ARBEIDSMARKTMOBILITEIT Hoofdstuk 8
|
|
|
- Rosa Thys
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Hoofdstuk 8 Tom Vandenbrande Anno 2000 verloopt de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt in Vlaanderen vrij vlot. Ruim driekwart van de jongeren is een jaar na het schoolverlaten aan het werk. Minder gunstig vergaat het de werklozen, waarvan volgens de meest gunstige bron vier op tien tijdens het laatste jaar niet uit de werkloosheid is geraakt. De mobiliteit in de richting van werk is onder de gunstige arbeidsmarktomstandigheden in het Vlaanderen van 2000 nochtans duidelijk toegenomen. Dit is echter vooral het gevolg van een grotere jobmobiliteit onder de werkende bevolking, en niet omdat er meer mensen vanuit werkloosheid en/of niet-beroepsactiviteit een job hebben gevonden. In de rest van België is vooral het grote aandeel niet-beroepsactieve schoolverlaters een alarmerende vaststelling. Tabel 8.1 Basisstromen op de arbeidsmarkt (Vlaams Gewest; ) x1 000 Arbeidsmarktpositie in 2000 Arbeidsmarktpositie in 1999 Student Werkloos Werk Huisman/ vrouw Arbeidsongeschikt Brugpensioen Pensioen Andere situatie Student Werkloos Werk (waarvan ander werk) (184) Huisman/vrouw Arbeidsongeschikt Brugpensioen Pensioen Andere situatie Totaal Bron: NIS EAK (Bewerking Steunpunt WAV) Totaal Tabel 8.1 fungeert als kapstok voor dit hoofdstuk. Ze is opgesteld aan de hand van de antwoorden van respondenten in de EAK op twee vragen: wat is de arbeidsmarktpositie op dit ogenblik? en wat was deze positie één jaar geleden? De combinatie van deze twee antwoorden biedt een beeld op de arbeidsmarktmobiliteit van Vlamingen in de periode Op bepaalde plaatsen wordt de evolutie tussen 1990 en 2000 gedocumenteerd. Ten ge- 81
2 JAARBOEK H OOFDSTUK 8 volge van de hervorming van de NIS EAK in 1999 kunnen de niveaus aan het eind van dit decennium niet vergeleken worden met niveaus tussen 1990 en Enkel de trendlijn kan worden bestudeerd (zie ook methodologie). 1 1 Afgestudeerd Figuur 8.1 Aandeel nog werkzoekende schoolverlaters, volgens NIS EAK en volgens VDAB (Vlaams Gewest; ) (%) Aandeel werkloos (EAK) Aandeel werkloos (VDAB) Bron : VDAB, NIS EAK (Bewerking Steunpunt WAV) Na het afstuderen stromen Vlamingen anno 2000 relatief gemakkelijk door naar werk. Van de schoolverlaters zijn volgens deze gegevens nog personen op zoek naar een job en hebben er reeds een betrekking gevonden. Het aandeel schoolverlaters dat niet-beroepsactief wordt is zeer beperkt. Er is dus effectief een doorstroom naar werk wanneer schoolverlaters na een korte periode de werkloosheid uitstromen. Deze cijfers sluiten in grote lijnen aan bij de VDAB-gegevens die in hoofdstuk 11 werden opgenomen, en waar Hfdst. 11 blijkt 1 Voor een overzicht van gedetailleerd cijfermateriaal dat gebruikt wordt in dit hoofdstuk verwijzen we naar rubriek publicaties, jaarreeks D E ARBEIDSMARKT IN V LAANDEREN
3 dat eind mei 2000 nog 15% van de schoolverlaters van 1999 op zoek was naar een job. Een tijdreeks illustreert de overeenkomst tussen de twee bronnen, die beiden aangeven dat schoolverlaters het minst gemakkelijk een job vonden halfweg de jaren negentig (figuur 8.1). Vanaf 1997 werd een steeds vlottere overgang tussen school en werk gerealiseerd. 