's- Gravenhage, 20 februari 2007

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "'s- Gravenhage, 20 februari 2007"

Transcriptie

1 REGERINGSCOMMISSARIS VOOR DE ALGEMENE REGELS VAN BESTUURSRECHT Cïü de Minister van Justitie de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 's- Gravenhage, 20 februari 2007 Namens de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht bied ik U hierbij aan een advies omtrent de mogelijke invoering van een relativiteitsvereiste in het bestuursrecht. Zoals uit het advies blijkt, bestaat binnen de Commissie geen overeenstemming over de wenselijkheid van invoering van een dergelijk vereiste. Om die reden heeft de Commissie er van afgezien om een voorontwerp van wet op te stellen. ene recels van bestuursrecht. mr. M. Scheltema ':J G-J Posiadres: Minisierie van Jusiiiie. Posibus 20301, 2500 EH Den Haag

2 Overwegingen voor en tegen invoering van een relativiteitsvereiste in het bestuursrecht 1. Inleiding Eind 2001 deed de Commissie Evaluatie Awb II (de Commissie-Boukema) de aanbeveling om onderzoek te doen naar de voors en tegens van invoering van een relativiteits- of "Schutznorm"-vereiste in het bestuursprocesrecht.' In het kabinetsstandpunt "Naar een slagvaardiger bestuursrecht" heeft het kabinet deze aanbeveling overgenomen.^ Daarvoor reeds was een onderzoeksopdracht verstrekt aan de Universiteit van Tilburg en de Rijksuniversiteit Groningen. Dat heeft geresulteerd in een onderzoeksrapport^ dat op 16 juli 2004 aan de Tweede Kamer is aangeboden.'* Bij deze aanbieding kondigde de Minister van Justitie, mede namens zijn amblenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aan dat hij de Commissie Wetgeving algemene regels van bestuursrecht (hierna: de commissie) zou vragen: a. te adviseren over de vraag of invoering van een relativiteitsvereiste in enigerlei vorm wenselijk is, en b. indien invoering wenselijk wordt geacht, daarvoor op de gebruikelijke wijze een voorontwerp uit te brengen. Naar aanleiding van deze adviesaanvraag heeft de Commissie enkele malen beraadslaagd. Uiteindelijk is gebleken dat binnen de Commissie geen overeenstemming kan worden bereikt over de vraag of ook in het bestuursrecht een relativiteitsvereiste zou moeten gelden. Enkele leden van de Commissie beantwoorden deze vraag bevestigend, maar een groter aantal beantwoordt haar ontkennend. Een deel van deze tegenstanders ziet vooral praktische bezwaren, een ander deel heeft ook principiële bedenkingen. Gelet hierop kon de Commissie geen voorontwerp tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht opstellen. In plaals daarvan volstaat zij in dit advies met het weergeven van de argumenten voor en tegen een relativiteitsvereiste. 2. Schets van de problematiek In het privaatrecht verplicht een onrechtmatige daad slechls tol vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade, indien de geschonden rechtsnorm strekt tot bescherming tegen schade zoals de benadeelde die heeft geleden (art. 6:163 BW).' Dit wordt wel hel relativiteits- of Schutznorm-vereiste genoemd. Een dergelijke regel bestaat in het bestuursrecht niet. De bestuursrechter moet soms een besluit vernietigen omdat het in strijd is met een rechtsnorm, hoewel deze rechtnorm niet strekt lot bescherming van het belang waarin appellant is geschaad. ' Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht , Den Haag: BJu 2001, p. 22. ^ Kamerstukken II 2003/ , nr. 16 (herdruk), p.7. * J.C.A. de Poorter, B.W.N, de Waard, A.T. Marseille, M.J. Zomer, Herijldng van het belanghebbendebegrip. Een relativiteitsvereiste in het Awh-procesrecht?, Den Haag: BJu 2004, verder aan te halen als De Poorter c.s * Kamerstukken II, 2003/04, VI, nr C-;> ' Zie voor een recent geval waarin de HR oordeelde dat aan dit vereiste hièt was voldaan HR 7 mei 2004, AB 2005, 127 m.nt. FvO, NJ 2006, 281 m.nt. J. Hijma (Duwbak Linda). O 1 t:'

3 In het bestuursrecht geldt wel de regel, dat slechts belanghebbenden toegang tot de bestuursrechter hebben. Een beroep bij de bestuursrechter is slechts ontvankelijk, als de indiener van het beroepschrift door het bestreden besluit rechtstreeks in enig belang is getroffen (art. 8:1 jo. 1:2 Awb). Dit is echter slechts een toegangsdrempel. Aannemelijk moet zijn, dat het voor appellant feitelijk verschil maakt of het bestreden besluit al dan niet in stand blijft. Als deze toegangsdrempel is genomen, kan naar vaste rechtspraak appellant zich op alle op het besluit toepasselijke rechtsregels beroepen. Er behoeft geen verband te bestaan tussen de bezwaren die hij aanvoert, en het belang dat hem toegang heeft verschaft. Als appellant terecht aanvoert dat het besluit in strijd is met rechtsnorm x, wordt het besluit vernietigd, ook als rechtsnorm x niet strekt tot bescherming van het belang waarin appellant is benadeeld. ^ Een en ander is niet nieuw. Ook in de pre-awb-jurisprudentie werd het belangvereiste feitelijk ingevuld. De Awb-wetgever heeft er bewust voor gekozen om deze lijn te handhaven.' Niettemin is deze keuze de laatste jaren^ is onder vuur komen te liggen. Naast de Commissie-Boukema hebben ook de VAR-Commissie rechtsbescherming^ en onder meer Schueler"*, Schlössels", Schreuder-Vlasblom'^, Pront-van Bommel'^, Scheltema en Scheltema''' en Verheij'^ vraagtekens geplaatst bij het ontbreken van enige relativiteitstoets. Veel van deze auteurs menen dat dit soms tot oneigenlijk gebruik van rechtsbeschermingsprocedures leidt. Een veelgehoord voorbeeld is dat van de concurrent die tegen de bouwvergimning voor een supermarkt opkomt met het argument dat het vergunde bouwwerk de achtergevelrooilijn zal overschrijden of niet voldoet aan de voorschriften ter bescherming van de luchtkwaliteit. Een ander voorbeeld is dat van de bewoners van een villawijk die - overigens zonder succes - tegen de vestiging van een woonwagenkamp opkwamen met als argument dal de woonwagenbewoners teveel geluidsoverlast zouden ondervinden van een nabijgelegen zwembad.'^ Maar er is in de literatuur ook een tegengesteld geluid te horen. Onder meer De Poorter'\ Zijlstra'\ Jurgens'^ en De Waard^ hebben zich uitgesproken tegen een ^ Zie over dit belangvereiste recent J.C.A. de Poorter, De belanghebbende, (diss. Tilburg), Den Haag: BJu 2003; dez. Het belangvereiste in bestuursrechtelijke procedures, preadvies Jonge VAR, Den Haag: BJu 2004; R.J.N. Schlössels, De belanghebbende, Deventer: Kluwer ' Zie expliciet PG Awb I, p. 153 = Kamerstukken II 1990/91, , nr. 8. ^ Incidenteel was ook veel eerder al kritiek te horen: reeds P.J.J. van Buuren, Kringen van belanghebbenden, (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 1978, pleitte voor het eisen van "congruentie" tussen de bezwaren die in rechte mogen worden aangevoerd en het belang dat toegang tot de rechter verschaft. Dat is niet helemaal hetzelfde als een relativiteitsvereiste, maar gaat wel in die richting. ^ VAR-Commissie Rechtsbescherming, De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar geschilbeslechting, Den Haag: BJu 2004, blz "* B.J. Schueler, Het zand in de machine. Over de noodzaak tot beperking van de rechtsbescherming, oratie UvA 2003, Deventer: Kluwer " R.J.N. Schlössels, a.w. '^ M. Schreuder-Vlasblom, Kroniek Bestuursprocesrecht, NTB 2003, blz '^ S. Pront-van Bommel, Bestuursprocesrecht, diss. UvA 2002, Den Haag: BJu ' * M.W. Scheltema, M. Scheltema, Gemeenschappelijk recht, Deventer: Kluwer 2003, blz '^ N. Verhei], 'Uil zuinigheid naar relativiteit. Naar een Schutznormvereiste in het bestuursrecht' in: A.W. Heringa, A.M.L. Jansen, E.C.H.J. van der Linden, L.F.M. Verhey, Het bestuursrecht beschermd (liber amicorum F.A.M. Stroink), Den Haag: Sdu 2006, blz '^ ABRS 19 maart 2003, AB 2003, 191 m.nt. deo. '^ J.C.A. de Poorter, De belanghebbende, (diss. Tilburg), Den Haag: BJu 2003, blz '^ S.E. Zijlstra, 'De toekomst van de rechtsbescherming', NTB 2003/6, blz. '1:58. '^ G.T.J.M. Jurgens, Relativiteit in het bestuursrecht, oratie UU 2004, nog rijet gepubliceerd. ^ B.W.N, de Waard, 'Relativiteit en rechtsbescherming', NTB 2007/1. C:> 2 '^-o

