Technische handleiding voor het SimpleHome-systeem

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Technische handleiding voor het SimpleHome-systeem"

Transcriptie

1 NL TECHNISCHE HANDLEIDING Technische handleiding voor het SimpleHome-systeem

2 WAARSCHUWINGEN Voer de installatiewerkzaamheden zorgvuldig uit volgens de door de fabrikant gegeven instructies en met inachtneming van de geldende normen. Alle apparaten mogen uitsluitend worden gebruikt voor de doeleinden waarvoor ze zijn ontworpen. Comelit Group S.A. aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor een oneigenlijk gebruik van de apparatuur, voor door derden uitgevoerde wijzigingen, op welke titel en voor welk doel dan ook, voor het gebruik van niet-originele accessoires en materialen. Alle producten voldoen aan de voorschriften van de richtlijn 2006/95/EG (die de richtlijn 73/23/EEG en latere wijzigingen vervangt). Dit wordt bevestigd door het CE-label op de producten. Monteer de aders van de stamleiding niet in de nabijheid van voedingskabels (230/400V). KENNISGEVING INZAKE AUTEURSRECHT De informatie in deze uitgave wordt geacht in elk opzicht juist te zijn. Wij zijn niet aansprakelijk voor de gevolgen van het gebruik van deze informatie. De informatie in deze uitgave kan zonder voorafgaande kennisgeving worden aangepast en er kunnen herziene of nieuwe uitgaven van deze publicatie worden uitgebracht waarin deze wijzigingen worden opgenomen. 2

3 INHOUD 1 INLEIDING ART MODULE 2 RELAIS SIMPLEHOME: GEDISTRIBUEERDE INTELLIGENTIE EN EIGEN PROTOCOL 1.2 SIMPLEHOME: MULTIFUNCTIONELE MODULES, GEDISTRIBUEERDE VOEDING 1.3 KENMERKEN VAN DE COMMUNICATIE 1.4 DIGITALE EN ANALOGE MODULES 1.5 IDENTIFICATIE VAN DE MODULES 1.6 WERKINGSPRINCIPE VAN DE DIGITALE EN ANALOGE INGANGEN 1.7 WERKINGSPRINCIPE VAN DE DIGITALE EN ANALOGE UITGANGEN ART PULSTELLERMODULE 2.19 ART MINITOUCH-THERMOSTAAT 2.20 MONITOR PLANUX MANAGER ART W/B + MUURPLAAT PLANUX MANAGER ART. 6214C 2.21 MONITOR MINITOUCH ART SERIAL BRIDGE ART MODULE DALI/DMX ART SIMPLEPROG: SOFTWAREPROGRAMMA VOOR CONFIGURATIE VAN HET SIMPLEHOME-SYSTEEM BEDIENINGSUNITS GEBRUIKERSNAAM EN WACHTWOORD INVOEREN 50 2 DE APPARATEN HOOFDSCHERM ART SCHAKELENDE VOEDING VOOR HET SIMPLEHOME-SYSTEEM TYPE 24Vdc 2A OP DIN-RAIL 2.2 ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE 5 DIGITALE INGANGEN (5I) 2.3 ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE 5 DIGITALE INGANGEN EN 4 TRANSISTORUITGANGEN (5I4O) 2.4 ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE INTERFACE MET 2 RELAIS (RL2) 2.5 ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE 2 ANALOGE INGANGEN 0-10V (2I) 2.6 ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE TEMPERATUURSENSOR MET UITGANG 0-10V (TEMP) 2.7 ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE THERMOSTAAT MET LCD 2.8 ART SIMPLEHOME-MODULE 5 INGANGEN MET OPTO-ISOLATIE EN 4 RELAISUITGANGEN 16A OP DIN-RAIL (5I4O16A) 2.9 ART SIMPLEHOME-MODULE 9 INGANGEN MET OPTO-ISOLATIE EN 8 RELAISUITGANGEN 6A OP DIN-RAIL (9I8O6A) 2.10 ART SIMPLEHOME-MODULE 9 INGANGEN MET OPTO-ISOLATIE EN 8 RELAISUITGANGEN 16A OP DIN-RAIL (9I8O16A) STRUCTUURSCHERM EN MODULES PROGRAMMEREN 3.4 MODULES PROGRAMMEREN PLANUX MANAGER/MINITOUCH-MODULE TOEVOEGEN SIMPLEBUS-MODULES TOEVOEGEN/VERWIJDEREN PLANUX MANAGER OF MINITOUCH TOEVOEGEN/ VERWIJDEREN MINITOUCH-THERMOSTAAT CONFIGUREREN HUISAUTOMATISERINGSRUIMTEN TOEVOEGEN/ VERWIJDEREN ALARMGEBIEDEN TOEVOEGEN/VERWIJDEREN ALARMZONES TOEVOEGEN/VERWIJDEREN DE NAAM VAN ALARMGEBIEDEN/ALARMZONES WIJZIGEN SYSTEEMMODULES BEHEREN EEN GECONDITIONEERDE UITGANG MAKEN EEN GECONDITIONEERD SCENARIO MAKEN EEN ALARMSCENARIO MAKEN CONFIGURATIEBESTAND VOOR DE BEDIENINGSUNIT MAKEN ART SIMPLEHOME-MODULE 2 ANALOGE INGANGEN EN 2 ANALOGE UITGANGEN OP DIN-RAIL (2I2O) MODULE ONE - ONE/E TOEVOEGEN ALGEMENE PARAMETERS MODULE ONE - ONE/E ART MODULE ENERGIEBEHEER VOORKEURSINSTELLINGEN MODULE ONE - ONE/E ART INTERFACE SIMPLEHOME/RS ART TEMPERATUURSENSOR PAGINA'S MODULE ONE CONFIGUREREN PAGINA'S MODULE ONE/E CONFIGUREREN ART MODULE 3 INGANGEN 3 UITGANGEN (3I3O) ART MODULE 1 UITGANG 37 3

4 1 - INLEIDING Naast een korte inleiding met informatie over de filosofie van SimpleHome Comelit, vindt u in deze handleiding uitgebreide informatie over het productaanbod dat momenteel voor huisautomatisering beschikbaar is en de software voor het programmeren en configureren hiervan SIMPLEHOME: GEDISTRIBUEERDE INTELLIGENTIE EN EIGEN PROTOCOL De keuze voor het installeren van een huisautomatiseringssysteem met gedistribueerde intelligentie biedt diverse waarborgen: - De kosten van het systeem blijven beperkt (ook in kleine installaties, zoals appartementen), omdat er bij gelijke prestaties van de systemen met gecentraliseerde logica geen besturingscentrale hoeft te worden geïnstalleerd. - Betere beveiliging tegen eventuele blokkering van het systeem, omdat wanneer een module geblokkeerd raakt (bijvoorbeeld door overbelasting of overstroming) alleen de functies (lampen of drukknoppen) die met deze module verbonden zijn, niet meer op de opdrachten reageren. De rest van het systeem kan dus normaal blijven werken. - Besparing van kosten en materialen, omdat er normale kabels kunnen worden gebruikt (indien de regelgeving dit toestaat zelfs elektrische kabels). SimpleHome gebruikt drie normale elektrische geleiders die afgestemd zijn op de lengte van de bus en het aantal apparaten binnen een sectie. Wel biedt een eventuele afscherming meer bescherming tegen storingen door elektromagnetische velden. Het protocol dat door SimpleHome wordt gebruikt, is door Comelit ontwikkeld en dus niet direct compatibel met apparaten van andere producenten. De interface SerialBridge maakt het echter mogelijk om toegang tot de gegevens van de modules (status van de digitale en analoge ingangen) te krijgen en de modules opdrachten te sturen (digitale en analoge uitgangen). Via deze interface worden de gegevens getransformeerd en beschikbaar gemaakt volgens het universele ModBus-protocol (bijv. voor gebruik met industriële bedieningspanelen of programma's voor het beheer van gebouwen). Tevens is het mogelijk om een analoge interface (SerialBridge) op de beveiligingsmodule aan te sluiten. Met deze interface kan het alarmsysteem worden bediend en beheerd vanaf een werkstation of via een softwareprogramma van andere producenten SIMPLEHOME: MULTIFUNCTIONELE MODULES, GEDISTRIBUEERDE VOEDING Voor het huisautomatiseringssysteem SimpleHome van Comelit zijn geen modules met speciale functies (zoals voor rolluiken of scenario's) vereist, omdat elk bus-apparaat multifunctioneel is en daardoor optimaal geprogrammeerd om elke denkbare taak te verrichten. Bovendien bieden sommige SimpleHome-modules de mogelijkheid om vermogensuitgangen en een gelijk aantal digitale ingangen in de module te integreren, zodat een optimale systeemconfiguratie kan worden gerealiseerd en de totale kosten aanmerkelijk worden gereduceerd. Voor de voeding van het systeem worden voedingstransformatoren met DIN-staaf 24Vdc 2A gebruikt, die parallel geschakeld kunnen worden en dus naar wens over de hele bus kunnen worden verdeeld. Daardoor kunnen de secties van de busleiding aanzienlijk worden verkleind (mits de elektrische belastingen goed gebalanceerd zijn) en kan indien nodig eenvoudig een back-upsysteem worden gerealiseerd. BUS SIMPLEHOME groen (bus) rood (+) blauw (-) ANDERE APPARATEN MODULE 5 INGANGEN EXTRA MODULE 9 INGANGEN 8 UITGANGEN 16A EXTRA VOEDINGSTRANSFORMATOR 4

5 Om een efficiënte werking van het SimpleHome-systeem te waarborgen, moet het systeem de juiste omvang hebben. Hiertoe gaat u als volgt te werk: 1) Bepaal het aantal benodigde voedingstransformatoren, afhankelijk van het aantal en het type apparaten die geïnstalleerd zijn. 2) Bepaal de juiste kabeldoorsneden, zowel van de bussecties als voor de ingangen (opdrachten) en uitgangen (belastingen), afhankelijk van het aantal gebruikte voedingstransformatoren en de wijze waarop deze in het systeem worden geplaatst. Bepalen hoeveel voedingstransformatoren nodig zijn: Een afzonderlijke bus-voedingstransformator van SimpleHome kan continu 2A (2,2A piek) leveren. Om een efficiënte werking van het systeem te waarborgen, moet daarom het nominale stroomverbruik van het systeem worden bepaald. Elk SimpleHome-apparaat wordt direct via de 3-aderige bus gevoed. Zodra het aantal en het type bepaald zijn, kunt u aan de hand van de onderstaande tabel het nominale stroomverbruik van het systeem opzoeken: Artikel ma/ unit Aant. ma/ tot. ART INBOUWMODULE 5 DIGITALE INGANGEN 22 ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE 5 DIGITALE INGANGEN EN 4 TRANSISTORUITGANGEN (5I4O) 22 ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE INTERFACE MET 2 RELAIS (RL2) 18 ART SIMPLEHOME-MODULE 9 INGANGEN MET OPTO-ISOLATIE EN 8 RELAISUITGANGEN 6A OP DIN-RAIL (9I8O6A) ART SIMPLEHOME-MODULE 5 INGANGEN MET OPTO-ISOLATIE EN 4 RELAISUITGANGEN 16A OP DIN-RAIL (5I4O16A) ART SIMPLEHOME-MODULE 9 INGANGEN MET OPTO-ISOLATIE EN 8 RELAISUITGANGEN 16A OP DIN-RAIL (9I8O16A) ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE 2 ANALOGE INGANGEN 0-10V (2I) 5 ART SIMPLEHOME-MODULE 2 ANALOGE INGANGEN EN 2 ANALOGE UITGANGEN OP DIN-RAIL (2I2O) 30 ART SIMPLEHOME-MODULE ENERGIEBEHEER OP DIN-RAIL (TA) 17 ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE TEMPERATUURSENSOR MET UITGANG 0-10V (TEMP) 5 ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE THERMOSTAAT MET LCD 20 Totaal verbruik NB: het is raadzaam om een extra marge aan te houden (bijv. 30%) zodat de continuïteit van het systeem ook gewaarborgd is wanneer in een van de voedingstransformatoren een storing optreedt. De benodigde kabeldoorsneden bepalen: Teneinde de doorsnedes van de backbone-busleidingen zo klein mogelijk te kunnen houden, is het raadzaam de voedingstransformatoren niet te dicht op elkaar te plaatsen maar ze zo dicht mogelijk bij de groepen apparaten met het meeste stroomverbruik te plaatsen (dit geldt met name voor modules op DIN-staaf). Hoe dichter de voedingen namelijk bij de elektrische knooppunten met het hoogste stroomverbruik geplaatst zijn, des te minder stroom door de backbone-bus circuleert. Op basis van de wet van Ohm (V = Rlijn x Iverbruikt) wordt de spanningsval kleiner naarmate er minder stroom circuleert. Houd ten aanzien van de spanningswaarden de volgende regels aan om een efficiënte werking van de SimpleHome te waarborgen: 1) Spanning voeding apparaten op bus = 24Vdc +/- 5%. 2) Spanning gemeten tussen de geleider DATABUSLIJN en de MIN VOEDINGSBUS is op elk punt van het systeem hoger dan 4,7V (5V is optimaal). NB: indien een apparaat op de bus niet communiceert, dient u bij de tests die u uitvoert tevens het aansluitblok te controleren, door de spanning tussen de geleider DATABUSLIJN en de MIN VOEDING te meten en te controleren of deze hoger is dan 4,7V. Is dit niet het geval, dan wordt aangeraden in de buurt van het apparaat een voedingstransformator te installeren. 5

6 Als de voedingen op de juiste wijze zijn gedistribueerd, kunnen de volgende aanwijzingen worden opgevolgd ten aanzien van het kabeltype en de kabeldoorsnede: - Kabel tussen de drukknop en de ingang van de module: elektrische kabel met een doorsnede van minimaal 0,22mmq en een lengte van maximaal 20m. - Kabel tussen de ingangsmodules (zonder intern relais): elektrische kabel met doorsnede van minimaal 0,50mmq. - Kabel tussen de modules met intern relais of tussen de aftakdozen of kasten (belastingsknooppunten met hoger stroomverbruik): elektrische kabel met doorsnede van minimaal 0,75mmq, bij voorkeur met beveiliging tegen negatief voor een afzonderlijke voedingstransformator (met name indien er inductieve belastingen in de buurt aanwezig zijn, zoals motoren of tl-lampen). 1.3 KENMERKEN VAN DE COMMUNICATIE Alle apparaten kunnen onderling rechtstreeks met elkaar worden verbonden, zonder gebruik van een bedienings-/beheercentrale. Wanneer het systeem groter wordt blijft de communicatietijd ongewijzigd: twee modules communiceren tegelijkertijd met elkaar, ongeacht of het systeem uit twee of uit tweehonderd eenheden bestaat. Een SimpleHome-systeem kan worden beschouwd als een systeem dat uit meerdere subsystemen bestaat, die elk tot 255 apparaten kunnen beheren en een buslijn van maximaal 2km. Er is geen bedieningsunit vereist om een afzonderlijk subsysteem te beheren. Als de subsystemen echter onderling gegevens moeten uitwisselen, is er wel een bedieningsunit vereist. Wanneer bij modules met ingangen de status van een van de ingangen verandert, sturen de modules één bericht dat gericht kan zijn aan: - een andere module om een uitgang van die module te activeren; - een zone, dat wil zeggen een aantal uitgangen die bij elkaar horen doordat ze tot dezelfde groep behoren; - de bedieningsunit indien er complexe scenario's nodig zijn of wanneer de opdracht naar een ander SimpleHome-subsysteem moet worden verzonden. Om het concept ZONE te verduidelijken geven we het volgende voorbeeld: alle uitgangen (verdeeld over meerdere modules) die de lampen op een verdieping van een gebouw regelen, behoren tot dezelfde ZONE. De lampen kunnen afzonderlijk worden geregeld, maar ook allemaal tegelijk worden uitgeschakeld met één drukknop die op een ingangenmodule wordt aangesloten. Deze module verstuurt het bericht om de lampen uit te schakelen aan ZONE1 en dus aan alle gebruikers die tot dezelfde zone behoren DIGITALE EN ANALOGE MODULES De modules met in- en uitgangen worden in twee hoofdgroepen onderverdeeld: - Digitale modules: hebben ingangen die een geopende of gesloten status lezen (ON/OFF of 1/0) en uitgangen die een in- of uitgeschakelde status (ON/OFF) aansturen. - Analoge modules: hebben ingangen die verschillende waarden (van 0 tot 255) kunnen lezen met spanning 0-10V (zoals temperatuursensoren) en uitgangen die een variabele waarde tussen 0 en 10V krijgen (bijv. om de dimmer van een lamp te regelen). Een ander verschil tussen de verschillende modules heeft te maken met de plaatsing: - Inbouwmodules: worden meestal gebruikt om de statussen van drukknoppen/schakelaars te verzamelen en over de bus te verzenden. Tevens zijn deze modules voorzien van uitgangen met laag vermogen om de lokale signaleringslampjes te regelen of lokale externe relais aan te sturen. - Modules op DIN-rail: beschikken over vermogensrelaisuitgangen om elektrische belastingen tot 230Vac aan te sturen (zoals lampen en automatiseringen). Beschikken tevens over interne ingangen, vergelijkbaar met de ingangen op inbouwmodules. Tot slot kunnen de modules op DIN-rail worden onderscheiden op basis van het vermogen van de relais (6A of 16A) en doordat de modules van 6A relais met NO-contact (normaal open) gebruiken met elke 4 uitgangen een moedercontact, terwijl de modules van 16A potentiaalvrije wisselcontacten hebben (elk met een eigen moedercontact) IDENTIFICATIE VAN DE MODULES Bij de productie krijgen alle modules het serienummer 1. Het is echter niet mogelijk om meerdere modules met hetzelfde serienummer op de bus aan te sluiten en dus moeten alle modules direct een ander serienummer krijgen. U wijzigt dit met behulp van het configuratieprogramma waarover u in deze handleiding meer informatie kunt vinden. Gebruik bij de configuratie van het systeem nooit serienummer 1, zodat u later altijd een nieuwe module kunt toevoegen als u het systeem wilt uitbreiden zoals beschreven in het hoofdstuk over de configuratiesoftware. 6

7 1.6 - WERKINGSPRINCIPE VAN DE DIGITALE EN ANALOGE INGANGEN Om het systeem goed te kunnen begrijpen, is het van belang te weten wat er gebeurt wanneer een knop wordt ingedrukt of losgelaten (en dus een digitale ingang wordt gesloten of geopend). Telkens wanneer er bij de ingang een wijziging plaatsvindt, stuurt de bijbehorende module een bericht over de bus. Zoals we al eerder hebben gezegd, kan dit bericht verschillende geadresseerden hebben: - een module en één of meer uitgangen op de module; - een zone; - de bedieningsunit (touch-pc of bedieningspaneel). Als de geadresseerde een module is, moet het bijbehorende serienummer en één of meer te besturen uitgangen worden aangegeven. Als het een zone betreft, moet het identificatienummer vermeld zijn. Als de ontvanger een bedieningsunit is, hoeft er verder niets te worden aangegeven. De unit luistert namelijk de bus af en ontvangt zo de opdracht van de module. Vervolgens voert het bijvoorbeeld een geprogrammeerd scenario uit. De module kan verschillende typen opdrachten verzenden: - NORMAAL: de geadresseerde uitgang of uitgangen ontvangen het bericht. Als het bericht compatibel is met het profiel van de uitgangen worden deze geactiveerd, anders blijft de status ongewijzigd. - SET of RESET: de bestemde uitgang of uitgangen worden geforceerd een actie uit te voeren, ongeacht hoe ze geprogrammeerd zijn. Als bijvoorbeeld de opdracht RESET wordt verzonden, worden de bestemde uitgang of uitgangen gedeactiveerd. De analoge ingangen kunnen de volgende functies hebben: - ALLEEN OPVRAGEN: de module leest continu de waarde van de ingang (omgezet naar een schaal van 0 tot 255), slaat deze in het geheugen op en verstuurt de waarde alleen als deze wordt opgevraagd (bijvoorbeeld door een bedieningsunit). - STATUS AUTOMATISCH VERZENDEN: de module leest continu de waarde van de ingang (omgezet naar een schaal van 0 tot 255), slaat deze in het geheugen op en verstuurt de waarde periodiek op basis van een ingesteld interval. - AUTOMATISCHE ACTIVERINGEN OP BASIS VAN DREMPELWAARDEN: als deze functie wordt gebruikt, kunnen er maximaal 8 drempelwaarden worden ingesteld. Als de gemeten waarde boven of onder deze waarden komt, wordt er een bericht verzonden die geadresseerd is aan een module/uitgang, een zone of de bedieningsunit, net als bij een digitale module. - THERMOSTAAT BCD: deze functie is geschikt wanneer de temperatuursensor ( ) wordt aangesloten, om de juiste leeswaarde in graden Celsius te verkrijgen. Na elk vooraf ingesteld tijdsinterval controleert de module het verschil tussen de gelezen waarde (met een nauwkeurigheid van 0,1 C) en de ingestelde drempelwaarde (zomer/winter, dag/nacht/lege kamer) en stuurt de activerings- of deactiveringsopdracht naar een module of uitgang WERKINGSPRINCIPE VAN DE DIGITALE EN ANALOGE UITGANGEN Aan elke digitale uitgang wordt een functie gekoppeld. Wanneer een uitgang een bericht van het type Normaal van een ingang ontvangt, voert deze de geprogrammeerde functie uit. Ontvangt de uitgang daarentegen een geforceerd bericht (SET of RESET), dan voert de uitgang deze opdracht uit ongeacht de functie waarvoor de uitgang geconfigureerd is. Aangezien de modules multifunctioneel zijn, zijn er voor programmering verschillende soorten uitgangen beschikbaar. TYPEN DIGITALE UITGANGEN MONOSTABIEL Wanneer de uitgang de status ingang actief ontvangt (bijv. wanneer een knop wordt ingedrukt), wordt deze geactiveerd. Wanneer de uitgang de status ingang inactief ontvangt (bijv. een deurbel of een trekschakelaar), gaat deze uit. TELERUPTOR Wanneer de uitgang de status ingang actief ontvangt (bijv. wanneer een knop wordt ingedrukt), verandert de status. Wanneer de uitgang de status ingang inactief ontvangt (bijv. lampen), wordt er geen verandering doorgevoerd. Dit type uitgang kan alleen worden bestuurd met behulp van drukknoppen. OMVORMER Wanneer de uitgang een bericht van de ingang ontvangt (bijv. lampen), verandert de status ongeacht of het een bericht over een actieve of inactieve status betreft. NB: met dit type uitgang kan de teleruptor-functie ook worden gebruikt wanneer de opdracht niet afkomstig is van drukknoppen, maar van schakelaars, inverters of omvormers die al in het systeem aanwezig zijn. MET TIJDSINSTELLING Wanneer de uitgang de status ingang actief ontvangt, wordt deze geactiveerd en wordt er vervolgens een tijdsinstelling ingeschakeld waarna de uitgang automatisch wordt gedeactiveerd. Wanneer de status ingang inactief wordt ontvangen, wordt er geen verandering doorgevoerd (bijv. lampen met tijdschakelaar die in het trappenhuis of de garage geplaatst zijn). NB: dit type uitgang kan alleen worden bestuurd met behulp van drukknoppen. 7

8 TYPEN DIGITALE UITGANGEN ROLLUIK Wanneer de speciale uitgang de melding ingang actief ontvangt (bijv. de opdracht om het rolluik te laten zakken), wordt deze gedurende een vooraf ingestelde tijd geactiveerd en vervolgens uitgeschakeld. Als de andere gekoppelde uitgang (omhoog brengen) geactiveerd is (als er bijvoorbeeld opdracht wordt gegeven om het rolluik te laten zakken terwijl deze omhoog gaat), is het resultaat dat de uitgang voor omhoog brengen uitgaat terwijl de uitgang voor laten zakken niet geactiveerd wordt (deze functie komt overeen met de elektromechanische blokkering van traditionele systemen). In dit laatste geval moet de knop voor laten zakken nogmaals worden ingedrukt om de bijbehorende uitgang te activeren. NB: dit type uitgang kan alleen worden bestuurd met behulp van drukknoppen. STATUSWEERGAVE Dit type uitgang wordt gebruikt om via een controlelampje aan te geven wat de status is van de uitgang (bijv. lamp) die bestuurd wordt door de ingang met hetzelfde nummer en die tot dezelfde module behoort (als uitgang 3 van module 5 bijvoorbeeld wordt bestuurd door ingang 2 van module 1, geeft uitgang 2 van module 1 van het type Statusweergave aan wat de activeringsstatus van uitgang 3 van module 5 is). ELEKTROMAGNETISCHE KLEP De uitgang van het type elektromagnetische klep wordt bestuurd door de temperatuurmodules om de verwarming of airconditioning in- of uit te schakelen. Als op dezelfde module echter een ingang van het type Alarm aanwezig is en deze openstaat (bijv. als het raam open is gelaten), wordt de uitgang elektromagnetische klep geopend (bijv. verwarming onderbroken) en worden er geen opdrachten van de temperatuurmodules meer geaccepteerd totdat de ingang van het type Alarm gesloten wordt. RANDAPPARATUUR KAMER Wordt gebruikt in hotels: hiermee kan de activering van de kamerfuncties afhankelijk worden gesteld van de toestemming van de bedieningsunit en het plaatsen van een activeringskaart in de kamer. De analoge uitgangen hebben de volgende functies: - VAN ANALOGE INGANG: de uitgang wordt ingesteld met de waarde die gelezen wordt door de bijbehorende ingang (analoog) van dezelfde module. - VAN INGANG OP ANALOGE MODULE: de uitgang wordt ingesteld met de waarde die gelezen wordt door een ingang (analoog) die tot een andere module behoort. - DIMMER: hiermee kan bijvoorbeeld de lichtsterkte van een lamp worden geregeld. Wanneer de uitgang de status ingang actief (drukknop ingedrukt) van een digitale module ontvangt en vervolgens binnen 2 seconden de status inactief, gedraagt deze zich als een teleruptor-uitgang. Wanneer de uitgang echter geactiveerd wordt gaat hij naar de laatst ingestelde lichtsterkte en wanneer hij gedeactiveerd wordt gaat hij naar OFF. Als de uitgang echter niet binnen 2 seconden de status inactief van de ingang ontvangt, blijft hij de lichtsterkte variëren van 0 tot 255 en terug, totdat de drukknop die verbonden is met de ingang die de lichtsterkte regelt, wordt losgelaten. 1.8 BEDIENINGSUNITS De SimpleHome-modules zijn uitgerust met een eigen intelligentie en vereisen dus geen regelcentrale. Indien de gebruiker echter een grafische interface wil gebruiken om de status van het systeem weer te geven en eventueel de werking aan te kunnen passen, kunnen er verschillende bedieningsinstrumenten worden gebruikt. Het belangrijkste bedieningsonderdeel wordt gevormd door de HomeManager-software (art ). Met deze software kan een interface worden gecreëerd voor het huisautomatiseringssysteem, de alarmcentrale, het automatiseringssysteem, de videobewaking/cctv en de lezers voor de toegangscontrole. De interface toont de informatie op grafische schermen, in de vorm van plattegronden en dergelijke. De interface voor het automatiseringssysteem wordt gerealiseerd door een SimpleHome/RS232-converter aan te sluiten tussen de systeembus en een seriële poort van de bedieningsunit. De interface voor de beveiligingsmodule voor het beheer van de alarmen (in tegenstelling tot de SimpleHome-bus uitgerust met een 4-aderige bus) wordt gecreëerd door de seriële communicatiepoort van de centrale direct aan te sluiten op een tweede seriële poort van de bedieningsunit. Het audio-/videosysteem wordt door de bedieningsunit geregeld via een derde seriële RS232-poort waarop deze is aangesloten. Het videobewakingssysteem of de bewakingscamera's worden door de bedieningsunit ontvangen via het ethernet-netwerk (TCP/IP). Daarom is het nodig om digitale camera's of webservers/videocamera's te gebruiken, zoals aangegeven bij de kenmerken van HomeManager. NB: eventuele seriële RS232-poorten kunnen met behulp van daarvoor geschikte converters in USB of TCP/IP worden omgezet. Tevens bestaat de mogelijkheid om meerdere bedieningsunits te gebruiken om hetzelfde systeem te besturen. In dat geval wordt de hoofdbedieningsunit op de verschillende functies (huisautomatisering, beveiliging, audio, CCTV) aangesloten en vervolgens op het ethernet-netwerk. De andere bedieningsunits (client of slave) communiceren via dit netwerk met de hoofdbedieningsunit. Ook is het mogelijk om vanaf een externe HomeManager-installatie via het internet verbinding met de hoofdbedieningsunit te maken, mits de router op de juiste wijze geconfigureerd is. 8