2 Werkloos Relevant zijn ook de stromen van en naar werkloosheid. Een opvallende vaststelling is het langdurige karakter van werkloosheid. Van de Vlamingen die zichzelf als werkloos beschouwen, waren personen naar eigen zeggen een jaar eerder ook al werkloos. Het aandeel werklozen dat het afgelopen jaar geen transitie maakte, bedraagt volgens deze gegevens met andere woorden maar liefst 69%. Er kunnen enkele kanttekeningen geplaatst worden bij dit bijzonder hoge percentage van langdurige werkloosheid, maar ook na nuancering blijft bijna de helft van de werklozen reeds langer dan een jaar werkloos. Ten eerste speelt het herinneringseffect hier duidelijk een rol. Respondenten zijn geneigd om een sociaal minder wenselijke situatie (zoals bv. een korte werkloosheidsperiode) uit het verleden te vergeten. Dit zorgt onder meer voor een onderschatting van de uitstroom uit werkloosheid, wat hier duidelijk merkbaar is. In de NIS EAK zijn er meer personen die antwoorden dat ze nu werkloos zijn, dan dat er antwoorden dat ze één jaar voor de enquête werkloos waren. Bijgevolg zou het totaal aantal werklozen volgens deze transitietabellen tussen 1999 en 2000 gestegen zijn van naar , wat in tegenstelling is met de werkloosheidsdaling volgens verschillende bronnen 2. Verder wordt niet gecorrigeerd voor tussentijdse niet-werkloze periodes. Wie werkloos is in 1999, enkele maanden werkt, en opnieuw werkloos is in 2000, wordt als niet-mobiel beschouwd. De omvang van deze tussentijdse mobiliteit is evenwel miniem (Steunpunt WAV, 1998). 2 Volgens de definitie van werkloos volgens antwoord vermindert het aantal werklozen tussen 1999 en 2000 van naar (of met eenheden). Het aantal ILO-werklozen vermindert van naar (of met personen). Het aantal bij de VDAB ingeschreven niet-werkende werkzoekenden neemt tussen 1999 en 2000 af van tot (of met ). Er is een duidelijke kloof tussen het aantal mensen dat volgens de EAK 1999 werkloos was in 1999 (op basis van de vraag Wat is Uw huidige arbeidsmarktpositie? ), , en het aantal mensen dat volgens de EAK 2000 werkloos was in 1999 (op basis van de vraag Wat was Uw arbeidsmarktpositie één jaar geleden? ), Wanneer we aannemen dat personen zich in 2000 hun kortdurige werkloosheidsperiode van één jaar eerder niet meer herinneren (en op die manier het aantal werklozen volgens antwoord in 1999 verhogen tot personen, wat het resultaat was van de enquête in 1999), dan blijft het aandeel langdurig werklozen nog hoger dan 60% (of / ). 83
4 JAARBOEK H OOFDSTUK 8 Een derde kanttekening heeft betrekking op de definitie van werkloosheid. De omschrijving van het aantal werklozen is hier vrij ruim. Iedereen die zichzelf beschouwt als werkloze, wordt meegeteld. Ook oudere werklozen kunnen hier dus in de werkloosheid voorkomen. Het gevolg is een vrij ruime omschrijving, met een relatief hoog aandeel langdurig werklozen. De langdurige werkloosheid vermindert wanneer we meer beperkende definities van werkloosheid hanteren. Bekijken we de bij de VDAB geregistreerde werkloosheid, dan merken we dat het aandeel langdurig werklozen onder de niet-werkende werkzoekenden iets lager ligt, met name op 49%. 3 Onder de bijzonder strikte ILO-definitie van werkloosheid 4 ligt het aandeel langdurig werklozen nog lager: toch verklaart nog 43% van de ILOwerklozen reeds langer dan één jaar op zoek te zijn naar een betrekking. Vlaanderen scoort hiermee gemiddeld in Europa. In Nederland (28%) en Frankrijk (40%) ligt het aandeel langdurig ILO-werklozen lager, in Duitsland (50%) iets hoger dan in Vlaanderen. Figuur 8.2 De segmenten waar werklozen één jaar later in terechtkomen (Vlaams Gewest; ) (%) School Werkloosheid Werk Niet-beroepsactief Bron : NIS EAK (Bewerking Steunpunt WAV) 3 In 2001 zakt dit aandeel zelfs tot 40% (zie hoofdstuk 11). 4 Volgens de ILO-normen is iemand werkloos wanneer hij/zij aan drie criteria voldoet: (1) niet werken, (2) de afgelopen vier weken actief een job gezocht hebben, en (3) binnen de twee weken beschikbaar zijn om een eventuele betrekking te beginnen. 84 D E ARBEIDSMARKT IN V LAANDEREN
