoor hier geringer dan tussen Zwolle en Kampen in. Ook heeft de IJssel hier vooral een infiltrerende werking. Ter plaatse van Kampen wordt het zomerbed vergraven. In de omgeving van Kampen komen klei- en veenlagen in de ondergrond voor. Door het vergraven van het zomerbed kan het contact tussen de rivier en de stijghoogte toenemen waardoor juist meer kans op wateroverlast ontstaat (hogere grondwaterstanden of extra kwel). Met het model is deze situatie berekend. Hieruit blijkt dat door de vergraving van bodemlagen met een hoge weerstand onder de IJssel de infiltratie van water naar het watervoerende pakket toeneemt (de stijghoogte neemt toe). Afhankelijk van de lokale situatie (ontbreken klei- en veenlaag van circa 2-5 m dik binnendijks) kan deze verhoogde stijghoogte lokaal leiden tot een toename van de grondwaterstand. In overleg met de gemeente Kampen, het waterschap en twee externe experts, Willem Jan Zaadnoordijk (KWR) en Toine Vergroesen (Deltares) is dit besproken. Naar aanleiding van dit overleg zijn nadere analyses uitgevoerd op basis van hoog frequente peilbuismetingen rondom Kampen (KWR, Deltares, 2011). Op basis hiervan is geconcludeerd dat het model de effecten van het vergraven van het zomerbed overschat. Om deze reden is geen score voor deze functie toebedeeld. Omdat vlakdekkende gedetailleerde informatie van 1) de stijghoogte (relatie IJsselstand met stijghoogte) en 2) waar treedt nu wateroverlast op, ontbreekt, is afgesproken om op basis van de beschikbare gegevens een monitoringsplan te ontwerpen zodat de nul-situatie in beeld gebracht kan worden en de effecten van de zomerbedverlaging gemonitoord kunnen worden. Tevens worden de beheersmaatregelen benoemd (welke, kosten, inzettermijn) die uitgevoerd kunnen worden als negatieve effecten optreden. 4.5 Risico op zetting (Hattem en Zwolle) Tabel 4-9: Risico op zetting. Korte ZBY 2016* Geen aanvoer** s-heerenbroek Beperkt aanvoer*** s-heerenbroek Mate van risico Geen significant risico Geen significant risico Geen significant risico Score * Inlaat bij s-heerenbroek functioneert altijd ** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert niet gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) *** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert beperkt gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) Bodemopbouw Het gebied waar grondwaterstandsverlagingen worden verwacht ligt in het stroomgebied van de IJssel. De bodemopbouw wisselt hierdoor sterk van volledig zand tot enkele meters klei met een dunne veenlaag. Dit wordt bevestigd door grondonderzoek en gegevens uit de database van TNO-DINO. Voor de zettingsprognose is een conservatieve bodemopbouw aangehouden zoals opgenomen in Tabel Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

82 Tabel 4-10: Conservatieve bodemopbouw. Grondsoort Niveau bovenzijde t.o.v. maaiveld Klei schoon slap 0,0 Veen -3,0 Zand -4,0 Maximaal te verwachten zettingen Op basis van deze conservatieve bodemopbouw zijn de maximaal te verwachten zettingen berekend voor verschillende grondwaterstandsverlagingen t.o.v. GLG. De resultaten staan aangegeven in Tabel Tabel 4-11: Berekende maximale zetting op basis van conservatieve bodemopbouw. Grondwaterstandsverlaging [m] Zetting [m] 0,05 0,004 0,10 0,008 0,20 0,018 De grondwaterstandsverlaging vindt geleidelijk plaats over tientallen dan wel honderden meters, zodat de verschilzettingen beperkt zullen zijn en voornamelijk zullen optreden door verschillen in bodemopbouw en belastinggeschiedenis. Waar de bodemopbouw uit minder klei en veen bestaat of een hogere overconsolidatiegraad bevat zal de zetting kleiner zijn. Indien de bodemopbouw enkel uit zand bestaat is de zetting verwaarloosbaar. De effectbeoordelingen zoals deze in het voorliggende rapport gepresenteerd worden, zijn de effecten van de zomerbedverlaging ten opzichte van de situatie in Uitgaande van de modelresultaten voor het oppervlaktewaterpeil treden bij GLG maximaal effecten van 5 cm op het IJsselpeil Ter hoogte van Scherenwelle. Voorbelasting uit het verleden Voor het bepalen van het daadwerkelijke risico op zettingen nabij gebouwen en/of constructies dient ook naar de voorbelasting van de ondergrond en ontwikkelingen in het verleden gekeken te worden. Een belangrijke ontwikkeling voor de waterstanden tijdens gemiddelde en lage afvoeren op de IJssel bestaat uit de aanleg van de stuwcomplexen op de Neder-Rijn in de jaren 70. Deze stuwen zorgen ervoor dat bij de lagere en gemiddelde rivierafvoeren een groter aandeel van het water via de IJssel afgevoerd wordt. Afbeelding 4-1 laat zien dat de gemiddelde (en ook de extreem lage) waterstanden bij Katerveer sinds de jaren 70 aanzienlijk hoger zijn dan daarvoor. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

83 Afbeelding 4-1 Gemeten gemiddelde en extreme peilen van de IJssel bij Kateveer. De waterstanden na aanleg van de zomerbedverlaging zullen niet lager worden dan gemiddelden van voor de jaren 70. Of er daadwerkelijk nog een risico op zetting bestaat hangt mede samen met het jaar van aanleg van de objecten. Consequenties van de zettingen Wegen Ter plaatse van wegen zal eerst een wegverharding en een zandbed aanwezig zijn, waardoor de zetting lager zal zijn dan berekend. Bij een grondwaterstandsverlaging zal de zetting dus maar enkele centimeters bedragen. Gezien het geleidelijke verloop van de grondwaterstandsverlaging en de voorbelasting uit het verleden wordt geen schade aan de wegen verwacht. Waterkeringen Ter plaatse van waterkeringen treedt lokaal maximaal 0,05 m grondwaterstandverlaging op. Bij een conservatieve bodemopbouw zal er bij een verlaging van de GLG van 0,05 m 4 mm zetting optreden. De ondergrond bij waterkeringen is zwaarder belast door het gewicht van het grondlichaam zodat de zetting lager zal zijn dan 4 mm. Ook als er een zetting van maximaal een centimeter optreedt, zal dat geen risico voor de waterkeringen vormen. Ook vanwege de lagere gemiddelde waterstanden uit het verleden wordt geen effect op de waterkeringen verwacht. Kabels en leidingen Gezien het geleidelijke verloop van de grondwaterstandsverlaging worden ten aanzien van kabels en leidingen geen risico s verwacht. Waar zettingen zullen optreden zal de bodemopbouw ook samendrukbaar zijn, zodat hiermee al rekening is gehouden in het ontwerp van de kabels en leidingen. Er kan worden aangehouden dat zettingen tot 20 mm geen risico s inhouden, ofwel een grondwaterstandsverlaging van 0,05 m acceptabel is. Constructies gefundeerd op staal Bij constructies die op staal zijn gefundeerd zal de grond door de belasting vanuit de constructie al zwaarder zijn belast dan in de aangehouden zettingsberekening, waardoor de zakking lager zal zijn. Zakkingsverschillen over een bouwwerk kunnen schade aan het bouwwerk veroorzaken. Doordat de Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

84 grondwaterstandsverlaging ten opzichte van bouwwerken over lange afstand varieert zullen de zakkingsverschillen over het bouwwerk met name door verschillen in bodemopbouw en belastinggeschiedenis worden veroorzaakt. Bij verwaarlozing van de belasting vanuit het bouwwerk zelf is dus een grondwaterstandsverlaging toelaatbaar van meer dan 0,20 m. De verlaging ten noorden van het spoorviaduct is geen probleem omdat hier geen constructies op staal aanwezig zijn. Constructies gefundeerd op palen Bij constructies met een paalfundatie zal de zetting door het genereren van extra negatieve kleef een belastingstoename op de palen kunnen veroorzaken, wat kan leiden tot zakking van het bouwwerk wat weer schade aan het bouwwerk kan veroorzaken. Door de beperkte laagdikte van de slappe lagen is de grootte van de negatieve kleef beperkt. Bij zettingen van enkele centimeters is het risico op schade verwaarloosbaar. Een grondwaterstandverlaging tot 0,05 m levert dus geen risico op. Houten palen Waar houten funderingspalen zijn toegepast, mogen de houten palen zich niet deels langdurig boven de grondwaterstand bevinden om paalrot te voorkomen. Over het algemeen worden houten palen enkele decimeters onder de laagste grondwaterstand aangebracht. Gezien de verlaging van de GLG met maximaal 0,05 m en de lagere gemiddelde waterstanden in het verleden wordt geconcludeerd dat er geen schade op zal treden aan houten palen. Inlaat s-heerenbroek Een deel van de polder Mastenbroek is afhankelijk van de inlaat s-heerenbroek. Als het functioneren van de inlaat verslechtert ten gevolge de zomerbedverlaging dan worden in polder geen binnendijkse effecten op de GLG berekend. Doordat er geen effect op de GLG berekend wordt, kan er ook geen effect op zetting optreden. 4.6 Effect op veenweidegebied Tabel 4-12: Risico op zetting veenweidegebied Korte ZBY 2016* Geen aanvoer** s-heerenbroek Beperkt aanvoer*** s-heerenbroek Daling van GLG < 1cm < 1cm < 1cm Score * Inlaat bij s-heerenbroek functioneert altijd ** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert niet gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) *** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert beperkt gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) In de omgeving van de IJssel zijn veenweidegronden aanwezig. Deze gronden kunnen inklinken door oxidatie als de grondwaterstand in droge tijden sterker uitzakt. Voor de mate van inklinking van veen zijn veel onderzoeken gedaan. Op basis van onderzoek in het westen van Nederland (Zegveld) is een relatie vastgesteld tussen de voorkomende GLG-waarde in het gebied en de mate van inklinking die optreedt (van den Akker et al., 2007). Zo moet gedacht worden bij een GLG van 0,75-1,0 m-mv aan een orde grootte zetting van 9-17 mm/jaar. Dit impliceert circa 1 mm extra zetting (10 cm per 100 jaar) bij een grondwaterstanddaling van 3 cm. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

85 Op basis van de bodemkaart is bepaald waar veengrond aanwezig is. De veengrond ligt volgens de bodemkaart op enige afstand van de IJssel. De veengronden liggen in het gebied stroomafwaarts van Zwolle op een afstand van minimaal 800 m van de IJssel. Ter plaatse van de veenbodems treedt geen significant effect op ten gevolge van de zomerbedverlaging. Het effect van de zomerbedverlaging op de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) en grondwaterstand tijdens OLA is minder dan 1 cm (ook uitgaande van de aangehouden bandbreedte). Op basis van deze verlaging wordt geconcludeerd dat er geen risico bestaat op extra inklinking van het veenweidegebied. Dit geldt zowel voor de veenweidegronden aan de Veluwse Oosterwolde en Hattemerbroek) als de Groot-Sallandse kant (Mastenbroek). Inlaat s-heerenbroek Een deel van de polder Mastenbroek is afhankelijk van de inlaat s-heerenbroek. Het noordelijkste stukje van dit gebied valt binnen het veenweidegebied. Hier worden geen verlagingen van de GLG of grondwaterstand tijdens OLA berekend. Omdat er geen verandering op de GLG optreedt, zal er ook geen extra zetting optreden als gevolg van de aanleg van de zomerbedverlaging. 4.7 Effect op verspreidingsrisico van verontreinigingen buiten binnenstad Zwolle De meest risicovolle verontreinigingen liggen in de binnenstad van Zwolle. Uit aanvullend onderzoek (DHV, 2011) blijkt dat het risico groot is dat ten gevolge de zomerbedverlaging in combinatie met de winning Engelse Werk deze verontreinigingen afstromen richting de winning. Een randvoorwaarde voor uitvoering van de zomerbedverlaging is dat er een oplossing gevonden wordt zodat geen extra risico optreedt dat deze mobiele verontreinigingen richting de winning afstromen. Dit onderzoek (DHV, 2011) is uitgevoerd in samenspraak met Vitens, de Gemeente en de Provincie en wordt kort toegelicht onder paragraaf 4.8. In deze paragraaf worden verder alleen de effecten op de verontreinigingen buiten de binnenstad van Zwolle toegelicht. Tabel 4-13: Aantal verontreinigingen waarbij mogelijk effect is op verspreidingsrisico. Korte ZBY 2016 Mogelijk effect op verspreidingsrisico 5 Score -- Voor alle 42 locaties is met het grondwatermodel MIPWA berekend op welke wijze het gemiddelde stromingspatroon bij de verontreinigingen verandert (zie Bijlage 7.1). Hierbij is de stroming in alle watervoerende pakketten waarin de verontreiniging mogelijk aanwezig kan zijn geanalyseerd. Per laag is berekend of de horizontale dan wel verticale stroming significant verandert (toename stroming van meer dan 10%) en of de stroming wel significant is (verticale stroming aan de onderzijde van de deklaag > 0,5 m/jaar of horizontale stroming > 1 m/jaar). Daarnaast is gekeken of de stromingsrichting met meer dan 45 verandert bij verontreinigingen die een significante horizontale stroming ondervinden. Uitgangspunt bij de bepaling van wat een significante horizontale stroming is, zijn de wettelijke criteria voor verspreidingsrisico (Circulaire bodemsanering 2009). Er is sprake van een verspreidingsrisico van verontreinigingen in het grondwater als de toename van het bodemvolume boven de interventiewaarde groter is dan m 3 /jaar. Deze toename geldt onder natuurlijke omstandigheden. Als gevolg van een Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

86 ingreep in het grondwatersysteem mag er in principe geen significante extra verspreiding van verontreinigingen plaatsvinden. Bij een flinke verontreiniging van 100 meter lang en breed en 10 meter diep komt een toename van m 3 /jaar overeen met een verplaatsing van het verontreinigingsfront van 1 m/jaar. Bij de conservatieve aanname dat verontreinigingen net zo snel verplaatsen als grondwater wordt daarom het criterium van een effectieve stroomsnelheid van 1 m/jaar gehanteerd. Uit de modelresultaten blijkt dat op basis van deze criteria bij vijf verontreinigingen in Kampen sprake is van een significante verandering van de horizontale stroming als gevolg van de Zomerbedverlaging. In Tabel 4-14 is de effectieve horizontale stroomsnelheid en het effect van de Zomerbedverlaging op de stroomsnelheid en richting weergegeven voor de zes verontreinigingen in Kampen weergegeven. Of de verandering van de horizontale stroming ook werkelijk een effect heeft op het verspreidingsrisico van de verontreinigingen is op basis van de beschikbare gegevens niet met zekerheid vast te stellen. In het kader van het Monitoringsplan voor Zomerbedverlaging zal alle verontreinigingen in Kampen op basis van monitoring van grondwaterstanden en stijghoogten de nul-situatie van de stroming (verhang) worden vastgesteld (zie Monitoringsrapportage hoofdstuk 7). Indien de nulsituatie daar aanleiding toe geeft wordt de beschikbare informatie omtrent de verontreinigingen samengevat en wordt het verspreidingsrisico beoordeeld. Tabel 4-14: Effect op grondwaterverontreinigingen als gevolg van de zomerbedverlaging. Effectieve Nr. Laag strsnelheid hor. [m/jaar] Verandering richting [ ] Locatie Status Effect op verspreidingsrisico Voormalige 37 WVP 94 gasfabriek Bolwerk te > 10% toename Kampen (Noordweg) Voormalige 38 DKL gasfabriek De La 30 Sablonierekade te > 10% toename Kampen Voormalige 39 WVP 246 Berkterrein Noordweg > 10% toename 5 te Kampen Industrieweg 25 (voormalig 40 WVP 49 brandstoffendepot > 10% afname van Texaco) te Kampen Restverontreiniging na sanering Mogelijk Restverontreiniging na sanering Mogelijk Nog te saneren Mogelijk Nog te saneren Mogelijk 41 WVP > 10% toename 15 Industrieweg 37 te Kampen Restverontreiniging na sanering Mogelijk 42 WVP < 10% toename 0 Blekerijweg 4 (voormalige wasserij) te Ijsselmuiden Nog te saneren Nee Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

87 Naast de in Tabel 4-14 genoemde verontreinigingen zijn er geen ander verontreinigingslocaties waar de stroming significant verandert. 4.8 Effect op drinkwatervoorziening Engelse Werk Tabel 4-15: Verplaatsing intrekgebied winning Engelse Werk. Korte ZBY 2016 Verplaatsing intrekgebied 0 m richting binnenstad Zwolle Score 0 Het effect op de drinkwatervoorziening Engelse Werk hangt sterk samen met de aanwezigheid van ernstige mobiele grondwaterverontreinigingen in de binnenstad van Zwolle. Dit wordt in samenhang bekeken met het detailmodel van Vitens in samenspraak met de Gemeente, Provincie en Vitens. De berekende effecten met het detailmodel zijn weergegeven in bijlage 8. Uit de analyse blijkt dat vanwege de zomerbedverlaging en de mitigerende maatregel: het verplaatsen van 2 putten op het winpark Engelse Werk het intrekgebied zich niet richting de binnenstad van Zwolle verplaatst. 4.9 Effect op stadsgracht Hattem, watermolen Molencaten Tabel 4-16: Effect op kwelflux tijdens OLA-periode bij stadsgracht en Molencaten Korte ZBY 2016 Effect op stijghoogteverschil bij Molencaten < 1 cm Score beek bij Molencaten 0 Effect op stijghoogteverschil bij Molencaten <1 cm Score stadsgracht 0 De stadgracht van Hattem wordt op peil gehouden middels wateraanvoer vanuit de Molencatensebeek als de wateraanvoer voldoende is. Als in de beek niet voldoende water aanwezig is wordt het peil door het Waterschap gehandhaafd middels een grondwaterpomp om de funderingen in het oude stadscentrum te beschermen (mededeling waterschap Veluwe). Dit vindt doorgaans plaats van circa mei tot ver in september. Tijdens droge perioden staat de pomp vrijwel de hele dag aan. Of het waterpeil in de stadsgracht afneemt hangt dus af van eventuele veranderingen in de wateraanvoerhoeveelheid vanuit de Molencatensebeek en van lokale veranderingen in de relatie met het grondwatersysteem. Dit risico speelt vooral tijdens droge perioden, daarom is de flux gedurende de OLA-periode geanalyseerd. Met het grondwatermodel is berekend hoe de kwelflux langs de Molencatense beek en de stadsgracht verandert in droge perioden (OLA). Uit de grondwaterberekeningen blijkt dat de Molenbeek buiten het effectgebied van de maatregel ligt. De stadsgracht ligt op de grens van het effectgebied, uitgaande van de aan te houden bandbreedte. Het berekende effect op het stijghoogteverschil over de deklaag is kleiner dan 1 cm. Of er inderdaad een (klein) significant effect op de stadsgracht optreedt ten gevolge van de zomerbedverlaging is nu niet uit te sluiten. Met het waterschap Veluwe en de gemeente Hattem is Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

88 besproken hoe het effect op de stadsgracht onderbouwd moet worden. Gezien de gering berekende effecten is geconcludeerd om dit aspect mee te nemen in de monitoring. In de monitoringsrapportage wordt weergegeven welke maatregelen uitgevoerd worden als blijkt dat er inderdaad een effect optreedt bij de stadsgracht die te relateren is aan de uitvoering van de zomerbedverlaging. De meest logische beheersmaatregel is dat middels de pomp extra water in de stadsgracht wordt ingelaten Effect op landbouw Omdat er geen binnendijkse effecten zijn op de GLG zal de droogteschade als gevolg van de zomerbedverlaging ook niet toenemen. Om deze reden is geoordeeld dat het niet nodig is om met Waternoodberekeningen te berekenen wat de toename in droogteschade zal zijn als gevolg van de zomerbedverlaging. Tabel 4-17: Effect op landbouw Korte ZBY 2016* Geen aanvoer** s-heerenbroek Beperkt aanvoer*** s-heerenbroek Toename van droogteschade geen geen geen Score * Inlaat bij s-heerenbroek functioneert altijd ** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert niet gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) *** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert beperkt gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) Geen of beperkte aanvoer in de zomer Voor het binnendijkse gebied dat onder invloed staat van de inlaat s-heerenbroek geldt dat de wateraanvoer in droge perioden niet altijd gegarandeerd is De GLG wordt hier echter niet door verlaagd. Hierdoor zijn er geen effecten als gevolg van de zomerbedverlaging Effect op natuur De effecten op natuur als gevolg van de zomerbedverlaging door veranderingen in de waterhuishouding (verlaging van de grondwaterstand en verandering van kwel en wegzijging) worden beschreven in deelrapport 4: Passende beoordeling (kenmerk LW-AF ) Effect op stabiliteit waterkeringen De voorgenomen maatregelen in het zomerbed en in de uiterwaarden hebben effecten op de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket nabij de waterkeringen. De invloed van deze verandering in stijghoogte op de standzekerheid van de waterkering langs de Beneden-IJssel wordt beschouwd in deelrapport 1B: Inventarisatie Constructies en Kunstwerken (kenmerk LW-AF /RK). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

89 4.13 Samenvatting score De score benoemd in dit hoofdstuk worden in de tabel op de volgende bladzijde samengevat. Tabel 4-18: Samenvatting score per aspect Geen / beperkte Aspect Mate van verandering, situatie 2016 Korte ZBY 2016* aanvoer in de zomer** Functionering waterbeheer o.a. functioneren inlaatwerken en aan- en afvoercapaciteit gemalen Effect op wisselwerking IJssel grondwatersysteem (gemiddelde situatie en laagwatersituatie) Grondwateroverlast tijdens hoogwater op IJssel Risico op zetting (Hattem en Zwolle) Effect op veenweidegebeid Extra verspreidingsrisico van verontreinigingen Verplaatsing vastgestelde intrekgebied strategische drinkwatervoorziening Koppelerwaard Verplaatsing intrekgebied drinkwatervoorziening Engelse Werk richting Zwolle Optreden van significant effect op waterhoeveelheid in stadsgracht van Hattem en de beek bij Molencate (OLA) Uitgaande dat alle inwerken aangepast kunnen worden is het effect op waterbeheer op polderniveau gering. Inlaat s-heerenbroek zal wel slechter gaan functioneren 0 0 Alleen stroomafwaarts van Zwolle neemt de infiltratie > 5 % af onder gemiddelde omstandigheden. Tijdens 0 0 de OLA-situatie is het effect op de aanen afvoer van de IJssel < 5 %. Het model kan het effect op de grondwaterstand niet betrouwbaar Zie monitoringsrapportagrapportage Zie monitorings- berekenen. Afgesproken is om een gedetailleerd monitoringsplan voor Kampen op te stellen Er treedt geen risico op zetting op 0 0 Er treedt geen risico op extra zetting op 0 0 Er zijn 5 verontreinigingslocaties waar mogelijk een effect op verspreidingsrisico optreedt Het intrekgebied blijft binnen het strategisch vastgestelde gebied 0 0 Op basis van wat er nu bekend is, verplaatst het intrekgebied zich circa 200 m. 0 0 Op basis van het model treedt geen significant effect op de beek bij Molencate op, dit wordt geverifieerd bij gebiedskenners en met metingen. De 0 0 waterhoeveelheid in de stadsgracht neemt circa 10 % af tijdens OLA Effect op landbouw Er treedt geen significant effect op 0 0 Effect op natuur Zie deelrapport 4. Effect op stabiliteit waterkeringen Zie deelrapport 1B * Inlaat bij s-heerenbroek functioneert altijd ** Inlaat bij s-heerenbroek functioneert niet of beperkt gedurende 130 (referentie) of 165 dagen (zomerbedverlaging) Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

90 4.14 Leemte in kennis en monitoring Leemte in kennis De uitstraling van de effecten van de zomerbedverlaging worden sterk bepaald door de opgenomen bodemparameters in het model. Dit zijn echter lastige parameters om voor een groot gebied gedetailleerd te kunnen bepalen. Het berekende effect is sterk afhankelijk van: Bodemweerstand van de IJssel. In het model is een lage weerstand opgenomen. De effecten die berekend worden zijn vergeleken met resultaten van tijdreeksanalyse (zie Bijlage 2). Uit de vergelijking blijkt dat de opgenomen bodemweerstand plausibel is. In het monitoringprogramma zijn peilbuizen opgenomen in raaien loodrecht op de IJssel met een ondiep en een diep filter die met divers (automatische drukopnemers) gemonitoord worden (frequente metingen 1* per dag of frequenter) en het peil van de IJssel wordt gemonitoord. Op basis van de grondwaterstandmetingen en metingen van het IJsselpeil kan de relatie gedetailleerder vastgesteld worden. Op deze wijze kan met meer nauwkeurigheid de weerstand van de IJssel bepaald worden; Weerstand en dikte deklaag. Aanbeveling is om tijdens de vergraving de bodem te classificeren. Als in een gebied relatief veel klei- en leemlagen worden verwijderd dan dient dit aangemerkt te worden als locatie waar mogelijk een hogere kwelflux bij hoogwater een risico vormt. Dit komt terug in de monitoringsrapportage; Grondwateraanvulling: Het is aannemelijk dat de grondwateraanvulling kleiner is dan in het model is opgenomen. Als de grondwateraanvulling kleiner is, dan kan het effect van de zomerbedverlaging bij Hattem verder uitstralen. Vanwege het regionale karakter van het grondwatermodel en de wijze waarop het oppervlaktewatersysteem in Kampen opgenomen is, is een second opinion gevraagd over hoe de effecten in Kampen bepaald dienen te worden (Deltares, KWR, 2011). Daarnaast zijn nadere analyses op basis van hoog frequente metingen uitgevoerd. Uit de nadere analyse en de second opinion blijkt dat het model de effecten overschat, echter effecten op de grondwaterstand zijn ook niet uit te sluiten. Daarom is voor Kampen een gedetailleerd monitoringsplan opgesteld. Monitoringsprogramma Het monitoringsprogramma wordt in een apart document beschreven. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

91 5 UITERWAARDMAATREGELEN 5.1 Inleiding Om te voldoen aan de ruimtelijke kwaliteitsdoelstelling, zijn uiterwaardmaatregelen ontworpen, welke in onderstaande paragrafen worden beschreven. De vergraving van het zomerbed verandert de rivierdynamiek in de Beneden-IJssel. Een lager waterpeil tijdens verschillende rivierafvoeren zorgt voor een verandering van erosie- en sedimentatiepatronen en reductie van de frequentie en duur van overstromingen van de uiterwaarden. Dit beïnvloedt beschermde natuurwaarden langs de IJssel (Natura 2000-gebied). Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit gebeurt door in de uiterwaarden meer ruimte te geven aan natuurlijke dynamiek, waardoor bijzondere natuur- en landschapswaarden behouden blijven en worden versterkt. Daarbij is de insteek de landschappelijke en ecologische waarden ook beleefbaar te maken, door de recreatieve toegankelijkheid te vergroten. In Afbeelding 5-1 zijn de locaties van de verschillende uiterwaarden weergegeven. In de volgende uiterwaarden worden maatregelen uitgevoerd: Scherenwelle; Bentinckswelle; Koppelerwaard; Zalkerbosch; Vreugderijkerwaard. Afbeelding 5-1: Overzicht van de uiterwaarden waar maatregelen uitgevoerd worden. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

92 5.2 Scherenwelle De uiterwaard Scherenwelle is gelegen ten zuiden van Kampen op de rechteroever van de IJssel, tegen over de geplande aantakking van de IJsseldelta Zuid. In de uiterwaard komen Kievitsbloemen voor. Dat is een kenmerkende soort van Glanshaverhooiland, één van de habitattypen waarvoor de IJsseluiterwaarden worden aangewezen als Natura2000-gebied. De doelstelling van de uiterwaardmaatregelen in Scherenwelle is om het areaal met Kievitsbloemen te behouden en uit te breiden. De ligging van Scherenwelle en de locatie van de Kievitsbloemen zijn weergegeven in Afbeelding 5-2. Afbeelding 5-2: Ligging Scherenwelle en locaties Kievitsbloemen Huidige situatie Hoogteligging en bodem Scherenwelle bestaat uit een aantal zomerpolders omgeven door een zomerkade en natuurlijke stroomruggen. Het laagste punt in de zomerkade van de polder waar de Kievitsbloemen staan is NAP +0,68 m. De hoogtekaart is weergegeven in Afbeelding 5-3. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

93 Afbeelding 5-3: Hoogtekaart (AHN2) Scherenwelle, met zomerkaden (rood) en hoogten van de zomerkaden (cijfers) Uit de bodemkaart blijkt dat de bodem in Scherenwelle voornamelijk bestaat uit lichte klei op zand (Rn82A). Het zand wordt aangetroffen op cm onder maaiveld. In twee boringen in het perceel met Kievitsbloemen heeft de klei een dikte van 35 cm en 50 cm respectievelijk. Zie Afbeelding 5-4 en Tabel 5-1 voor de bodemkaart en de ligging van de boringen. De betrouwbaarheid van de bodemkaart is beperkt. Het is een kartering op schaal 1: op basis van een beperkt aantal boringen. De kennis over de dikte van het kleidek in Scherenwelle is dus ook beperkt. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

94 Afbeelding 5-4: Bodemkaart. Tabel 5-1: Tabel met eigenschappen bodemsoorten. Code Beschrijving Kalk in profiel Grondsoort Bodemopbouw (globaal) Rd10A- Kalkhoudende ooivaaggronden; Kalkrijk Lichte zavel Zavel met homogeen profiel licht zavel Ro40A- Kalkhoudende nesvaaggronden; zware klei Kalkrij Zware klei Klei met zware tussenlaag of ondergrond Rn82A- Kalkhoudende poldervaaggronden; klei; kalkrijk profielverloop 2 Kalkrijk Lichte klei Klei op zand Waterhuishouding Scherenwelle is een uiterwaard waarin twee zomerpolders liggen. De grootste daarvan is een voormalig eiland en omvat twee zandige ruggen: Scherenwelle en Keulenzand (zie Afbeelding 5-5). Tussen Scherenwelle en Keulenzand ligt een voormalige stroomgeul (Hank), die aan twee zijden is afgedamd, en dus deel uitmaakt van de zomerpolder. De andere zomerpolder ligt tegen de winterdijk aan. Tussen beide zomerpolders ligt een andere Hank, die aan de stroomopwaartse kant is afgesloten van de IJssel. Aan de waterhuishouding is gedurende ruim een eeuw weinig veranderd. De huidige ligging van waterlopen is weergegeven in Afbeelding 5-5. Hierin is ook een opdeling gemaakt van de verschillende deelgebieden binnen de uiterwaard. De verschillende gebieden hebben ieder een verschillend waterbeheer, dat hieronder wordt toegelicht: Gebied 1. Dit is de grootse zomerpolder in het gebied. De waterstand wordt op peil gehouden door een gemaal dat water afvoert als het peil van het oppervlaktewater hoger is dan NAP -0,3 m. In droge perioden wordt geen water aangevoerd als de oppervlaktewaterpeilen onder NAP -0,3 m zakken. Bij IJsselpeilen hoger dan NAP+0,68 m vindt inundatie plaats. In gebied 1 ligt een grote watergang (de afgedamde Hank) en een aantal greppels; Gebied 2 is met een duiker op een niveau van ongeveer NAP -0,1 m met gebied 1 verbonden. Als het oppervlaktewaterpeil hoger is dan NAP -0,1 m, dan wordt het water afgevoerd naar gebied 1, alwaar het via het gemaal uitgeslagen wordt. De hoogte van de duiker is een inschatting op basis Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

95 van een veldobservatie. Bij hoge IJsselpeilen vindt inundatie plaats bij een IJsselpeil van NAP +0,68 m. De meeste Kievitsbloemen staan in gebied 2; Gebied 3 is een apart zomerpoldertje begrensd door de winterwijk en een zomerkade met een minimale hoogte van NAP +0,3 m. Afwatering vindt plaats via gebied 4. Het is niet duidelijk of er een duiker aanwezig is tussen gebied 3 en 4. In droge tijden vindt er waarschijnlijk geen aanvoer van water plaats. Bij hoge IJsselpeilen vindt inundatie plaats bij een IJsselpeil van NAP +0,3 m; Gebied 4 watert af via het rietmoeras ten noorden van gebied 1. Dit is een hoger, verland gebied met minimaal maaiveldniveau van NAP +0,3 m. Afwatering vindt plaats via een duiker met handbediende schuif, die is aangebracht in de dam tussen de winterdijk en Scherenwelle. Op basis van de AHN schatten wij in dat als het oppervlaktewaterpeil in gebied 4 hoger komt dan NAP +0,3 m, en het IJsselpeil lager is, er afwatering plaatsvindt. Bij hoge IJsselpeilen vindt inundatie plaats bij een IJsselpeil van NAP +0,3 m; Gebied 5 staat in open verbinding met de IJssel. Aan- en afvoer van water vindt plaats op hetzelfde niveau als het IJsselpeil.?? Afbeelding 5-5: Waterbeheer in Scherenwelle, in 1890 (links) en nu (rechts). Op de rechterkaart is de indeling in deelgebieden weergegeven. Het hiervoor beschreven waterbeheer is ingevoerd in het grondwatermodel MIPWA. De huidige situatie is doorgerekend met een grid van 25 m (dit in tegenstelling tot het regionale grondwatermodel, dat is doorgerekend met een grid van 100 m. Omdat niet precies duidelijk is wanneer de duiker onder de dam tussen gebied 4 en 5 open of gesloten is, is het regime van het oppervlaktewater in gebied 3 en 4 niet goed bekend. Het is goed mogelijk dat bij een hoog IJsselpeil de duiker gesloten is, waardoor inundatie plaatsvindt via de zomerkade aan de zuidkant van gebied 1 op een niveau van circa NAP +0,75 m. Het is ook goed mogelijk dat er via het rietmoeras op een lager niveau dan NAP +0,3 m ontwatering plaats vindt. Hierdoor kan het zijn dat de berekende grondwaterstanden in werkelijkheid bij een hoog IJsselpeil lager zijn dan berekend en bij een laag IJsselpeil hoger zijn dan berekend in gebied 3 en 4. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

96 Grondwaterstanden In het perceel met Kievitsbloemen staan twee peilbuizen met een filter in het freatische grondwater (ondiep). In Afbeelding 5-6 zijn de gemeten grondwaterstanden weergegeven en het peil van de IJssel bij Scherenwelle. Het peil van de IJssel is een interpolatie tussen het gemeten peil van de IJssel bij Adsum en Kampen Bovenhaven. In de grafiek is te zien dat de gemeten grondwaterstanden vrijwel één-op-één de fluctuaties in het peil van de IJssel volgen bepalen. Op basis van de duurlijnen van de grondwaterstandsmetingen van een periode van 3 jaar zijn GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) en GLG (gemiddeld Laagste Grondwaterstand) bepaald. Feitelijk is de meetreeks daarvoor te kort, maar de periode levert een redelijk beeld op voor de gemiddelde situatie. De GHG is de grondwaterstand die gedurende ongeveer 40 dagen per jaar overschreden wordt. De GLG is de grondwaterstand die gedurende ongeveer 325 dagen onderschreden wordt. Afbeelding 5-7 geeft de twee duurlijnen van de grondwaterstandsmetingen weer en de bijbehorende GHG en GLG. Hieruit blijkt dat de grondwaterspiegel zich over het algemeen in het zand bevindt en alleen in de natte periode (40 dagen per jaar) in het kleidek. Het zand onder het kleidek is matig fijn tot matig grof. Er kan nog capillaire opstijging naar de wortelzone (in de kleilaag) optreden bij grondwaterstanden van enkele decimeters onder de onderkant van het kleidek (de zogenaamde kritieke stijghoogte). Deze kritieke stijghoogte is 20 cm bij matig grof zand en 40 cm bij matig fijn zand. Dat betekent dat in de huidige situatie aan het eind van de zomer de capillaire opstijging beperkt is en het kleidek sterk kan indrogen. De met het grondwatermodel MIPWA berekende grondwaterstanden en stijghoogten voor de referentiesituatie 2016 zijn opgenomen in Bijlagen 9.2, 9.3, 9.6, 9.7, 9.8 en B21D0858_1 mv=ca NAP+0,60 m B21D0857_1 mv=ca NAP+0,20 m B21D0857_berekend IJsselpeil Scherenwelle Inundatiepeil (Grond)waterstand [m tov NAP] Jan/2009 Jan/2010 Jan/2011 Afbeelding 5-6: Grondwaterstanden in Scherenwelle en het peil van de IJssel bij Scherenwelle. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

97 Inundatiepeil B21D0858_1 mv=ca NAP+0,60 m B21D0857_1 mv=ca NAP+0,20 m Hoge standplaats: GHG=55 cm-mv GLG=90 cm-mv Lage standplaats: GHG=10 cm-mv GLG=60 cm-mv m tov NAP GHG GLG Dagen per jaar Afbeelding 5-7: Huidig grondwaterregime Kwel/wegzijging aan- en afvoer De IJssel bij Scherenwelle infiltreert. Er stroomt dus water uit de IJssel het grondwatersysteem in. In de uiterwaard Scherenwelle vindt ook infiltratie plaats. Dat is het geval tijdens perioden met inundatie. Maar ook in andere perioden is er sprake van neerwaartse stroming van een deel van neerslagoverschot. De gemiddelde neerwaartse flux is circa 0,5 tot 1 millimeter per dag (zie Bijlage 9.4). In het deel van Scherenwelle waarin greppels liggen die met het gemaal worden bemalen vindt gemiddeld kwel plaats (gemiddelde opwaartse flux minder dan 0,5 mm/dag (zie Bijlagen 9.4 en 9.5). Inundatie Gebieden 1 en 2 inunderen bij een IJsselpeil van NAP +0,68 m. Dat is het laagste peil van de zomerkade. In Afbeelding 5-8 is de duurlijn van het IJsselpeil bij Scherenwelle weergegeven (blauwe lijn). In de huidige situatie wordt dit laagste peil gemiddeld 15 dagen per jaar overschreden. Als de zomerpolder eenmaal geïnundeerd is, staat het een langere periode onder water. Nadat het IJsselpeil is gezakt tot onder het laagste punt in de zomerkade wordt de uiterwaard weer drooggemaakt. Dat gebeurt op twee manieren, namelijk onder vrij verval via duikers aan de westzijde van deelgebied 1 en met behulp van het gemaal. Allereerst wordt het water boven maaiveld afgevoerd. Daardoor valt het maaiveld droog, de hoogste plekken eerst, en vervolgens de laagste plekken, totdat de waterstand in sloten is verlaagd tot polderpeil (NAP-0,3 m). Vervolgens wordt grondwater afgevoerd, zodat de grondwaterspiegel daalt tot onder maaiveld. In eerste instantie is het vochtgehalte in de bodem nog hoog (30-40%), maar dat vocht zakt na naar het grondwater en de grond droogt dus in. In het groeiseizoen gaat de vegetatie verdampen en ontstaat er een verdampingsoverschot, zodat de grond verder indroogt. Uiteindelijk, aan het eind van de zomer is de grond geheel ingedroogd (vochtgehalte orde 10%). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

