Noot van M.J. Borgers
|
|
|
- Adriana Goossens
- 7 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 HR 3 november 2009, NJ 2010, 335, zaaknummer 08/00670, LJN BJ6931 en HR 3 november 2009, NJ 2010, 336, zaaknummer: 08/01348, LJN BJ6944 en HR 17 november 2009, NJ 2010, 337, zaaknummer: 08/00514, LJN:BJ3565; hennepteelt Noot van M.J. Borgers 1. De strafrechtelijke bestrijding van hennepteelt staat hoog op de agenda van politie en justitie. Zo vermeldt de website van het openbaar ministerie: De verbouw van hennep heeft zich ontwikkeld tot een industrie die in belangrijke mate in handen is gekomen van de georganiseerde criminaliteit. De gevolgen daarvan zijn overal zichtbaar en ruikbaar. Eenzelfde beeld komt naar voren in diverse kamerstukken die betrekking hebben op het drugsbeleid en de aanpak van georganiseerde misdaad (vgl. bijvoorbeeld Kamerstukken II 2009/10, , nr. 239 en Kamerstukken II 2009/10, , nr. 34). In het vervolgingsbeleid komt dit ook tot uitdrukking. De strijd tegen georganiseerde hennepteelt uit zich niet alleen in een straffe aanpak van telers. Het openbaar ministerie richt zijn pijlen ook op een kring van personen rondom de telers. Daarbij moet uiteraard worden gedacht aan de afnemers van het eindproduct (in het oog springt vooral de lopende strafzaak tegen coffeeshop Checkpoint waarin onder andere een veroordeling ter zake van overtreding van artikel 140 Sr is uitgesproken; Rb. Middelburg 25 maart 2010, LJN BL8815). Voorts kan het gaan zo laten de hierboven afgedrukte drie zaken zien om verhuurders van panden waarin wordt gekweekt, of om personen die hennepteelt faciliteren door kwekerijen in te richten. Hoewel de uitspraken die de Hoge Raad in deze drie zaken heeft gedaan, op zichzelf niet spectaculair zijn, ontstaat wel een zeker beeld in hoeverre vervolging van de kring van personen rondom de telers mogelijk is. 2. In de zaken NJ 2010, 335 en NJ 2010, 336 is de vraag aan de orde of de verhuurder van het pand waarin hennep wordt geteeld, kan worden veroordeeld voor medeplichtigheid aan het telen van hennep respectievelijk medeplegen van het aanwezig hebben van hennep (in combinatie met diefstal van stroom). In beide zaken casseert de Hoge Raad op een vergelijkbaar punt: het opzet van de verdachte (op de medeplichtigheid aan hennepteelt respectievelijk de aanwezigheid van de kwekerij en de daarmee gepaard gaande diefstal van stroom) kan niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Globaal bezien en dus met weglating van enkele nuances en details kan worden geconstateerd dat in beide zaken het gerechtshof het bewijs van het opzet in twee stappen construeert. Allereerst wordt tot uitdrukking gebracht dat aan de verhuur niet-zakelijke elementen waren verbonden, waaronder het zonder toestemming onderverhuren van de ruimte, het niet verifiëren van alle gegevens omtrent de identiteit van de (onder)huurder, het niet opstellen van een huurcontract en/of het contant in ontvangst nemen van de huurpenningen. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat de verdachte eerder geconfronteerd is geweest met de aanwezigheid van hennep in verhuurde panden. Tegen deze achtergrond wordt voorts als argument gebezigd dat er niet of onvoldoende toezicht is gehouden op de activiteiten die zijn verricht in de verhuurde ruimten.