5 Binnen de groep werklozen die geen transitie maakte stellen we de verwachte ongelijkheden vast. Het aandeel ligt het hoogst bij vrouwen (70%), laaggeschoolden (79%) en vijftigplussers (91%). In Wallonië (76%) en Brussel (70%) ligt de langdurige werkloosheid iets hoger dan in Vlaanderen (69%). De bijzonder gunstige arbeidsmarkt in 2000 heeft niet voor een vlottere uitstroom uit de werkloosheid gezorgd. Het aantal werklozen dat niet uitstroomde was net als in 1999 bijzonder hoog. Wel gunstig is de richting van de uitstroom die wél wordt gerealiseerd. De resultaten van de jongste twee enquêtes geven aan dat wie de werkloosheid uitstroomt, doorgaans een job heeft. Het aantal Vlaamse werklozen dat niet-beroepsactief wordt is anno 2000 bijzonder klein. Halfweg de jaren negentig was de kans op niet-beroepsactiviteit voor werklozen veel reëler, en stroomden gedurende enkele jaren grote groepen werklozen naar de nietberoepsactiviteit. Ook hier moet rekening worden gehouden met een vertekening ten gevolge van de hervorming van de NIS EAK, maar het uitdoven van het effect van maatregelen als het vrijstellen van oudere werklozen of schorsen van langdurig werklozen 5 suggereert Hfdst. 5 dat de inactivering van werklozen inderdaad een steeds minder grote bevolkingsgroep treft. 3 Werkzaam De dynamiek op de arbeidsmarkt is in 2000 licht toegenomen. Het aandeel werkenden dat één jaar eerder nog niet aan de slag was in de huidige job, de bruto-mobiliteit, ligt op 13%, wat ongeveer een procentpunt hoger is dan in De netto-mobiliteit, of het aandeel werkenden dat het afgelopen jaar van job veranderde, bedraagt 7,5%, eveneens een toename van een procentpunt. In personen uitgedrukt nam de bruto-mobiliteit toe van iets meer dan personen in 1999 naar personen in Deze grotere jobmobiliteit kan volledig worden toegeschreven aan het feit dat meer werkenden van job veranderen (of de netto-mobiliteit), bijna in 2000 tegenover een jaar eerder. Het aantal werkenden dat instroomt uit een andere situatie (school, werkloosheid of niet-beroepsactiviteit) blijft jaar op jaar ongeveer stabiel rond personen. 5 Schorsingen en vrijstellingen zorgen voor een stroom van werkloosheid naar inactiviteit, en veroorzaken a.h.w. een inactivering van werklozen. De impact van deze maatregelen was het grootst halfweg de jaren negentig. Achtereenvolgens lag de impact op (in ), (in ), (in ), (in ), (in ) en (in ). 85
6 JAARBOEK H OOFDSTUK 8 De nieuwgerekruteerden komen het vaakst uit het werkende segment ( ), op afstand gevolgd door studenten (64 000) en werklozen (45 000), de twee andere belangrijke groepen waaruit werkgevers putten bij het aanwerven van nieuw personeel. Figuur 8.3 Omvang van de netto en bruto-mobiliteit van werkenden (Vlaams Gewest; ) 14 (%) Bruto-mobiliteit Netto-mobiliteit Bron : NIS EAK (Bewerking Steunpunt WAV) 4 Niet-beroepsactief De cijfers over de arbeidsmarktmobiliteit illustreren het stabiele karakter van de arbeidsmarktsituatie van de niet-beroepsbevolking. Belangrijke stromen vertrekken uit de segmenten school, werkloosheid en werkzaamheid, maar nauwelijks vanuit de nietberoepsbevolking. Wie niet behoort tot de officiële beroepsbevolking (van werkenden en werklozen) of de groep van schoolverlaters realiseert nog nauwelijks een beweging in de richting van de arbeidsmarkt. Nagenoeg alle personen blijven hun arbeidsmarktstatuut behouden eenmaal ze deel uitmaken van de niet-beroepsbevolking. Dit is het geval bij arbeidsongeschikten, en zo mogelijk nog sterker uitgesproken bij huisvrouwen/mannen, bruggepensioneerden en gepensioneerden. Van de arbeidsongeschikten is een jaar later 91% nog arbeidsongeschikt, van de huisvrouwen/mannen blijft 95% huisvrouw/man, en 96% 86 D E ARBEIDSMARKT IN V LAANDEREN