98 2.5 Duurlijn IJssel Scherenwelle Inundatiepeil Duurlijn hydraulisch model Referentie m tov NAP Dagen per jaar Afbeelding 5-8: Duurlijn van het IJsselpeil ( ) en de inundatiehoogte Dit proces kost tijd. Het volume aan water dat boven maaiveld staat is in de deelgebieden 1 en 2 ongeveer m 3. Bij de huidige gemaalcapaciteit van 6,5 m3/minuut kost het ongeveer 13 dagen dit water af te voeren. De bemalingsduur kan in werkelijkheid wat langer zijn als er neerslag moet worden afgevoerd (orde 2 mm/dag). De bemalingsduur zal ook wat korter zijn, omdat er ook via duikers onder vrij verval water kan worden afgevoerd, en er ook grondwaterstroming is naar het watervoerende pakket, waarin de stijghoogte ongeveer gelijk is aan IJsselpeil. Kortom, na inundatie duurt het orde 10 dagen voordat de polder droog staat. Het is dus niet zozeer de vraag hoelang de waterstand hoger is dan de zomerkade. De vraag is vooral óf in een winter de zomerpolder wordt geïnundeerd of niet. Op basis van de tijdreeks van IJsselpeilen tussen 2002 en 2011 (zie Afbeelding 5-10) stellen we vast dat in die periode het IJsselpeil 8 van 9 winterseizoenen de laagste kadehoogte heeft overschreden, waarvan 2 keer met slechts enkele decimeters. Daaruit leiden we af dat de kans op inundatie van de zomerpolder bij Scherenwelle (deelgebieden 1 en 2) in de huidige situatie per winterseizoen 80 tot 90% is. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

99 5.2.2 Effecten van Zomerbedverlaging Effecten op IJsselpeil Door de Zomerbedverlaging worden de waterstanden in de IJssel verlaagd (zie paragraaf 3.2). De effecten van de Zomerbedverlaging op de grondwaterstand en stijghoogte in de omgeving van de IJssel kunnen niet groter zijn dan de effecten op het peil van de IJssel zelf. In Afbeelding 3-3 zijn de effecten op het peil van de IJssel onder gemiddelde omstandigheden weergegeven en het gebied waarbinnen meer dan 5 cm effect optreedt bij hoogwater (T10). Tabel 5-2 geeft de effecten op het IJsselpeil bij Scherenwelle weer onder gemiddelde omstandigheden en tijdens laagwater. Effecten op grondwaterstand In Bijlage 9.10 t/m 9.12 zijn kaarten opgenomen met de effecten van de Zomerbedverlaging op de grondwaterstand. Op de kaarten zijn de effecten tijdens de verschillende situaties (gemiddeld, GHG en GLG) weergegeven. In Tabel 5-2 zijn de effecten voor de verschillende situaties samengevat in twee gebieden in Scherenwelle. Tabel 5-2: Effecten van de Zomerbedverlaging op het peil van de IJssel en de grondwaterstand in Scherenwelle. IJsselpeil Grondwaterstand Gebied 1 Grondwaterstand Gebied 2 Gemiddeld 0,07 m verlaging 0,03 m verlaging 0,04 m verlaging Laagwater OLA 0,02 m verlaging 0,02 m verlaging 0,02 m verlaging GLG 0,02 m verlaging 0,03 m verlaging GVG 0,06 m verlaging 0,07 m verlaging In gebied 1 en 2 vindt er alleen verlaging van de grondwaterstand plaats in een rand langs de IJssel. Midden in het gebied is de verlaging gering en niet significant, 0,03 0,04 m. Tijdens laagwater (OLA) en GLG is het effect nog kleiner. De verlaging van de GVG is groter: 0,06 0,07 m en strekt zich ook verder uit de uiterwaard in. Kievitsbloemen zijn gevoelig voor de GVG een verandering van de GVG kan dus nadelige gevolgen hebben voor Kievitsbloemen. Effecten op kwel/wegzijging en aan- en afvoer In Bijlage 9.13 t/m 9.16 zijn kaarten opgenomen met de effecten van de Zomerbedverlaging op kwel en infiltratie en aan- en afvoer. Op de kaarten zijn de gemiddelde effecten weergegeven. Een aantal tijdstappen dat is gebruikt voor de berekening van het gemiddelde zijn tijdstappen waarin (een deel van) de uiterwaard geïnundeerd is. In Tabel 5-3 zijn de effecten voor kwel en infiltratie en aan- en afvoer weergegeven in twee gebieden in Scherenwelle. Tabel 5-3: Effecten van de Zomerbedverlaging op kwel en infiltratie en aan- en afvoer. Kwel Gebied 1 Kwel Gebied 2 Aan-/afvoer Gebied 1 Aan-/afvoer Gebied 2 Gemiddeld Geen significante verandering Geen significante verandering 0,2 0,7 mm/dag toename afvoer (of omslag aanvoer naar afvoer) 0,3 0,6 mm/dag omslag aanvoer naar afvoer Op kwel en infiltratie treden geen significante effecten op. De aan- en afvoer verandert wel significant. De weergave van het gemiddelde effect van de Zomerbedverlaging in Bijlage 9.15 en 9.16 en Tabel 5-3 wordt gedomineerd door de aan- en afvoer ten tijde van inundatie. De gebieden 1 en 2 inunderen het laatst. De Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

100 grondwaterstanden in het gebied stijgen wel als gevolg van de inundatie van de omliggende gebieden. Hierdoor gaat het oppervlaktewatersysteem en de afstroming over maaiveld water afvoeren dat via het gemaaltje uitgeslagen wordt. Als gevolg van de aanleg van de Zomerbedverlaging duurt het langer voordat gebied 1 en 2 inunderen, daarom neemt de afvoer toe en slaat aanvoer om in afvoer. Als perioden met inundatie buiten beschouwing gelaten worden dan neemt de afvoer van water door het oppervlaktewatersysteem af als gevolg van de lagere grondwaterstanden door de Zomerbedverlaging. Effecten op inundatie-frequentie De oranje lijn in Afbeelding 5-9 is de duurlijn van het IJsselpeil na aanleg van de Zomerbedverlaging. De inundatiehoogte van NAP +0,68 m wordt nu nog maar gedurende 5 dagen per jaar overschreden. Er is dus een afname van inundatie met 10 dagen per jaar Duurlijn IJssel Scherenwelle Inundatiepeil Duurlijn hydraulisch model Referentie 2016 Duurlijn IJssel Scherenwelle ZBIJ m tov NAP Dagen per jaar Afbeelding 5-9: Duurlijn van het IJsselpeil voor en na Zomerbedverlaging en de inundatiehoogte Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

101 2.5 IJsselpeil Scherenwelle 2 Inundatiepeil IJsselpeil Scherenwelle, ZBIJ 1.5 m tov NAP jan-2002 jan-2003 jan-2004 jan-2005 jan-2006 jan-2007 jan-2008 jan-2009 jan-2010 jan-2011 Afbeelding 5-10: Waterstand IJssel bij Scherenwelle op basis van metingen (zwart) en de gesimuleerde waterstand na Zomerbedverlaging (oranje) Bij de beoordeling van de verandering van inundatie is naast de overschrijdingsduur van de laagste kadehoogte ook de inundatiefrequentie van belang, dus het aantal winters waarin de polder geïnundeerd wordt. Uit Afbeelding 5-9 blijkt dat door Zomerbedverlaging deze kans afneemt van 80 tot 90% in de huidige situatie, naar 40 tot 50%. Tabel 5-4: Effecten van de Zomerbedverlaging op inundatiefrequentie van Zomerpolder Scherenwelle (deelgebied 1 en 2). Gemiddeld Overschrijdingsduur kadehoogte Afname van 15 naar 5 dagen per jaar Inundatiekans per winterseizoen Afname van 80 à 90% naar 40 à 50% Gewenste situatie en mogelijke maatregelen Kievitsbloemhooiland (Habitattype H6510B Glanshaver- en vossenstaarthooilanden) De gewenste situatie is dat het areaal Kievitsbloemen als gevolg van de Zomerbedverlaging niet afneemt, maar zelfs toeneemt. Maatregelen in Scherenwelle zijn er dan ook op gericht om negatieve effecten voor Kievitsbloemen van de Zomerbedverlaging te niet te doen en de omstandigheden verder te optimaliseren. De ecologische vereisten voor de Kievitsbloemen ten aanzien van de waterhuishouding betreffen de overstroming (inundatie), GVG en GLG. In Tabel 5-5 zijn de vereisten weergegeven. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

102 Tabel 5-5: Ecologische vereisten ten aanzien van de waterhuishouding voor Kievitsbloemen. Vereisten overstroming Incidenteel tot regelmatig, tenminste tijdens extreem hoogwater, gemiddeld minder dan 10 dagen, tot jaarlijks of tweejaarlijks, soms zelfs twee tot vier maal per jaar, gemiddeld meer dan 10 dagen in totaal Inundaties in de winter worden goed verdragen (buiten het bloeiseizoen, half maart tot eerste week april) Overstroming met rivierwater in winter en vroege voorjaar is op lange termijn mogelijk zelfs noodzakelijk voor aanvoer van basenrijk- en nutriëntenhoudend sediment en verspreiding van zaden GVG > 40 cm-mv (subassociatie met kamgras) cm-mv (subassociatie met dotterbloem) GLG Bodem droogt in de zomer oppervlakkig uit Grondwaterstanden zakken in de zomer voldoende weg (halve meter of meer) voor een goede doorluchting van de bodem Mogelijke waterhuishoudkundige maatregelen Er zijn een aantal opties om het waterbeheer bij te sturen: Gemaal uitzetten; Herstellen Hank (KRW-geul); Verlagen zomerkade. De effecten van deze maatregelen worden in de volgende paragrafen toegelicht Effecten uitzetten gemaal De maatregel uitzetten van het gemaal is berekend met het grondwatermodel MIPWA. Hier worden de effecten gepresenteerd ten opzichte van de situatie ná uitvoering van de Zomerbedverlaging. Grondwaterstand In Bijlage 9.17 t/m 9.19 zijn de effecten op grondwater van het uitzetten van het gemaal weergegeven. In Tabel 5-6 zijn de effecten voor de verschillende situaties samengevat voor de deelgebieden 1 en 2 in Scherenwelle. Tabel 5-6: Effecten op de grondwaterstand. Maatregel 1 Gebied 1 Maatregel 1 Gebied 2 Gemiddeld 0,02-0,20 m verhoging 0,05 m verhoging, langs watergang GLG 0-0,20 m verhoging Geen effect GVG 0,02-0,30 m verhoging 0,10 m verhoging, langs watergang Het uitzetten van het gemaal heeft voornamelijk effect in gebied 1 en 2, omdat de watergangen in deze gebieden op peil gehouden worden door het gemaal. Het effect is het grootst in gebied 1. Dit gebied heeft ook de meeste watergangen. In gebied 2 blijft het effect beperkt tot een zone langs de watergang. Het effect is vernattend tot maximaal 0,30 m op de GVG in gebied 1. Het effect op de GVG is het grootst en op de GLG het kleinst. Dat de effecten het grootst zijn op de GVG komt door de hoge grondwaterstanden bij GVG. In de huidige situatie worden hoge oppervlaktewaterstanden beperkt door het afvoeren van water Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

103 boven een peil van NAP -0,30 m. Als het gemaal uit staat, kunnen de grondwaterstanden maximaal omhoog komen. De GLG treedt op in de zomer als grondwaterstanden laag zijn en het gemaal niet vaak in gebruik is, hierdoor is het effect van het uitzetten van het gemaal dus ook kleiner. Kwel/wegzijging aan- en afvoer In Bijlage 9.20 t/m 9.23 zijn kaarten opgenomen met de effecten van het uitzetten van het gemaal op kwel en infiltratie en aan- en afvoer. Op de kaarten zijn de gemiddelde effecten weergegeven. In Tabel 5-7 zijn de effecten voor kwel en infiltratie en aan- en afvoer weergegeven in twee gebieden in Scherenwelle. Tabel 5-7: Effecten op kwel en infiltratie en aan- en afvoer. Kwel/infiltratie Gebied 1 Kwel/infiltratie Gebied 2 Gemiddeld 0,2 0,7 mm/dag toename 0,1 0,3 mm/dag toename infiltratie (of omslag kwel infiltratie alleen langs naar infiltratie) watergangen Aan-/afvoer Gebied 1 0,2 1,9 mm/dag afname afvoer Aan-/afvoer Gebied 2 0,2 0,8 mm/dag afname afvoer Doordat het gemaal geen water meer afvoert neemt de afvoer in gebied 1 en 2 af. Door een verhoging van de grondwaterstand neemt de infiltratie toe Effecten KRW-geul Voor de KRW-geul wordt een geul met natuurlijke zandige oevers aangelegd, die permanent in open verbinding staat met de IJssel. Daarvoor wordt de huidige duiker met schuif in de dam tussen de winterdijk en de zomerpolder vervangen door een permanent open duiker met een diameter van 800 mm. De voormalige afgedamde Hank wordt geschoond en de sloot verderop in het gebied wordt verruimd. De effecten van de maatregel zijn berekend met het grondwatermodel MIPWA. Effecten op de grondwaterstand In Bijlage 9.24 t/m 9.26 zijn de effecten van de KRW-geul op grondwater weergegeven. In Tabel 5-8 zijn de effecten voor de verschillende situaties samengevat voor de deelgebieden 3 en 4 in Scherenwelle. Tabel 5-8: Effecten op de grondwaterstand. Gebied 3 Gebied 4 Gemiddeld 0,10 m verlaging 0-0,15 m verlaging langs geul verhoging GLG 0-0,15 m verhoging 0-0,20 m verhoging GVG 0,06-0,15 m verlaging 0-0,25 m verlaging De aanleg van de geul heeft voornamelijk effect op de grondwaterstanden in gebied 3, 4 en ter plekke van het nieuwe stuk geul in gebied 5. In gebied 4 en 5 wordt het effect veroorzaakt doordat de oppervlaktewaterpeilen van de geul en andere waterlopen mee gaan bewegen met het peil van de IJssel. Doordat gebied 3 met een duiker met gebied 4 in verbinding staat, treden hier ook effecten op. Uitstraling van effecten treden in beperkte mate op in gebied 1. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

104 In de gemiddelde situatie en op de GVG treedt verdroging op van maximaal 0,25 m in gebied 4 op de GVG. De verlagingen onder gemiddelde omstandigheden is kleiner dan het effect op de GVG. De verdroging wordt veroorzaakt doordat in de huidige situatie er pas afvoer plaats vindt bij een grondwaterstand van NAP +0,30m of hoger. Door de aan de IJssel getakte geul krijgt het oppervlaktewater hetzelfde peil als de IJssel en dat is gemiddeld ongeveer NAP, dus 0,30 m lager. Het effect op de GLG is vernattend in een zone langs de geul. In de huidige situatie kan de grondwaterstand uitzakken tot onder het peil van de IJssel. Door de aanleg van de geul heerst er in de geul hetzelfde peil als op de IJssel, hierdoor infiltreert de geul water naar het grondwater, waardoor de GLG omhoog komt. Kwel/wegzijging aan- en afvoer In Bijlage 9.27 t/m 9.30 zijn kaarten opgenomen met de effecten van het aanleggen van de geul op kwel en infiltratie en aan- en afvoer. Op de kaarten zijn de gemiddelde effecten weergegeven. In Tabel 5-7 zijn de effecten voor kwel en infiltratie en aan- en afvoer weergegeven in twee gebieden in Scherenwelle. Tabel 5-9: Effecten op kwel en infiltratie en aan- en afvoer. Kwel/infiltratie Gebied 3 Kwel/infiltratie Gebied 4 Aan-/afvoer Gebied 3 Gemiddeld 0,1 0,2 0,1 0,3 mm/dag afname 0,2 1,0 mm/dag omslag mm/dag afname infiltratie 0,2 mm/dag aanvoer naar afvoer of infiltratie toename infiltratie langs geul toename afvoer Aan-/afvoer Gebied 4 Diffuus effect, zowel toename als afname van de afvoer Door de verlaagde grondwaterstand vindt er minder infiltratie van water plaats naar het watervoerende pakket in gebied 3 en 4. Boven in gebied 4 waar de geul zorgt voor een verhoging van de grondwaterstand vindt een toename van infiltratie plaats. Onzekerheid over de berekende effecten van de KRW-geul De grootste effecten treden op in deelgebied 4, doordat in de voormalige Hank hetzelfde peil gaat heersen als in de IJssel. Het huidige waterpeil in de Hank is echter niet met zekerheid bekend. Wij nemen aan dat dit peil over het algemeen enigszins hoger is dan het IJsselpeil, doordat het rietmoeras in deelgebied 5 is verland en de afvoer van water op niveau s onder NAP+0,3 m (gebaseerd op de AHN2) niet mogelijk lijkt te zijn. Het aantakken van de Hank aan de IJssel heeft daardoor vooral in het voorjaar een verdrogend effect. Dit is echter niet zeker. Als er in de huidige situatie door de duiker met schuif toch afvoer plaatsvindt op een niveau van circa NAP, dan leidt het permanent aantakken van de Hank aan de IJssel tot veel kleinere effecten, of mogelijk tot vernatting. Het Nul-onderzoek in het kader van het monitoringsplan moet hierover meer zekerheid verschaffen Effecten verlaging zomerkade Zoals in paragraaf is beschreven leidt Zomerbedverlaging tot een afname van de kans op inundatie van de zomerpolders in Scherenwelle van 80 à 90% per winterseizoen in de huidige situatie naar 40 à 50% per winterseizoen in de toekomstige situatie. Voor Kievitsbloem is regelmatige overstroming van belang en is dit dus een negatief effect. Bij de maatregel Kadeverlaging wordt het laagste punt van de zomerkade met 20 cm te verlaagd. Daardoor blijft de inundatiekans gelijk aan die in de huidige situatie. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

105 5.2.7 Het gekozen maatregelenpakket In overleg met terreinbeheerders en experts op het gebied van Kievitsbloemen is gekozen de volgende maatregelen in het kader van de Verbetering van de Ruimtelijke Kwaliteit door te voeren: Verlaging Zomerkade rond deelgebied 1 en 2 met 20 cm; Aanleg KRW-geul; Aanpassen van het beheer. Vooralsnog is ervoor gekozen het gemaal te behouden en het polderpeil in de zomerpolder te handhaven (NAP-0,3 m). Weliswaar kan de grondwaterstand in de laagste delen van de zomerpolder eenvoudig worden verhoogd door het polderpeil te verhogen of door het gemaal te verwijderen. Het is echter niet duidelijk of een verhoging van grondwaterstanden in deelgebied 2 noodzakelijk is voor uitbreiding van het areaal Kievitsbloem, en of dit niet zelfs contraproductief zal werken. Immers: het jaarlijks in de zomer indrogen van de wortelzone is een noodzakelijke abiotische randvoorwaarde voor Kievitsbloem. In het kader van monitoring en beheer is een evaluatieprogramma voorzien. Het doel van dat programma is de ruimtelijke verbreiding van Kievitsbloem te vergroten, met name in deelgebied 1. Indien het op basis van het nulonderzoek (o.a. grondwaterregime, oppervlaktewaterregime, dikte kleidek, bodemkwaliteit) of de ontwikkelingen op langere termijn (5 10 jaar) noodzakelijk blijkt het gebied te vernatten, dan is dat in deelgebied 1 uitstekend mogelijk door aanpassing van het polderpeil of door verwijdering van het gemaal. Tabel 5-10: Totaal effect van de Zomerbedverlaging en uiterwaardmaatregelen op de grondwaterstand in Scherenwelle. Gemiddeld IJsselpeil 0,07 m verlaging Grondwaterstand Gebied 1 Grondwaterstand Gebied 2 Grondwaterstand Gebied 3 0,03 m verlaging 0,04 m verlaging 0,10 m verlaging Effect onzeker GLG 0,02 m verlaging 0,03 m verlaging 0-0,15 m verhoging Effect onzeker GVG 0,06 m verlaging 0,07 m verlaging 0,06-0,15 m Potenties voor vernatting door aanpassing peilbeheer n.v.t. Groot GVG: cm GLG: 5-10 cm Beperkt GVG: 0-5 cm GLG: nihil verlaging Effect onzeker nihil Grondwaterstand Gebied 4 0,10 m verlaging Effect onzeker 0-0,20 m verhoging Effect onzeker 0-0,25 m verlaging Effect onzeker Nihil Het gezamenlijke effect van Zomerbedverlaging en de maatregelen Ruimtelijke kwaliteit in Scherenwelle zijn daarmee als volgt: Geen verandering van de inundatiekans van de zomerpolder, inclusief het gebied met de grootste voorkomens van Kievitsbloem; Verlaging van de GVG (circa 7 cm) en GLG (circa 3 cm) in de zomerpolder, met de mogelijkheid het gebied te vernatten door aanpassing van het peilbeheer, indien dat voor Kievitsbloem noodzakelijk blijkt; Onzekere effecten in deelgebieden 3 en 4. Naar verwachting een verlaging van de GVG en een verhoging van de GLG. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

106 5.3 Bentinckswelle De uiterwaard Bentinckswelle is gelegen ten oosten van Zalk op de linkeroever van de IJssel, tegenover de Vreugderijkerwaard. Het inrichtingsplan voor Bentinkswelle heeft in het kader van de Verbetering Ruimtelijke Kwaliteit als doel een toename van het areaal plas-dras in het voorjaar (gunstig fourageergebied voor weidevogels) en een tweezijdig aangetakte en jaarrond watervoerende geul, die voldoet aan de eisen vanuit KRW. De ambitie is om voor de uiterwaard Bentinckswelle een integraal plan te maken, waarin bovenstaande doelstellingen gerealiseerd worden. De doelstellingen vullen elkaar op een logische manier aan, waardoor ze gezamenlijk meer opleveren dan ieder apart, omdat een nevengeul, ruimtelijke kwaliteit en plas-dras situaties elkaar aanvullen Huidige situatie Hoogteligging De uiterwaard Bentinckswelle wordt omringd door een zomerkade. Het laagste punt van de zomerkade heeft een hoogte van circa NAP +1,1 m. De maaiveldhoogte varieert tussen circa NAP +0,4 en NAP +1,5 m (zie Afbeelding 5-11). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

107 Afbeelding 5-11: Hoogtekaart (AHN2) met watergangen en kunstwerken in Bentinckwelle. Bodem De bodem van Bentinckswelle bestaat uit rivierklei op zand. Het gebied valt onder te verdelen in twee delen (zie Afbeelding 5-12). De strook langs de IJssel (ruwweg de helft van het gebied) heeft een kleidek dat dunner is dan een meter. De andere helft, het dichtst langs de dijk gelegen, heeft een kleidek van meer dan 1,5 m, tot een maximum van zelfs 10 m. Dat een kleidek van 10 m mogelijk is blijkt uit boring B21D0121 (locatie Afbeelding 5-14). De bodems bestaan uit kalkhoudende zavel, lichte klei en zware klei. In een klein deel licht er kalkloze klei. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

108 Dekzand (<1 m) op zand Dekzand (<1 m) op klei op zand Kleidek 1-1,5 m Kleidek 1-2 m Kleidek <1 m Kleidek 2-3 m Kleidek 4-5 m Kleidek 2-3 m met tussenzandlaag Kleidek 3-4 m Kleidek 3-4 m met tussenzandlaag Afbeelding 5-12: Zanddiepte (Bron: Zandbanenkaart Gelderland en Overijssel, rapport Zand in Banen UU, 2010) Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

109 Afbeelding 5-13: Kleidikte op basis van boorbeschrijvingen van Alterra voor bodemkaart 1: (Bron: Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

110 Afbeelding 5-14: Ligging diepe boring B21D0121 binnen uiterwaard Bentinckwelle (Bron: Waterhuishouding Bentinckswelle is een zomerpolder. Het wordt ontwaterd door een stelsel van watergangen. Deze voeren water af naar het gemaal Bentinck-Wellen aan de zuidoostelijke kant van de polder. Streefpeil voor het gemaal is NAP -0,1 m. Door een stuw wordt het oppervlaktewater in de watergangen en plassen stroomopwaarts van deze stuw op een peil van NAP -0,05 m gehouden (zie Afbeelding 5-15). Tijdens het veldbezoek op 11 september 2012 was het oppervlaktewaterpeil stroomopwaarts van de stuw lager dan NAP -0,05 m. Hieruit blijkt dat de waterstand in de watergangen en plassen stroomopwaarts van deze stuw niet op peil wordt gehouden. De watergang tussen de stuw en het gemaal is gedurende het grootste deel van het jaar watervoerend. Dat blijkt uit het feit dat vrijwel het hele jaar water wordt afgevoerd door het gemaal (zie Afbeelding 5-20). Het water is afkomstig van inundaties van de IJssel, neerslagoverschot en ook wat kwel. De zijwatergangen en de plassen voeren ook water af. De bodemhoogte van deze watergangen loopt op vanaf de hoofdwatergang. In zomerperioden wordt voor zover bekend geen IJsselwater in de zomerpolder ingelaten of ingepompt. Daardoor is het in de huidige situatie niet uitgesloten dat het waterpeil in de watergang tussen stuw en gemaal in droge perioden met lage IJsselpeilen wegzakt tot onder het streefpeil NAP-0,1 m. Hierover bestaat echter geen zekerheid, omdat de waterstand niet wordt gemeten. Aan de noordzijde van Bentinckswelle liggen een aantal permanente plassen, die via duikers en sloten zijn verbonden aan het ontwateringssysteem. De meest noordelijke plas kan via een sloot en een afsluitbare duiker water afvoeren naar de IJssel. Deze duiker wordt geopend om na inundatie snel water af te voeren. Voor zover bekend wordt de duiker niet gebruikt om water in te laten. Ten zuidoosten van Bentinkcswelle ligt een watergang die in open verbinding staat met de IJssel. Dit is de uitwatering van het gemaal Antlia (Waterschap Vallei en Veluwe). De gemalen Bentinck-Wellen en Aersoltweerde wateren ook op die watergang af. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

111 Inlaatgemaal Zalk Duiker voor afvoeren inundatiewater Gemaal Bentinck-Wellen Gemaal Antlia Afbeelding 5-15: Waterbeheer in Bentinckswelle. Op basis van draaiuren en gemaalcapaciteit zijn afvoeren uit Bentinckswelle berekend. De afvoer is gemiddeld circa 2 mm/dag. Een belangrijk deel daarvan is afvoer van IJsselwater na inundatie (zie Afbeelding 5-16, waarin het IJsselpeil is weergegeven tegen de linker Y-as en de afvoer door het gemaal tegen de rechter Y-as). IJsselpeilen variëren tussen NAP -0,2 m en NAP +0,5 m. Bij hoge rivierafvoeren stijgt het peil tot NAP +3 m. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

112 Tabel 5-11: Afvoer gemaal Bentinckswelle. Draaiuren Afvoer [m 3 ] Afvoer [mm] IJsselpeil Bentinckswelle (km 983) Inundatiepeil Afvoer gemaal Bentinckswelle [mm/dag] m tov NAP Afvoer [mm/dag] Jan-2002 Jan-2003 Jan-2004 Jan-2005 Jan-2006 Jan-2007 Jan-2008 Jan-2009 Jan-2010 Jan-2011 Afbeelding 5-16: Waterstanden op de IJssel en afvoer gemaal Bentinckswelle Inundatie De uiterwaard Bentinckwelle inundeert bij een IJsselpeil van circa NAP +1,1 m. In Afbeelding 5-17 is de duurlijn van het IJsselpeil bij Bentinckswelle weergegeven (blauwe lijn). In de periode was de waterstand bij Bentinckswelle gemiddeld 30 dagen per jaar hoger dan het laagste peil van de zomerkade. In de periode was Bentinckswelle in elke winterperiode geïnundeerd (inundatiekans vrijwel 100%, zie Afbeelding 5-16). Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

113 3.5 3 Duurlijn Bentinckswelle (km 983) Inundatiepeil m tov NAP Dagen per jaar Afbeelding 5-17: Duurlijn IJsselpeil en inundatiehoogte bij Bentinkcwelle. Als de zomerpolder eenmaal geïnundeerd is, staat het een langere periode onder water. Nadat het IJsselpeil is gezakt tot onder het laagste punt in de zomerkade wordt de uiterwaard weer drooggemaakt. Dat gebeurt onder vrij door de duiker aan de noordzijde en met behulp van het gemaal. Dit proces kost tijd. Met de beschikbare gemaalcapaciteit (6 m 3 /minuut) kan het watervolume boven maaiveld (circa m 3 ) in 22 dagen worden weggepompt. De bemalingsduur kan in werkelijkheid wat langer zijn als er neerslag moet worden afgevoerd (gemiddeld 2 mm/dag). De bemalingsduur zal ook wat korter zijn, omdat er ook via de duiker onder vrij verval water wordt afgevoerd. Verder is er grondwaterstroming naar het watervoerende pakket, waarin de stijghoogte ongeveer gelijk is aan IJsselpeil. Kortom: na inundatie is een bekade uiterwaard met gemaal in 10 tot 20 dagen drooggepompt. Grondwaterstanden In Bentinckswelle staan geen peilbuizen waarin grondwaterstanden worden gemeten. Op basis van metingen bij andere uiterwaarden is bekend dat de stijghoogte in het watervoerende pakket vrijwel gelijk is of 10 tot 20 cm lager is dan het IJsselpeil en vrijwel dezelfde dynamiek heeft als het IJsselpeil. Grondwaterstanden in Bentinckswelle worden bepaald door het neerslagoverschot, de waterstand in de watergangen en plassen (circa NAP -0,1 m), de stijghoogte in het watervoerende pakket en de weerstand van het kleidek. De grondwaterstanden voor de huidige situatie zijn berekend met het grondwatermodel MIPWA. Dit model wordt beschreven in Bijlage 2. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

114 Het oppervlaktewater in Bentinckswelle is voor perioden waarin het gebied niet is geïnundeerd als volgt gemodelleerd: Watergang tussen gemaal Bentinck-Wellen en de stuw (zie Afbeelding 5-15): vast peil NAP-0,1 m, zowel aanvoer als afvoer; Zijwatergangen tussen gemaal Bentinck-Wellen en de stuw (zie Afbeelding 5-15): vast peil NAP-0,1 m, alleen afvoer; Plassen ten noorden van de stuw en verbindende watergangen: vast peil NAP-0,05 m, zowel aanvoer als afvoer. De berekende grondwaterstanden voor de hudige situatie zijn weergegeven in onderstaande afbeeldingen en in de toegevoegde Bijlagen 10.7 en Het betreft grondwaterstanden ten opzichte van maaiveld. Afbeelding 5-18: Met model berekende grondwaterstanden (links: GVG en rechts GLG) De gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand is over het algemeen hoog (minder dan 25 cm onder maaiveld), met uitzondering van het zuidelijke deel van Bentinckswelle, waar het maaiveld wat hoger ligt. De gemiddelde grondwaterstand aan het eind van de zomer (GLG) is gemiddeld 75 cm onder maaiveld, waarbij het zuidoostelijk deel droger is (GLG dieper dan 1 m) en de lage gebieden rond de plassen natter (GLG 50 cm). Bij deze modelberekening moet worden opgemerkt dat de GVG waarschijnlijk te ondiep (te nat) berekend is. Dat is het gevolg van het feit dat de deklaagweerstand in het model waarschijnlijk hoger is dan op grond van de kleidikte (Afbeelding 5-13) mag worden verwacht. De met het model berekende grondwaterstanden en stijghoogten zijn opgenomen in Bijlage 10.2, 10.3, 10.6, 10.7, 10.8 en Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

115 Kwel/wegzijging aan- en afvoer Bij Bentinckswelle infiltreert de IJssel. Er stroomt dus water uit de IJssel het grondwatersysteem in. Volgens de modelberekeningen vindt ook in het noordelijke deel van de uiterwaard Bentinckswelle infiltratie plaats van enkele millimeters per dag (zie Bijlage 10.4). In het zuidelijk deel vindt volgens het grondwatermodel nauwelijks infiltratie plaats, als gevolg van de relatief hoge weerstand van de deklaag. Er is in Bentinckswelle afvoer van water via het oppervlaktewatersysteem in het zuidelijk deel van de uiterwaard. In het noordelijk deel van de uiterwaard is aanvoer. Het onderscheid in noord en zuid is deels het gevolg van een lage deklaagweerstand (20 tot 500 dagen) in het noordelijk deel van de uiterwaard en een hoge weerstand (500 tot 1000 dagen) in het zuidelijk deel. Afbeelding 5-12 en Afbeelding 5-13 laten zien dat de uiterwaard wat betreft deklaagweerstand eerder in een strook langs de IJssel (dun kleidek) en een strook langs de winterdijk (dik kleidek) is verdeeld. De werkelijke deklaagweerstand is niet bekend, maar heeft wel significante invloed op de effecten van de uiterwaardmaatregelen. Dit is een leemte in kennis, die meegenomen moet worden in de besluitvorming over de uiterwaardmaatregelen. Kaarten met kwel/infiltratie en aan-/afvoer zijn respectievelijk weergegeven in Bijlage 10.4 en Plas-dras omstandigheden In het kader van de Verbetering Ruimtelijke Kwaliteit is voor Bentinckswelle verbetering en uitbreiding van het areaal van de leefgebieden voor weidevogels gewenst. Het gaat om fourageergebieden voor vogels zoals grutto, kievit en scholekster. Optimale hydraulische condities zijn: vrijwel jaarlijkse inundatie van de IJssel; gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand GVG cm onder maaiveld; Er is in de huidige situatie sprake van vrijwel jaarlijkse inundatie. Uit de berekening met het grondwatermodel volgt dat de GVG in Bentinckswelle op de laagst gelegen plaatsen ondieper is dan 25 cm en op grote delen 25 tot 50 cm (Bijlage 10.8). Hierbij moet worden aangetekend dat de GVG in de modelberekening in hoge mate wordt bepaald door de weerstand van de deklaag, en die is onzeker. Als we rekening houden met die onzekerheid komen we tot de volgende inschatting van de plas-drasomstandigheden in Bentinckswelle. In jaren met inundatie zijn de omstandigheden op de terreindelen lager dan de kadehoogte (NAP+1,1 m) gunstig voor weidevogels. Deze terreindelen vallen langzaam droog en hebben een hoge grondwaterstand. De vochttoestand in het voorjaar hangt waarschijnlijk vooral af van het moment waarop de polder droogvalt. Als dat relatief laat is (maart) is in het overgrote deel sprake van zeer hoge voorjaarsgrondwaterstanden. Als het vroeg is (januari) kunnen in delen van het gebied tussen NAP+0,7 en NAP+1,1 grondwaterstanden in het voorjaar al zijn weggezakt. In jaren zonder inundatie (die dus zelden voorkomen) zijn de voorjaarsgrondwaterstanden in de terreindelen boven NAP+0,7 m waarschijnlijk te laag. Tabel 5-12: Classificatie plas-dras omstandigheden Hoogte-classificatie Oppervlak [ha] Jaar met inundatie Jaar zonder inundatie Hoger dan NAP+1,1 m 13,5 Niet plas-dras Niet plas-dras Tussen NAP+0,7 en NAP+1,1 m 15,7 Gedeeltelijk plas-dras Niet plas-dras Tussen NAP+0,3 en NAP+0,7 m 9,2 Plas-dras Plas-dras Lager dan NAP+0,3 m 0,3 Plas-dras Plas-dras Permanent oppervlaktewater 7,0 Geen grasland (bos, rietland) 5,2 Totaal 51,0 Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

116 5.3.2 Effecten Zomerbedverlaging Deze paragraaf bevat een beschrijving van het effect van de vergraving van het zomerbed van de IJssel bij Kampen op de IJsselpeilen, de inundatiefrequentie en het grondwaterregime in Bentinckswelle. Het is een effectbeschrijving zonder de aanleg van de KRW-geul. Deze paragraaf is gehandhaafd om een beter begrip te geven van het gezamenlijke effect van Zomerbedverlaging én de aanleg van de KRW-geul (zie paragraaf 5.3.3). IJsselpeil De effecten van de Zomerbedverlaging op de grondwaterstand en stijghoogte in de omgeving van de IJssel kunnen niet groter zijn dan de effecten op het peil van de IJssel zelf. In Afbeelding 3-3 van Deelrapport 3 (Grondwater) zijn de effecten op het peil van de IJssel onder gemiddelde omstandigheden weergegeven en het gebied waarbinnen meer dan 5 cm effect optreedt bij hoogwater (T10). Error! Reference source not found. geeft de effecten op het IJsselpeil bij Bentinckswelle weer onder gemiddelde omstandigheden en tijdens laagwater. Grondwaterstand In Bijlage t/m zijn kaarten opgenomen met de effecten van de Zomerbedverlaging op de grondwaterstand. Op de kaarten zijn de effecten bij verschillende situaties (gemiddeld, GHG en GLG) weergegeven. In Error! Reference source not found. zijn de gemiddelde effecten voor de verschillende situaties in Bentinckswelle samengevat. Zomerbedverlaging heeft effecten op het IJsselpeil bij Bentinckswelle (gemiddeld 6 cm verlaging). De effecten op de grondwaterstanden in Bentinckswelle zijn onder alle omstandigheden kleiner dan 6 cm (zie Bijlagen t/m 10.12). Tabel 5-13: Effecten van de Zomerbedverlaging op het peil van de IJssel en grondwaterstand. IJsselpeil Grondwaterstand Bentinckwelle Gemiddeld 0,06 m verlaging 0,04 cm verlaging Laagwater OLA 0,02 m verlaging 0,01 cm verlaging GLG 0,01 cm verlaging GVG 0,03 cm verlaging Kwel/wegzijging aan- en afvoer In Bijlage t/m zijn kaarten opgenomen met de effecten van de Zomerbedverlaging op kwel en infiltratie en aan- en afvoer. Op de kaarten zijn de gemiddelde effecten weergegeven. Een aantal tijdstappen dat is gebruikt voor de berekening van het gemiddelde zijn tijdstappen waarin (een deel van) de uiterwaard geïnundeerd is. In Error! Reference source not found. zijn de effecten voor kwel en infiltratie en aan- en afvoer weergegeven in Bentinckswelle. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