2 Met het aldus gebezigde argumentatiepatroon wordt weliswaar tot uitdrukking gebracht dat de verhuur van de ruimten niet pluis is, maar dat is iets anders dan het vaststellen van het vereiste opzet. Wellicht zou men in gevallen als de onderhavige kunnen zeggen dat de verhuurders hadden moeten weten wat er zich in de verhuurde ruimten afspeelde. Dat is echter iets anders dan aannemen dat de verdachten moeten hebben geweten dat er sprake was van de teelt of de aanwezigheid van hennep, althans van de aanmerkelijk kans daarop. In beide zaken wordt in de conclusie van de A-G gedetailleerd uiteengezet waarom de concreet vastgestelde feiten en omstandigheden het oordeel niet kunnen rechtvaardigen dat van een dergelijk opzet sprake is. De oordelen die de Hoge Raad in deze zaken heeft geveld, zijn niet principieel van aard. Het gaat om een gewone beoordeling van de toereikendheid van de door het gerechtshof gebezigde bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen. Niettemin scherpen de uitspraken van de Hoge Raad in dat personen die henneptelers faciliteren door aan hen ruimten te verhuren, niet zo maar strafrechtelijk aansprakelijk kunnen worden gesteld. Daarvoor volstaat niet dat de verhuur in mindere of meerdere mate onder dubieuze omstandigheden plaatsvindt, maar is nog altijd vereist dat deze personen voldoende wetenschap hebben wat zich in die ruimten voltrekt. 3. De zaak NJ 2010, 337 ziet op de vraag of het inrichten van een hennepkwekerij een poging tot hennepteelt, of één de andere in artikel 3, onder B en C, Opiumwet genoemde gedragingen, oplevert. Deze vraag is interessant omdat vooralsnog (zie onder 4) de voorbereiding van hennepteelt niet strafbaar is gesteld. Artikel 10a Opiumwet ziet niet op strafbare gedragingen ter zake van lijst IImiddelen (waaronder hennep), terwijl artikel 46 Sr toepassing mist omdat gelet op de strafmaxima zoals bepaald in artikel 11 Opiumwet de achtjaarsgrens niet wordt gehaald. In hoeverre kunnen dan handelingen die voorafgaan aan hennepteelt strafrechtelijke aansprakelijkheid opleveren? Het antwoord op die vraag hangt af van het moment waarop een poging tot hennepteelt in beeld komt. Van een poging is zoals bekend sprake indien feitelijke handelingen worden verricht die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. Deze afbakening impliceert dat poging zich bij formeel omschreven delicten, zoals het telen of het aanwezig hebben (van hennep), lastig laat denken, omdat het begin van de uitvoering eigenlijk niet goed te onderscheiden is van de voltooiing van het delict (vgl. De Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2009, p. 3 89). Niettemin wordt in de rechtspraak poging bij formeel omschreven delicten niet op voorhand onmogelijk geacht. Er kan sprake zijn van een begin van de uitvoering van een misdrijf, ook al is strikt genomen nog geen begin gemaakt met de strafbare handeling zelf. Zo is sprake van een poging tot dronken rijden, indien men onder invloed in een auto stapt en met het voornemen om weg te gaan rijden de motor start en de lichten ontsteekt, ook zonder dat er een meter is gereden (vgl. HR 17 september 2002, NJ 2004, 352 m.nt. D.H. de Jong). Het is niet eenvoudig om in algemene termen aan te geven wat de reikwijdte van de poging is bij formeel omschreven delicten. Casuïstiek hier een belangrijke rol (vgl. bijvoorbeeld HR 20 juni 1989, NJ 1990, 32 m.nt. ThWvV en HR 20 juni 1989, NJ 1990, 33 m.nt. ThWvV: geen begin van uitvoering van het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van heroïne, maar wel een begin van uitvoering van het opzettelijk afleveren van diezelfde heroïne).
3 In zijn interessante conclusie tast A-G Knigge aan de hand van een vergelijking met een eerdere uitspraak over het vervoeren van drugs af onder welke omstandigheden een poging tot telen zou kunnen worden aangenomen (naast het door Knigge genoemde HR 17 april 2007, NJ 2007, 436 m.nt. J.M. Reijntjes is ook HR 31 augustus 2004, NJ 2004, 592 interessant). De slotsom daarvan is enerzijds dat de jurisprudentie ruimte laat om onder omstandigheden een poging tot teelt aan te nemen, maar anderzijds dat ervoor moet worden gewaakt dat poging en voorbereiding niet met elkaar worden verward. Anders gezegd: het laten van ruimte voor het aannemen van een poging tot teelt, moet er niet toe leiden dat iedere voorbereidingshandeling ter zake van die teelt onder het bereik van de poging wordt begrepen. Daarmee zou immers worden miskend dat voorbereiding van de teelt niet strafbaar is gesteld. Om die reden doet Knigge het aansprekende voorstel om alleen poging aan te nemen indien (ten minste) vaststaat dat de betrokkene de feitelijke mogelijkheid heeft gehad om tot telen over te gaan (conclusie onder 20). In dat licht acht hij relevant dat in de onderhavige zaak niet is komen vast te staan dat de verdachte over kweekmateriaal beschikte, zodat om die reden de zojuist genoemde mogelijkheid ontbrak. De Hoge Raad komt tot een vergelijkbare slotsom als A-G Knigge. In de overwegingen van de Hoge Raad ligt de nadruk erop dat de enkele aanwezigheid van een kweekruimte zonder enige verdere activiteit van de verdachte onvoldoende is voor een strafbare poging tot het telen van hennep (of een andere gedraging in de zin van artikel 3, onder B en C, Opiumwet). Anders gezegd: het beschikken over een ingerichte kweekruimte is geen feitelijke handeling die naar de uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het telen van hennep (of een andere