7 van de (brug)gepensioneerden vinden we een jaar later terug in datzelfde statuut. Dat bijzonder weinig personen nog effectief werk zoeken of gaan werken, is niet verwonderlijk. Elders in dit jaarboek blijkt dat zelfs de intentie om nog een betrekking uit te oefenen ontbreekt bij deze groep. Hfdst. 7 5 Wallonië en Brussel Het is bekend dat een aantal karakteristieken van de arbeidsmarkt grondig verschillen tussen Vlaanderen enerzijds en Brussel en Wallonië anderzijds. Vooral het aandeel werkenden ligt hoger en de (langdurige en jeugd-)werkloosheid aanzienlijk lager. Deze globale kenmerken hebben uiteraard gevolgen voor de kansen van nieuwkomers of de jobzekerheid van blijvers op de arbeidsmarkt. Tabel 8.2 Kans op onderwijs, werkloosheid, werkzaamheid en niet-beroepsactiviteit in 2000 bij de bevolking tussen 15 en 64 jaar, naar de arbeidsmarktsituatie in 1999 (Vlaams Gewest, Brussels en Waals Gewest; ) (%) Arbeidsmarktpositie in 2000 School Werkloos Werkend Niet-beroepsactief Arbeidsmarktpositie in 1999 Vla Wal+Bru Vla Wal+Bru Vla Wal+Bru Vla Wal+Bru School 84,3 81,5 2,9 4,8 12,1 10,6 0,6 3,2 Werkloos 0,5 0,4 72,6 77,0 21,9 17,2 5,0 5,4 Werkend 0,3 0,4 1,9 2,6 95,1 93,5 2,8 3,4 Niet-beroepsactief 0,2 0,5 0,8 1,7 3,7 3,6 95,2 94,1 Totaal 11,5 12,7 5,5 9,9 62,5 54,6 20,5 22,8 Bron: NIS EAK (Bewerking Steunpunt WAV) In grote lijnen hebben Vlaamse schoolverlaters en werkzoekenden meer kansen om een job te vinden en werkenden een beperkter risico om een jaar later niet meer aan het werk te zijn. Een eerste belangrijk verschil betreft de situatie van scholieren en studenten. Van de generatie die in 1999 op de schoolbanken zat, blijft in Vlaanderen een belangrijker deel nog student in 2000 en zijn de kansen op een job beduidend groter dan in de rest van België. In Wallonië en Brussel zijn onder deze groep meer werkzoekenden (4,8% tegenover 2,9%) en meer inactieven (3,2% tegenover 0,6%). Bekijken we enkel de resultaten van de groep die niet meer op de schoolbanken zit, dan worden de contrasten nog groter: in Vlaanderen is 77% van de 87
8 JAARBOEK H OOFDSTUK 8 schoolverlaters aan het werk, 19% werkloos en 4% niet-beroepsactief 6 ; in Wallonië en Brussel betreft het respectievelijk 57%, 26% en 17%. Vooral het belangrijke aandeel dat meteen na het afstuderen niet-beroepsactief wordt is in deze regio s alarmerend. De perceptie van beperkte arbeidsmarktkansen resulteert bij een belangrijk deel van de Walen en Brusselaars reeds bij aanvang van de carrière in niet-participatie. Dat deze jongeren zich doorgaans beschouwen als andere inactieve (en bv. niet als huisman/vrouw) sluit aan bij de hypothese dat een zekere ontmoediging kan meespelen bij de beslissing van deze jongeren. We vinden zowel jongens als meisjes en zowel laag- als hooggeschoolden onder deze niet-beroepsactieve schoolverlaters in Brussel en Wallonië. Werklozen blijven minder vaak werkloos in Vlaanderen en schuiven gemakkelijker door naar een job. Van de Walen/Brusselaars die in 1999 werkloos waren, is 77% ook in 2000 werkloos en hebben er 17% een baan. Uiteraard geldt ook hier dat de omvang van de langdurige werkloosheid vermoedelijk iets lager is (zie hoger). Opvallend is dat het aandeel werklozen dat inactief wordt tussen de regio s niet verschilt. Eenmaal de stap naar de arbeidsmarkt gezet, zijn er geen verschillen meer tussen Vlaanderen en de rest van België wat betreft de beslissing om niet-beroepsactief te worden. In tegenstelling tot bij de schoolverlaters speelt bij werklozen vermoedelijk niet zozeer de ontmoediging ten gevolge van de perceptie van slechte arbeidsmarktperspectieven een rol