9 2 - DE APPARATEN Hieronder vindt u een beschrijving van de apparaten die deel uitmaken van het SimpleHome-systeem ART VOEDINGSTRANSFORMATOR VOOR SIMPLEHOME-SYSTEEM TYPE SWITCHING 24VDC 2A OP DIN-RAIL Levert via de bus voeding van 24Vdc met stroom tot 2A. Er kunnen meerdere voedingstransformatoren parallel worden geschakeld en over verschillende punten van het systeem worden gedistribueerd om de benodigde energie te leveren om de aangesloten apparaten correct te laten werken. TECHNISCHE KENMERKEN Voedingsspanning Vac 50/60Hz Uitgangsspanning 24Vdc ± 5% Uitgangsstroom Parallel schakelbaar max. 2A ja Bescherming - tegen omkering van polariteit; - zekering op ingangscircuit tegen overbelasting en kortsluiting, met automatische herstelfunctie Signaleringscontacten Weergavecomponenten Plaatsing Referentienormen Gewicht Homologaties Afmetingen 1 potentiaalvrij (FAIL), normaal gesloten wanneer de voedingstransformator functioneert, open om storingen te signaleren 1 led voor aanwezigheid voedingsspanning (POWER) 1 led voor signalering aansluitingsfout op DIN-rail elektromagnetische compatibiliteit: EN (Storingsemissie) en EN (Weerstand tegen storingen) 240g exclusief verpakking CE 71 x 90 x 58 mm (4 DIN-modules) Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 9

10 AANSLUITKLEMMEN Klem Functie - Min voeding bus Vdc voeding bus FAIL NC-contact (signalering voeding defect) Aarde L Fase voor voeding (230Vac) N Neutraal voor voeding (230Vac) De aansluiting van de aardklem kan storingen veroorzaken op de communicatiebus De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 10

11 2.2 - ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE 5 DIGITALE INGANGEN (5I) De module met 5 digitale ingangen maakt het mogelijk om tot 5 contacten aan te sluiten (drukknoppen, schakelaars, inverters, omvormers algemene sensoren e.d.) voor de bediening van de uitgangen op de modules van het SimpleHome-systeem. De compacte interface kan in traditionele dozen met 3 modules worden geïnstalleerd (verborgen achter de elektromechanische modules van inbouwdozen voor woningen) of in aftakdozen. De module met 5 digitale ingangen wordt direct door de bus gevoed. Voedingsspanning 24Vdc ± 5% Stroomverbruik min. 5mA, max. 22mA Ingangen 4+1 digitaal met opto-isolatie Max. lengte ingaande kabel 25m Bescherming tegen omkering van polariteit Signaleringen Klemmen Plaatsing TECHNISCHE KENMERKEN 1 led: als deze knippert wijst dit op gegevensoverdracht over de bus; als de led continu brandt wijst dit op ontbreken van de min van de voeding of een verkeerde aansluiting van het apparaat kunnen naar buiten getrokken worden voor bus-aansluiting in inbouwdozen Referentienormen elektromagnetische compatibiliteit: EN (Storingsemissie) en EN (Weerstand tegen storingen) Homologaties CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur van -10 tot +70 C Relatieve luchtvochtigheid van 5% tot 95% zonder condensatie Gewicht 24g exclusief verpakking Afmetingen 41x29x9mm AANSLUITKLEMMEN Klem Functie - Min voeding BUS + +24Vdc voeding BUS D Databuslijn I4 Ingang 4 I3 Ingang 3 I2 Ingang 2 I1 Ingang 1 groen (bus) rood (+) blauw (-) IS Meervoudige bediening (scenario) V+ +24Vdc ondersteuning NB: de module moet via de buslijn worden geprogrammeerd met behulp van de SimpleHome/RS232-interface ( ) en de programmeersoftware SimpleProg. De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 11

12 2.3 - ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE 5 DIGITALE INGANGEN EN 4 TRANSISTORUITGANGEN (5I4O) De module met 5 digitale ingangen en 4 transistoruitgangen maakt het mogelijk om tot 5 contacten aan te sluiten (drukknoppen, schakelaars, inverters, omvormers, algemene sensoren e.d.) voor de bediening van de uitgangen op de modules van het SimpleHomesysteem en 4 transistoruitgangen voor rechtstreekse aansluiting van de signaleringslampjes (24V gelijkstroom) of een relais met max. bekrachtigingsstroom van 50mA. De compacte interface kan in traditionele dozen met 3 modules worden geïnstalleerd (verborgen achter de elektromechanische modules van inbouwdozen voor woningen) of in aftakdozen. De module met 5 digitale ingangen wordt direct door de bus gevoed. Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik Ingangen Uitgangen Max. lengte ingaande kabel Bescherming Signaleringen min. 5mA, max. 22mA 4+1 digitaal met opto-isolatie 4 met transistor 24Vdc 50mA max. per uitgang 25m tegen omkering van polariteit 1 led: als deze knippert wijst dit op gegevensoverdracht over de bus; als de led continu brandt wijst dit op ontbreken van de min van de voeding of een verkeerde aansluiting van het apparaat Uitval en herstel van de voeding Status van de uitgangen opgeslagen in geheugen Klemmen Plaatsing Referentienormen Homologaties kunnen naar buiten getrokken worden voor bus-aansluiting in inbouwdozen elektromagnetische compatibiliteit: EN (Storingsemissie) en EN (Weerstand tegen storingen) CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 24g exclusief verpakking 41x29x9mm 12

13 AANSLUITKLEMMEN Klem Functie - Min voeding BUS + +24Vdc voeding BUS D Databuslijn V- Min ondersteuning (uitgangen) O4 Uitgang 4 O3 Uitgang 3 O2 Uitgang 2 O1 Uitgang 1 I4 Ingang 4 I3 Ingang 3 groen (bus) rood (+) blauw (-) I2 Ingang 2 I1 Ingang 1 IS Meervoudige bediening (scenario) V+ +24Vdc ondersteuning (ingangen) NB: de module moet via de buslijn worden geprogrammeerd met behulp van de SimpleHome/RS232-interface ( ) en de programmeersoftware SimpleProg. De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 13

14 2.4 - ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE INTERFACE MET 2 RELAIS (RL2) Interface met twee relais van 6A resistief (cosϕ=1) voor aansluiting op de bus-modules met uitgangen van het type open-collector, bijvoorbeeld voor de bediening van de motor van een rolluik. De uitgangen op het systeem zijn niet geschikt voor het bedienen van gebruikers die veel stroom vragen, of van halogeenlampen of tl-buizen. Voor de bediening van dergelijke gebruikers dient voor iedere uitgang een relais te worden gebruikt. Voedingsspanning 24Vdc ± 5% Stroomverbruik 18mA TECHNISCHE KENMERKEN Ingangen 2 voor het realiseren van een interface met twee open-collector-uitgangen van de ingangen/ uitgangen-modules op de bus Uitgangen 2 met relais 230Vac 6A resistief (cosϕ =1) Bescherming Signaleringen Klemmen Plaatsing Referentienormen Homologaties Tegen omkering van polariteit 2 leds voor status uitgangen uittrekbaar in inbouwdozen elektromagnetische compatibiliteit: EN (Storingsemissie) en EN (Weerstand tegen storingen) CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Inclusief accessoires Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie Stroomtransformator TA 42g exclusief verpakking 41x29x9mm AANSLUITKLEMMEN Klem Functie 1 Relaisuitgang 6A 2 Moedercontact 3 Relaisuitgang 6A 4 Bediening relais + 24Vdc 5 Moedercontact bediening relais 6 Bediening relais + 24Vdc 14

15 Voorbeeld van aansluiting met module 5 ingangen / 4 transistoruitgangen voor de bediening van een geautomatiseerd rolluik: gemeenschappelijk omhoog omlaag groen (bus) rood (+) blauw (-) De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 15

16 2.5 - ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE 2 ANALOGE INGANGEN 0-10V (2I) Inbouwinterface voor automatiseringssysteem met twee analoge ingangen van het type 0-10V. Maakt het mogelijk een interface te creëren tussen het huisautomatiseringssysteem en analoge ingangen zoals temperatuursondes of spanning-/ stroomtransformators. Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik Ingangen Max. lengte ingaande kabel Bescherming Signaleringen Klemmen Plaatsing Referentienormen Homologaties 5mA 2 type 0-10V analoog 2m tegen omkering van polariteit 1 led voor de busstatus: als de led knippert wijst dit op gegevensoverdracht over de bus, als de led continu brandt wijst dit op ontbreken van de min van de voeding of een verkeerde aansluiting van het apparaat kunnen naar buiten getrokken worden voor bus-aansluiting in inbouwdozen elektromagnetische compatibiliteit: EN (Storingsemissie) en EN (Weerstand tegen storingen) CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 24g exclusief verpakking 41x29x9mm AANSLUITKLEMMEN Klem Functie - Min voeding BUS + +24Vdc voeding BUS D Datalijn BUS V- GND IA1 Ingang 1 (0-10V) groen (bus) rood (+) blauw (-) V- GND IA2 Ingang 2 (0-10V) NB: de module moet via de buslijn worden geprogrammeerd met behulp van de SimpleHome/RS232-interface ( ) en de programmeersoftware SimpleProg. 16

17 Voorbeeld van een aansluiting met temperatuursensor TEMPERATUUR- SENSOR TEMPERATUUR- MEET- SENSOR groen (bus) rood (+) blauw (-) De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 17

18 2.6 - ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE TEMPERATUURSENSOR MET UITGANG 0-10V (TEMP) Temperatuursensor met standaarduitgang 0-10V voor aansluiting op inbouwmodule met 2 analoge ingangen 0-10V ( ). De afmetingen zijn zo ontworpen dat het product in standaardinbouwdozen voor woningen kan worden geplaatst, bijvoorbeeld in een afsluitdo Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Uitgangsspanning Stroomverbruik Sensorbereik Afleesresolutie 8 bits Afleesresolutie 9 bits Afleesresolutie 10 bits Plaatsing Referentienormen Homologaties 0-10Vdc 5mA tussen -20 C en +45 C 1,00 C 0,50 C 0,25 C in inbouwdozen elektromagnetische compatibiliteit: EN (Storingsemissie) en EN (Weerstand tegen storingen) CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 10g exclusief verpakking 19x32x11mm OM THERMISCHE INVLOED VAN DE ONDERDELEN VAN DE ELEKTRONI- SCHE KAART TE VOORKOMEN, MOET HET MEETONDERDEEL LANGS DE PERFORATIE WORDEN AFGEBROKEN BOVENAANZICHT TEMPERATUUR- SENSOR TEMPERATUUR- MEET- SENSOR AANSLUITKLEMMEN Klem Functie 1 +24Vdc voeding 2 Min voeding De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 3 Uitgang 0-10Vdc 18

19 2.7 - ART SIMPLEHOME-INBOUWMODULE THERMOSTAAT MET LCD Thermostaat met lcd-display en mogelijkheid tot aansluiten op het SimpleHome-systeem om door de bedieningsunit te worden beheerd. Met behulp van een regelknop kan een temperatuurbereik tussen 5 en 30 C worden ingesteld. De omgevingstemperatuur kan worden weergegeven op een lcd-display. Het apparaat stuurt op geregelde momenten een datapakket met de gemeten temperatuurwaarde over de bus en meet direct daarna de omgevingstemperatuur. Afhankelijk van de drempelwaarden wordt het lokale relais aangepast en stuurt het apparaat een activerings- of deactiveringsopdracht voor de externe uitgangen over de bus. Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik Sensorbereik Plaatsing Referentienormen Homologaties min. 5,5mA, max. 20mA tussen +5 C en +30 C in inbouwdozen compatibel met standaard inbouwdozen voor woningen elektromagnetische compatibiliteit: EN (Storingsemissie) en EN (Weerstand tegen storingen) CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 3 inbouwmodules met standaard inbouwdozen voor woningen TEMPERATUURMODULE Klem Functie Lokaal relais om een pomp/lokale klep (NC-C-NO) aan te sturen 4 Temperatuurvermindering (actief indien negatief gesloten 5 Datalijn BUS Vdc voeding 7 Min voeding 19

20 SIGNALERINGEN EN BEDIENINGEN VOORZIJDE LED Status lokaal relais (indien geactiveerd brandt de led continu rood) of overgangsstatus van signalen over de bus (knipperend, rood of groen). LCD Weergave van de temperatuur die in de ruimte is gemeten. SCHUIF- SCHAKELAAR De bedrijfsmodus instellen: - ZOMER - WINTER - UITGESCHAKELD REGELKNOP De omgevingstemperatuur instellen (tussen 5 en 30 C). BEDRIJFSMODI MODUS BEDIENINGSUNIT Met de bedieningsunit worden de periode (Dag, Nacht, Leeg), de drempelwaarden voor de temperatuur, en de bedrijfsmodus (Zomer, Winter) ingesteld. De gebruiker kan de temperatuur aanpassen binnen de limieten die door de bedieningsunit zijn vastgesteld. GEBRUIKERSMODUS De gebruiker kan de regelknop gebruiken om het setpoint in te stellen, onafhankelijk van de drempelwaarde die door de bedieningsunit is ingesteld. Het ingestelde setpoint is de laatst ontvangen waarde. De modi kunnen worden geselecteerd door de stand van de eerste dipswitch aan te passen. De dipswitches bevinden zich onder de voorkap (deze moet opzij worden getrokken om te verwijderen) naast de schuifschakelaar: MODUS GEBRUIKER: MODUS BEDIENINGSUNIT: In beide modi zorgt het afsluiten van de ingang voor temperatuurvermindering ervoor dat de drempel die in aanmerking wordt genomen, overeenkomt met de periode Nacht. 20

21 Afhankelijk van de geïnstalleerde inbouwdoos moeten de universele frames op de volgende wijze worden aangepast: Frame 1 Voor panelen: BTICINO Living International BTICINO Light BTICINO Light Tech (afdekplaat en optionele regelknop ARGENTO LIGHT TECH) Opmerking voor de installateur: als bij gebruik van panelen van BTICINO uit de serie Living International, Light en Light Tech de bijbehorende frames van BITICINO al op de inbouwdoos aanwezig zijn, kan de thermostaat hier direct op worden geplaatst. Voor panelen: LEGRAND Vela Frame 2 Voor panelen: VIMAR Plana Verwijderen Voor panelen: VIMAR Eikon Verwijderen Voor panelen: VIMAR Idea (hiervoor moeten de zijkanten worden geplaatst) VIMAR Idea Rondò (hiervoor moeten de zijkanten worden geplaatst) Verwijderen Voor panelen: GEWISS Playbus (hiervoor moeten de zijkanten worden geplaatst) GEWISS Playbus Young (hiervoor moeten de zijkanten worden geplaatst) Voor panelen: SIEMENS Delta Futura Graphit (hiervoor moeten de zijkanten worden geplaatst) SIEMENS Delta Futura Geo (hiervoor moeten de zijkanten worden geplaatst) De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 21

22 De module biedt tevens de volgende functies: a. Regelventiel: naast het relais dat al in de thermostaat is geïntegreerd, kan een extern relais worden gebruikt dat op een van de modules op DIN-rail van de huisautomatiseringsbus is geplaatst om een externe elektromagnetische klep te besturen. Als u deze functie wilt inschakelen, selecteert u in het configuratieprogramma het vakje Besturing regelventiel (voor de zomer en/of de winter) en geeft u het nummer van de module op waarop het relais aanwezig is. In dit geval moet het relais nummer 1 van die module zijn. Dit relais volgt de werking van het relais dat zich in de thermostaat bevindt. b. Meerdere snelheden: als er meerdere snelheden worden gebruikt (bijv. met een ventilatorconvector) moeten de vakjes Snelheid 1,2,3 worden geselecteerd (deze kunnen ook apart worden geselecteerd, bijv. 1, of 1 en 2). De bijbehorende relais zijn de relais 2, 3 en 4 die op hetzelfde modulenummer aanwezig zijn als eventueel wordt gebruikt om het regelventiel aan te sturen (voor de zomer en/of de winter). Tijdens de configuratie kan in tienden van een graad het reactiemoment voor de volgende of vorige snelheid worden aangegeven (als bijv. Snelheid1-2=20 (standaard), is de ingestelde drempelwaarde 20 en de gedetecteerde temperatuur 19, afhankelijk van snelheid 1. Als de gedetecteerde temperatuur 17 is, wordt snelheid 2 geactiveerd. Als Snelheid1-3=50 (standaard) en de gedetecteerde temperatuur 14 is, wordt snelheid 3 geactiveerd). c. Analyse-interval: het is mogelijk om een tijdsinterval op te geven tussen twee opeenvolgende controles van de temperatuurdrempels. Na de controle stuurt de thermostaat de afgelezen temperatuur en eventuele opdrachten voor activering of deactivering van de regelventielen en de snelheden naar het netwerk. De standaardinstelling is 60 seconden. Een kleiner interval kan de gegevenscommunicatie verstoren als er veel thermostaten aanwezig zijn. d. Hysterese: definieert het interval in tienden van een graad tussen een activerings-/deactiveringsopdracht en een deactiverings-/activeringsopdracht (als de drempel bijvoorbeeld is ingesteld op 20 en de hysterese op 5 tiende graad, gaat in de winter de verwarmingsketel uit bij 20 en weer aan bij 19,5 ). De standaardinstelling is 4 tiende graad. e. Correctie: indien met een ander instrument in de ruimte een temperatuur wordt afgelezen die vanwege de plaatsing van de thermostaat enigszins afwijkt van de temperatuur die door de thermostaat wordt weergegeven, kan er een correctiecoëfficiënt in tienden van een graad (ook negatief) worden toegepast, die wordt opgeteld bij de werkelijk afgelezen temperatuur. De standaardinstelling is 0. f. Keuzeschakelaar Winter/Zomer: als er een klimaatregelcentrale wordt gebruikt met een ingang om warm/koud te regelen, kan deze ingang worden aangestuurd door de uitgang die in het configuratieprogramma is opgegeven. De uitgang verandert wanneer de gebruiker met de keuzeschakelaar aan de voorzijde of via de bedieningsunit de thermostaat op winter of zomer overschakelt. 22

23 2.8 - ART SIMPLEHOME-MODULE 5 INGANGEN MET OPTO-ISOLATIE EN 4 RELAISUITGANGEN 16A OP DIN-RAIL (5I4O16A) Module op bus met 4 ingangen + 1 scenario-ingang en 4 relaisuitgangen met wisselcontact met onafhankelijk moedercontact voor het beheren van resistieve elektrische gebruikers tot 16A. Voor niet-resistieve gebruikers wordt aanbevolen voor iedere uitgang een contactgever te gebruiken. Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik Ingangen min. 5mA, max. 140mA 4+1 digitaal met opto-isolatie Uitgangen 4 met relais 230Vac, 16A resistief (cos ϕ = 1) Max. lengte ingaande kabel Bescherming Signaleringen Uitval en herstel van de voeding Klemmen Plaatsing Referentienormen Homologaties 25m tegen omkering van polariteit 1 led voor de busstatus: als de led knippert wijst dit op gegevensoverdracht over de bus, als de led continu brandt wijst dit op ontbreken van de min van de voeding of een verkeerde aansluiting van het apparaat 5 leds voor status ingangen 4 leds voor status uitgangen Status van de uitgangen opgeslagen in geheugen kunnen naar buiten getrokken worden voor bus-aansluiting Op DIN-rail of in aftakdozen elektromagnetische compatibiliteit: EN (Storingsemissie) en EN (Weerstand tegen storingen) CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 195g exclusief verpakking 71x90x58mm (4 DIN-modules) 23

24 AANSLUITKLEMMEN Klem Functie groen (bus) rood (+) blauw (-) - Min voeding BUS + +24Vdc voeding BUS D K Datalijn BUS Moedercontact V- Min ondersteuning V+ +24Vdc ondersteuning I4 Ingang 4 I3 Ingang 3 I2 Ingang 2 I1 Ingang 1 IS NO1 C1 NC1 NO2 C2 NC2 NO3 C3 NC3 NO4 C4 NC4 Meervoudige bediening (scenario) Uitgang 1 NO-contact Uitgang 1 moedercontact Uitgang 1 NC-contact Uitgang 2 NO-contact Uitgang 2 moedercontact Uitgang 2 NC-contact Uitgang 3 NO-contact Uitgang 3 moedercontact Uitgang 3 NC-contact Uitgang 4 NO-contact Uitgang 4 moedercontact Uitgang 4 NC-contact NB: de module moet via de buslijn worden geprogrammeerd met behulp van de SimpleHome/RS232-interface ( ) en de programmeersoftware SimpleProg. De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 24

25 2.9 - ART SIMPLEHOME-MODULE 9 INGANGEN MET OPTO-ISOLATIE EN 8 RELAISUITGANGEN 6A OP DIN-RAIL (9I8O6A) Module op bus met 8 ingangen + 1 scenario-ingang en 8 relaisuitgangen met NO-contact voor het beheren van resistieve elektrische gebruikers tot 6A. De uitgangen op het systeem zijn niet geschikt voor het bedienen van gebruikers die veel stroom vragen, of van halogeenlampen of tl-buizen. Voor de bediening van dergelijke gebruikers dient voor iedere uitgang een contactgever te worden gebruikt. Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik Ingangen min. 8mA, max. 167mA 8+1 digitaal met opto-isolatie Uitgangen 8 met relais 230Vac, 6A resistief (cos ϕ = 1) Max. lengte ingaande kabel Bescherming Signaleringen 25m tegen omkering van polariteit 1 led voor de busstatus: als de led knippert wijst dit op gegevensoverdracht over de bus, als de led continu brandt wijst dit op ontbreken van de min van de voeding of een verkeerde aansluiting van het apparaat 9 leds voor status ingangen 8 leds voor status uitgangen Uitval en herstel van de voeding Status van de uitgangen opgeslagen in geheugen Klemmen Plaatsing Referentienormen Homologaties kunnen naar buiten getrokken worden voor bus-aansluiting Op DIN-rail of in aftakdozen elektromagnetische compatibiliteit: EN (Storingsemissie) en EN (Weerstand tegen storingen) CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 180g exclusief verpakking 71x90x58mm (4 DIN-modules) 25

26 AANSLUITKLEMMEN Klem Functie groen (bus) rood (+) blauw (-) - Min voeding BUS + +24Vdc voeding BUS D Datalijn BUS V+ +24Vdc ondersteuning I8 Ingang 8 I7 Ingang 7 I6 Ingang 6 I5 Ingang 5 I4 Ingang 4 I3 Ingang 3 I2 Ingang 2 I1 Ingang 1 O1 O2 O3 O4 Uitgang 1 NO-contact Uitgang 2 NO-contact Uitgang 3 NO-contact Uitgang 4 NO-contact C1 Moedercontact uitgang O5 O6 O7 O8 Uitgang 5 NO-contact Uitgang 6 NO-contact Uitgang 7 NO-contact Uitgang 8 NO-contact C2 Moedercontact uitgang V+ +24Vdc ondersteuning IS Meervoudige bediening (scenario) NB: de module moet via de buslijn worden geprogrammeerd met behulp van de SimpleHome/RS232-interface ( ) en de programmeersoftware SimpleProg. De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 26

27 ART SIMPLEHOME-MODULE 9 INGANGEN MET OPTO-ISOLATIE EN 8 RELAISUITGANGEN 16A OP DIN-RAIL (9I8O16A) Module op bus met 8 ingangen + 1 scenario-ingang en 8 relaisuitgangen met wisselcontact met onafhankelijk moedercontact voor het beheren van resistieve elektrische gebruikers tot 16A. Voor niet-resistieve gebruikers wordt aanbevolen voor iedere uitgang een contactgever te gebruiken. Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik Ingangen min. 8mA, max. 220mA 8+1 digitaal met opto-isolatie Uitgangen 8 met relais 230Vac, 16A resistief (cos ϕ = 1) Max. lengte ingaande kabel Bescherming Signaleringen Uitval en herstel van de voeding Klemmen Plaatsing Referentienormen Homologaties 25m tegen omkering van polariteit 1 led voor de busstatus: als de led knippert wijst dit op gegevensoverdracht over de bus, als de led continu brandt wijst dit op ontbreken van de min van de voeding of een verkeerde aansluiting van het apparaat 9 leds voor status ingangen 8 leds voor status uitgangen status van de uitgangen opgeslagen in geheugen kunnen naar buiten getrokken worden voor bus-aansluiting op DIN-rail of in aftakdozen elektromagnetische compatibiliteit: EN (Storingsemissie) en EN (Weerstand tegen storingen) CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 380g exclusief verpakking 160x90x58mm (9 DIN-modules) 27

28 groen (bus) rood (+) blauw (-) DIGITALE MODULE Klem Functie Klem Functie Klem Functie - Min voeding BUS I1 Ingang 1 NC4 Uitgang 4 NC-contact + +24Vdc voeding BUS IS Meervoudige bediening (scenario) NO5 Uitgang 5 NO-contact D Datalijn BUS NO1 Uitgang 1 NO-contact C5 Uitgang 5 moedercontact K Moedercontact C1 Uitgang 1 moedercontact NC5 Uitgang 5 NC-contact V- Min ondersteuning NC1 Uitgang 1 NC-contact NO6 Uitgang 6 NO-contact V+ +24Vdc ondersteuning NO2 Uitgang 2 NO-contact C6 Uitgang 6 moedercontact I8 Ingang 8 C2 Uitgang 2 moedercontact NC6 Uitgang 6 NC-contact I7 Ingang 7 NC2 Uitgang 2 NC-contact NO7 Uitgang 7 NO-contact I6 Ingang 6 NO3 Uitgang 3 NO-contact C7 Uitgang 7 moedercontact I5 Ingang 5 C3 Uitgang 3 moedercontact NC7 Uitgang 7 NC-contact I4 Ingang 4 NC3 Uitgang 3 NC-contact NO8 Uitgang 8 NO-contact I3 Ingang 3 NO4 Uitgang 4 NO-contact C8 Uitgang 8 moedercontact I2 Ingang 2 C4 Uitgang 4 moedercontact NC8 Uitgang 8 NC-contact NB: de module moet via de buslijn worden geprogrammeerd met behulp van de SimpleHome/RS232-interface ( ) en de programmeersoftware SimpleProg. De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 28

29 ART SIMPLEHOME-MODULE 2 ANALOGE INGANGEN EN 2 ANALOGE UITGANGEN OP DIN-RAIL (2I2O) Interface op DIN-rail voor SimpleHome-systeem met twee ingangen en twee analoge uitgangen type 0-10V. Maakt het mogelijk een interface te creëren tussen het automatiseringssysteem en analoge ingangen (zoals lichtsterktesensoren of spanning-/ stroomtransformators) en elektronische regelaars te bedienen (zoals ballasten voor de verlichting of dimmers). Niet geschikt voor aansluiting van de temperatuursensor met uitgang 0-10V ( ). Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik min. 5mA, max. 30mA Ingangen 2 type analoog 0-10V Maximumlengte ingaande kabel Uitgangen Bescherming 5m 2 type analoog 0-10V met max. stroom 100mA tegen omkering van polariteit Signaleringen 1 led voor de busstatus: als de led knippert wijst dit op gegevensoverdracht over de bus, als hij continu brandt wijst dit op ontbreken van de min van de voeding of een verkeerde aansluiting van het apparaat Klemmen Plaatsing Uitval en herstel van de voeding Referentienormen Homologaties uittrekbaar op DIN-rail of in aftakdozen status van de uitgangen opgeslagen in geheugen elektromagnetische compatibiliteit: EN (Storingsemissie) en EN (Weerstand tegen storingen) CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 130g exclusief verpakking 53x90x58mm (3 DIN-modules) 29