4 relativiteitsvereiste. Zij menen dat in de genoemde voorbeelden helemaal geen sprake is van oneigenlijk gebruik van de rechtsbescherming, omdat zij menen dat een ieder die door een besluit feitelijk in zijn belang wordt getroffen, recht heeft op een in alle opzichten rechtmatig besluit. In hun visie behoeven de villabewoners uit het zojuist aangehaalde voorbeeld niet te dulden dat bijvoorbeeld hun woningen in waarde verminderen door een onrechtmatig besluit, ook niet als deze onrechtmatigheid slechts schuilt in de schending van een voorschrift dat niet strekt tot bescherming van de vermogensbelangen van de villabewoners. 3. De omvang van het probleem 3.1 Inleiding Als gezegd hebben de Universiteit van Tilburg en de Rijksuniversiteit Groningen in opdracht van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een onderzoek verricht naar de voor- en nadelen van invoering van een relativiteitsvereiste.^' Dit onderzoek bevatte zowel een juridisch-normatief als een empirisch gedeelte. In deze paragraaf worden enkele hoofdpunten uit het onderzoek kort samengevat. 3.2 Varianten De onderzoekers onderscheiden drie varianten van een relativiteitsvereiste: De ruime relativiteitsleer. In deze leer zou een belanghebbende een besluit alleen in rechte kunnen aanvechten "als het doel van de regeling waar het besluit op berust geacht moet worden mede de strekking te hebben belangen als die van de appellant te beschermen." Hier wordt de vraag welke belangen worden beschermd dus beantwoord aan de hand van het globale doel van de regeling als geheel. De strikte relativiteitsleer. In deze leer zou een belanghebbende een besluit alleen in rechte kunnen aanvechten "als het concrete voorschrift waarvan de appellant stelt dat hel geschonden is mede de strekking heeft de belangen van de appellant te beschermen." Hier wordt de vraag welke belangen worden beschermd, dus niet op het niveau van de regeling als geheel, maar per afzonderlijk voorschrift beantwoord. Een verbod om zich te beroepen op contraire belangen. In de leer van de contraire belangen zou een belanghebbende, in vergelijking tot de heersende leer, alleen in zoverre beperkt worden in hetgeen hij kan aanvoeren, dat hij geen schendingen aan de orde kan stellen van normen die specifiek het - aan het belang van appellant tegengestelde - belang van de geadresseerde(n) beschermen."" In deze opvatting zou de concurrent dus nog steeds kunnen klagen over overschrijding van de rooilijn, maar de villabewoner niel meer over de geluidsoverlast voor de woonwagenbewoners. 3.3 Typen zaken en typen appellanten GI:- ^'De Poorter c.s De Poorter c.s. 2004, blz. 18. (-) 3 w K.)

5 De onderzoekers constateren dat de problematiek in de praktijk eigenlijk slechts speelt bij beroepen van derden tegen besluiten die tot een ander zijn gericht. Als de geadresseerde van een besluit in beroep gaat, zullen de normen waarop hij zich beroept, vrijwel altijd (mede) strekken tot bescherming van zijn belangen." Dit betekent ook, dat de problematiek zich bij twee-partijen-verhoudingen, zoals die bijvoorbeeld het financiële bestuursrecht kenmerken, eigenlijk nooit voortdoet. Bij twee-partijen-verhoudingen is de appellant immers vrijwel per definitie de geadresseerde van het besluil. Dit is een belangrijke constatering, want in de praktijk bestaat het werkaanbod van de bestuursrechter voor een zeer groot deel uit geschillen over twee-partijen-verhoudingen (belastingen, sociale zekerheid, vreemdelingenzaken). Een en ander betekent, dat de problematiek zich vooral voordoet op het terrein van het omgevingsrecht in ruime zin, want daar komen beroepen van derden veruit het meest voor. ^^ Er zijn op het terrein van het omgevingsrecht drie belangrijke categorieën "derden" die veelvuldig in beroep komen: omwonenden concurrenten belangengroepen Volgens de onderzoekers zouden de gevolgen van invoering van een relativiteitsvereiste waarschijnlijk het grootst zijn voor de categorie concurrenten. Voor omwonenden zouden de gevolgen minder groot zijn, omdat veel wetgeving in het omgevingsrecht mede strekt tot bescherming van de belangen van omwonenden. Ook belangengroepen beroepen zich volgens de onderzoekers doorgaans op bepalingen die mede strekken ter bescherming van de belangen die zij behartigen. 3.4 Kwantitatieve gegevens Tegen de achtergrond van het voorgaande hebben de onderzoekers gepoogd de omvang van de problematiek te kwantificeren. Daartoe hebben zij een steekproef onderzocht van 83 beroepsprocedures bij vijf rechtbanken (allemaal procedures waarbij derden waren betrokken) en 76 beroepsprocedures in milieuzaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarbij is geleld: 1. hoe vaak een partij deelneemt wiens belangen niet worden beschermd door het globale doel van de regeling waarop zij zich beroept, zodat deze beroepsgrond bij toepassing van een ruime relativiteitsleer buiten beschouwing zou moeten blijven; 2. hoe vaak een partij deelneemt die zich beroept op een specifiek voorschrift dat niet zijn belangen beschermt, zodat deze beroepsgrond bij toepassing van een strikte relativiteitsleer buiten beschouwing zou moeten blijven; 3. hoe vaak een partij zich beroept op voorschriften die een belang beschermen dat contrair is aan haar eigen belang; 4. hoe vaak de bestuursrechter een beroep gegrond verklaart op grond van argumenten die Ook in Duitsland, waar in beginsel wel een relativiteitsvereiste geldt, gaat men daar van uit. Zie R.P.B.A. Dingemans, R.J.G.M. Widdershoven, 'De Schutznormleer in communautair perspectief: het Duitse debat', NTB 2005,46. 0 ^* Incidenteel komen beroepen van derden ook wel eens voor op andere deelgebieden van bestuursrecht, zoals het economisch bestuursrecht. j--..^ 4 w G;> G:i

6 niet strekken tot bescherming van het belang van de partij die deze aanvoert. De resultaten zijn globaal als volgt: Vraag 1 Bij de Afdeling bestuursrechtspraak neemt in 11 % van de zaken een partij deel die een belang heeft dal niet wordt beschermd door het globale doel van de regeling waarop zij zich beroept. Bij de rechtbanken is dit slechts in 5 % van de zaken het geval. Vraag 2 De Afdeling bestuursrechtspraak moet in 18 % van de zaken (mede) argumenten beoordelen die bij een strikte relativiteitsleer buiten beschouwing zouden moeten blijven. Bij de rechtbanken is dat slechts in 4 % van de zaken het geval. Vraag 3 In géén van de onderzochte zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak beriep een partij zich op voorschriften die een belang beschermden dat contrair is aan zijn eigen belang. Bij de rechtbanken deed zich dit in 2 (van de 83) onderzochte zaken voor. Vraag 4 Bij de Afdeling zijn 2 (van de 76) onderzochte beroepen gegrond verklaard op grond van argumenten die niet passen in een strikte relativiteitsleer. Bij de rechtbanken is dat in géén van de onderzochte zaken gebeurd. Eén conclusie dringt zich op: het probleem is niet groot. In ruim 80 % van de onderzochte beroepszaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak en 95 % van de onderzochte beroepszaken bij de rechtbanken is geen enkele relativiteitsvraag aan de orde. Bij laatstgenoemd cijfer moet nog worden bedacht, dat slechts zaken zijn onderzocht waarbij een derde was betrokken. Dergelijke zaken vormen slechts 5 tot 10 % van het totale zaaksaanbod bij de rechtbanken. Als daarmee rekening wordt gehouden, speelt het probleem volgens de onderzoekers slechts in hooguit 1 op de 250 rechtbankzaken. Dat zijn overwegend bouwzaken en zaken uit de categorie "overige" (kapvergunningen e.d). Deze schatting van de onderzoekers dateert echter uit Toen waren de rechtbanken nog niet bevoegd om belastingzaken te behandelen. Sedert 1 januari 2005 zijn zij dat wel. Nu belastingzaken zo goed als altijd twee-partijen-zaken zijn waarin zich dus geen relati viteits vragen voordoen, vormen de zaken waarin dergelijke vragen zich wél voordoen, inmiddels een nóg kleiner deel van het totale zaaksaanbod bij de rechtbanken. Kort samengevat: bij de rechtbanken speelt de problematiek slechts in een fractie van een procent van de zaken. Bij de Afdeling bestuursrechtspraak is het beeld anders. Daar neemt in tenminste drie van de vier milieuzaken een derde als partij aan het geding deel. Volgens de onderzoekers zouden zich in één op de zeven of acht milieuzaken relativiteitsvragen voordoen. De onderzoekers geven geen cijfers over het aandeel "relativiteitszaken" in het totale zaaksaanbod van de Afdeling bestuursrechtspraak. De Commissie wijst er echter op dat blijkens het Jaarverslag 2005 van de Raad van State^' het zaaksaanbod bij de Afdeling in dat Te vinden op 3 5 w