117 Tabel 5-14: Effecten van de Zomerbedverlaging op kwel en infiltratie en aan- en afvoer. Kwel Gebied 1 Aan-/afvoer Gebied 1 Gemiddeld Geen significante verandering Geen significante verandering Berekend effect is 0,1 1,0 mm/dag toename afvoer (of omslag aanvoer naar afvoer). Dit berekende effect wordt veroorzaakt door andere inundatiepeilen en nauwelijks door veranderingen in perioden zonder inundatie. Het is dus geen relevant effect. Op kwel en infiltratie treden geen significante effecten op binnen Bentinckswelle. Alleen ten noorden van de watergang naar inlaatgemaal Zalk neemt de infiltratie iets af (zie Bijlage 10.14). Dat komt omdat de deklaagweerstand hier in het model laag is (10 tot 20 dagen). De infiltratie in de watergangen ten westen van Bentinckswelle en ten zuiden van Zalk neemt iets toe, omdat de grondwaterstand in de uiterwaard iets lager wordt De aan- en afvoer verandert volgens de berekening wel significant. De weergave van het gemiddelde effect van de Zomerbedverlaging in Bijlage en en Error! Reference source not found. wordt gedomineerd door de aan- en afvoer ten tijde van inundatie. Hierdoor gaat het oppervlaktewatersysteem en de afstroming over maaiveld water afvoeren dat via het gemaaltje uitgeslagen wordt. Als gevolg van de aanleg van de Zomerbedverlaging is Bentinckswelle minder vaak geïnundeerd. Daardoor neemt de berekende afvoer toe en slaat aanvoer om in afvoer. Als perioden met inundatie buiten beschouwing gelaten worden dan is het effect van Zomerbedverlaging niet significant. Inundatie Door de verlaging van het IJsselpeil neemt de periode waarin de waterstand de kadehoogte van Bentinckswelle overschrijdt af van gemiddeld 30 dagen per jaar naar 20 dagen per jaar (Afbeelding 5-17). De kans dat Bentinckswelle in een winterseizoen geïnundeerd raakt is in de huidige situatie zo goed als 100%. Deze kans neemt iets af (zie Afbeelding 5-18). In de periode zou in het voorjaar van 2009 mogelijk juist geen inundatie hebben plaatsgevonden. De kans op inundatie neemt dus af met circa 10%. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

118 3.5 Duurlijn Bentinckswelle (km 983) Duurlijn Bentinckswelle (km 983) , incl effect ZBIJ Inundatiepeil m tov NAP Dagen per jaar Afbeelding 5-19: Duurlijn IJsselpeil bij Bentinckswelle voor en na Zomerbedverlaging Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

119 3.5 IJsselpeil Bentinckswelle (km 983) 3 IJsselpeil Bentinckswelle (km 983) incl effect ZBIJ Inundatiepeil m tov NAP jan-2002 jan-2003 jan-2004 jan-2005 jan-2006 jan-2007 jan-2008 jan-2009 jan-2010 jan-2011 Afbeelding 5-20: Waterstand IJsselpeil bij Bentinckswelle op basis van metingen (zwart) en de gesimuleerde waterstand na Zomerbedverlaging (rood). Plas-dras omstandigheden Effecten op plas-dras omstandigheden kunnen ontstaan door afname van de inundatiekans en door verlaging van de GVG. Beiden hangen met elkaar samen. De GVG wordt naar verwachting met 3 cm verlaagd en de kans op inundatie neemt af van bijna 100% naar circa 90%. Dat betekent dat na aanleg van de Zomerbedverlaging Bentinckswelle 1 keer per 10 jaar niet geïnundeerd raakt. Dit is een klein negatief effect Gewenste situatie en maatregelen Het inrichtingsplan voor Bentinckswelle heeft in het kader van de Verbetering Ruimtelijke Kwaliteit van het project Zomerbedverlaging als doel een verbetering van de kwaliteit en een toename van het areaal plasdras in het voorjaar (gunstig fourageergebied voor weidevogels) en een tweezijdig aangetakte en jaarrond watervoerende geul, die voldoet aan de eisen vanuit KRW. Er zijn een aantal opties om het waterbeheer bij te sturen, zodat de doelen van het inrichtingsplan voor Bentinckswelle kunnen worden gehaald: Verhogen van het polderpeil. Deze variant is uitgewerkt in Planstudie SNIP3 voor het project Zomerbedverlaging Beneden-IJssel, deelrapport 3: grondwater (kenmerk LW-AF , definitief 1.0, januari 2013). Aanleggen KRW-geul. Deze variant wordt uitgewerkt in deze memo. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

120 In Afbeelding 5-21 is het voorgestelde ontwerp van de nevengeul in Bentinckswelle, weergegeven. Afbeelding 5-21: Inrichtingsschets Bentinckswelle Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

121 Voor de (grond)waterhuishouding zijn de volgende aspecten van belang: Doorsteken zomerkade aan de zuidoostkant, bij gemaal Bentinck-Wellen. Hier wordt de bestaande duiker vervangen door een permanent open duiker; Doorsteken zomerkade aan de noordkant. Hier wordt de zomerkade weggegraven; Verwijderen gemaal Bentinck-Wellen; Verwijderen van de stuw tussen plassen en de watergang; Graven van een permanent met de IJssel meestromende geul. Deze volgt het tracé van de bestaande watergang (deze wordt feitelijk verruimd en verdiept) tot aan de plas nabij de winterdijk. De nabij de winterdijk gelegen plassen worden met elkaar verbonden met watergangen, gedimensioneerd in de afmetingen van de KRW-geul. Deze plassen gaan dus deel uitmaken van de permanente meestromende geul. Aan de noordzijde wordt een nieuwe geul gegraven, die de noordelijke plas verbindt met de IJssel. De overige plassen worden niet aangetakt; De overige plassen worden niet aangetakt aan de geul. Deze plassen en de watergangen die ze verbinden met de rest van het watersysteem, worden afgedamd. De duiker met schuif tussen deze plassen en de IJssel (zie Afbeelding 5-15) blijft bestaan De effecten van Zomerbedverlaging en de KRW-geul op inundatie en grondwater De belangrijkste ingreep van de realisatie van een KRW-geul is het doorsteken van de zomerkade. Daarmee wordt jaar-rond het IJsselpeil geïntroduceerd in een deel van Bentinckswelle, zie Afbeelding In de huidige situatie wordt met het gemaal een constant peil van NAP - 0,1 m gehandhaafd. Na het doorsteken van de zomerkade wordt het peil veel dynamischer. Dit heeft twee gevolgen: Wijziging van de inundatiefrequentie; Verhoging van grondwaterstanden. Inundatiefrequentie Omdat er wat reliëf in het gebied aanwezig is zullen er veel nat-droog overgangen ontstaan: een groot plas-dras gebied. Dit betreft vooral de gronden aan de noordelijke kant van het gebied. In de huidige situatie is Bentinckswelle circa 30 dagen per jaar geïnundeerd, namelijk als de waterstand op de IJssel hoger is dan NAP+1,1 m. In de toekomstige situatie (met peilverlaging in de IJssel als gevolg van de zomerbedverlaging) zal het deel van Bentinckswelle aansluitend op de geul en lager dan 0.95 m + NAP vaker inunderen (zie Afbeelding 5-11). De laagste delen (lager dan NAP+0,6 m) zullen 60 tot 110 dagen per jaar geïnundeerd zijn (zie ook Tabel 5-15). Ook de gronden tussen NAP+0,6 en NAP m zullen vaker geïnundeerd zijn. Dat betekent dat een deel van Bentinckswelle langer onder water staat. Deze gebieden zullen bij dalende waterstanden langzaam droogvallen. In de gebieden (plassen) die van de geul worden gescheiden door het aanbrengen van de grondwal en het afdammen van watergangen, zullen de oppervlaktewaterstanden hoger worden dan in de huidige situatie. In de huidige situatie wordt het peil door het gemaal op NAP -0,05 gehouden. In de nieuwe situatie kan het gebied onder vrij verval ontwateren naar de IJssel, middels de (bestaande) schuifduiker. Dit zal in leiden tot oppervlaktewaterpeilen van circa NAP+0,3 m. Na een inundatie zal het gebied langzamer leeglopen dan in de huidige situatie. Door de hogere oppervlaktewaterpeilen zullen de grondwaterstanden ook hoger worden. Daardoor zal op een groter areaal en gedurende een langere periode sprake zijn van plas-dras omstandigheden. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

122 Kortom: op circa 15 ha grasland is er een verbetering van de plas-dras situatie, doordat dit onder dynamiek van de IJssel komt. Circa 10 ha grasland wordt niet rechtstreeks beïnvloed door de IJssel en daar is een verbetering van de plas-dras situatie doordat grondwaterstanden worden verhoogd. Tabel 5-15: Maaiveldhoogten, huidige en toekomstige inundatiefrequenties. Areaal Areaal Areaal Huidige Inundatiefrequentie na totaal grasland grasland inundatiefrequentie ZBIJ en aanleg KRW-geul [ha] [ha] dat onder [dagen/jaar] [dagen/jaar] dynamiek van de IJssel komt Oppervlaktewater (dagen (Plassen binnen overstroming met Bentinckswelle) IJsselwater) Onder NAP+0,4 m >110 (Verbetering plasdras) NAP+0,4 tot +0,6 m (Verbetering plasdras) NAP+0,6 tot +0,8 m (Verbetering plasdras) NAP+0,8 tot +1,1 m (Deels verbetering plas-dras) NAP+1,1 tot +1,5 m >NAP+1,5 m <11 <9 Totaal Vergraving van het kleidek Het kleidek is in de Bentinckswelle tussen 1 en 2 m dik. Dit betekent dat, met de ontgravingdiepte voldoende voor de geul (NAP-0,30 m), de kleilaag vrijwel nergens wordt doorgegraven. Op enkele plekken, ten noorden van de plassen en in het zuid-oostelijk deel, wordt de deklaag over een lengte van circa 200 m doorgraven. Dit gebeurt op locaties waar de weerstand van de deklaag (zowel in werkelijkheid, als in het model) gering is. Het effect van de aanleg van de geul op het grondwater in het watervoerende pakket is daardoor gering. De grootste invloed op de grondwaterstand ontstaat door het stopzetten van de bemaling in het gebied en het hogere peil in de watergang, en niet door het afgraven van klei. Berekening van effecten op het grondwaterregime Met het grondwatermodel MIPWA zijn effecten berekend van een maximale variant van de KRW-geul. Die variant bevatte twee geulen, zoals weergegeven in onderstaande Afbeelding Dit is niet de variant waarvoor vergunning wordt aangevraagd. De hieronder beschreven effecten zijn dus een overschatting van de werkelijk te verwachten effecten. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

123 Afbeelding 5-22: De met het grondwatermodel doorgerekende variant van de KRW-geul Verhoging van grondwaterstanden Voor een variant met een dubbele geul in het gebied is met het MIPWA-model het effect op het grondwaterregime berekend. Resultaten staan in Bijlage t/m Het model berekent een verhoging van de GVG van 5 tot 20 cm en een verhoging van de GLG van eveneens 5-20 cm, in een groter gebied. Opmerking bij de modelresultaten: Omdat de GVG in de huidige situatie waarschijnlijk te ondiep (te nat) wordt berekend, worden de effecten van de maatregel op GVG waarschijnlijk onderschat. Zeker is dat na aanleg van de KRW-geul een groot deel van Bentinckswelle in het voorjaar zal zijn geïnundeerd, of een zeer ondiepe grondwaterstand zal hebben. Alleen de hoogste delen van het gebied (de hogere percelen aan de zuidoostzijde) hebben in het voorjaar grondwaterstanden van orde cm onder maaiveld. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

124 Effecten op het binnendijkse gebied Het aan Bentinckswelle grenzende gebied heeft relatief hoge maaiveldhoogten en is daardoor dus ook niet zeer kwetsbaar voor grondwaterstandsverhoging. De effecten op het binnendijkse gebied zijn gering, zoals blijkt uit de bijlagen tot en met Effecten op de potenties voor agrarisch gebruik van Bentinckswelle Doordat er in het Bentinckswelle na aanleg van de KRW-geul geen vast peil wordt gehandhaafd, zullen grondwaterstanden vrijwel elk jaar hoger zijn dan nu het geval is. Alleen in droge groeiseizoenen, zoals in 2003, 2005 en 2009 zal de situatie vergelijkbaar zijn met de huidige situatie. De percelen in het zuidelijk deel van Bentinckswelle blijven geschikt voor agrarisch gebruik. Daar de hoge ligging van deze percelen (veelal boven NAP+1 m) blijven deze percelen ook in de nieuwe situatie gevrijwaard van extra inundatie. Alleen de lage perceelranden langs de geul en de kavelsloten staan langer onder water. De laagste delen (lager dan NAP+0,6 m) zullen 60 tot 110 dagen per jaar geïnundeerd zijn (zie ook Tabel 5-15). De gronden tussen NAP+0,6 en NAP m zullen vaker geïnundeerd zijn. Deze gebieden zullen bij dalende waterstanden langzaam droogvallen. De drooglegging wordt kleiner, doordat zich in het voorjaar een hogere waterstand in de geul en de watergangen heerst (NAP+0,2 tot NAP+0,5 m in plaats van NAP-0,1 m). Daardoor zullen grondwaterstanden hoger worden en de percelen later in het seizoen toegankelijk worden. Dit veroorzaakt een negatief effect op gewasopbrengsten (gras). Grondwaterstanden in het groeiseizoen worden cm hoger. Dat heeft waarschijnlijk een neutraal tot licht positief effect op gewasopbrengst (gras). Het is van belang dat alle percelen die een landbouwkundige functie behouden in de toekomst vanaf de winterdijk bereikbaar blijven, zodat in geval van een inundatie vee kan worden geëvacueerd. Het in open verbinding met de IJssel brengen van de uiterwaard (doorsteken van de zomerkade tbv de geul) zal de geschiktheid voor agrarisch gebruik in het noordelijk deel van Bentinckswelle sterk verminderen. De laagste delen van het gebied kunnen alleen nog in droge s zomers worden gebruikt om te maaien of te beweiden. Dit deel van het gebied wordt ingericht als plas-dras gebied voor weidevogels. Afspraken over financiële compensatie voor pachters en eigenaren moeten nog gemaakt worden. De indruk bestaat dat het wellicht mogelijk is om gronden te verwerven in het zuidelijk deel van de polder om hiermee de pachter in het noordelijk deel tegemoet te kunnen komen. Hierover moeten echter nog gesprekken plaatsvinden met de betreffende agrariërs. Er wordt van uitgegaan dat nadelige financiële gevolgen op voorhand worden afgekocht Monitoring grondwater en plas-dras in Bentinckswelle Het monitoringsplan grondwater, dat als bijlage is gevoegd bij Deelrapport 3: grondwater, voorziet in het plaatsen van peilbuizen zowel in als rond Bentinckswelle: In Bentinckswelle: o 2 peilbuizen met elk een diep filter (watervoerend pakket) en een ondiep filter (freatisch en plas-dras); o 1 peilbuizen met elk een een ondiep filter (freatisch en plas-dras); Binnendijks nabij Bentinckswelle: Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

125 o 2 peilbuizen met elk een diep filter (watervoerend pakket) en een ondiep filter (freatisch en plas-dras). In verband met de aanleg van de KRW-geul dient een extra freatische/plas-dras peilbuis te worden geplaatst nabij de plassen die niet in open verbinding staan met de KRW-geul. Hier zal namelijk een ander peilregime heersen en met het oog op de doelrealisatie plas-dras is het van belang dat peilregime te monitoren. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

126 5.4 Koppelerwaard Huidige situatie Uit de ecologische effectbeoordeling in het kader van het project Zomerbedverlaging Beneden-IJssel is (o.a.) geconcludeerd dat maatregelen nodig zijn om de draagkracht van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel te behouden voor foeragerende steltlopers (Natura 2000 niet-broedvogels scholekster, kievit, grutto en tureluur). Voor deze soorten zijn plas-dras situaties in de uiterwaarden van de IJssel met name tijdens de voorjaarstrek (februari-maart) van belang als foerageergebied. Als gevolg van vergraving van het zomerbed worden IJsselpeilen verlaagd, zowel in de dagelijkse situatie als in de situatie met hoogwater. Hierdoor neemt ook inundatie van uiterwaarden af, waardoor er minder vaak plasdras situaties ontstaan. Ook is er een beperkt effect via verlaging van de grondwaterstand. Het verbeteren van de kwaliteit als foerageergebied voor steltlopers van een deel van de Koppelerwaard behoort tot het maatregelenpakket van de Zomerbedverlaging Beneden-IJssel. Met het totale maatregelenpakket wordt (o.a.) beoogd de draagkracht van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden IJssel voor foeragerende steltlopers minimaal te behouden. Er wordt een maatregel voorzien in een zomerpolder aan de westkant van Koppelerwaard. Dit gebied wordt beheerd door Staatsbosbeheer. Bodemopbouw Ter hoogte van de Koppelerwaard is circa een 2 á 3 meter dikke kleilaag aanwezig. Deze kleilaag vormt het dek van een dik watervoerend pakket met hoge kd-waarden. Waterhuishouding De maaiveldhoogte in dit deel van Koppelerwaard is NAP+0,4 tot NAP+0,8 m zie Afbeelding De zomerpolder wordt omringd door een kade die met het laagste punt een hoogte van circa NAP +0,7 m. In de polder ligt een watergang. Deze staat met de IJssel in verbinding, via een duiker met schuif. In de huidige situatie is deze duiker permanent geopend. De duiker wordt alleen gesloten als in het broedseizoen inundatie van de polder dreigt op te treden, waardoor nesten van weidevogels zouden kunnen verdrinken. Deze waterhuishouding leidt er dus toe dat het water in de sloot vrijwel het hele jaar hetzelfde peil heeft als de IJssel, Bij lage IJsselpeilen valt de sloot waarschijnlijk droog. Tabel 5-16: Huidige hydrologische situatie in westelijke polder Koppelerwaard Type GLG GVG Inundatiefrequentie Plasdras grasland GLG: 70 tot 100 cm onder maaiveld GVG aan maaiveld (februari maart) 10 tot 40 dagen per jaar Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

127 Afbeelding 5-23: Hoogtekaart Koppelerwaard. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

128 5.4.2 Effect Zomerbedverlaging In afgelopen jaren is het IJsselpeil ter hoogte van Adsum gemeten. Uit onderstaande afbeeldingen is af te leiden dat de gemiddelde waterstand NAP+0,12 m is en dat bij zeer lage afvoeren het de laagste IJsselpeil op circa NAP-0,3 m ligt. Door de Zomerbedverlaging zullen de waterstanden gaan dalen in de IJssel. Het waterpeil van de IJssel ter hoogte van km990 zal circa 7 cm dalen naar NAP +0,05 m. De verlaging bij laag water (OLA) na Zomerbedverlaging bedraagt circa 0,03 m ten opzichte van de huidige situatie. Dit heeft in de uiterwaarden van Koppelerwaard een beperkte uitstraling op de GLG ten opzichte van de huidige situatie (zie bijlage 5.4). Door een verlaging van het IJsselpeil zal de Koppelerwaard minder dagen inunderen. Omdat dit deel van Koppelerwaard vrijwel altijd in open verbinding staat met de IJssel zal het effect op het aantal dagen inundatie. Bij een peil van meer dan NAP +0,7 m (laagste kadehoogte) zal het gebied vol lopen met water. In de toekomstige situatie met Zomerbedverlaging zal dit ongeveer 12 dagen per jaar gebeuren. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

129 2.5 IJsselpeil Koppelerwaard (km 990) 2 IJsselpeil Koppelerwaard (km 990) incl effect ZBIJ 1.5 m tov NAP Jan-2002 Jan-2003 Jan-2004 Jan-2005 Jan-2006 Jan-2007 Jan-2008 Jan-2009 Jan-2010 Jan-2011 Afbeelding 5-24: IJsselpeil bij Koppelerwaard 2.5 Duurlijn IJsselpeil Koppelerwaard (km 990) Duurlijn IJsselpeil Koppelerwaard (km 990) , incl effect ZBIJ m tov NAP Dagen per jaar Afbeelding 5-25: IJsselpeil bij Koppelerwaard, en gesimuleerd IJsselpeil met Zomerbedverlaging Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

130 Tabel 5-17: Effect van Zomerbedverlaging op de hydrologische situatie in westelijke polder Koppelwaard Huidige situatie GLG GVG Inundatiefrequentie GLG: 70 tot 100 cm onder maaiveld GVG aan maaiveld. Op de hoogste delen GVG 0-30 cm onder maaiveld Effect ZBIJ Verlaging 3 cm Verlaging GVG. Op de lage delen GVG nog steeds aan maaiveld. Op de hogere delen verlaging van GVG circa 15 cm 10 tot 40 dagen per jaar Afname naar 5 tot 20 dagen per jaar Gewenste situatie In dit deel van Koppelerwaard is plas dras grasland gewenst. In de periode februari maart zijn hoge grondwaterstanden gewenst om te kunnen dienen als foerageergebieden voor steltlopers. Ten behoeve van de graslanden zijn onderstaande hydrologische randvoorwaarden vereist voor de ontwikkeling van vegetatie. De gewenste grondwaterstanden zijn relevant in de periode februari maart. Tabel 5-18: Hydrologische randvoorwaarden voor de ontwikkeling van Plasdras grasland(februari maart). Type GVG Inundatiefrequentie Plasdras grasland (optimaal) Plasdras grasland (Suboptimaal) GVG aan maaiveld dagen per jaar 0 30 cm-mv dagen per jaar Uit een vergelijking van Tabel 5-18 met Tabel 5-17 blijkt dat de huidige situatie voldoet aan het streefbeeld, en dat door de Zomerbedverlaging een verlaging van (grond)waterstanden optreedt waardoor de situatie op de hoogste terreindelen suboptimaal wordt. Hoewel deze verlaging zeer beperkt is, ontstaat het risico van een lagere GVG in de periode februari maart. Om lagere GVG s te voorkomen en het gebied beter te ontwikkelen zijn enkele maatregelen bedacht Maatregelen In de Koppelerwaard is een tweetal maatregelen bedacht. Plaatsen stuw; Plaatsen molengemaal. Stuw Als gevolg van een daling van het IJsselpeil zal de inundatiefrequentie afnemen. Om een daling van inundatiedagen te beperken en om de grondwaterstanden en oppervlaktewaterpeil op peil te kunnen houden nadat het gebied geïnundeerd wordt, wordt voorgesteld om in de watergang, juist binnen de kade, een drempel of stuw te plaatsen in de kade met een stuwhoogte van circa NAP+0,60 m. In tijden van hoge IJsselpeilen zal het gebied overstromen. Als het IJsselpeil daalt zal in het gebied het water vastgehouden worden op NAP +0.6 m. In die situatie zal er infiltratie optreden door de kleilaag naar het watervoerende pakket en vervolgens richting de IJssel. Daardoor stroomt het gebied leeg. Omdat er een kleilaag ligt met Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

131 een dikte van 2 tot 3 m is de verwachting dat de periode waarin plas-dras condities bestaan flink zal worden verlengd. Molengemaal Om de plas-dras periode te verlengen wordt nabij de stuw een molengemaal geplaatst. Daarmee wordt water opgepompt uit het lage deel van de watergang (die in verbinding staat met de IJssel, naar het hoge deel, dat een peil krijgt van NAP+0,6 m. Daardoor raakt een gebied van circa 50 ha langduriger geïnundeerd. Bij een laag peil van de IJssel zal het effect van inundatie in de Koppelerwaard het grootst zijn, en is de benodigde hoeveelheid water maximaal. Uit gemeten stijghoogten (peilfilter 2, buis B21D0108) blijkt dat het stijghoogte ter hoogte van Adsum gemiddeld 8 cm lager ligt dan IJsselpeil. De laagste stijghoogte is dan ongeveer NAP-0,40 m. Dat betekent dat er een potentiaalverschil over de kleilaag bestaat van 1 m. In het grondwatermodel MIPWA heeft de deklaag hier een weerstand van 1200 dagen. Hieruit volgt een maximale infiltratieflux van 0,8 mm/dag. Bij een gemiddelde nuttige neerslag van circa 1 mm/dag (zie kader) hoeft dus geen extra water aangevoerd te worden. De weerstand is echter een onzekere grootheid. Uit een gevoeligheidsanalyse blijkt dat de benodigde hoeveelheid water ook groter kan zijn, tot circa 3 mm/dag Tabel 5-19: Gevoeligheidsanalyse infiltratieflux Koppelerwaard Minimale Toekomstig gewenste Oppervlakte grondwateraanvulling Debiet Maximaal Weerstand e grondwater Verschil Infiltratieflu geïnundeerd deklaag stijghoogte stand [dh] x [mm/dag] gebied [m 2 ] [mm/dag, februari [m 3 /uur] [NAP +/- m] [NAP +/- m] maart]* 300-0,41 0,6 1,01 3, , ,41 0,6 1,01 1, , ,41 0,6 1,01 0, , ,41 0,6 1,01 0, ,8 *Gemiddelde van de laagste twee netto neerslag in de perioden februari en maart ( ) Nuttige neerslag Het gemiddelde neerslagoverschot, neerslag min gewasverdamping, voor de maanden februari en maart is bepaald aan de hand van KNMI gegevens ( ). De gemiddelde neerslag per dag over deze periode bedraagt 1,8 mm/d. De gemiddelde gewasverdamping bedraagt 0,8 mm/d. Het gemiddelde netto neerslag in de periode februari - maart ( ) bedraagt dan 1,0 mm/dag. Afgelopen jaren laten echter ook zien dat de maand maart droog kan zijn. Het plaatsen van een opvoergemaal in de vorm van een molen behoort tot de mogelijkheden om in droge perioden het gebied te voorzien van voldoende wateraanvoer. De capaciteit van het gemaal moet op basis van de weerstanden uit het grondwatermodel minimaal 3,6 m 3 / uur bedragen. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

132 Afbeelding 5-26: Geïnundeerd gebied bij peil NAP 0,60m Uitstraling effecten Effecten van het oppompen van water op de omgeving zullen verwaarloosbaar klein zijn. Het effect in de deklaag is gering omdat horizontaal stroming vooral plaats vindt in het watervoerende pakketten en niet in weerstandsbiedende lagen. De dikte van het watervoerende pakket en hoge k-waarden zorgen ervoor dat uitstralingseffecten in het watervoerende pakket verwaarloosbaar klein zijn. De effecten hiervan kunnen vergeleken worden met een putformule, bijvoorbeeld van De Glee. Waarbij de put gesimuleerd wordt in het midden van het gebied. De randen van het plasdras gebied liggen op circa 75 m. De verhoging aan de rand van het gebied bedraagt uitgaande van een worstcase scenario (relatief lage kd en lage c) 0,001 m. Formule van De GLEE aantekeningen: Simulatie verandering stijghoogte invoer: watervoerend pakket Koppelerwaard kd 5000 Doorlaatvermogen (m2/d) c 300 Verticale weerstand van de bovenliggende laag (d) Q -9 Debiet (m3/d) uitvoer: van: tot: 0.1 m 75 m De GLEE verlaging versus afstand r Q q s c k D verlaging (m) = s afstand tot pompput (m) = r Afbeelding 5-27: Uitwerking putformule De Glee Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

133 5.5 Zalkerbosch Huidige situatie Het Zalkerbosch is momenteel in gebruik als Agrarische graslanden. De bodem bestaat uit kleigronden. Op circa 1 à 2 meter beneden maaiveld ligt de top van het watervoerende pakket (bron zandbanen Gelderland). De eerste 1 à 2 meter beneden maaiveld bestaat veelal uit klei. Afbeelding 5-28: Zandbanen Gelderland Maaiveldhoogte De maaiveldhoogte is in het grootste deel van Zalkerbosch NAP+1 tot NAP+2 m. Er zijn enkele laagten tussen NAP+0,3 en NAP+0,8 m en enkele ruggen boven NAP+2 m. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

134 Afbeelding 5-29: Maaiveldhoogte Zalkerbosch met zomerkade (rood) en hoogten van de zomerkade. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

135 IJsselpeil, stijghoogten en grondwaterstand Het IJsselpeil bij Zalkerbosch varieert tussen NAP-0,3 en NAP+0,5 m, en bij afvoerpieken tot NAP+2,5 m. In het gebied zijn twee peilbuizen beschikbaar waarin stijghoogten worden gemeten. De stijghoogten zijn vrijwel gelijk aan het IJsselpeil (zie Afbeelding 5-30). Er zijn geen gemeten grondwaterstanden beschikbaar. Naar schatting zijn de grondwaterstanden s zomers gelijk aan de stijghoogte. s Winters wordt de grondwaterstand verhoogd als gevolg van neerslagoverschot. Het gebied wordt dan ontwaterd met sloten, die afwateren naar een gemaal aan de westzijde van Zalkerbosch. Polderpeilen zijn ons niet bekend, maar zijn naar schatting ongeveer NAP. Daarmee treden s winters grondwaterstanden op tussen naar schatting NAP+0,2 en NAP+0,5 m. Waterhuishouding De lage gebieden in Zalkerbosch worden ontwaterd met sloten. Deze voeren het water af naar een gemaal aan de zuidwestzijde. Het lage gebied aan de noordzijde van Zalkerbosch watert af via een duiker door de Zomerkade af naar de IJssel IJssel Zalkerbosch (km 987) Inundatiepeil B21D0111_1 Filter NAP-3 tot NAP-5 m B21D0107_1 Filter NAP-9 tot NAP-11 m 2 m tov NAP Jan-2002 Jan-2003 Jan-2004 Jan-2005 Jan-2006 Jan-2007 Jan-2008 Jan-2009 Jan-2010 Jan-2011 Afbeelding 5-30: IJsselpeil en grondwaterstijghoogten Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

136 Zomerkade en inundatiefrequentie Het gebied wordt tegen hoog water beschermd door een zomerkade, die een laagste hoogte heeft van circa NAP+1,0 m, en aan het zuidwestelijk eind van het gebied NAP+0,9 m. De inundatiefrequentie van de zomerkade is circa 20 dagen per jaar. De inundatiefrequentie van de hoogste delen van Zalkerbosch (boven NAP+2 m is slechts 1 tot enkele dagen per jaar Effect Zomerbedverlaging Door de Zomerbedverlaging zullen de waterstanden in de IJssel worden verlaagd. De gemiddelde verlaging is circa 7 cm (Tabel 3-1), de verlaging bij lage afvoeren (OLA) is circa 3 cm en bij hogere afvoeren (overschrijdingskans 50 dagen per jaar) circa 15 cm. Door een lager IJsselpeil zal het gebied minder vaak inunderen. Bij een ongewijzigde kadehoogte van circa. NAP + 0,90 m zal het aantal inundatiedagen afnemen van circa 20 naar circa 12 dagen. Deze verlagingen hebben in Zalkerbosch een klein effect op de grondwaterstand (GLG en GHG ten opzichte van de huidige situatie zie bijlage 5.4 en 5.5) Gewenste situatie De inrichtingsmaatregelen in de uiterwaarden geven een hogere stromingsweerstand voor water(meer obstakels in het water), waardoor er beperkt extra opstuwing is tijdens hoogwater. Om dit effect tegen te gaan, wordt in het noordelijk deel van het Zalkerbosch de natuurlijke laagte met een integrale maaiveldverlaging verder verlaagd. Er ontstaat hier een plasdrasgebied dat in potentie dienst kan doen als foerageergebied voor vogels (o.a. steltlopers) hoewel dit niet het hoofddoel is van de maaiveldverlaging. De IJssel heeft geen vast peil en is afhankelijk van neerslag in hogerop gelegen gebieden. Hierdoor is het mogelijk dat in het toch overwegend natte wintermaanden lage IJsselpeilen voorkomen in de uiterwaarden. Juist in de periode februari maart zijn hoge grondwaterstanden gewenst om te kunnen dienen als foerageergebieden voor steltlopers. Ten behoeve van de graslanden zijn onderstaande hydrologische randvoorwaarden vereist voor de ontwikkeling van vegetatie (februari maart). Tabel 5-20: Hydrologische randvoorwaarden voor de ontwikkeling van Plas dras grasland (februari maart) Type GVG Inundatiefrequentie Plasdras grasland (optimaal) Plasdras grasland (Suboptimaal) GVG aan maaiveld dagen per jaar 0 30 cm-mv dagen per jaar Maatregel en effecten op de omgeving Om de opstuwing als gevolg van inrichtingsmaatregelen in de uiterwaarden tegen te gaan is een verlaging van het maaiveld voorzien van gemiddeld 30 cm. De afgraving vindt plaats in laaggelegen delen langs de oever van de IJssel. Door het afgraven van deze oever wordt tevens een gebied gecreëerd met hoge Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

137 grondwaterstanden. Dit gebied kan in potentie dienen als plas dras gebied. Wanneer blijkt dat het kleidek niet voldoende dik is, kan het kleidek worden hersteld na afgraving. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat dit gebied kan gaan functioneren als foerageergebied voor steltlopers. Daarnaast worden maatregelen genomen t.b.v. de ontwikkeling van hardhout ooibos, wordt er een wandelpad aangelegd en het gebied zal een gewijzigd beheer krijgen. De bodem ter plaatse van de af te graven locaties bestaat uit een dunne deklaag van klei. Bij het afgraven van deze kleilaag wordt de weerstand verminderd. Om in perioden van lage IJsselpeilen het gebied plasdras te houden moet worden voorkomen dat neerslag direct infiltreert naar het watervoerend pakket en gedraineerd wordt door de IJssel. Dit kan worden gedaan door bijvoorbeeld na afgraving het kleidek te herstellen. Grondwaterstanden, GVG en GLG-waarden in de perioden februari en maart zijn sterk afhankelijk van het IJsselpeil. Gezien de beperkte dikte van de deklaag zal ook na het herstellen van de deklaag de grondwaterstanden nog sterk reageren en mee fluctueren met het peil van de IJssel. De toekomstige grondwaterstanden in het gebied waar de maaiveldverlaging wordt uitgevoerd hangen af van de ontwatering van het gebied. Als de bestaande ontwatering in en rond dit lage gebied zal worden gedempt, dan zullen de waterstanden naar schatting 150 dagen per jaar boven maaiveld staan. Als de ontwatering wordt gehandhaafd kan een (grond)waterstand boven NAP+0,2 m gedurende circa 250 dagen per jaar worden afgevoerd. De resterende periode (100 dagen per jaar) zullen de waterstanden hoger zijn. Tabel 5-21: verwachte grondwaterstanden en perioden met grondwaterstanden aan en boven maaiveld in te vergraven gebied Zonder ontwatering Met ontwatering via sloten en duikers naar de IJssel GHG GLG Inundatieduur Circa NAP+0,5 m (30 cm boven mv) Circa NAP+0,5 m (30 cm boven mv) Circa NAP-0,05 m (25 cm mv) Circa NAP-0,05 m (25 cm mv) Circa 150 dagen Circa 100 dagen De verwachte waterstanden in het te vergraven gebied maken het vrijwel ongeschikt voor landbouw. Beheer zou kunnen bestaan uit maaien aan het eind van de zomer. Als de ontwatering op de IJssel wordt gehandhaafd zijn de geen effecten op de omgeving als gevolg van maaiveldverlaging. Als de ontwatering wordt gedempt zal de grondwaterstand omliggende terreinen ten opzichte van de huidige situatie worden verhoogd. Gezien de hoge maaiveldligging zal dit geen verslechtering van de landbouwfunctie opleveren. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

138 5.6 Vreugderijkerwaard Huidige situatie Het gebied Vreugderijkerwaard bevat in de huidige situatie veelal rietlanden. Deze rietlanden vormen een broedgebied voor het porseleinhoen en andere rietbroedvogels zoals de roerdomp, bruine kiekendief, waterral, rietzanger en blauwborst etc. Het gebied heeft geen afdekkend pakket van klei. Uit de zandbanenkaart van de provincie Gelderland blijkt dat de eerste zandlagen zich binnen 1 minus maaiveld bevinden. Het huidige grondwaterregime zal in dit gebied dan ook gelijk zijn aan het IJsselpeil Effect Zomerbedverlaging De waterstanden van de IJssel bij Vreugderijkerwaard zijn dezelfde als die van Bentinckswelle (Afbeelding 5-15, Afbeelding 5-17 en Error! Reference source not found.). Door de Zomerbedverlaging zullen de waterstanden gaan dalen in de IJssel. Dit heeft nabij Vreugderijkerwaard geen effect op de GLG en GHG ten opzichte van de huidige situatie (zie bijlage 5.4 en 5.5). Het waterpeil van de IJssel ter hoogte van km986 zal na Zomerbedverlaging in een gemiddelde situatie circa 4 cm lager liggen dan in de huidige situatie. Het IJsselpeil met Zomerbedverlaging is dan, op basis van lineaire interpolatie van gemeten IJsselpeilen van Adsum en Katerveer NAP +0,3 m Gewenste situatie Natuurmonumenten wenst in het gebied het in stand houden en uitbreiden van de rietlanden ten behoeve van diverse rietbroedvogels. De maatregelen zijn gericht op het vernatten van oevers en delen van het rietland, het verbeteren van de watertoevoer naar het rietland via sloten en het zo lang mogelijk vasthouden van water in dit gebied na overstromingen en regenval Maatregelen In en rond het rietland worden de volgende maatregelen uitgevoerd: Aanbrengen laagte. Op twee locaties wordt een laagte van circa 10 meter breed aangebracht door het (riet)moeras tussen de cm af te plaggen; Verontdiepen watergang. Eén watergang wordt over een lengte van 40 meter verondiept met zand tot een bodemhoogte van circa 0,7 + NAP. De instroom van IJsselwater in de watergang moet ongeveer 50 dagen per jaar zijn. Verbreden waterloop. Om een betere doorstroming te bewerkstelligen worden acht bestaande waterlopen verbreed tot een breedte van circa 2 meter. Verflauwen oevers: De oevers aan weerzijde van negen waterlopen worden afgeplagd tot maximaal 50 cm afgeplagd waarmee er een flauwe oever ontstaat van minimaal 1:5. Verlagen tot poel. In het noordelijke deel van het (riet)moeras wordt een gebied van PM ha afgeplagd en verlaagd tot een bodemhoogte van 0, 20 NAP. De oevers hebben een talud van minimaal 1:5 Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

139 Plaatsen duiker In de zomerkade ten noorden van het (riet)moeras wordt een droge duiker geplaatst met een diameter van 500 mm op een hoogte van 1,20 NAP Effecten op de omgeving Door de afwezigheid, beperkte aanwezigheid van de deklaag in het gebied zullen grondwaterstanden en dus ook de waterpeilen in het gebied vrijwel gelijk zijn aan het IJsselpeil. Door het creëren van meer openwater en het maaiveld (deels) te verlagen zullen de grondwaterstanden dichter bij maaiveld komen te liggen. Hierdoor zal, in combinatie met het vergroten van het areaal aan oppervlaktewater, de rietvegetaties zich beter kunnen ontwikkelen. Ook in perioden van lage IJsselpeilen zullen de grondwaterstanden in gebied het IJsselpeil volgen. Het vasthouden van oppervlaktewater in het gebied is een moeilijke opgave door de afwezigheid, beperkte aanwezigheid van een voldoende dikke deklaag. Uitstralingseffecten op grondwaterstanden op de omgeving als gevolg van inrichtingsmaatregelen worden, door de afwezigheid van de deklaag, niet verwacht. Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