30 groen (bus) rood (+) blauw (-) AANSLUITKLEMMEN Klem Functie - Min voeding BUS + +24Vdc voeding bus D Databuslijn IA2 Ingang 2 (0-10V) V- GND Vdc ondersteuning op ingang 2 IA1 Ingang 1 (0-10 V) V- GND Vdc ondersteuning op ingang 1 OA1 Uitgang 1 (0-10V) V- Min ondersteuning uitgang 1 OA2 Uitgang 2 (0-10V) DIMMER OF ELEKTRONISCHE BALLAST V- Min ondersteuning uitgang 2 NB: de module moet via de buslijn worden geprogrammeerd met behulp van de SimpleHome/RS232-interface ( ) en de programmeersoftware SimpleProg. De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 30

31 ART MODULE ENERGIEBEHEER Met de SimpleHome-module kan het opgenomen of geproduceerde vermogen worden gemeten in een enkelfasige installatie met 230Vac spanning. Wanneer deze module in het SimpleHome-systeem wordt geïntegreerd en op de BUS wordt aangesloten, kan de door de module gemeten vermogenswaarde worden weergegeven op één van de bedieningsunits (zoals Planux Manager, Serial Bridge of Minitouch). Naast deze metingen kan er een lijst van belastingen worden ingesteld, die wordt gebruikt om digitale uitgangen van de SimpleHome-modules (die bijvoorbeeld op gestuurde stopcontacten zijn aangesloten) uit te schakelen indien het gemeten verbruik de geprogrammeerde drempelwaarde overschrijdt. Deze toepassing dient om te voorkomen dat de thermische schakelaar van de leverancier van elektrische energie wordt geactiveerd. De uitgangen worden in de geprogrammeerde volgorde uitgeschakeld. Nadat een programmeerbare tijd is verstreken, probeert de module de uitgangen in omgekeerde volgorde weer te activeren. Het is mogelijk om voor elk van de ingeschakelde belastingen in het beheermechanisme een stroomverbruikwaarde in te stellen, waardoor de activering pas plaatsvindt wanneer het voor die belasting ingestelde vermogen in het systeem beschikbaar is. Tevens kan een uitgang van een module van het SimpleHome-systeem zo worden ingesteld dat wanneer het belastingbeheermechanisme in werking treedt, de uitgang wordt geactiveerd om het overmatige verbruik en de eventuele door de uitschakeling van de uitgangen veroorzaakte storing te signaleren. Daarnaast is het mogelijk om een drempelwaarde voor directe uitschakeling op de module in te stellen. Wanneer deze waarde wordt overschreden schakelt de module alle ingestelde uitgangen uit, in plaats van elke uitgang apart uit te schakelen met het bijbehorende beheermechanisme. De module biedt de mogelijkheid om gegevens voor de administratie van de gemeten energie op te slaan en een historie bij te houden. Wanneer meerdere apparaten op één systeem worden aangesloten, kan het totaal van het gemeten vermogen worden weergegeven. Voor deze functionaliteit moet een compatibele bedieningsunit op het systeem zijn geïnstalleerd. Voorbeelden van de toepassing: Uitschakellimiet met timer: 3500W. Directe uitschakellimiet: 4000W. Belasting 1: verbruik 800W uitschakeltijd 5 minuten. Belasting 2: verbruik 1500W uitschakeltijd 5 minuten. Wanneer een waarde boven 3500W wordt bereikt, schakelt de module eerst belasting 1 uit en vervolgens belasting 2. Nadat de geprogrammeerde uitschakeltijd is verstreken, probeert de module de laatst uitgeschakelde belasting te activeren. Als de module op dat moment 2500W meet, wordt belasting 2 met een verbruik van 1500W niet ingeschakeld, om de ingestelde uitschakellimiet (3500W) niet te overschrijden. In plaats daarvan wordt belasting 1 geactiveerd, aangezien het verbruik van deze belasting niet tot overschrijding van de limiet leidt. De module activeert belasting 2 pas wanneer er voldoende vermogen in het systeem beschikbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de tolerantie- en hysteresewaarden, die tot meetafwijkingen van circa 100W kunnen leiden. 31

32 TECHNISCHE KENMERKEN Voedingsspanning 24Vdc ± 5% Stroomverbruik Max. lengte ingaande kabel TA Ingangen 35mA 2m 1 voor aansluiting van de stroomtransformator TA (meegeleverd), ideaal voor enkelfasige lijnen tot 10kW 1 voor netspanning (230Vac) Signaleringen Klemmen Plaatsing Homologaties 1 led voor de busstatus: als de led knippert wijst dit op gegevensoverdracht over de bus uittrekbaar Op DIN-rail of in aftakdozen CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Inclusief accessoires Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie Stroomtransformator TA 70g exclusief TA en verpakking 35x90x58mm (3 DIN-modules) BUS SimpleHome Klem AANSLUITKLEMMEN Functie - Min voeding BUS + +24Vdc voeding BUS D Datalijn BUS V- IT Ingang voor niet-gepolariseerde ringkernverbinding L N Aansluiting netspanning D + - L N V- IT KWh 32

33 ART SIMPLEHOME/RS232-INTERFACE Seriële interface voor programmering van het SimpleHome-systeem. Plaats voor het gebruik de 9-polige subminiature-connector in de seriële poort (RS232) van de pc of een ander programmeringsapparaat en sluit op de genummerde klem de 3 aders van de bus aan, waarbij u de onderstaande tabel aanhoudt. Voor het programmeren van de SimpleHome-automatiseringsapparaten is de software SimpleProg vereist. Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik Transmissiesnelheid seriële zijde Transmissiesnelheid bus-zijde 9-polige subminiature-connector seriële zijde Connector bus-zijde 20mA bps bps voor het aansluiten van de seriële poort RS232 uittrekbaar aansluitblok Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Signaleringen Afmetingen Gewicht van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 1 led: als deze knippert wijst dit op gegevensoverdracht over de bus; als de led continu brandt wijst dit op ontbreken van de min van de voeding of een verkeerde aansluiting van het apparaat 41 x 30 x 9mm 60g (module + connectors) INTERFACEMODULE LED - Knippert: gegevensoverdracht over de bus - Brandt continu: min van de voeding ontbreekt of apparaat is verkeerd aangesloten 232 RS232-connector BUS SimpleHome bus-aansluitblok AANSLUITKLEMMEN 1 - Min voeding BUS Vdc voeding BUS 3 D Databuslijn De specificaties kunnen zonder voorafgaande kennisgeving worden gewijzigd. 33

34 ART TEMPERATUURSENSOR Werking van de sensor Nadat de temperatuursensor is aangesloten op het SimpleHome-systeem, wordt hij beheerd door het bedieningsscherm voor huisautomatisering. De inrichting verstuurt via de bus op gezette tijden een datapakket met de gemeten temperatuurwaarde. De temperatuursensor wordt afhankelijk van de ingestelde drempel bijgewerkt en verstuurt via de bus een bedieningsinstructie voor activering of deactivering van de op afstand geïnstalleerde uitgang. Temperatuursensor Art _ + D Klemmenblok voor de systeemaansluiting: Vdc voeding. D Buslijn huisautomatisering. 2 Led voor signalering gegevensoverdracht op huisautomatiseringsbus. 3 Led voor signalering activering uitgang (beheerd door programmeersoftware). VOORNAAMSTE KENMERKEN Voeding 24Vdc +/- 5% Opgenomen stroom (max.) Afmetingen (HxLxD) Sensorbereik Bedrijfstemperatuur Gewicht Bevestiging voor doos ma 48 mm x 19,3 mm x 58 mm +5 C / +30 C 0 C / +55 C 25 gr JA Let op! Voor de installatie van de activator heeft u de adapter RJ45 Keystone-aansluiting nodig (niet meegeleverd). 34

35 Sensor monteren Bevestigen Losmaken 35

36 ART MODULE 3 INGANGEN 3 UITGANGEN (3I3O) De SimpleHome-module art beschikt over 3 ingangen (droge contacten voor bijv. drukknoppen en sensoren) en 3 uitgangen waarvan er voor 2 een extern relais moet worden aangesloten (bijv. art ) terwijl de laatste een geïntegreerd relais van 16A aanstuurt (kan worden geprogrammeerd als NO/ NC-uitgang met behulp van speciale software). Module art maakt montage in inbouwdozen voor woningen of op een DIN-rail mogelijk. Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik Uitgangen Signaleringen Plaatsing Homologaties MAX 115mA 1 relaisuitgang 16A (230Vac) resistieve belastingen 2 transistoruitgangen +24Vdc actieve uitgang, max. 50mA 1 led (rood) om een actief relais aan te geven 1 led (geel) voor signalering van de busstatus: - als de led knippert worden er gegevens over de bus verzonden - als de led continu brandt ontbreekt de min van de voeding of is er een onjuiste aansluiting op het apparaat Op DIN-rail of in inbouwdozen CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 70g exclusief verpakking 58x53x18mm (1 DIN-module) AANSLUITKLEMMEN Klem Functie - Min voeding BUS + +24Vdc voeding BUS D Datalijn BUS V- Moedercontact voor uitgangen O1 en O2 O1 / O2 O3 / C Transistoruitgangen (+24Vdc bij actieve uitgang) Geïntegreerde relaisuitgang van 16A V+ +24Vdc referentie voor ingangen V- / K Kortgesloten laten voor referentie ingangen +24Vdc I1 Ingang 1 I2 Ingang 2 IS Ingang scenario 36

37 ART MODULE 1 UITGANG De SimpleHome-module art is voorzien van 1 uitgang die een geïntegreerd relais van 16A aanstuurt (kan worden geprogrammeerd als NO/ NC-uitgang met behulp van speciale software). Module art maakt montage in inbouwdozen voor woningen of op een DIN-rail mogelijk. Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik Uitgangen MAX 20mA 1 relaisuitgang 16A (230Vac) resistieve belastingen Signaleringen Plaatsing Homologaties 1 led (rood) om een actief relais aan te geven 1 led (geel) voor signalering van de busstatus: - knippert: gegevensoverdracht over de bus - brandt continu: min van de voeding ontbreekt of apparaat is verkeerd aangesloten Op DIN-rail of in inbouwdozen CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 70g exclusief verpakking 58x53x18mm (1 DIN-module) AANSLUITKLEMMEN Klem Functie - Min voeding BUS + +24Vdc voeding BUS D O1 / C Datalijn BUS Geïntegreerde relaisuitgang van 16A 37

38 ART MODULE 2 RELAIS De SimpleHome-module art is voorzien van 2 relaisuitgangen van 10A die geactiveerd worden door +24Vdc transistoruitgangen die aanwezig zijn op bijvoorbeeld de modules of Module art maakt montage in inbouwdozen voor woningen of op een DIN-rail mogelijk. N.B. de module kan niet rechtstreeks op de BUS SimpleHome worden aangesloten TECHNISCHE KENMERKEN Activeringsspanning relais Activeringsstroom relais Stroomverbruik Uitgangen Signaleringen Plaatsing Homologaties +24Vdc 14mA per relais MAX 30mA 2 relaisuitgangen N.O. 10A (230Vac) resistieve belastingen 2 leds (rood) om een actief relais aan te geven Op DIN-rail of in inbouwdozen CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 70g exclusief verpakking 58x53x18mm (1 DIN-module) AANSLUITKLEMMEN IN Klem A COM B Functie Ingang 1 +24Vdc Gemeenschappelijk ingangen Ingang 2 +24Vdc A Relaisuitgang 1 OUT COM Gemeenschappelijk uitgangen B Relaisuitgang 2 38

39 ART PULSTELLERMODULE De SimpleHome-module art beschikt over 3 pulsingangen waaraan tellers met een pulsuitgang kunnen worden aangesloten. De gegevens die door de module art worden verzameld, worden door de bijbehorende bedieningsunits uit de SimpleHome-serie verwerkt om statistische gegevens van de gemeten waarden te leveren. De module moet worden geprogrammeerd met behulp van de programmeersoftware van het SimpleHome-systeem. TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik Minimale duur van een puls Ingangen Signaleringen Plaatsing Homologaties MAX 15mA 20ms 3 type puls 1 led (geel) voor de busstatus: als de led knippert wijst dit op gegevensoverdracht over de bus; als de led continu brandt wijst dit op ontbreken van de min van de voeding of op een verkeerde aansluiting van het apparaat Op DIN-rail of in inbouwdozen CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 70g exclusief verpakking 58x53x18mm (1 DIN-module) AANSLUITKLEMMEN Klem Functie - Min voeding BUS + +24Vdc voeding BUS D Datalijn BUS V+ +24Vdc referentie voor ingangen V- / K Kortgesloten laten voor referentie ingangen +24Vdc IC1 / IC2 / IC3 Pulsingangen 39

40 ART MINITOUCH THERMOSTAAT MiniTouch 3,5-inch met thermostaatfunctie. Aan te sluiten op de SimpleHome-bus. Hiermee kunnen alle klimaatzones van het systeem (sensoren, thermostaten, Minitouch) worden bediend, gecontroleerd en ingepland TECHNISCHE KENMERKEN Kleur Smart Light Display Zwart Verlichting met RGB-leds Kleurenscherm van 3,5 Touchscreen (7 cm) met resolutie van 320x240 pixel Gezichtshoek (rechts/links/boven/onder) 50 / 50 / 45 / 50 Behuizing voor kaart micro SD Voeding Opgenomen stroom Afmetingen (HxLxD) Uitgangen O.C. Relaisuitgang Bedrijfstemperatuur Gewicht Met thermostaat Bevestiging doos E of dergelijke Ethernet-poort JA (gebruikt voor het laden van de configuratie van de huisautomatiseringsinstallatie) 12 Vdc / 24 Vdc 355 ma bij 13,8 Vdc 175 ma bij 25 Vdc 85 x 123 x 28,6 mm JA (500 ma MAX) 30 Vdc / 5 A 250 Vac / 10 A -15 / +55 C 150 gr JA JA JA (voor toekomstig gebruik) V+ V- D A B I1 I2 I3 NC COM NO 1: Touchscreen van 3,5. 2: Ethernet-connector (voor toekomstig gebruik). 3: Aansluitblok. 4: Smart light. 5: Behuizing voor micro SD-kaart. V+ V-: Voedingsklemmen D: Data-klem van de SimpleHome-bus A B: Niet gebruikt NC COM NO: Spanningsvrije contacten thermostaatrelais I1 I2 I3: Open Collector uitgangen voor aansluiting Fan-coil met meerdere snelheden. 40

41 Minitouch-thermostaat monteren 150 cm 120 cm 41

42 MONITOR PLANUX MANAGER ART W/B + MUURPLAAT PLANUX MANAGER ART. 6214C Kleurenmonitor met 3,5 inch-aanraakdisplay. Video-intercomsysteem met full-duplex-functie, volumeregeling en aanpasbare beltonen. Aan te sluiten op de SimpleHome-BUS voor het beheer van het automatiseringssysteem voor het regelen van bijvoorbeeld verlichting, apparaten, rolluiken, klimaatregeling, scenario's en tuinberegening, en op het SimpleSafe-systeem voor de weergave en bediening van het inbraakalarm D Touchscreen 2 Sleutelsensor 3 Deuropenertoets 4 Toets privacy/arts (programmeerbaar) 5 Toets beeldoproep (programmeerbaar) 6 Programmeerbare toets 2 7 Programmeerbare toets 1 8 Toets kleur 9 Toets contrast 10 Toets helderheid 11 Menutoets 12 Spreektoets 1. CN4 CN5 Connectors muurplaat monitor. 2. Aansluitklemmen voor de installatie: S- S+ Klemmen voor aansluiting van extra bel. CFP CFP Ingang voor etagebel. L L Klemmen voor aansluiting buslijn video-intercom. - + Klemmen voor voeding muurplaat en monitor. A B Bus voor communicatie met de systeemcentrale alarm Simple Safe serie S en serie Vedo. D (TC/THC) Simple Home huisautomatiseringsbus. +VS Niet in gebruik. 3. CV5 Jumper voor afsluiten van het videosignaal. 4. JP10 NIET WIJZIGEN. 5. CV6 NIET VERWIJDEREN. 6. CV8 Afsluiting

43 Planux Manager monteren 14,5 cm ,5 cm cm cm ALTO UP HAUT OBEN

44 MINITOUCH-MONITOR ART MiniTouch 3,5 inch met bedieningsfunctie. Aan te sluiten op de SimpleHome-BUS voor het beheer van het automatiseringssysteem voor het regelen van verlichting, apparaten, rolluiken, klimaatregeling, scenario's en tuinberegening, en op het SimpleSafe-systeem voor de weergave en bediening van het inbraakalarm. TECHNISCHE KENMERKEN Kleur Magic light Display Zwart Verlichting met RGB-leds Kleurenscherm van 3,5 Touchscreen (7 cm) met resolutie van 320x240 pixel Gezichtshoek (rechts/links/boven/onder) 50 / 50 / 45 / 50 Behuizing voor kaart micro SD Voeding Opgenomen stroom Afmetingen (HxLxD) Uitgangen O.C. Relaisuitgang Bedrijfstemperatuur Gewicht Met thermostaat Met RFID-lezer Bevestiging doos E of dergelijke Ethernet-poort JA (voor toekomstig gebruik) 13,8 Vdc / 25 Vdc 355 ma bij 13,8 Vdc 175 ma bij 25 Vdc 85 x 123 x 28,6 mm JA (500 ma MAX) 30 Vdc / 5 A 250 Vac / 10 A -15 / +55 C 150 gr JA JA JA JA (voor toekomstig gebruik) V+ V- D A B I1 I2 I3 NC COM NO 1 RFID-lezer. 2 Touchscreen 3,5". 3 Tamper. 4 Ethernet-connector (voor toekomstig gebruik). 5 Klemmenblok. 6 Magic light. V+ V-: Voedingsklemmen D: Data-klem van de SimpleHome-bus A B: Klemmen 485 voor alarmcentrale NC COM NO: Spanningsvrije contacten thermostaatrelais I1 I2 I3: Open Collector uitgangen voor aansluiting Fancoil met meerdere snelheden. 44

45 Minitouch monteren 150 cm 120 cm 45

46 SERIAL BRIDGE ART De Serial Bridge is een module dat de mogelijkheid biedt om te communiceren met de huisautomatisering-bus SimpleHome en met het SimpleSafe-inbraakbeveiligingssysteem De module heeft de volgende functies: wekelijks tijdprogramma: hiermee kunnen opdrachten naar uitgangen, zones, scenario's of thermostaten van het systeem worden verzonden. beheer link in/out: hiermee kan een gebeurtenis van de alarmcentrale (status gebied of status ingangen) gekoppeld worden aan een gebeurtenis die over de huisautomatiseringsbus moet worden verzonden (zoals modules, zones en scenario's). beheer regels: voor de programmering van regels met 3 elementen met functies AND/OR tussen ingangen, uitgangen of timers van het beveiligings- of huisautomatiseringssysteem om een gebeurtenis te genereren. beheer scenario's: voor het programmeren van de scenario's die handelingen omvatten die verzonden moeten worden naar het SimpleSafe-beveiligingssysteem en/of aan het SimpleHome-huisautomatiseringssysteem. De configuratie en het beheer door de gebruiker worden uitgevoerd via de WEB-interface. TECHNISCHE KENMERKEN De Serial Bridge is een Web Server apparaat dat via browser PC, tablet, smartphone, etc... zonder programma's te installeren: Weergeven/aansturen 8 gebieden van een compatibele alarmcentrale 48 lampen op de bus 24 stopcontacten op de bus 24 uitgangen met tijdschakeling of rolluik-uitgangen 24 analoge ingangen, zoals: Als thermostaat geconfigureerde modulen met aangesloten temperatuursensor. Thermostaten en temperatuursensoren op BUS. Weergeven de status van de eerste 80 bekabelde ingangen van een compatibele centrale de status van de eerste 48 radio-ingangen van een compatibele centrale 8 energiebeheermodules voor verbruik/productie. Aansturen de 16 scenario's die in het apparaat zijn ingesteld Vanuit de Serial Bridge kan het volgende geconfigureerd worden: max. 32 timers. max. 32 opdrachten die verzonden worden door koppelingen tussen de alarmcentrale en de SimpleSafe-bus. max. 32 regels van elk 3 elementen. max. 32 opdrachten voor scenario's van elk 20 elementen. 46

47 BUS 2 SERIAL BRIDGE RESET RS232 / 485 POWER / STATUS Aansluitklemmen: - + : 12/24 Vdc voeding van huisautomatiseringsbus of alarmcentrale. D: Klem data SimpleHome-bus. NC - NO - C : Spanningsvrije contacten relais. I2: Statusingang 2. K: Moedercontact statusingangen. I1: Statusingang 1. 5 : GND RS232 alarmcentrale. 3 : RX RS232 alarmcentrale. 2 : TX RS232 alarmcentrale : Seriële voedingsklemmen alarm. 485 A/L+ - B/L - : Aansluitklemmen bedienschermen alarm. 2 Led voor signalering gegevensoverdracht over huisautomatiseringsbus. 3 Led voor signalering gegevensoverdracht naar de centrales. 4 Led voor signalering werking: langzaam knipperen: normale werking. Snel knipperen: Bootloader status. 5 Resetkno LET OP!! Als het apparaat is verbonden met de voeding van de huisautomatisering-bus of op de voeding van de alarmcentrale, is het noodzakelijk om de klem - te verbinden met de klem -12 om de negatieve referentiewaarden in balans te brengen. 47

48 MODULE DALI/DMX ART De module DALI/DMX art maakt het mogelijk bedieningsinstructies van het SimpleHome-systeem om te zetten in bedieningsinstructies op de communicatie-bussen DALI of DMX. De bedieningsinstructies naar DMX-voedingseenheden maken het mogelijk de aangesloten lichtbron in of uit te schakelen, te dimmen of de kleur ervan te variëren (in het geval van RGB-lampen). Met de bedieningsinstructies naar de DALI-interface is het mogelijk afzonderlijke DALI-voedingseenheden te bedienen via drukknoppen of bedienschermen. J1 Functie DALI Functie DMX 48

49 Voedingsspanning 24Vdc ± 5% TECHNISCHE KENMERKEN Stroomverbruik Signaleringen Klemmen Plaatsing Homologaties MIN 5 ma / MAX 40 ma 1 led voor de busstatus: als de led knippert wijst dit op gegevensoverdracht over de bus. Uittrekbaar Op DIN-rail of in aftakdozen CE Bedrijfstemperatuur van 0 tot 50 C Opslagtemperatuur Relatieve luchtvochtigheid Gewicht Afmetingen van -10 tot +70 C van 5% tot 95% zonder condensatie 50g exclusief verpakking 53x90x58mm (3 DIN-modules) AANSLUITKLEMMEN Klem Functie - Min voeding BUS + +24Vdc voeding BUS D DA+ DA- A/L+ B/L- GND Jumper J1 Datalijn BUS BUS DALI BUS DMX Functiekeuzeschakelaar DALI / DMX 49

50 3 - SIMPLEPROG: SOFTWAREPROGRAMMA VOOR CONFIGURATIE VAN HET SIMPLEHOME-SYSTEEM Zoals ook elders in deze handleiding is vermeld, kan het complete SIMPLEHOME-systeem pas worden gebruikt nadat het met behulp van een pc en het softwareprogramma SIMPLEPROG geconfigureerd is. Hieronder vindt u een beknopte handleiding voor het gebruik van de software. Bovendien toont SIMPLEPROG in elke programmeringsfase de noodzakelijke informatie en korte beschrijvingen van de mogelijke functies op het scherm GEBRUIKERSNAAM EN WACHTWOORD INVOEREN Naam Wachtwoord 2 MOGELIJKE OPDRACHTEN Gebruikersnaam Wachtwoord van de gebruiker Voer de gebruikersnaam en het wachtwoord in en klik op dit pictogram om het programma te starten NB: als u de software de eerste keer wilt openen, geeft u als gebruikersnaam en wachtwoord comelit o Vervolgens voert u uw gebruikersnaam en wachtwoord in met behulp van de functie CONFIGUREREN die hieronder wordt beschreven. Hiermee wordt het programma direct afgesloten 50

51 3.2 - HOOFDSCHERM Wanneer het programma wordt gestart, ziet u het volgende hoofdscherm: NIEUW SYSTEEM: hiermee kan een nieuw systeem worden gecreëerd door alle basisgegevens in te voeren. SYSTEEM OPENEN: hiermee kan een eerder opgeslagen systeem worden geladen om te worden aangepast of afgedrukt. DIGITALE MODULES TESTEN: wanneer het systeem geconfigureerd is en via de SIMPLEHOME/RS232- interface op de pc is aangesloten, kan deze functie worden gebruikt om afzonderlijke apparaten met digitale ingangen/ uitgangen te testen. ANALOGE MODULES TESTEN: wanneer het systeem geconfigureerd is en via de SIMPLEHOME/RS232-interface op de pc is aangesloten, kan deze functie worden gebruikt om afzonderlijke apparaten met analoge ingangen/ uitgangen te testen. MOGELIJKE OPDRACHTEN MODULES PROGRAMMEREN: wanneer de configuratie via de pc voltooid is en de SIMPLEHOME/RS232-converter op de huisautomatiseringsbus is aangesloten, kan deze configuratie naar alle modules binnen het systeem worden overgebracht. NB: de modules moeten al geconfigureerd zijn met een eigen serienummer. MODULES OPVRAGEN: wanneer het systeem geconfigureerd is en via de SIMPLEHOME/RS232-interface op de pc is aangesloten, kan deze functie worden gebruikt om de huidige configuratie van het systeem te laden en vervolgens te wijzigen. CONFIGUREREN: hiermee kunnen de parameters worden ingesteld die voor een juiste werking van de software vereist zijn. AFDRUKKEN: hiermee kan de configuratie worden afgedrukt die op de pc is gemaakt/opgeslagen of geladen via de opdracht MODULES OPVRAGEN. SERIENUMMER PROGRAMMEREN: wanneer het systeem geconfigureerd is en via de SIMPLEHOME/ RS232-interface op de pc is aangesloten, kan deze functie worden gebruikt om het serienummer van een afzonderlijk apparaat te wijzigen (als het een nieuwe module betreft, is het standaardserienummer 1). MODULES ZOEKEN: wanneer het systeem geïnstalleerd is en via de interface op de pc is aangesloten, kan deze functie worden gebruikt om een overzicht te geven van de modules die binnen het systeem aanwezig zijn en de belangrijkste kenmerken van deze modules. INFO: geeft informatie over de softwareversie die geïnstalleerd is. AFSLUITEN: hiermee wordt het programma direct afgesloten 51

52 CONFIGUREREN Voordat de software kan worden gebruikt, moeten enkele gegevens worden ingevoerd die voor een juiste werking vereist zijn: MOGELIJKE OPDRACHTEN Hier selecteert u de seriële poort van de pc waarop de SIMPLEHOME/RS232-interface is aangesloten (*) Voer de naam in die bij het starten van het programma moet worden ingevoerd om toegang tot het programma te krijgen Voer het wachtwoord in dat bij het starten van het programma moet worden ingevoerd om toegang tot het programma te krijgen Voer het modulebereik in dat standaard wordt opgegeven bij de functie MODULES ZOEKEN en AFDRUKKEN Ingestelde configuratie opslaan Hiermee verlaat u de functie CONFIGUREREN en keert u terug naar het hoofdscherm (*) Indien er een USB/RS232-adapter wordt gebruikt, voert u als seriële poort de poort in die wordt aangegeven door de software die bij dit apparaat hoort. 52