7 jaar voor ongeveer de helft bestond uit vreemdelingenzaken. Dat zijn typische twee-partijengeschillen, waarin dus geen relafiviteitsvragen zullen spelen. De andere helft bestaat uit milieuzaken, overige eerste aanlegzaken (waaronder veel bestemmingsplanzaken) en "gewone" hoger beroepszaken (waaronder een substantieel aanlal bouwzaken). Extrapolatie van het cijfer voor milieuzaken naar alle niet-vreemdelingenzaken zou opleveren dat bij de Afdeling bestuursrechtspraak in ongeveer 1 op de 15 zaken relativiteitsvragen spelen. Deze schatting is echter vrijwel zeker nog te hoog, omdat zich onder de "gewone" hoger beroepszaken ook een substantieel aantal financiële twee-partijenzaken bevindt (subsidies, schadevergoedingen). De conclusie kan hoe dan ook zijn, dat relativiteitskwesties zich bij de Afdeling bestuursrechtspraak in beduidend minder dan 10 % van de zaken voordoen. 4. Europees en internationaal recht 4.} Het Europese recht Diverse schrijvers^^ hebben de vraag opgeworpen of een relativiteitsvereiste zich verdraagt met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder met de daaruit voortvloeiende eis van een effectieve rechtsbescherming. Jans gaat in zijn Groningse oratie nog een stap verder: hij stelt zonder voorbehoud dat het Nederlandse debat kan worden gesloten omdal het gemeenschapsrecht geen relativiteitsvereiste toelaat." Dit is echter niet onweersproken gebleven. Centraal in dit debat slaat het arrest Streekgewest Westelijk Noord-Brabant.^^ Dit Streekgewest is een gemeenschappelijke regeling die onder meer huisvuil ophaalt en verwerkt. Terzake daarvan had het heffingen krachtens de Wet belastingen op milieugrondslag betaald. Van die heffingen kan onder bepaalde voorwaarden (gedeeltelijke) teruggave worden gevraagd. Daardoor is de Wbm aan te merken als een steunmaatregel in de zin van artikel 87 EG. Deze steunmaatregel was volgens de regels aangemeld bij de Europese Commissie en uiteindelijk ook goedgekeurd, maar - in strijd met de regels - reeds in werking getreden vóór de Commissie haar eindoordeel had gegeven. Dit laatste is in strijd met de "stand-stiir'-verplichting van artikel 88, derde lid, derde volzin, EG. Op die grond vorderde het Streekgewest de betaalde heffingen terug. De Hoge Raad zag daarin aanleiding om bij wijze van prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te vragen of het Streekgewest zich wel op de schending van de standstillverplichling kon beroepen, nu niet kon worden gezegd dat het Streekgewest het slachtoffer was geworden van een verstoring van de grensoverschrijdende mededinging. In zijn antwoord wijst het Hof er op dat in een geval als dit de heffing waaruit de steun wordt gefinancierd, een onderdeel van de steunmaatregel vormt, indien tussen beide een onlosmakelijke verband bestaat. In dat geval kan, aldus het Hof, niet alleen een concurrent die door de steun wordt benadeeld, maar ook iemand aan wie de heffing is opgelegd, zich op de ^^ Zie onder meer Ch. Backes in zijn noot onder HvJEG 7 september 2004, zaak C-127/02, Kokkelvissers, Jur. 2004, blz. I- 7405, AB 2004, 365; S. Prechal, R.H. van Ooik, J.H. Jans, K.J.M. Mortelmans, Europeanisation of the law: consequences for t/ie Dutch judiciary. Den Haag (Raad voor de rechtspraak) J.H.Jans, Doorgeschoten? Enkele opmerkingen over de gevolgen van de Europeanisering van hel bestuursrecht voor de grondslagen van de bestuursrechtspraak (oratie Groningen), Groningen: Europa Law Publishing 2005, blz. 6. GI? ^^ HvJEG 13 januari 2005, zaak C-174/02, Streekgewest Westelijk Nootd^Brabant, Jur. 2005, blz. 1-85; AB 2005, 118 m.nt. AdMvV. G;' 6 Ot)

8 schending van de standstillverplichfing beroepen. Jans trekt hieruit de conclusie dat het Hof een relativiteitsvereiste niet acceptabel acht. Kermelijk gaat hij er dus van uit, dat de standstillverplichling slechts beoogt te beschermen tegen vervalsing van de mededinging. De Moor-Van Vugt^' wijst er in haar noot echter op, dal het arrest ook anders kan worden gelezen. Het Hof zegt niet meer dan dat de slandstillverplichting ook de belangen beschermt van degenen aan wie in strijd met deze verplichting een heffing is opgelegd. Dat is dus een oordeel over de "omvang" van het beschermingsbereik van de standstillverplichting, hetgeen iets anders is dan een oordeel dat dit beschermingsbereik niet relevant is. Ook de andere zaken waarop Jans in dil verband wijst, kunnen naar hel oordeel van de Commissie niet de conclusie dragen dat een relativiteitsvereiste in strijd met het gemeenschapsrecht is. In het Kokkelvissersarrest^ zegt het Hof inderdaad dal niet kan worden uitgesloten dat particulieren een beroep kunnen doen op artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, maar ook dat is een oordeel over het beschermingsbereik van die bepaling, niet een algemeen oordeel over de toelaatbaarheid van een relativiteitsvereiste. Laatstgenoemde lezing vindt steun in hel arrest Österreichischer Zuchtverband fur Ponys.^' Deze zaak ging over een Commissiebeschikking over de erkenning van stamboekverenigingen voor paardachligen. De Oostenrijkse rechler stelde het Hof de vraag, of een bestaande stamboekvereniging in rechte moest kunnen opkomen tegen een erkenning van een nieuwe vereniging. Het Hof antwoordde dat dil niet nodig was, gelet op de beleidsvrijheid die de Commissiebeschikking aan de lidstaten liet. In dezelfde richting wijst het arrest-peter PauP^, waarin het Hof een Duitse bepaling inzake het toezicht op financiële markten aanvaardde, waarin uitdrukkelijk was bepaald dat dit toezicht slechts in het algemeen belang werd uitgeoefend. In het arrest-stadl Halle", een aanbestedingszaak, zegt het Hof slechts dat ook tegen een beslissing om een project niet openbaar aan te besteden rechtsbescherming moet openstaan. Nu de zaak is aangespannen door een concurrent van degene die het project heeft gekregen, kan daaruit niet worden afgeleid dat de rechtsbescherming ook moet openstaan voor mensen wier belangen niet door de aanbestedingsrichtlijnen worden beschermd. In dit verband is het interessant om kennis te nemen van de ontwikkelingen in de Duitse bestuursrecht. Naar Duits recht heeft slechls een burger die in een subjectief recht is getroffen, toegang tot de bestuursrechter. In verband daarmee kent het Duitse bestuursprocesrecht sinds jaar en dag een "Schutznorm"-vereiste. Dit heeft in Duitsland geleid tot een uitvoerig debat over de vraag, of dit Schutznormvereiste met het gemeenschapsrecht verenigbaar is. Dingemans en Widdershoven hebben dit Duitse debat onlangs samengevat. ^^ Daaruit blijkt, dat de Duitse literatuur over dil vraagstuk zeer verdeeld is. Duitsland is in de jaren negentig van de vorige eeuw een paar keer door het Hof veroordeeld wegens onjuiste omzetting van enkele milieurichtlijnen, waarbij de onjuistheid onder meer bestond in het te beperkl openstellen van rechtsbescherming. Sommige Duitse schrijvers hebben daaruit geconcludeerd dat een Schutznormleer als zodanig in strijd is met ^^ In haar noot in AB 2005, 118. ^^ HvJEG 7 september 2004, zaak C-127/02, Kokkelvissers, Jur. 2004, blz , AB 2004, 365 m.nt. ChB. ^' Zaak C-216/02, Jur. 2004, blz , AB 2005, 384 m.nt. AdMvV. ^^ Zaak C-222/02, Jur. 2004, blz , AB 2005, 17 m.nt. RW. " HvJEG 11 januari 2005, zaak C-26/03, jur. 2005, blz. I-l. O ^ ^ R.P.B.A. Dingemans, R.J.G.M. Widdershoven, 'De Schutznormleer in Communautair perspectief: het Duitse debal', yvr^ 2005, 46. G;' 7 K,o G;i GD