140 REFERENTIES Analoge bronnen Arcadis, Saneringsplan 1 e Industrieweg Hattem, Fase ; CBS, PBL, Wageningen UR, Belasting van het oppervlaktewater door landbouw en natuur, (indicator 0103, versie 12, 27 oktober 2011). CBS, Den Haag; Planbureau voor de Leefomgeving, Den Haag/Bilthoven en Wageningen UR, Wageningen, 2011; Circulaire bodemsanering 2009, Staatcourant: jaargang 2012, nr. 6563, 3 april 2012 Deltares, Deltavarianten Omgevingsvarianten voor probleemanalyse en strategieverkenning in het Deltaprogramma , conceptrapport. maart 2011; DHV, Zomerbedverlaging Beneden-IJssel. Deelrapport 1B: Inventarisatie Constucties en Kunstwerken, januari 2013; DHV, Zomerbedverlaging Beneden-IJssel. Deelrapport 4: Passende beoordeling, januari 2013; DHV, Rapportage Engelse Werk, september 2011; DHV, Zomerbedverlaging Beneden-IJssel geohydrologie. 2008; KWR, Handleiding Menyanthes: versie ; Ministerie van Verkeer & Waterstaat, Rijkswaterstaat, Brondocument Waterlichaam IJssel. Doelen en maatregelen rijkswateren, 2009; MOVOS, Bijlage 4 uit rapport over locatie Daelderskolk, verstrekt door de provincie Gelderland. 1999; Rijkswaterstaat, Nota Strategieontwikkeling Deltaprogramma IJsselmeergebied; Tauw, Deelproduct 10, Rapportage Geohydrologische Effecten Planstudie IJsseldelta-Zuid. 2010; Tauw, Hydrologische effecten bypass Kampen. 2009; Tauw, Maatregelen regionaal watersysteem bypass Kampen. 2009; TNO, Inventarisatie grondwatergegevens in de provincie Overijssel. 1985; TNO, MIPWA Methodiekontwikkeling voor Interactieve Planvorming ten behoeve van Waterbeheer. 2007; TNO, Modelleeromgeving Veluwe. 2002; Vitens, Naar een duurzame winning voor Zwolle, milieueffectrapportage Engelse Werk. 2006; Werkgroep HELP-tabel, De invloed van de waterhuishouding op de landbouwkundige productie, 1987; Witteveen en Bos, Instationaire grondwatermodelberekening Ruimte voor de Rivier Scheller en Oldenelerbuitenwaarden. 2008; Witteveen en Bos, Geohydrologische onderzoek ruimte voor de Rivier Zwolle. 2007; WMO NV, MER locatiekeuze grootschalige oppervlaktewaterwinning hydrologische en afgeleide effecten Koppelerwaard en Zalk. 1997; Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

141 COLOFON Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel LW-AF Opdrachtgever : Programma Directie RvdR Project : Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Dossier : BA (voorheen AC ) Omvang rapport : 127 pagina's Auteur : Liesanne Verwij en Annemieke van Doorn Bijdrage : Marjon Paas, Erik Bakker en Ron Stroet Interne controle : Frans Schaars en Ron Stroet Projectleider : Joost ter Hoeven Projectmanager : Jan Baltissen Datum : mei 2013 Naam/Paraaf : Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel mei 2013, versie 2.0 LW-AF

142 Rivers, Deltas & Coasts Laan 1914 nr EX Amersfoort Postbus BC Amersfoort T (088) F (088) E [email protected] W

143 Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 0 LW-AF

144 BIJLAGE 1 Overzicht Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 1 LW-AF

145 !28 027" "7# $27 % ! &712 $(25128 )#* # ,5!27" * # # , ,627"22./ :;=>=?@A;BC6DEFGH99BF 762*I9627"21275#8# J$(25 327I% I3K1LM/J..1J..N O528I"5#2P2P23Q1,417*#227I76#772* I232 IRR12*2"27R I2 S;:;TU9-612# *4428 $(

146 8999 P!"#$ %&'()*+,-'7)&.)/0)& )5)/)589:;;)1 JK/&2*L+3)0)&,%&'3&2772A4&)*+4)M0/M N22&+5&4,142 A2+=7,10O).&=2&42012?)&;4),1 #$ A';;4)&5&4,<BCDE3800C800F G41)5227,.4(123)H1H247I/

147 899 R!" #$""% & '()*+,-./)7+(0+12+( :;<==+3 LM1(4,N-5+2+(.'()5(4774C6(+,-6+O21O P44(-7(4.143 C4-?7.10Q+0(?4(62012 A+(=6+.1 % 1:2 2:5 5:10 10:20 20:50 50: : : : : :54000 S54000 &0:1 >?-+?(.@4A+(B6* C)==6+(7(4.>DEFG3:00E:00H I *345+J1J347K1

148 BIJLAGE 2 Aanpak en onderbouwing MIPWAmodel Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 2 LW-AF

149

150

151

152

153

154

155

156

157

158

159

160

161

162

163

164

165

166

167

168

169

170

171

172

173

174

175

176

177

178 !"#$%&'&()*#&+!!%, C31C.4DE>F1.G<0 7/BB<1.=.4395?44?44 H<91=::46<09:;1662I7 JK7.:2L3; /;.::>7<.123<1>M87M N::.3=.42 7:3C419>O16.C:.<>1422 F1.B<142 &, P,#(#'!,QR&S D::;

179 !"#$%$&'(!$)(* AB1/B,2CD<E/,F:. H:7/;8824:.789/881I5 JK5,80L19/6/,2+,-9,88<3:,/01:/<M65M N88,1;,21 381B21<O/4,B8,:<1422 $* P*!&!%*QR$S C

180 Bijlage 2.3: Kenmerken waarnemingsputten <<988:;786<7?3;6;>:47>774>:87>3?7><87>?46>;<A B ?;6<7?;<6=8?>7;3>4;8>4;3>6<3>8:3><86>;?A D456787EF7<

181 Bijlage 2.3: Kenmerken waarnemingsputten :868;;836<3=763=887=687=367=7:7=886=87>? A ;;A466=773=4A7=8A7=A;7=:A7=;46=A3>? B456737CD78

182 Bijlage 2.3: Kenmerken waarnemingsputten F456787GH7:

183 Bijlage 2.3: Kenmerken waarnemingsputten A : :3<8=676=;8<6=B6<6=8:<6=8:<6=7B6=33?> C686;944BB <3=666=3B<6=:;<6=866=646=484=46? A668B944: <38=:8<3=88<8=44<8=6;<8=6;<3=:B6=48>8 D4567;7EF7;

184 !"#$%" $"&"'(#%#") H96.: I7I72J4 KL4+7/M *+,8+77;F9+./09.;N54N O77+0: F70A159;P.3+A7+9;5166 D.+?9.16 Q" #%" RST ;0; ;0; ;0;1211 #%$%% RSU; ;0; ;0;1231 U;

185 !"#$#%"&#'(%)%#* AB1/B,2C1D1<E/,F:. I:7/;8824:.789/J3J41K5 LM5,80N19/6/,2+,-9,88<G:,/01:/<O65O P88,1;,12314 G81B268<Q/4,B8,:<6022 R# %)!#$#%" STU< << <<0140 U<0140 %)V$#%" STW << << <<

186 P $%&'()*+,&(%-(./(% (4(.(4789::(0 IJ.%1)K*2(/(%+$%&2%115A3%()*3(5L/.L M11%*4%+9 A1*<+ND5O(-%<1%35N599?(%:3(+9 QR WXY575E5/(%012342!S2RT!US 2(5(O()*5@((%:*14.589::(059. 2(5(O()*5@((%:*14.589::(055. 2(5(O()*5@((%:*14.589::( E57575N 75N ((45(O()* N 5N575E Z5E5/(%K&2342V ;<*(<%+=>5?(%@3' A&::3(%4%+;B8CD E F30(411+-3'012(GG9H.!"# Effecten Zomerbedverlaging berekend met een oud ontwerp 2.6

187 O #$%&'()*+%'$,'-.'$/ '3'-'367899'/ IJ-$0(K)1'.'$*#$%1$004@2$'()2'4L.-L >'$92'*9 QR!"S2RT"US!V! WXY465D4.'$/ '4'N'()4?''$9)03-4%JJ4?0)'$4P4G 1'4'N'()4?''$9)03-4%JJ4?0)'$4P4 65D46465G 65G ''34'N'() G 5G4645D E2/'300*,2&/01'FFGH-!"" Effecten Zomerbedverlaging berekend met een oud ontwerp 2.7

188 Effecten Zomerbedverlaging berekend met een oud ontwerp Legenda -0.2 effect bij aangepaste KD-waarde Referentie gem. effect zomerbedverlaging [m] < -0.4 verlaging geen effect > 0.4 verhoging Bijlage a: Gevoeligheid effect op stijghoogte, aangepaste KD-waarde modellaag 2t/m6 Project: Opdrachtgever: Kaartnr.: 5.4a 2.8 Datum: 5 mei 2011 Versie: 1 Zomerbedverlaging PDR Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn C bijlage_5_4a.mxd km

189 Effecten Zomerbedverlaging berekend met een oud ontwerp Legenda effect bij gemiddelde nt. stat. recharge effect bij stat. recharge (oud MIPWA) m < -0.4 verhoging geen effect > 0.4 verlaging Km Bijlage : Gevoeligheid effect zomerbedverlaging voor grondwateraanvulling [m] Project: Opdrachtgever: zomerbedverlaging Rijkswaterstaat Kaartnr.: Datum: 13 juli 2011 Versie: 0 Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn c bijlage_5_5.mxd

190 Bijlage 2.10 Bijlage 2.10-a Locaties peilbuizen t.b.v. tijdreeksanalyse (noord)

191 Bijlage 2.10 Bijlage 2.10-b Locaties peilbuizen t.b.v. tijdreeksanalyse (midden/ zuid)

192 Effecten Zomerbedverlaging berekend met een oud ontwerp Legenda resultaat tijdreekanalyse statistisch geen relatie > m verlaging geen significant effect Effect model [m] < -0.4 verlaging geen effect > 0.4 verhoging Bijlage 2.11: berekend effect zomerbedverlaging met MIPWAmodel en tijdreeksanalyse Project: Opdrachtgever: Kaartnr.: 2.11 Datum: 3 februari 2012 Versie: 1 zomerbedverlaging Rijkswaterstaat Auteur: Dossiernr.: Filenaam: Annemieke van Doorn C bijlage_2_11.mxd km

193 Bijlage 2.12 Bijlage 2.12-a Invloed IJssel op grondwaterstand bij 3 peilbuizen nabij Olst Peilbuis 27GG406A.1_1 27GR56P.1_1 27GC904A_1 Afstand van meting tot de IJssel 0,5 km 3 km 6 km Gain: Effect IJssel op waterstand (bij m 0,068 m 0,161 m peilbuis) bij 1 m peilverandering in de IJssel Effect zomerbedverlaging op waterstand bij peilbuis (Gain * effect op IJssel (0,1 m)) 0,05 m 0,007 m 0,016 m

194 Bijlage 2.12 Bijlage 2.12-b Invloed IJssel op grondwaterstand bij 3 peilbuizen rondom Hattem Peilbuis B21G0492_1 B21B0101_1 B27E0001_1 Afstand van meting tot de IJssel 0,5 km 1,25 km 1,5 km Gain: Effect IJssel op waterstand (bij 0,59 0,19 0,29 peilbuis) bij 1 m peilverandering in de IJssel Effect zomerbedverlaging op waterstand bij peilbuis (Gain * effect op IJssel (0,24 m)) -0,14 m -0,04 m -0,09 m

195 Bijlage 2.12

196 Bijlage 2.12

197 Bijlage 2.12

198 Bijlage 2.12

199 Bijlage 2.12

200 BIJLAGE 3 Hydrologisch systeem (2016) Modeltechnische hydrologische definities. Parameter Definitie Grondwaterstand De waterhoogte die wordt berekend in de deklaag (modellaag 1). Stijghoogte De waterhoogte die wordt berekend in de overige modellagen (modellaag 2-7). Toegevoegd zal worden om welke modellaag en/of welk watervoerend pakket het gaat. Kwel/infiltratie Verticale stroming over de onderrand van modellaag 2. Hier is voor gekozen omdat de deklaag op sommige plaatsen dun is en het oppervlaktewatersysteem insnijdt in modellaag 2. Een positief getal betekent kwel (opwaartse stroming), een negatief getal betekent infiltratie (neerwaartse stroming). Aan- en afvoer Stroming van grondwater van of naar het oppervlaktewatersysteem (in modeltermen: stroming van/ naar rivers, drains en overlandflow). Bij afvoer stroomt er grondwater uit het model naar het oppervlaktewater (negatief getal). Bij aanvoer stroomt er water naar het grondwater (positief getal). GG Gemiddelde grondwaterstand op de 14 e en 28 e van iedere maand gedurende de jaren GHG en GLG De gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstand. In tegenstelling tot de gangbare definitie voor de GHG en de GLG wordt hier de output van een bepaalde datum genomen (zie bijlage 2). GHG: 28 december 1998 en GLG: 14 april 1996 Dynamiek Het verschil tussen de GHG en GLG (GHG-GLG) GVG Gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand: het gemiddelde van de grondwaterstand op 28 maart en 14 april gedurende de jaren OLA Overeengekomen laagwater, dit is de afvoer die circa 20 dagen per jaar wordt onderschreden en komt overeen met een gemiddeld jaarminimum. De OLA-periode loopt van 28 februari 1996 t/m 27 oktober T1 Hoogwatergolf die eens per jaar voorkomt. De T1-periode loopt van 28 oktober 1998 t/m 27 november T10 Hoogwatergolf die eens per 10 jaar voorkomt. De T10-periode loopt van 28 december 1994 t/m 16 april Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 3 LW-AF

201 BIJLAGE 4 Effect zomerbedverlaging op het peil van de IJssel Modeltechnische hydrologische definities. Parameter Definitie Grondwaterstand De waterhoogte die wordt berekend in de deklaag (modellaag 1). Stijghoogte De waterhoogte die wordt berekend in de overige modellagen (modellaag 2-7). Toegevoegd zal worden om welke modellaag en/of welk watervoerend pakket het gaat. Kwel/infiltratie Verticale stroming over de onderrand van modellaag 2. Hier is voor gekozen omdat de deklaag op sommige plaatsen dun is en het oppervlaktewatersysteem insnijdt in modellaag 2. Een positief getal betekent kwel (opwaartse stroming), een negatief getal betekent infiltratie (neerwaartse stroming). Aan- en afvoer Stroming van grondwater van of naar het oppervlaktewatersysteem (in modeltermen: stroming van/ naar rivers, drains en overlandflow). Bij afvoer stroomt er grondwater uit het model naar het oppervlaktewater (negatief getal). Bij aanvoer stroomt er water naar het grondwater (positief getal). GG Gemiddelde grondwaterstand op de 14 e en 28 e van iedere maand gedurende de jaren GHG en GLG De gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstand. In tegenstelling tot de gangbare definitie voor de GHG en de GLG wordt hier de output van een bepaalde datum genomen (zie bijlage 2). GHG: 28 december 1998 en GLG: 14 april 1996 Dynamiek Het verschil tussen de GHG en GLG (GHG-GLG) GVG Gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand: het gemiddelde van de grondwaterstand op 28 maart en 14 april gedurende de jaren OLA Overeengekomen laagwater, dit is de afvoer die circa 20 dagen per jaar wordt onderschreden en komt overeen met een gemiddeld jaarminimum. De OLA-periode loopt van 28 februari 1996 t/m 27 oktober T1 Hoogwatergolf die eens per jaar voorkomt. De T1-periode loopt van 28 oktober 1998 t/m 27 november T10 Hoogwatergolf die eens per 10 jaar voorkomt. De T10-periode loopt van 28 december 1994 t/m 16 april Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 4 LW-AF

202 BIJLAGE 5 Situatie 2016: hydrologische effecten korte zomerbedverlaging Modeltechnische hydrologische definities. Parameter Definitie Grondwaterstand De waterhoogte die wordt berekend in de deklaag (modellaag 1). Stijghoogte De waterhoogte die wordt berekend in de overige modellagen (modellaag 2-7). Toegevoegd zal worden om welke modellaag en/of welk watervoerend pakket het gaat. Kwel/infiltratie Verticale stroming over de onderrand van modellaag 2. Hier is voor gekozen omdat de deklaag op sommige plaatsen dun is en het oppervlaktewatersysteem insnijdt in modellaag 2. Een positief getal betekent kwel (opwaartse stroming), een negatief getal betekent infiltratie (neerwaartse stroming). Aan- en afvoer Stroming van grondwater van of naar het oppervlaktewatersysteem (in modeltermen: stroming van/ naar rivers, drains en overlandflow). Bij afvoer stroomt er grondwater uit het model naar het oppervlaktewater (negatief getal). Bij aanvoer stroomt er water naar het grondwater (positief getal). GG Gemiddelde grondwaterstand op de 14 e en 28 e van iedere maand gedurende de jaren GHG en GLG De gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstand. In tegenstelling tot de gangbare definitie voor de GHG en de GLG wordt hier de output van een bepaalde datum genomen (zie bijlage 2). GHG: 28 december 1998 en GLG: 14 april 1996 Dynamiek Het verschil tussen de GHG en GLG (GHG-GLG) GVG Gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand: het gemiddelde van de grondwaterstand op 28 maart en 14 april gedurende de jaren OLA Overeengekomen laagwater, dit is de afvoer die circa 20 dagen per jaar wordt onderschreden en komt overeen met een gemiddeld jaarminimum. De OLA-periode loopt van 28 februari 1996 t/m 27 oktober T1 Hoogwatergolf die eens per jaar voorkomt. De T1-periode loopt van 28 oktober 1998 t/m 27 november T10 Hoogwatergolf die eens per 10 jaar voorkomt. De T10-periode loopt van 28 december 1994 t/m 16 april Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 5 LW-AF

203 BIJLAGE 6 Waterbeheer Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 6 LW-AF

204 9 M! GH,#/'I(0&-&#)"#$0#/88/3?1#&'(1&3J-,J "#$%&'()*$8&#+&,-&#./012034&2&,&256788&.! K//#(2#5)254?/(:8)LL3,&'&8+&#3L044 =&#81&)4 H&1.+&8.:1(30&+1&,&23>83=&.:>& D1.&2//8)+1%./0&E2E458F, 9:(&:#);5<53=&#>1%

205 T0/0C?. R87DS523938E" D (E%(P 75EPP3D3438P#'' 383E' "813D5EF GH3 " U8115U77 " U "38#$%&! (EJ&KL$##&##M N377E4723O%OP(Q 538EI(( '()

206 P QR$ 9 JK/&2*L+3)0)&,%&'3&28826B4&)*+4)6M0/M N22&+5&5,251 %&'()*+,-'8)&.)/0)& )5)/)589:;;)1 S4+)&A22&/ %)413).4)/)56TU6@)1=A) %)413).4)/)56TU6V&''+6U2125/ J0)&436TU6@)1=A) J0)&436TU6V&''+6U2125/ J0)&436TU6M4(56)569:;;)1 J0)&436T;6-=4/)&6-))125/ B';;4)&5&5,<C3DE F G41)5228,.4(123)H2H158I/ <=+)=&,>5?56@)&A4(!"#$$

207 !"#$%&& ""''#$%&& " ("#$%&& )"'#$%&& !!*#$%&& !"#$%&& ( #$%&& ,*'#$%&& !!#$%&& ,'#$%&& !,*#$%&& !(#$%&& "'--#$%&& ),'#$%&& ')#$%&& ,!!#$%&& !',#$%&&./ &50& & & &50&93990&50&97&09&&06& :;<$=;>?;@A B;C%%@#DE=@F%# GH@A;>#I%=;C J%K=;EL>H;M N;;KK;EO P%G;E?;@A Q;>RH@AK;# R;=;>FES IH;ER%%>A DAKTC U%=;>?;;> =#:%%KV; WHH>A;R%%>A A;#XFVG;> Y;EHH>A;E#A;# PF@;CK?%%>= B%EKV;QH;OZ%[E%C;\ ]^_ ]6_]6_]6_ QH;OZ%[E%C;\ YFV@%S;#-`*#"+ -a#y;>;m;ea;#%%eo#;e#%[?h;>#g;>#gh@a;> b;#uh;mh;m NHKV; U%CG;>?;;EJ;=#cHC;>L;A :HSS;LH=dHEA;>#cHC;>L;A

208 +(BC:DEF R'& (:"; +("# +(:## +("" (:"? +("# 76135=>+("" +(:#< +(" A>=>,-.>1G4G16NOP6NOJ606PQ >1G4G16J6GNOJ606PQ G4G16HIJ4K244L M41456HIJ4K244L!"# $%&&&'()*)'&*'+(" , , =>,-./ 123/, ,-.8/ ,-.48, ,-./

209 -&CD:EFG +%$ &:! B! 5663-&! -&! -&./091 A?>?!./0?1H4H16OPQ6OPK606QR ?1H4H16K6HOPK606QR H4H16IJK;L244M N41456IJK;L244M!"#$$$%&'('%$(%'$%)*+, / <9; >?./0=9; 234=9;./0=91 234= >? / / /0;9< 234;9=./

210 T U! ABCDEFBGHBIDJKEGDLMBNDDOBKLPFDOBQKIBKKIPFDORBCDEFBGHBSFHGEGDLMBNDDOBKKIPFDOBQKIBKLPFDO : ;916!%(#','#3&&#33#*"#")3#*"#'"#")"#'''$#$',#$),,#"**#+**#")"#&'"#("#")'"#('%%#3',#$)'"%#* : ;916!%(#",'#3&&#33#3"#")3#3"#'"#")"#'''+#$',#,),+#,**#&**#")"#&'"#("#")'"#('%'#%',#,)'"'# : ;916!)"#'"#""#")"#'"#""#'"#""#""#")'#""#''#')"#'"#""#""#""#""#")'#'"#''#' < / !3+#$'3,#$'"%#"%'#%"#")%'#%*#&"#")*#&'"*#$(#(),,#3$$#$$(#")3#$%#""#")%#"'3"#&(#()'%(#" / !3+#$'3,#$'"%#"%'#%"#")%'#%*#("#")*#('"*#&(#&),,#"$$#$$(#")3#$%#""#")%#"'3"#3(#&)'%*#+ <456566: / !"#""#""#""#""#""#")"#'"#""#')"#%"#'"#3"#""#""#""#""#""#")"#3"#'"#3 <456566>? =126!'+#"+'#&(*#&(#&"#")(#&'"#+"#")'"#+%"#+"#$)',#,('#3*,#3)%#"%#("#")%#(3+#""#$)3&#' <456566>? =126!"#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#" < /461==16!3$#('$*#%'*(#+3*#""#")3*#"'(#'"#")'(#'%%(#+'+#$)%"+#,'%$#"'',#,)$#'"#%"#")"#%%+*#+'+#$)%(&#, < /461==16!"#""#""#""#""#""#")"#'"#""#')"#'"#""#'"#""#""#""#""#""#")"#'"#""#' < /461==16!3$#('$*#%'*(#+3*#""#")3*#"'(#""#")'(#"%%(#&'+#$)%"+#$'%$#"'',#,)$#'"#%"#")"#%%+*#&'+#$)%(&#$ -.45/ !,#,("#(*"#("#3"#")"#3,#("#"),#(3&#$(#&)3'#%3'#"%,#+)'#*"#3"#")"#3*&#&(#&)*'#" -.45/ !,#$("#**"#&"#3"#")"#3,#("#"),#(3&#,(#')3'#$3'#"%,#+)'#*"#3"#")"#3*&#+(#')*'#& -.45/ !)"#')"#'"#'"#""#""#""#""#""#""#')"#()"#&"#""#""#""#""#""#""#')"#()"#& 748/ !%'#,&,+#,&+&#"'+#3"#")'+#3%(#("#")%(#(&*#*"#3)&*#'*$$#,*'$#+)+"#%3*#&"#")3*#&'"+#%"#3)'"&#, 748/ !%'#,&,+#,&+&#"'+#3"#")'+#3%(#("#")%(#(&*#3"#3)&*#"*$$#,*'$#+)+"#%3*#&"#")3*#&'"+#%"#3)'"&#$ @1.)"#%)"#'"#')"#%"#""#%)"#'"#""#')'#*)'#+)"#3"#""#""#""#""#""#")'#&)'#+)"#' 6!"#$%#&'#$"#""#""#"(#'"#")(#'&&#'&%#")*#%"#+"#+"#""#""#""#"+'#%&%#"),#% 6!"#$%#&'#$"#""#""#"(#'"#")(#'&&#(&"#$)(#+"#+"#+"#""#""#""#"+'#&&"#$)'"#$ 6!"#""#""#""#""#""#""#""#""#""#*)'#%)'#("#""#""#""#""#""#""#*)'#%)'#& ;21=6!,*#&3',#&%%(#"'*#&"#")'*#&"#("#")"#(%33#3'%#,)%%"#3%""#%',*#&)(#&+#$"#")+#$%*$#*'%#,)%3(#* ;21=6!,*#(3',#&%%(#"'*#&"#")'*#&"#("#")"#(%3%#,'%#,)%%"#"%""#%',*#&)(#&+#$"#")+#$%*$#"'%#,)%3(#' ;21=6!)"#'"#""#""#""#""#""#""#""#")"#*"#""#3"#""#""#""#""#""#")"#*"#""#3 6!3,#*'(3#,''*#(%#*"#")%#*%#+"#")%#+%&'#,'*+#&)''*#3&%#(&'#3)'#'+#'"#")+#'%&+#''*+#&)'',#( 6!3,#*'(3#,''*#(%#*"#")%#*%#+"#")%#+%&'#,'*+#&)''*#*&%#(&'#3)'#'+#'"#")+#'%&+#''*+#&)'',#( 6!"#""#""#""#""#""#""#""#""#""#""#")"#'"#""#""#""#""#""#""#""#""#" _`N3abKKOc_`N3abKKOc_`N3abKKOc _`N3abKKOc_`N3abKKOc_`N3abKKOc^[1456g>76h6\>d6h6<efi V\:>7_`N3abKKOc V\:5je V?46=W2X61=X6V454Y Z6426[ ABCDEFBGHBIDJKEGDLMBEFDIKNDBKLPFDOBFLBKLIKNDBKKIPFDORBIDEFBGHBSFHGEGDLMBKLIKNDBKLPFDOBFLBEFDIKNDBKKIPFDO

211 V?46=W0X61=X6V454Y Z6426[145646<\]648W T U! ABCDEFBGHBIDJKEGDLMBNDDOBKLPFDOBQKIBKKIPFDORBCDEFBGHBSFHGEGDLMBNDDOBKKIPFDOBQKIBKLPFDO : ;916!$(#$'$#*%""#'&#)&#&%&#)&#&&#&&#&(+#"$&#3%"3#'*$#3*$#$%&#$"&#(&#&%"&#((+#,$&#3%"3# : ;916!$(#$'$#*%""#'&#)&#&%&#)&#&&#&&#&(3#,$&#+%",#+*$#3*$#$%&#("&#(&#&%"&#((+#'$&#+%"3#( : ;916!&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&%&#$&#"&#$&#&&#&%&#"&#&&#&&#&%&#$&#"&#$ ABCDEFBGHBIDJKEGDLMBEFDIKNDBKLPFDOBFLBKLIKNDBKKIPFDORBIDEFBGHBSFHGEGDLMBKLIKNDBKLPFDOBFLBEFDIKNDBKKIPFDO < / !)'#(()#&%,#($#&&#&%$#&&#"&#&%&#"*)#'"3#&%3#$('#&($#'"#'*#&&#&%*#&'&#("3#&%"*#( / !)'#(()#&%,#($#&&#&%$#&&#"&#&%&#"*)#*"3#"%3#*('#&($#'"#'*#&&#&%*#&'&#$"3#"%"*#' / !&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&%&#"&#"&#*&#&&#&&#&&#&&#&&#&%&#"&#"&#* <456566: <456566>? =126!"+#,**#&*#*&#*&#&%&#*,#"&#&%,#"$#("#&%'#$*&#''+#*"3#+*#(&#&%*#(""#3"#&%"&#3 <456566>? =126!&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#& < /461==16!(,#$,"#""'#,$#&&#&%$#&'#$&#&%'#$",$#&**#(%"("#())#,3$#3"3#"&#*&#&%&#*"3"#'**#(%"(3#+ < /461==16!(,#$,"#""'#,$#&&#&%$#&'#$&#&%'#$",'#+**#(%"("#$))#)3$#3"3#"&#*&#&%&#*"3"#'**#(%"(3#3 < /461==16!&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&%&#"&#&&#"%&#"&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#" -.45/ !"'#*"3#'(#&&#"&#&%&#")#$&#&%)#$**#,)#&%")#3"$#(*'#"3#)&#'&#&%&#'*+#*)#&%*'#* -.45/ !%&#*&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&%&#$%&#(&#&%&#"%&#"&#&&#&&#&&#&%&#$%&#$ -.45/ !"'#$"3#'(#&&#"&#&%&#")#$&#&%)#$**#,)#$%")#'"$#(*'#*3#,&#'&#&%&#'*+#*)#$%**#3 748/ !*)#"*)$#**'3#"$#)&#&%$#)""#+&#&%""#+*'#3"#&%**#3*&+#($("#"*$"#,'(#*&#&%'(#*$&#'"#&%'+#' 748/ !*)#"*)$#**'3#"$#)&#&%$#)""#+&#&%""#+*'#,"#&%**#,*&+#($("#"*$"#,'(#*&#&%'(#*$&#'"#&%'+#' @1.%&#'%&#"&#*&#&&#&&#&&#&&#&&#&%&#(%&#)%&#"&#&%&#*%&#"&#&&#&&#&%&#)%&#)&#& 6!"#$"#"%&#'&#&&#&&#&'#"&#&%'#"()#3)'#&)#*&#'*#$*#"&#&&#&&#&(+#+)'#&'#" 6!&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#*%&#*%&#$%&#"%&#"&#&&#&&#&&#&&#*%&#*%&#$ 6!"#$"#"%&#'&#&&#&&#&'#"&#&%'#"()#))'#*)#)&#$*#(*#"&#&&#&&#&(+#,)'#*'#( ;21=6!"(&#&"*&#$%*+#)&#)&#&%&#)&#&&#&&#&"+#'",#+%"#$""+#&"')#"",#",#+&#&%,#+"+#3",#+%"#+ ;21=6!"$+#+"*&#$%*+#(&#(&#&%&#(&#&&#&&#&"+#"",#3%"#'""+#&"')#"",#",#+&#&%,#+"+#,",#3%"#3 ;21=6!%&#"&#&&#"%&#"&#&&#"&#&&#&&#&%&#*%&#"&#"&#&&#&&#&&#&&#&&#&%&#"%&#"&#" 6!,&#($+#'%*"#*&#'&#&%&#'*#"&#&%*#""(*#("3*#&*+#(')#&',#&"#&,#"&#&%,#""($#+"3*#&*,#" 6!,&#($+#'%*"#*&#'&#&%&#'*#"&#&%*#""(*#)"3*#&*+#$')#&',#&"#&,#"&#&%,#""((#&"3*#&*,#& 6!&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#"&#&%&#"&#&&#&&#&&#&&#&&#&&#"&#&%&#" ^_N'àKKOb^_N'àKKOb^_N'àKKOb Vc:j]4^_N'àKKOb Vc:c>gVc:<\hVc:5d\ Vc:c>gVc:<\hVc:>7 ^_N'àKKOb^_N'àKKOb^_N'àKKOb ^_N'àKKObVc:5d\ Vc:5d\][1456e>76f6c>g6f6<\hi

212 BIJLAGE 7 Stedelijk grondwater Kampen 7.1 Buurten in Kampen 7.2 Maaiveldhoogte 7.3 Polderpeilen 7.4 Drooglegging 7.5 Boringen in de IJssel 7.6 Overzicht peilbuizen 7.7 Grondwater in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan van de gemeente Kampen Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 7 LW-AF

213 Bijlage 7.1: Ligging buurten I Mandjeswaard Kampereiland Grafhorst Zuiderzeehaven 999 De Waard De Koekoek 998 Kampen De Melm Industrieterrein Kampen Industrieweg Montagestraat Eckertstraat 997 Brunnepe Haatland Hanzewijk/Greente 996 Centrum IJsselmuiden Losse Landen Stationsplein Trekvaart Oosterholt Hagenbroek Binnenstad Kampen Groene Hart 995 Cellesbroek Middenwetering Wederiklaan Kampen Zuid Industrieterrein IJsselmuiden Flevowijk Bovenbroek 994 Buitengebied Wilsum Dronten De Maten De Venen 993 Polder Dronthen Stationslokatie Het Onderdijks meter Kamperveen Bronvermelding copyright Dienst voor het Kadaster en openbare registers, Apeldoorn Kamperveen Overzicht Legenda Buurten Onderverdeling buurten Projectnaam Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Opdrachtgever RWS PDR Auteur L.M Verwij Datum Kaartnummer 7.1 Schaal 1:40000 Versie V4.0 Bladnummer - Papierformaat A4 (Portrait)

214 Bijlage 7.2: Maaiveldhoogte I Kampen Dronten 993 meter Bronvermelding copyright Dienst voor het Kadaster en openbare registers, Apeldoorn Overzicht Legenda Buurten Onderverdeling buurten Maaiveldhoogte (AHN2) [m NAP] < > 6 Projectnaam Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Opdrachtgever RWS PDR Auteur L.M Verwij Datum Kaartnummer 7.2 Schaal 1:40000 Versie V4.0 Bladnummer - Papierformaat A4 (Portrait)

215 Bijlage 7.3: Polderpeilen I ZP = NAP-0.65 m WP = NAP-0.8 m 1001 ZP = NAP-0.4 m WP = NAP-0.6 m ZP = NAP-0.8 m WP = NAP-1 m ZP = NAP-0.7 m WP = NAP-0.9 m ZP = NAP-0.4 m WP = NAP-0.6 m ZP = NAP-0.6 m WP = NAP-0.8 m ZP = NAP-0.45 m WP = NAP-0.65 m ZP = NAP-0.35 m WP = NAP-0.5 m ZP = NAP-0.3 m WP = NAP-0.5 m ZP = NAP-1 m WP = NAP-1.2 m ZP = NAP-1.15 m WP = NAP-1.35 m ZP = NAP-3.7 m WP = NAP-3.8 m ZP = NAP-0.2 m WP = NAP-0.4 m ZP = NAP-0.2 m WP = NAP-0.4 m ZP = NAP-0.7 m WP = NAP-0.85 m ZP = NAP-0.65 m WP = NAP-0.85 m ZP = NAP-0.65 m WP = NAP-0.85 m Dronten meter ZP = NAP-1.1 m WP = NAP-1.3 m Kampen ZP = NAP-0.75 m WP = NAP-0.95 m ZP = NAP-0.7 m WP = NAP-0.85 m ZP = NAP-0.3 m WP = NAP-0.5 m ZP = NAP-0.3 m ZP = NAP-0.35 m WP = NAP-0.5 m WP = NAP-0.55 m 998 ZP = NAP-0.7 m WP = NAP-0.85 m ZP = NAP-1 m WP = NAP-1 m 997 ZP = NAP-0.7 m ZP = NAP-0.4 m WP = NAP-0.85 mwp = NAP-0.4 m WP = NAP-0.85 m ZP = NAP-1.15 m WP = NAP-1.35 m ZP = NAP-0.5 m ZP = NAP-0.4 m WP = NAP-0.4 m ZP = NAP-0.3 m WP = NAP-0.5 m ZP = NAP-0.65 m WP = NAP-0.7 m ZP = NAP-0.85 m WP = NAP-1.05 m 996 ZP = NAP-0.7 m WP = NAP-0.85 m ZP = NAP0.1 m WP = NAP-0.1 m ZP = NAP-3.3 m WP = NAP-3.4 m ZP = NAP-1.55 m WP = NAP-1.7 m ZP = NAP-1 m WP = NAP-1.2 m ZP = NAP-0.85 m WP = NAP-1.05 m ZP = NAP0.1 m WP = NAP-0.1 m ZP = NAP-0.95 m WP = NAP-1.1 m ZP = NAP-0.1 m WP = NAP-0.3 m ZP = NAP-0.65 m ZP Bronvermelding = NAP-1.2 m ZP = NAP-0.85 m WP = NAP-0.85 m copyright Dienst voor het Kadaster en openbare registers, ZP = NAP-0.4 Apeldoorn m WP = NAP-1.4 m WP = NAP-1.05 m WP = NAP-0.6 m Overzicht Legenda Buurten Onderverdeling buurten Projectnaam Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Opdrachtgever RWS PDR Auteur L.M Verwij Datum Kaartnummer 7.3 Schaal 1:40000 Versie V4.0 Bladnummer - Papierformaat A4 (Portrait)

216 Bijlage 7.4: Drooglegging I Kampen Dronten 993 meter Bronvermelding copyright Dienst voor het Kadaster en openbare registers, Apeldoorn Overzicht Legenda Buurten Onderverdeling buurten Drooglegging (zomer) [cm-mv] < > 500 Projectnaam Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Opdrachtgever RWS PDR Auteur L.M Verwij Datum Kaartnummer 7.4 Schaal 1:40000 Versie V4.0 Bladnummer - Papierformaat A4 (Portrait)

217 Bijlage 7.5: Boringen in IJssel I!!!! 1001!!!!!!! 1000!!!!!!!!!! 999!!!!!! 998!!!!!!!!!!! 997!!! Kampen!!!!!!! 996!!!!!!!!! 995!!!!!!!!!!! 994!!! Dronten!!!!! 993!!!!!!!!!!! meter Bronvermelding copyright Dienst voor het Kadaster en openbare registers, Apeldoorn Overzicht Legenda Buurten Onderverdeling buurten Boringen in IJssel [m klei/veen] #* niet geanalyseerd! geen weerstand! 0-0.2! ! 0.5-1! 1-2! 2-5! > 5 Projectnaam Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Opdrachtgever RWS PDR Auteur L.M Verwij Datum Kaartnummer 7.5 Schaal 1:40000 Versie V4.0 Bladnummer - Papierformaat A4 (Portrait)

218 Bijlage 7.6: Overzicht peilbuizen I!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.! !.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!. 998!. Kampen 997!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!. 996!. 995!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!. Dronten!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.!.! !.!.!.!.!. meter 0 500!.!.!.!.!.!.!.!.!. Bronvermelding copyright Dienst voor het Kadaster en openbare registers, Apeldoorn Overzicht Legenda Buurten Onderverdeling buurten Meetnet!.!.!.!. Deklaag!. Metingen in 2011!. Geen metingen in 2011 Watervoerend pakket!. Metingen in 2011!. Geen metingen in 2011 Projectnaam Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Opdrachtgever RWS PDR Auteur L.M Verwij Datum Kaartnummer 7.6 Schaal 1:40000!.!. Versie V4.0 Bladnummer - Papierformaat A4 (Portrait)

219 MNONZ?O[ BC'9D8!&''EFGCE788C 89HIJC8EKJ7897C D8 D88CK

220

221

222

223

224

225 BIJLAGE 8 Effecten zomerbedverlaging op winning Engelse Werk Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 8 LW-AF

226 DHV B.V. Bijlage 8 Logo MEMO Aan : Rijkswaterstaat Van : Annemieke van Doorn Dossier : BA Project : Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Betreft : Effecten korte zomerbedverlaging Ons kenmerk : LW-AF Datum : 14 maart 2012 Classificatie : Klant vertrouwelijk Bijlage 8: Effecten zomerbedverlaging op winning Engelse Werk Deze memo beschrijft het resultaat van de zomerbedverlaging op de winning Engelse Werk tezamen met de mitigerende maatregel: het verplaatsen van 2 putten bij het winpark Engelse Werk. Ontwerp Het ontwerp is weergegeven in Afbeelding 1. De gemiddelde vergraving in het rode tracé bedraagt circa 2,3 m. In het groene tracé wordt ongeveer 1,8 m vergraven Ter plekke van het zwarte tracé wordt geen grond vergraven. Afbeelding 1: Ontwerp van de zomerbedverlaging. DHV Groep is een internationaal advies- en ingenieursbureau dat wereldwijd actief is en kantoren heeft in Europa, Afrika, Azië en Noord-Amerika. DHV B.V. is onderdeel van de DHV Groep. Kamer van Koophandel nr Het kwaliteitssysteem van DHV B.V. is gercertificeerd volgens ISO 9001.