wanneer ze een transitie maken in de richting van niet-beroepsactiviteit, maar vooral het institutioneel kader. De twee belangrijke maatregelen die aan de basis liggen van een dergelijke transitie, vrijstellingen en schorsingen, zijn federale maatregelen en spelen bijgevolg een gelijkaardige rol in de verschillende gewesten. Onder de werkenden zijn de verschillen in mobiliteit het meest beperkt. Zowel in Vlaanderen als in de rest van België blijven de meeste werkenden een jaar later aan het werk. Het aandeel van deze groep die werkloos of niet-beroepsactief wordt is telkens miniem, hoewel ook hier de verschillen in de verwachte richting lopen (met name meer werkenden en minder werklozen en niet-beroepsactieven in Vlaanderen). Wel is het zo dat de netto-mobiliteit, het aandeel werkenden dat van job veranderde, in Vlaanderen (7,5%) een stuk hoger ligt dan in de rest van het land (5,2%). Vermoedelijk stellen werkenden op een minder gunstige arbeidsmarkt (Wallonië en Brussel) zich meer risico-avers op dan werkenden op een arbeidsmarkt waar kansen bij eventueel jobverlies gunstiger zijn. 6 Dit wordt als volgt berekend: Uit de tabel halen we het aandeel Vlaamse schoolverlaters, nl. 2,92+12,14+0,64 of 15,7. Binnen deze groep is het aandeel werklozen 19% (of 2,92/15,7), het aandeel werkenden 77% (of 12,1/15,7), en het aandeel van de niet-beroepsactieven 4% (of 0,6/15,7). 88 D E ARBEIDSMARKT IN V LAANDEREN
9 Ook onder de niet-beroepsactieven zijn de bewegingen weinig verschillend tussen de gewesten. Opvallend is dat in Wallonië en Brussel meer personen uit de niet-beroepsbevolking beslissen om zich opnieuw als werkloze op de arbeidsmarkt aan te bieden. De verschillen zijn evenwel beperkt. Tabellenbijlage: rubriek publicaties, jaarreeks
Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid
Brussels Observatorium voor de Werkgelegenheid Juli 2013 De evolutie van de werkende beroepsbevolking te Brussel van demografische invloeden tot structurele veranderingen van de tewerkstelling Het afgelopen
Hoofdstuk 17 WERK, GEZIN OF BEIDE? VERSCHILLEN TUSSEN LAAG- EN. Karen Geurts HOOGGESCHOOLDEN
VERSCHILLEN TUSSEN LAAG- EN HOOGGESCHOOLDEN Hoofdstuk 17 Karen Geurts In de huidige generatie jonge volwassenen (25-39 jaar) hebben vrouwen met kinderen nog altijd minder vaak een betaalde baan dan mannen
De beroepsbevolking in de grensregio s van Nederland en Vlaanderen: grote verschillen aan weerszijden van de grens
De beroepsbevolking in de grensregio s van Nederland en Vlaanderen: grote verschillen aan weerszijden van de grens Bierings, H., Schmitt, J., van der Valk, J., Vanderbiesen, W., & Goutsmet, D. (2017).
Uitgerust op rustpensioen
Uitgerust op rustpensioen Eindeloopbaan en pensioenvorming in Vlaanderen Herremans, W. (2005). Uitgerust op rustpensioen. Eindeloopbaan en pensioenvorming in Vlaanderen. Steunpunt WAV, in opdracht van
2.2.1 Aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt
2.2 Uitdagingen op het vlak van werkgelegenheid 2.2.1 Aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt Het wordt steeds belangrijker om met voldoende kwalificaties naar de arbeidsmarkt te kunnen gaan. In Europees
Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin
Verdere evolutie van de geharmoniseerde werkloosheid in ruime zin ruime zin in België, Duitsland, Frankrijk en Nederland in 2014 Directie Statistieken, Begroting en Studies [email protected] Inhoudstafel: 1
67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk
ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 28 oktober 67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk Tegen 2020 moet 75% van de Europeanen van 20 tot en met 64 jaar aan het werk zijn.