gedraging in de zin van artikel 3, onder B en C, Opiumwet). Daarvoor is enige verdere activiteit vereist, al specificeert de Hoge Raad niet aan welke gedragingen in dat verband zou kunnen worden gedacht. In lijn met eerdere rechtspraak mag worden verondersteld dat van een begin van uitvoering al sprake kan zijn voordat strikt genomen van het telen van hennep kan worden gesproken. Het lijkt mij geenszins onwaarschijnlijk dat de Hoge Raad het ter beschikking hebben van kweekmateriaal in principe toereikend zou achten. Heel wat twijfelachtiger is of, zonder dat men al over kweekmateriaal beschikt, het in gereedheid brengen van de voor de teelt bestemde bakken door daar vruchtbare aarde in te doen, een begin van uitvoering zou opleveren. Men verkeert dan nog niet in een situatie waarin de feitelijke mogelijkheid bestaat om tot teelt over te gaan. Wat daar verder ook van zij, het is op grond van dit arrest duidelijk dat de Hoge Raad, evenals A-G Knigge, de ruimte om een poging tot telen en/of voorhanden hebben van hennep aan te nemen, tamelijk beperkt acht. 4. Anders dan in de zaken NJ 2010, 335 en NJ 2010, 336, waar slechts het belang van een zorgvuldig opgebouwde bewijsconstructie tot uitdrukking komt, komt in de zaak NJ 2010, 337 een meer wezenlijke beperking naar voren van de strafrechtelijke mogelijkheden om de kring van personen rondom henneptelers strafrechtelijk aan te pakken. Het arrest in deze zaak laat zien dat handelingen in de voorfase van hennepteelt en de overige in artikel 3 Opiumwet strafbaar gestelde gedragingen maar in beperkte mate tot strafrechtelijke aansprakelijkheid leiden. Al wordt in de praktijk soms de nodige creativiteit aangewend om toch tot vervolging over te kunnen gaan. Exemplarisch is HR 9 maart 2010, NJ 2010, 159, waarin het gaat om een vervolging wegens overtreding van de Wet milieubeheer in
4 verband met het oprichten (en de werking veranderen) van een inrichting voor het kweken van planten in casu hennepplanten zonder te beschikken over een daartoe verleende vergunning. De Hoge Raad casseert in deze zaak wegens een gebrek in de bewijsconstructie, maar van enig principieel beletsel om op deze wijze de inrichters van een hennepkwekerij te vervolgen, blijkt niet. Al heeft het natuurlijk wel iets geks om langs deze weg de voorbereiding van hennepteelt te bestrijden. Op het ministerie van Justitie wordt momenteel nagedacht over de mogelijkheden om voorbereidingshandelingen in de sfeer van hennepteelt afzonderlijk strafbaar te stellen. De aanleiding daarvan is (mede) gelegen in een motie van de Tweede Kamer om growshops de voorportalen ( ) voor de georganiseerde criminele cannabisteelt te verbieden (Kamerstukken II 2007/08, VI, nr. 52). In de motie wordt daarbij als mogelijkheid de ophoging van de relevante strafmaxima naar acht jaar genoemd, kennelijk met het oog op het alsdan toepasselijk worden van artikel 46 Sr. In een recent gepubliceerd concept-wetsvoorstel wordt gekozen voor een andere route. Voorgesteld wordt een nieuw artikel 11a Opiumwet, waarin strafbaar wordt gesteld hij die substanties, voorwerpen of gegevens bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervaardigt of voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in de in artikel 11, derde tot en met vijfde lid, strafbaar gestelde feiten. In de toelichting op dit wetsvoorstel ligt het accent sterk op de activiteiten van growshops. Duidelijk is echter dat de voorgestelde strafbaarstelling zich niet tot die activiteiten beperkt. Het gaat om een tamelijk breed scala van voorbereidings- en bevorderingshandelingen die samenhangen met de in artikel 11 leden 3 tot en met vijf Opiumwet strafbaar gestelde gedragingen, waar méér onder valt dan alleen de teelt van hennep. 5. Over de wenselijkheid van de introductie van het voorgestelde artikel 11a Opiumwet kan verschillend worden gedacht. Het behoeft nauwelijks toelichting dat deze bepaling zorgt voor een verruiming van de mogelijkheden om de kring van personen rondom henneptelers aan te pakken. Mede gelet op de relatief beperkte mogelijkheden om voor poging tot hennepteelt te vervolgen en vanwege de (accesoriteits- en opzet)eisen die gelden ter zake van medeplichtigheid tot en medeplegen van hennepteelt (vgl. ook HR 23 maart 2010, NJ 2010, 196 m.nt. P.A.M. Mevis onder NJ 2010, 193), zijn thans bepaalde gedragingen in de voorfase van hennepteelt niet strafbaar, behoudens de creatieve route langs de Wet milieubeheer. Het concept-wetsvoorstel brengt daar verandering in en voorziet in een algemene aansprakelijkheidsgrond ter zake van voorbereiding en begunstiging van enkele soft drugsdelicten. Wanneer men een straffe en brede aanpak van hennepteelt voorstaat, is dat natuurlijk winst. Maar uiteraard zijn er ook bedenkingen. Want hoe rationeel is een dergelijke aanpak indien het eindproduct uiteindelijk zij het binnen de strikte grenzen van het gedoogbeleid vrijelijk verkrijgbaar is? Voorts kan men vanuit een meer dogmatisch oogpunt aarzelingen hebben, omdat het voorgestelde artikel 11a Opiumwet leidt tot strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen ter zake van delicten waarop een lager strafmaximum staat dan in artikel 46 Sr en ook artikel 10a Opiumwet wordt gehanteerd. Daarmee wordt het toch al ruime speelveld van de strafbare voorbereiding weer iets verder opgerekt. Ik werk deze rechtspolitieke en dogmatische gezichtspunten hier niet nader uit, maar volsta met te wijzen op het volgende, niet onbelangrijke detailpunt.