227 DHV B.V. Bijlage 8 Onder gemiddelde omstandigheden is de verlaging van het peil van de IJssel maximaal 7 cm. De grootste verlaging van het IJsselpeil treedt op nabij de uiterwaard De Zande. De IJssel wordt in de gemiddelde situatie alleen meer dan 5 cm verlaagd tussen net ten noordwesten van Zwolle en Kampen. Het effect op de IJssel bij de winning Engelse Werk bedraagt 5 cm onder gemiddelde omstandigheden. Effecten zomerbedverlaging op Engelse Werk Om het effect van een peilverlaging van 5 cm te compenseren worden 2 putten (0,74 Mm3/jaar) verplaatst bij het puttenveld Engelse Werk (zie bijlage 8.1). Het effect van deze 2 maatregelen (zomerbedverlaging en verplaatsen putten) is doorgerekend met het detailmodel van Vitens. De effecten op het intrekgebied van de winning, effecten op de grondwaterstanden (GXG) en de stijghoogte worden weergegeven in de bijlagen 8.1 t/m 8.6. Bijlagen 8.7 t/m 8.10 geven de grondwaterstand (mnap) weer in de referentie situatie De referentie situatie 2015 wordt beschouwd als: Ruimte voor de riviermaatregel Schellen en Oldenelerbuitenwaard de Hank is uitgevoerd; De winning bedraagt 12 Mm3/jaar (3,7 Mm3/jaar op park Engelse Werk en 8,3 Mm3/jaar op park Schellerwaard); Interceptiewinning is uit; Saneringsput bij station is in bedrijf; Zomerbedverlaging is niet uitgevoerd. De situatie met zomerbedverlaging wordt beschouwd als: Ruimte voor de riviermaatregel Schellen en Oldenelerbuitenwaard de Hank is uitgevoerd; De winning bedraagt 12 Mm3/jaar (3,7 Mm3/jaar op park Engelse Werk, waarbij de locatie van 2 putten is aangepast, en 8,3 Mm3/jaar op park Schellerwaard); Interceptiewinning is uit; Saneringsput bij station is in bedrijf; Zomerbedverlaging is uitgevoerd. Ten gevolge van de twee maatregelen treden de volgende effecten op ten opzichte van de referentie situatie 2015: Het intrekgebied verplaatst zich niet richting de verontreinigingen bij de saneringsput; De grondwaterstand daalt circa 5-8 cm onder gemiddelde omstandigheden tot circa 500 m van de IJssel. Tijdens droge perioden is het effect beperkt tot net langs de IJssel en rondom de nieuwe putlocaties (straal maximaal 100 m) waar de grondwaterstand maximaal 6 cm verlaagd wordt. In het bepompte pakket daalt de grondwaterstand circa 20 cm in de omgeving van de nieuwe putlocaties en stijgt circa 20 cm in de omgeving van de 2 putten die verlaten worden. Dit effect straalt uit tot maximaal 500 m van de putten. LW-AF maart 2012 Klant vertrouwelijk - 2 -

228 0 Mm3/j 0.07 Mm3/j 0.74 Mm3/j X X 2.96 Mm3/j 6.3 Mm3/j 2.0 Mm3/j Legenda 0 Mm3/j park Engelse Werk Engelse Werk uitbreiding 1 interceptieputten saneringsput extra saneringsput park Schellerwaard Schellerwaard uitbreiding 1 Schellerwaard uitbreiding 2 contour verontreiniging intrekgebied referentie intrekgebied na zomerbedverlaging Bijlage 8.1: Intrekgebied winning na zomerbedverlaging en verplaatsen putten Project: zomerbedverlaging 0 1,000 Opdrachtgever: Rijkswaterstaat Meters Kaartnr.: - Datum: Versie: - Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn ac bijlage_gxg.mxd

229 Legenda contour verontreiniging < Mm3/j 0.07 Mm3/j effect < > Mm3/j 0.74 Mm3/j X X 6.3 Mm3/j 2.0 Mm3/j 0 Mm3/j Referentiesituatie winning 12 Mm3/jaar - Hank uitgevoerd - interceptiewinning gesloten - saneringsput à 8 m3/h in bedrijf Bijlage 8.2: Effect zomerbedverlaging op gemiddelde grondwaterstand Project: Opdrachtgever: zomerbedverlaging Rijkswaterstaat 0 1,000 Meters Kaartnr.: - Datum: Versie: - Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn ac bijlage_gxg.mxd

230 Legenda contour verontreiniging < -0.4 m Mm3/j 0.07 Mm3/j effect < 0.05 m > 0.4 m 2.96 Mm3/j 0.74 Mm3/j X X 6.3 Mm3/j 2.0 Mm3/j 0 Mm3/j Referentiesituatie winning 12 Mm3/jaar - Hank uitgevoerd - interceptiewinning gesloten - saneringsput à 8 m3/h in bedrijf Bijlage 8.3: Effect zomerbedverlaging op gemiddelde laagste grondwaterstand Project: Opdrachtgever: zomerbedverlaging Rijkswaterstaat 0 1,000 Meters Kaartnr.: - Datum: Versie: - Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn ac bijlage_gxg.mxd

231 Legenda contour verontreiniging < -0.4 m Mm3/j 0.07 Mm3/j effect < 0.05 m > 0.4 m 2.96 Mm3/j 0.74 Mm3/j X X 6.3 Mm3/j 2.0 Mm3/j 0 Mm3/j Referentiesituatie winning 12 Mm3/jaar - Hank uitgevoerd - interceptiewinning gesloten - saneringsput à 8 m3/h in bedrijf Bijlage 8.4: Effect zomerbedverlaging op gemiddelde hoogste grondwaterstand Project: Opdrachtgever: zomerbedverlaging Rijkswaterstaat 0 1,000 Meters Kaartnr.: - Datum: Versie: - Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn ac bijlage_gxg.mxd

232 Legenda contour verontreiniging < -0.4 m Mm3/j 0.07 Mm3/j effect < 0.05 m > 0.4 m 2.96 Mm3/j 0.74 Mm3/j X X 6.3 Mm3/j 2.0 Mm3/j 0 Mm3/j Referentiesituatie winning 12 Mm3/jaar - Hank uitgevoerd - interceptiewinning gesloten - saneringsput à 8 m3/h in bedrijf Bijlage 8.5: Effect zomerbedverlaging op gemiddelde voorjaars grondwaterstand Project: Opdrachtgever: zomerbedverlaging Rijkswaterstaat 0 1,000 Meters Kaartnr.: - Datum: Versie: - Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn ac bijlage_gxg.mxd

233 Legenda contour verontreiniging < -0.4 m Mm3/j 0.07 Mm3/j effect < 0.05 m > 0.4 m 2.96 Mm3/j 0.74 Mm3/j X X 6.3 Mm3/j 2.0 Mm3/j 0 Mm3/j Referentiesituatie winning 12 Mm3/jaar - Hank uitgevoerd - interceptiewinning gesloten - saneringsput à 8 m3/h in bedrijf Bijlage 8.6: Effect zomerbedverlaging op gemiddelde stijghoogte (60 m-nap) Project: Opdrachtgever: zomerbedverlaging Rijkswaterstaat 0 1,000 Meters Kaartnr.: - Datum: Versie: - Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn ac bijlage_gxg.mxd

234 Legenda contour verontreiniging < -1 mnap Mm3/j 0.07 Mm3/j > 1.51 mnap 3.7 Mm3/j 0 Mm3/j 6.3 Mm3/j 2.0 Mm3/j 0 Mm3/j Referentiesituatie winning 12 Mm3/jaar - Hank uitgevoerd - interceptiewinning gesloten - saneringsput à 8 m3/h in bedrijf Bijlage 8.7: Referentie 2015: gemiddelde grondwaterstand, mnap Project: Opdrachtgever: zomerbedverlaging Rijkswaterstaat 0 1,000 Meters Kaartnr.: - Datum: Versie: - Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn ac bijlage_gxg.mxd

235 Legenda contour verontreiniging < -1 mnap Mm3/j 0.07 Mm3/j > 1.51 mnap 3.7 Mm3/j 0 Mm3/j 6.3 Mm3/j 2.0 Mm3/j 0 Mm3/j Referentiesituatie winning 12 Mm3/jaar - Hank uitgevoerd - interceptiewinning gesloten - saneringsput à 8 m3/h in bedrijf Bijlage 8.8: Referentie 2015: gemiddelde laagste grondwaterstand, mnap Project: Opdrachtgever: zomerbedverlaging Rijkswaterstaat 0 1,000 Meters Kaartnr.: - Datum: Versie: - Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn ac bijlage_gxg.mxd

236 Legenda contour verontreiniging < -1 mnap Mm3/j 0.07 Mm3/j > 1.51 mnap 3.7 Mm3/j 0 Mm3/j 6.3 Mm3/j 2.0 Mm3/j 0 Mm3/j Referentiesituatie winning 12 Mm3/jaar - Hank uitgevoerd - interceptiewinning gesloten - saneringsput à 8 m3/h in bedrijf Bijlage 8.9: Referentie 2015: gemiddelde hoogste grondwaterstand, mnap Project: Opdrachtgever: zomerbedverlaging Rijkswaterstaat 0 1,000 Meters Kaartnr.: - Datum: Versie: - Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn ac bijlage_gxg.mxd

237 Legenda contour verontreiniging < -1 mnap Mm3/j 0.07 Mm3/j > 1.51 mnap 3.7 Mm3/j 0 Mm3/j 6.3 Mm3/j 2.0 Mm3/j 0 Mm3/j Referentiesituatie winning 12 Mm3/jaar - Hank uitgevoerd - interceptiewinning gesloten - saneringsput à 8 m3/h in bedrijf Bijlage 8.10: Referentie 2015: gemiddelde voorjaars grondwaterstand, mnap Project: Opdrachtgever: zomerbedverlaging Rijkswaterstaat 0 1,000 Meters Kaartnr.: - Datum: Versie: - Auteur: Dossiernr.: Filenaam: A. van Doorn ac bijlage_gxg.mxd

238 BIJLAGE 9 Huidige situatie en effecten uiterwaardmaatregelen Scherenwelle Modeltechnische hydrologische definities. Parameter Definitie Grondwaterstand De waterhoogte die wordt berekend in de deklaag (modellaag 1). Stijghoogte De waterhoogte die wordt berekend in de overige modellagen (modellaag 2-7). Toegevoegd zal worden om welke modellaag en/of welk watervoerend pakket het gaat. Kwel/infiltratie Verticale stroming over de onderrand van modellaag 2. Hier is voor gekozen omdat de deklaag op sommige plaatsen dun is en het oppervlaktewatersysteem insnijdt in modellaag 2. Een positief getal betekent kwel (opwaartse stroming), een negatief getal betekent infiltratie (neerwaartse stroming). Aan- en afvoer Stroming van grondwater van of naar het oppervlaktewatersysteem (in modeltermen: stroming van/ naar rivers, drains en overlandflow). Bij afvoer stroomt er grondwater uit het model naar het oppervlaktewater (negatief getal). Bij aanvoer stroomt er water naar het grondwater (positief getal). GG Gemiddelde grondwaterstand op de 14 e en 28 e van iedere maand gedurende de jaren GHG en GLG De gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstand. In tegenstelling tot de gangbare definitie voor de GHG en de GLG wordt hier de output van een bepaalde datum genomen (zie bijlage 2). GHG: 28 december 1998 en GLG: 14 april 1996 Dynamiek Het verschil tussen de GHG en GLG (GHG-GLG) GVG Gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand: het gemiddelde van de grondwaterstand op 28 maart en 14 april gedurende de jaren OLA Overeengekomen laagwater, dit is de afvoer die circa 20 dagen per jaar wordt onderschreden en komt overeen met een gemiddeld jaarminimum. De OLA-periode loopt van 28 februari 1996 t/m 27 oktober T1 Hoogwatergolf die eens per jaar voorkomt. De T1-periode loopt van 28 oktober 1998 t/m 27 november T10 Hoogwatergolf die eens per 10 jaar voorkomt. De T10-periode loopt van 28 december 1994 t/m 16 april Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 9 LW-AF

239 BIJLAGE 10 Huidige situatie Bentinckswelle Modeltechnische hydrologische definities. Parameter Definitie Grondwaterstand De waterhoogte die wordt berekend in de deklaag (modellaag 1). Stijghoogte De waterhoogte die wordt berekend in de overige modellagen (modellaag 2-7). Toegevoegd zal worden om welke modellaag en/of welk watervoerend pakket het gaat. Kwel/infiltratie Verticale stroming over de onderrand van modellaag 2. Hier is voor gekozen omdat de deklaag op sommige plaatsen dun is en het oppervlaktewatersysteem insnijdt in modellaag 2. Een positief getal betekent kwel (opwaartse stroming), een negatief getal betekent infiltratie (neerwaartse stroming). Aan- en afvoer Stroming van grondwater van of naar het oppervlaktewatersysteem (in modeltermen: stroming van/ naar rivers, drains en overlandflow). Bij afvoer stroomt er grondwater uit het model naar het oppervlaktewater (negatief getal). Bij aanvoer stroomt er water naar het grondwater (positief getal). GG Gemiddelde grondwaterstand op de 14 e en 28 e van iedere maand gedurende de jaren GHG en GLG De gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstand. In tegenstelling tot de gangbare definitie voor de GHG en de GLG wordt hier de output van een bepaalde datum genomen (zie bijlage 2). GHG: 28 december 1998 en GLG: 14 april 1996 Dynamiek Het verschil tussen de GHG en GLG (GHG-GLG) GVG Gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand: het gemiddelde van de grondwaterstand op 28 maart en 14 april gedurende de jaren OLA Overeengekomen laagwater, dit is de afvoer die circa 20 dagen per jaar wordt onderschreden en komt overeen met een gemiddeld jaarminimum. De OLA-periode loopt van 28 februari 1996 t/m 27 oktober T1 Hoogwatergolf die eens per jaar voorkomt. De T1-periode loopt van 28 oktober 1998 t/m 27 november T10 Hoogwatergolf die eens per 10 jaar voorkomt. De T10-periode loopt van 28 december 1994 t/m 16 april Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 10 LW-AF

240 BIJLAGE 11 Besprekingsverslagen projectgroep Grondwater Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 11 LW-AF

241 NoLogo VERSLAG DHV B.V. Vergadering : Verslag Overleg modelwerkzaamheden Zomerbedverdieping Kampen Datum vergadering : 24 februari 2010 Plaats : Waterschap Veluwe, Apeldoorn Opdrachtgever : Rijkswaterstaat Project : Zomerbedverlaging Kampen Dossier : C Ons kenmerk : WA-MS Datum : 15 maart 2010 Aanwezig : WS Veluwe: Anton Koot Richard Meijer Lisette van den Bos WS Groot Salland: Wilgert Veldman Provincie Overijssel: Johan Kabout Gemeente Zwolle: Wijnand van de Werfhorst DHV: Joost ter Hoeven Annemieke van Doorn Liesanne Verwij De voorgenomen Zomerbedverlaging heeft mogelijk effecten op de omgeving. In de SNIP3 fase dienen de effecten op andere belanghebbenden in kaart gebracht te worden. Om deze reden zullen gedurende dit project vier overleggen plaatsvinden met de Waterschappen Veluwe en Groot-Salland, Provincie Overijssel en Gemeente Zwolle. De overleggen hebben het volgende doel: Tijdens de overleggen wordt aangeven welke belangen in het gebied spelen en op welke wijze rekening gehouden dient te worden met deze belangen; Tijdens de overleggen wordt de modelleringsmethode en aanpak besproken opdat iedereen het eens is met de modelleringsmethode; Gebiedskennis (autonome ontwikkelingen) worden aangedragen; De ambtelijke partijen toetsen de opgeleverde stukken betreffende de wijze van modelaanpassing en berekende effecten. Planning Grondwatermodelwerkzaamheden Eind maart: model aangepast aan diverse aanwezige modellen; Half april: aanpassen model aan autonome ontwikkelingen; Eind mei: Effecten met grondwatermodellering in kaart gebracht; Mei-oktober: opzetten van een monitoringsnetwerk; Oktober: afronding gehele SNIP 3 fase. Welke effecten dienen met het model in kaart gebracht te worden? Verdroging van natuur en landbouw in kaart brengen op basis van GLG en GHG; DHV B.V. is onderdeel van de DHV Groep, een advies- en ingenieursbureau dat wereldwijd actief is en kantoren heeft in Europa, Afrika, Azië en Noord-Amerika. Het hoofdkantoor is gevestigd in Nederland. Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland nr Het kwaliteitssysteem van DHV B.V. is gecertificeerd volgens ISO 9001.

242 DHV B.V. Verdroging van bebouwd gebied (zetting en paalrot bij op hout gefundeerde bebouwing) op basis van laagwatersituatie; Kwel binnendijks en af- toename waterafvoer (waterbeheer polders) op basis van gemiddelde modeluitkomsten en tijdens hoog- en laagwater; Natschade landbouw op basis van GLG en GHG Waternood; Verplaatsing puntverontreinigingen en effect op beheersmaatregelen op basis van gemiddelde fluxen; Archeologische monumenten (o.a. landgoederen: fundering, waterpartijen, enz). Informatie bij provincie en gemeenten op basis van gemiddelde grondwaterstandeffecten; Door ingreep zijn er effecten op belanghebbenden (b.v. Vitens), daar moet naar gekeken worden. Uit overleg met Vitens blijkt dat alleen effecten tijdens gemiddelde situaties gewenst zijn: o Effect op beinvloedingsgebied Vitens dient in kaart gebracht te worden o Effect op stroming ter plaatse van verontreinigingen dient uitgezocht te worden Om de overige belanghebbenden in kaart te brengen maakt Wilgert een opzet voor een matrix met belangen waar naar gekeken moet worden. Bepalen autonome ontwikkelingen De bepaling van wat de autonome situatie is, is van belang voor mogelijke claims als gevolg van de ingreep, bij wie de claims terecht moeten komen. Het MIPWA-model zoals dat nu beschikbaar is loopt van 1989 tot Hierin zijn dus niet de gebeurtenissen tot 2010 opgenomen; PKB-maatregelen komen wel in het model, en worden als autonome ontwikkeling meegenomen; Eerst zullen de autonome ontwikkelingen benoemt worden en vervolgens wordt bepaald welke wel of niet meegenomen moeten worden in de modellering, inclusief een beargumentering; De waterschappen, gemeenten en provincie leveren een overzicht van autonome ontwikkelingen en aandachtslocaties (b.v. natuurreserveringsgebieden). De waterschappen nemen hierover contact op met de gemeenten binnen hun beheersgebied (Zwolle, Hattem, Oldenbroek en Kampen); Klimaatontwikkelingen worden niet meegenomen in de modellering, omdat dit geen effect van de maatregel is. Wel kunnen klimaatontwikkelingen het effect van de maatregel versterken, of afzwakken; De geul bij Veessen Wapenveld wordt niet meegenomen in de modellering, dit omdat deze alleen afvoert bij de 1x per 100 jaar hoogwatersituatie. Deze hoogwatersituatie is niet maatgevend voor landbouw (natschade). Wel wordt in de rapportage beschreven dat de geul er is en dat er niets mee gedaan wordt in de modellering. Afspraken hoogwatergolf en laagwater situatie GxG worden over langere periode bepaald ( ); Hoog- en laagwatersituatie worden eerst met oppervlaktewatermodel doorgerekend, vervolgens wordt de output als input voor het grondwatermodel gebruikt; Hoogwatergolf komt doorgaans voor bij hoge standen van de IJssel en veel neerslag; o Een T=1 situatie wordt opgenomen in het model; o Een T=10 situatie wordt opgenomen in het model. o De duur van de hoogwatergolf is ca 10 dagen (werkelijke duur), de golf zakt weer in ca 3 stapjes; o Om te bepalen op welk tijdstip na een hoog/laagwatergolf de ergste effecten optreden, zullen in raaien dwars op de IJssel tijdreeksen gemaakt worden. De raaien gaan over Zwolle, Hattem en ergens over het landelijke gebied; o Van 2 kenmerkende tijdstippen worden gebiedsdekkende kaarten gemaakt; o Hoogwater als gevolg van stormopzet op het IJsselmeer wordt niet doorgerekend, omdat dit altijd maar kort (maximaal 48 uur) duurt en er al veel effect is van de neerslag waar een storm meestal mee gepaard gaat, is dit geen maatgevende situatie; WA-MS maart

243 DHV B.V. Laagwater: Laagwatersituaties zijn meestal langere periodes waarbij weinig neerslag valt. Op basis van de metingen van de IJsselstand en de KNMI neerslaggegevens wordt een representatief jaar uitgezocht om het laagwater op te leggen. De laagste waterstand wordt bepaald op basis van het OLA. Randvoorwaarden / genoemde aandachtspunten qua model Initiële grondwaterstanden/stijghoogten zijn van belang voor effecten die berekend worden. Als met relatief hoge initiële standen gerekend wordt, kan het wel de gehele modelperiode duren voor het uitgezakt is, hierdoor geven de GxG s een vertekend beeld; Het MIPWA-model heeft een structureel verschil met de werkelijkheid, omdat er gedurende de tijd aanpassingen in de peilbesluiten zijn geweest, die niet in het model zitten. Om deze reden wordt het model met de metingen alleen vergeleken voor de periode ; De voorgestelde modelgrens loopt nu dwars door stroomgebieden heen. Voorstel om als modelgrens op de Veluwe een isohypse te kiezen die buiten het sprengengebied om loopt. De waterschappen geven aan welk gebied zij in het model willen hebben. Hierbij geldt wel dat het modelgebied beperkt wordt door het aantal cellen en de rekentijd. Hoe verbeteren we het MIPWA-model? Deel Waterschap Veluwe, detailinformatie ontbreekt. o C-waarde wordt overgenomen uit Veluwe model indien anders o Gebied binnen model TAUW wordt geheel vervangen o Oppervlaktewater overige gebied wordt aangepast op basis van legger en bodemmetingen en GGOR2005 peilen; Deel Waterschap Groot Salland: o Gebied binnen model TAUW wordt geheel vervangen o Model wordt aangepast voor oppervlaktewater en C-waarde binnen model Vitens; IJssel: de weerstand is te hoog, de weerstand wordt aangepast op basis van gegevens in model Vitens en model Tauw; Welke aanname is gedaan voor het percentage verharding in stedelijk gebied? De waterschappen stemmen met de gemeenten af of de percentages kloppen; Welke nauwkeurigheid dient het model te hebben? De gemiddelde afwijking van de GLG en GHG moet binnen een grondwatertrap liggen; De standaardafwijking dient zo klein mogelijk te zijn; Binnen peilbeheerste gebieden mag de maximale afwijking niet groter dan 20 cm zijn; Het model dient vooral goed te zijn in gebieden met landbouw (laag 1), in gebieden met verontreinigingen (laag 2) en ter plekke van locaties met belangen (zie doel modellering); Na berekening van de afwijkingen stuurt DHV kaarten met afwijkingen naar de waterschappen voor het overleg over het resultaat; Afspraken: DHV heeft de kaart met het voorgestelde projectgebied geleverd. De Waterschappen geven indien het nog niet gebeurd is hun voorgestelde grens aan (plaatje/ GIS-file). Hierbij is de randvoorwaarde dat het model runbaar blijft (rekentijd maximaal halve dag (veel) groter gebied kan leiden tot grotere gridcellen). Alle ambtelijke partijen geven de autonome ontwikkelingen aan in de matrix geleverd door Wilgert Veldman (is bijgeleverd); De Waterschappen stemmen met de Gemeenten af of het model aangepast dient te worden voor verhard gebied (wij zijn voornemens eind deze week het model aan te zetten, indien deze acties nog uitstaan dan horen wij dat graag deze week); WA-MS maart

244 DHV B.V. DHV past het plan van aanpak aan, en stuurt dat deze week rond. WA-MS maart

245 NoLogo VERSLAG DHV B.V. Vergadering : Verslag Overleg 2 van modelwerkzaamheden Zomerbedverlaging IJssel SNIP 3 Datum vergadering : 19 april 2010 Plaats : Waterschap Veluwe, Apeldoorn Opdrachtgever : Rijkswaterstaat Project : Zomerbedverlaging IJssel SNIP3 Dossier : C Dossier : Modelresultaten huidige situatie Ons kenmerk : WA-MS Datum : 3 mei 2010 Aanwezig : Rijkswaterstaat Pieter Hoefsloot WS Veluwe Lisette van den Bos WS Groot Salland Wilgert Veldman Provincie Overijssel Johan Kabout DHV Odelinde Nieuwenhuis Annemieke van Doorn Marjon Paas Kopie : DHV Joost ter Hoeven Ron Stroet De voorgenomen Zomerbedverlaging heeft mogelijk effecten op de omgeving. In de SNIP3 fase dienen de effecten op andere belanghebbenden in kaart gebracht te worden. Om deze reden zullen gedurende dit project vier overleggen zijn met de Waterschappen Veluwe en Groot-Salland, Provincie Overijssel en Gemeente Zwolle. Dit is het verslag van het tweede overleg. De overleggen hebben het volgende doel: Tijdens de overleggen wordt aangeven welke belangen in het gebied spelen en op welke wijze rekening gehouden dient te worden met deze belangen; Tijdens de overleggen wordt de modelleringsmethode en aanpak besproken opdat iedereen het eens is met de modelleringsmethode; Gebiedskennis (autonome ontwikkelingen) worden aangedragen; De ambtelijke partijen toetsen de opgeleverde stukken betreffende de wijze van modelaanpassing en berekende effecten. Bij dit tweede overleg is Pieter Hoefsloot van Rijkswaterstaat aanwezig. Plan van Aanpak Naar aanleiding van het overleg op 24 februari 2010 is het plan van aanpak door DHV aangepast. Het definitieve plan van aanpak is besproken en is goedgekeurd door alle aanwezigen. De ligging van 4 raaien (Zwolle, Hattem, Maarsenbroek en Wapenveld) waar tijd-stijghoogtelijnen worden DHV B.V. is onderdeel van de DHV Groep, een advies- en ingenieursbureau dat wereldwijd actief is en kantoren heeft in Europa, Afrika, Azië en Noord-Amerika. Het hoofdkantoor is gevestigd in Nederland. Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland nr Het kwaliteitssysteem van DHV B.V. is gecertificeerd volgens ISO 9001.

246 DHV B.V. gepresenteerd zijn vastgesteld (Afbeelding 1). Afbeelding 1 Ligging raaien voor de presentatie van de effecten van hoog- en laag water Betrouwbaarheid van het grondwatermodel Naar aanleiding van de eerste versie van Deelrapport II: Geohydrologie waarin het model, na enkele aanpassingen, is besproken, worden de volgende opmerkingen genoemd: Provincie Overijssel: Johan Kabout verwacht dat de gemodelleerde contouren de effectcontouren zullen benaderen met dit model. Hij acht het niet mogelijk om het model veel te verbeteren. WS Groot Salland: Wilgert Veldman vindt dat het gebied van waterschap Groot Salland mooi in het model zit. Een enkele afwijking van 0.58 m komt mogelijke door lokale omstandigheden. Wilgert vraagt naar WA-MS mei

247 DHV B.V. aanleiding van een opmerking van Anton Koot tijdens het vorige overleg of effecten op het gebied Veessen- Wapenveld (PKB-maatregel) met dit model juist in kaart kunnen worden gebracht. WS Veluwe: Lisette van den Bos vindt de afwijkingen tussen de metingen en het model in Veesen- Wapenveld te groot. In ieder geval in dit gebied dient de afwijking verkleind te worden (de aanpassingen die nodig zijn om het model rond Veessen-Wapenveld te verbeteren, moeten wel worden toegepast in het overige deel van WS Veluwe, buiten het aanpassingsgebied van TAUW). De afwijkingen in de grondwaterstanden ten westen van het Apeldoorns kanaal hoeven niet kleiner te worden, omdat er in dit gebied geen effecten van de zomerbedverlaging worden verwacht. Binnen het modelgebied zijn polders waar in de afgelopen jaren een bodemdaling van 1 cm per jaar is geweest. Er wordt besloten geen bodemdaling mee te nemen in het model. De volgende acties zullen worden uitgevoerd door DHV om het model binnen WS Veluwe te verbeteren: Bodemhoogte: De bodemhoogte van de niet ingemeten watergangen wordt verhoogd op basis van een gemiddelde verhoging van de watergangen die wel door het waterschap zijn ingemeten. Weerstand: De weerstand van de watergangen en detailontwatering wordt aangepast. Bepalen van autonome ontwikkelingen en de effecten van autonome ontwikkelingen Tijdens het eerste overleg zijn alle autonome ontwikkelingen al benoemd. Tijdens het tweede overleg zijn geen nieuwe autonome ontwikkelingen naar voren gekomen, wel zijn enkele acties vastgesteld, die in week 16 worden uitgevoerd. DHV neemt contact op met Vitens om het onttrekkingsdebiet van Engelse Werk af te spreken dat als referentiesituatie wordt opgenomen in het MIPWAmodel. Wilgert Veldman gaat na of er nog peilveranderingen (> 20 cm) binnen Waterschap Groot-Salland zijn uitgevoerd dien als interne maatregel dienen meegenomen te worden. Op basis van het watergebiedsplan is door DHV geen reden tot het opnemen van andere autonome ontwikkelingen gevonden; Wilgert Veldman zal de contactpersonen bij gemeente Zwolle en Hattem nog eenmaal aanspreken op het aanleveren van autonome ontwikkelingen (mochten deze er zijn). Lisette v.d. Bos gaat intern na of er nog autonome ontwikkelingen in Waterschap Veluwe worden uitgevoerd die opgenomen moeten worden in het model; DHV geeft aan dat nog niet duidelijk is welke autonome ontwikkelingen in welke modelrun worden doorgerekend. DHV levert een overzicht van de autonome ontwikkelingen en de modelruns aan via . In deze zal ook aangegeven worden welke effecten gevisualiseerd worden. (is bijgevoegd, laatste bladzijde). Effecten op drinkwaterbeschermingsgebieden Engelse Werk Tijdens het overleg is geopperd om te voorkomen dat dezelfde effecten van de zomerbedverlaging op drinkwaterwinning Engelse Werk berekend worden met 2 verschillende modellen. Het is handiger om de effecten op te delen ( voor welk effect is welk model het meest representatief) en de keuzes te onderbouwen. Anders leidt het ertoe dat er straks 2 effectkaarten liggen (gemaakt m.b.v. 2 verschillende modellen) die dezelfde effecten presenteren maar niet met elkaar overeenkomen. Effecten berekend met model Vitens Effect op intrekgebied van winning Effect op verplaatsing van verontreinigingen Effect op stijghoogte bovenin het eerste watervoerende pakket Effecten berekend met MIPWA-model WA-MS mei

248 DHV B.V. Effect op natuur en landbouw (GXG) Dit wordt afgestemd met Vitens. Reserveringsgebied Koppelerwaard Het reserveringsgebied Koppelerwaard wordt door de Provincie aangedragen als aandachtspunt. In overleg met de vergunningverlener van de provincie Overijssel moet vastgesteld worden wanneer de zomerbedverlaging een significante invloed heeft op de ligging van het reserveringsgebied. Afgesproken is dat dit tijdens een overleg met de vergunningverleners van de Provincie nader besproken wordt. Afbeelding 2 Ligging milieubeschermingsgebieden met de functie waterwinning Planning Grondwatermodelwerkzaamheden Half april: model aangepast aan diverse aanwezige modellen; April en begin mei: aanpassen model aan autonome ontwikkelingen; Begin juni: Effecten met grondwatermodellering in kaart gebracht; Half juli: Bespreken eindresultaat Juli en augustus: Opzetten van een monitoringsnetwerk; Oktober: afronding gehele SNIP 3 fase. Doel derde overleg Tijdens het derde overleg (begin juni) worden de effectberekeningen globaal gepresenteerd. De effectcontouren worden besproken en mogelijke knelpunten worden benoemd. WA-MS mei

249 DHV B.V. VOORSTEL SCENARIO S + AUTONOME ONTWIKKELINGEN + EFFECTKAARTEN/ TABELLEN MIPWA-model Run 1 = autonome ontwikkelingen (huidige model +calibratie + winning Vitens verplaatst a 10.5 miljoen). Op basis van de aangeleverde gegevens zijn geen andere autonome ontwikkelingen geconstateerd die ingevoerd moeten worden in het model. Run 2 = run1 + zomerbedverlaging + zandvang 2.5 km Run 3 = run 2 + bypass Kampen + Westenholte + Scheller en Oldeneler waarden Output run 1, 2 en 3: voor run 1 geldt dat de situatie wordt gepresenteerd en voor run 2 en 3 het effect (hieronder wordt het voor run 2 en 3 benoemd): Kaart effect op gemiddelde grondwaterstand en gemiddelde stijghoogte Kaart met archeologische monumenten + verandering GG Effect op natuur en landbouw berekend met waternood en GXG (kaarten nieuwe doelrealisatie en verschil in doelrealisatie natuur en landbouw) Kaarten effect op grondwatersysteem tijdens 1 * per jaar hoog, 1 * per 10 jaar hoog en laagwater Kaart: gebied waarop de toename van de grondwaterstand wordt weergegeven alleen binnen het gebied waar mogelijk wateroverlast optreedt bij hoog water (mogelijk wateroverlast: grondwaterstand < 70 cm-mv); Kaart effect op GLG met stedelijk gebied. Kaarten effect op kwel en infiltratie en effect of toe- /afname afvoer binnendijks gemiddelde situatie en 1 * per 10 jaar hoogwater Tijd-stijghoogtelijnen bij 4 raaien (per raai 1 figuur) Tabel verplaatsing puntverontreinigingen (snelheid + richting) op basis van gemiddelde fluxen Effect op Koppelerwaard, dit wordt ingeschat op basis van de effectcontouren van de Zomerbedverlaging (gemiddelde grondwaterstand en stijghoogte) en randvoorwaarden die nog aangegeven moeten worden door de Provincie. Run 4 = run2 + volledig verondiepte zandwinplassen in de Onderdijkse waarden (naar verwachting gedempt) Output run1 en 4 Kaarten: Effect op GXG Kaart: Effect op kwel en infiltratiefluxen Kwalitatief: Effect op waterkwaliteit Vitens model, nog af te stemmen met VItens Run A = autonome ontwikkeling (winning engelse Werk op goede locatie 10.5 miljoen met Scheller en Oldener waarden) het model wordt aangeleverd Run B = Run 1 + zomerbedverlaging + zandvang Run C = Run B zonder de winning van Vitens Output run A, B en C Kaart intrekgebied van winning met locatie verontreinigingen run A en B Kaarten effect winning Vitens op stijghoogte in het eerste watervoerende pakket (GHG, GLG), verschil tussen run C en B Tabel percentage IJsselwater dat in winning komt (run A en B) WA-MS mei

250 NoLogo VERSLAG DHV B.V. Vergadering : Zomerbedverlaging (aanpak geohydrologie) Datum vergadering : 5 oktober 2010 Plaats : DHV Deventer Opdrachtgever : Rijkswaterstaa Project : Zomerbedverlaging IJssel SNIP3 Dossier : C Onderwerp : Aanpak geohydrologie Ons kenmerk : Datum : 7 oktober 2010 Aanwezig : Rijkswaterstaat Jacqueline Bulsink WS Veluwe Lisette van den Bos WS Groot Salland Wilgert Veldman Provincie Overijssel Johan Kabout DHV Annemieke van Doorn Sander Zweers Liesanne Verwij Afwezig : Rijkswaterstaat Gerjan Verhoeff Kopie : DHV Joost ter Hoeven Ron Stroet Doel overleg Het doel van het overleg is om te bespreken waar we nu staan (hoe goed is het model nu). Daarnaast is het oorspronkelijke plan van aanpak gelegd naast de nieuwe opgave van het MER. Aandachtpunt is daarbij hoe gaan we in het MER de effecten van de Zomerbedverlaging presenteren. Model zoals het er nu uitziet Annemieke van Doorn (AvD) licht de memo naar aanleiding van de vragen toe; Johan Kabout (JK) vraagt zich af in hoeverre de kwel/afvoer bij de Sprengenbeken bij Hattem verandert. Veranderingen zullen meegenomen worden in de natuurbeoordeling; AvD geeft aan dat er geen effecten op de Veluwe zullen zijn door het voorkomen van Eemklei; AvD geeft aan dat de verhoging van de grondwaterstand die bij Hattem te zien is, niet klopt, omdat het oppervlaktewater hier nog niet goed in het model zit. Dit wordt voor de volgende berekening aangepast; Wilgert Veldman (WV) heeft een vraag over het heen en weer springen van de effectijdstijghoogtetlijnen. AvD legt uit dat dit komt omdat niet overal op dezelfde plek de maximale effecten optreden, hierdoor is het effect soms positief en soms negatief, het gaat niet om absolute waarden, maar om veranderingen. Met deze lijnen wordt bepaald voor welke datum de vlakdekkende effectplaatjes gepresenteerd zullen worden. WV vraagt zich af of het mogelijk is om per gridcel de hoogste waarde die in een bepaalde periode voorkomt te presenteren. Dit is mogelijk, de vraag is alleen of het meerwaarde heeft. LvdB en WV geven dit uiterlijk aan op 15 oktober als dit de voorkeur heeft. DHV B.V. is onderdeel van de DHV Groep, een advies- en ingenieursbureau dat wereldwijd actief is en kantoren heeft in Europa, Afrika, Azië en Noord-Amerika. Het hoofdkantoor is gevestigd in Nederland. Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland nr Het kwaliteitssysteem van DHV B.V. is gecertificeerd volgens ISO 9001.