9 het gemeenschapsrecht. Dingemans en Widdershoven wijzen er echter, in navolging van andere Duitse schrijvers, op dat het probleem wellicht veeleer is dat de Duitse rechtspraak geneigd is het beschermingsbereik van voorschriften beperkt op te vatten, terwijl het Hof van Jusfitie juist vrij snel aanneemt dat een richtlijn (mede) beoogt belangen van particulieren te beschermen. Zo is het volgens het Hof denkbaar dat een richtlijn beoogt de gezondheid van alle individuele burgers te beschermen^*, terwijl naar Duits recht slechts een voorschrift dal een afgebakende en beperkte groep burgers beschermt door individuele burgers in rechte kon worden ingeroepen. Daaruit volgt echter niet dal een relativiteitsvereiste als zodanig in strijd is met het gemeenschapsrecht. Het betekent slechts dat de nationale rechter met deze lijn in de rechtspraak van het Hof rekening moet houden als hij het beschermingsbereik moet bepalen van communautaire voorschriften of van nationale voorschriften die strekken tot omzetting van richtlijnen. Maar dat is slechts een toepassing van de algemene plicht tot gemeenschapsrechtconforme uitleg. Zo nodig zal de nationale rechter over het beschermingsbereik van dergelijke voorlschriften ook prejudiciële vragen moeten stellen. Maar ook dat is niets bijzonders. Al met al concludeert de Commissie dat een relativiteitsvereiste op zichzelf niet in strijd zou zijn met het Europese recht, mits het beschermingsbereik van Europese voorschriften niet te beperkt wordt opgevat.^* 4.2 Het Verdrag van Arhus In de literatuur is voorts gesteld, dat het Verdrag van Arhus" zich tegen een relativiteitsvereiste in het omgevingsrecht verzet. ^^ Dit Verdrag garandeert in artikel 9 een recht op toegang tot de rechter in milieu-aangelegenheden. De bewoordingen van artikel 9 lijken zich op zichzelf niet legen een relativiteitsvereiste te vei'zetten. Echter, artikel 3, zesde lid, van het Verdrag bepaalt, kort gezegd, dat het Verdrag slechts minimumnormen bevat. De Lange'^ leest daar, met een beroep op de "Implementation guide" bij en de strekking van het Verdrag, een soort stand-still-verplichting in: een Schutznormvereiste mag wel worden gehandhaafd waar het al bestond, maar het mag niet meer worden ingevoerd waar het ten tijde van de inwerkingtreding van het Verdrag nog niet bestond. Maar, zoals ook de onderzoekers'"' opmerken, dat sladt er niet. Het gaat de Commissie dan ook te ver om te concluderen dat het Verdrag aan invoering van een relativiteitsvereiste in de weg staal. Wel moet worden toegegeven dal het Verdrag berust op de veronderstelling dal voor een effectieve handhaving van hel objectieve milieurecht een vrij ruime toegang tot de rechter noodzakelijk is. Het Verdrag noopt er dus wel loe om veiligheidshalve hel beschermingsbereik van milieuvoorschriften niel te beperkt op te vatten. ^^ Zie bijv. HvJEG 30 mei 1991, zaak C-361/88, TA Luft, Jur. 1991, blz , AB 1992, 453 m.nt. FHvdB. ^* Aldus onder meer ook De Poorter c.s en R.J.G.M. Widdershoven, M.J.M. Verhoeven, S. Prechal e.a.. De Europese agenda van de Awb. Den Haag: BJu 2007 (te verschijnen), par " Trb. 1998, 289 (Engels/Frans); Trb. 2001, 73 (Nederlandse vertaling). ^^ F. de Lange, 'Er is meer tussen EVRM en Awb', Tijdschrift voor omgevitt srecht 2004/6, blz "' T.a.p. '*'* De Poorter c.a. 2004, blz. 91. ^.,) ^^ 8 w G'J

10 5. Argumenten voor een relativiteitsvereiste Enkele leden van de Commissie zijn voorstander van invoering van een relativiteitsvereiste. Zij menen dal hel ontbreken van een dergelijk vereiste lot maatschappelijk ongewenste uitkomsten leidt. De eerder genoemde procedure van de villabewoners tegen een woonwagenstandplaats in hun wijk illustreert dil: daar werd een beroepsmogelijkheid min of meer oneigenlijk gebruikt om voorschriften le handhaven met een heel ander doel dan waarvoor deze voorschriften zijn geschreven. Hel is moeilijk uit te leggen waarom de villabewoners de woonwagenbewoners uil hun wijk zouden moeten kunnen weren met behulp van voorschriften die niet ter bescherming van de villabewoners, maar juist ler bescherming van de woonwagenbewoners zijn gesteld. Dit moei mede worden gezien legen de achtergrond van de maatschappelijke discussie over juridisering van het openbaar bestuur en van het imago van hel bestuursrecht. Hel beeld dat bestuurders en politici van hel bestuursrecht hebben, is niet altijd even posifief In bestuurlijke kring wordl het bestuursrechl nogal eens gezien als een factor die soms een adequate behartiging van het algemeen belang belemmert of vertraagt, doordat besluiten leiden lot eindeloze beroepsprocedures en sneuvelen op gronden die niet wezenlijk terzake doen. Dat is een karikatuur, maar dal neemt niel weg dat ons stelsel van rechtsbescherming wel degelijk schaduwzijden kent waarvoor de wetgever de ogen niet mag sluiten."*' De wetgever moet er zoveel mogelijk voor zorgen, dat besluiten slechts worden vernietigd als wezenlijke rechten van burgers zijn aangetast. Dil plaatst ook de omvang van het probleem in een iets ander licht. Uit het onderzoek blijkt weliswaar dat "relativiteilsproblemen" maar in een klein deel van de zaken spelen, maar ook dal deze zaken zich concentreren op hel gebied van het omgevingsrecht. Dat is nu juist hel terrein waarop ook de discussie over '"juridisering" zich concentreert. Besluiten - en dus ook vernietigingen van besluiten - op hel gebied van hel omgevingsrecht hebben relatief vaak relatief grote maatschappelijke gevolgen. In hel omgevingsrecht kan een vernietiging betekenen dal een belangrijk infrastructureel project jaren vertraging oploopt. Dal is ook als hel maar één of twee keer per jaar gebeuri slechts aanvaardbaar als het uit een oogpunt van rechtsbescherming echt nodig is. Het is niet echt nodig om voorschriften die de wetgever heeft gesteld om mensen legen geluidhinder le beschermen, le handhaven om villabewoners le beschermen tegen woonwagenbewoners, want voor laatstgenoemde bescherming heeft de wetgever uitdrukkelijk niet gekozen. Daarom is aan buitenstaanders moeilijk uit te leggen waarom in zo'n geval een vernietiging zou moeten volgen. Dat schaadt hel imago van het bestuursrecht. Ook in dal opzicht is van belang dat relativiteitskwesties zich vooral in hel omgevingsrecht voordoen. Juist omdat zij relatief vaak relatief grote gevolgen hebben, krijgen zij relatief veel aandacht van de buitenwereld en bepalen zij dus in belangrijke male het beeld dal de buitenwereld van hel bestuursrecht heeft. Anders gezegd: relativiteitskwesties spelen misschien in weinig zaken, maar dat zijn wel belangrijke zaken. Een tweede, meer systematisch argument om in hel bestuurrecht een relativiteitsvereiste in le voeren, is dat een dergelijk vereiste sedert jaar en dag in het privaatrecht bestaat. Het valt niet in le zien, waarom hel bestuursrecht op dil punl van het privaatrecht zou moeten verschillen. In het al meermalen gebruikte voorbeeld brengt het privaatrechtelijke relativiteitsvereiste mee. G:> *' B.J. Schueler, Het zand in de machine (oratie Amsterdam UvA), DejV^nter: Kluwer 2003, wijst in meer algemene zin op deze schaduwzijden. ^., Q')