53 NIEUW SYSTEEM Nadat u op de opdracht hebt geklikt, verschijnt het volgende scherm: Alle velden moeten worden ingevuld voordat u kunt doorgaan (deze zijn vereist om het nieuwe systeem op een later moment op een uniforme en traceerbare wijze op te slaan). Als alle gegevens correct zijn ingevuld, klikt u op Creëren of op Afsluiten als u alles wilt annuleren en wilt terugkeren naar het hoofdscherm. Nadat de gegevens zijn bevestigd, verschijnt het structuurscherm (zie het hoofdstuk STRUCTUURSCHERM EN MODULES PROGRAMMEREN), waar u het systeem kunt configureren en later opnieuw kunt configureren. SYSTEEM OPENEN U kunt een eerder gemaakte configuratie altijd openen om deze aan te passen en in een ander systeem te gebruiken. Nadat u op deze opdracht hebt geklikt, verschijnt het volgende scherm: SYSTEEM OPENEN Zoek het gewenste bestand in de map en laad het bestand door erop te dubbelklikken of door het met één muisklik te selecteren en op Openen te klikken. Vervolgens verschijnt het structuurscherm met alle gegevens en de modules die eerder werden geconfigureerd. In dit scherm kunt u alles opnieuw programmeren volgens de instructies die gegeven zijn in het hoofdstuk STRUCTUURSCHERM EN MODULES PROGRAMMEREN. 53

54 DIGITALE EN ANALOGE MODULES TESTEN Als het systeem functioneert en via de SIMPLEHOME/RS232-interface met de pc communiceert, kunt u op deze opdracht klikken om het volgende venster te openen: MOGELIJKE OPDRACHTEN Hiermee selecteert u het serienummer van de module die getest moet worden Hiermee selecteert u de vorige of volgende module Hiermee begint het opvragen en testen van de geselecteerde module Hiermee wordt het testen van de geselecteerde module beëindigd Hiermee verlaat u de functie MODULES TESTEN en keert u terug naar het hoofdscherm Selecteer de module die moet worden opgevraagd en start de test. Vervolgens verschijnt in het onderste deel van het venster het model van het gekozen apparaat en, per moment, de status (actief/inactief) van de beschikbare ingangen en uitgangen. 54

55 SERIENUMMER PROGRAMMEREN MOGELIJKE OPDRACHTEN Hiermee selecteert u het huidige serienummer van de module die gewijzigd moet worden Hiermee selecteert u het nieuwe serienummer dat u aan de module wilt toewijzen Hiermee bevestigt u de toewijzing van het nieuwe serienummer aan de module Hiermee annuleert u de functie SERIENUMMER PROGRAMMEREN en keert u terug naar het hoofdscherm Met deze functie kunt u het serienummer wijzigen van een afzonderlijk apparaat zich in een systeem bevindt dat via de SIMPLEHOME/RS232-interface functioneert en met de pc communiceert, zonder dat het systeem hoeft te worden geblokkeerd of gedemonteerd. Een apparaat dat op deze wijze opnieuw is geprogrammeerd, behoudt de functie die eerder was ingesteld (ingangen, uitgangen en scenario's), maar krijgt alleen een nieuw serienummer. NB: deze functie kan worden toegepast wanneer de gebruiksfunctie van een module gewijzigd moet worden zonder elektrische aanpassing van het gerealiseerde systeem, zoals voor een lamp die niet meer via een bepaalde groep knoppen wordt bediend, maar via andere knoppen. 55

56 MODULES ZOEKEN Als het systeem functioneert en via de SIMPLEHOME/RS232-interface met de pc communiceert, kunt u deze functie gebruiken om een groep serienummers op te vragen en voor elk serienummer aan te geven of hieraan een module gekoppeld is en indien dat het geval is, de belangrijkste kenmerken (model, firmwareversie, ingangen en uitgangen) op te geven. MOGELIJKE OPDRACHTEN Hiermee selecteert u het serienummer van de module die getest moet worden Hiermee selecteert u de vorige of volgende module Hiermee begint het opvragen en testen van de geselecteerde module Hiermee wordt het testen van de geselecteerde module beëindigd Hiermee verlaat u de functie MODULES ZOEKEN en keert u terug naar het hoofdscherm 56

57 MODULES PROGRAMMEREN Wanneer de systeemmodules geconfigureerd zijn volgens de instructies die gegeven worden in het hoofdstuk STRUCTUURSCHERM EN MODULES PROGRAMMEREN en het systeem met de pc kan communiceren via de SIMPLEHOME/ RS232-interface, kunt u deze opdracht gebruiken om de programmering naar het systeem over te dragen. MOGELIJKE OPDRACHTEN Hiermee stuurt u de programmering naar het geïnstalleerde systeem Hiermee verlaat u de functie MODULES PROGRAMMEREN zonder overdracht en keert u terug naar het hoofdscherm Hiermee selecteert u het serienummer om het programmeren mee te starten Hiermee selecteert u het laatste serienummer voor de programmering NB: u kunt deze opdracht altijd gebruiken om een nieuwe programmering naar een reeds geconfigureerd systeem te sturen. In dat geval wordt de eerdere programmering overschreven door de programmering die wordt overgedragen. 57

58 MODULES OPVRAGEN Als het systeem functioneert en via de SIMPLEHOME/RS232-interface met de pc communiceert, kunt u deze functie gebruiken om de huidige configuratie die in het systeem aanwezig is te configureren, bijvoorbeeld om deze aan te passen en naar een ander SIMPLEHOME-systeem over te brengen. MOGELIJKE OPDRACHTEN Hiermee wordt de configuratie van het geïnstalleerde systeem geladen Hiermee verlaat u de functie MODULES PROGRAMMEREN zonder overdracht en keert u terug naar het hoofdscherm Hiermee selecteert u het serienummer om het aflezen mee te starten Hiermee selecteert u het laatste serienummer voor de aflezing 58

59 AFDRUKKEN Hiermee kunt u de huidige configuratie op de pc afdrukken. De printer die gebruikt wordt, is de printer die standaard is ingesteld in de map Printers van Windows. MOGELIJKE OPDRACHTEN Configuratie afdrukken Hiermee verlaat u de functie AFDRUKKEN en keert u terug naar het hoofdscherm Hiermee selecteert u het serienummer voor de afdruk Hiermee selecteert u het laatste serienummer voor het afdrukken 59

60 3.3 - STRUCTUURSCHERM EN MODULES PROGRAMMEREN MOGELIJKE OPDRACHTEN Configuratie opslaan Serienummer programmeren Configuratie afdrukken Het huidige venster verlaten en terugkeren naar het hoofdscherm 60

61 Via dit venster kunt u het SIMPLEHOME-systeem programmeren: Ga als volgt te werk om de eerste configuratie van het systeem uit te voeren: 1) Maak een buslijn gereed en sluit deze aan op de SIMPLEHOME/RS232-interface (aan één kant op de bus zelf en aan de andere kant op de pc). Verwijder vervolgens de busklemmen van alle modules zodat geen van de modules (behalve de voedingstransformatoren) aangesloten zijn wanneer u begint met programmeren. 2) Noteer op het label van elke module het serienummer: dit adres mag nooit nummer 1 zijn (bij de eerste voeding hebben alle modules het serienummer 1) en moet voor elk apparaat verschillen. 3) Ga als volgt te werk om te bepalen welke module moet worden geprogrammeerd en aan het structuurscherm toe te voegen: bepaal wat het type van het apparaat is (bijv. digitaal of analoog, aantal ingangen en uitgangen) en plaats de muisaanwijzer op het overeenkomstige object. klik vervolgens met de rechtermuisknop op Module toevoegen (in het onderstaande voorbeeld wordt de digitale inbouwmodule met 5 ingangen toegevoegd): 4) Zodra het volgende venster verschijnt, voert u in het veld Modulenummer het gewenste serienummer in (in ons geval) en een korte beschrijving hiervoor. Vervolgens bevestigt u door op de knop Toevoegen te klikken: NB: elke toegevoegde module kan altijd eenvoudig worden geannuleerd door met de rechtermuisknop op de module te klikken en Module verwijderen te selecteren. 5) Het scherm wordt nu bijgewerkt met het nieuwe apparaat en het serienummer wordt naast de beschrijving weergegeven: 6) Sluit het apparaat fysiek op de bus aan met behulp van de uittrekbare klem en klik vervolgens rechtsboven op de knop SERIENUMMER PROGRAMMEREN in het structuurscherm. 61

62 7) Voer in het volgende venster in het veld Huidig serienummer het cijfer 1 in en voer in het veld Nieuw serienummer het serienummer in dat u aan het apparaat wilt toekennen. Klik vervolgens op de knop Programmeren: 8) Keer terug naar het structuurscherm en klik opnieuw op het apparaat dat wordt geprogrammeerd. Nu kunnen de ingangen, uitgangen, scenario's en andere parameters worden geconfigureerd aan de hand van de instructies en de voorschriften die rechtstreeks door de software op het beeldscherm worden weergegeven (als deze niet verschijnen, klikt u op de knop Help). 9) Configureer de gewenste instellingen en keer terug naar het eerste scherm met de parameters van het apparaat (Algemene parameters, zie onderstaande afbeelding). Klik op Opslaan, vervolgens op Naar de module verzenden en ten slotte op Afsluiten. 10) Het apparaat heeft nu het juiste adres en is op de juiste wijze geprogrammeerd. Ga verder vanaf stap 3 voor alle overige apparaten die u wilt configureren. NB: deze procedure mag uitsluitend worden gebruikt wanneer het systeem de eerste keer wordt geconfigureerd of wanneer een nieuw apparaat wordt toegevoegd dat nog niet eerder is geprogrammeerd. Gebruik de hieronder beschreven procedure als u een reeds geprogrammeerd systeem of reeds geprogrammeerde apparaten opnieuw wilt configureren. 62

63 Ga als volgt te werk om de configuratie te wijzigen van een eerder opgeslagen systeem: 1) Als het systeem functioneert en via de SIMPLEHOME/RS232-interface op de pc is aangesloten, klikt u in het hoofdscherm op SYSTEEM OPENEN. 2) Het structuurscherm met de huidige programmering wordt weergegeven. Klik op de module die u opnieuw wilt programmeren en het configuratievenster van het apparaat wordt geopend. 3) Pas de gewenste instellingen aan en keer terug naar het eerste scherm met de parameters van het apparaat (Algemene parameters). Klik op Opslaan en vervolgens op Naar de module verzenden. Wacht tot de voortgangsbalk aangeeft dat de programmering voltooid is en klik op Afsluiten. NB: met deze procedure kunnen alle parameters van de module worden geprogrammeerd, behalve het serienummer; als u het serienummer wilt programmeren, moet u de opdracht SERIENUMMER PROGRAMMEREN gebruiken. Ga als volgt te werk om de configuratie te wijzigen van een systeem waarvan u het configuratiebestand niet in uw bezit hebt: 4) Als het systeem functioneert en via de SIMPLEHOME/RS232-interface op de pc is aangesloten, klikt u in het hoofdscherm op NIEUW SYSTEEM. 5) Er wordt een venster geopend waarin de gegevens van het systeem moeten worden ingevuld. Alle velden moeten worden ingevuld voordat u kunt doorgaan (deze zijn vereist om het nieuwe systeem op een later moment op een uniforme en traceerbare wijze op te slaan). Als alle gegevens correct zijn ingevuld, klikt u op Creëren of op Afsluiten als u alles wilt annuleren en wilt terugkeren naar het hoofdscherm. Nadat de gegevens zijn bevestigd, verschijnt het structuurscherm (zie het hoofdstuk STRUCTUURSCHERM EN MODULES PROGRAMMEREN). NB: de structuur wordt leeg weergegeven, zonder apparaten. 6) Klik op de knop Afsluiten om terug te keren naar het hoofdscherm. 7) Klik op de knop Modules opvragen. 8) Klik in het weergegeven venster op Modules opvragen. De configuratie van de apparaten die in het systeem aanwezig zijn, wordt in de software geladen en de voortgang van dit proces wordt weergegeven met een voortgangsbalk. De configuratie van de apparaten die in het systeem aanwezig zijn, wordt geannuleerd. 9) Zodra het lezen van de configuraties voltooid is, klikt u op de knop SYSTEEM OPENEN. Selecteer de naam van het systeem dat eerder was gemaakt en klik op Openen. 10) Vervolgens verschijnt het structuurscherm waarin de huidige programmering wordt weergegeven. In dit venster kunt u doorgaan met het aanpassen van de configuratie en het programmeren van de apparaten zoals vermeld in de paragraaf STRUCTUURSCHERM EN MODULES PROGRAMMEREN. NB: met deze procedure kunnen alle parameters van de module worden geprogrammeerd, behalve het serienummer; als u het serienummer wilt programmeren, moet u de opdracht SERIENUMMER PROGRAMMEREN gebruiken. 63

64 3.4 - MODULES PROGRAMMEREN Hieronder worden voor elk type module dat geconfigureerd moet worden de instellingen en functies vermeld die geprogrammeerd kunnen worden. Digitale modules ALGEMENE PARAMETERS MODULE ADRES: het adres van de module of het serienummer toegewezen door SimpleProg. Het serienummer wordt toegewezen met behulp van de functie 'Serienummer programmeren' van de software. OMSCHRIJVING: een omschrijving van de module waar het installatiepunt kan worden ingevoerd en de functie van die module. Hoe nauwkeuriger de omschrijving, des te makkelijker het is om de module in de toekomst terug te kunnen vinden. Bijvoorbeeld: 'Mod5 503 ingang badkamer BG', 'Mod34 elektr.kast souterrain VERLICHTING' of 'Mod35 Q.E. BG rolluiken'. VERSIE FIRMWARE: de firmwareversie van de module. Als de module nog nooit is uitgelezen, blijft deze waarde op 1 ingesteld. De waarde 1 is geen firmwareversie. Om deze waarde te vervangen door de werkelijke firmwareversie van de module, wordt aangeraden de module uit te lezen zodra deze aan het systeem is toegevoegd (dus voordat de programmeringsparameters worden geconfigureerd). De firmwareversie van de module wordt ook weergegeven op de pagina 'Modules zoeken'. VERTRAGING SCENARIO: met deze parameter kan een vertragingstijd worden ingesteld voor de uitvoering van de 8 opdrachten van de scenario-ingang. Deze waarde verandert alleen de uitvoeringstijd van de opdrachten die door de scenario-ingang worden uitgevoerd. Als u bijvoorbeeld voor de scenario-ingang een eerste opdracht instelt om een rolluik te laten zakken en een tweede opdracht om een lamp uit te schakelen, kunt u met deze tijd de uitvoering van de tweede opdracht uitstellen. Als u 3000ms instelt, gaat het rolluik direct omlaag zodra op de knop wordt gedrukt en gaat de lamp pas na 3 seconden uit. VERTRAGING MODULE: de vertraging tussen de ontvangst van een zone-opdracht en de omschakeling van de uitgangen nadat een zone-opdracht is ontvangen. Deze instelling kan worden gebruikt om de uitvoering van opdrachten te vertragen en zo de uitvoering voor verschillende modules te differentiëren, om te voorkomen dat er veel data over de bus worden gegenereerd. Als er bijvoorbeeld een opdracht naar een module wordt gestuurd om alle uitgangen te deactiveren met een zone-opdracht en een 64

65 vertraging van 2 seconden is ingesteld, worden de uitgangen 2 seconden na ontvangst van de opdracht gedeactiveerd. VERTRAGING OUTPUT: de vertraging tussen de activering van twee uitgangen indien er een zone-opdracht wordt ontvangen voor aansturing van meerdere uitgangen die tot dezelfde module behoren. Als er bijvoorbeeld een opdracht naar een module wordt gestuurd om alle uitgangen te deactiveren met een zone-opdracht en een vertraging van 2 seconden is ingesteld, wordt eerst de eerste uitgangen gedeactiveerd, na 2 seconden de tweede en zo verder. INDRUKTIJD KNOPPEN: de tijd dat de ingang gesloten moet blijven om de opdracht te verzenden. Deze vertraging geldt voor alle ingangen van de module. Als u bijvoorbeeld wilt dat de drukknop de gewenste functie pas uitvoert nadat de knop minimaal 4 seconden ingedrukt is gehouden, stelt u deze tijd in op 4s. VERTRAGING WERKING JALOEZIEËN: de tijd waarmee onderscheid wordt gemaakt tussen een opdracht voor bediening van de lamellen van de jaloezieën en een opdracht om de jaloezieën volledig te openen of te sluiten. Als er bijvoorbeeld een vertraging van 1,5 seconde is ingesteld, kunt u de bedieningsknop van de jaloezieën korter indrukken om het openen of sluiten van de lamellen in kleine stappen te regelen. Als de knop langer dan 1,5 seconde wordt ingedrukt, wordt er een opdracht voor het compleet omhoog of omlaag brengen van de jaloezie verzonden. BEVOEGD TOT RETRY BERICHT: deze optie kan worden ingesteld om ervoor te zorgen dat de opdracht opnieuw wordt verzonden als de aangestuurde module niet reageert. In normale omstandigheden volstaat één opdracht om de uitgang te regelen. Als het bericht echter niet door de module wordt ontvangen en de module die de opdracht verstuurt dus geen feedback van de uitgevoerde opdracht ontvangt, wordt de opdracht opnieuw verzonden (maximaal 3 pogingen). Het is raadzaam om deze optie altijd geactiveerd te houden, voor meer zekerheid over de verzonden opdrachten. STAAT RETRY VAN ZONE TOE: met deze optie kan er een nieuwe verzendpoging gedaan wanneer er een zone-opdracht wordt verzonden. Voor het opnieuw verzenden van zone-opdrachten kan een interval van maximaal 12 seconden worden ingesteld. De zone-opdracht krijgt geen statusantwoord omdat het niet mogelijk is de status van meerdere uitgangen vast te stellen. Het is raadzaam om deze optie geactiveerd te houden als binnen het systeem zone-opdrachten worden gebruikt. STAAT BROADCAST VAN ZONE TOE: met deze optie kan de status van uitgangen die geactiveerd zijn door middel van een zone-opdracht die door de module is ontvangen, over de bus worden verzonden. Het is raadzaam om deze optie te activeren als er in het systeem zone-opdrachten zijn geprogrammeerd en er bedieningsunits (zoals Planux Manager of Serial Bridge) aanwezig zijn. Deze nieuwe verzendpoging die wordt uitgevoerd door de module die de opdracht ontvangt, kan nodig zijn om de status van de uitgangen van de bedieningsunits bij te werken. DIGITALE INGANGEN OMSCHRIJVING INPUT: voer een omschrijving in van het type opdracht dat voor de ingang is ingesteld. BESTEMMING OPDRACHT MODULE + UITGANG: de functie 'Module + uitgang' wordt gebruikt om vanaf een digitale ingang één of meer uitgangen van een module aan te sturen. Als u deze optie selecteert, moet u het nummer van de module en het nummer van de uitgang(en) die u wilt aansturen invoeren. Deze instelling wordt ook gebruikt voor het aansturen van een analoge uitgang van een module die op een dimmermodule is aangesloten. Ook in dat geval moet het adres van de module en het nummer van de uitgang (1 of 2) worden ingevoerd. ZONE: met deze functie kunnen meerdere uitgangen op verschillende modules worden aangestuurd. Deze instelling wordt gebruikt om een opdracht te geven om bijvoorbeeld alle lampen van een woning uit te schakelen of alle rolluiken te laten zakken. Hiervoor moeten op de pagina voor het instellen van de uitgangen, de uitgangen aan dezelfde zone of groep worden toegewezen. 65

66 Als u bijvoorbeeld alle lampen wilt aansturen, moet aan alle uitgangen die met de lampen zijn verbonden een zone worden toegewezen (bijvoorbeeld ZONE 5) en moet vervolgens in het veld 'Bestemming opdracht' een ingang worden ingesteld als 'Zone' door zonenummer 5 in te voeren. ZONE: met deze functie kunnen meerdere uitgangen op verschillende modules worden aangestuurd. Deze instelling wordt gebruikt om een opdracht te geven om bijvoorbeeld alle lampen van een woning uit te schakelen of alle rolluiken te laten zakken. Hiervoor moeten op de pagina voor het instellen van de uitgangen, de uitgangen aan dezelfde zone of groep worden toegewezen. Als u bijvoorbeeld alle lampen wilt aansturen, moet aan alle uitgangen die met de lampen zijn verbonden een zone worden toegewezen (bijvoorbeeld ZONE 5) en moet vervolgens in het veld 'Bestemming opdracht' een ingang worden ingesteld als 'Zone' door zonenummer 5 in te voeren. BEDIENINGSUNIT: met de functie 'Bedieningsunit' kunt u een opdracht direct naar de bedieningsunits van het systeem versturen, bijvoorbeeld Planux Manager, Serial Bridge of Minitouch. Deze opdracht kan door de bedieningsunits worden gebruikt om opdrachten te activeren die in het geheugen van de units zijn opgeslagen, of om de status van de ingang te gebruiken om logica of andere functies te regelen. Als u bijvoorbeeld een drukknop wilt gebruiken om een scenario te activeren dat in de bedieningsunit Planux Manager of Minitouch is opgeslagen, moet de ingang op deze wijze worden ingesteld. Dezelfde instelling moet worden gebruikt als u de status van een ingang wilt gebruiken voor een logische functie of koppeling die op een Serial Bridge aanwezig is. TYPE BERICHT NORMAAL: de module stuurt een opdracht naar de geadresseerde om de uitgang aan te sturen met de functie waarvoor deze geprogrammeerd is. Als er bijvoorbeeld een normale opdracht naar een uitgang met tijdschakeling wordt verzonden, activeert deze uitgang gedurende de ingestelde tijd. Als er een normale opdracht wordt verzonden naar een uitgang die ingesteld is als teleruptor, wordt de status van de uitgang omgekeerd. SET: de module verstuurt de opdracht 'Geforceerd ON', waarna de uitgang onafhankelijk van de programmering activeert en actief blijft tot een nieuwe opdracht wordt ontvangen. De opdracht SET heeft geen invloed op uitgangen die ingesteld zijn als 'Rolluik'. Als u bijvoorbeeld een opdracht voor het aanzetten van een groep lampen wilt verzenden, moet het opdrachttype SET worden ingesteld om lampen die uit zijn in te schakelen en lampen die al aan waren ingeschakeld te laten. Als een SET-opdracht wordt verzonden naar een uitgang die ingesteld is met een tijdschakeling, activeert de uitgang en blijft deze geactiveerd tot er een nieuwe opdracht wordt ontvangen. RESET: de module verstuurt de opdracht 'Geforceerd OFF', waarna de uitgang onafhankelijk van de programmering wordt gedeactiveerd en inactief blijft tot er een nieuwe opdracht wordt ontvangen. Als de opdracht RESET naar een uitgang wordt verzonden die geprogrammeerd is als 'Rolluik', activeert het relais niet en zal het bijbehorende rolluik niet in beweging komen. Als u bijvoorbeeld een opdracht voor het uitzetten van een groep lampen wilt verzenden, moet het opdrachttype RESET worden ingesteld om lampen die aan zijn uit te schakelen en lampen die al uit waren uitgeschakeld te laten. ALARM: deze opdracht wordt gebruikt om een opdracht voor het deactiveren van een uitgang met elektromagnetische klep met voorrang te verzenden boven de opdracht die afkomstig is van thermostaten, temperatuursensoren of Minitouch-units. Deze opdracht wordt uitsluitend gebruikt om een klimaatzone te deactiveren wanneer er een venster wordt geopend, om te voorkomen dat de verwarming of koeling zonder reden in werking worden gezet. SLEUTELKAARTLEZER: deze opdracht wordt gebruikt om een uitgang te activeren die geconfigureerd is als 'Randapparatuur kamer'. Wanneer de ingang geopend is en de voor de uitgang ingestelde tijd is verstreken, gaat de uitgang weer open. U kunt bijvoorbeeld de sleutelkaartlezer van een hotelkamer aan een ingang koppelen die geconfigureerd is als 'Sleutelkaartlezer'. Wanneer men dan de kamer binnengaat en de sleutelkaart invoert, wordt de uitgang die ingesteld is als 'Randapparatuur kamer' geactiveerd en wordt vervolgens de netvoeding van de kamer ingeschakeld. Wanneer men de kamer verlaat en de sleutelkaart verwijderd is, schakelt de timer in zodat er voldoende tijd is om de kamer te verlaten. Zodra deze tijd is verstreken, wordt de uitgang voor de netvoeding gedeactiveerd. 66

67 DIGITALE UITGANGEN MONOSTABIEL: stel deze optie in als de uitgang moet worden geactiveerd zodra de ingang sluit en moet worden gedeactiveerd zodra de ingang opent. Telkens wanneer de ingang opent of sluit, wordt er een SET- of RESET-opdracht verzonden. Deze functie kan worden gebruikt voor uitgangen waaraan aan geluidssignaal gekoppeld is, zoals een trekschakelaar of een deurbel. Als er twee of meer ingangen worden ingesteld om dezelfde uitgang aan te sturen, wordt de uitgang geactiveerd zodra een van de ingangen sluit en wordt de uitgang gedeactiveerd zodra een van de uitgangen opent. Dit betekent dat als beide ingangen gesloten zijn en de uitgang actief is, de uitgang ook bij het openen van een ingang gedeactiveerd wordt wanneer de tweede ingang gesloten is. De laatste opdracht die verzonden is wordt in aanmerking genomen, zonder de status van de overige ingangen te analyseren. Bij elke activering van de ingang wordt een SET-opdracht naar de ingestelde uitgang verzonden, terwijl bij elke deactivering een RESET-opdracht wordt verzonden. OMVORMER: stel deze functie in als u de uitgang wilt omschakelen bij elke wijziging van een van de ingangen die voor aansturing van deze uitgang zijn geprogrammeerd. Deze optie kan worden gebruikt om opdrachten uit te voeren van bijvoorbeeld schakelaars, inverters of omvormers. Als er twee schakelaars op twee verschillende ingangen worden aangesloten, wordt de uitgang telkens omgeschakeld wanneer een van de twee schakelaars omschakelt. Stel dat er 2 schakelaars geopend zijn en de uitgang gedeactiveerd is. Wanneer de eerste schakelaar die op ingang 1 is aangesloten sluit, wordt de uitgang geactiveerd. Wanneer de tweede schakelaar sluit, wordt de uitgang gedeactiveerd en zo verder bij elke wijziging van een van de ingangen. Bij elke omschakeling van de ingang wordt er een NORMAALopdracht naar de geconfigureerde uitgang verzonden. TELERUPTOR: stel deze functie in om de uitgang om te schakelen met een impuls van de geconfigureerde ingang. Deze functie kan worden gebruikt om de uitgang aan te sturen met behulp van traditionele drukknoppen die aangesloten zijn op de digitale ingang. Telkens wanneer de knop wordt ingedrukt en weer wordt losgelaten, wisselt de uitgang van status. De opdracht wordt verstuurd zodra op de wordt gedrukt. Wanneer de knop wordt losgelaten, wordt er geen opdracht uitgevoerd. Als er bijvoorbeeld twee drukknoppen worden gebruikt om één uitgang aan te sturen die is ingesteld als teleruptor, gedraagt deze zich als volgt: wanneer op de eerste knop wordt gedrukt, activeert de uitgang en wanneer op de tweede knop wordt gedrukt, wordt de uitgang gedeactiveerd. Als de eerste knop ingedrukt wordt gehouden, activeert de uitgang. Als de eerste knop ingedrukt blijft en vervolgens de tweede knop wordt ingedrukt, wordt de uitgang gedeactiveerd. ROLLUIK: met deze optie kan een rolluik of automatisering met dubbele uitgang (openen en sluiten) worden aangestuurd. Als uitgang 1 als rolluik wordt geselecteerd, wordt automatisch ook de tweede uitgang als rolluik ingesteld. Er moeten namelijk altijd twee uitgangen worden gebruikt om één rolluik aan te sturen. Bovendien wordt met deze functie een interlock tussen de twee uitgangen gerealiseerd, om te voorkomen dat de uitgangen voor omhoog en omlaag brengen tegelijk worden geactiveerd. Wanneer de uitgangen worden ingesteld als ROLLUIK, moet er een tijd in seconden worden ingevoerd. Deze tijd komt ongeveer overeen met de tijd voor het omhoog en omlaag brengen van het rolluik. Het wordt aangeraden een iets langere tijd in te voeren dan die werkelijk nodig is om het rolluik te openen of te sluiten, omdat de mechanische vergrendeling van het rolluik moet plaatsvinden door de mechanische eindaanslag van de motor en niet doordat de uitgang op de module wordt geactiveerd. Als voor de tijd de waarde 0 wordt aangehouden, worden de uitgangen 0,5 seconde geactiveerd. Het rolluik moet altijd met twee bedieningsknoppen worden aangestuurd: één knop voor omhoog en één voor omlaag. Als de knop voor omlaag wordt ingedrukt terwijl het rolluik omhoog staat, gaat het rolluik omlaag gedurende de geprogrammeerde tijd. Als u het rolluik op een willekeurig punt wilt laten stoppen, kunt u de drukknop voor de tegengestelde richting gebruiken (dus als het rolluik omlaag gaat, kunt u op de knop voor openen drukken). Wanneer het rolluik gesloten is kan de knop voor openen of sluiten opnieuw worden ingedrukt om het rolluik weer in beweging te zetten. Telkens wanneer het rolluik wordt geactiveerd (op welk punt dan ook), start de timer opnieuw. De opdrachten die gestuurd worden naar uitgangen die geconfigureerd zijn als ROLLUIK moeten van het type NORMAAL zijn als de opdracht wordt verzonden naar een van de twee uitgangen voor aansturing van het openen of sluiten, of RESET als het rolluik moet worden gestopt. Bij een uitgang die geconfigureerd is als ROLLUIK worden SET-opdrachten door de module niet in aanmerking genomen. 67