251 DHV B.V. WV vraagt of de plaatjes van de effecten ook doorgestuurd kunnen worden. AvD stuurt de plaatjes door; AvD geeft aan dat bij de kalibratie gericht op het Veessen Wapenveld ook het zuidelijke deel van de Veluwe op gelijke manier is aangepast. Het zuidelijke deel is hierdoor verbeterd, maar nog steeds iets te droog. Dit komt omdat in dit gebied er nog een verschil is tussen de legger en metingen van de bodemhoogte van watergangen. AvD stelt voor om de bodemhoogte van watergangen te verhogen. Dit wordt niet nodig gevonden. De zomerbedverlaging heeft een verdrogend effect, doordat in het zuidelijke deel van de Veluwe het model te droog is, zullen de effecten overschat worden. Afgesproken wordt dat het zuidelijke deel van de Veluwe niet aangepast wordt en dat de overschatting in het achterhoofd gehouden wordt; WV vraagt of de kalibratie van het Groot Sallandse deel van het model goed is. AvD kijkt dit na; AvD geeft aan dat in het model onder Deventer het oppervlaktewatersysteem niet is verfijnd. Ze vraagt of het nog nodig is om dat deel alsnog te verfijnen. Afgesproken wordt dat, aangezien er geen effecten zijn onder Deventer en de effecten van het VKA kleiner zullen, verfijning van het oppervlaktewatersysteem niet nodig is; AvD legt uit dat het model geschikt is om effecten op de gemiddelde situatie en extreme hoog- en laagwatersituaties mee door te rekenen. Het model is minder geschikt om het effect op de GxG mee te berekenen, omdat er buiten de extreme situaties een gemiddeld IJsselpeil in het model is opgelegd. AvD stelt twee methoden voor om toch het effect op de GxG te bepalen: o Superponeer de effecten die t.g.v. een hoog of laag IJsselpeil op een bepaalde datum optreden op een GxG-kaart die door de waterschappen gebruikt wordt voor o.a. peilbesluiten. Op bestuurlijk niveau is namelijk al overeenstemming over het gebruik van die kaarten. o Gebruik de effecten en absolute grondwaterstanden die op een bepaalde datum optreden, waarvoor de situatie reprsentatief geacht wordt voor de GxG; De voorkeur is om de bestaande GxG-kaarten van de waterschappen te gebruiken, om de effecten op te superponeren. De vraag welke datum (of het maximale effect) geschikt is om de effecten op te bepalen blijft open staan. AvD doet deze week een voorstel, zodat LvdB en WV het intern kunnen bespreken en tot een keuze kunnen komen; Plan vaan aanpak/mer Afgesproken wordt om de volgende effecten te presenteren: Effect Hoog peil Laag peil Gemiddeld peil Opmerkingen Geohydrologie GXG X X X voor het gehele gebied 2 kaarten (noordelijk en zuidelijk en kwel deel) Effect wateroverlast hoogwater op X De effecten op wateroverlast zijn positief en hoeven niet gepresenteerd te worden Effect op risico zetting X Komt in een apart geotechnisch rapport Effect op wateraan- X X X Presenteren per peilgebied (of clustering van en afvoer peilgebieden) verandering kwel/wegzijging en omklappen kwel naar wegzijging en v.v. op kaart en in tabel 7 oktober

252 DHV B.V. Opmerking JK: Waterkwaliteit (o.a. bij stedelijk water) Na gaan hoe Tauw ermee om is gegaan. Met Tauw wordt een afspraak gemaakt om de modelaanpak van beide projecten te vergelijken. Natuur X X Kwalitatief, vooral afhankelijk van inundatie Effect op drinkwatervoorraad koppelerwaard X Nagegaan moet worden of de effecten zo zullen zijn dat de beschermingscontouren aangepast moeten worden. Als de contouren aangepast moeten worden, dan zullen aanvullende berekeningen met het lokale model van Vitens uitgevoerd moeten worden. Op basis van de nieuwe effectsommen tijdens het MER wordt middels pathline- berekeningen aangegeven worden in hoeverre de contouren zullen wijzigen. Landbouw X X waternood landbouw wordt doorgerekend. Archeologie/ monumenten X Tabel: per plek effect op gemiddelde grondwaterstand Verontreinigingen X Tabel: per verontreiniging, effect op stromingssnelheid en richting AvD geeft aan dat het model nu met gridcellen van 50x50 doorgerekend is. Ze wil weten of 100x100 cellen ook acceptabel is en voldoende mate van detail geeft. Het rekenen met grotere cellen scheelt namelijk veel reken- en doorlooptijd. LvdB en WV bespreken intern of een grotere gridcellen ook acceptabel zijn. Vitens-spoor Het doorrekenen van effecten met het model van Vitens zal apart gerapporteerd worden. De resultaten zullen wel meegenomen worden in het MER, maar zonder details. 7 oktober

253 DHV B.V. Monitoringsrapportage JK: Wat is de bedoeling van het monitoringsplan? AvD geeft aan dat ze graag wil dat het WS en de provincie nadenken over hun wensen m.b.t. monitoring, zodat die in een geactualiseerd monitoringsplan meegenomen kunnen worden. Er wordt aangegeven dat de Gemeenten hier wellicht ook in betrokken moeten worden. DHV regelt een apart overleg over het monitoringsplan met de betrokkenen. Rondvraag LvdB: Wat is de rol van de provincie Gelderland in het project? JK: De provincie Gelderland is geen belanghebbende, omdat de effecten niet tot aan drinkwaterwinningen in de provincie Gelderland reiken. Pas als en HEN- en SED-doelstellingen aangepast moeten worden, zal de provincie Gelderland ook actiever bij het proces betrokken worden; WV merkt op dat bij andere studies hij nooit zo betrokken is geweest bij keuzes m.b.t. modellering. AFSPRAKENLIJST Actienummer Omschrijving Actie door Datum gereed 1 Aanpassing oppervlaktewatersysteem bij Hattem DHV 2 Doorsturen effectplaatjes AvD 3 Kalibratie van het zuidelijke deel van de Veluwe is niet nodig DHV 4 Nakijken of kalibratie van het Groot Sallandse deel van het model goed is 5 Er is geen verfijning van het oppervlaktewatersysteem onder Deventer nodig AvD DHV Het calibratieresul taat is bepaald voor het gehele gebied Waterschap Groot-Salland (behalve het gebied dat door Tauw verfijnd is (zie rapportage. 6 Voorstel voor methode voor berekening effecten op GxG AvD voor einde week 40 7 Aangeven of de effecten van een hoog of laag IJsselpeil van 1 datum moeten worden gepresenteerd of het maximale effect. LvdB+WV voor einde week 41 8 Intern bespreken en terugkoppelen voorstel over berekening effecten op GxG LvdB + WV voor einde week 41 9 Na gaan hoe Tauw met waterkwaliteit om is gegaan DHV plant 7 oktober

254 DHV B.V. Actienummer Omschrijving Actie door Datum gereed overleg met TAUW 10 Nagegaan of de effecten zo zullen zijn dat de beschermingscontouren van Vitens aangepast moeten worden DHV bepaalt dit bij de effectberek ening voor het MER 11 Bepalen of gridgrootte van 100x100 ook acceptabel is LvdB + WV voor einde week Overleg inplannen met betrokkenen voor monitoringsplan DHV 7 oktober

255 ogo VERSLAG DHV B.V. Vergadering : Bespreking van grondwatereffecten en grondwatermonitoringsplan Datum vergadering : 1 februari 2011 Plaats : DHV Deventer, Twente zaal Opdrachtgever : Rijkswaterstaat Project : Zomerbedverlaging beneden IJssel Dossier : C Onderwerp : Bespreking van effecten op grondwater en grondwatermonitoringsplan Ons kenmerk : LW-AF Datum : 7 februari 2011 Aanwezig : Rijkswaterstaat: Gerjan Verhoeff Jacqueline Bulsink Geert Menting WS Groot Salland: Wilgert Veldman WS Veluwe: Lisette van de Bos Provincie Gelderland: Harm Jan Reit Provincie Overijssel: Thomas de Meij Deltares: Toine Vergroesen DHV B.V.: Joost ter Hoeven Annemieke van Doorn Liesanne Verwij Afwezig : Provincie Overijssel: Dianne Laarman-Hoogendoorn DHV: Arjan van t Zelfde Kopie : 1 februari Overleg Effecten Zomerbedverlaging situatie 2016 en aanpak monitoring Dit is een beknopt verslag van de belangrijkste punten die besproken zijn tijdens het overleg over de grondwatereffecten en grondwatermonitoringsplan. Eerst is in een korte weergave geschetst wat er het afgelopen jaar gebeurd is / uitgezocht is en afgesproken. Eind maart dient een MER rapportage opgeleverd te worden waarin de effecten van de Zomerbedverlaging worden weergegeven. In deze rapportage wordt weergegeven: 1. Effect Zomerbedverlaging situatie 2010; 2. Effect Zomerbedverlaging 2016 (inclusief sanering bodem IJssel en andere ruimte voor de rivierprojecten); 3. Effect Zomerbedverlaging 2016 met hoogwatergeul Kampen; 4. Effect Zomerbedverlaging en IJsselmeerpeil + 30 cm Besproken zijn de effecten die optreden voor de situatie 2016 met Zomerbedverlaging (2). DHV B.V. is onderdeel van de DHV Groep, een advies- en ingenieursbureau dat wereldwijd actief is en kantoren heeft in Europa, Afrika, Azië en Noord-Amerika. Het hoofdkantoor is gevestigd in Nederland. Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland nr Het kwaliteitssysteem van DHV B.V. is gecertificeerd volgens ISO 9001.

256 DHV B.V. Hydrologische effecten situatie 2016 Hydrologische effecten (gebiedsdekkend) Morfologie van de IJssel: Als gevolg van de zomerbedverlaging zal de morfologie van zandtransport in de IJssel ook veranderen. Ter hoogte van Zwolle zal meer zand sedimenteren, vanwege afnemende stroomsnelheden. Ten zuiden van Zwolle zal er meer zand eroderen. Om het veiligheidsdoel van de zomerbedverlaging zal er circa twee keer per jaar onderhoud gepleegd moeten worden. Dit wordt in het beheer- en onderhoudsplan opgenomen. De bodem van de IJssel is t.o.v. de bodemhoogte in 1997 al gedaald is het jaar waarop vergunningen van Rijkswaterstaat geoptimaliseerd zijn. Doordat als uitgangspunt voor de modellering de bodemhoogte van 1997 gebruikt is, zullen effecten overschat worden. Sinds 1997 heeft er al verdroging plaatsgevonden; Harm Jan: wordt er ook met klimaatscenario s gerekend? Nee, daar is niet aangerekend. Wel kunnen de effecten tijdens de hoogwatergolven en laagwatersituatie gezien worden als extreme effecten die in de toekomst vaker voor zullen komen dan bij het huidige klimaat; Harm Jan: is de drainageweerstand van de IJssel in het grondwatermodel verlaagd als gevolg van de zomerbedverlaging? Door de zomerbedverlaging zal de IJssel namelijk een groter contactvlak hebben met de ondergrond en door het continu baggeren zal de bodem ook schoner zijn. De drainageweerstand is niet aangepast, de weerstand van modellaag 1 is wel aangepast, doordat de IJssel meer in zal snijden in de/het deklaag/watervoerende pakket. Uit gevoeligheidsanalyse op de drainageweerstand van de IJssel blijkt ook dat gezien de lage weerstandswaarde in het model het systeem weinig gevoelig is voor een extra verlaging van de bodemweerstand; Toine: Treden er effecten op de Veluwe op als gevolg van de zomerbedverlaging? eventuele effecten op de Veluwe kunnen alleen optreden als die zich verplaatsen tot onder de Eemklei of door de kleischotten die aan de rand van de Veluwe in de ondergrond voorkomen. De kleischotten zijn in MIPWA gemodelleerd met een anisotropiefactor. Aan de anisotropiefactor is niets veranderd; Toine: Welke definities worden gehanteerd m.b.t. kwel/afvoer/etc. Dit moet duidelijk vermeld worden; Toine: Bij het noemen van de grootte van de effecten moeten de waarden die berekend zijn in de IJssel niet genoemd worden, dit geeft een vertekend beeld; Effecten op waterbeheer (water aan- en afvoer) Harm Jan: de provincie Gelderland is vooral geïnteresseerd in de toename van water dat het grondwatersysteem zal verlaten door de IJssel. Dit wordt in overleg met Rijkswaterstaat opgepakt. Harm Jan: Wat gebeurt er met de kwaliteit van het water als gevolg van het inlaten van meer water in streefpeilgebieden? Dit wordt in overleg met Rijkswaterstaat opgepakt. Bij de modellering is het uitgangspunt dat de peilen van het oppervlaktewatersysteem gehandhaafd kunnen worden. Dit uitgangspunt is echter afhankelijk van de mogelijkheid om meer water in te laten. Voor deze waterbeheeropgave berekent DHV de aan- en afvoer voor verschillende gebieden en de verandering daarin. De waterschappen geven aan voor welke gebiedjes ze deze berekening willen laten uitvoeren; Effect op waterkwaliteit De verontreinigingen in de stad Zwolle bij het stationsgebied zullen meegenomen worden in het spoor van Engelse Werk; Effect op drinkwatervoorziening Winning Koppelerwaard: Het bestuurlijk vastgelegde intrekgebied is groter dan het berekende intrekgebied (met en zonder zomerbedverlaging). DHV zal dit met Vitens bespreken; Effect op landbouw Jacqueline: Tijdens overleg met agrariërs in het gebied ten noorden van Kampen kwam naar voren dat de agrariërs bang zijn voor vernatting als gevolg van toenemende kwel door verminderde weerstand in de IJssel. Dit wordt in overleg met Rijkswaterstaat opgepakt. Effect op natuur en zetting Geen opmerkingen LW-AF februari

257 DHV B.V. Grondwatermonitoringsplan Tijdens dit deel van het overleg zijn eerst evaluatiedoelen opgesteld voor het monitoringsprogramma. Een cluster van doelen in uitgewerkt m.b.v. van een factsheet. Genoemde evaluatiedoelen: 1. Bepalen effectgebied; 2. Bepalen zettingen bij bebouwing; 3. Effecten op de grondwaterstand in landbouwgebied buiten het berekende effectgebied; 4. Klopt het model (m.n. de drainageweerstand van de IJssel). Hiermee kan het model verbeterd worden; 5. Bepalen van referentiesituatie voordat de zomerbedverlaging uitgevoerd wordt; 6. Verandering van het IJsselpeil; 7. Verandering van de bodemhoogte van de IJssel; 8. Aan-/afvoer van gemalen; 9. Monitoring van de maatregelen; 10. Zandafzettingen in de uiterwaarden (nu monitoren na het hoge water van januari 2010); 11. Monitoren van N2000, flora en fauna binnen- en buitendijks (o.a. bij Hattem en beken); 12. Verspreiding van verontreinigingen; 13. Beleving van vijverpartijen bij Engelse Werk en in de uiterwaarden; 14. Stabiliteit van dijken en kunstwerken; 15. Verandering van de waterkwaliteit binnendijks; 16. Functioneel waterbeheer. Werkt o.a. de inlaat van de energiecentrale Harculo nog; 17. Beheersinspanning van het onderhoud. Onderstaande factsheet is tijdens het overleg ingevuld. Daarnaast kwamen nog een aantal vragen en aandachtspunten naar boven: Is het nodig om het hele systeem te analyseren doormiddel van monitoring, zodat heel precies onderscheiden kan worden welke veranderingen door welke factoren veroorzaakt worden (zomerbedverlaging, klimaatveranderingen, andere autonome ontwikkelingen, etc). PDR geeft aan wat zij voor ogen hebben, aan welke eisen moet het monitoringsplan (minimaal) voldoen?; Daarnaast is het onduidelijk welke eisen er aan de monitoring gesteld worden in het kader van vergunningen die aangevraagd moeten worden voor de realisatie van de zomerbedverlaging. DHV zoekt dit uit; In het monitoringsplan moet wel opgenomen worden hoe de gegevens geanalyseerd moeten gaan worden, zodat niet achteraf een parameter ontbreekt in het monitoringsprogramma; Er dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van bestaande monitoring (zoals peilbuizen en monitoring Engelse Werk) Tijdens het overleg zijn veel punten genoemd waar rekening mee gehouden kan/moet worden in het monitoringsplan maar ook veel punten die eerst nog uitgezocht moeten worden of waar aanvullende informatie over gewenst is. DHV stelt voor dat wij de input van het overleg gebruiken en op basis hiervan een monitoringsplan opstellen. Het lijkt ons zinvol als wij tussentijds het raamwerk voor het grondwatergedeelte met de belanghebbende partijen over de mail afstemmen. Evaluatievraag Onderzoeksgebied Meetdoel Weergave Monitoringsplan Factsheet Wat is het optredende effect gebied van de zomerbedverlaging Langs de IJssel van Deventer tot Kampen met het zwaartepunt rond Zwolle en ten noorden van Kampen i.v.m. zorg van agrariërs Effecten op belanghebbenden goed in kaart brengen LW-AF februari

258 DHV B.V. Meetpunten Minimaal inzetten, om vervolgens na 5 jaar te evalueren of uitbreiding noodzakelijk is Relatie bodemopbouw, grootste onzekerheid Meetmethode - Neerlag; - Verdamping - Q-h-relatie - Stambuizen zoeken? Meetfrequentie Hoge meetfrequentie (1x per uur) d.m.v. divers (wel controleren of ze ook werken) Resultaat Kaart met het effectgebied Product Wie Actie Datum DHV Definities kwel/afvoer/etc opnemen in achtergrondrapportage - DHV Aan Harm Jan en Geert toesturen van rapportage met uitgangspunten, beschrijving van MIPWA door Deltares en onderbouwing keuze GHG- en GLG-moment DHV Bij effectbeschrijving niet de effecten in de IJssel noemen - DHV Berekenen toename in totale afvoer naar de IJssel vanaf de Veluwe - PDR/DHV Monitoring zandafzetting in de uiterwaard (na hoog water januari 2010) z.s.m. WS Groot Salland Aanleveren van peilgebieden waarvoor water aan- en afvoer berekend zal worden. Met en Veluwe de toename in aan- en afvoer kunnen de waterschapen nagaan of het handhaven van de oppervlaktewaterpeilen mogelijk is DHV Afstemmen berekening intrekgebied Koppelerwaard met Vitens PDR/DHV Nagaan bij PDR welke eisen ze aan het monitoringsplan stellen DHV Inplannen van datum voor bespreking concept achtergrondrapportage geohydrologie begin maart DHV Inplannen van datum voor bespreking voorstel monitoringsrapportage eind maart LW-AF februari

259 DHV B.V. LW-AF februari

260 Logo VERSLAG DHV B.V. Vergadering : Bespreking plan van aanpak vervolganalyses grondwater Datum vergadering : donderdag 31 maart 2011 Plaats : Dominicanenklooster Assendorperstraat 29, Zwolle Opdrachtgever : Programma Directie RvdR Project : Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Dossier : C Onderwerp : Plan van aanpak grondwatermodellering Classificatie : Openbaar Ons kenmerk : LW-AF Datum : 4 april 2011 Aanwezig : Rijkswaterstaat: Gerjan Verhoeff Jacqueline Bulsink Geert Menting WS Groot Salland: Marloes ter Haar WS Veluwe: Lisette van de Bos Provincie Gelderland: Harm Jan Reit Provincie Overijssel: Thomas de Meij Deltares: Toine Vergroesen DHV B.V.: Joost ter Hoeven Annemieke van Doorn Liesanne Verwij Afwezig : WS Groot Salland: Wilgert Veldman Provincie Overijssel: Dianne Laarman-Hoogendoorn Kopie : 31 maart 2011 Bespreking plan van aanpak vervolganalyses grondwater Dit is een beknopt verslag van de belangrijkste punten die besproken zijn tijdens het overleg over het plan van aanpak vervolganalyses grondwater. Toelichting stand van zaken Door Jacqueline Bulsink wordt een korte toelichting gegeven op de recente ontwikkelingen. De zomerbedverlaging lijkt veel effecten te hebben op de volgende aspecten: Grondwater; Natura2000-gebieden; Drinkwaterwinning Engelse Werk van Vitens; Beheer en onderhoud. DHV Groep is een internationaal advies- en ingenieursbureau dat wereldwijd actief is en kantoren heeft in Europa, Afrika, Azië en Noord-Amerika. DHV B.V. is onderdeel van de DHV Groep. Kamer van Koophandel nr Het kwaliteitssysteem van DHV B.V. is gercertificeerd volgens ISO 9001.

261 DHV B.V. Door RWS is ervoor gekozen om het SNIP 3 besluit uit te stellen en om eerst voor deze onderdelen meer tijd te nemen om de effecten en de eventuele oplossingen beter in beeld te krijgen. Eind juni worden de effecten en knelpunten van de zomerbedverlaging en mogelijke oplossingen naar de staatssecretaris gestuurd. De staatssecretaris kan dan besluiten over de verdere voorbereiding van de uitvoering. Het is de verwachting dat eind juni nog niet voor alle thema s alles compleet uitgewerkt is. De vergunning aanvragen in het kader van natuurwetgeving gaan in ieder geval meer tijd vragen (tot ca einde van het jaar) Rapportage grondwateranalyse ZBIJ De meeste mensen zijn niet in de gelegenheid geweest om het voorlopige rapport volledig door te lezen. Afgesproken wordt dat het nog tot 8 april mogelijk is om te reageren op het rapport, opdat jullie aandachtspunten voldoende belicht worden in de komende werkzaamheden en jullie in mei een advies mee kunnen geven aan jullie bestuur. De belangrijkste hoofdstukken zijn 3 en 5; Lisette v.d. Bos: komt er een hoofdstuk mitigerende maatregelen? Dat is afhankelijk van de uitkomsten. Het rapport wordt herschreven en op basis van de nieuwe resultaten worden indien nodig mitigerende maatregelen besproken; Toine Vergroesen: het doorlaatvermogen van het eerste watervoerende pakket is erg hoog bij Zwolle. Hierdoor stralen de effecten erg ver uit. Het doorlaatvermogen zal DHV checken en vergelijken met het doorlaatvermogen in het Vitens-model; Toine Vergroesen: De gevoeligheidsanalyse die gedaan is op de drainageweerstand van de IJssel is erg beperkt, er is alleen gevarieerd tussen 1 en 5 dagen. Het zou ook nog met grotere waarden gedaan moeten worden, zodat de effecten beperkter blijven. Naast een vaste drainageweerstand speelt de weerstand van de deklaag ook een rol voor de verspreiding van de effecten. Als de IJssel alleen in de deklaag insnijdt, is de deklaagweerstand groter in het model, waardoor de effecten beperkter zijn. Daar waar de IJssel ook in het eerste watervoerende pakket insnijdt is de deklaagweerstand laag en kunnen de effecten ook verder uitstralen; Toine Vergroesen: wordt de waterbalans van het gehele modelgebied meegenomen? De waterbalans van de aan- en afvoer is opgenomen in de rapportage, dit geeft inzicht in waar neemt de aan- en afvoer toe of af. Plan van aanpak Algemeen Marloes ter Haar: waarom is de drainageweerstand van de IJssel niet 1 dag, terwijl dit eerder weg toegezegd was? De waarde van de drainageweerstand is gelijk aan de waarde die gebruikt wordt in het Tauw-model. In het Vitens model is de weerstand lager. Om aan te sluiten bij de modellering van de Hoogwatergeul Kampen is er voor gekozen de waarde uit het Tauw-model aan te houden; Harm Jan Reit: wordt de invloed op natuur als gevolg van de veranderende afvoer van de sprengenbeken op de Veluwe meegnomen? Ja, in de analyse van de veranderende kwel en afvoer; Marloes: de effecten op het stedelijke gebied worden niet apart meegenomen. Er zou ook gekeken moeten worden naar het effect op zettingen voor gebouwen en het effect op inklinken van veenlagen. de twee zettingseffecten zullen apart meegenomen worden; Watervoerendheid sloten Geert: wat zijn de modelaanpassingen voor droogvallende sloten? Nu zitten alle sloten als river in het model. Sloten in gebieden waar nu al geen water aangevoerd kan worden zullen niet watervoerend gemaakt worden. Alle gebieden waarvan waterschap Veluwe en Groot Salland aangegeven hebben dat het peilgebieden zijn, met uitzondering van de gebieden binnen de peilgebieden waarvan waterschap Veluwe aangegeven heeft dat er geen aanvoer plaats kan vinden, blijven watervoerend. De overige gebieden zullen niet watervoerend gemaakt worden; LW-AF april 2011 Openbaar - 2 -

262 DHV B.V. Geert Menting: veranderen de gebieden binnen de peilgebieden waar geen wateraanvoer plaats kan vinden als gevolg van de zomerbedverlaging niet? Er is een inlaatstop bij lage afvoeren van de IJssel op basis van verdringingsreeksen. De verdringingsreeksen zijn gebaseerd op afvoeren met daaraan gekoppelde peilen van de IJssel. De afvoer zal niet veranderen als gevolg van de zomerbedverlaging, de peilen veranderen wel. In het plan van aanpak zullen de consequenties van de zomerbedverlaging op de bestaande verdringingsreeksen ook opgenomen moeten worden; Toine vergroesen: het veranderde peil van de IJssel kan ertoe leiden dat het water bij lage IJsselstanden niet geleverd kan worden (of minder). Voorstel is om een gevoeligheidsanalyse uit te voeren. Wat gebeurt er als tijdens extreme droogte het peil in de gehandhaafde gebieden niet vastgehouden kan worden; Bij Groot Salland is er nu namelijk al een aantal punten waar wel water ingelaten mag worden, maar waar dat niet mogelijk is; Joost ter Hoeven: is het mogelijk om fysieke maatregelen te bedenken, zodat er aanvoer mogelijk blijft in de peilgebieden? Technisch lijkt dat over het algemeen wel mogelijk, voor een aantal locaties is dat ook een beleidsvraag (irt de verdringingsreeks). DHV zal parallel aan het uitwerken van de grondwatermodellering een proces (met de waterschappen) opstarten om de consequenties voor de inlaatplekken in beeld te krijgen. Algemeen: in bijlage 2 van het plan van aanpak moeten meer categorieën toegevoegd worden voor de duidelijkheid. Effecten bij extreme droogte Tauw heeft een verkennende modellering met verschillende klimaatscenario s gedaan (o.a. voor IJsselmeerpeil). Mogelijk kunnen de gebruikte scenario s ook gebruikt worden voor de zomerbedverlaging voor het scenario van extreme droogte. Dit is afhankelijk van welke afvoeren voor de IJssel en welke klimaatscenario s gebruikt worden door Rijkswaterstaat. Geert gaat binnen Rijkswaterstaat na van welke scenario s uitgegaan zou moeten worden. Als het nodig is voert DHV een extra modelberekening uit met een aangepast IJsselpeil + IJsselmeerpeil als gevoeligheidsanalyse. DHV doet een voorstel (memo) voor de berekening, in dit voorstel wordt een bandbreedte benadering opgenomen. Er wordt niet gerekend aan veranderde neerslag en verdamping als gevolg van een veranderend klimaat. Verandering in onttrekkingen in de provincie Gelderland Enkele winningen zijn beperkt de afgelopen jaren of zullen aangepast worden in de toekomst. De winning van de papierfabriek in Hattem wordt uitgezet. Nadere onderbouwing GHG- en GLG-moment Op basis van vier extra peilbuizen die representatief zijn voor specifieke gebieden en effecten zal DHV nagaan of de gekozen GHG- en GLG-momenten wel representatief zijn voor het gehele modelgebied waar effecten optreden (bij ander bodemtype). Als hetzelfde moment uit de analyse komt is er geen probleem. Als dat niet zo is, dan doet DHV een voorstel voor een ander moment; Harm Jan Reit: met tijdreeksanalyse kan ook gekeken worden hoever de effecten van de zomerbedverlaging reiken. Dit is al gedaan en staat beschreven in de rapportage. Details nakijken oppervlaktewatersysteem stadsgracht Hattem, Molencate en Veessen-Wapenveld Harm Jan Reit: de HEN- en SED-wateren behoeven aandacht. De beken worden als drain opgenomen in het model. Jacqueline Bulsink: de landbouwers in de uiterwaard. Het gaat niet om de overstromingsfrequentie, maar om hoge grondwaterstanden, de kwelproblematiek bij Kampen. Hiervoor is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd. Opnieuw doorrekenen modelsommen Alle tot nu toe doorgerekende modelsommen worden opnieuw gedaan voor de volledigheid met alle besproken aanpassingen; Lisette v.d. Bos: bij welk scenario hoort de hoogwatergeul Veessen-Wapenveld? Bij de autonome ontwikkeling DHV voert het ontwerp zoals dat nu is door in het scenario Acties en afsrpaken LW-AF april 2011 Openbaar - 3 -

263 DHV B.V. Wie Actie Datum Werkgroep Lezen voorlopig rapport effecten grondwater en eventueel aanleveren aanvullende grondwater wensen m.b.t. de effectberekening DHV Vraag over klimaatscenario mailen naar Geert Menting Rijkswaterstaat Vraag DHV over klimaatscenario s beantwoorden (Geert Menting) DHV Doet een voorstel (memo) voor de modellering van een klimaatscenario Projectgroep Reageren op voorstel modellering van een klimaatscenario DHV Inplannen overleg met Waterschappen: technische aanpassingen aan inlaatwerken april DHV Controleren doorlaatvermogen Mipwa bij Zwolle op basis van Vitens-model - DHV Opnemen van zettingseffecten voor gebouwen en inklinken van veenlagen - DHV Gebieden waar geen water aangevoerd kan worden, worden niet-watervoerend gemaakt - DHV Consequenties in beeld brengen voor verdringingsreeksen agv ZBIJ - DHV Uitvoeren gevoeligheidsanalyse voor scenario: wateraanvoer is niet mogelijk - DHV Verwijderen winningen van de papierfabriek - DHV Nadere onderbouwing van het GHG- en GLG-moment - DHV Doorrekenen alle scenario s met besproken aanpassingen aan het model - DHV Doorvoeren van het huidige ontwerp van de hoogwatergeul Veessen-Wapenveld - DHV Uitwerken van het verslag van deze vergadering Volgend overleg Donderdag 12 mei 2011 om 9.30u bij DHV in Deventer Rondvraag Harm Jan Reit: waarom is er geen ambtelijk overleg meer? Het ambtelijk overleg is tijdelijk geparkeerd tot 6 juni. LW-AF april 2011 Openbaar - 4 -

264 NoLogo VERSLAG DHV B.V. Vergadering : werkgroep Geohydrologie Zomerbedverlaging Datum vergadering : donderdag 12 mei 2011 Plaats : DHV Deventer Opdrachtgever : Programma Directie RvdR Project : Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Dossier : C Onderwerp : Bespreking uitkomsten modelresultaten Classificatie : Openbaar Ons kenmerk : LW-AF Datum : 13 mei 2011 Aanwezig : Rijkswaterstaat: Gerjan Verhoeff Jacqueline Bulsink Geert Menting WS Groot Salland: Wilgert Veldman Bert Bijkerk WS Veluwe: Lisette van de Bos Provincie Gelderland: Harm Jan Reit Provincie Overijssel: Thomas de Meij Deltares: Toine Vergroesen DHV B.V.: Joost ter Hoeven Annemieke van Doorn Liesanne Verwij Afwezig : WS Groot Salland: Marloes ter Haar Provincie Overijssel: Dianne Laarman-Hoogendoorn Artesia Frans Schaars 12 mei 2011 Vergadering overeenstemming modelresultaten Dit is een beknopt verslag van de belangrijkste punten die besproken zijn tijdens het overleg over de modelresultaten. Rapportage grondwateranalyse ZBIJ Annemieke van Doorn licht de aanpassingen die gedaan zijn voor de nieuwe modelberekeningen toe. Onder anderen zijn aanvullingen doorgevoerd in de vorm van een gevoeligheidsanalyse kd watervoerende pakket, en een extreem droog klimaatscenario. De analyse waarbij helemaal geen wateraanvoer meer mogelijk is, blijkt op de verkeerde wijze uitgevoerd waardoor deze nu niet bruikbaar is. Deze som wordt opnieuw uitgevoerd. KD watervoerende pakket Het verlagen van de kd geeft een kleiner effectgebied, maar een slechtere fit met de metingen. Daarom is gekozen om voor de effectberekeningen niet uit te gaan van aangepaste kd-waarden. Besproken is of het effect van een aangepaste kd op het berekende effectgebied zodanig is dat het model niet bruikbaar is voor het beoogde doel en DHV Groep is een internationaal advies- en ingenieursbureau dat wereldwijd actief is en kantoren heeft in Europa, Afrika, Azië en Noord-Amerika. DHV B.V. is onderdeel van de DHV Groep. Kamer van Koophandel nr Het kwaliteitssysteem van DHV B.V. is gercertificeerd volgens ISO 9001.

265 DHV B.V. opnieuw gekalibreerd dient te worden. Er is overeenstemming dat het model niet opnieuw gekalibreerd hoeft te worden. Thomas de Meij geeft aan dat bij een andere kd het gebied waarbinnen de effecten optreden veranderd, maar dat ook de grote van de effecten binnen het effectgebied veranderen, dit kan gevolgen hebben voor de conclusies die ecologen aan de effecten verbinden voor effecten op natuur, dit dient meegenomen te worden bij de beoordeling op de functies. DHV vult het rapport na de gevoeligheidsanalyse aan met een conclusie omtrent de betrouwbaarheid van het model voor de kd en de andere onderzochte parameters. Voorstel is om een maximaal en minimaal effectcontour te presenteren; Tijdreeksanalyse Harm Jan Reit: Met tijdreeksanalyse kan gecontroleerd worden hoe ver de effecten reiken vanaf de IJssel, als daarbij gebruik gemaakt wordt van de verlaging van het peil op de IJssel loodrecht t.o.v. van een peilbuis met een meetreeks; DHV geeft aan dat deze tijdreeksanalyses uitgevoerd zijn voor de Gelderse kant, voor de Sallandse kant is dat niet gedaan. Bert Bijkerk merkt op dat er naar zijn idee erg veel inspanning geleverd is om het model aan de Veluwe kant goed te krijgen en dat daarbij voorbij is gegaan aan de Groot Salland kant van de IJssel. Hij had op een aantal locaties een groter effectgebied verwacht zoals bij Zwolle, Olst en Windesheim. Bert verwacht extremere effecten aan de Groot Salland kant, omdat de deklaag ontbreekt en peilwijzigingen op de IJssel (als gevolg van hoogwater) tot circa 4 km vanaf de IJssel merkbaar zijn. Tevens merkt hij op dat door het ontbreken van de deklaag de aanname van een spreidingslengte van 700 m en een veilige afstand van m tot de modelranden aan de Groot Salland kant niet kan kloppen en dat de modelranden te dichtbij liggen. DHV verwacht die extreme effecten niet in zuidelijke richting, omdat daar het effect op het peil van de IJssel veel beperkter is; Bert vindt het jammer dat DHV niet naar alle afzonderlijke parameters gekeken hebben. Tauw heeft dat wel gedaan voor de Bypass Kampen en heeft het hele model zo goed mogelijk gekalibreerd. Thomas merkt op dat DHV een model geleverd heeft gekregen waar waterschap Groot Salland achter stond. Wilgert merkt op dat het model voor een ander doel gemaakt is. DHV merkt op dat aan het begin van het project met de betrokken partijen is besproken welke zaken aan het model aangepast moeten worden. In september is na het presenteren van de grotere effectcontour dezelfde vraag gesteld aan de projectgroep. Toentertijd is deze wens niet geuit. Beide keren is het plan van aanpak voor het bepalen van de grondwatereffecten voorgelegd aan de werkgroep grondwater; Wilgert Veldman oppert om met tijdreeksanalyse met meer peilbuizen aan de Groot Salland kant van de IJssel te controleren of het model aan de Groot Sallandse kant de effecten betrouwbaar genoeg berekent. Als blijkt dat met tijdreeksanalyse geen effect verder landinwaarts op zullen treden, dan is Groot Salland bereid het model zoals het nu is te accepteren. Het waterschap zal de peilbuisdata in Menyanthesformaat aanleveren t.b.v. de tijdreeksanalyse. Harm jan merkt op dat tijdreeksanalyse alleen kan als er niets aan het profiel van de IJssel (vermindering van weerstand als gevolg van de zomerbedverlaging) veranderd. Toine Vergroessen merkt op dat er ook rekening gehouden moet worden met het overstromen van de uiterwaarden langs de IJssel, omdat de peilbuizen dan dichter bij de IJssel staan dan als de IJssel zich in het zomerbed bevindt. Thomas vraagt zich af wat er aan het model moet gebeuren als uit de tijdreeksanalyse een grotere gevoeligheid blijkt dan met het model berekend is. Moet er dan een opmerking over komen in het rapport waarin de bandbreedte van de effecten weergegeven wordt, of moet het model dan opnieuw gekalibreerd worden? Indien dit blijkt dan moet tzt besproken worden hoe hiermee omgegaan wordt; Uit deze discussie blijkt dat iedereen het van belang vindt om de effectcontour van de zomerbedverlaging te vergelijken met resultaten van tijdreeksanalyse. De uitgevoerde analyse voldoet niet omdat alleen de peilbuizen binnen een straal van 2 km rond de IJssel uit het DINO-loket zijn gebruikt en dit volgens sommigen een te klein gebied is. Afgesproken is dat Waterschap Groot-Salland zelf een dataset aanlevert en een periode waarvoor tijdreeksanalyse uitgevoerd moet worden. Als de effectcontour overeenkomt met het model dan volstaat het toevoegen van een conclusie over de bandbreedte van het model in de rapportage zoals hierboven genoemd is. LW-AF mei 2011 Openbaar - 2 -

266 DHV B.V. Oppervlaktewatersysteem Bert: uit de gevoeligheidsanalyse blijkt dat het model gevoelig is voor aanpassingen aan de intredeweerstand van het oppervlaktewatersysteem. De gevoeligheid is ook afhankelijk van of er water aanwezig is en vanaf welk moment het niet meer mogelijk is water aan te voeren. Thomas: de zomerbedverlaging heeft geen invloed op de intredeweerstand van het omliggende oppervlaktewatersysteem. Als je dit wilt gaan aanpassen moet je eigenlijk heel Mipwa opnieuw maken. Toine geeft aan dat er in de rapportage een kwalitatief oordeel geveld kan worden dat de aanpassing van de intredeweerstand geen groot effect heeft. DHV zal dit duidelijker omschrijven en ook een bandbreedte van de effecten aangeven, zie punt toevoegen conclusie betrouwbaarheid en bandbreedte van model; De modelsom die DHV gedaan heeft waarbij geen wateraanvoer meer mogelijk is in de zomer als gevolg van de zomerbedverlaging is geen representatieve som, omdat nergens meer wateraanvoer mogelijk was, ook niet in gebieden die niet door de IJssel gevoed worden of waar het IJssel peil niet aangepast wordt. Waterschap Groot Salland wil wel graag weten wat de effecten zijn als wateraanvoer niet meer mogelijk is. De som zonder wateraanvoer in de polders waar mogelijk de wateraanvoer door de zomerbedverlaging beïnvloed wordt, moet nog uitgevoerd worden. DHV zal de wijze van doorrekenen afstemmen met de waterschappen; Overige opmerkingen Bert merkt op dat er op de Veluwe 500 mm neerslag infiltreert, hij vindt dat erg veel en waarom er niet genoemd wordt hoeveel er in andere gebieden infiltreert. Het neerslagoverschot wordt met CAPSIM berekend. Hier heeft DHV niets aan veranderd. DHV neemt in de rapportage op hoeveel er in andere gebieden infiltreert; Harm Jan begrijpt niet helemaal hoe de deklaagweerstand onder de IJssel is aangepast en hoe die weer verwijderd wordt als gevolg van de zomerbedverlaging. Annemieke legt uit hoe DHV de deklaagweerstand heeft aangepast. DHV zal de aanpassingen van de deklaagweerstand uitvoeriger beschrijven Bert vraagt zich af van wanneer de gebruikte boringen voor het aanpassen van de deklaagweerstand zijn, omdat de IJssel al langere tijd bezig is met in te snijden in de deklaag ter hoogte van Kampen. De gebruikte boringen zijn van dit jaar; Bert vraagt zich af waarom het criterium van 20 cm effect gebruikt is voor de beoordeling van de verspreiding van verontreinigingen. Hij vindt dit een groot effect en wil weten waarom niet de 5 cm-contour gebruikt is. Hij wil ook weten of dit de contour is voor de grondwaterstand of de stijghoogte. Doorgaans is het gebied waar stijghoogteveranderingen > 20 cm plaatsvinden een gebruikelijk criterium bij Provincies, dit wordt door DHV met de Provincie afgestemd. Binnen het criterium wordt vervolgens gekeken welke verontreinigingen zich mogelijk kunnen verplaatsen en hoe groot de verplaatsing is als gevolg van de zomerbedverlaging; Wilgert: Is de zomerbedverlaging op basis van de oude laagindeling in het model gebracht? Ja; Bert: welk scenario is er gebruikt om de Bypass Kampen in het modelscenario op te nemen? Het juiste scenario zou moeten zijn zonder extra drainage, maar met het aanbrengen van extra klei in de ondergrond. DHV zal nagaan wat ze van Tauw ontvangen hebben; Harm Jan wil weten hoe de beoordelingstabel per functie er uit komt te zien. Per functie zal op basis van het meeste kritische scenario en moment (2016 met/zonder klimaat, hoogwater, laagwater, enz.) een uitspraak gedaan worden. Van iedereen wordt gevraagd om over criteria na te denken en grenzen voor de beoordelingsklassen (+, -, 0) en deze aan te leveren. Meerwaarde aanpassingen aan model Jacqueline Bulsink vraagt aan de aanwezigen: Wat is de meerwaarde geweest van het opnieuw berekenen van de scenario s? o Thomas: Het is een degelijk rapport geworden. Vooral de tijdreeksanalyse en het naijleffect op de Veluwe worden goed omschreven; LW-AF mei 2011 Openbaar - 3 -