Onderwijs en arbeidsmarkt: tweemaal actief
Onderwijs en arbeidsmarkt: tweemaal actief Organisation for Economic Coöperation and Development (2002), Education at a Glance. OECD Indicators 2002, OECD Publications, Paris, 382 p. Onderwijs speelt een
Tabel 2.1 Overzicht van de situatie op de arbeidsmarkt van de onderzochte personen op 30/06/97. Deelpopulatie 1996
Dit deel van het onderzoek omvat alle personen tussen de 18 en 55 jaar oud (leeftijdsgrenzen inbegrepen) op 30 juni 1997, wiens dossier van het Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met
Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013)
1 Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) Trends op de Belgische arbeidsmarkt (1983-2013) 1. Arbeidsmarktstatus van de bevolking van 15 jaar en ouder in 1983 en 2013 De Belgische bevolking van
Minder instroom in, meer uitstroom uit arbeidsmarkt
Minder instroom in, meer uitstroom uit arbeidsmarkt 07 Arbeidsmarktmobiliteit geringer dan in voorgaande jaren Bijna miljoen mensen wisselen in 2008 van beroep of werkgever Afname werkzame door crisis
8. Werken en werkloos zijn
8. Werken en werkloos zijn In 22 is de arbeidsdeelname van allochtonen niet meer verder gestegen. Onder autochtonen is het aantal personen met werk nog wel licht toegenomen. De arbeidsdeelname onder Surinamers,
Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014
Nummer 6 juni 2014 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014 Factsheet Ondanks eerste tekenen dat de economie weer aantrekt blijft de werkloosheid. Negen procent van de Amsterdamse beroepsbevolking is werkloos
DE GEHARMONISEERDE WERKLOOSHEID IN RUIME ZIN
1 DE GEHARMONISEERDE WERKLOOSHEID IN RUIME ZIN INHOUDSTAFEL 1. INLEIDING... 3 1.1. DE WERKZOEKENDE VOLLEDIG WERKLOZE IN STRIKTE ZIN... 3 1.2. BREDERE DEFINITIE VAN WERKLOOSHEID... 4 2. DE CIJFERS VAN DE
ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 26 november 2010
ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 26 november 2010 Meer personen op de arbeidsmarkt in de eerste helft van 2010. - Nieuwe cijfers Enquête naar de Arbeidskrachten, 2 de
Vlaanderen-Wallonië: wie werkt hoe en waar?
Vlaanderen-Wallonië: wie werkt hoe en waar? Is de werkende Vlaming vergelijkbaar met zijn Waalse landsgenoot? Waar situeren zich de knelpunten in beide gewesten? Hoe flexibel zijn Walen en Vlamingen? Welke
Fact sheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013
Fact sheet nummer 9 juli 2013 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013 Er zijn in Amsterdam bijna 135.000 jongeren in de leeftijd van 15 tot 27 jaar (januari 2013). Veel jongeren volgen een opleiding of
Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting
Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting Feiten en cijfers Hebben laaggeschoolden een hoger risico om in armoede te belanden? Ja. Laagopgeleiden hebben het vaak
De evolutie van het arbeidsvolume in België, de gewesten en de Europese unie
De evolutie van het arbeidsvolume in België, de gewesten en de Europese unie In het kader van de Jaarreeks 2000 verscheen een studie over de evolutie van het arbeidsvolume in België, het Vlaams en het
Vlaanderen binnen Europa
Vlaanderen binnen Europa Een gekleurde blik op de arbeidsmarkt Voorjaar 2016 steunpuntwerk.be/vlaanderen-binnen-europa werk.be/vlaanderen-binnen-europa europa.vdab.be Steunpunt Werk Naamsestraat 61, 3000
1,9 miljoen Belgen hebben nog nooit een computer gebruikt; 2,6 miljoen Belgen hebben nog nooit op het internet gesurft.
ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 8 november 2006 1,9 miljoen Belgen hebben nog nooit een computer gebruikt; 2,6 miljoen Belgen hebben nog nooit op het internet gesurft.