11 dat de villabewoners de overheid niel kunnen aanspreken lot vergoeding van de schade die als gevolg van hel besluit tot aanwijzing van de woonwagenstandplaats lijden, ook al is dat besluil in sirijd met de wettelijke voorschriften ter voorkoming van geluidhinder. Waarom zouden zij dan wel vernietiging van dat aanwijzingsbesluit moeten kunnen vorderen? Waarom zou een belang dal privaatrechtelijk niet wordt beschermd, wel bestuursrechtelijk moeten worden beschermd? 6. Argumenten tegen een relativiteitsvereiste Een meerderheid van de Commissie is evenwel tegen invoering van een relativiteitsvereiste in hel bestuursrecht. Deze meerderheid valt in twee delen uiteen. Enkele leden delen niet alleen de hierna te noemen praktische bezwaren legen een relativiteitsvereiste, maar achten invoering van een relativiteitsvereiste ook principieel onjuist. Zij onderschrijven hel argument van Jurgens, dat burgers allijd recht hebben op een in alle opzichten rechtmatige besluitvorming door de overheid. Burgers moeten er op kunnen vertrouwen dat de overheid zich aan de wet houdt. Daarom behoeven zij nimmer te dulden dat zij nadeel lijden als gevolg van een besluit dat in sirijd met de wel is. De villabewoners uit het voorbeeld behoeven bijvoorbeeld niet te dulden dat hun woningen in waarde verminderen door de vestiging van een woonwagenstandplaats op een plaats waar die volgens de wet niel mag komen. Dal de desbetreffende wet burgers niet legen waardevermindering maar tegen geluidhinder wil beschermen, doet in deze visie niet ter zake. Waar het om gaat is dat de woonwagenstandplaats er volgens de wet niet mag komen en dat burgers er op mogen vertrouwen dat de overheid deze wet naleeft. Enkele andere leden van de Commissie hebben vooral praktische bezwaren legen de invoering van een relativiteitsvereiste. Zij wijzen erop dat hel voor de rechter doorgaans verre van eenvoudig is om vast le slellen welke belangen een wettelijk voorschrift precies beoogt te beschermen, omdal de wetgever zich daar zelden expliciet over uitlaat. Zij vrezen dat bij invoering van een relativiteitsvereiste verwerende bestuursorganen in tal van zaken zullen gaan aanvoeren dat hel voorschrift waarop een appellant zich beroept, niet beoogt diens belangen te beschermen. Op een dergelijk betoog zal telkens een gemotiveerde beslissing moeten worden gegeven. Dit zal leiden tol een extra werklast voor de rechterlijke macht die onevenredig is in verhouding tot de ernst en omvang van het probleem. Voorzover een relativiteitsvereiste ook in de bezwaarschriftprocedure zou gelden, zou hel bovendien een extra werklast voor het besluur meebrengen. Daarbij komt, dat invoering van een relativiteitsvereiste lot rechtsonzekerheid zal leiden. Omdat veelal niet aanstonds duidelijk is welke belangen een wettelijk voorschrift precies wel en niel beoogt te beschermen, zal uiteindelijk de jurisprudentie daarover uitsluitsel moeten bieden. Omdat men over het beschermingsbereik van een voorschrift gemakkelijk van mening kan verschillen, is de kans grool dal daarover aanvankelijk uiteenlopende jurisprudentie van verschillende eerstelijnsrechlers ontslaat. Bij ieder nieuw wettelijk voorschrift zal er dus een periode van rechtsonzekerheid over het beschermingsbereik van het voorschrift ontslaan, die pas eindigt als de rechtspraak van de hoogste rechler op dal punl is uitgekristalliseerd. Dat kan jaren duren. Ook deze rechtsonzekerheid slaat niet in een redelijke verhouding tot de ernst van het probleem. Q.\> 10 u> O Ql>

12 20februari Samenvatting en conclusie Het komt betrekkelijk weinig voor dat partijen in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure zich beroepen op voorschriften die niet de strekking hebben om hun belangen te beschermen en waarop zij zich derhalve bij invoering van een relativiteitsvereiste in het bestuursrecht niel meer zouden kunnen beroepen. De zaken waarin hel wel voorkomt liggen vooral op hel terrein van het omgevingsrecht. De Commissie is van oordeel dat invoering van een relativiteitsvereiste in hel bestuursrecht in hel licht van het Europese en internationale recht op zichzelf toelaatbaar zou zijn, mits dit vereiste niet te strikt wordl opgevat. Over de wenselijkheid van invoering van een dergelijk vereiste lopen de meningen binnen de Commissie uiteen. Een deel van de Commissie ziet praktische bezwaren in de gedaante van een toenemende rechtsonzekerheid en een extra werklast voor de rechterlijke machl de niet in een redelijke verhouding staan lol de ernst en omvang van hel probleem dal een relativiteitsvereiste zou moeten oplossen. Andere leden van de Commissie achten invoering van een relativiteitsvereiste wenselijk, deels op rechtssyslemalische gronden, deels om te voorkomen dal de rechter besluiten moet vernietigen in gevallen waarin daarvoor maatschappelijk onvoldoende begrip en rechtvaardiging bestaan. Weer andere leden achten een relativiteitsvereiste juist maatschappelijk ongewenst, omdat daardoor soms onwettige besluiten in stand zouden moeten blijven, ook als burgers daarvan wel degelijk nadeel ondervinden. GJ 11 U' GI' Gli

M.G.O. de Lange. 1 C.L.G.F.H. Albers, De Gemeentestem, Het wetsvoorstel aanpassing bestuursprocesrecht, 2011/50.

M.G.O. de Lange. 1 C.L.G.F.H. Albers, De Gemeentestem, Het wetsvoorstel aanpassing bestuursprocesrecht, 2011/50. M.G.O. de Lange Wet aanpassing bestuursprocesrecht In deze korte bijdrage een bespreking van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (hierna: Wab). Beoogd is een contourschets, waarin een aantal highlights

Nadere informatie

AKD Gemeentedag 2014 Prof. mr. G.A. van der Veen Rotterdam 20 maart 2014

AKD Gemeentedag 2014 Prof. mr. G.A. van der Veen Rotterdam 20 maart 2014 AKD Gemeentedag 2014 15 maanden Wet aanpassing bestuursprocesrecht Prof. mr. G.A. van der Veen Advocaat bestuursrecht/omgevingsrecht AKD Advocaten en notarissen Rotterdam Bijzonder hoogleraar milieurecht

Nadere informatie

Petra Vries Trainingen. Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter. de wijzigingen in de Awb

Petra Vries Trainingen. Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter. de wijzigingen in de Awb Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter & de wijzigingen in de Awb Introductie Dit document is een bijlage bij de presentatie over Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter. Hierin bespreek ik

Nadere informatie

Uitspraak 201403254/1/A4

Uitspraak 201403254/1/A4 1 van 7 8-3-2015 21:16 Uitspraak 201403254/1/A4 Datum van uitspraak: woensdag 14 januari 2015 Tegen: het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig Rechtsgebied:

Nadere informatie

De bestuursrechter en de bestuurlijke lus

De bestuursrechter en de bestuurlijke lus De bestuursrechter en de bestuurlijke lus Prof. dr. A.J.C. de Moor-van Vugt 3-4-2014 pag. 1 Einde Afdeling bestuursrechtspraak? Regeerakkoord : De Raad van State wordt gesplitst in een rechtsprekend deel

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen:

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen: LJN: AT7485, Raad van State, 200405147/1 (Printbare versie) Datum uitspraak: 15-06-2005 Datum publicatie: 15-06-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP 02/2895 AOW en 05/6118 AOW in het geding tussen: [appellant], wonende te Spanje, appellant, en U I T S P R A A K de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

Nadere informatie

NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 25 november 2011 HOOFDSTUK 8 BIJZONDERE BEPALINGEN OVER DE WIJZE VAN PROCEDEREN BIJ DE BESTUURSRECHTER

NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 25 november 2011 HOOFDSTUK 8 BIJZONDERE BEPALINGEN OVER DE WIJZE VAN PROCEDEREN BIJ DE BESTUURSRECHTER 32 621 Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige

Nadere informatie

Aansprakelijkheid van toezichthouders wegens inadequaat handhavingstoezicht

Aansprakelijkheid van toezichthouders wegens inadequaat handhavingstoezicht Aansprakelijkheid van toezichthouders wegens inadequaat handhavingstoezicht VIDE Jaarcongres 15 juni 2012 A.J. (Lian) van Poortvliet aj.vanpoortvliet@pelsrijcken.nl June 17, 2012 Programma Juridisch kader

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 I' Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer w ~e' {J.J ::li "~.8 ;.l_~ ( E..::r,",'_ t"::) ('0",,1 l:'jt:: ~~ ~ )(, ::li oe i~..- ~ c:: L'..J Nr. 12/03718 28 maart

Nadere informatie

Na overleg met de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 1

Na overleg met de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 1 De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Dr. R.H.A. Plasterk Postbus 20011 2500 EA Den Haag bezoekadres Kneuterdijk 1 2514 EM Den Haag correspondentieadres Postbus 90613 2509 LP Den Haag

Nadere informatie

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe,

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, X Z (belanghebbende), \ beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2013. Bij brief van 11 oktober 2013 heeft de griffier mij

Nadere informatie

ECLI:NL:RBDHA:2015:3059

ECLI:NL:RBDHA:2015:3059 ECLI:NL:RBDHA:2015:3059 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 10-03-2015 Datum publicatie 10-04-2015 Zaaknummer AWB - 14 _ 7359 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak Eerste

Nadere informatie

AB 2015/165: Wns van toepassing op verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn; overgangsrecht. Analoge toepassing Wns.