5 Evenals in artikel 10a Opiumwet wordt in het voorgestelde artikel 11a Opiumwet genoegen genomen met culpa. Een ernstig vermoeden ter zake van de bestemming volstaat. In relatie tot artikel 10a Opiumwet is betoogd dat het genoegen nemen met culpa niet past bij een delict dat in essentie de verkeerde intentie centraal stelt, en dat om die reden beter aansluiting zou kunnen worden gezocht bij de constructie van artikel 46 Sr (De Hullu, a.w., p. 409; hierin recent bijgevallen door Keulen, in: Opstellen Materieel Strafrecht, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2009, p. 60). Dit betoog is, indien het komt tot de strafbaarstelling van voorbereidings- en bevorderingshandelingen in de sfeer van hennepteelt, ook van groot belang ten aanzien van het voorgestelde artikel 11a Opiumwet. Dat geldt temeer nu juist voor de teelt van hennep tamelijk alledaagse producten benodigd zijn. Hoeveel zorgvuldigheid wordt dan verlangd van tuincentra en vergelijkbare winkels bij de verkoop van dergelijke producten? De concept- Memorie van Toelichting benadrukt dat de commerciële activiteiten van tuincentra en soortgelijke bedrijven ( ) in beginsel niet kunnen worden gekwalificeerd als zijnde strafrechtelijke handelingen die de hennepteelt voorbereiden of vergemakkelijken, omdat de doelstelling, context en verscheidenheid aan producten en handelingen en de klanten van tuincentra en soortgelijke bedrijven zich niet [laten] vergelijken met die van growshops. Maar dat is misschien toch wat kort door de bocht. Want de invoering van het voorgestelde artikel 11a Opiumwet zou tot gevolg moeten hebben dat growshops als zodanig zullen verdwijnen, en juist dan zouden henneptelers wel eens meer gebruik kunnen gaan maken van de reguliere handel teneinde de benodigde producten te verkrijgen. Worden tuincentra dan geacht scherper in de gaten te houden wie hun klanten zijn? Meer algemeen gezegd: het hanteren van een culpa-vereiste in het voorgestelde artikel 11a Opiumwet zou kunnen leiden tot ingewikkelde discussies over de reikwijdte van de strafrechtelijke aansprakelijkheid ter zake van voorbereidings- en bevorderingshandelingen in de sfeer van hennepteelt. Daarbij moet worden bedacht dat het hanteren van een opzetvereiste ook vanuit een oogpunt van slagvaardig justitieel optreden niet als onnodig belemmerend hoeft te worden beschouwd, gelet op het feit dat voorwaardelijk opzet reeds volstaat (zoals met betrekking tot artikel 46 Sr is geoordeeld in HR 7 juli 2009, NJ 2009, 401). Indien het komt tot de strafbaarstelling van voorbereidings- en bevorderingshandelingen in de sfeer van hennepteelt, ware het dan ook beter in die strafbaarstelling alleen met een opzetvereiste te werken.
Op weg naar het einde: de strafbaarstelling
verdieping Ars Aequi maart 2012 171 Op weg naar het einde: de strafbaarstelling van voorbereiding en vergemakkelijking van professionele hennepteelt Matthias Borgers & Eline van Poecke* * Prof.mr. M.J.