68 MET TIJDPROGRAMMERING: deze optie wordt gebruikt voor het aansluiten van tijdgeschakelde activeringen zoals trapverlichting, de uitgangen voor de kleppen van een tuinberegeningssysteem of een automatische lam Wanneer op een knop wordt gedrukt die geconfigureerd is voor aansturing van een tijdgeschakelde uitgang, wordt de uitgang geactiveerd en wanneer de tijd verstreken is wordt de uitgang gedeactiveerd. Het is niet mogelijk om de werking van de uitgang om te keren of de uitgang te activeren met een vertragingstijd. Als de uitgang wordt ingesteld als TIJDPROGRAMMERING, moet er een activeringstijd in seconden worden ingevoerd. Als er een tijd van 0 seconden wordt ingevoerd, wordt de uitgang gedurende 0,5 seconde geactiveerd. Dit kan bijvoorbeeld van pas komen voor het activeren van een elektronische vergrendeling van een hek. Om een tijdgeschakelde uitgang te activeren en ervoor te zorgen dat de uitgang na de geprogrammeerde tijd uitgaat, moet de digitale ingang die voor de aansturing geconfigureerd is een opdracht van het type NORMAAL verzenden. Als er een RESET-opdracht wordt verzonden, wordt de uitgang gedeactiveerd ongeacht de status waarin deze zich op dat moment bevindt. Als er een SET-opdracht wordt verzonden, wordt de uitgang na de tijdprogrammering gedeactiveerd. Als er een tijd van 0 seconden wordt ingesteld, wordt de uitgang gedurende 0,5 seconde geactiveerd. STATUSWEERGAVE: met deze optie kan een uitgang worden geconfigureerd om de status van een tweede uitgang op een andere module te volgen. Deze instelling wordt uitsluitend gebruikt voor lampjes op drukknoppen, om de status aan te geven van een lamp die zich in een andere ruimte bevindt en op een tweede module is aangesloten. Deze instelling kan worden gebruikt om een OR-functie te realiseren tussen uitgangen die als gevolg van de status een uitgang op een andere module moeten activeren. Dit kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor een verwarmingsinstallatie met zones waar 5 zonekleppen op dezelfde module zijn aangesloten (bijvoorbeeld module 10, uitgangen 1,2,3,4,5) en een uitgang die de verwarmingsketel aanstuurt die is aangesloten op module 11 uitgang 4. De uitgang van de verwarmingsketel moet worden geactiveerd wanneer één van de 5 uitgangen van de kleppen wordt geactiveerd, en moet worden gedeactiveerd wanneer alle 5 uitgangen inactief zijn. In deze situatie moet uitgang 4 van module 11 worden geconfigureerd als STATUSWEERGAVE. Om in te stellen welke uitgangen moeten worden gevolgd, moet de betreffende ingang worden ingesteld alsof deze de uitgangen aanstuurt. Ingang 4 van module 11 moet dus worden ingesteld als MODULE+UITGANG, modulenummer 10, UITGANGEN 1,2,3,4,5. Op deze manier wordt de uitgang van de verwarmingsketel geconfigureerd om de status van de 5 uitgangen van de zonekleppen te volgen. Voor het instellen van deze functionaliteit moeten alle uitgangen van de kleppen zich op dezelfde module bevinden en moet de uitgang van de verwarmingsketel zich op een andere module bevinden. Bij digitale modules met firmware 5.6 of lager kan deze OR-functie voor max. 7 uitgangen op één module worden gerealiseerd. Vanaf versie 5.8 kan deze functionaliteit op alle 8 uitgangen van een digitale module worden gerealiseerd. ELEKTROMAGNETISCHE KLEP: de functie 'elektromagnetische klep' maakt het mogelijk om een elektromagnetische klep van een temperatuurregelsysteem aan te sluiten en ervoor te zorgen dat de uitgang wordt gedeactiveerd wanneer een digitale ingang die geconfigureerd is als ALARM (bijvoorbeeld wanneer er een magneetcontact op een venster is geïnstalleerd) opengaat en wordt geactiveerd wanneer de ingang weer sluit. Daarnaast is het mogelijk om een tijd in te stellen vanaf het moment dat de ingang weer wordt gesloten tot het moment dat de uitgang wordt geactiveerd. Deze functie kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor een hotelkamer. Als er op een venster een magneetcontact geplaatst is dat op een digitale ingang van een module is aangesloten en geconfigureerd is als ALARM, wordt de uitgang die bij de configuratie is ingesteld als ELEKTROMAGNETISCHE KLEP gedeactiveerd wanneer deze ingang opengaat. Zodra het magneetcontact weer gesloten is en de tijd die is ingesteld voor de uitgang ELEKTROMAGNETISCHE KLEP is verstreken, wordt de uitgang weer geactiveerd. Voor deze functionaliteit moeten de uitgang ELEKTROMAGNETISCHE KLEP en de ingang van het type ALARM zich op dezelfde digitale module bevinden. Uitgangen met de functie ELEKTROMAGNETISCHE KLEP worden niet weergegeven in de configuratie van de bedieningsunits Planux Manager en Minitouch, omdat voor het aansturen en regelen van het temperatuursysteem er thermostaten of temperatuursensoren worden aangestuurd die op hun beurt weer de betreffende geconfigureerde uitgangen aansturen. Als een ingang die geconfigureerd is als alarm geopend wordt, gaat de uitgang met de functie elektromagnetische klep ook open. Als de ingang geopend blijft, kan de bijbehorende uitgang niet op een andere wijze worden gebruikt, ook niet wanneer deze opnieuw wordt geprogrammeerd. Hiervoor moet een ingang opnieuw worden geconfigureerd als alarm dat de uitgang aanstuurt en vervolgens moet de ingang worden geopend en gesloten. RANDAPPARATUUR KAMER: de functie RANDAPPARATUUR KAMER wordt uitsluitend gebruikt om kamerservices (zoals elektrische inschakelingen en gestuurde stopcontacten) van netvoeding te voorzien zodra de gebruiker binnenkomt en zijn sleutelkaart in een sleutelkaartlezer invoert, en om de netvoeding te onderbreken wanneer de sleutelkaart wordt verwijderd (de services worden pas uitgeschakeld zodra de tijd voor het verlaten van de kamer is verstreken). Deze functie wordt geactiveerd zodra een digitale ingang sluit die op dezelfde module aanwezig is en geconfigureerd is om de uitgang RANDAPPARATUUR KAMER aan te sturen met de opdracht SLEUTELKAARTLEZER. Met deze configuratie wordt de uitgang geactiveerd zodra de ingang SLEUTELKAARTLEZER die aan deze uitgang gekoppeld is sluit en gaat de uitgang weer open zodra ingang weer open is en de tijd die is ingesteld voor de uitgang RANDAPPARATUUR KAMER is verstreken. Deze tijd geeft de gebruiker de kans de kamer te verlaten nadat hij de kaart uit de sleutelkaartlezer heeft verwijderd en de ingang dus geopend is. JALOEZIE: deze optie kan worden gebruikt voor het aansturen van een jaloezie met dubbele uitgang (openen en sluiten), met de mogelijkheid om de lamellen in verschillende standen te zetten met behulp van stapsgewijze activering van de twee uitgangen. Als uitgang 1 als jaloezie wordt ingesteld, wordt automatisch ook de uitgang 2 als jaloezie ingesteld. Er moeten namelijk altijd twee uitgangen voor de aansturing worden gebruikt. Bovendien wordt met deze functie een interlock tussen de twee uitgangen gerealiseerd, om te voorkomen dat het omhoog en omlaag brengen tegelijk wordt geactiveerd. Als de uitgangen worden ingesteld als JALOEZIE moet er op de pagina met algemene parameters een VERTRAGING JALOEZIEFUNCTIE worden ingevoerd die de vertragingstijd aangeeft voor het beheer van de pulsen van de lamellen of het openen of sluiten van de jaloezie. Standaard is deze tijd ingesteld op 1,5 seconde. Als de knop voor het openen dus korter dan 1,5 seconde wordt ingedrukt, wordt de pulsregelfunctie voor de jaloezie gebruikt waarmee de lamellen zolang de knop is ingedrukt stapsgewijs worden geopend. Als de knop langer dan 1,5 seconde wordt ingedrukt, wordt de jaloezie volledig geopend 68

69 gedurende de tijd die voor de uitgang is ingesteld. De tijd die voor de uitgang is ingesteld komt ongeveer overeen met de tijd voor het omhoog en omlaag brengen van de jaloezie. Het wordt aangeraden een iets langere tijd in te voeren dan die werkelijk nodig is om de jaloezie te openen of te sluiten, omdat de mechanische vergrendeling van de jaloezie moet plaatsvinden door de mechanische eindaanslag van de motor en niet doordat de uitgang op de module wordt geactiveerd. Als voor de tijd de waarde 0 wordt aangehouden, worden de uitgangen 0,5 seconde geactiveerd. De jaloezie kan worden aangestuurd met een bedieningsunit of met twee bedieningsknoppen (één knop voor omhoog en één voor omlaag). Als u de jaloezie op een willekeurig punt wilt laten stoppen, kunt u de drukknop voor de tegengestelde richting gebruiken (dus als de jaloezie omlaag gaat, kunt u op de knop voor openen drukken). Wanneer de jaloezie gesloten is kan de knop voor openen of sluiten opnieuw worden ingedrukt om de jaloezie weer in beweging te zetten. Telkens wanneer de jaloezie wordt geactiveerd (op welk punt dan ook), start de timer opnieuw. De opdrachten die gestuurd worden naar uitgangen die geconfigureerd zijn als JALOEZIE moeten van het type NORMAAL zijn als de opdracht wordt verzonden naar een van de twee uitgangen voor aansturing van het openen of sluiten, of RESET als de jaloezie moet worden gestopt. Bij een uitgang die geconfigureerd is als JALOEZIE worden SET-opdrachten door de module niet in aanmerking genomen. SCENARIO-INGANG Met de scenario-ingang (aanwezig op alle modules met digitale ingangen) kunnen 8 verschillende opdrachten over de bus worden verzonden. Dit is bijvoorbeeld nuttig als u alle lampen in de woning wilt uitschakelen, alle rolluiken wilt laten zakken, of de gestuurde stopcontacten wilt deactiveren. In deze gevallen moeten er namelijk meerdere opdrachten over de bus worden verzonden en kan hiervoor de scenario-ingang worden gebruikt. Wanneer een knop die op de scenario-ingang is aangesloten wordt ingedrukt, worden de 8 opdrachten achtereenvolgens uitgevoerd. Hierbij kan de tijd tussen de verschillende opdrachten worden ingesteld (standaard 0,5 seconde). 69

70 Pulstellermodule INGANGEN OMSCHRIJVING INPUT: voer een omschrijving in van het apparaat dat op de ingang is aangesloten. FUNCTIE: stel 'Ingang teller' in als de pulstelleringang wordt gebruikt. PULSEN: voer het aantal pulsen in waarmee een toename van de getelde waarde wordt gegenereerd. VERHOGING: voer de waarde in die voor elke toename bij de telling moet worden opgeteld. Als op een ingang bijvoorbeeld een pulsgestuurde watermeter wordt aangesloten die elke 2 liter een puls genereert, moet in het veld 'Pulsen' de waarde 1 als toename worden ingevuld en 2 in het veld voor de getelde waarde. Dit betekent dat bij elke puls de getelde waarde toeneemt met 2 liter. 70

71 Analoge modules Analoge modules kunnen worden gebruikt om een signaal van 0 tot 10V te lezen en in te stellen, waardoor het mogelijk wordt om een waarde te verkrijgen met een eenheid die in de loop van de tijd kan worden geregeld en aangepast. Analoge ingangen worden alleen gebruikt voor het aansluiten van sensoren met uitgang 0-10V, zoals lichtsterktesensoren, vochtsensoren of temperatuursensoren. Het enige apparaat dat in het Comelit-systeem is ingebouwd en een signaal van 0-10V kan afgeven, is de temperatuursensor Wanneer de temperatuursensor op de analoge ingang wordt aangesloten, kan op de bedieningsunit de temperatuur in graden Celsius (gemeten door de sensor) worden gecontroleerd, weergegeven en ingesteld. Als er andere apparaten of temperatuursensoren worden gebruikt, kan de gemeten waarde niet op de bedieningsunits worden weergegeven en kunnen er geen interventiedrempels worden ingesteld of geregeld. Analoge uitgangen (bijvoorbeeld op de module) worden uitsluitend gebruikt voor het aansluiten van dimmers met 0-10V-ingang, om op die manier de lichtsterkte te kunnen regelen. Voor het gebruik als dimmer moet de 0-10V-uitgang worden ingesteld met de functie 'Dimmer'. De opdracht van een 0-10V-uitgang van de module (voor het regelen van bijvoorbeeld de dimmer) moet worden uitgevoerd door een bedieningsunit of door een digitale gemeenschappelijke ingang die geprogrammeerd is voor het aansturen van de module met de bijbehorende uitgang 1 of 2. Het is niet mogelijk om de twee uitgangen van de module tegelijkertijd aan te sturen voor het aanpassen van de lichtsterkte van één digitale ingang (dus door een knop). ALGEMENE PARAMETERS OMSCHRIJVING: een algemene omschrijving van de module waar het installatiepunt kan worden ingevoerd of de algemene functie van die module. MODULE ADRES: het adres van de module of het serienummer toegewezen door SimpleProg. Het serienummer wordt toegewezen met behulp van de functie 'Serienummer programmeren' van de software. VERSIE FIRMWARE: de firmwareversie van de module. Als de module nog nooit is uitgelezen, blijft deze waarde op 1 ingesteld. De waarde 1 is geen firmwareversie. Om deze waarde te vervangen door de werkelijke firmwareversie van de module, wordt aangeraden de module uit te lezen zodra deze aan het systeem is toegevoegd (dus voordat de programmeringsparameters worden geconfigureerd). De firmwareversie van de module wordt ook weergegeven op de pagina 'Modules zoeken'. VERTRAGING MODULE: de vertraging tussen de ontvangst van een zone-opdracht en de omschakeling van de uitgangen nadat een zone-opdracht is ontvangen. Deze instelling kan worden gebruikt om de uitvoering van opdrachten te vertragen en zo de uitvoering voor verschillende modules te differentiëren, om te voorkomen dat er veel data over de bus worden gegenereerd. Als er bijvoorbeeld een opdracht naar een module wordt gestuurd om alle uitgangen te deactiveren met een zone-opdracht en een vertraging van 2 seconden is ingesteld, worden de uitgangen 2 seconden na ontvangst van de opdracht gedeactiveerd. VERTRAGING OUTPUT: de vertraging tussen de activering van twee uitgangen indien er een zone-opdracht wordt ontvangen voor aansturing van meerdere uitgangen die tot dezelfde module behoren. Als er bijvoorbeeld een opdracht naar een module wordt gestuurd om alle uitgangen te deactiveren met een zone-opdracht en een vertraging van 2 seconden is ingesteld, wordt eerst de eerste uitgangen gedeactiveerd en na 2 seconden de tweede. 71

72 BEVOEGD TOT RETRY BERICHT: deze optie kan worden ingesteld om ervoor te zorgen dat de opdracht opnieuw wordt verzonden als de aangestuurde module niet reageert. In normale omstandigheden volstaat één opdracht om de uitgang te regelen. Als het bericht echter niet door de module wordt ontvangen en de module die de opdracht verstuurt dus geen feedback van de uitgevoerde opdracht ontvangt, wordt de opdracht opnieuw verzonden (maximaal 3 pogingen). Het is raadzaam om deze optie altijd geactiveerd te houden, voor meer zekerheid over de verzonden opdrachten. STAAT BROADCAST VAN ZONE TOE: met deze optie kan de status van uitgangen die geactiveerd zijn door middel van een zone-opdracht die door de module is ontvangen, over de bus worden verzonden. Het is raadzaam om deze optie te activeren als er in het systeem zone-opdrachten zijn geprogrammeerd en er bedieningsunits (zoals Planux Manager of Serial Bridge) aanwezig zijn. Deze nieuwe verzendpoging die wordt uitgevoerd door de module die de opdracht ontvangt, kan nodig zijn om de status van de uitgangen van de bedieningsunits bij te werken. INGANGEN PRECISIETHERMOSTAAT: met deze optie kan de temperatuur worden geregeld en weergegeven van de temperatuursensor die is aangesloten op module AUTOMATISCHE ACTIVERING OP BASIS VAN DREMPELWAARDEN: met deze optie kunnen er drempelwaarden (4 toenemend en 4 afnemend) voor de 0-10V-ingang worden ingesteld om een uitgang te activeren of deactiveren zodra de ingestelde drempelwaarde wordt overschreden. Deze optie kan bijvoorbeeld worden gebruikt om een uitgang te activeren zodra een 0-10V-schemersensor een bepaalde lichtsterkte bereikt. Hiermee wordt het mogelijk om 4 verschillende uitgangen te activeren zodra de waarde die gemeten wordt bij de 0-10V-ingang toeneemt, en dezelfde of andere uitgangen te deactiveren zodra het 0-10V-signaal afneemt. De waarde die gemeten wordt door de analoge ingang, wordt omgezet in een 8 bits-waarde tussen 0 en 255. Gemeten waarden die in 8-bits zijn omgezet, kunnen niet worden weergegeven op bedieningsunits. UITGANGEN OMSCHRIJVING UITGANG: voer een indicatieve omschrijving in van het apparaat dat op de betreffende uitgang is aangesloten. TYPE GEBRUIK: stel de gebruiksmodus in van de analoge 0-10V-uitgang. VAN ANALOGE INGANG: deze optie maakt het mogelijk om de 0-10V-uitgang van de module de waarde te laten volgen van de bijbehorende 0-10V-ingang op dezelfde module. Wanneer de waarde van de 0-10V-ingang verandert (bijvoorbeeld in 5V), wijzigt ook de uitgang tot de waarde 5V is bereikt. Als uitgang 2 van de module wordt ingesteld als 'Van analoge ingang', volgt de uitgang de status van ingang 2. VAN INGANG OP ANALOGE MODULE: net als de vorige optie kan deze optie worden gebruikt om de 0-10V-uitgang de status van een 0-10V-ingang te laten volgen. In dit geval hoeft de ingang zich niet op de module van de uitgang te bevinden, maar kan dit ook een andere module zijn (bijvoorbeeld een ingang van module ). Elke wijziging van de analoge ingang genereert eenzelfde wijziging van de uitgang. Het modulenummer en het nummer van de ingang van de module die moet worden weergegeven voor de opdracht van de uitgang, moet worden ingesteld in de velden 'Module' en 'Ingang' op dezelfde programmeringspagina. 72

73 DIMMER: de instelling die het meeste wordt gebruikt voor de 0-10V-uitgang is 'Dimmer'. Hiermee kan de 0-10V-uitgang namelijk worden aangesloten op een dimmer met 0-10V-ingang, voor het aansturen en regelen van een lichtbron (zoals een dimmer) desgewenst via een normale drukknop die op een digitale ingang van een module is aangesloten. Als de dimmermodus wordt ingesteld, moet er een waarde voor 'Start dimmer' worden ingesteld. De waarde 'Start dimmer' kan worden ingesteld tussen 0 en 255 en correspondeert met de waarde van de 0-10V-uitgang in 8-bits. Hiermee is het mogelijk om een minimumwaarde voor de 0-10V-uitgang in te stellen, een drempel waaronder de uitgang nooit mag komen. Deze optie kan worden gebruikt om de regeling laag te houden en een meer continue regeling van de uitgang (de lamp) te realiseren, zonder 'dode' momenten dat de lamp uitgaat. ZONE: stel het nummer in van de zone waaraan u een analoge uitgang wilt koppelen. Alle uitgangen die aan dezelfde zone zijn gekoppeld, worden met dezelfde opdracht aangestuurd. Deze opdracht kan worden gebruikt om alle lampen met één drukknop uit te kunnen zetten. Hiervoor worden alle lampen die tegelijkertijd door één drukknop moeten worden aangestuurd, ingesteld met hetzelfde zonenummer. Deze actie kan ook worden ingesteld met behulp van een scenario dat geprogrammeerd is op een bedieningsunit (zoals Planux Manager of Minitouch), dat met één druk op de knop wordt geactiveerd en moet worden ingesteld als 'Bedieningsunit'. 73

74 Beheer van de klimaatregeling KLIMAATZONES SONDE , thermostaat Minitouch. OMSCHRIJVING THERMOSTAAT: voer een omschrijving van de klimaatzone in die op de bedieningsunit wordt weergegeven. WINTER/ZOMER OUTPUT STATUS: dit veld bevat het nummer van de module en het nummer van de uitgang die bestuurd moet worden om de klimaatzone automatisch naar de winter- of zomermodus over te schakelen. Als de uitgang inactief is, is de werkingsmodus 'Winter'. Als de uitgang geactiveerd wordt, wordt de modus 'Zomer' ingesteld. Deze uitgang kan worden gebruikt om alle klimaatzones automatisch op de zomer- of wintermodus in te stellen, op basis van de statuswijzigingen van de ingestelde uitgang. De ingevoerde uitgang kan bijvoorbeeld worden aangestuurd door een schakelaar die op een digitale ingang of een bedieningsunit is aangesloten. ZONE VOOR INSTELLING DAG/NACHT/LEEG: u kunt aan een van de drie drempelwaarden voor Dag, Nacht of Leeg een zonenummer toewijzen. Op deze manier kan voor alle thermostaten of Minitouch-units in het systeem dezelfde drempelwaarde worden ingesteld, bijvoorbeeld door een digitale ingang te sluiten. 74

75 ZONE VOOR INSTELLING WINTER/ZOMER: u kunt aan een van de twee werkingsmodi 'Zomer' of 'Winter' een zonenummer toewijzen. Op deze manier kan voor alle thermostaten of Minitouch-units in het systeem dezelfde modus worden ingesteld, bijvoorbeeld door een digitale ingang te sluiten. INTERVAL: geeft de tijd in seconden aan voor het versturen van op de Minitouch ingestelde setpoints en temperatuurinstellingen over de bus. Deze verzendingen dienen om de bedieningsunits bij te werken met de status van de Minitouch (bijvoorbeeld ten aanzien van de afgelezen temperatuur). Het is raadzaam om deze waarde op de standaardwaarde (5 minuten) ingesteld te laten. HYSTERESE: geeft de interval aan voor activering van de thermostaatuitgang, in tienden van een graad. Als deze bijvoorbeeld is ingesteld op 4 tienden van een graad (standaardwaarde) en de thermostaat in de modus Winter/Dag is ingesteld op 20 C, activeert deze het relais totdat 20 C bereikt is. Nadat de thermostaat is uitgeschakeld wordt deze weer actief zodra de temperatuur onder 19,6 C komt (dus 20 C 0,4 C). In de zomermodus is de werking omgekeerd: wanneer een setpoint van 20 C is ingesteld, koelt de thermostaat af tot 20 C wordt bereikt. Nadat de thermostaat is uitgeschakeld gaat deze weer aan zodra de temperatuur boven 20,4 C komt. CORRECTIE: met deze waarde (in tienden van een graad) kan de meting van de interne temperatuursensor worden geregeld indien het systeem onder speciale omstandigheden werkt (bijvoorbeeld in de buurt van een luchtstroom) of bij installatie op zeer koude inbouwdozen. Als de in de Minitouch geïntegreerde sensor bijvoorbeeld een temperatuur van 18,8 C meet terwijl de juiste omgevingstemperatuur 19,0 C is, kan deze waarde worden ingesteld op 2. Op deze manier is de weergegeven temperatuurwaarde altijd 0,2 C hoger dan de temperatuur die door de sonde wordt gemeten. DELTA 1-2 SNELHEID EN DELTA 1-3 SNELHEID: deze waarden (in tienden van een graad) geven het temperatuurverschil aan ten opzichte van het ingestelde setpoint, voor activering van snelheid 2 of snelheid 3 in de fancoil-modus. Als een thermoconvector met 3 snelheden wordt gebruikt, kunnen deze 3 snelheden worden geregeld op basis van de ingestelde en gemeten temperatuur. Als bijvoorbeeld een temperatuur van 22 C is ingesteld met de standaardwaarden 10 en 20, wordt de thermoconvector geactiveerd op snelheid 1 als de temperatuur die in de ruimte wordt gemeten tussen 22 C en 21 C ligt. Als de temperatuur tussen 21 C en 20 C ligt, wordt snelheid 2 geactiveerd en als de gemeten temperatuur lager is dan 20 C wordt snelheid 3 geactiveerd. ON-BOARD OUTPUTS: stel deze optie in als u de interne uitgangen, de relais voor het regelen van een klimaatzone (verwarmingsketel of elektromagnetische klep) en de 3 eventuele snelheden van de thermoconvector wilt gebruiken. De 3 uitgangen voor het regelen van de 3 snelheden van de thermoconvector zijn laagspanningsuitgangen (50mA 24Vdc). Deze moeten dus worden aangesloten op vermogensrelais. MODULE + OUTPUT: stel deze optie in als u een verwarmingsketel of elektromagnetische klep die op een module-uitgang op de bus is aangesloten, door de temperatuursensor wilt laten regelen. Voer het nummer van de module en het nummer van de uitgang in. REGELVENTIEL: stel deze optie in als u een thermoconvector met meerdere snelheden wilt aansturen en deze thermoconvector op een module op de bus is aangesloten. In dat geval worden in de ingevoerde module de eerste 4 uitgangen van de module voor deze functie gereserveerd. Voer het nummer in van de module die u wilt gebruiken en welk van de 3 snelheden moeten worden gebruikt. Als bijvoorbeeld 'Regelventiel' wordt geselecteerd en het modulenummer 2 wordt ingesteld, wordt uitgang 1 van module 2 gebruikt voor toestemming en activering van de machine voor thermoregeling, terwijl de uitgangen 2, 3 en 4 (ook van module 2) worden gebruikt om de 3 snelheden te regelen. Uitgang 2 voor snelheid 1, uitgang 3 voor snelheid 2 en uitgang 4 voor snelheid 3. INSTELPUNT DAG/NACHT/LEEG: stel de drempelwaarde en de zone in die u voor de verschillende bedrijfsmodi wilt instellen. Als er een bedieningspaneel wordt gebruikt (zoals Planux Manager of Minitouch), wordt aangeraden deze drempelwaarden niet in te stellen. 75