267 DHV B.V. o o o Bert: sluit zich hierbij aan. Hij vindt dat DHV goed in de materie zit, maar mist alleen de balans in omschrijving tussen waterschap Groot Salland en waterschap Veluwe. Over Veluwe wordt veel meer geschreven. DHV geeft aan dat dit veroorzaakt wordt doordat waterschap Veluwe als blokken van 250*250 m cellen in het model zat waardoor meer aanpassingen hier lokaal zijn uitgevoerd en omdat waterschap Veluwe meer informatie heeft aangeleverd over de verschillende polders; Wilgert mist ook een omschrijving op polderniveau binnen waterschap Groot Salland. DHV merkt op dat Waterschap Groot Salland dan zelf gebiedsinformatie aan moet dragen als zij die graag uitgebreider terugzien in de rapportage; Harm Jan heeft vertrouwen in de modeluitkomsten. Hij mist nu nog wel een uitgebreidere tijdreeksanalyse en in bijlage 7 het effect op het peil van de IJssel voor de hoog en laagwatersituatie. Geplande bestuurlijke overleggen Jacqueline geeft een toelichting op de geplande overleggen. Omdat er waarschijnlijk een erg volle agenda is voor het bestuurlijke overleg van 17 juni, zijn er voorafgaand aan die datum ook al een aantal overleggen gepland. Het overleg van 17 juni is bedoeld om te kijken hoe het er nu voor staat en een beslissing te nemen of de ingeslagen weg de juiste weg is. Tijdens dit overleg zal ook gekeken worden of met de informatie die er dan is een besluitgenomen kan worden over de IJsseldelta of dat de zomerbedverlaging en de IJsseldelta losgekoppeld moeten worden. In september/oktober zal er pas een besluit genomen worden of de Zomerbedverlaging door zal gaan. Daarna kunnen mitigerende en compenserende maatregelen uitgedacht worden; Wilgert vraagt zich af of het voor het bestuur niet heel moeilijk wordt in september/oktober om nog nee te zeggen tegen de Zomerbedverlaging als ze zich nu al committeert aan het te volgen proces. Dit zal het bestuur dan goed aan moeten geven dat commitment aan het proces niet automatisch commitment aan de Zomerbedverlaging betekent; Second opinion op effecten Er wordt een onafhankelijke second opinion op de geohydrologische werkzaamheden voor de Zomerbedverlaging en de modellering van Engelse Werk gedaan. Toine en Jan Willem Zaadnoordijk van Royal Haskoning voeren de second opinion uit. Rondvraag Bert vindt de naam Waterstanden in Balans niet echt passend; Bert: Wat is de essentie van het geoptimaliseerde ontwerp? Hij vraagt zich af of het wel echt beter is geworden t.o.v. het vorige ontwerp. Joost: De essentie staat in een ander rapport. In het MER deel A en B staat meer uitleg over de keuzes die gemaakt zijn; Wilgert: De verwijzingen naar bijlagen zijn niet consistent, wordt aangepast Bert: Uit het algemene verhaal in hoofdstuk 1 wordt niet duidelijk t.o.v. welke bodemhoogte van de IJssel de verlaging plaats vindt. M.a.w. wat is de referentie situatie? Dat staat ook uitgelegd in MER deel A en B; Harm Jan: kunnen we de minder belangrijke opmerkingen op het rapport ook nog ergens kwijt? Joost: Ja DHV stuurt een verificatiedocument rond waarin in iedereen zijn op-/aanmerkingen kan plaatsen en waarop DHV een reactie kan geven wat er mee gedaan wordt. Volgend overleg Na het bestuurlijke overleg van 17 juni LW-AF mei 2011 Openbaar - 4 -

268 DHV B.V. Acties en afspraken Wie Actie Datum DHV Voegt conclusie betrouwbaarheid en minimum/maximum invloedsgebied zomerbedverlaging toe aan rapportage en gebruikt deze informatie bij de beoordeling per functie DHV Gevoeligheidsanalyse voor peilbuizen aan de Groot Salland kant van de IJssel WS Groot Salland Aanleveren peilbuisgegevens in Menyanthesformaat t.b.v. tijdreeksanalyse DHV Duidelijker omschrijven dat aanpassingen aan de intredeweerstand van het oppervlaktewatersysteem geen grote effect heeft DHV In rapportage opnemen wat de grondwateraanvulling in andere gebieden dan de Veluwe is DHV Uitvoeriger beschrijven hoe de deklaagweerstand is aangepast in het model DHV Criterium voor gebied waar naar effecten op verontreinigingen moet worden gekeken verifieren met Provincie DHV Nagaan welke scenario voor de Bypass Kampen Tauw heeft aangeleverd WS Groot Salland Aandragen informatie m.b.t. poldergebieden binnen waterschap Groot Salland voor in de rapportage DHV Opnemen bijlage 7 effecten op het peil van de IJssel bij hoog- en laagwater Allen Nadenken en aanleveren beoordelingscriteria en grenzen DHV Stuurt verificatiedocument rond Allen Op-/aanmerkingen op het rapport in verificatiedocument plaatsen en terug sturen LW-AF mei 2011 Openbaar - 5 -

269 Overleg Grondwatereffecten zomerbedverlaging, punten aangedragen vanuit belangenpartijen met acties verslag Aanwezig: Lisette van de Bos Harm Jan Reit Marloes ter Haar Wilgert Veldman Anton Koot Bert Flach Joost ter Hoeven Annemieke van Doorn Afwezig: Thomas de Meij Gelderland Betrouwbaarheid model veluwse kant Aanpassingen aan modelparameters Basis voor bandbreedte Bandbreedte presenteren voor GLG, OLA, extreem droog, GHG, Fluxen, koppeling maken met huidige voorjaarssituatie. Tijdreeksanalyse veluwse kant (heerde en hattem)? Check aanwezigheid peilbuizen nabij Heerde en Hattem Indien info aanwezig dan aanvullende analyse maken Overzicht maken beschikbare buizen, prov samen met Ws kiezen geschikte peilbuis. Op basis van analyse kan uitspraak gedaan worden over betrouwbaarheid model. Teun spek / lisette leveren gegevens/ begin augustus voert DHV analyse uit. IJsselpeil uitzakken rivier (hydraulisch) Verwijzen naar rapporten Effecten op grondwatersysteem en functies voor alle scenario s Lijkt voldoende op basis van rapport mei? Grondwaterbalans Lijkt voldoende op basis van rapport mei (bijlage 13)? 1

270 Veluwe Hoe om te gaan met uitkomsten second opinion (modelparamaters) Nu gebruikt voor bandbreedte Aangeven wat gedaan is met uitkomsten (input bandbreedte) Aangeven dat rand vanwege effect op de IJssel niet te dichtbij ligt. Voorkeur wgs nog wel verplaatsen modelrand, onderbouwen waarom we dit (voorlopig) niet doen (aangeven dat slechts beperkte risico s sprake van zijn). Veluwe: vanuit inhoud lijkt het niet nodig, meer gevoelskwestie. Nog een keer opstellers van second opinion bij de toetsgroep. Betrouwbaarheid model regionaal vs lokaal (wat is nodig lokaal, wat is mogelijk). Lokaal bekijken (met beheerders verkennen) Hattem: paalfunderingen/stadsgracht Zwolle (engelse werk) Kampen Welke lokale plekken moeten nader bekeken worden? Doorvertaling naar beheermaatregelen Opnemen in advies: breed onderzoeken (technisch, beleids etc..) In advies waar mogelijk specifiek maken (polders/inlaatwerken etc) Effect op waterkwaliteit Meenemen in advies voor vervolg KRW beleid benoemen (stand still principe) salland Verduidelijking tijdreeksanalyse Hoe vervolg uitkomsten second opinion Rand van model lokaal toch te dichtbij? Terugschreidende erosie? Ook consequenties op grondwater. Overleg met waterschappen over extreme situatie wanneer geen rivierbeheer plaats vindt. Maatregelen aan inlaatwerken (kan meer zijn dan alleen de inlaatwerken, bv ook binnendijks watersysteem watergangen uitbreiden) 2

271 NoLogo VERSLAG DHV B.V. Vergadering : werkgroep Geohydrologie Zomerbedverlaging Datum vergadering : maandag 29 augustus 2011 Plaats : Dominicanenklooster, Zwolle Opdrachtgever : Programma Directie RvdR Project : Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Dossier : C Onderwerp : Overleg grondwatereffecten Zomerbedverlaging Classificatie : Openbaar Ons kenmerk : LW-AF Datum : 30 augustus 2011 Aanwezig : Rijkswaterstaat: Gerjan Verhoeff Jacqueline Bulsink Geert Menting WS Groot Salland: Wilgert Veldman WS Veluwe: Lisette van de Bos Provincie Gelderland: Harm Jan Reit Provincie Overijssel: Thomas de Meij Bert Groenhof Deltares: Toine Vergroesen Haskoning: Willem Jan Zaadnoordijk DHV B.V.: Joost ter Hoeven Annemieke van Doorn Liesanne Verwij Afwezig : WS Groot Salland: Marloes ter Haar WS Veluwe Anton Koot 29 augustus Overleg grondwatereffecten Zomerbedverlaging In dit overleg worden de second opinion en de resultaten van de tijdreeksanalyse toegelicht. Daarnaast wordt besproken of de wijze van effectbeoordeling volledig is en zo nee wat bijvoorbeeld in een volgende fase nog gedaan moet worden om tot een volledige effectbeoordeling te komen. Toelichting second opinion (Door Toine Vergroesen / Willem Jan Zaadnoordijk) Willem Jan en Toine geven een toelichting op de second opinion die zij uitgevoerd hebben. De belangrijkste conclusies zijn: De hoge doorlatendheid rondom Zwolle in het model geeft een overschatting van de effecten; De grote grondwateraanvulling in het model geeft een onderschatting van de effecten; Gekozen modelrand (o.a. bij Groot-Salland) heeft geen effect (< 1%) op de berekende effecten van de Zomerbedverlaging; DHV Groep is een internationaal advies- en ingenieursbureau dat wereldwijd actief is en kantoren heeft in Europa, Afrika, Azië en Noord-Amerika. DHV B.V. is onderdeel van de DHV Groep. Kamer van Koophandel nr Het kwaliteitssysteem van DHV B.V. is gercertificeerd volgens ISO 9001.

272 DHV B.V. Voor het zoekgebied van verontreinigingen waarvan de verspreiding mogelijk negatief beïnvloed wordt door de zomerbedverlaging is een reële grens aangehouden omdat het gaat om het effect op de stromingsrichting. Effecten zomerbedverlaging reiken niet tot aan de sprengen en beken op de Veluwe. Dit geldt voor zowel de gemiddelde als de extreme (laagwater)situaties; Als algemene conclusie kan gesteld worden dat het regionale MIPWAmodel goed geschikt is voor het berekenen van de regionale effecten van de zomerbedverlaging voor gemiddelde en extreme (laagwater)situaties. De verwachting is dat het model de effecten van de zomerbedverlaging eerder iets overschat dan onderschat. Het model is minder goed te gebruiken om uitspraken te doen op lokale schaal (bv. grondwateroverlast bij Kampen) waarbij ook juist de absoluut berekende grondwaterstand en fluxen van belang zijn. Voor uitspraken op lokale schaal wordt aangeraden uit te gaan van lokale gebiedskennis en metingen (grondwaterstanden, debieten etc.). Tijdreeksanalyse Tijdreeksanalyse is uitgevoerd met de beschikbare peilbuismetingen langs en in de omgeving van de IJssel. Niet op ieder punt is een meting voorhanden. Op basis van tijdreeksanalyse voor de locaties waar grondwater- en stijghoogtemetingen zijn uitgevoerd is geconcludeerd dat het effectgebied berekend met MIPWA model (en de aangegeven bandbreedte) redelijk overeenkomt met het effectgebied berekend met tijdreeksanalyse. De uitkomsten van de tijdreeksanalyse geven daarom geen aanleiding om het MIPWAmodel nader aan te passen. Effecten op functies Effecten op waterbeheer: o Als door middel van aanpassingen aan inlaatwerken de extra benodigde aanvoer van water gegarandeerd kan worden om de polderpeilen te handhaven, dan is er geen noodzaak op polderniveau om het oppervlaktewatersysteem aan te passen. Ten gevolge van de binnendijkse grondwaterstanddalingen worden namelijk geen toename van droogteschade of andere negatieve effecten op functies berekend. Binnen een polder kan het wel voorkomen dat ergens (bv. op de oeverwallen in ws. Veluwe) extra water aangevoerd moet worden om de situatie in het oppervlaktewatersysteem gelijk te houden aan de situatie voor uitvoering van de zomerbedverlaging waar dat in praktijk niet aangevoerd kan worden. In een eventuele vervolgfase moet uitgezocht worden wat de consequenties hiervan zijn en hoe dit eventueel te mitigeren is. o Als de inlaatwerken niet aangepast kunnen worden en negatieve effecten op functies binnendijks optreden dan moet gekeken worden of de kosten (voor mitigerende maatregelen) acceptabel zijn en er maatschappelijke acceptatie voor is; o Naast het aantal beïnvloede polders moet ook gekeken worden naar de kwaliteit van het ingelaten water. Dit wordt in een eventueel vervolgstadium uitgezocht en is daarom ook meegenomen in het hoofdrapport. Extra ontwatering van gebied door de IJssel: Een toename van 7 Mm 3 /jaar dat door de IJssel uit het systeem onttrokken wordt over de gehele loop van de IJssel wordt door de aanwezigen (behalve Harm Jan) niet als veel beschouwd. Effecten op natuur: de effecten op natuur worden in een ander rapport beschreven. Het grootste effect op natuur is de vermindering van inundatiefrequentie van uiterwaarden. In de rapportage wordt beschreven welke maatregelen genomen kunnen worden om de effecten op natuur te verminderen. Overige reacties op het rapport Wilgert: Er missen punten in het rapport die 23 mei aangegeven zijn. DHV kijkt dit na en past de rapportage indien nodig aan. Geert: Er zijn soms slordigheden in eenheden in het rapport. DHV kijkt dit na en past dit indien nodig aan. LW-AF augustus 2011 OpenbaarOpenbaar - 2 -

273 NoLogo VERSLAG DHV B.V. Vergadering : werkgroep Geohydrologie Zomerbedverlaging Datum vergadering : donderdag 23 februari 2012 Plaats : Dominicanenklooster, Zwolle Opdrachtgever : Programma Directie RvdR Project : Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Dossier : C Onderwerp : Overleg grondwatereffecten Korte Zomerbedverlaging en monitoringsplan Classificatie : Openbaar Ons kenmerk : LW-AF Datum : 1 maart 2012 Aanwezig : Rijkswaterstaat: Geert Menting Yvo Snoek WS Groot Salland: Wilgert Veldman WS Veluwe: Lisette van de Bos Provincie Gelderland: Harm Jan Reit Deltares: Toine Vergroesen DHV B.V.: Annemieke van Doorn Ron Stroet Liesanne Verwij Afwezig : WS Groot Salland: Marloes ter Haar WS Veluwe Anton Koot Rijkswaterstaat: Gerjan Verhoeff Jacqueline Bulsink Tessa Hoogerwerf Provincie Overijssel: Thomas de Meij 23 februari Overleg grondwatereffecten Korte Zomerbedverlaging en monitoringsplan In dit overleg worden de resultaten en de rapportage over de Korte Zomerbedverlaging besproken en het doel en de aanpak van het monitoringsplan besproken. Bespreking rapport - Iedereen is het er over eens dat het rapport een volledig stuk werk is; - Belangrijkste algemene opmerking is dat het mogelijke gevolg van een te grote grondwateraanvulling voor de berekende effecten van de ZBIJ niet alleen in de bijlage vermeld moet worden, maar óók in het hoofdrapport (wellicht met verwijzing naar tijdreeksanalyse en gevoeligheidsanalyse). DHV neemt dit op; DHV Groep is een internationaal advies- en ingenieursbureau dat wereldwijd actief is en kantoren heeft in Europa, Afrika, Azië en Noord-Amerika. DHV B.V. is onderdeel van de DHV Groep. Kamer van Koophandel nr Het kwaliteitssysteem van DHV B.V. is gercertificeerd volgens ISO 9001.

274 DHV B.V. - De disclaimer op bijlage 2 kan de verkeerde indruk wekken. Hier wordt nog even over nagedacht (aparte rapportage of andere disclaimer). In ieder geval wordt weergegeven waarom de vastgestelde bandbreedte ook voor het model met het nieuwe ontwerp geldt; - Het rapport is daarna per hoofdstuk doorgelopen. Vragen en opmerkingen op tekstpassages, kopjes, tabellen, afbeeldingen en bijlagen zijn beantwoord en zullen aangepast worden in het definitieve rapport; - Voor de waterkwaliteit wordt nog geanalyseerd of de kwaliteit van het IJsselwater voor de diverse parameters makkelijk vergeleken kan worden met het (landbouw) polderwater en KWR-waterlichamen; - De scoretabel 4.17 is besproken. Enkele kopjes worden aangepast (in ieder geval overeenkomstig met tabel 4.1). Bij de score bij wateroverlast Kampen wordt verwezen naar de monitoringsrapportage. De overige vastgestelde scores zijn gezamenlijk vastgesteld. - Leemte in kennis: uitbreiding met enkele parameters (grondwateraanvulling). Afgesproken is dat tekstsuggesties etc. aangeleverd kunnen worden t/m 29 februari, dit zal worden verwerkt; Monitoring DHV geeft een toelichting over de opzet van het monitoringplan, aan de hand van de monitoringscirkel en de effectketen van de Zomerbedverlaging. Doel van monitoring is beheersing van projectrisico s en verificatie van voorspelde effecten, voor zover van belang voor vergunningen etc. Als er ongewenste effecten optreden moet dit met monitoring worden vastgesteld zodat beheermaatregelen kunnen worden genomen. De sleutelgrootheden die alle vervolgeffecten bepalen zijn de diepte/morfologie van de IJsselbodem en de waterstanden op de IJssel. Scope van dit overleg is alle monitoring m.b.t. effecten op grondwater en waterhuishouding, behoudens Kampen (wateroverlast) en Vitens PS Engelsewerk. Voor die thema s zijn aparte overleggen gepland. Doel van de bespreking vast te stellen: risico s, onderzoeksvragen en monitoringstrategie. Concreet meetplan en overige stappen volgen na half maart. Risico s Iedereen is het erover eens dat de risico s opgesomd in Tabel 1 van het concept Ho 10 van het monitoringplan volledig is. Er zijn opmerkingen gemaakt over: de volgorde in de tabel: regionale risico s en specifieke locale risico s niet door elkaar heen maar structureren + en omdraaien Risico Molenbeek uit tabel verwijderen, ruimschoots buiten effectgebied en geen mitigerende maatregelen mogelijk Onomkeerbare effecten (zettingen, klink) leveren een groter risico op. Deze zullen worden verwerkt. Informatiebehoefte/monitoringstrategie Iedereen is het er over eens dat het monitoringsplan antwoord moet geven op de volgende vragen: Hoe groot is het effect van ZBIJ op de waterstand op de waterpeilen op de IJssel? Hoe groot is het effectgebied? Stemt het overeen met de voorspelling? Wat is het over all effect van RvR maatregelen op het IJsselpeil? - Hoe breed is het gebied waarbinnen een IJsselpeilverandering leidt tot significante veranderingen van grondwaterstanden? Komt dit overeen met het berekende effectgebied? Bepalend hiervoor is de intredeweerstand van de IJssel en de weerstand van eventueel aanwezige holocene klei- en veenlagen onder de IJsselbodem. o Daar waar deze lagen nu aanwezig zijn en worden vergraven (Kampen) is een risico voor stijging van grondwaterstanden en wateroverlast. Door voor tijdens en na de vergraving dicht langs de IJssel stijghoogten te meten wordt het meteen zichtbaar in de metingen als er weerstand LW-AF maart 2012 OpenbaarOpenbaar - 2 -

275 DHV B.V. verwijderd wordt. Omdat de vergraving in zijn geheel binnen het gebied van de gemeente Kampen valt zal dit meegenomen worden in de monitoring rondom Kampen; o Daar waar die weerstand relatief hoog is (en niet wordt vergraven) zijn de effecten op grondwater relatief klein. Daar waar die weerstand relatief laag is (en niet wordt vergraven) zijn de effecten op grondwater relatief groot (verlagingen, verdroging). Monitoring is het meest zinvol op plekken langs de IJssel waar in de modellen wordt aangenomen dat er weerstand is. Als die afwezig blijkt zullen effecten groter uitpakken. Dat is een risico dat afgedekt moet worden. Monitoring op plekken waar in de modellen weinig weerstand wordt aangenomen is minder belangrijk (maar mag niet geheel achterwege blijven), omdat een hogere weerstand tot kleinere effecten zal leiden. - Hoe groot zijn de effecten binnen het effectgebied en komt dat overeen met het berekende effect? Als het effect groter is dan het berekende effect, waar komt dat dan door? Daarnaast zijn nog de volgende punten benoemd waar aandacht aan besteedt moet worden in het monitoringsplan: - Daar meten waar negatieve onomkeerbare effecten op kunnen treden als de effecten groter zijn dan de berekende effecten. Dit zijn o.a. effecten op zetting en maaivelddaling. In de monitoringsrapportage moet een groter risico aan toegekend worden aan onomkeerbare effecten en er dient uitgezocht te worden hoe groot de risico s zijn als het misgaat; - Bij het plaatsen van peilbuizen dient rekening gehouden te worden met het monitoringplan IJsseldelta zuid, zodat peilbuizen niet in de weg staan en de monitoring van beide projecten gecombineerd kan worden. Bij de monitoring moet ook in gedachten gehouden worden welke effecten door welke maatregel veroorzaakt worden; - Afvoer Molenbeek: hier worden geen effecten verwacht en daarom wordt hier niet specifiek op gemonitoord (wel wordt het effect van de zomerbedverlaging op het grondwatersysteem in de ruimte afgeperkt). Als er toch effecten zijn, dan zijn er geen maatregelen die genomen kunnen worden om ze te mitigeren. - Functioneren inlaat s-heerenbroek: Indien er geen pomp wordt geïnstalleerd dan is het nodig het functioneren van de inlaat te monitoren; - Stadsgracht Hattem: Monitoring kan bestaan uit monitoring van grondwaterstanden, inpassen in het totale meetplan - Monitoren draaiuren van gemalen: de draaiuren worden al bijgehouden. In eerste instantie hoeft er niets mee gedaan te worden. In een later stadium kunnen de draaiuren misschien nog interessant blijken. Afspraak: Aanleveren verificatiedocument: voor woensdag 29 februari LW-AF maart 2012 OpenbaarOpenbaar - 3 -

276 Logo VERSLAG DHV Groep Vergadering : Werkgroep Geohydrologie Zomerbedverlaging Datum vergadering : Woensdag 12 september 2012 Plaats : Dominicanenklooster, Zwolle Opdrachtgever : Programma Directie RvdR Project : Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Dossier : C Onderwerp : Overleg Monitoringsplan Verdroging en Regionaal Waterbeheer Ons kenmerk : LW-AF Datum : 14 september 2012 Classificatie : Klant vertrouwelijk Aanwezig : Rijkswaterstaat: Peter Jesse WS Groot Salland: Wilgert Veldman Provincie Gelderland: Harm Jan Reit Deltares: Toine Vergroesen Royal HaskoningDHV: Ron Stroet, Liesanne Verwij Afwezig : WS Groot Salland: Marloes ter Haar WS Veluwe Anton Koot, Lisette van de Bos Rijkswaterstaat: Geert Menting Gerjan Verhoeff Jacqueline Bulsink Provincie Overijssel: Thomas de Meij KWR: Willem-Jan Zaadnoordijk Royal HaskoningDHV Joost ter Hoeven Kopie : 1 Opening Introductierondje. Peter vervangt Tessa Hoogerwerf. 2 Bespreking verslag vorige vergadering (23 februari 2012) Harm Jan wil graag weten hoe de voortgang is van het monitoringsplan voor Engelse Werk en Kampen. Er is twee keer een vergadering geweest waarin discussie is geweest over welke ontwikkeling de grootste invloed op de ligging van de waterscheiding heeft. De Zomerbedverlaging of de andere ontwikkelingen op het terrein van Engelse Werk. Uiteindelijk is er overeengekomen dat Rijkswaterstaat het effect van de Zomerbedverlaging op het peil van de IJssel monitort en Vitens en de gemeente de ligging van de waterscheiding op basis van grondwaterstanden, stijghoogten en verontreinigingen monitoren. Er is nog geen overeenstemming over wanneer de monitoring opgestart moet worden. Voor Kampen is een bestek voor peilbuizen aanbesteed en gegund. Binnenkort worden de eerste peilbuizen al geplaatst. DHV Groep is een internationale groep van advies- en ingenieursbureaus. De houdstermaatschappij van de DHV Groep is DHV Holding B.V. Kamer van Koophandel Gooi- en Eemland nr Het kwaliteitssysteem voor beleidsvorming en besturing van de DHV Groep is gecertificeerd volgens ISO 9001.

277 DHV Groep 3 Stand van Zaken planvoorbereiding Ron en Peter: 12 oktober 2012 levert Royal HaskoningDHV de concept SNIP III-documenten en de concept documenten voor de vergunningaanvragen op aan Rijkswaterstaat. Deze worden dan bij RWS intern getoetst en aan het eind van het jaar definitief gemaakt. De vergunningaanvragen worden dan ook ingediend. De staatsecretaris heeft de intentie uitgesproken om de Zomerbedverlaging inclusief de uiterwaardmaatregelen en IJsseldelta Zuid goed te keuren. 4 Monitoringsplan Verdroging en Regionaal Waterbeheer Voorliggend document: hoofdstuk 9 van de monitoringsrapportage. Liesanne licht het document toe met een powerpoint-presentatie (toegevoegd aan verslag). Toine: Hoe kan het dat het effectgebied van de grondwaterstand groter is dan het effectgebied van de stijghoogte als effecten zich voortplanten via het watervoerende pakket en door de deklaag heen moeten? o In het effect op de grondwaterstand spelen twee mechanismen: 1. Doorwerking van een IJsselpeilverandering via de stijghoogte naar de grondwaterstand in de deklaag. Dit gebied kan niet groter zijn dan het gebied waarin effecten optreden op de stijghoogte; 2. Effecten op de grondwaterstand als gevolg van vermindering van de inundatiefrequentie o Dit is niet eerder op deze manier benoemd. Hier zal in de rapportage meer de nadruk op gelegd worden. De vragen die onder Informatiebehoefte moeten komen te staan zijn dan ook tweeledig: 1. Klopt de met het model berekende relatie tussen het IJsselpeil en de stijghoogte? 2. Wat gebeurt er met de inundatiefrequentie? Risico s voor zettingen. o Discussie over de grootte van deze risico s. In het effectrapport staat dat er in de periode voor 1985 lagere waterstanden optraden dan nu, doordat er toen nog geen stuwen in de Lel stonden. Risico s voor zettingen zijn daarom zeer klein, maar het is goed om de monitoring te richten op de plekken met de grootste risico s (al zijn ze zeer klein); o Het aangegeven risicogebied is waarschijnlijk Wilsum, en dat ligt op een rivierduin. Waarschijnlijk klein of geen zettingsrisico o Liesanne zal deze nuanceringen in rapport opnemen Zijn er voldoende meetpunten om de doorwerking op natuur (in uiterwaarden) te kunnen bepalen? o Ron: in het kader van uiterwaardmaatregelen (agendapunt 5 van deze vergadering) worden indien noodzakelijk meetpunten toegevoegd in uiterwaarden, gericht op het volgen van maatregelen bedoeld voor kwaliteitsverbetering. Peter: Hoe lang moet er gemeten worden? o Voor informatiebehoefte 1 (stijghoogte) zou ongeveer drie jaar zou voldoende moeten zijn (voorbeeld: Scherenwelle, zie powerpointpresentatie). Daarbij is het belangrijk dat er zich gedurende die drie jaar wel perioden met hoog- en laagwater hebben voorgedaan. Na drie jaar wordt besloten of dat het geval is en of met voldoende significantie de relatie tussen het IJsselpeil en de stijghoogte vastgesteld kan worden. Dit is ook het moment waarop besloten kan worden of het aantal meetpunten gereduceerd kan worden. Van wordt er gemeten en in 2016 vindt er een evaluatie plaats. o Voor informatiebehoefte 2 wordt meetperiode vooral bepaald door de meetbaarheid van IJsselpeilveranderingen. Peter: Meten we niet te veel? o Nee, er wordt gemeten op plekken waar irreversibele effecten op kunnen treden. De relatie tussen meetlocaties en tabel 9-1 moet duidelijker naar voren komen. LW-AF september 2012 Klant vertrouwelijk - 2 -

278 DHV Groep o Nee, want een deel van de meetpunten is ook bedoeld als verzekering dat er daadwerkelijk niets gebeurt. o De deelnemers vinden unaniem dat er niet te veel wordt gemeten Peter: Meten we niet te weinig? o Het meetnet is in principe voldoende, alleen ten noorden van de IJsselbocht bij s-heerenbroek mag nog wel een extra peilbuis op enige afstand van de IJssel, om ook daar het effectgebied in te kunnen perken. Hier wordt gekeken of er al een bestaande peilbuis is, of dat er een extra peilbuis bij geplaatst moet worden. o De deelnemers vinden unaniem dat er voldoende wordt gemeten Toine: handpeilingen in het meetprotocol opnemen. o Ron: dat is voorzien in het contract met de aannemer die het meetnet plaatst en beheert; Toine: waarop is de meetfrequentie 1 maal per 2 uur gebaseerd? Het zou in een aantal gevallen minder kunnen (1/dag) o Ron: uitgangspunt is hoogfrequent, zoals afgesproken bij Kampen. Elke 2 uur is gebaseerd op de beschikbare geheugenruimte van een standaard meetinstrument (merk: Diver) binnen de contractduur met de aannemer (tot eind 2015). Indien teveel kunnen data gefilterd worden. Welke partij is verantwoordelijk voor het uitlezen van de divers en het beheer van de data? o Het uitlezen van de bestaande peilbuizen wordt door de partijen gedaan worden die dat nu ook al doen. Het uitlezen van de divers in nieuwe peilbuizen wordt gedaan door de aannemer waarmee RWS nu een contract heeft gesloten voor plaatsing van peilbuizen. De aannemer levert de ruwe meetdata en gecorrigeerde grondwaterstanden en stijghoogten in m t.o.v. NAP op. o Over beheer van de data is nog geen besluit genomen. Peter vraagt of Waterschap Groot Salland daarvoor niet de meest geëigende instantie zou zijn, omdat een groot deel van de metingen al door WSGS worden uitgevoerd en WSGS die data al beheert? Wilgert: databeheer kan in principe wel, maar het uitlezen van Divers niet. Ron: daarin is voorzien in het contract met de aannemer.. Databeheer zal genoemd worden in de rapportage als een punt waar nog nadere afspraken over gemaakt moeten worden. Wilgert: Wat gebeurt er met de peilbuizen als Rijkswaterstaat klaar is met meten? o Na het stoppen met meten zal het meetnet ter overname worden aangeboden aan WSGS. o De overdracht van peilbuizen zal genoemd worden in de rapportage als een punt waar nog nadere afspraken over gemaakt moeten worden. 5 Stand van zaken Uiterwaardmaatregelen Toelichting van Liesanne met powerpoint-presentatie (toegevoegd aan verslag): Ron: Het zijn beperkte maatregelen. Ze hebben effecten in de uiterwaarden zelf, maar niet of nauwelijks daarbuiten. Wilgert: Kan de Werkgroep Geohydrologie ook het concept Achtergrondrapport Grondwater ontvangen zoals dat op 12 oktober naar Rijkswaterstaat gaat? o Ja. o Wilgert heeft behoefte aan een overleg over uiterwaardmaatregelen, met de waterbeheerders zonder ecologen, zoals dit voorjaar heeft plaatsgevonden. Ron zal aan Wilgert melden of er nog zo n overleg plaatsvindt voor 12 oktober. LW-AF september 2012 Klant vertrouwelijk - 3 -

279 DHV Groep Afspraken Aanleveren verificatiedocument vóór 1 oktober 2012; Royal HaskoningDHV verwerkt de punten die tijdens het overleg naar voren zijn gekomen en de opmerkingen in de verificatiedocumenten in de rapportage. nr Actie door: Actie Wanneer 1 Royal Beter toelichten dat er twee oorzaken zijn voor verandering van 12 okt HaskoningDHV grondwaterstand: verlaging inundatiefrequentie en stijghoogteverlaging 2 Royal HaskoningDHV 3 Royal HaskoningDHV 4 Royal HaskoningDHV Ten noorden van de IJsselbocht bij s-heerenbroek: een extra bestaande peilbuis in het meetplan opnemen. Als die er niet is een nieuwe peilbuis plaatsen Nuancering zettingsrisico s toevoegen De relatie tussen meetpunten en tabel 9-1 duidelijk maken 5 Ron Aan Wilgert Veldman doorgeven of er nog een overleg komt met waterbeheerders over uiterwaardmaatregelen 6 Allen Verificatiedocument naar [email protected] of [email protected] 12 okt 12 okt 12 okt Zsm 1 okt LW-AF september 2012 Klant vertrouwelijk - 4 -

280 BIJLAGE 12 Aangeleverde gegevens provincie Overijssel en gemeente Kampen m.b.t. verontreinigingen Programma Directie RvdR/Zomerbedverlaging Beneden-IJssel bijlage 12 LW-AF

281 Bijlage 12: Aangeleverde gegevens provincie Overijssel en gemeente Kampen m.b.t. verontreinigingen Noordweg 5 Info Haskoning-DHV Verontreinigingssituatie: In het grondwater tot 18 m mv sterke verontreiniging met trichlooretheen, tetrachlooretheen, CIS-1,2- dichlooretheen, Trans-1,2-dichlooreteen, vinylchloride. Eigenaar: Provincie Overijssel Status in provinciaal BIS: Status: uitvoering grondwatersanering Info Provincie Op dit terrein is sprake van een grootschalige verontreiniging met VOCL. Er is een beschikking van 13 juni 2005 op nader onderzoek en raamsaneringsplan. Op dit moment loopt er een monitoringsplan. In de grond is sprake van twee kernen. De eerste kern bevindt zich ter plaatse van de voormalige ondergrondse per-tanks (VG 1.1). De grond is verontreinigd over een oppervlakte van 580 m². De hoeveelheid sterk verontreinigde grond (overschrijding interventiewaarde) bedraagt m³. Het hoogst gemeten per gehalte bedraagt 200 mg/kg ds. De gemeten concentraties in het grondwater duiden op puur product. De tweede kern ligt ter plaatse van de voormalige per-spoelmachines (VG 1.2). De grond is verontreinigd over een oppervlakte van circa m². De hoeveelheid sterk verontreinigde grond (overschrijding interventiewaarde) bedraagt m³. Het hoogst gemeten per gehalte bedraagt 670 mg/kg ds. Het grondwater is sterk verontreinigd (overschrijding interventiewaarde VC) over een oppervlakte van circa m² en bevindt zich van circa 2,0 tot 11,5 m -mv. De hoeveelheid sterk verontreinigd grondwater bedraagt circa m³. De verontreiniging is tot een maximale diepte van circa 18 m -mv aangetroffen. De grondwaterverontreiniging ter plaatse van de twee grondkemen overlappen elkaar. De uiterste datum betreffende het VOCl geval waarop met de saneringsmaatregelen moet zijn aangevangen, wordt hierbij vastgesteld op 1 april Voor de olie- en zware metalen en PAKverontreinigingsgevallen wordt geen tijdstip vastgesteld. Gegevens uit de beschikking Urgentie Zoals in deze beschikking is opgenomen zal na verwijdering van de keren actualisatie plaatsvinden en wordt de definitieve aanpak vastgelegd in een plan van aanpak. Wij gaan ervan uit dat de grondwatersanering aansluit op de grondsanering. Een tussenevaluatie is dan niet vereist. De bemonstering dient door een derde uitgevoerd te worden indien er sprake is van een beslismoment door het bevoegd gezag. In het nog op te stellen plan van aanpak is nu te voorzien dat er sprake zal zijn van twee relevante momenten namelijk: -het moment dat overgegaan wordt van 'actieve' saneringsmaatregelen naar 'passieve' saneringsmaatregelen (monitoring)'; -het vastleggen van de definitieve eindsituatie ter afronding van de sanering. Sanering Voor de sanering van het VOCl-geval is gekozen voor een functiegerichte sanering. in plaats van de multifunctionele sanering, omdat milieuhygiënische locatiespecifieke omstandigheden een multifunctioneel herstel niet realistisch maken. Na afweging van de diverse varianten is gekozen voor verwijdering van de hoogste concentraties (> 10 x I-waarde) in de kem(en) middels ontgraven en waarbij de rest van de verontreiniging door middel van gestimuleerde biologische afbraak plaatsvindt. De kern wordt intensief verwijderd, de pluim extensief. Na verwijdering van de kemen vindt actualisatie plaats en wordt de definitieve aanpak vastgelegd in een plan van aanpak;

282 Bijlage 12: Aangeleverde gegevens provincie Overijssel en gemeente Kampen m.b.t. verontreinigingen Industrieweg 37, Kampen Info Haskoning-DHV Verontreinigingssituatie: In het grondwater sterke verontreiniging met hoofdzakelijk vinylchloride, CIS-1,2-dichlooretheen. De verontreiniging zit tot 15 m mv. Eigenaar: Provincie Overijssel Status in provinciaal BIS: Status: moet nog gesaneerd worden (beperkte deelsanering heeft plaatsgevonden). Info Provincie Beschikking uit 1999 voor een deelsaneringplan ivm. verontreingingen met zware metalen en minerale olie. Beschikking uit 2003 voor een saneringsplan ivm. de verontreiniging met VOCL. Op dit moment loopt er een monitoringsplan, waarbij jaarlijks wordt gemonitord. In 2008 evaluatiebeschikking in verband met de uitgevoerde sanering van de verontreinigingen met zware metalen en minerale olie. Industrieweg 25, Kampen Info Haskoning-DHV Verontreinigingssituatie: In het grondwater verontreiniging met vluchtige aromaten en minerale olie. Tot 4 à 5 m mv is het grondwater sterk verontreinigd. Eigenaar: Provincie Overijssel Status in provinciaal BIS: Status: Uitvoeren evaluatie, na sanering. Monitoring sinds 2009 Status volgens J. vd Berg (Gemeente Kampen): Moet nog gesaneerd worden. (Mogelijk verwarring met locatie E?) Info Provincie Het olieopslag en overslagterrein is verlaten in Sindsdien is het terrein braakliggend. Als gevolg van de activiteiten is de bodem (grond en grondwater) verontreinigd geraakt met minerale olie en vluchtige aromaten. Er zijn in totaal drie verontreinigingskernen aanwezig, waarvan twee binnendijks en de andere (de grootste) buitendijks. Er is vermoedelijk sprake van een grootschalig geval van bodemverontreiniging. Dit betekent dat meer dan m3 bodemvolume sterk verontreinigd is. De bodem is nog niet gesaneerd. Wel vinden er periodiek controlemetingen plaats van de grondwaterkwaliteit. Tabel 1: Mobiele grondwaterverontreinigingen in Kampen (aangeleverd door gemeente Kampen) A: Voormalige gasfabriek Bolwerk te Kampen (Noordweg) Verontreinigingssituatie: In het grondwater sterke verontreiniging met voornamelijk vluchtige aromaten. Verontreiniging komt voor tot 16 m mv. Horizontale verspreiding lijkt niet significant. Aandacht voor eventuele verticale verspreiding. Eigenaar: van gegevens? indien eigenaar van verontreiniging, dan gemeente Kampen Provincie Overijssel Status in provinciaal BIS: Uitvoeren actieve nazorg. Monitoring sinds 2008 Sinds 2004 vindt grondwatermonitoring plaats. Grondwater is in tegenstelling tot saneringsplan niet gesaneerd. Afgesproken is, in verband met gewijzigd beleid, te monitoren om gedrag van de verontreiniging te bepalen en aan de hand daarvan te bepalen of (sanerings)maatregelen noodzakelijk zijn. Eind 2012 en 2013 vindt monitoring plaats. In 2014 worden resultaten beoordeeld en eventueel vervolg bepaald. B: Voormalige gasfabriek De La Sablonièrekade te Kampen Verontreinigingssituatie: In grond en in het freatische grondwater verontreiniging met vluchtige aromaten en minerale olie. Deze verontreiniging is achtergebleven bij sanering. Ontgraving was door bebouwing niet mogelijk en in situ techniek lukte niet door hoeveelheid puin in de bodem. Een leeflaag met dikte van 1 meter is vervolgens aangebracht.verontreiniging is beperkt van omvang. Om gedrag van de verontreiniging in het grondwater te bepalen en om risico s voor bewoners uit te sluiten vindt monitoring

283 Bijlage 12: Aangeleverde gegevens provincie Overijssel en gemeente Kampen m.b.t. verontreinigingen plaats. Er is een grote fluctuatie in de gemeten gehalten. Eigenaar: van gegevens? indien eigenaar van verontreiniging, dan gemeente Kampen Provincie Overijssel Status in provinciaal BIS: Risico: grond en grondwater nog onduidelijk na leeflaagsanering en poging tot in situ sanering. Status: monitoring C: Voormalige Berkterrein Noordweg 5 te Kampen D: Industrieweg 25 (voormalig brandstoffendepot van Texaco) te Kampen E: Industrieweg 37 te Kampen F: Blekerijweg 4 (voormalige wasserij) te IJsselmuiden Verontreinigingssituatie: Ter plaatse van de voormalige wasserij en stroomafwaarts is het grondwater sterk verontreinigd met VOCl. De omvang van het sterk met VOCl verontreinigd grondwater bedraagt minimaal m³. Uit geohydrologische onderzoek blijkt dat de grondwaterverontreiniging en afbraakprodukten nog (over grote afstand) verder kunnen zijn verspreid in noordelijke tot noordoostelijke richting. Vastgesteld is dat er sprake is van een onaanvaardbaar verspreidingsrisico. Eigenaar: Provincie Overijssel Status in provinciaal BIS: Grondwaterverontreiniging (status humaan / spoed) die nog moet worden gesaneerd. Rapport Royal Haskoning 2011: omvang van het gebied met ernstige grondwaterverontreiniging is nog onbekend. Aanbevling: stel omvang en groei van de pluim vast, stel afbraakomstandigheden vast. Er is momenteel opdracht gegeven voor vervolgonderzoek naar de omvang van de pluin, de afbraakomstandigheden en naar de risico s voor de mens.