ECLI:NL:PHR:2017:295 Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie Datum publicatie Zaaknummer 15/05952
ECLI:NL:PHR:2017:295 Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie 07-03-2017 Datum publicatie 21-04-2017 Zaaknummer 15/05952 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken - Inhoudsindicatie
Zoals men zaait zo zal men oogsten
Zoals men zaait zo zal men oogsten Onderzoek naar artikel 11a Opiumwet ten behoeve van Nahar & Van Wijk Advocaten Auteur: Onderwijsinstelling: Opdrachtgever: Plaats: Datum: E. (Elmo) de Rouw Juridische
ECLI:NL:RBZUT:2007:BB4499
ECLI:NL:RBZUT:2007:BB4499 Instantie Rechtbank Zutphen Datum uitspraak 25-09-2007 Datum publicatie 28-09-2007 Zaaknummer 06/580261-07 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Eerste
ECLI:NL:HR:2014:381. Uitspraak. Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 13/ Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2556, Gevolgd
ECLI:NL:HR:2014:381 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 18-02-2014 Datum publicatie 19-02-2014 Zaaknummer 13/02084 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:2556,
ECLI:NL:HR:2013:898. 1 Geding in cassatie. 2. Beoordeling van het eerste middel. Uitspraak. 8 oktober 2013. Strafkamer. nr.
ECLI:NL:HR:2013:898 Uitspraak 8 oktober 2013 Strafkamer nr. 11/04842 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 september 2011,
Beleidsregels Artikel 13b Opiumwet gemeenten basisteam Veluwe - Noord Elburg Epe Hattem Heerde Nunspeet Oldebroek
Beleidsregels Artikel 13b Opiumwet gemeenten basisteam Veluwe - Noord Elburg Epe Hattem Heerde Nunspeet Oldebroek Vastgesteld door het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Hattem op
ECLI:NL:RBGEL:2016:1041
ECLI:NL:RBGEL:2016:1041 Instantie Rechtbank Gelderland Datum uitspraak 22-02-2016 Datum publicatie 25-02-2016 Zaaknummer 05/840508-15 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Eerste
Beleidsregels Wet Damocles (art. 13b Opiumwet)
Beleidsregels Wet Damocles (art. 13b Opiumwet) Gemeente Apeldoorn Vastgesteld door de burgemeester op 18-1-2017 Vastgesteld in de driehoek op.. 2017 1 Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 2. Juridisch kader...
Inleiding. 1 Strafrecht
Inleiding 1 Strafrecht Plaats van het strafrecht Het strafrecht is, net als bijvoorbeeld het staatsrecht en het bestuursrecht, onderdeel van het publiekrecht. Het publiekrecht regelt de betrekkingen tussen
DEELNEMING IN HET COMMUUN STRAFRECHT 8 december 2016 Prof. mr. Theo de Roos. Vereniging voor Belastingwetenschap 2016
DEELNEMING IN HET COMMUUN STRAFRECHT 8 december 2016 Prof. mr. Theo de Roos Vereniging voor Belastingwetenschap 2016 DEELNEMINGSVORMEN Medeplegen doen plegen uitlokken Medeplichtigheid Zie artt. 47 52
BESLUIT. 4. Artikel 56 Mededingingswet (hierna: Mw) luidde tot 1 juli 2009, voor zover van belang, als volgt:
Nederlandse Mededingingsautoriteit BESLUIT Nummer 6494_1/309; 6836_1/220 Betreft zaak: Limburgse bouwzaken 1 en 2 / de heer [A] Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit
HR 30 juni 2009, zaaknummer 07/11891 en HR 30 juni 2009, NJ 2009, 496, zaaknummer 07/12633, LJN:BG7746 (unus testis, nullus testis)
HR 30 juni 2009, zaaknummer 07/11891 en HR 30 juni 2009, NJ 2009, 496, zaaknummer 07/12633, LJN:BG7746 (unus testis, nullus testis) Noot van M.J. Borgers 1. Artikel 342 lid 2 Sv bepaalt dat het bewijs
Damoclesbeleid gemeente Heerhugowaard 2018
Nr.: INT18-1020 Damoclesbeleid gemeente Heerhugowaard 2018 Hennepteelt en handel in hard- en softdrugs zijn de afgelopen jaren sterk toegenomen en geprofessionaliseerd en daarmee ook de risico s die daar
Rapport naar aanleiding van een klacht over de politie-eenheid Den Haag. Publicatiedatum 9 september 2014 Rapportnummer 2014/098
Rapport Rapport naar aanleiding van een klacht over de politie-eenheid Den Haag. Publicatiedatum 9 september 2014 Rapportnummer 2014/098 2014/098 de Nationale ombudsman 1/5 Gerard* is eigenaar van een
ECLI:NL:GHLEE:2009:BH4974 Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer
ECLI:NL:GHLEE:2009:BH4974 Instantie Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak 05-03-2009 Datum publicatie 05-03-2009 Zaaknummer 24-002073-08 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht
HR 17 februari 2009; grondslagleer: overbodig ten laste gelegde exceptie NJ 2009, 275, zaaknummer: 07/12764A, LJN:BG5620. Noot van M.J.