AB 2015/165: Wns van toepassing op verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn; overgangsrecht. Analoge toepassing Wns. Page 1 of 6 AB 2015/165: Wns van toepassing op verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn; overgangsrecht. Analoge toepassing Wns. Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de

Nadere informatie

CM01-025 Utrecht, 23 oktober 2001. Betreft: implementatie Richtlijn 2001/55 inzake tijdelijke bescherming van ontheemden

CM01-025 Utrecht, 23 oktober 2001. Betreft: implementatie Richtlijn 2001/55 inzake tijdelijke bescherming van ontheemden Permanente commissie Secretariaat van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, telefoon 31 (30) 297 42 14/43 28 telefax 31 (30) 296 00 50 e-mail cie.meijers@forum.nl postbus 201, 3500 AE Utrecht/Nederland

Nadere informatie

Feitelijke informatie De Afdeling bestuursrechtspraak heeft samengevat - het beroep gegrond verklaard op de volgende overwegingen.

Feitelijke informatie De Afdeling bestuursrechtspraak heeft samengevat - het beroep gegrond verklaard op de volgende overwegingen. Onderwerp Uitspraak RvS inzake wijzigingsbesluit Duinweg 56 Collegevoorstel Zaaknummer: OLOGMM27 Inleiding Op 30 november 2010 heeft uw college besloten het wijzigingsbesluit Duinweg 56, Drunen vast te

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstatc 201112531/1/V1. Datum uitspraak: 11 september 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

Zaak T-205/99. Hyper Srl tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen

Zaak T-205/99. Hyper Srl tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen Zaak T-205/99 Hyper Srl tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen Douanerechten Invoer van televisietoestellen uit India Ongeldige certificaten van oorsprong Verzoek tot kwijtschelding van invoerrechten

Nadere informatie

Uitspraak 200904084/1/R2 gevonden via '' d eze uitsp raa k il de ze uitsp ra ak Page 1 of 4 Uitspraken ZAAKNUMMER 200904084/1/R2 DATUM VAN UITSPRAAK woensdag 24 maart 2010 TEGEN het college van gedeputeerde

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2010 278 Besluit van 7 juli 2010, houdende regels inzake elektronisch verkeer met de bestuursrechter (Besluit elektronisch verkeer met de bestuursrechter)

Nadere informatie

JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611

JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611 JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611 ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 24 SEPTEMBER 1987. BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK TEGEN J. A. DE RIJKE. VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING,

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 467 Oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens) Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID HEIJNEN Ontvangen

Nadere informatie

de bank ambtshalve onderzoek de bank Definitieve Bevindingen

de bank ambtshalve onderzoek de bank Definitieve Bevindingen POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Prins Clauslaan 20 TEL 070-381 13 00 FAX 070-381 13 01 E-MAIL info@cbpweb.nl INTERNET www.cbpweb.nl AAN de bank DATUM 17 maart 2006 CONTACTPERSOON

Nadere informatie

Brussel, 16 april 2003 (23.04) SECRETARIAAT

Brussel, 16 april 2003 (23.04) SECRETARIAAT EUROPESE CONVENTIE Brussel, 16 april 2003 (23.04) SECRETARIAAT CONV 689/1/03 REV 1 CERCLE I 16 VERSLAG van: aan: Betreft: de voorzitter van de studiegroep Hof van Justitie de leden van de Conventie Aanvullend

Nadere informatie

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 2005/1/13)

Nadere informatie

MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN. 1. Inleiding

MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN. 1. Inleiding Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde nader inhoud te geven aan het beginsel van openbaarheid van de behandeling van zaken betreffende personen- en familierecht MEMORIE VAN

Nadere informatie

Analyse van jurisprudentie inzake de Vogel- en Habitatrichtlijn

Analyse van jurisprudentie inzake de Vogel- en Habitatrichtlijn Analyse van jurisprudentie inzake de Vogel- en Habitatrichtlijn 1. Aanleiding De aanleiding van deze nota is het besluit van de Ministerraad van 28 januari 2005 om de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak

Nadere informatie

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: 200904515/1/V1. Datum uitspraak: 13 januari 2010 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van: Raad vanstate 201112733/1/V1. Datum uitspraak: 23 januari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen

Nadere informatie

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge. Datum: 24 mei 2013. Rapportnummer: 2013/057

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge. Datum: 24 mei 2013. Rapportnummer: 2013/057 Rapport Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge Datum: 24 mei 2013 Rapportnummer: 2013/057 2 Klacht Verzoeker, een advocaat, klaagt erover dat het

Nadere informatie

1)estuursreclaqirA,IL

1)estuursreclaqirA,IL Raad vanstate 1)estuursreclaqirA,IL Raad van de gemeente Hof van Twente Postbus 54 7470 AB GOOR Gemeente Hof van Twente [Nr: [Afdeling: Bvo: a / nee lingekomen: 2 JULI 2015 Kopie aan: Archief: \N / NR

Nadere informatie

«JG» Appellanten A, B, C en D tegen het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Centrum

«JG» Appellanten A, B, C en D tegen het algemeen bestuur van de bestuurscommissie Centrum Algemeen Juridisch, Bestuursprocesrecht Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 18 maart 2015, nr. 201403348/1/A1, ECLI:NL:RVS:2015:842 (mr. Hagen, mr. Hent, mr. Michiels) Noot mr. P.M.J.J. Swagemakers

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2012, nummer AWB 12/4016, in het geding tussen

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 november 2012, nummer AWB 12/4016, in het geding tussen Uitspraak GERECHTSHOF VHERTOGENBOSCH Team belastingrecht Meervoudige Belastingkamer Uitspraak op het hoger beroep van * ^ p n i a w a ï i i b.v., gevestigd te > hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken.

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken. RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2005.2662 (068.05) ingediend door: hierna te noemen 'klagers', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht

Nadere informatie

Uit: Jurisprudentie Gemeente, 14 mei 2014 (JG. 2014/40)

Uit: Jurisprudentie Gemeente, 14 mei 2014 (JG. 2014/40) Uit: Jurisprudentie Gemeente, 14 mei 2014 (JG. 2014/40) Noot bij: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 14 mei 2014, 201303996/1/A3 en ECLI:NL:RVS:2014:1708 door: I.M. van der Heijden en E.E.

Nadere informatie

De bestuurlijke lus. Van toegevoegde waarde voor de finale beslechting van een geschil?

De bestuurlijke lus. Van toegevoegde waarde voor de finale beslechting van een geschil? De bestuurlijke lus Van toegevoegde waarde voor de finale beslechting van een geschil? Auteur: Rosalie Klasen - s0702285 Begeleider: B. Kaya Tweede beoordelaar: J.A.F. Peters Oktober 2013 Inhoudsopgave

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 070.00 ingediend door: hierna te noemen klager`, tegen: hierna te noemen 'verzekeraar. De Raad van Toezicht Verzekeringen heeft

Nadere informatie

LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065

LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065 LJN: BO2154,Voorzieningenrechter Rechtbank 's-hertogenbosch, AWB 10/2913 en 10/3065 Print uitspraak Datum uitspraak: 22-10-2010 Datum publicatie: 29-10-2010 Rechtsgebied: Bouwen Soort procedure: Voorlopige

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K. [appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K. [appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats], CENTRALE RAAD VAN BEROEP 00/3642 NABW 00/3649 NABW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats], en het College van burgemeester

Nadere informatie

Fiscaal Portaal Gemeenten

Fiscaal Portaal Gemeenten Procedurenummer(s) : C 430/04 Uitspraakdatum : 08-06-2006 Publicatiedatum : 08-06-2006 HOF VAN JUSTITIE EU Arrest Finanzamt Eisleben tegen Feuerbestattungsverein Halle ev, in tegenwoordigheid van: Lutherstadt

Nadere informatie

Rechtsbescherming in het omgevingsrecht

Rechtsbescherming in het omgevingsrecht Rechtsbescherming in het omgevingsrecht Preadviezen voor de Vereniging voor Bouwrecht Nr. 37 095708_Deel_0_Voorwerk.indd 1 09-10-2009 11:50:53 095708_Deel_0_Voorwerk.indd 2 09-10-2009 11:50:53 Rechtsbescherming

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2003.1733 (052.03) ingediend door: hierna te noemen 'klager', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht Verzekeringen

Nadere informatie

Rapport. Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401

Rapport. Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401 Rapport Datum: 13 oktober 2004 Rapportnummer: 2004/401 2 Klacht Het niet opnemen van een rechtsmiddelenclausule conform artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht in de beslissing van 17 december 2003

Nadere informatie

Raad \ Afdeling bestuursrechtspraak vanstate

Raad \ Afdeling bestuursrechtspraak vanstate C o O.- O o O B O.1 O i O u O o O o O o O ft O :. O,-. C Raad \ Afdeling bestuursrechtspraak vanstate Raad van de gemeente Haarlem Postbus 511 2003 PB HAARLEM Datum Ons nummer Uw kenmerk 7 februari 2011

Nadere informatie

BEGELEIDINGSPLAN VOOR DE CURSUS INLEIDING

BEGELEIDINGSPLAN VOOR DE CURSUS INLEIDING BEGELEIDINGSPLAN VOOR DE CURSUS INLEIDING BESTUURSRECHT (R08181) (onderdeel traject Propedeuse Rechten) studiecentrum: Zwolle tijdvak: november 2010 t/m januari 2011 begeleider: mr drs G.E.P. ter Horst