76 Module energiebeheer 76

77 NA ENIGE TIJD ONTKOPPELEN BIJ: als de ingestelde drempelwaarde voor het vermogen gedurende de 'Duur van het ontkoppelen' (aangegeven in de geavanceerde instellingen) wordt overschreden, gaat de module de belastingen die in de lijst zijn opgenomen ontkoppelen. Onmiddellijk ontkoppelen bij: als de ingestelde drempelwaarde voor het vermogen wordt overschreden, ontkoppelt de module alle belastingen die in de lijst zijn opgenomen. Nadat een ontkoppeling heeft plaatsgevonden, start de module de teller gedurende de periode die is ingesteld in 'Tijd OFF', waarna de belastingen weer worden aangekoppeld in omgekeerde volgorde van het loskoppelen. OMSCHRIJVING BELASTING: voer een algemene omschrijving van de belasting in. Deze omschrijving wordt ook weergegeven in het menu 'Belastingen' van de bedieningsunit. MODULE: voer het nummer in van de module waarop de betreffende belasting is aangesloten. UITGANG: voer het nummer in van de uitgang waarop de betreffende module is aangesloten. VERBRUIK: voer het geschatte verbruik in voor de ingevoerde belasting. Deze waarde wordt alleen gebruikt tijdens het aankoppelen, om te voorkomen dat de belastingen voortdurend worden in- en uitgeschakeld. Het wordt aangeraden de gemiddelde vermogenswaarde voor het verbruik van de belasting in te voeren, niet het maximale vermogen. De waarde mag nooit hoger zijn dan de waarde die is ingesteld als drempelwaarde voor ontkoppeling minus de tolerantie- en hysteresewaarden. TIJD OFF: voer de tijd in dat de geselecteerde belasting uitgeschakeld blijft alvorens een resetpoging te doen. NC/NO: standaard ingesteld op NO. Hoeft niet te worden aangepast wanneer SimpleProg-versie of hoger wordt gebruikt. Als een oudere softwareversie wordt gebruikt, moet hier het type aansluiting van de geselecteerde belasting worden ingevoerd: 'NO' als de belasting is aangesloten op de NO-klem van een module, of 'NC' als de belasting is aangesloten op de NC-klem van de module. Als SimpleProg-versie of hoger wordt gebruikt, kan het type aansluiting van de uitgangen worden ingesteld bij de configuratie van de uitgang op de pagina van de module. Wanneer NC wordt ingesteld bij de uitgang van de module en NC op de pagina van de module voor energiebeheer, zijn deze twee instellingen met elkaar in conflict en werkt de module volgens de NO-instelling. Duur van het opnieuw aansluiten: voer de tijd in tussen het aankoppelen twee loskoppelde belastingen. 77

78 78

79 PLANUX MANAGER/MINITOUCH-MODULE TOEVOEGEN Let op: voordat u Planux Manager / Minitouch gaat programmeren, moet het volledige systeem geconfigureerd zijn. 1. Open het bestand dat bij het gewenste systeem hoort. 2. Klik met de rechtermuisknop op het pictogram Bedieningsunit. 3. Klik met de linkermuisknop op de knop Toevoegen. Het huis kan worden ingedeeld in verschillende ruimten (zoals Begane Grond, Eerste Verdieping, Zone Dag enz.).» Elke ruimte die in deze fase wordt ingevoerd, wordt vervolgens weergegeven op het display van de Planux Manager/Minitouch. 4. Voer de gewenste naam voor de ruimte in. 5. Klik op Ruimte toevoegen. Herhaal stap 4 en 5 om meerdere ruimten in te voeren. 6. Klik op Bedieningsunit confi gureren. 79

80 SIMPLEBUS-MODULES TOEVOEGEN/VERWIJDEREN Ga als volgt te werk om een module (bijv. art of art. 1259) toe te voegen: 1. Klik op Simplebus-modules toevoegen. 2. Selecteer het type module dat u wilt toevoegen (bijvoorbeeld een relais). 3. Stel het adres van de module in (bijvoorbeeld 3). 4. Voer een beschrijving van de module in. 5. Klik op Opslaan om te bevestigen. Ga als volgt te werk om een module te verwijderen: 6. Selecteer de gewenste module. 7. Klik op Geselecteerde module verwijderen. 80

81 PLANUX MANAGER OF MINITOUCH TOEVOEGEN/VERWIJDEREN Ga als volgt te werk om een monitor toe te voegen: } Klik op Planux toevoegen of Minitouch toevoegen. Wanneer u een monitor hebt toegevoegd, moeten de functies worden geconfigureerd. Nummer Planux/Minitouch: dit nummer geeft de bedieningsunit aan (de standaardwaarde wordt ingevoegd). Adres Simplebus: voer het adres van de interne aansluiting van de video-intercom in. Omschrijving: voer een korte beschrijving van de monitor in om deze in het Planux Manager-menu te kunnen selecteren (bijvoorbeeld waar de monitor geïnstalleerd is). Taal: selecteer de taal voor het Planux Manager/Minitouch-menu. Privacy arts: selecteer de functie van de toets Privacy / Arts. Toets 1: selecteer de functie van toets 1. Toets 2: selecteer de functie van toets 2. Toets Camera: selecteer de functie van de toets met het oog. Handsfree: hiermee kunt u de handsfreefunctie in- of uitschakelen. Hoofd/secundair: hiermee kunt u de monitor instellen als hoofd- of secundaire monitor. Master/slave: hiermee kunt u de monitor instellen als master of als slave. Interne thermostaat: hiermee kunt u het SimpleHome-adres van de in de Minitouch geïntegreerde thermostaat instellen. Dit adres mag uitsluitend worden ingesteld via dit menu en mag op geen enkele andere wijze worden ingesteld. Als deze waarde is ingesteld op Niet zichtbaar, wordt de klimaatzone die door de Minitouch-thermostaat wordt geregeld niet weergegeven. Volgorde ruimten: via dit menu kunt u de volgorde bepalen waarin de ruimten op de bedieningsunit worden weergegeven. Als u de volgordeweergave van een afzonderlijke bedieningsunit wilt instellen, moet voor elke unit een aparte configuratie worden geëxporteerd. Ga als volgt te werk om een monitor te verwijderen: } Klik op Laatste Planux verwijderen of Laatste Minitouch verwijderen.» De laatst ingevoerde Planux Manager/Minitouch-monitor wordt verwijderd. 81

82 MINITOUCH-THERMOSTAAT CONFIGUREREN Beschrijving thermostaat: voer een beschrijving van de klimaatzone in die op de bedieningsunit wordt weergegeven. Winter/zomer output status: dit veld bevat het nummer van de module en het nummer van de uitgang die bestuurd moet worden om de Minitouch automatisch naar de winter- of zomermodus over te schakelen. Als de uitgang inactief is, is de werkingsmodus Winter; als de uitgang geactiveerd wordt, wordt de modus Zomer ingesteld. Zone voor instelling Dag/Nacht/Leeg: u kunt aan een van de drie drempelwaarden voor Dag, Nacht of Leeg een zonenummer toewijzen. Op deze manier kan voor alle thermostaten of Minitouch-inrichtingen in het systeem dezelfde drempelwaarde worden ingesteld, bijvoorbeeld door een digitale ingang te sluiten. Zone voor instelling Winter/Zomer: u kunt aan een van de twee werkingsmodi 'Zomer' of 'Winter' een zonenummer toewijzen. Op deze manier kan voor alle thermostaten of Minitouch-inrichtingen in het systeem dezelfde modus worden ingesteld, bijvoorbeeld door een digitale ingang te sluiten. Interval: geeft de tijd in seconden aan voor het versturen van op de Minitouch ingestelde setpoints en temperatuurinstellingen over de bus. Deze verzendingen dienen om de bedieningsunits bij te werken met de status van de Minitouch (bijvoorbeeld ten aanzien van de afgelezen temperatuur). Het is raadzaam om deze waarde op de standaardwaarde (5 minuten) ingesteld te laten. Hysterese: geeft de interval aan voor activering van de thermostaatuitgang, in tienden van een graad. Als deze bijvoorbeeld is ingesteld op 4 tienden van een graad (standaardwaarde) en de thermostaat in de modus Winter/Dag is ingesteld op 20 C, activeert deze het relais totdat 20 C bereikt is. Nadat de thermostaat is uitgeschakeld wordt deze weer actief zodra de temperatuur onder 19,6 C komt (dus 20 C - 0,4 C). In de zomermodus is de werking omgekeerd: wanneer een setpoint van 20 C is ingesteld, koelt de thermostaat af tot 20 C wordt bereikt. Nadat de thermostaat is uitgeschakeld gaat deze weer aan zodra de temperatuur boven 20,4 C komt. Correctie: met deze waarde (in tienden van een graad) kan de meting van de interne temperatuursensor worden geregeld indien het systeem onder speciale omstandigheden werkt (bijvoorbeeld in de buurt van een luchtstroom) of bij installatie op zeer koude inbouwdozen. Als de in de Minitouch geïntegreerde sonde bijvoorbeeld een temperatuur van 18,8 C meet terwijl de juiste omgevingstemperatuur 19,0 C is, kan deze waarde worden ingesteld op 2. Op deze manier is de weergegeven temperatuurwaarde altijd 0,2 C hoger dan de temperatuur die door de sonde wordt gemeten. 82

83 Delta 1-2 snelheid en Delta 1-3 snelheid: deze waarden (in tienden van een graad) geven het temperatuurverschil aan ten opzichte van het ingestelde setpoint, voor activering van snelheid 2 of snelheid 3 in de fancoil-modus. Als een thermoconvector met 3 snelheden wordt gebruikt, kunnen deze 3 snelheden worden geregeld op basis van de ingestelde en gemeten temperatuur. Als bijvoorbeeld een temperatuur van 22 C is ingesteld met de standaardwaarden 10 en 20, wordt de thermoconvector geactiveerd op snelheid 1 als de temperatuur die in de ruimte wordt gemeten tussen 22 C en 21 C ligt. Als de temperatuur tussen 21 C en 20 C ligt, wordt snelheid 2 geactiveerd en als de gemeten temperatuur lager is dan 20 C wordt snelheid 3 geactiveerd. On-board outputs: stel deze optie in als u de interne uitgangen, de relais voor het regelen van een klimaatzone (verwarmingsketel of elektromagnetische klep) en de 3 eventuele snelheden van de thermoconvector wilt gebruiken. De 3 uitgangen voor het regelen van de 3 snelheden van de thermoconvector zijn laagspanningsuitgangen (50mA / 24Vdc). Deze moeten dus worden aangesloten op vermogensrelais. Module + output: stel deze optie in als u een verwarmingsketel of elektromagnetische klep die op een module-uitgang op de bus is aangesloten, door de temperatuursensor wilt laten regelen. Voer het nummer van de module en het nummer van de uitgang in. Regelventiel: stel deze optie in als u een thermoconvector met meerdere snelheden wilt aansturen en deze thermoconvector op een module op de bus is aangesloten. In dat geval worden in de ingevoerde module de eerste 4 uitgangen van de module voor deze functie gereserveerd. Voer het nummer in van de module die u wilt gebruiken en welk van de 3 snelheden moeten worden gebruikt. Als bijvoorbeeld 'Regelventiel' wordt geselecteerd en het modulenummer 2 wordt ingesteld, wordt uitgang 1 van module 2 gebruikt voor toestemming en activering van de machine voor thermoregeling, terwijl de uitgangen 2, 3 en 4 (ook van module 2) worden gebruikt om de 3 snelheden te regelen. Uitgang 2 voor snelheid 1, uitgang 3 voor snelheid 2 en uitgang 4 voor snelheid 3. Drempel Dag/Nacht/Leeg: stel de drempelwaarde en de zone in die u voor de verschillende bedrijfsmodi wilt instellen. Als er een bedieningspaneel wordt gebruikt (zoals Planux Manager of Minitouch), wordt aangeraden deze drempelwaarden niet in te stellen. 83

84 HUISAUTOMATISERINGSRUIMTEN TOEVOEGEN/VERWIJDEREN Ga als volgt te werk om een huisautomatiseringsruimte toe te voegen (deze ruimten worden ingevoerd als er een bedieningsunit wordt toegevoegd): 1. Klik op Ruimte toevoegen. 2. Voer de gewenste naam voor de ruimte in. 3. Klik op OK om te bevestigen. Ga als volgt te werk om een ruimte te verwijderen: } Klik op Ruimte verwijderen.» De laatst toegevoegde ruimte wordt verwijderd. 84

85 ALARMGEBIEDEN TOEVOEGEN/VERWIJDEREN Ga als volgt te werk om een alarmgebied toe te voegen: 1. Selecteer de alarmcentrale (bijv. S88R). 2. Klik in het gedeelte Gebieden op Toevoegen. 3. Voer de gewenste naam voor het gebied in. 4. Klik op OK om te bevestigen. Ga als volgt te werk om een gebied te verwijderen: } Klik in het gedeelte Gebieden op Verwijderen.» Het laatst toegevoegde gebied wordt verwijderd. 85

86 ALARMZONES TOEVOEGEN/VERWIJDEREN Ga als volgt te werk om een alarmzone toe te voegen: 1. Selecteer het zonetype dat u wilt toevoegen (Draadloos of Bekabeld). 2. Klik in het gedeelte Zones op Toevoegen. 3. Voer het nummer in volgens de bekabeling naar de alarmcentrale. NB: bij de centrale VEDO is het zonenummer niet het nummer van de ingang van de centrale, maar de ID-code die u voor deze zone vindt op SafeManager. 4. Klik op OK om te bevestigen. 5. Voer de gewenste naam voor de zone in. 6. Klik op OK om te bevestigen. 86

87 1. Selecteer aan welk gebied de geconfigureerde zone moet worden toegewezen. Ga als volgt te werk om een zone te verwijderen: 1. Selecteer het zonetype dat u wilt verwijderen (Draadloos of Bekabeld). 2. Klik in het gedeelte Zones op Verwijderen. 3. Voer het nummer in van de zone die u wilt verwijderen. 4. Klik op OK om te bevestigen. 87

88 DE NAAM VAN ALARMGEBIEDEN/ALARMZONES WIJZIGEN Ga als volgt te werk om de naam van een alarmzone of alarmgebied te wijzigen: 1. Selecteer als het een zone betreft het type (DRAADLOOS of BEKABELD). 2. Klik in het gedeelte Zones of Gebieden op Naam wijzigen. 3. Voer het nummer van de zone of het gebied in waarvan u de naam wilt wijzigen. 4. Wijzig de naam. 5. Klik op OK om te bevestigen. 88

89 SYSTEEMMODULES BEHEREN In het scherm Modules worden alle geïnstalleerde modules beheerd. De bewerkbare cellen in dit scherm zijn geel gemarkeerd. Nr. mod. In deze kolom wordt het nummer van de module in het systeem weergegeven. Nr. in In deze kolom wordt het nummer weergegeven van de gebruikte module-ingang. Nr. uit In deze kolom wordt het nummer weergegeven van de gebruikte module-uitgang. Beschrijving module In deze kolom wordt de beschrijving van de module weergegeven. Beschrijving bedieningsunit In deze kolom wordt voor elke uitgang van de module bepaald welke tekst op de Planux Manager/Minitouch-monitor wordt weergegeven. Type ingang/uitgang Stel het gebruikstype in voor de corresponderende module. Voor de module energiebeheer en verbruik : TA als de module uitsluitend het loskoppelen van belastingen moet beheren; TA+Teller als de module zowel de belastingen moet beheren als op de bedieningsunit de verbruiks- of productiegegevens van de module moet weergeven; Teller als de module niet de regeling en het loskoppelen van de belastingen moet beheren, maar alleen grafieken voor weergave van het verbruik moet genereren. Verbruik/productie Stel deze waarde in als de geselecteerde ingang een productiewaarde (bijvoorbeeld een zonnepaneelsysteem voor de productie van energie) of verbruikswaarde meet. 89

90 Kosten Voer in het veld 'Meeteenheid' een tarief in voor voor de ingestelde meeteenheid. Voor de module energiebeheer en verbruik moeten hier als tarief de kosten per kwh worden ingevoerd. Dit tarief is het enige dat voor SimpleProg wordt gebruikt. Op de bedieningsunit kunnen daarentegen verschillende tarieven worden ingesteld voor specifieke tijden en dagen van de week. Valuta Stel de valuta in die gebruikt wordt voor het meten van het verbruik op de bedieningsunit. Groep U kunt verschillende modules voor energiemeting in één groep plaatsen zodat ze in één overzicht worden weergegeven. In het geval van een driefasesysteem kunt u bijvoorbeeld 3 modules voor energiebeheer en verbruik hebben en deze in één groep onderbrengen, zodat er op de bedieningsunit één grafiek wordt gemaakt met het totaal van de 3 verbruikswaarden. U kunt een groep toevoegen door op de knop '+' boven aan de kolom te klikken en de naam in te voeren van de groep die u wilt maken. Selecteer in het veld 'Groep' de naam van de groep die u zojuist hebt gemaakt, of selecteer 'Afzonderlijk apparaat' als de gemeten waarde niet tot een groep behoort en een aparte grafiek moet genereren. Schaalfactor Voor ingangen die zijn aangesloten op pulstellermodules is het mogelijk om een deelfactor in te vullen, zodat u de weergave kunt aanpassen op basis van de waarden die worden gemeten door de gebruikte teller met pulsuitgang. Als bijvoorbeeld een watermeter wordt gebruikt die liters meet en bij elke liter een puls genereert, en u op de bedieningsunit kubieke meters (1000 liter) wilt weergeven, moet een deelfactor worden ingesteld voor weergave van CO2-constante Als er installaties voor de productie van energie worden gebruikt, kan de CO2-constante die door het energieproductiesysteem wordt bespaard worden ingesteld. Indien er meerdere ingangen als productie zijn ingesteld (bijvoorbeeld een driefase zonnepaneelsysteem), moeten deze worden ingesteld met dezelfde waarde. Vervolgens kan de waarde in het menu van de bedieningsunit worden aangepast. Op de bedieningsunit wordt automatisch de CO2-grafiek weergegeven als er een grafiek aanwezig is waarop de geproduceerde energie wordt vermeld. Afzonderlijke weergave Als de ingang aan een groep is toegewezen, moet dit veld worden geselecteerd als u behalve de grafiek van de geselecteerde groep ook een grafiek van de afzonderlijke ingang wilt weergeven. Als er bijvoorbeeld 2 modules voor energiebeheer en verbruik worden gebruikt (1 voor weergave van het verbruik van de elektrische stopcontacten en 1 voor weergave van het verbruik van de verlichting), kunt u een groep maken waarin beide modules zijn opgenomen en die een grafiek genereert waarin het verbruik van beide modules bij elkaar wordt opgeteld. Als voor beide modules het veld 'Afzonderlijke weergave' wordt geselecteerd, worden naast de algemene grafiek ook de twee afzonderlijke grafieken van de twee modules voor energiebeheer en verbruik weergegeven. Vergelijking U kunt verschillende grafieken die zowel als productie en verbruik zijn ingesteld aan één grafiek toewijzen, om een vergelijking te kunnen maken tussen de energie die door het systeem wordt geproduceerd en de energie die door het systeem wordt verbruikt. Als u in het veld 'Vergelijking' 3 modules selecteert die het verbruik meten en één module die de geproduceerde energie meet, wordt op de bedieningsunit een grafiek met de naam 'Vergelijking' gegenereerd, waarin alle energie die door de geselecteerde modules is verbruikt wordt vergeleken met de energie die geproduceerd is door de geselecteerde productiemodule. Deze weergave maakt het mogelijk om in één oogopslag zien of er meer energie wordt verbruikt dan geproduceerd (of andersom), via de dagelijkse, maandelijkse, jaarlijkse of historische weergaven van de afgelopen 5 jaar. Activeren In deze kolom wordt bepaald in welke situatie het geconditioneerde scenario wordt geactiveerd, op basis van de status van de ingang (zie paragraaf ). Ruimten In deze kolom wordt bepaald aan welke ruimte in het huis de module-uitgang wordt toegewezen. Naam gekoppeld scenario In deze kolom wordt bepaald welke naam voor het geconditioneerde scenario wordt weergegeven op de Planux Manager/Minitouchmonitor (zie paragraaf ). Meeteenheid Voer (alleen voor ingangen die aangesloten zijn op pulstellermodules) de meeteenheid in van de gemeten waarde die wordt weergegeven in de grafieken en de tabellen van de bedieningsunits. Voer bijvoorbeeld 'l' in voor liters als er een watermeter aanwezig in, of 'm3' voor kubieke meters methaan als er een aardgasmeter aanwezig is. Voor elektriciteitsmeters hoeft er geen meeteenheid te worden ingesteld, omdat de aflezing in watt plaatsvindt. 90

91 EEN GECONDITIONEERDE UITGANG MAKEN Om de functie Geconditioneerde uitgang te kunnen gebruiken, moet minimaal één ingang van een geïnstalleerde digitale module ingesteld zijn als Bedieningsunit. Een geconditioneerde uitgang biedt de mogelijkheid om timers die voor die uitgang op de bedieningsunit zijn ingesteld, te onderbreken. Dit gebeurt op basis van de status van een ingang op een digitale module die als bedieningsunit is ingesteld. De conditionering wordt geactiveerd met behulp van Planux Manager/Minitouch. 1. Klik in het scherm Modules op het symbool + naast de uitgang die u wilt conditioneren. In de tabel linksboven in het scherm vindt u de lijst met beschikbare bedieningsunit-ingangen. Rechtsboven vindt u de gegevens van de uitgang die wordt geconditioneerd. Onderaan vindt u de verschillende conditioneringscriteria. 2. Vul de velden voor de conditioneringscriteria in. Hieronder worden voorbeelden beschreven van het conditioneren van een uitgang voor bedieningsunit-ingang 1: Voorbeeld 1 Als ingang 1 op ON staat, kan de geconditioneerde uitgang niet automatisch door een timer worden geactiveerd. Voorbeeld 2 Als ingang 1 op OFF staat en ingang 2 ook op OFF, kan de geconditioneerde uitgang niet automatisch door een timer worden uitgeschakeld. Voorbeeld 3 Als een van de twee ingangen op ON staat, kan de geconditioneerde uitgang niet automatisch door een timer worden geactiveerd. 3. Klik op Conditionering toevoegen om op te slaan en af te sluiten. De tekst OK verschijnt om te bevestigen dat de geconditioneerde uitgang gemaakt is. 91

92 EEN GECONDITIONEERD SCENARIO MAKEN Een geconditioneerd scenario is een scenario dat door een bedieningsunit wordt verzonden en wordt uitgevoerd zodra de bijbehorende ingang wordt gesloten of geopend. Om een Geconditioneerd scenario te kunnen gebruiken, moet minimaal één digitale ingang van een geïnstalleerde module ingesteld zijn als bedieningsunit. Het scenario wordt geactiveerd en geconfigureerd met behulp van Planux Manager/Minitouch. 1. Zoek in het scherm Modules de bedieningsunit-ingang die u voor het geconditioneerde scenario wilt gebruiken. 2. Stel in het bijbehorende veld Type ingang/uitgang de waarde in als Scenario. 3. Stel in het bijbehorende veld Activering de parameter in op basis van de functie die wordt uitgeoefend door de sensor die met de Als het scenario is ingesteld op ON, wordt het geactiveerd zodra de ingang wordt gesloten. Als het scenario is ingesteld op OFF, wordt het geactiveerd zodra de ingang wordt geopend. Voer in het bijbehorende veld Naam de gewenste naam voor het scenario in.» Deze naam verschijnt in de lijst met geconditioneerde scenario's op de Planux Manager-monitor EEN ALARMSCENARIO MAKEN Een alarmscenario is een scenario dat door een bedieningsunit wordt verzonden en wordt uitgevoerd wanneer de ingestelde functie wordt gedetecteerd. Als u bijvoorbeeld de lampen wilt uitschakelen wanneer een sensor gedurende 6 seconden geen personen in de kamer detecteert. } Klik in het scherm Alarmscenario's op Scenario toevoegen. 1. Voer de gewenste naam voor het scenario in. 2. Klik op OK.» Dit is de naam die op het display van de Planux Manager/Minitouch-monitor bij de geconditioneerde scenario's wordt weergegeven. 92

93 3. Selecteer de activeringstijd.» Het scenario wordt geactiveerd wanneer de sensoren langer dan de geselecteerde tijdsperiode de ingestelde status hebben. 4. Selecteer de operator (OR of AND).» Als u de operator OR selecteert, wordt het scenario ook geactiveerd wanneer slechts een van de geselecteerde zones Bekabeld/ Draadloos langer dan de geselecteerde tijdsperiode de ingestelde status hebben.» Als u de operator AND selecteert, wordt het scenario alleen geactiveerd wanneer alle geselecteerde zones Bekabeld/Draadloos langer dan de geselecteerde tijdsperiode de ingestelde status hebben. 93

94 5. Selecteer de zones Bekabeld/Draadloos en de status van deze zones die aan het scenario moet worden gekoppeld. In het geval van het zojuist gemaakte scenario geldt het volgende:» De naam van het scenario die wordt weergegeven in de lijst met geconditioneerde scenario's op de Planux Manager/Minitouch-monitor is Alarmscenario.» Dit scenario wordt geactiveerd wanneer beide sensoren Deur Ingang en Venster Woonkamer langer dan 60 seconden geopend zijn CONFIGURATIEBESTAND VOOR DE BEDIENINGSUNIT MAKEN Wanneer alle parameters voor het systeem bepaald zijn, moet er een configuratiebestand voor de Planux Manager-monitor worden gemaakt. 1. Klik in het scherm Bedieningsunit op Opslaan en verzenden.» De melding Opslaan voltooid wordt weergegeven. 2. Klik op OK. 94

95 3. Selecteer de configuratie die u wilt exporteren. Bijvoorbeeld: alleen die van één van de Planux Managers of Minitouches die in het systeem aanwezig zijn. 4. Klik op Exporteren. 5. Selecteer het exportpad (bijvoorbeeld de SD-kaart of MiniSD-kaart die in de bedieningsunits is geplaatst). 6. Klik op OK. Het onderstaande voorbeeld laat zien hoe u de configuratie direct kunt exporteren naar de SD-kaart van de Planux Manager-monitor. De configuratie kan op elke gewenste locatie worden opgeslagen en vervolgens kan het bestand handmatig naar de SD-kaart worden gekopieerd. Tijdens het exporteren wordt een map met de naam config gemaakt. Deze map moet worden gekopieerd en vervolgens in de hoofdmap van de SD-kaart geplakt. 95

96 Als er op de geselecteerde locatie al een map met de naam config bestaat: A Overschrijf de bestaande ma B Exporteer de configuratie naar een andere locatie.» De melding Exporteren voltooid wordt weergegeven. 1. Klik op OK. Als gekozen is voor een andere exportlocatie dan de SD-kaart: 1. Kopieer de map config die gemaakt is. 2. Plak deze map in de hoofdmap van de kaart. 2. De optie Configuratie herstellen of Configuratie bijwerken uitvoeren op de Planux Manager/Minitouch-monitor (zie pag. 52 van de Planux Manager-handleiding) om de instellingen de activeren. Let op: als u de optie Configuratie herstellen of Compleet herstellen selecteert, worden de configuraties voor de timers, scenario's en sleutels hersteld en moeten deze opnieuw worden gemaakt. 96

97 3.6 - MODULE ONE - ONE/E TOEVOEGEN Let op: voordat u de module One gaat programmeren, moet het volledige systeem geconfigureerd zijn. 1. Open het bestand dat bij het gewenste systeem hoort. 2. Klik met de rechtermuisknop op het pictogram One. 3. Klik met de linkermuisknop op de knop Toevoegen. 4. Voer een korte omschrijving van de module in. 5. Voer in het veld 'Modulenummer' het serienummer in. Het serienummer moet overeenkomen met het serienummer dat met de dipswitch op de module is ingesteld is (zie de technische handleiding voor de module One) 6. Klik op Module toevoegen. 97