HR 17 februari 2009; grondslagleer: overbodig ten laste gelegde exceptie NJ 2009, 275, zaaknummer: 07/12764A, LJN:BG5620 Noot van M.J. Borgers 1. De tenlastelegging in de hierboven afgedrukte zaak is toegesneden
Vergoeding kosten van de bank bij conservatoir beslag
RAPPORT Vergoeding kosten van de bank bij conservatoir beslag Een onderzoek naar een afwijzing van het Openbaar Ministerie in Den Haag om kosten na vrijspraak te vergoeden. Oordeel Op basis van het onderzoek
Nota van de Burgemeester
gemeente Haarlemmermeer Nota van de Burgemeester onderwerp Damoclesbeleid gemeente Haarlemmermeer Burgemeester drs. Theo Weterings Datum besluit 30 augustus 201 6 inlichtingen C. Bremer ([email protected])
No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012
... No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012 Bij Kabinetsmissive van 18 juni 2012, no.12.001344, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering
HR 16 februari 2010; overgangsrecht bij vervolgings- en executieverjaring NJ 2010, 232, zaaknummer: 09/02258, LJN:BK6357. Noot van M.J.
HR 16 februari 2010; overgangsrecht bij vervolgings- en executieverjaring NJ 2010, 232, zaaknummer: 09/02258, LJN:BK6357 Noot van M.J. Borgers 1. De uitspraken in de zaken NJ 2010, 231 en 232 hebben betrekking
GERECHTSHOF TE 's-hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken
parketnummer : 20.001938.96 uitspraakdatum : 29 april 1997 verstek dip GERECHTSHOF TE 's-hertogenbosch meervoudige kamer voor strafzaken A R R E S T gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis
gelet op artikel 13b van de Opiumwet en het Hennepconvenant Limburg 2012;
GEMEENTEBLAD Officiële uitgave van de gemeente Leudal Nr. 243312 15 november 2018 DAMOCLESBELEID 2018 GEMEENTE LEUDAL (inzake toepassing artikel 13b Opiumwet) De burgemeester van Leudal, Overwegende, dat
NBSTRAF 2015/115 Witwassen. Ook gepubliceerd in: ECLI:NL:HR:2015:888, JIN 2015/90, NJB 2015/763, RvdW 2015/650
pagina 1 van 5 NBSTRAF 2015/115 Witwassen Ook gepubliceerd in: ECLI:NL:HR:2015:888, JIN 2015/90, NJB 2015/763, RvdW 2015/650 Aflevering 2015 afl. 7 Rubriek Rechtspraak College Hoge Raad Datum 07 april
HR 5 september 2006, witwassen NJ 2006, 612, zaaknummer: 01233/05B, LJN:AU6712
HR 5 september 2006, witwassen NJ 2006, 612, zaaknummer: 01233/05B, LJN:AU6712 Noot van M.J. Borgers 1 Het strafrecht richt zich tot de levenden, niet tot de doden. Dit komt tot uitdrukking in onder andere
ECLI:NL:RBOVE:2017:2237
ECLI:NL:RBOVE:2017:2237 Instantie Rechtbank Overijssel Datum uitspraak 26-04-2017 Datum publicatie 31-05-2017 Zaaknummer 08/910083-15 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Raadkamer
Voorbereiding: bestemd tot het begaan van dat misdrijf?