Nadere informatie

JB 1999/256 Rechtbank Amsterdam, 09-08-1999, AWB 98/3128 HUISV 06 Besluit (huisnummerbeschikking), Mededeling omtrent feiten

JB 1999/256 Rechtbank Amsterdam, 09-08-1999, AWB 98/3128 HUISV 06 Besluit (huisnummerbeschikking), Mededeling omtrent feiten JB 1999/256 Rechtbank Amsterdam, 09-08-1999, AWB 98/3128 HUISV 06 Besluit (huisnummerbeschikking), Mededeling omtrent feiten Aflevering 1999 afl. 13 College Rechtbank Amsterdam Datum 9 augustus 1999 Rolnummer

Nadere informatie

Bestuursprocesrecht AAK20116694 Mr. K.J. de Graaf & mr.dr. A.T. Marseille. Wetgeving

Bestuursprocesrecht AAK20116694 Mr. K.J. de Graaf & mr.dr. A.T. Marseille. Wetgeving 6694 KwartaalSignaal 119 staats- en bestuursrecht Bestuursprocesrecht AAK20116694 Mr. K.J. de Graaf & mr.dr. A.T. Marseille Wetgeving Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten

Nadere informatie

Het relativiteitsvereiste bezien vanuit vier groepen belanghebbenden

Het relativiteitsvereiste bezien vanuit vier groepen belanghebbenden Mr. P.M.J.J. Swagemakers 1 Bestuursrecht Het relativiteitsvereiste bezien vanuit vier groepen belanghebbenden Sinds 1 januari 2013 kent ook het algemene bestuursrecht de relativiteitseis ( art. 8:69a Awb),

Nadere informatie

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN EERSTE KAMER ARREST

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN EERSTE KAMER ARREST HOGE RAAD DER NEDERLANDEN EERSTE KAMER Nr. C98/080HR ARREST in de zaak van: DE GEMEENTE GRONINGEN,gevestigd te Groningen, EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster, advocaat: voorheen

Nadere informatie

Rolnummer 4560. Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T

Rolnummer 4560. Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T Rolnummer 4560 Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten

Nadere informatie

Schriftelijke vragen. Inleiding door vragenstelster.

Schriftelijke vragen. Inleiding door vragenstelster. Gemeenteraad Schriftelijke vragen Jaar 2014 Datum akkoord college van b&w van 2 december 2014 Publicatiedatum 5 december 2014 Onderwerp Beantwoording schriftelijke vragen van het raadslid mevrouw M.D.

Nadere informatie

Art. 6:13 (1) 216 Art. 6:13 Awb C. 6. Algemene bepalingen over bezwaar en beroep. Awb

Art. 6:13 (1) 216 Art. 6:13 Awb C. 6. Algemene bepalingen over bezwaar en beroep. Awb Art. 6:13 (1) Awb Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren

Nadere informatie

Academie voor bijzondere wetten

Academie voor bijzondere wetten Academie voor bijzondere wetten Auteur Academie voor bijzondere wetten Hoofdonderwerp Conclusie van staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven (hierna: A-G ) met betrekking tot het rechtskarakter van het

Nadere informatie

Uniformiteit in termijnen? Sneller en beter?

Uniformiteit in termijnen? Sneller en beter? Uniformiteit in termijnen? Sneller en beter? Mr. C.G.J.M. Termaat* 1 Inleiding Het wetsvoorstel voor de nieuwe Omgevingswet (hierna: Omgevingswet) van 16 juni jl. heeft inmiddels alweer de nodige aandacht

Nadere informatie

categorie/agendanr. stuknr. B. en W. 2004 RA04.0108 A 11 04/696 Onderwerp: Bezwaarschrift Sluyter Advocaten tegen besluit raad m.b.t.

categorie/agendanr. stuknr. B. en W. 2004 RA04.0108 A 11 04/696 Onderwerp: Bezwaarschrift Sluyter Advocaten tegen besluit raad m.b.t. Raadsvoorstel jaar stuknr. Raad categorie/agendanr. stuknr. B. en W. 2004 RA04.0108 A 11 04/696 Onderwerp: Bezwaarschrift Sluyter Advocaten tegen besluit raad m.b.t. gebied Zijtak Portefeuillehouder: J.

Nadere informatie

Inhoud. Te behandelen onderwerpen: 1. Onlosmakelijke samenhang

Inhoud. Te behandelen onderwerpen: 1. Onlosmakelijke samenhang Inhoud Te behandelen onderwerpen: 1. Onlosmakelijke samenhang 2. Grondslag aanvraag omgevingsvergunning voor artikel 2.1 lid 1 onder e- activiteiten (milieu) 3. OBM en milieuneutrale verandering 4. Overig

Nadere informatie

Stellen en bewijzen in procedures over verplichtstelling

Stellen en bewijzen in procedures over verplichtstelling Stellen en bewijzen in procedures over verplichtstelling 9 september 2015 Alex Ter Horst Advocaat pensioenrecht Achtergrond Indien verplichtstelling van toepassing is leidt dat voor wg en bpf tot allerlei

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 30/07/2014

Datum van inontvangstneming : 30/07/2014 Datum van inontvangstneming : 30/07/2014 Vertaling C-310/14-1 Zaak C-310/14 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 30 juni 2014 Verwijzende rechter: Helsingin hovioikeus (Finland)

Nadere informatie

M.E. Olmer te Rotterdam, eiseres, en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

M.E. Olmer te Rotterdam, eiseres, en het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder. JB 1996/101 Rechtbank Rotterdam, 08-02-1996, 95/1061-G5 Reformatio in peius, Integrale heroverweging op bezwaarschrift, Deugdelijke motivering besluit op bezwaar. Aflevering 1996 afl. College Rechtbank

Nadere informatie

staats- en bestuursrecht

staats- en bestuursrecht 6566 KwartaalSignaal december 2010 staats- en bestuursrecht staats- en bestuursrecht Bestuurs(proces)recht AAK20106566 A.T. Marseille Wetgeving De belangrijkste gebeurtenis op het terrein van wetgeving

Nadere informatie

Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk, in haar vergadering van 26 juli 2005;

Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk, in haar vergadering van 26 juli 2005; Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk, in haar vergadering van 26 juli 2005; gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 1, tweede lid, en 29a, tweede lid, van

Nadere informatie

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Eerste Kamer der Staten-Generaal Eerste Kamer der Staten-Generaal 1 Vergaderjaar 1997 1998 Nr. 323b 25 175 Aanpassing van het fiscale procesrecht aan de Algemene wet bestuursrecht en wijziging van een aantal fiscale en andere wetten (herziening

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 19/06/2012

Datum van inontvangstneming : 19/06/2012 Datum van inontvangstneming : 19/06/2012 Vertaling C-218/12-1 Zaak C-218/12 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 10 mei 2012 Verwijzende rechter: Landgericht Saarbrücken (Duitsland)

Nadere informatie

Zaaknummers : CBHO nrs. 93/69 t/m 93/73

Zaaknummers : CBHO nrs. 93/69 t/m 93/73 Zaaknummers : CBHO nrs. 93/69 t/m 93/73 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 5 januari 1994 Partijen : Appellanten tegen Christelijke Hogeschool Noord-Nederland Trefwoorden : bevoegdheid voorzitter

Nadere informatie

Hof van Justitie verklaart de richtlijn betreffende gegevensbewaring ongeldig

Hof van Justitie verklaart de richtlijn betreffende gegevensbewaring ongeldig Hof van Justitie van de Europese Unie PERSCOMMUNIQUÉ nr. 54/14 Luxemburg, 8 april 2014 Pers en Voorlichting Arrest in gevoegde de zaken C-293/12 en C-594/12 Digital Rights Ireland en Seitlinger e.a. Hof

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2007 2008 31 418 Wijziging van het Burgerlijk Wetboek, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene wet inzake rijksbelastingen in verband met de tenuitvoerlegging

Nadere informatie

Privaatrechtelijke aansprakelijkheid kwaliteitsborgers en instrumentbeheerders. Monika Chao-Duivis Directeur IBR/hoogleraar bouwrecht TU Delft

Privaatrechtelijke aansprakelijkheid kwaliteitsborgers en instrumentbeheerders. Monika Chao-Duivis Directeur IBR/hoogleraar bouwrecht TU Delft Privaatrechtelijke aansprakelijkheid kwaliteitsborgers en instrumentbeheerders Monika Chao-Duivis Directeur IBR/hoogleraar bouwrecht TU Delft Vragen Hoe zit het met de privaatrechtelijke aansprakelijkheid

Nadere informatie

Zaaknummer : 2013/129

Zaaknummer : 2013/129 Zaaknummer : 2013/129 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 13 november 2013 Partijen : Appellante tegen CBE Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden : Bindend negatief studieadvies, finale geschillenbeslechting,