98 ALGEMENE PARAMETERS MODULE ONE - ONE/E ALGEMENE PARAMETERS MODULENUMMER: het adres van de module of het serienummer dat is toegewezen door SimpleProg. Het serienummer wordt toegewezen met behulp van de dipswitch aan de achterkant van de module ONE. OMSCHRIJVING: een algemene omschrijving van de module waar het installatiepunt kan worden ingevoerd of de algemene functie van die module. FIRMWAREVERSIE: de firmwareversie van de module. Als de module nog nooit is uitgelezen, blijft deze waarde op 1 ingesteld. De waarde 1 is geen firmwareversie. Om deze waarde te vervangen door de werkelijke firmwareversie van de module, wordt aangeraden de module uit te lezen zodra deze aan het systeem is toegevoegd (dus voordat de programmeringsparameters worden geconfigureerd). De firmwareversie van de module wordt ook weergegeven op de pagina 'Modules zoeken'. VERTRAGING SCENARIO: met deze parameter kan een vertragingstijd worden ingesteld voor de uitvoering van de 16 opdrachten van de scenario-ingang. Deze waarde verandert alleen de uitvoeringstijd van de opdrachten die door de scenario-ingang worden uitgevoerd. Als u bijvoorbeeld voor de scenario-ingang een eerste opdracht instelt om een rolluik te laten zakken en een tweede opdracht om een lamp uit te schakelen, kunt u met deze tijd de uitvoering van de tweede opdracht uitstellen. Als u 3000ms instelt, gaat het rolluik direct omlaag zodra op de knop wordt gedrukt en gaat de lamp pas na 3 seconden uit. RETRY VAN BERICHT TOESTAAN: deze optie kan worden ingesteld om ervoor te zorgen dat de opdracht opnieuw wordt verzonden als de aangestuurde module niet reageert. In normale omstandigheden volstaat één opdracht om de uitgang te regelen. Als het bericht echter niet door de module wordt ontvangen en de module die de opdracht verstuurt dus geen feedback van de uitgevoerde opdracht ontvangt, wordt de opdracht opnieuw verzonden (maximaal 3 pogingen). Het is raadzaam om deze optie altijd geactiveerd te houden, voor meer zekerheid over de verzonden opdrachten. RETRY VAN ZONE TOESTAAN: met deze optie kan er een nieuwe verzendpoging worden gedaan wanneer er een zone-opdracht wordt verzonden. Voor het opnieuw verzenden van zone-opdrachten kan een interval van maximaal 12 seconden worden ingesteld. De zoneopdracht krijgt geen statusantwoord omdat het niet mogelijk is de status van meerdere uitgangen vast te stellen. Het is raadzaam om deze optie geactiveerd te houden als binnen het systeem zone-opdrachten worden gebruikt. BROADCAST VAN ZONE TOESTAAN: met deze optie kan de status van uitgangen die geactiveerd zijn door middel van een zone-opdracht die door de module is ontvangen, over de bus worden verzonden. Het is raadzaam om deze optie te activeren als er in het systeem zoneopdrachten zijn geprogrammeerd en er bedieningsunits (zoals Planux Manager of Serial Bridge) aanwezig zijn. Deze nieuwe verzendpoging die wordt uitgevoerd door de module die de opdracht ontvangt, kan nodig zijn om de status van de uitgangen van de bedieningsunits bij te werken. 98

99 VOORKEURSINSTELLINGEN MODULE ONE - ONE/E VOORKEURSINSTELLINGEN GRAFISCHE WEERGAVE: via dit menu kunt u een opgeslagen grafische weergave laden of verwijderen. Tevens kunt u dit menu gebruiken om een nieuwe grafische weergave op te slaan of wijzigingen in de geopende grafische weergave op te slaan. In een grafische weergave wordt bepaald hoe de toetsen op de verschillende pagina's van het One-apparaat gerangschikt zijn en welke kleuren aan deze toetsen zijn toegewezen. De instellingen in het vak Opdrachten configureren worden niet opgeslagen. Deze functie kan bijvoorbeeld worden gebruikt om meerdere ONE-modules in één systeem te installeren en de grafische configuraties te herhalen voor het instellen van de leds en de ingestelde kleuren. FEEDBACK STATUS / FEEDBACK DRUK: wanneer Feedback druk wordt geselecteerd, verandert de verlichting van de toets van kleur om aan te geven dat de toets is ingedrukt. Vervolgens verandert de verlichting weer in de oorspronkelijke kleur. Wanneer Feedback status wordt geselecteerd, verandert de kleur van de toets op basis van de status (actief of inactief). KLEUREN INSTELLEN: dit menu maakt het mogelijk om in één handeling voor alle toetsen van de module dezelfde kleur in te stellen. Deze functie heeft voorrang boven de instellingen die handmatig voor de afzonderlijke leds zijn ingevoerd. FEEDBACK GELUIDSDRUK: wanneer deze optie wordt geactiveerd, geeft de module telkens wanneer een toets wordt ingedrukt of wanneer de actieve pagina wijzigt een geluidssignaal. TOETSVERLICHTING: wanneer de functie Ambient light sensor wordt geactiveerd, wordt de toetsverlichting automatisch geregeld op basis van de omgevingsverlichting. Via het keuzemenu Lichtsterkte is het mogelijk om handmatig de lichtsterkte van de toetsen in te stellen, waarbij u uit 3 opties kunt kiezen (hoog, normaal, laag) ENERGY SAVING: wanneer de functie Stand-by wordt geactiveerd, wordt de toetsverlichting van de ONE-module na 5 seconden inactiviteit uitgeschakeld om energie te besparen. 99

100 PAGINA'S MODULE ONE CONFIGUREREN Het apparaat voor bediening van de ONE-module beschikt over 3 pagina's die met 3 verschillende functies kunnen worden geprogrammeerd: Automatiseringsbeheer Scenariobeheer (max. 1 pagina per apparaat) Beheer klimaatregeling (max. 1 pagina per apparaat) AUTOMATISERINGSBEHEER AUTOMATISERINGEN/SCENARIO'S/KLIMAATREGELING: in dit menu moet de functie Automatiseringen worden geselecteerd. PAGINA-AANDUIDING 1: in dit menu kan de kleur van de pagina-aanduiding worden aangepast (deze aanduiding verschijnt rechtsboven op het apparaat). Er moet een kleur worden toegewezen aan een actieve pagina, en een andere kleur aan een inactieve pagina. OPDRACHTEN: in dit keuzemenu kan voor elke sector (max. 3) worden bepaald wat op het display wordt weergegeven: knoppen (1, 2 of 3) of pijlen. OPDRACHTEN CONFIGUREREN: dit menu wijzigt afhankelijk van het aantal knoppen of pijlen die in de vorige stap zijn ingevoerd. BESCHRIJVING INGANG In dit veld kan een korte beschrijving worden ingevoerd van de functie of de module die door de knop of pijl wordt beheerd. BESTEMMING BERICHT MODULE + UITGANG: de functie 'Module + uitgang' wordt gebruikt om één of meer uitgangen van een module aan te sturen. Als u deze optie selecteert, moet u het nummer van de module en het nummer van de uitgang(en) die u wilt aansturen invoeren. ZONE: met deze functie kunnen meerdere uitgangen op verschillende modules worden aangestuurd. Deze instelling wordt gebruikt om een opdracht te geven om bijvoorbeeld alle lampen van een woning uit te schakelen of alle rolluiken te laten zakken. Hiervoor moeten op de pagina voor het instellen van de uitgangen, de uitgangen aan dezelfde zone of groep worden toegewezen. Als u bijvoorbeeld alle lampen wilt aansturen, moet aan alle uitgangen die met de lampen zijn verbonden een zone worden toegewezen (bijvoorbeeld ZONE 5) en moet vervolgens in het veld 'Bestemming bericht' een ingang worden ingesteld als 'Zone' door zonenummer 5 in te voeren. 100

101 BEDIENINGSUNIT: met de functie 'Bedieningsunit' kunt u een opdracht direct naar de bedieningsunits van het systeem versturen, bijvoorbeeld Planux Manager, Serial Bridge of Minitouch. Deze opdracht kan door de bedieningsunits worden gebruikt om opdrachten te activeren die in het geheugen van de units zijn opgeslagen, of om de status van de ingang te gebruiken om logica of andere functies te regelen. Het nummer van de te verzenden ingang van de bedieningsunit moet worden ingesteld. Als u bijvoorbeeld een drukknop wilt gebruiken om een scenario te activeren dat in de bedieningsunit Planux Manager of Minitouch is opgeslagen, moet de ingang op deze wijze worden ingesteld. Dezelfde instelling moet worden gebruikt als u de status van een ingang wilt gebruiken voor een logische functie of koppeling die op een Serial Bridge aanwezig is. DIMMER: deze functie wordt gebruikt om een dimmermodule te bedienen. Wanneer de knop eenmaal wordt ingedrukt, wordt de lamp die op de module is aangesloten geactiveerd/gedeactiveerd. Wanneer de knop 1 seconde ingedrukt wordt gehouden, verschijnt er een wiel waarmee de lichtsterkte kan worden aangepast. Als u deze optie selecteert, moet u het nummer van de module en het nummer van de uitgang(en) die u wilt aansturen invoeren. RGB: deze functie wordt gebruikt om een RGB-lamp te bedienen die beheerd wordt via een module DALI-DMX Wanneer de knop eenmaal wordt ingedrukt, wordt de lamp die op de uitgang van de module is aangesloten geactiveerd/gedeactiveerd. Wanneer de knop 10 seconden ingedrukt wordt gehouden, verschijnt er een wiel waarmee de kleur voor de RGB-lampen kan worden aangepast. De lichtsterkte kan worden aangepast door op de pijlen te drukken. Als u deze optie selecteert, moet u het nummer van de module en het nummer van de uitgang(en) die u wilt aansturen invoeren. TYPE BERICHT NORMAAL: de module stuurt een opdracht naar de geadresseerde om de uitgang om te schakelen naar de functie waarvoor deze is geprogrammeerd. Als er bijvoorbeeld een normale opdracht naar een uitgang met tijdschakeling wordt verzonden, activeert deze uitgang gedurende de ingestelde tijd. Als er een normale opdracht wordt verzonden naar een uitgang die ingesteld is als teleruptor, wordt de status van de uitgang omgekeerd. SET: de module verstuurt de opdracht 'Geforceerd ON', waarna de uitgang onafhankelijk van de programmering wordt geactiveerd en inactief blijft tot er een nieuwe opdracht wordt ontvangen. De opdracht SET heeft geen invloed op uitgangen die ingesteld zijn als 'Rolluik'. Als u bijvoorbeeld een opdracht voor het aanzetten van een groep lampen wilt verzenden, moet het opdrachttype SET worden ingesteld om lampen die uit zijn in te schakelen en lampen die al aan waren ingeschakeld te laten. Als een SET-opdracht wordt verzonden naar een uitgang die ingesteld is met een tijdschakeling, activeert de uitgang en blijft deze geactiveerd tot er een nieuwe opdracht wordt ontvangen. RESET: de module verstuurt de opdracht 'Geforceerd OFF', waarna de uitgang onafhankelijk van de programmering wordt gedeactiveerd en inactief blijft tot er een nieuwe opdracht wordt ontvangen. Als de opdracht RESET naar een uitgang wordt verzonden die geprogrammeerd is als 'Rolluik', activeert het relais niet en zal het bijbehorende rolluik niet in beweging komen. Als u bijvoorbeeld een opdracht voor het uitzetten van een groep lampen wilt verzenden, moet het opdrachttype RESET worden ingesteld om lampen die aan zijn uit te schakelen en lampen die al uit waren uitgeschakeld te laten. ANALOOG INSCHAKELEN: de module stuurt een activeringsopdracht naar de ingestelde analoge uitgang zodat de gang ingesteld wordt op de laatste waarde die tijdelijk was geconfigureerd. Dit kan bijvoorbeeld worden gebruikt om lampen met dimmers in te schakelen die zijn aangesloten op de modules art of art ANALOOG UITSCHAKELEN: de module stuurt een uitschakelopdracht naar de ingestelde analoge uitgang. Dit kan bijvoorbeeld worden gebruikt om lampen met dimmers uit te schakelen die zijn aangesloten op de modules art of art

102 SCENARIOBEHEER Met de scenario-ingang kunnen 16 verschillende opdrachten over de bus worden verzonden. Dit is bijvoorbeeld nuttig als u alle lampen in de woning wilt uitschakelen, alle rolluiken wilt laten zakken, of de gestuurde stopcontacten wilt deactiveren. In deze gevallen moeten er namelijk meerdere opdrachten over de bus worden verzonden en kan hiervoor de scenario-ingang worden gebruikt. Wanneer een knop die op de scenario-ingang is aangesloten wordt ingedrukt, worden de 16 opdrachten achtereenvolgens uitgevoerd. Hierbij kan de tijd tussen de verschillende opdrachten worden ingesteld (standaard 0,5 seconde). AUTOMATISERINGEN/SCENARIO'S/KLIMAATREGELING: in dit menu moet de functie Scenario's worden geselecteerd. PAGINA-AANDUIDING 2: in dit menu kan de kleur van de pagina-aanduiding worden aangepast (deze aanduiding verschijnt rechtsboven op het apparaat). Er moet een kleur worden toegewezen aan een actieve pagina, en een andere kleur aan een inactieve pagina. BESCHRIJVING INGANG In dit veld kan een korte beschrijving worden ingevoerd van de functie of de module die door de knop of pijl wordt beheerd. BESTEMMING BERICHT MODULE + UITGANG: de functie 'Module + uitgang' wordt gebruikt om één of meer uitgangen van een module aan te sturen. Als u deze optie selecteert, moet u het nummer van de module en het nummer van de uitgang(en) die u wilt aansturen invoeren. ZONE: met deze functie kunnen meerdere uitgangen op verschillende modules worden aangestuurd. Deze instelling wordt gebruikt om een opdracht te geven om bijvoorbeeld alle lampen van een woning uit te schakelen of alle rolluiken te laten zakken. Hiervoor moeten op de pagina voor het instellen van de uitgangen, de uitgangen aan dezelfde zone of groep worden toegewezen. Als u bijvoorbeeld alle lampen wilt aansturen, moet aan alle uitgangen die met de lampen zijn verbonden een zone worden toegewezen (bijvoorbeeld ZONE 5) en moet vervolgens in het veld 'Bestemming bericht' een ingang worden ingesteld als 'Zone' door zonenummer 5 in te voeren. BEDIENINGSUNIT: met de functie 'Bedieningsunit' kunt u een opdracht direct naar de bedieningsunits van het systeem versturen, bijvoorbeeld Planux Manager, Serial Bridge of Minitouch. Deze opdracht kan door de bedieningsunits worden gebruikt om opdrachten te activeren die in het geheugen van de units zijn opgeslagen, of om de status van de ingang te gebruiken om logica of andere functies te regelen. Het nummer van de te verzenden ingang van de bedieningsunit moet worden ingesteld. Als u bijvoorbeeld een drukknop wilt gebruiken om een scenario te activeren dat in de bedieningsunit Planux Manager of Minitouch is opgeslagen, moet de ingang op deze wijze worden ingesteld. Dezelfde instelling moet worden gebruikt als u de status van een ingang wilt gebruiken voor een logische functie of koppeling die op een Serial Bridge aanwezig is. 102

INSTALLATIE INSTRUCTIES Alleen geschikt als permanente installatie, onderdelen genoemd in de handleiding kunnen niet buiten gemonteerd worden.

INSTALLATIE INSTRUCTIES Alleen geschikt als permanente installatie, onderdelen genoemd in de handleiding kunnen niet buiten gemonteerd worden. NETVOEDINGEN AC-1200 1200.190813 1201EL, 1202EL, 1203EXL, 1205EXL ALGEMENE INFORMATIE Deze netvoedingen zijn alleen bedoeld voor installatie door gekwalificeerde installateurs. Er zijn geen door de gebruiker

Nadere informatie

4-kanaals dimmerstuurmodule met 0 of 1 tot 10V-uitgangen voor het Velbus-systeem

4-kanaals dimmerstuurmodule met 0 of 1 tot 10V-uitgangen voor het Velbus-systeem VMB4DC 4-kanaals dimmerstuurmodule met 0 of 1 tot 10V-uitgangen voor het Velbus-systeem INHOUD INHOUD... 2 OMSCHRIJVING... 3 EIGENSCHAPPEN... 3 VELBUSEIGENSCHAPPEN... 5 OVERZICHT... 6 LEDINDICATIE... 7

Nadere informatie

SmartHome Huiscentrale

SmartHome Huiscentrale installatiehandleiding SmartHome Huiscentrale Vervanging voor WoonVeilig Huiscentrale (model WV-1716) INSTALLATIEHANDLEIDING SMARTHOME HUISCENTRALE Website WoonVeilig www.woonveilig.nl Klantenservice Meer

Nadere informatie

De ET31F (die alleen de vloertemperatuur meet) kan in een andere ruimte geplaatst worden.

De ET31F (die alleen de vloertemperatuur meet) kan in een andere ruimte geplaatst worden. De EasyTemp thermostaat ET31A/AF/F Deze handleiding geldt voor de onderstaande types: Op de doos Model ET31A, ET31AF en ET31F Model ET31A. Thermostaat regelt de ruimte temperatuur. (Niet geschikt voor

Nadere informatie

Ontvanger met GSM-transmissie GSM 700

Ontvanger met GSM-transmissie GSM 700 HANDLEIDING Ontvanger met GSM-transmissie GSM 700 www.tempolec.be 01. INTRODUCTIE Ontvanger met : - een GSM-transmissie - een uitgang (contact NO / NF spanningsvrij). Mogelijke functie van de uitgang :

Nadere informatie

Lichtsturing Dimt waaier aan lampen

Lichtsturing Dimt waaier aan lampen ichtsturing Dimt waaier aan lampen De tijd dat verlichting nog gewoon bestond uit het aan en uitknippen van lampen, ligt ver achter ons. Tegenwoordig kun je er veel creatiever mee omspringen. Je programmeert

Nadere informatie

2014-03-21 GSM500 PROGRAMMATIE HANDLEIDING

2014-03-21 GSM500 PROGRAMMATIE HANDLEIDING 2014-03-21 GSM500 PROGRAMMATIE HANDLEIDING 1. Aansluitschema 2. Specificaties Voedingsspanning 7-32 Vdc GSM frequentie GSM 850/900/1800/1900 MHz Werkingstemperatuur -20 C tot + 55 C Gewicht 220 gr Afmetingen

Nadere informatie

K-Steel deuropenermodule 1156/10 met numeriek toetsenbord

K-Steel deuropenermodule 1156/10 met numeriek toetsenbord K-Steel deuropenermodule 1156/10 met numeriek toetsenbord Versie 2.0 - februari 2007 Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend. Wijzigingen voorbehouden. Mogelijkheden De deuropenermodule kan

Nadere informatie

Applicatiesoftware Tebis

Applicatiesoftware Tebis 5 Applicatiesoftware Tebis STXB322 V 1.x 2 ingangen / Schakeluitgang inbouw, 2-v LED (licht / jal. / venti.) (Status indicatie) STXB344 V 1.x 4 ingangen / Schakeluitgang inbouw, 4-v LED (licht / jal. /

Nadere informatie

Programmeerbare plug-in thermostaat HT-600

Programmeerbare plug-in thermostaat HT-600 Deze plug-in thermostaat is bestemd voor gebruik in elektrische verwarmingselementen en soortgelijke apparatuur. Knop Functie Stroom aan/uit Temp. omhoog of temp. instellen Temp. omlaag of temp. instellen

Nadere informatie

HANDLEIDING - LEVEL INDICATOR M A N U A L

HANDLEIDING - LEVEL INDICATOR M A N U A L HANDLEIDING - LEVEL INDICATOR M A N U A L Ondanks de grootst mogelijke zorgvuldigheid die Tasseron Electronics B.V. aan haar producten en de bijbehorende handleidingen besteedt, kunnen er onvolkomenheden

Nadere informatie

HANDLEIDING QUICKHEAT-FLOOR THERMOSTAAT

HANDLEIDING QUICKHEAT-FLOOR THERMOSTAAT HANDLEIDING QUICKHEAT-FLOOR THERMOSTAAT Technische gegevens: Spanning: 230-240VAC + aarde Frequentie: 50-60Hz Weerstandsbelasting: 16A (3600W-230VAC) Inductieve belasting: 1A IP Waarde: IP21 Aanpassing:

Nadere informatie

HANDLEIDING WINDMETER IED SAG-105WR (10/2009)

HANDLEIDING WINDMETER IED SAG-105WR (10/2009) HANDLEIDING WINDMETER IED SAG-105WR (10/2009) indic bvba, Molenberglei 21, B-2627 Schelle, tel +32(0)3 451 93 93 - fax +32(0)3 887 30 61 www.indiconline.com 1 Inhoud 1 Inhoud... 2 2 CE certificaat... 3

Nadere informatie

Inhoudsopgave. Handleiding: MC5508.20070830 v2.0a. Pagina - 1 -

Inhoudsopgave. Handleiding: MC5508.20070830 v2.0a. Pagina - 1 - Inhoudsopgave INHOUDSOPGAVE...1 INLEIDING...2 UITVOERING...2 MC55081...2 MC55082...2 AANSPRAKELIJKHEID EN GARANTIE...2 ALGEMENE WERKING...3 Maximale stuurtijd beveiliging...3 Omschakel beveiliging...3

Nadere informatie

TECHNISCHE HANDLEIDING

TECHNISCHE HANDLEIDING TECHNISCHE HANDLEIDING TIMER SCHAKELAAR Sleutelschakelaar met timerfunctie 230/380V / 4 x 10 Amp - 1 x 2 AMP inschakelbaar incl. LED controle, uitvoering opbouw ASW BV 2011 Technische Handleiding Documentversie

Nadere informatie

MC 885 HL CMP Hoog/Laag Brander Thermostaat

MC 885 HL CMP Hoog/Laag Brander Thermostaat MC 885 HL CMP Hoog/Laag Brander Thermostaat VDH doc: 9675 Versie: v. Datum: 7729 Software: 9668 MC885HLCMP File: Do9675.wpd Regelbereik: 5/+7 C per, C * Werking De MC 885 HL CMP is een brander thermostaat

Nadere informatie

KEYSTONE. OM8 - EPI 2 AS-Interface module Handleiding voor installatie en onderhoud. www.pentair.com/valves

KEYSTONE. OM8 - EPI 2 AS-Interface module Handleiding voor installatie en onderhoud. www.pentair.com/valves KEYSTONE Inhoud 1 Optionele module 8: AS-Interface module 1 2 Installatie 1 3 Communicatiekenmerken 1 4 Beschrijving van de OM8 AS-Interface module 2 5 AS-Interface protocol 3 6 Communicatie-interface

Nadere informatie

GA-1 Alarmtoestel vetafscheider Installatie- en bedieningsinstructies

GA-1 Alarmtoestel vetafscheider Installatie- en bedieningsinstructies Labkotec Oy Myllyhaantie 6 FI-33960 PIRKKALA FINLAND Tel: +358 29 006 260 Fax: +358 29 006 1260 19.1.2015 Internet: www.labkotec.com 1/11 GA-1 Alarmtoestel vetafscheider Auteursrecht 2015 Labkotec Oy INHOUDSOPGAVE

Nadere informatie

Gebruikershandleiding

Gebruikershandleiding Gebruikershandleiding EXCLUSIV COMPACT THERMOSTAAT Dit product heeft de volgende eigenschappen: 1) Regeling van de verwarming 2) Eenvoudig te programmeren 3) Twee programma's: programma ingesteld af fabriek

Nadere informatie

Toepassingsvoorbeeld: Bestaand alarmsysteem met e- Domotica koppelen

Toepassingsvoorbeeld: Bestaand alarmsysteem met e- Domotica koppelen Toepassingsvoorbeeld: Bestaand alarmsysteem met e- Domotica koppelen NL Toepassingsvoorbeeld: Bestaand alarmsysteem met e-domotica koppelen Inhoudsopgave 2 NEDERLANDS 1.0 Introductie...2 1.1 Koppelen met

Nadere informatie

AC-239-2 ZONE ALARMCONTROLLER MET DEURBEL HANDLEIDING

AC-239-2 ZONE ALARMCONTROLLER MET DEURBEL HANDLEIDING AC-239-2 ZONE ALARMCONTROLLER MET DEURBEL HANDLEIDING Handleiding AC-239 1. Beschrijving Uw AC-239 is een economische en veelzijdige alarmcontroller uitgerust met twee beveiligingszones en ingebouwde deurbel.

Nadere informatie

Handleiding voor VAT810-CO2/SD-B Luchtkwaliteit monitor

Handleiding voor VAT810-CO2/SD-B Luchtkwaliteit monitor Handleiding voor VAT810-CO2/SD-B Luchtkwaliteit monitor 1. Algemene beschrijving 2. Gebruiksvoorschriften 3. Bediening & Aansluitingen 4. Gebruiksinstructies 5. Stroomvoorziening 6. Communicatie 7. Uitgangsignaal

Nadere informatie

A.n.B. Security n.v. Rue de Joie, 21 4000 Luik België. Tel. +32 4 229 37 97 Fax. +32 4 229 50 94. info@anb-sa.be www.anb-sa.be.

A.n.B. Security n.v. Rue de Joie, 21 4000 Luik België. Tel. +32 4 229 37 97 Fax. +32 4 229 50 94. info@anb-sa.be www.anb-sa.be. A.n.B. Security n.v. Rue de Joie, 21 4000 Luik België Tel. +32 4 229 37 97 Fax. +32 4 229 50 94 info@anb-sa.be www.anb-sa.be Opties Catalogus MiniDo Jaar 2007 BTW 424 592 259 RCLg 204 179 Fortis 240-0388800-28

Nadere informatie

Gebruiksaanwijzing DSC785 Dry/Store Controller

Gebruiksaanwijzing DSC785 Dry/Store Controller Gebruiksaanwijzing DSC785 Dry/Store Controller VDH doc. 941060 Versie: V1.2 Datum: 01-09-99 (vanaf software versie V1.04) * Werkingsbeschrijving. De DSC785 Dry/Store Controller is een speciale regelaar

Nadere informatie

Thermostaat met display

Thermostaat met display H/LN4691-0 674 59-64170 Thermostaat met display RA00118AA_U-01PC-13W38 www.homesystems-legrandgroup.com Inhoudsopgave Thermostaat met display 1 Thermostaat met display 4 1.1 Functionering 4 1.2 Wat voor

Nadere informatie

Technische handleiding Versie 01/11 SERVER-CONTROL

Technische handleiding Versie 01/11 SERVER-CONTROL Technische handleiding Versie 01/11 SERVER-CONTROL Deze handleiding voor het installeren en bedienen van de server-control zorgvuldig doorlezen en navolgen. Deze handleiding binnen handbereik van de airconditioner

Nadere informatie

MC 785D-6p in- en opbouw

MC 785D-6p in- en opbouw MC 785D6p in en opbouw Gebruiksaanwijzing Omschrijving : MC 785D6P Thermostaat Doc.nr.: 97076 Soort: HANDLEIDING Aantal bladen: 2 Versie: V.3 Bestand: Do97076 MC785D6P v3 NL.wpd Software: MC785D6P Versie:

Nadere informatie

VMB1BLS 1-kanaals rolluiksturing voor universele montage. Handleiding

VMB1BLS 1-kanaals rolluiksturing voor universele montage. Handleiding VMB1BLS 1-kanaals rolluiksturing voor universele montage Handleiding Inhoud 1. Beschrijving... 3 2. Onderdelen... 3 3. Aansluitschema s... 2 3.1. In een Velbus domotica-installatie... 2 3.2. Standalone...