Zomerbedverlaging Beneden IJssel

Zomerbedverlaging Beneden IJssel Zomerbedverlaging Beneden IJssel Toetsing aan de Flora- en faunawet tbv ontheffingsaanvraag Flora- en faunawet Programmadirectie Ruimte voor de Rivier Mei 2013 Definitief Zomerbedverlaging Beneden IJssel

Nadere informatie

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Zomerbedverlaging Beneden-Jssel Passende beoordeling tbv vergunningsaanvraag ex art. 19d en art. 16 Natuurbeschermingswet 1998 Programmadirectie Ruimte voor de Rivier mei 2013 definitief Zomerbedverlaging

Nadere informatie

: KRW Bentinckswelle : Aanvulling op aanvraag watervergunning LW-AF20122221

: KRW Bentinckswelle : Aanvulling op aanvraag watervergunning LW-AF20122221 HaskoningDHV Nederland B.V. Logo MEMO Aan : Waterschap Vallei en Veluwe Van : Esther van den Akker Kopie : Dossier : BA7927-101-100 Project : KRW Bentinckswelle Betreft : Aanvulling op aanvraag watervergunning

Nadere informatie

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Achtergrondrapport D: Inventarisatie K&L Planstudie SNIP3 Programma Directie RvdR Mei 2013 Definitief Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Achtergrondrapport D: Inventarisatie

Nadere informatie

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Deelrapport 1A: Ontwerp Zomerbedverlaging Planstudie SNIP3 Programma Directie RvdR mei 2013 Definitief Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Deelrapport 1A: Ontwerp Zomerbedverlaging

Nadere informatie

Doel van de informatiebijeenkomst

Doel van de informatiebijeenkomst Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Jacqueline Bulsink Informatiebijeenkomst 12 oktober 2011 Doel van de informatiebijeenkomst Informeren over resultaten planstudie Zomerbedverlaging Beneden- IJssel Gelegenheid

Nadere informatie

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Deelrapport 2 Hydraulica en Morfologie Dubbelklik op de afbeelding om de afbeelding te wijzigen! Planstudie SNIP3 Programma Directie RvdR Mei 2013 Definitief Zomerbedverlaging

Nadere informatie

Gemeente Zwolle. Morfologisch gevoeligheidsonderzoek Westenholte. Witteveen+Bos. Willemskade postbus 2397.

Gemeente Zwolle. Morfologisch gevoeligheidsonderzoek Westenholte. Witteveen+Bos. Willemskade postbus 2397. Gemeente Zwolle Morfologisch gevoeligheidsonderzoek Westenholte Willemskade 19-20 postbus 2397 3000 CJ Rotterdam telefoon 010 244 28 00 telefax 010 244 28 88 Gemeente Zwolle Morfologisch gevoeligheidsonderzoek

Nadere informatie

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Deelrapport 5: Beheer en Onderhoud Planstudie SNIP3 Programma Directie RvdR mei 2013 Definitief Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Deelrapport 5: Beheer en Onderhoud Planstudie

Nadere informatie

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel. Kampen

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel. Kampen Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Notitie Samenhang RvRmaatregelen rond Zwolle en Kampen 20 mei 2010 Samenvatting In deze notitie wordt de relatie en samenhang tussen de maatregelen van Ruimte voor de Rivier

Nadere informatie

Notitie Visie op ruimtelijke kwaliteit Zomerbedverdieping. Bosch Slabbers d.d. 16 december 2011

Notitie Visie op ruimtelijke kwaliteit Zomerbedverdieping. Bosch Slabbers d.d. 16 december 2011 Notitie Visie op ruimtelijke kwaliteit Zomerbedverdieping Bosch Slabbers d.d. 16 december 2011 1. Inleiding Aanleiding Het RvdR-project Zomerbedverlaging Beneden IJssel moet leiden tot verlaging van de

Nadere informatie

Witteveen+Bos, RW /torm/027 definitief d.d. 26 maart 2012, toelichting aanvraag watervergunning

Witteveen+Bos, RW /torm/027 definitief d.d. 26 maart 2012, toelichting aanvraag watervergunning 2 Witteveen+Bos, RW1809-303-20/torm/027 definitief d.d. 26 maart 2012, toelichting aanvraag watervergunning BIJLAGE O1-4 PROJECTBESCHRIJVING 1. PROJECTBESCHRIJVING 1.1. Aanleiding De hoogwatersituaties

Nadere informatie

Aanvraag omgevingsvergunning Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Ruimtelijke Onderbouwing

Aanvraag omgevingsvergunning Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Ruimtelijke Onderbouwing Aanvraag omgevingsvergunning Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Ruimtelijke Onderbouwing Programmadirectie Ruimte voor de Rivier (PDR) oktober 2013 Definitief rapport BA8401-103-102 INHOUDSOPGAVE Blz.

Nadere informatie

MEMO 5.3. BENTINCKSWELLE. HaskoningDHV Nederland B.V. Logo. : Waterschap Vallei en Veluwe : Ron Stroet Kopie :

MEMO 5.3. BENTINCKSWELLE. HaskoningDHV Nederland B.V. Logo. : Waterschap Vallei en Veluwe : Ron Stroet Kopie : HaskoningDHV Nederland B.V. Logo MEMO Aan : Waterschap Vallei en Veluwe Van : Ron Stroet Kopie : Dossier : BA7927-101-100 Project : KRW Bentinckswelle Betreft : Aanvulling op deelrapport 3: Grondwater

Nadere informatie

: Zomerbedverlaging Beneden IJssel : Onderzoek invloed inrichting uiterwaard op veiligheid primaire waterkering

: Zomerbedverlaging Beneden IJssel : Onderzoek invloed inrichting uiterwaard op veiligheid primaire waterkering Royal HaskoningDHV Nederland B.V. Logo MEMO Aan Van Kopie Dossier Project Betreft : Lars Hoogduin : Ilse Hergarden : Esther van den Akker : BA8401-103-105 : Zomerbedverlaging Beneden IJssel : Onderzoek

Nadere informatie

Ruimte voor de Rivier IJsseldelta

Ruimte voor de Rivier IJsseldelta 23/01/2014 Ruimte voor de Rivier IJsseldelta Samen met omgevingspartners naar succes Heleen van de Velde 23 januari 2014 Er was eens.. 2 1 Maar niet iedereen was het eens 3 Ruimtelijk ontwerp Zomerbedverlaging

Nadere informatie

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Deelrapport 1E: Uiterwaardmaatregelen Planstudie SNIP 3 Programma Directie RvdR Oktober 2013 Definitief Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Deelrapport 1E: Uiterwaardmaatregelen

Nadere informatie

Samenvatting MER Zomerbedverlaging Beneden-IJssel

Samenvatting MER Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Samenvatting MER Zomerbedverlaging Beneden-IJssel plan-mer en project-mer Datum mei 2013 Status Definitief Samenvatting MER Zomerbedverlaging Beneden-IJssel plan-mer en project-mer LW-AF20122234 Datum

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2009 2010 30 080 Planologische kernbeslissing Ruimte voor de rivier Nr. 46 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede

Nadere informatie

HUISSENSCHE WAARDEN AANVULLENDE GRONDWATERBEREKENING

HUISSENSCHE WAARDEN AANVULLENDE GRONDWATERBEREKENING HUISSENSCHE WAARDEN AANVULLENDE GRONDWATERBEREKENING BASAL TOESLAGSTOFFEN BV 12 december 2013 077461453:0.1 - Definitief C01012.100037.0120 Inhoud 1 Inleiding... 4 2 Rivierwaterstanden... 5 2.1 Rivierwaterstanden

Nadere informatie

Middelburg Polder Tempelpolder. Polder Reeuwijk. Reeuwijk. Polder Bloemendaal. Reeuwijksche Plassen. Gouda

Middelburg Polder Tempelpolder. Polder Reeuwijk. Reeuwijk. Polder Bloemendaal. Reeuwijksche Plassen. Gouda TNO Kennis voor zaken : Oplossing of overlast? Kunnen we zomaar een polder onder water zetten? Deze vraag stelden zich waterbeheerders, agrariërs en bewoners in de Middelburg-Tempelpolder. De aanleg van

Nadere informatie

1 HAALBAARHEID VAN AANPASSING LANGSTALUDS ZOMERBEDVERLAGING

1 HAALBAARHEID VAN AANPASSING LANGSTALUDS ZOMERBEDVERLAGING HaskoningDHV Nederland B.V. Logo MEMO Aan : Gerjan Verhoeff en Peter Jesse Van : Johan Henrotte, Ron Stroet Kwaliteitsborging : Lars Hoogduin Kopie : Joost ter Hoeven, Lars Hoogduin, Heleen van de Velde

Nadere informatie

Notitie Effecten maaivelddaling veenweidegebied op grondwatersysteem Fryslân Inleiding Werkwijze

Notitie Effecten maaivelddaling veenweidegebied op grondwatersysteem Fryslân Inleiding Werkwijze Notitie Effecten maaivelddaling veenweidegebied op grondwatersysteem Fryslân Theunis Osinga, Wetterskip Fryslân Wiebe Terwisscha van Scheltinga, Wetterskip Fryslân Johan Medenblik, Provincie Fryslân Leeuwarden,

Nadere informatie

Projectplan verdrogingsbestrijding Empese en Tondense Heide D e f i n i t i e f

Projectplan verdrogingsbestrijding Empese en Tondense Heide D e f i n i t i e f Projectplan verdrogingsbestrijding Empese en Tondense Heide D e f i n i t i e f 26 juni 2013 1 1 Projectbeschrijving 1.1 Wat wordt aangelegd of gewijzigd? Zowel binnen als buiten het natuurgebied Empese

Nadere informatie

HaskoningDHV Nederland B.V. MEMO

HaskoningDHV Nederland B.V. MEMO MEMO Aan Van Dossier Project Betreft : Waterschap Vallei en Veluwe : H.A.W. van Gelder : BA7927-101-100 : KRW Bentinckswelle : Maatregelen Bentinckswelle irt keringen Ons kenmerk : LW-AF20130182 Datum

Nadere informatie

Samenvatting rapport Oorzaken en oplossingen kweloverlast omgeving Twentekanaal

Samenvatting rapport Oorzaken en oplossingen kweloverlast omgeving Twentekanaal Samenvatting rapport Oorzaken en oplossingen kweloverlast omgeving Twentekanaal De aanleiding voor het onderzoek Oorzaken en oplossingen kweloverlast omgeving Twentekanaal betreft de voorgenomen verruiming

Nadere informatie

Ecologische verbindingszone Omval - Kolhorn

Ecologische verbindingszone Omval - Kolhorn Ecologische verbindingszone Omval - Kolhorn Watertoets Definitief Provincie Noord Holland Grontmij Nederland B.V. Alkmaar, 11 december 2009 Inhoudsopgave 1 Inleiding... 4 2 Inrichting watersysteem...

Nadere informatie

23-1-2014. Bypass IJsseldelta

23-1-2014. Bypass IJsseldelta Bypass IJsseldelta 1 Intro Hein Pijnappel, Mott MacDonald Omgevingsmanagement RWS 2010-2013: Planstudie t/m SNIP3, ZBIJ en raakvlakken met IJDZ Wel/geen ZBIJ Wel/geen ruimtelijke kwaliteit Met/zonder IJDZ

Nadere informatie

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Deelrapport 1B Inventarisatie Constructies en Kunstwerken Planstudie SNIP3 Programma Directie RvdR Mei 2013 Definitief Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Deelrapport 1B Inventarisatie

Nadere informatie

Reactienota zienswijze over het ontwerpprojectplan Restontwerpen fase 1 IJsseldelta-Zuid. September 2015

Reactienota zienswijze over het ontwerpprojectplan Restontwerpen fase 1 IJsseldelta-Zuid. September 2015 a Reactienota zienswijze over het ontwerpprojectplan Restontwerpen fase 1 IJsseldelta-Zuid September 2015 2 Inhoudsopgave I. Onderwerp... 5 II. Toelichting... 5 III. Zienswijzen en beantwoording... 6 IV.

Nadere informatie

Hydraulische beoordeling nieuwe waterkering Alexander, Roermond. WAQUA-simulaties ten behoeve van Waterwetaanvraag

Hydraulische beoordeling nieuwe waterkering Alexander, Roermond. WAQUA-simulaties ten behoeve van Waterwetaanvraag nieuwe waterkering Alexander, Roermond WAQUA-simulaties ten behoeve van Waterwetaanvraag i Datum 17 maart 2014 Status Concept, versie 0.2 Project P0056.9 Naam Paraaf Datum Auteur Drs. R.C. Agtersloot 17-03-2014

Nadere informatie

Samenvatting. Inleiding

Samenvatting. Inleiding Samenvatting Inleiding Deze samenvatting hoort bij de rapportage Notitie Kansrijke Oplossingsrichtingen (NKO) voor het project Dijkversterking Tiel Waardenburg en Rivierverruiming Varik - Heesselt. Werken

Nadere informatie

Doetinchem, 21 juli 2014

Doetinchem, 21 juli 2014 Doetinchem, 21 juli 2014 Deze notitie over het risico op verzakking van bebouwing als gevolg van de plannen is opgesteld in 2011. In de notitie wordt een verwachte grondwaterstandstijging in de bebouwde

Nadere informatie

PKB Ruimte voor de Rivier Investeren in veiligheid en vitaliteit van het rivierengebied

PKB Ruimte voor de Rivier Investeren in veiligheid en vitaliteit van het rivierengebied PKB Ruimte voor de Rivier Investeren in veiligheid en vitaliteit van het rivierengebied Beter beschermd tegen hoogwater In de afgelopen eeuwen hebben de rivieren steeds minder ruimte gekregen. De rivieren

Nadere informatie

huidig praktijk peil (AGOR) [m NAP]

huidig praktijk peil (AGOR) [m NAP] TOELICHTING INDICATIEVE SCENARIOBEREKENING Voor het herstel van de natuur in de N2000 gebieden zijn enkele indicatieve scenarioberekeningen uitgevoerd ter verkenning van het effect op het (kwantitatieve)

Nadere informatie

Grondwater effecten parkeergarage en diepwand Scheveningen

Grondwater effecten parkeergarage en diepwand Scheveningen Notitie / Memo Aan: Kees de Vries Van: Anke Luijben en Jasper Jansen Datum: 25 januari 2017 Kopie: Ons kenmerk: WATBE5026-136N001D0.2 Classificatie: Projectgerelateerd HaskoningDHV Nederland B.V. Water

Nadere informatie

Ruimte voor de Waal - Nijmegen Verificatie Ruimtelijk Plan Hydraulica

Ruimte voor de Waal - Nijmegen Verificatie Ruimtelijk Plan Hydraulica Ruimte voor de Waal - Nijmegen Verificatie Ruimtelijk Plan Hydraulica Gemeente Nijmegen 1 oktober 2010 Definitief rapport 9V0718.05 A COMPANY OF HASKONING NEDERLAND B.V. KUST & RIVIEREN Barbarossastraat

Nadere informatie

Samenvatting PlanMER, obstakelverwijdering Elst

Samenvatting PlanMER, obstakelverwijdering Elst 2 21 mei 2012 versie 1a Document historie Revisienummer. Revisie datum Aanpassingen 0a 13 april 2012 Eerste concept 1a 21 mei 2011 Alle opmerkingen verwerkt 3 21 mei 2012 versie 1a 1 Samenvatting Voor

Nadere informatie

Toetsing waterhuishouding

Toetsing waterhuishouding Toetsing waterhuishouding Bedrijventerrein Hattemerbroek - deelgebied Hattem Quickscan waterhuishouding - nieuwe stedenbouwkundige opzet Ontwikkelingsmaatschappij Hattemerbroek B.V. december 2009 concept

Nadere informatie

Aanvulling ruimtelijke onderbouwing

Aanvulling ruimtelijke onderbouwing Aanvulling ruimtelijke onderbouwing Dijkversterking Spui Oost Gemeente Korendijk Waterschap Hollandse Delta 1 oktober 2013 definitief Aanvulling ruimtelijke onderbouwing Dijkversterking Spui Oost Gemeente

Nadere informatie

Toelichting GGOR Schieveen

Toelichting GGOR Schieveen Toelichting GGOR Schieveen Inleiding Om het GGOR te kunnen bepalen is de GGOR-systematiek gevolgd (zie figuur 1). Op basis van een analyse met een grondwatermodel zijn de actuele grondwaterstanden (AGOR)

Nadere informatie

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel. Start van de project-m.e.r.- procedure

Zomerbedverlaging Beneden-IJssel. Start van de project-m.e.r.- procedure Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Start van de project-m.e.r.- procedure oktober 2010 Zomerbedverlaging Beneden-IJssel Start van de besluit-m.e.r.- project-m.e.r.- procedure dossier : C9783.09.012 registratienummer

Nadere informatie

SAMENVATTING. www.woerden.nl/onderwerpen/wonen-en-leefomgeving/grondwaterstand en funderingen

SAMENVATTING. www.woerden.nl/onderwerpen/wonen-en-leefomgeving/grondwaterstand en funderingen SAMENVATTING Aanleiding In het westelijke deel van het Schilderskwartier zijn de woningen gefundeerd op houten palen met betonopzetters. Uit onderzoeken in de jaren 90 is gebleken dat de grondwaterstand

Nadere informatie

Rivierkundige berekeningen Randwijkse Waard Rivierkundige analyse

Rivierkundige berekeningen Randwijkse Waard Rivierkundige analyse Rivierkundige berekeningen Randwijkse Waard 9T5318.A0 Definitief 24 maart 2010 A COMPANY OF HASKONING NEDERLAND B.V. KUST & RIVIEREN Barbarossastraat 35 Postbus 151 6500 AD Nijmegen (024) 328 42 84 Telefoon

Nadere informatie

Culemborg aan de Lek

Culemborg aan de Lek Ruimte voor de Rivier Culemborg aan de Lek informatieavond 27 oktober 2008 David Heikens Royal Haskoning Ruimte voor de Rivier Culemborg Inhoud 1. Hoogwaterveiligheid PKB Ruimte voor de Rivier 2. Het alternatief:

Nadere informatie

De projectlocatie ligt globaal op de coördinaten: X = 140.125 en Y = 455.100.

De projectlocatie ligt globaal op de coördinaten: X = 140.125 en Y = 455.100. Bijlage I Technische beoordeling van de vergunningsaanvraag van de Gemeente Utrecht voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van het tot stand brengen van de Hoogwaardig Openbaar Vervoer (HOV) baan

Nadere informatie

Zomerbedverlaging Beneden IJssel

Zomerbedverlaging Beneden IJssel Zomerbedverlaging Beneden IJssel Ontwerpbesluit projectplan Waterwet Datum mei 2013 Status Definitief Zomerbedverlaging Beneden IJssel Ontwerpbesluit projectplan Waterwet Datum mei 2013 Status Definitief

Nadere informatie

14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw Kenmerk N001-4524746BTM-V01 06-12-2007

14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw Kenmerk N001-4524746BTM-V01 06-12-2007 14. Geohydrologie Zuidbuurt eemnes Tauw 06-12-2007 Notitie Concept Contactpersoon Maaike Bevaart Datum 6 december 2007 Geohydrologie Zuidbuurt Eemnes 1 Inleiding Ter voorbereiding op de ontwikkeling van

Nadere informatie

Projectnummer: C01012.100139.0400/LB. Opgesteld door: Tristan Bergsma. Ons kenmerk: 078572453:0.2. Kopieën aan: Cees-Jan de Rooi (gd)

Projectnummer: C01012.100139.0400/LB. Opgesteld door: Tristan Bergsma. Ons kenmerk: 078572453:0.2. Kopieën aan: Cees-Jan de Rooi (gd) MEMO ARCADIS NEDERLAND BV Beaulieustraat 22 Postbus 264 6800 AG Arnhem Tel 026 3778 911 Fax 026 4457 549 www.arcadis.nl Onderwerp: Beknopte watersysteemanalyse de Knoop, Doetinchem Arnhem, 29 juli 2015

Nadere informatie

Invloed damwand Meers-Maasband op grondwaterstroming

Invloed damwand Meers-Maasband op grondwaterstroming NOTITIE Onderwerp Invloed damwand Meers-Maasband op grondwaterstroming Project Grensmaas Opdrachtgever Projectbureau Consortium Grensmaas Projectcode HEEL14-29 Status Definitief Datum 18 mei 2016 Referentie

Nadere informatie

Bijlage 1. Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek

Bijlage 1. Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bijlage 1 Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bijlagel Geohydrologische beschrijving zoekgebied RBT rond Bornerbroek Bodemopbouw en Geohydrologie Inleiding In deze bijlage wordt

Nadere informatie

Ruimte voor de Rivier IJsseldelta Presentatie 15 april 2013 Klankbordgroep

Ruimte voor de Rivier IJsseldelta Presentatie 15 april 2013 Klankbordgroep Ruimte voor de Rivier IJsseldelta Presentatie 15 april 2013 Klankbordgroep Partners Ministerie I&M Ministerie EZ Provincie Overijssel Provincie Flevoland Gemeente Kampen Gemeente Zwolle Gemeente Dronten

Nadere informatie

Projectnummer: D03011.000284. Opgesteld door: Ons kenmerk: Kopieën aan: Kernteam

Projectnummer: D03011.000284. Opgesteld door: Ons kenmerk: Kopieën aan: Kernteam MEMO Onderwerp Geohydrologisch vooronderzoek Amsterdam, WTC 5C, 2 oktober 2013 Van mw. M. Duineveld MSc. Afdeling IBZ Aan ZuidasDok Projectnummer D03011.000284. Opgesteld door mw. M. Duineveld MSc. Ons

Nadere informatie

1 Kwel en geohydrologie

1 Kwel en geohydrologie 1 Kwel en geohydrologie 1.1 Inleiding Grondwater in de omgeving van de grote rivieren in Nederland wordt door verschillen in het peil sterk beïnvloed. Over het algemeen zal het rivierpeil onder het grondwatervlak

Nadere informatie

Onderzoeksrapportage naar het functioneren van de IT-Duiker Waddenweg te Berkel en Rodenrijs

Onderzoeksrapportage naar het functioneren van de IT-Duiker Waddenweg te Berkel en Rodenrijs Notitie Contactpersoon ir. J.M. (Martin) Bloemendal Datum 7 april 2010 Kenmerk N001-4706565BLL-mya-V02-NL Onderzoeksrapportage naar het functioneren van de IT-Duiker Waddenweg te Berkel en Rodenrijs Tauw

Nadere informatie

Plan IJsselsprong 'Alles in 1 keer'- blauwe envelop - Variantkeuze

Plan IJsselsprong 'Alles in 1 keer'- blauwe envelop - Variantkeuze Plan IJsselsprong 'Alles in 1 keer'- blauwe envelop - Variantkeuze Hoofdrapport CONCEPT Waterschap Veluwe maart 2009 concept Plan IJsselsprong 'Alles in 1 keer'- blauwe envelop - Variantkeuze Hoofdrapport

Nadere informatie

Regioadvies over de beneden IJssel aansluitend op het PDR advies over zomerbedverlaging beneden IJssel.

Regioadvies over de beneden IJssel aansluitend op het PDR advies over zomerbedverlaging beneden IJssel. Luttenbergstraat 2 Postbus 10078 8000 GB Zwolle Telefoon 038499 8899 Fax 03842548 88 overijssel.nl [email protected] RABOZwolle 39 73 41 121 De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu De heer

Nadere informatie

Achtergrond rapportage beleidsregel toepassen van drainage in attentiegebieden. Juni 2011

Achtergrond rapportage beleidsregel toepassen van drainage in attentiegebieden. Juni 2011 Achtergrond rapportage beleidsregel toepassen van drainage in attentiegebieden Juni 2011 Achtergrond van de lagen benadering De oorsprong van de lagenbenadering moet gezocht worden in de negentiende eeuw,

Nadere informatie

: SAB Prinses Margrietlaan Best Betreft : Watertoets ontwikkeling Prinses Margrietlaan nabij nr. 24

: SAB Prinses Margrietlaan Best Betreft : Watertoets ontwikkeling Prinses Margrietlaan nabij nr. 24 Logo MEMO Aan : Henrike Francken Van : Michiel Krutwagen Kopie : Dossier : BA1914-112-100 Project : SAB Prinses Margrietlaan Best Betreft : Watertoets ontwikkeling Prinses Margrietlaan nabij nr. 24 Ons

Nadere informatie

Documentnummer AMMD

Documentnummer AMMD MEMO Kopie aan V. Friedrich-Drouville Van H. Meuwese Onderwerp impact aanleg Oeverdijk en peilbeheer Tussenwater op grondwaterstand dijk en achterland Datum 20 december 2016 Inleiding In dit memo is de

Nadere informatie

: KRW-geul Bentickswelle : Aanvulling op activiteitenplan Flora- en faunawet Zomerbedverlaging Beneden- IJssel

: KRW-geul Bentickswelle : Aanvulling op activiteitenplan Flora- en faunawet Zomerbedverlaging Beneden- IJssel HaskoningDHV Nederland B.V. NoLogo MEMO Aan Van Kopie Dossier Project Betreft Ons kenmerk Datum : 6 februari 2013 Classificatie : Openbaar : Waterschap Veluwe Vallei : Haskoning DHV B.V, Edith Dorsman,

Nadere informatie

Hydrologische berekeningen EVZ Ter Wisch

Hydrologische berekeningen EVZ Ter Wisch Hydrologische berekeningen EVZ Ter Wisch Inleiding In deze notitie worden verscheidene scenario s berekend en toegelicht ter ondersteuning van de bepaling van inrichtingsmaatregelen voor de EVZ Ter Wisch.

Nadere informatie

PROJECTNUMMER C ONZE REFERENTIE A

PROJECTNUMMER C ONZE REFERENTIE A ONDERWERP Aangepaste leggerwijziging Tradeportsloot DATUM 14-4-2016 PROJECTNUMMER C01031.000363.0900 ONZE REFERENTIE 078903199 A VAN Joost Veltmaat AAN Waterschap Peel en Maasvallei Inleiding Klaver 6a

Nadere informatie

IJsseldelta- Zuid. Nota Ruimte budget 22,4 miljoen euro. Planoppervlak 650 hectare

IJsseldelta- Zuid. Nota Ruimte budget 22,4 miljoen euro. Planoppervlak 650 hectare IJsseldelta- Zuid Nota Ruimte budget 22,4 miljoen euro Planoppervlak 650 hectare Trekker Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Aanleg Hanzelijn met linksonder viaducten

Nadere informatie

Grondwatereffectberekening Paleis het Loo. 1. Inleiding. 2. Vraag. Datum: 16 september 2016 Goswin van Staveren

Grondwatereffectberekening Paleis het Loo. 1. Inleiding. 2. Vraag. Datum: 16 september 2016 Goswin van Staveren Grondwatereffectberekening Paleis het Loo Project: Grondwatereffectberekening Paleis het Loo Datum: 16 september 2016 Auteur: Goswin van Staveren 1. Inleiding Voor de ondergrondse uitbreiding van het museum

Nadere informatie

Rijkswaterstaat Ministerie van tnftastructuur en Milieu

Rijkswaterstaat Ministerie van tnftastructuur en Milieu Rijkswaterstaat Ministerie van tnftastructuur en Milieu M.E.R.-BEOORDELINGSNOTITIE STROOMLI]N MAAS, FASE 3, TRANCHE $ Deelgebied Lithse Ham Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu Datum

Nadere informatie

Datum 14 december Herstel Meander Lunterse Beek Scherpenzeel. Het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Vallei en Veluwe

Datum 14 december Herstel Meander Lunterse Beek Scherpenzeel. Het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Vallei en Veluwe PROJECTPLAN WATERWET Datum 14 december 2015 Projectnummer P205508 Onderwerp Herstel Meander Lunterse Beek Scherpenzeel Het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Vallei en Veluwe besluit het

Nadere informatie

Notitie. Waterparagraaf IJsseldelta-Zuid Gemeente Dronten. 1 Algemeen

Notitie. Waterparagraaf IJsseldelta-Zuid Gemeente Dronten. 1 Algemeen Notitie Concept Contactpersoon Johan de Putter Datum 15 maart 2013 Waterparagraaf IJsseldelta-Zuid Gemeente Dronten 1 Algemeen Bij een bestemmingsplan hoort een watertoets. Het doorlopen van de watertoetsprocedure

Nadere informatie

Toelichting partiële herziening peilbesluit Oude Polder van Pijnacker - peilgebied OPP XIII

Toelichting partiële herziening peilbesluit Oude Polder van Pijnacker - peilgebied OPP XIII Toelichting partiële herziening peilbesluit Oude Polder van Pijnacker - peilgebied OPP XIII Versie 13 april 2018 M.W. Näring, MSc (Hoogheemraadschap van Delfland) 1 Inleiding Het beheergebied van Delfland

Nadere informatie

REACTIENOTA zienswijzen Peilbesluit De Onlanden

REACTIENOTA zienswijzen Peilbesluit De Onlanden REACTIENOTA zienswijzen Peilbesluit De Onlanden 1. Familie Willems, Roderwolde Functies beekdal Hoger peil toename kwel rand effecten (onkruid / vliegen) Grenzen peilbesluit komen overeen met de vastgestelde

Nadere informatie

Presentatie van gebiedsavond Peilbesluit Zegveld Gebiedsavond De Haak 29 oktober 2018

Presentatie van gebiedsavond Peilbesluit Zegveld Gebiedsavond De Haak 29 oktober 2018 Presentatie van gebiedsavond Peilbesluit Zegveld Gebiedsavond De Haak 29 oktober 2018 In gesprek over het water(peil) in De Haak, Zegveld en alternatieven voor het toekomstig waterpeil Programma Welkom

Nadere informatie

Verdroging: tegen gaan van verdroging in het algemeen door beperken van verharding, ruimte voor infiltratie, hydrologisch neutraal ontwikkelen etc.

Verdroging: tegen gaan van verdroging in het algemeen door beperken van verharding, ruimte voor infiltratie, hydrologisch neutraal ontwikkelen etc. WATERTOETSPROCES Globale checklist waterbelangen in de ruimtelijke ordening Bij het watertoetsproces let het waterschap op alle wateraspecten. Doorgaans krijgen het voorkomen van wateroverlast en de zorg

Nadere informatie

Gebied: De Drie Polders

Gebied: De Drie Polders Gebied: De Drie Polders Basisschets De basisschets is het resultaat voort gekomen uit twee schetssessies. Onderstaande schets is het streefbeeld waar draagvlak voor is en is de basis geweest voor de nadere

Nadere informatie

Stromingsbeeld Rotterdam

Stromingsbeeld Rotterdam Rotterdam centraal en Provenierswijk Bert de Doelder 17-4-2014 Stromingsbeeld Rotterdam Z Maas Freatische grondwaterstand N diepe polders NAP 6,2 m holocene deklaag NAP -5 m 1e watervoerend pakket 1e

Nadere informatie

Figuur 1: Hoogteligging plangebied ( AHN, Rijkswaterstaat)

Figuur 1: Hoogteligging plangebied ( AHN, Rijkswaterstaat) 2.6 Geohydrologie 2.6.1 Algemeen Ten behoeve van het ontwerp van de locatie dient inzicht te worden verkregen in de opbouw van de bodem, de heersende grondwaterregimes en de terreingesteldheid. In deze

Nadere informatie

Geohydrologisch onderzoek Centrumplan Oldebroek

Geohydrologisch onderzoek Centrumplan Oldebroek Notitie Contactpersoon Wietske Terpstra Datum 2 februari 2006 Kenmerk N001-4425137TER-pla-V01-NL 1.1 Bodemopbouw De regionale bodemopbouw is afgeleid uit de Grondwaterkaart van Nederland 1 en boorgegevens

Nadere informatie

Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu M.E.RBEOORDELINGSNOTITIE STROOMLI]N MAAS, DEELGEBIED 3, TRANCHE 3 Rijkswaterstaat Ministerie van Infrastructuur en Milieu RWS-2017/8211 Onderwerp

Nadere informatie

Bijlage 1: Kaart locatie inrichtingsmaatregelen buiten het natuurgebied

Bijlage 1: Kaart locatie inrichtingsmaatregelen buiten het natuurgebied Bijlage 1: Kaart locatie inrichtingsmaatregelen buiten het natuurgebied Bijlage 2. Kaart hydrologische effecten Met een hydrolgisch model zijn de effecten van de waterhuishoudkundige maatregelen uit het

Nadere informatie

Oplegnotitie waterhuishoudingsplan 2012 Bedrijvenpark A1 Bijlage 8b exploitatieplan

Oplegnotitie waterhuishoudingsplan 2012 Bedrijvenpark A1 Bijlage 8b exploitatieplan Oplegnotitie waterhuishoudingsplan 2012 Bedrijvenpark A1 Bijlage 8b exploitatieplan Gemeente Deventer Opdrachtgever ORB H.J. Laing Datum paraaf Projectleider ORB J.J. van der Woude Datum paraaf Gemeente

Nadere informatie

hydraulische, morfologische en scheepvaarteffecten dijkversterking BR636-1 BR636-1/smei/147 ir. A. Zoon

hydraulische, morfologische en scheepvaarteffecten dijkversterking BR636-1 BR636-1/smei/147 ir. A. Zoon memo Witteveen+Bos Postbus 2397 3000 CJ Rotterdam telefoon 010 244 28 00 telefax 010 244 28 88 hydraulische, morfologische en scheepvaarteffecten dijkversterking BR636-1 BR636-1/smei/147 ir. A. Zoon datum

Nadere informatie

Waterschap Hunze en Aa s

Waterschap Hunze en Aa s Beekaanpassing Loonerdiep-Taarlooschediep Willem Kastelein 11 juni 2018 Waterschap Hunze en Aa s Democratische overheid Verantwoordelijk voor waterbeheer Veiligheid Voldoende water Waterkwaliteit 1 Drie

Nadere informatie

Visie Water en Ruimtelijke Ontwikkeling bijlage 1

Visie Water en Ruimtelijke Ontwikkeling bijlage 1 Visie Water en Ruimtelijke Ontwikkeling bijlage 1 Kaarten Waterbelangen DM: 303052 1 Wateropgaven 2015 / 2027 Kaart 1. Gebieden met een WB21 wateropgave In 2005 is een studie wateropgave uitgevoerd (conform

Nadere informatie