208 Ars Aequi maart 2014 annotatie Annotatie arsaequi.nl/maandblad AA20140208 Voorbereiding: bestemd tot het begaan van dat misdrijf? Prof.mr. T. Kooijmans HR 12 februari 2013, ECLI: NL: HR: 2013: BZ1956,
ECLI:NL:PHR:2014:1700 Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie Datum publicatie Zaaknummer 12/04833
ECLI:NL:PHR:2014:1700 Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum conclusie 01-07-2014 Datum publicatie 26-09-2014 Zaaknummer 12/04833 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken - Inhoudsindicatie
ECLI:NL:GHLEE:2010:BO8408 Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer
ECLI:NL:GHLEE:2010:BO8408 Instantie Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak 17-12-2010 Datum publicatie 22-12-2010 Zaaknummer 24-002079-08 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht
Sluitingsbeleid ex artikel 13b Opiumwet
Sluitingsbeleid ex artikel 13b Opiumwet Juridisch kader Op basis van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I en lijst II, dan wel
Oplegnotitie Tussentijdse wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de Gemeente Brunssum Gemeenteblad nr. 64
Oplegnotitie Tussentijdse wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de Gemeente Brunssum Gemeenteblad nr. 64 Rol van de raad De raad krijgt dit raadsvoorstel voorgelegd omdat de raad op grond
Verkorte inhoudsopgave
Verkorte inhoudsopgave Gebruikte afkortingen 17 I Inleiding, onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden 19 1 Inleiding 19 2 Meervoudige aansprakelijkstelling nader beschouwd 20 2.1 Een omschrijving van meervoudige
ECLI:NL:HR:2010:BO2558
ECLI:NL:HR:2010:BO2558 Instantie Hoge Raad Datum uitspraak 02-11-2010 Datum publicatie 03-11-2010 Zaaknummer 09/00354 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BO2558
Hebben goedgevonden en verstaan: ARTIKEL I
Besluit van, houdende wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met de implementatie van de richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad ter bestrijding
REACTIE OP "HET FISCALE BODEMRECHT" VAN MR. R. ROSARIA IN AJV-NIEUWSBRIEF NO. 1, 2016 (JANUARI)
REACTIE OP "HET FISCALE BODEMRECHT" VAN MR. R. ROSARIA IN AJV-NIEUWSBRIEF NO. 1, 2016 (JANUARI) mr. R.M. Bottse* I n AJV-Nieuwsbrief no.1, 2016 (januari) verscheen een bijdrage van de hand van mr. R. Rosaria
ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0420
ECLI:NL:GHARN:2011:BQ0420 Instantie Gerechtshof Arnhem Datum uitspraak 05-04-2011 Datum publicatie 07-04-2011 Zaaknummer 21-002244-10 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Hoger
ECLI:NL:OGEAA:2016:411
ECLI:NL:OGEAA:2016:411 Instantie Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba Datum uitspraak 05-02-2016 Datum publicatie 22-06-2016 Zaaknummer 426 van 2015, P-2015/06927 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, drs. M.J. van Rijn
Besluit houdende wijziging van lijst I, behorende bij de Opiumwet, in verband met plaatsing op deze lijst van hasjiesj en hennep met een gehalte aan tetrahydrocannabinol (THC) van 15 procent of meer. Daartoe
Camera-toezicht op de werkplek
Camera-toezicht op de werkplek december 2006 mr De auteur heeft grote zorgvuldigheid betracht in het weergeven van delen uit het geldende recht. Evenwel noch de auteur noch kan aansprakelijk worden gesteld
ECLI:NL:PHR:2009:BG5966 Parket bij de Hoge Raad Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 01971/07
ECLI:NL:PHR:2009:BG5966 Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum uitspraak 17-02-2009 Datum publicatie 17-02-2009 Zaaknummer 01971/07 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken - Inhoudsindicatie
Voorwoord. Materieel strafrecht. Inleiding. 2 Bronnen van strafrecht 3 Voorwaarden voor strafbaarheid. De menselijke gedraging
Inhoud Voorwoord 9 Deel I Materieel strafrecht 11 1 Strafrecht 2 Bronnen van strafrecht 3 Voorwaarden voor strafbaarheid 13 13 14 18 I 4 5 II 6 7 8 9 10 11 De menselijke gedraging De gedraging Causaal
ECLI:NL:GHLEE:2009:BK2993
ECLI:NL:GHLEE:2009:BK2993 Instantie Datum uitspraak 11-11-2009 Datum publicatie 11-11-2009 Gerechtshof Leeuwarden Zaaknummer 24-002029-08 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht
HR 9 februari 2010; geen ambtshalve cassatie NJ 2010/673, zaaknummer: 08/00137, LJN:BK6141. Noot van M.J. Borgers
HR 9 februari 2010; geen ambtshalve cassatie NJ 2010/673, zaaknummer: 08/00137, LJN:BK6141 Noot van M.J. Borgers 1. De verdachte in de hierboven afgedrukte zaak is door het gerechtshof veroordeeld wegens
Schoordijk Instituut. Centrum voor wetgevingsvraagstukken. M.M. van Toorenburg. Medeplegen. W.E.J. Tjeenk Willink 1998 Deventer
Schoordijk Instituut Centrum voor wetgevingsvraagstukken M.M. van Toorenburg Medeplegen W.E.J. Tjeenk Willink 1998 Deventer Gebruikte afkortingen XIII HOOFDSTUK 1 1 Doelstelling, afbakening en opzet van
ECLI:NL:GHSHE:2017:978
ECLI:NL:GHSHE:2017:978 Instantie Datum uitspraak 17-02-2017 Datum publicatie 10-03-2017 Gerechtshof 's-hertogenbosch Zaaknummer 20-003836-13 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 28 217 Regels over de documentatie van vennootschappen (Wet documentatie vennootschappen) A OORSPRONKELIJKE TEKST VAN HET VOORSTEL VAN WET EN DE
ECLI:NL:PHR:2007:AZ6118 Parket bij de Hoge Raad Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer 00636/06
ECLI:NL:PHR:2007:AZ6118 Instantie Parket bij de Hoge Raad Datum uitspraak 06-03-2007 Datum publicatie 06-03-2007 Zaaknummer 00636/06 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken - Inhoudsindicatie
Beleidsregel handhaving wet Damocles gemeente Beverwijk 2018
Beleidsregel handhaving wet Damocles gemeente Beverwijk 2018 Artikel 1 Algemeen Binnen gemeentegrenzen is sprake van drugshandel. Drugshandel wordt binnen gemeenten alleen gedoogd vanuit een coffeeshop.