Nadere informatie

Draadloze zoneregelaar HCE80. Handleiding bij het inleren

Draadloze zoneregelaar HCE80. Handleiding bij het inleren Inleer handleiding Draadloze zoneregelaar HCE80 Handleiding bij het inleren Wat doen we eerst? 1. Het aansluiten van de motoren MT4-230-NC op de HCE80!!!! 2. Op 1 zone kunnen maximaal 3 motoren MT4-230-NC

Nadere informatie

Olympia EKM 2100. (vertaling Zonnepanelen123 als service voor gebruikers)

Olympia EKM 2100. (vertaling Zonnepanelen123 als service voor gebruikers) (vertaling Zonnepanelen123 als service voor gebruikers) Vooraf: De Olympia EKM2100 is oorspronkelijk bedoeld als meetinstrument voor het meten van het verbruik van energie van uw apparaten. De EKM2100

Nadere informatie

Switch. Handleiding 200.106.110117

Switch. Handleiding 200.106.110117 Switch Handleiding 200.106.110117 Hartelijk dank voor uw aanschaf van deze uitbreiding van uw Plugwise systeem. Met de Switch kunt u draadloos de elektrische stroom naar de apparaten in uw Plugwise netwerk

Nadere informatie

GfS Day Alarm. Algemene omschrijving...p. 2. Montage handleiding en functies...p. 3. Instellingen van magneet contacten...p. 4

GfS Day Alarm. Algemene omschrijving...p. 2. Montage handleiding en functies...p. 3. Instellingen van magneet contacten...p. 4 Art.-Nr.: Art.-Nr.: Montage handleiding Inhoud Algemene omschrijving...p. Montage handleiding en functies...p. Instellingen van magneet contacten...p. Aansluiting met draadloos magneet contact...p. Aansluiting

Nadere informatie

Productinformatie. ORION-VS Klimaatcomputer met centrale regelingen (SIRIUS)

Productinformatie. ORION-VS Klimaatcomputer met centrale regelingen (SIRIUS) Productinformatie Hotraco Agri BV Stationsstraat 142 5963 AC Hegelsom Tel +31 (0)77 327 50 20 Fax +31 (0)77 327 50 21 info@hotraco.com www.hotraco.com Klimaatcomputer met centrale regelingen (SIRIUS) Klimaatcomputer

Nadere informatie

27/03/2014. GSM102 2 relais GSM OPENER PROGRAMMATIE HANDLEIDING

27/03/2014. GSM102 2 relais GSM OPENER PROGRAMMATIE HANDLEIDING 27/03/2014 GSM102 2 relais GSM OPENER PROGRAMMATIE HANDLEIDING 1. Aansluitschema s 2. Specificaties Voedingsspanning -24 Vac-dc Stroomverbruik Maximum 250 ma, nominaal 55 ma GSM frequentie GSM 850/900/1800/1900

Nadere informatie

Inhoudsopgave. 1 kanaal din-rail dimmers... 48 2 & 4 kanaal din-rail dimmers... 49 TL & PL regelen van 0% tot 100%... 50

Inhoudsopgave. 1 kanaal din-rail dimmers... 48 2 & 4 kanaal din-rail dimmers... 49 TL & PL regelen van 0% tot 100%... 50 Inhoudsopgave VARINTENS: Din-Rail dimmers 1 kanaal din-rail dimmers... 48 2 & 4 kanaal din-rail dimmers... 49 TL & PL regelen van 0% tot 100%... 50 1 Din-rail 1 kanaal dimmer Artikelcode / Omschrijving

Nadere informatie

Gebruikshandleiding App Intercall Remote ViP

Gebruikshandleiding App Intercall Remote ViP NL TECHNISCHE HANDLEIDING Gebruikshandleiding App Intercall Remote ViP VOOR APPARATEN: www.comelitgroup.com App Intercall Remote ViP installeren... Configuratie van de applicatie... 4 Een oproep beantwoorden...

Nadere informatie

Intelligente Zonne-energie Regelaar Solar30

Intelligente Zonne-energie Regelaar Solar30 Intelligente Zonne-energie Regelaar Solar30 Gebruikershandleiding Lees deze handleiding zorgvuldig door voordat u dit product gaat gebruiken. SOLAR30 12V/24V AUTO WORK 1 Productintroductie Deze regelaar

Nadere informatie

DISPLAY WM44-P (11/2009)

DISPLAY WM44-P (11/2009) HANDLEIDING UITLEZING MET SETPUNTEN DISPLAY WM44-P (11/2009) indic bvba, Molenberglei 21, B-2627 Schelle, tel +32(0)3 451 93 93 - fax +32(0)3 887 30 61 www.indiconline.com 1 Inhoud 1 Inhoud... 2 2 CE certificaat...

Nadere informatie

Het Keypad (met segmenten)

Het Keypad (met segmenten) Het Keypad (met segmenten) Het JABLOTRON 100 systeem kan worden gebruikt met verschillende type keypads waarmee het systeem kan worden bediend, en die informatie geven omtrent de status van het systeem

Nadere informatie

Timer TI 100. Nederlandse Handleiding. w w w. b i t n e d e r l a n d. n l

Timer TI 100. Nederlandse Handleiding. w w w. b i t n e d e r l a n d. n l Timer TI 100 Nederlandse Handleiding w w w. b i t n e d e r l a n d. n l Inhoudsopgave 1. Introductie 2. Veiligheidssymbolen 3. Algemene regels 4. Technische omschrijving 4.1 Functie 5. Installatie 5.1

Nadere informatie

CCE-200, 201, 202, 203, 204 & 206 NL Elektronisch bedieningspaneel Installatie-, Montage- en Gebruikshandleiding Voor de Installateur

CCE-200, 201, 202, 203, 204 & 206 NL Elektronisch bedieningspaneel Installatie-, Montage- en Gebruikshandleiding Voor de Installateur CCE-200, 201, 202, 203, 204 & 206 NL Elektronisch bedieningspaneel Installatie-, Montage- en Gebruikshandleiding Voor de Installateur Inhoudsopgave Overzicht van elektronische ketelpanelen en bedieningen...

Nadere informatie

Optinet SX/MX. Installatiehandleiding. Opticom Engineering B.V.

Optinet SX/MX. Installatiehandleiding. Opticom Engineering B.V. Optinet SX/MX Installatiehandleiding Opticom Engineering B.V. INSTALLATIE - 2 - oktober 2010 TOEPASSING De Optinet is een complete communicatie interface voor het fabrikaat onafhankelijk beheren en bewaken

Nadere informatie

VALIO XP KLOKTHERMOSTAAT

VALIO XP KLOKTHERMOSTAAT De VALIO XP opbouw klokthermostaat is ontwikkeld om elektrische- en conventionele verwarmingsinstallaties te kunnen schakelen aan de hand van de ingestelde temperatuur en tijd. Mogelijkheden en voordelen

Nadere informatie

Verkorte Gebruiker Handleiding

Verkorte Gebruiker Handleiding Verkorte Gebruiker Handleiding Inhoud Algemeen... 3 Het keypad... 3 Functietoetsen... 4 Cijfertoetsen... 4 Navigatietoetsen... 4 LCD scherm... 4 Signalisatie LED s... 6 Noodtoetsen... 6 De verschillende

Nadere informatie

GEBRUIKSAANWIJZING HD-9022. Microprocessor Volledig vrij instelbare controller

GEBRUIKSAANWIJZING HD-9022. Microprocessor Volledig vrij instelbare controller GEBRUIKSAANWIJZING HD-9022 Microprocessor Volledig vrij instelbare controller HD9022 MICROPROCESSOR CONFIGURATIE CONTROLLER De microprocessor gestuurde controller HD9022 is een aflees- en regelunit met

Nadere informatie

FP400-serie. Klassieke microprocessorgestuurde brandmeld- en detectiepanelen. Gebruikershandleiding

FP400-serie. Klassieke microprocessorgestuurde brandmeld- en detectiepanelen. Gebruikershandleiding FP400-serie Klassieke microprocessorgestuurde brandmeld- en detectiepanelen Gebruikershandleiding Versie 2.3 / Juni 2004 Aritech is een merknaam van GE Interlogix. http://www.geindustrial.com/ge-interlogix/emea

Nadere informatie

ACS-30-EU-PCM2-x-32A

ACS-30-EU-PCM2-x-32A Regeling en controle van heat-tracing voor meerdere toepassingen in commerciële en residentiële gebouwen Stroom- en regelmodule (PCM) Beschrijving De Raychem ACS-30-EU-PCM2-stroom- en regelmodule levert

Nadere informatie

1103/2 Sinthesi lezermodule Proximity

1103/2 Sinthesi lezermodule Proximity 1103/2 Sinthesi lezermodule Proximity Installatiehandleiding Versie 1.2 - januari 2007 Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend. Wijzigingen voorbehouden. Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 2. Technische

Nadere informatie

TV DRC 868 A01 - TV DRC 000 A01, dimmer

TV DRC 868 A01 - TV DRC 000 A01, dimmer TV DRC 868 A01 - TV DRC 000 A01, dimmer Toepassing De ontvanger TV DRC is voorzien voor wandmontage m.b.v. een inbouwdoos. Zijn functie bestaat uit het manueel of radiogestuurd dimmen van een belasting

Nadere informatie

Gebruikershandleiding GeoChaser Guard

Gebruikershandleiding GeoChaser Guard Gebruikershandleiding GeoChaser Guard 1.Introductie De GeoChaser is een krachtig IP67 waterdicht GPS-volgsysteem ontworpen voor tracering van voertuigen. Het apparaat heeft superieure ontvangstgevoeligheid,

Nadere informatie

GA-2 Alarmtoestel vetafscheider met twee sensoren Installatie- en bedieningsinstructies

GA-2 Alarmtoestel vetafscheider met twee sensoren Installatie- en bedieningsinstructies Labkotec Oy Myllyhaantie 6 FI-33960 PIRKKALA FINLAND Tel: + 358 29 006 260 Fax: + 358 29 006 1260 19.1.2015 Internet: www.labkotec.fi 1/11 GA-2 Alarmtoestel vetafscheider met twee sensoren Auteursrecht

Nadere informatie

Domotica in drie stappen: Systeem omschrijving: DDNET:

Domotica in drie stappen: Systeem omschrijving: DDNET: dmxdomotica DDC1-IP Controller. Ipad en Android Simplistic Light Domotica in drie stappen: 1: Monteren componenten en aansluiten. 2: Adressen instellen op de DMX dimmers Zones in stellen op de drukknop

Nadere informatie

Productinformatie. ORION-VA Klimaatcomputer met centrale regelingen (IRIS)

Productinformatie. ORION-VA Klimaatcomputer met centrale regelingen (IRIS) Productinformatie Hotraco Agri BV Stationsstraat 142 5963 AC Hegelsom Tel +31 (0)77 327 50 20 Fax +31 (0)77 327 50 21 info@hotraco.com www.hotraco.com Klimaatcomputer met centrale regelingen (IRIS) Klimaatcomputer

Nadere informatie

Productvergelijking en bijbehorende accessoires. EasyCon GSM. ProCon GSM. Proline GSM. GSM Modules

Productvergelijking en bijbehorende accessoires. EasyCon GSM. ProCon GSM. Proline GSM. GSM Modules Productvergelijking en bijbehorende accessoires EasyCon GSM ProCon GSM Proline GSM GSM Modules Inhoudsopgave Pagina Vergelijking GSM modules 3 EasyCon GSM 4 Accessoires bij de EASY series 5 ProCon GSM

Nadere informatie

Relaismodule CP24. Aansluitklemmen. Toepassingsgebieden

Relaismodule CP24. Aansluitklemmen. Toepassingsgebieden elaismodule CP24 Toepassingsgebieden De relaismodule CP24 heeft 4 relaisuitgangen. Deze uitgangen kunnen rechtstreeks de verschillende lastkringen schakelen. In de meeste gevallen zijn het de lichtkringen

Nadere informatie

EASYPLUS PRE DOMOTICA

EASYPLUS PRE DOMOTICA EASYPLUS PRE DOMOTICA 1 of 11 EASYPLUS PRE DOMOTICA... 1 Algemeen... 3 2. PRE08008 : PRE domotica systeem met 8 uitgangen... 3 3. PRE08016 : PRE domotica systeem met 16 uitgangen... 4 4. PRE08024 : PRE

Nadere informatie

Installatiehandleiding

Installatiehandleiding 353000 Module Toetsenbord Sfera Installatiehandleiding 06/12-01 PC 2 Module Toetsenbord Sfera Inhoudsopgave 1 Inleiding 4 1.1 Mededelingen en tips 4 Installatiehandleiding 2 Beschrijving 5 2.1 Hoofdfuncties

Nadere informatie

AT1G26-200. rev.0110. Toegangscontrole Module AT1G26-200. Handleiding. thinks outside the box!

AT1G26-200. rev.0110. Toegangscontrole Module AT1G26-200. Handleiding. thinks outside the box! AT1G26-200 rev.0110 Toegangscontrole Module AT1G26-200 Handleiding PRODUCT SPECIFICATIE Modelen AS-626M-200, AS-626S-200, AS-634-200, AT1G26-200 Opbouw Antivandaal Geborsteld aluminium behuizing Tot 200

Nadere informatie

+ - Installatie instructies DIM 350/700mA L N

+ - Installatie instructies DIM 350/700mA L N Installatie instructies DIM 350/700mA Eigenschappen Te gebruiken voor diodes met een constante stroom. Dimbaar met fase afsnij dimmers. Bescherming tegen overbelasting. Bescherming tegen kortsluiting.

Nadere informatie

SmartHome Huiscentrale

SmartHome Huiscentrale installatiehandleiding SmartHome Huiscentrale Vervanging voor Egardia Huiscentrale (model GATE-01) INSTALLATIEHANDLEIDING SMARTHOME HUISCENTRALE Website Egardia www.egardia.com Klantenservice Meer informatie

Nadere informatie

Gebruikshandleiding E515

Gebruikshandleiding E515 BINNEN BUITEN blad 1/6 Optioneel: externe codegever inbouwdoos drukknopschakelaar inbouwdoos schakelaar aansluiting voor besturingseenheid voeding: installatie in elektrische schakelkast aanbevolen montagehoogte:

Nadere informatie

HAM841K ALARMCONTROLEPANEEL VOOR COMMERCIËLE EN RESIDENTIËLE TOEPASSINGEN

HAM841K ALARMCONTROLEPANEEL VOOR COMMERCIËLE EN RESIDENTIËLE TOEPASSINGEN ALARMCONTROLEPANEEL VOOR COMMERCIËLE EN RESIDENTIËLE TOEPASSINGEN GEBRUIKERSHANDLEIDING GEBRUIKERSHANDLEIDING ALARMCONTROLEPANEEL VOOR COMMERCIËLE EN RESIDENTIËLE TOEPASSINGEN IEIDING De (HA-841K) is een

Nadere informatie

Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948

Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948 Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948 Belangrijke informatie Gefeliciteerd met de aankoop van uw voertuig beveiligingsysteem. Het is ontworpen om jaren van probleemloze

Nadere informatie

Sinthesi Deuropenermodule

Sinthesi Deuropenermodule Sinthesi Deuropenermodule 1105/3 met numeriek toetsenbord Elbo Technology b.v. Versie 1.1 - juni 2009 Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend. Wijzigingen voorbehouden. Handleiding Sinthesi

Nadere informatie

Elektronische sluitertijd 1/50 tot 1/100000 auto dubbel pyroelektrisch element

Elektronische sluitertijd 1/50 tot 1/100000 auto dubbel pyroelektrisch element Z/W CCD PIR CAMERA SPECIFICATIES Opneem element 1/3" SONY CCD beeldsensor Aantal pixels 500(H) x 582(V) Resolutie 400 TV lijnen Min. illuminantie 0.1 Lux / F2.0 S/R-verhouding meer dan 48dB Elektronische

Nadere informatie

NPS-16 Burenalarmeringssysteem

NPS-16 Burenalarmeringssysteem Handleiding voor Alphatronics B.V. de gebruiker NPS-16 Burenalarmeringssysteem Burenalarmeringssysteem Revisie A Uitgave 10-1998 Alphatronics B.V. (MDK) INHOUD INHOUD... Pagina 1 Introductie... Pagina

Nadere informatie

Sensor Test Unit TSK40A

Sensor Test Unit TSK40A Product Info Sensor Test Unit TSK40A Eenvoudig testen van diverse typen sensoren Instellingen manueel of snel via de PC te wijzigen Standaard kabels voor het snel aansluiten van sensoren Algemeen De sensor

Nadere informatie

BEDIENPANEEL Productspecificaties

BEDIENPANEEL Productspecificaties BEDIENPANEEL Productspecificaties Publicatiedatum: juli 2013 Documentgegevens Initiële publicatiedatum: juli 2013 Publicatiedatum NL vertaling: juni 2014 Documentversie: 1.1 Documentstatus: Definitief

Nadere informatie

MONTAGEHANDLEIDING RK-65K

MONTAGEHANDLEIDING RK-65K MONTAGEHANDLEIDING RK-65K INLEIDING De RK-65K is een programmeerbare nabijheidslezer voor 1 deur die een toegang controleert tot 65.000 gebruikers. De lezer kan een elektrisch slot of een automatisatie

Nadere informatie

HANDLEIDING CIFERO XT CODEKLAVIER

HANDLEIDING CIFERO XT CODEKLAVIER HANDLEIDING CIFERO XT CODEKLAVIER April 2014 TECHNISCHE GEGEVENS Aansluitspanning 12 tot 24V AC/DC ±20% Stroomverbruik in rust o bij gelijkspanning 20mA DC o bij wisselspanning 80mA AC Maximaal stroomverbruik

Nadere informatie

Integratie van Net2 met een inbraakalarmsysteem

Integratie van Net2 met een inbraakalarmsysteem Integratie van met een inbraakalarm Overzicht kan controleren of het inbraakalarm in of uit geschakeld is. Als het alarm aan staat zal alleen toegang verlenen aan gebruikers die gemachtigd zijn om het

Nadere informatie

26 Gespreksgeheim. 26 Gelijktijdige inschakeling van beeldschermen. binnen de woning. 27 Drukknop voor slotsturing

26 Gespreksgeheim. 26 Gelijktijdige inschakeling van beeldschermen. binnen de woning. 27 Drukknop voor slotsturing 24 SYSTEEMFUNCTIES INT 346850 EXT OFF INHOUDSOPGAVE 26 De oproep 26 Gespreksgeheim 26 Gelijktijdige inschakeling van beeldschermen binnen de woning 27 Drukknop voor slotsturing 27 Drukknop voor trappenhuisverlichting

Nadere informatie

PRODUCTINFORMATIE. Schakelen en dimmen van energiezuinige lampen

PRODUCTINFORMATIE. Schakelen en dimmen van energiezuinige lampen Schakelen en dimmen van energiezuinige lampen Langs deze weg willen wij als fabrikant van schakelmateriaal en woningautomatiseringssystemen duidelijkheid scheppen over de gevolgen van het schakelen en

Nadere informatie

Installatie-instructie

Installatie-instructie Document vertaald uit het Engels -NL 2013-06-25 A003 Inhoudsopgave 1 Conformiteitsverklaring... 1 2 Waarschuwingen... 2 3 Inleiding product... 3 3.1 Algemeen... 3 3.1.1 Beschrijving van de ruimteregeling...

Nadere informatie

Stappenplan installeren UMR Vario

Stappenplan installeren UMR Vario Stappenplan installeren UMR Vario stap invullen sl tabbel op blz... 1 begin met het invullen van de tabel in de handleiding. dit geeft een duidelijk overzicht voor de volgende stappen. alle bekabeling

Nadere informatie

088U0240 / 088U0245. Handleiding CF-MC Hoofdregelaar

088U0240 / 088U0245. Handleiding CF-MC Hoofdregelaar 088U0240 / 088U0245 NL Handleiding 2 Danfoss Heating Solutions VIUHK710 Danfoss 03/2011 Inhoud 1. Inleiding...................................................................... 4 2. Overzicht van het

Nadere informatie

Elektronische draadloze ruimtethermostaat D9380 RF-T

Elektronische draadloze ruimtethermostaat D9380 RF-T Elektronische draadloze ruimtethermostaat D9380 RF-T 1 INHOUDSOPGAVE Inleiding 3 Bediening en display 3 Bediening 3 Display 4 Handleiding voor gebruik 4 Gebruiksfuncties 5 Functie COMFORT 5 Functie ECO

Nadere informatie

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding Rho-Delta b.v. Escudostraat 2 2991 XV Barendrecht Tel. +03110-4795755 Fax. +03110-2927461 www.rhodelta.nl info@rhodelta.nl - OMSCHRIJVING De GT-912 /GT-913/GT-914

Nadere informatie

NRS 2-4. Gebruiksaanwijzing 810552-00 HN-schakelaar NRS 2-4

NRS 2-4. Gebruiksaanwijzing 810552-00 HN-schakelaar NRS 2-4 NRS 2-4 Gebruiksaanwijzing 810552-00 HN-schakelaar NRS 2-4 Inhoudsopgave blz. Belangrijke instructies Veiligheidsinstructies...7 Waarschuwing...7 Verklaringen Verpakkingsinhoud...8 Systeembeschrijving...8

Nadere informatie

Emotron PTC/PT100 board 2.0 Optie

Emotron PTC/PT100 board 2.0 Optie Emotron PTC/PT100 board 2.0 Optie Gebruiksaanwijzing Nederlands Emotron PTC/PT100 board 2.0 Optie Gebruiksaanwijzing - Nederlands Documentnummer: 01-5920-03 Uitgave: r0 Datum van uitgifte: 01-03-2012

Nadere informatie

+31 (0)900 1200 003 E:

+31 (0)900 1200 003 E: Temperatuur - luchtvochtigheid PCE-1 WMS Uitbreidbaar temperatuur en vochtigheid - Meetsysteem bijvoorbeeld Magazijn of Productie hal (maximaal 100 meetpunten worden bewaakt) Het meetsysteem voor magazijn

Nadere informatie

Gebruikershandleiding BT TRANSPONDER

Gebruikershandleiding BT TRANSPONDER Gebruikershandleiding BT TRANSPONDER Voorwoord Hartelijk dank voor het gebruik van de MOPAS BT Transponder. Wij hebben met de grootste zorg deze applicatie en het device ontwikkeld om personen in staat

Nadere informatie

Domotica en communicatie Unica Wireless

Domotica en communicatie Unica Wireless Presentatie P104878 D17 Presentatie Scenario s Draadloos comfort is een gamma draadloze producten die gebruik maken van radiotechnologie (RF) om informatie uit te wisselen. Deze producten zijn uitermate

Nadere informatie

VMB2BLE. Eigenschappen van de rolluikmodule VMB2BLE. (screenshots van velbuslink 8.19) By KRIS DAELMAN

VMB2BLE. Eigenschappen van de rolluikmodule VMB2BLE. (screenshots van velbuslink 8.19) By KRIS DAELMAN VMB2BLE Eigenschappen van de rolluikmodule VMB2BLE (screenshots van velbuslink 8.19) By KRIS DAELMAN A. Inleiding B. Eigenschappen C. Configuratie Algemeen Alarmen Zonsopgang/zonsondergang Kalender D.

Nadere informatie

De Melker Desinfectie besturingsysteem

De Melker Desinfectie besturingsysteem De Melker Desinfectie besturingsysteem Inhoudsopgave: Pagina Beschrijving 3 Specificatie 3 Montage 3 In gebruikname 3 Werking 4 Alarmcontact 4 Contact Pulse besturingskast 4 Contact mechanisch ventiel

Nadere informatie

GEBRUIKSAANWIJZING PORTADIAL INTERFACE TYPE 5. Toepasbaar vanaf software versie: V1.4

GEBRUIKSAANWIJZING PORTADIAL INTERFACE TYPE 5. Toepasbaar vanaf software versie: V1.4 GEBRUIKSAANWIJZING PORTADIAL INTERFACE TYPE 5 Toepasbaar vanaf software versie: V1.4 PortaDial Interface Type 5 gebruiksaanwijzing 2 INHOUD BLZ. Inhoud... Algemeen... Toepassing... Faciliteiten.... Technische

Nadere informatie

T6590B1000 FANCOIL REGELAAR KENMERKEN TOEPASSINGEN PRODUCT GEGEVENS

T6590B1000 FANCOIL REGELAAR KENMERKEN TOEPASSINGEN PRODUCT GEGEVENS T6590B1000 FANCOIL REGELAAR PRODUCT GEGEVENS KENMERKEN TOEPASSINGEN De T6590B1000 ruimteregelaar is ontworpen om de regelafsluiters, ventilator en extra elektrische in fancoil systemen te regelen. Een

Nadere informatie

HANDLEIDING BEWEGINGSMELDER

HANDLEIDING BEWEGINGSMELDER HANDLEIDING BEWEGINGSMELDER Inhoud INSTALLATIE... 2 GEVOELIGHEIDSDETECTIE... 3 HUISDIERMODUS... 4 TESTEN... 5 WANNEER IS DE BEWEGINGSMELDER ACTIEF?... 6 LED AAN/UIT SELECTIE... 6 DETECTIEPATROON... 6 VEELGESTELDE

Nadere informatie

Nunu Modulentechniek Serie FM2000 Technische documentatie

Nunu Modulentechniek Serie FM2000 Technische documentatie Nunu Modulentechniek Serie FM2000 Technische documentatie t f w nunu bv besturingstechniek cybernetics postbus 5173, 3295 zh s-gravendeel mijlweg 51, 3295 kg s-gravendeel 078 6739311 078 673 4360 www.nunu.nl

Nadere informatie

Bedieningshandleiding. Vloerverwarmingsthermostaat

Bedieningshandleiding. Vloerverwarmingsthermostaat Bedieningshandleiding 1. Toepassingsgebied Voor het reguleren van de temperatuur van elektrische vloerverwarmingsinstallaties. 2. Functie De vloerthermostaat bestaat uit twee delen: Controleunit voor het

Nadere informatie

Handleiding WIFI videofoon type WIFI106

Handleiding WIFI videofoon type WIFI106 Handleiding WIFI videofoon type WIFI106 Bedankt voor de aankoop van dit draadloos videofoon systeem. Alvorens over te gaan tot de installatie van dit product vragen we u om eerst deze handleiding aandachtig

Nadere informatie

dmxdomotica DDC1-IP-RGB Controller. Simplistic Light Domotica in drie stappen:

dmxdomotica DDC1-IP-RGB Controller. Simplistic Light Domotica in drie stappen: dmxdomotica DDC1-IP-RGB Controller. Simplistic Light Domotica in drie stappen: 1: Monteren componenten en aansluiten. 2: Adressen instellen op de DMX dimmers Zones in stellen op de drukknop interfaces.

Nadere informatie

Data sheet. MJK Automation B.V. Castricummer Werf 144 NL-1901 RS Castricum Tel.: 0251-672171 Fax: 0251-671951 mjk@mjk.com www.mjk.

Data sheet. MJK Automation B.V. Castricummer Werf 144 NL-1901 RS Castricum Tel.: 0251-672171 Fax: 0251-671951 mjk@mjk.com www.mjk. De Comtroller 702 is ontworpen voor controle en monitoring van kleinere pompstations en watervoorraad-stations. De Comtroller 702 is een complete unit met in- en uitgangen, CPU, datalogger en communicatie-poort

Nadere informatie

Room Controller NEW BEDIENING 40KMC---N 42HMC---N 42VMC---N 40SMC---N I S O 9 00 1

Room Controller NEW BEDIENING 40KMC---N 42HMC---N 42VMC---N 40SMC---N I S O 9 00 1 LLOYD'S REGISTER QUALITY ASSURANCE Room Controller NEW I S O 9 00 1 40KMC---N 42HMC---N 42VMC---N 40SMC---N BEDIENING Bediening Deze regelaars werken alleen met de volgende typen binnenunits: 42HMC---N

Nadere informatie

DE ZON GEEFT ONS ENERGIE, SANTON GEEFT ONS VEILIGHEID VEILIGHEIDSSLEUTEL ALLE KABELS ZIJN STROOMVRIJ AFSTANDSBEDIENING

DE ZON GEEFT ONS ENERGIE, SANTON GEEFT ONS VEILIGHEID VEILIGHEIDSSLEUTEL ALLE KABELS ZIJN STROOMVRIJ AFSTANDSBEDIENING DE ZON GEEFT ONS ENERGIE, SANTON GEEFT ONS VEILIGHEID PV-SYSTEMEN BEHOREN ZONDER TWIJFEL TOT DE MEEST INTERESSANTE MOGELIJKHEDEN ALS HET GAAT OM HET PRODUCEREN VAN ENERGIE. DE ZON SCHIJNT ELKE DAG EN LEVERT

Nadere informatie

2. BELANGRIJKSTE ELEKTRISCHE KENMERKEN

2. BELANGRIJKSTE ELEKTRISCHE KENMERKEN 1. INLEIDING De toegangscontrole EASYBKA/R is een vandalismebestendige eenheid die perfect geschikt is voor externe toepassingen. De eenheid kan bediend worden door 500 verschillende gebruikers en verschaft

Nadere informatie