DEPARTEMENT WERK EN SOCIALE ECONOMIE. Kerncijfers Vergrijzing en Werkzaamheid Versie 20 juni 2013
DEPARTEMENT WERK EN SOCIALE ECONOMIE Kerncijfers Vergrijzing en Werkzaamheid Versie 20 juni 2013 1 De arbeidsmarkt wordt krapper: alle talent is nodig Evolutie van de vervangingsgraad (verhouding 15-24-jarigen
Niet-westerse allochtonen behoren minder vaak tot de werkzame beroepsbevolking 1) Arbeidsdeelname niet-westerse allochtonen gedaald
7. Vaker werkloos In is de arbeidsdeelname van niet-westerse allochtonen gedaald. De arbeidsdeelname onder rs is relatief hoog, zes van de tien hebben een baan. Daarentegen werkten in slechts vier van
Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010
FORUM Maart Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt 9-8e monitor: effecten van de economische crisis In steeg de totale werkloosheid in Nederland met % naar 26 duizend personen. Het werkloosheidspercentage
CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt
CBS: Meer werkende vrouwen op de arbeidsmarkt Tussen maart en mei is het aantal mensen met een baan met gemiddeld 6 duizend per maand gestegen. De stijging is volledig aan vrouwen toe te schrijven. Het
EEN OUD ZEER Hoofdstuk 8
Hoofdstuk 8 Maarten Tielens & Wim Herremans 1 Kort samengevat Het lage aandeel werkenden bij de vijftigplussers is een oud zeer. Om de zoveel tijd wordt België, en dus ook Vlaanderen, daarvoor stevig op
NOVEMBER 2014 BAROMETER
NOVEMBER 2014 BAROMETER In deze nieuwe editie van de barometer staan we stil bij de Census 2011 die afgelopen maand werd gepubliceerd door Statistics Belgium, onderdeel van de FOD Economie. We vertalen
Deeltijdarbeid. WAV-Rapport. Seppe Van Gils. Maart 2004
Deeltijdarbeid Seppe Van Gils Maart 2004 WAV-Rapport Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming Interuniversitair samenwerkingsverband E. Van Evenstraat 2 blok C 3000 Leuven T:32(0)16 32 32 39 F:32(0)16
Hoofdstuk 9 DE TRIATLON SECUNDAIR ONDERWIJS, HOGER. Barbara Dessein ONDERWIJS, ARBEIDSMARKT. Kort samengevat
DE TRIATLON SECUNDAIR ONDERWIJS, HOGER ONDERWIJS, ARBEIDSMARKT Hoofdstuk 9 Barbara Dessein Kort samengevat In dit hoofdstuk wordt het secundair en hoger onderwijs bestudeerd als aanloop naar de arbeidsmarkt.
Jongeren op de arbeidsmarkt
Jongeren op de arbeidsmarkt Tanja Traag In 23 was 11 procent van alle jongeren werkloos. Jongeren die geen onderwijs meer volgen, hebben een andere positie op de arbeidsmarkt dan jongeren die wel een opleiding
Arbeidsmarkt vijftigplussers
Streekpact 2013-2018 Cijferanalyse Publicatiedatum: 30 september 2013 Contactpersoon: Kim Nevelsteen Arbeidsmarkt vijftigplussers Samenvatting 2012) 50.216 werkende 50+ ers (2011) aantal werkende vijftigplussers
BRUSSEL, HEEN EN TERUG Hoofdstuk 19
Hoofdstuk 19 Maarten Tielens Kort samengevat Zowat een op vijf van de werkende Vlamingen werkt in een andere provincie dan de eigen woonplaats. Hooggeschoolden pendelen dubbel zo veel als laaggeschoolden.
DEPARTEMENT WERK EN SOCIALE ECONOMIE. Kansengroepen op de arbeidsmarkt Faiza Djait
DEPARTEMENT WERK EN SOCIALE ECONOMIE Kansengroepen op de arbeidsmarkt Faiza Djait Voor drie kansengroepen: ouderen, allochtonen en personen met een arbeidshandicap 1. Overzicht van de belangrijkste arbeidsmarktindicatoren
De 50-plussers op de Limburgse arbeidsmarkt in de logistiek
De 50-plussers op de Limburgse arbeidsmarkt in de logistiek APRIL 2012 INHOUD Blz 1. Loontrekkende werkgelegenheid 2 1.1 Algemeen 2 1.2 Hoofdsectoren 2 1.3 Logistiek 3 1.3.1 Algemeen 3 1.3.2 Limburgse
Arbeidsmarktbarometer Onderwijs
Arbeidsmarktbarometer Onderwijs Basisonderwijs en secundair onderwijs December 29 VLAAMS MINISTERIE VAN ONDERWIJS EN VORMING AGENTSCHAP VOOR ONDERWIJSDIENSTEN (AgODi) Arbeidsmarktbarometer Onderwijs december