Strafprocesrecht Bijzondere kenmerken: Hoger beroep Wetsverwijzingen: Wetboek van Strafrecht 197a, geldigheid: 2014-05-11
ECLI:NL:GHSHE:2015:3566 Instantie: Gerechtshof 's-hertogenbosch Datum uitspraak: 16-09-2015 Datum publicatie: 17-09-2015 Zaaknummer: 20-002514-14 Rechtsgebieden: Materieel strafrecht Strafprocesrecht Bijzondere
P LIT E. Korps landelijke politiediensten. Bestu urlijke rapportage growshops. Dienst Nationale Recherche
P LIT E Korps landelijke politiediensten Dienst Nationale Recherche Bestu urlijke rapportage growshops Dienst Nationale Recherche 1 1 Inleiding Op basis van het Nationaal Dreigingsbeeld is grootschalige
B&W 01 juli 2008 Gemeenteblad BELEIDSREGEL HANDHAVINGSPROTOCOL OPIUMWET M.B.T. WONINGEN HELMOND 2008
Jaar: 2008 Nummer: 44 Besluit: B&W 01 juli 2008 Gemeenteblad BELEIDSREGEL HANDHAVINGSPROTOCOL OPIUMWET M.B.T. WONINGEN HELMOND 2008 Burgemeester en wethouders van Helmond; Besluit Vast te stellen de Beleidsregel
ECLI:NL:GHAMS:2014:3775
ECLI:NL:GHAMS:2014:3775 Instantie Gerechtshof Amsterdam Datum uitspraak 01-07-2014 Datum publicatie 05-12-2014 Zaaknummer 23-004323-13 Rechtsgebieden Strafrecht Bijzondere kenmerken Hoger beroep Inhoudsindicatie
ECLI:NL:RBROT:2017:4588
ECLI:NL:RBROT:2017:4588 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 23-05-2017 Datum publicatie 16-06-2017 Zaaknummer 10/740469-15 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Strafrecht Eerste
Rapport. Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014. Rapportnummer: 2014/010
Rapport Rapport over een klacht over het College van procureurs-generaal te Den Haag. Datum: 25 februari 2014 Rapportnummer: 2014/010 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het College van procureurs-generaal
Convenant informatie-uitwisseling aanpak hennepteelt Regio Midden West Brabant
Inleiding De afgelopen twee decennia heeft de hennepteelt in Nederland een grote vlucht genomen; de teelt van nederwiet is omvangrijk en zorgt voor veel overlast, verloedering en gevaarszetting in woonwijken.
Rechtbank straft bewust zwaarder dan wettelijk toegestaan
2250 NEDERLANDS JURISTENBLAD 16-12-2011 AFL. 44/45 2981 Rechtbank straft bewust zwaarder dan wettelijk toegestaan Johannes Bijlsma en Marius Duker 1 De Rechtbank Amsterdam wees onlangs een opmerkelijk
Artikelen. Verduistering of contractbreuk? Mr. D. Emmelkamp 1. 1. Jurisprudentie van de Hoge Raad. I n l ei d i n g
Mr. D. Emmelkamp 1 Verduistering of contractbreuk? De brede inzet van het delict verduistering in zaken waarin het handelen van de verdachte (mede) is ingegeven door civiele overeenkomsten heeft als gevolg
NUL-BELEID COFFEESHOPS. Gemeente Bellingwedde
NUL-BELEID COFFEESHOPS Gemeente Bellingwedde 2014 Aanleiding In archiefstukken wordt aangegeven dat de gemeente Bellingwedde een nul-beleid hanteert voor coffeeshops. Echter is er in het archief geen raadsbesluit
Sluitingsbeleid ex artikel 13b Opiumwet
Sluitingsbeleid ex artikel 13b Opiumwet Juridisch kader Op basis van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I en II, dan wel aangewezen