Nadere informatie

Uw kenmerk Ons kenmerk Contactpersoon Doorkiesnummer 050120.01-PG/BD FTZ-002333-sw drs. S. Windt (035) 7737 743

Uw kenmerk Ons kenmerk Contactpersoon Doorkiesnummer 050120.01-PG/BD FTZ-002333-sw drs. S. Windt (035) 7737 743 Stichting Omrop Fryslân t.a.v. het bestuur Postbus 7600 8903 JP LEEUWARDEN Datum Onderwerp 31 maart 2005 bezwaarschrift Uw kenmerk Ons kenmerk Contactpersoon Doorkiesnummer 050120.01-PG/BD FTZ-002333-sw

Nadere informatie

Privaatrechtelijke aansprakelijkheid kwaliteitsborgers en instrumentbeheerders

Privaatrechtelijke aansprakelijkheid kwaliteitsborgers en instrumentbeheerders Privaatrechtelijke aansprakelijkheid kwaliteitsborgers en instrumentbeheerders Voordracht 9 juni 2015, Minisymposium Juridische gevolgen voor kwaliteitsborgers en instrumentbeheerders Monika Chao-Duivis

Nadere informatie

S QÉMEEKT 1 ING. r j in hh. i i l. Uw kenmerk

S QÉMEEKT 1 ING. r j in hh. i i l. Uw kenmerk Raad van State Af d c 11 n g b e s tim rsrc c h tspraa k S QÉMEEKT 1 ING i bi r j in hh. i i l Stuknummer: AH 5.00288 Raad van de gemeente Den Helder Postbus 36 1780 AA DEN HELDER r j Datum 1 5 januari

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP MEERVOUDIGE KAMER 11/9 AW U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van

Nadere informatie

Samenvatting. Aanleiding voor het onderzoek

Samenvatting. Aanleiding voor het onderzoek Samenvatting Aanleiding voor het onderzoek Het nationale bestuursrecht is van oudsher verbonden met het territorialiteitsbeginsel. Volgens dat beginsel is een autoriteit alleen bevoegd op het grondgebied

Nadere informatie

M. Cortes Jimenez e.a. tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen

M. Cortes Jimenez e.a. tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen ARREST VAN HET GERECHT (Vierde kamer) 3 maart 1994 Zaak T-82/92 M. Cortes Jimenez e.a. tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen Ambtenaren - Beroep tot nietigverklaring - Bevestigend besluit - Voorwaarden

Nadere informatie

12 De beoordeling door de bestuursrechter

12 De beoordeling door de bestuursrechter 12 De beoordeling door de bestuursrechter 1 INLEIDING De bevoegdheden van art. 8:69 lid 2 en 3 Awb worden toegepast bij de beoordeling die de bestuursrechter moet maken. Deze bevoegdheden krijgen in zekere

Nadere informatie

Uitspraak 201405096/1/A2

Uitspraak 201405096/1/A2 Uitspraak 201405096/1/A2 Datum van uitspraak: Tegen: Proceduresoort: Rechtsgebied: 201405096/1/A2. Datum uitspraak: 21 januari 2015 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK woensdag 21 januari 2015 Uitspraak op het

Nadere informatie

Hierbij ontvangt u - ter informatie - kopieen van op de bovenvermelde zaak betrekking hebbende stukken.

Hierbij ontvangt u - ter informatie - kopieen van op de bovenvermelde zaak betrekking hebbende stukken. Blitiansitat6MEN 2 0 MARI 2013 Afile bestu echtsprdak GESCAND OP 2 0 MAART 2013 Gemeente Oostzaan Raad van de gemeente Oostzaan Postbus 15 1510 AA OOSTZAAN Datum Ons nummer 1.1w kenmerk 18 maart 2013 201301865/1/A1

Nadere informatie

2. Cassatiemiddelen Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen:

2. Cassatiemiddelen Met betrekking tot dit beroep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen: '"Sr "- AANTEKENEN Hoge Raad der Nederlanden Postbus 20303 2500 EH 'S-GRAVENHAGE Datum Referentie Betreft beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem (08/00041) op het hoger beroep

Nadere informatie

Privaatrechtelijk kostenverhaal door de wegbeheerder

Privaatrechtelijk kostenverhaal door de wegbeheerder Privaatrechtelijk kostenverhaal door de wegbeheerder De Hoge Raad schept duidelijkheid over verhaal van kosten voor opruimwerkzaamheden na een ongeval Hoge Raad van 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3594

Nadere informatie

Rapport. Datum: 1 juli 1998 Rapportnummer: 1998/258

Rapport. Datum: 1 juli 1998 Rapportnummer: 1998/258 Rapport Datum: 1 juli 1998 Rapportnummer: 1998/258 2 Klacht Op 10 oktober 1997 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer D. te Heemstede, met een klacht over een gedraging van de Huurcommissie

Nadere informatie

Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster

Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster Honderbezitter aansprakelijk voor schade aangericht door hond aan hondenuitlaatster LJN: BW9368, Rechtbank Amsterdam, 6 juni 2012 2. De feiten 2.1. [A] en [B] wonen tegenover elkaar in [plaats]. [C] woont

Nadere informatie

Ongelijkheidscompensatie bij stelplicht en bewijslast in het civiele arbeidsrecht en het ambtenarenrecht

Ongelijkheidscompensatie bij stelplicht en bewijslast in het civiele arbeidsrecht en het ambtenarenrecht Ongelijkheidscompensatie bij stelplicht en bewijslast in het civiele arbeidsrecht en het ambtenarenrecht Naar een eenvormig stelsel? Mr.H.JW.AÜ Kluwer - Deventer - 2009 Lijst van gebruikte afkortingen

Nadere informatie

DEEL I. Algemene inleiding

DEEL I. Algemene inleiding DEEL I Algemene inleiding 1 Algemene inleiding De dakkapel 1 Meneer De Roo, inwoner van de gemeente Zaanstad, wil een dakkapel laten bouwen op zijn huis. Hiertoe vraagt hij een bouwvergunning aan die

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201 304470/1/RI. Datum uitspraak: 27 november 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Koninklijke Jongeneel

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 28/12/2015

Datum van inontvangstneming : 28/12/2015 Datum van inontvangstneming : 28/12/2015 Vertaling C-618/15-1 Zaak C-618/15 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 23 november 2015 Verwijzende rechter: Cour de cassation (Frankrijk)

Nadere informatie

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België 5 MEI 2008 C.05.0223.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.05.0223.F AXA BELGIUM, naamloze vennootschap, Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. B. P., 2. AXA BELGIUM, naamloze

Nadere informatie

Hierbij dien ik graag een verzoek in tot het laten deelnemen aan de hiervoor genoemde procedure bij uw Raad namens:

Hierbij dien ik graag een verzoek in tot het laten deelnemen aan de hiervoor genoemde procedure bij uw Raad namens: Postbus 16799 1001 RG Amsterdam Tel. 020 8100279 www.privacyfirst.nl Aan: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Postbus 20019 2500 EA 's-gravenhage Uw ref. : 201105172/1/A3 Onze ref. : SPF20151012

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP UTRECHT U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP UTRECHT U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP UTRECHT 98/4586 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Sociale Verzekeringsbank, appellant, en A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij beslissing

Nadere informatie

Handleiding vergoeding kosten bezwaar en administratief beroep

Handleiding vergoeding kosten bezwaar en administratief beroep September 2002 Inhoudsopgave Inleiding Hoofdstuk 1 Welk recht is van toepassing Hoofdstuk 2 Vergoedingscriterium en te vergoeden kosten 2.1 Vergoedingscriterium 2.2 Besluit proceskosten bestuursrecht 2.3

Nadere informatie

Rapport. Rapport over de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften van de gemeente Leiden. Datum: 11 april 2011. Rapportnummer: 2011/106

Rapport. Rapport over de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften van de gemeente Leiden. Datum: 11 april 2011. Rapportnummer: 2011/106 Rapport Rapport over de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften van de gemeente Leiden. Datum: 11 april 2011 Rapportnummer: 2011/106 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop de Commissie voor

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K. de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K. de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. CENTRALE RAAD VAN BEROEP 00/5419 AKW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde. I. ONTSTAAN

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201 202934/1 /V3. Datum uitspraak: 25 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het

Nadere informatie

Sluitingsbeleid ex artikel 13b Opiumwet

Sluitingsbeleid ex artikel 13b Opiumwet Sluitingsbeleid ex artikel 13b Opiumwet Juridisch kader Op basis van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I en lijst II, dan wel

Nadere informatie

Leidraad voor het nakijken van de toets BESTUURSPROCESRECHT 19 juni 2009

Leidraad voor het nakijken van de toets BESTUURSPROCESRECHT 19 juni 2009 Leidraad voor het nakijken van de toets BESTUURSPROCESRECHT 19 juni 2009 OPGAVE 1 (34 punten) Vraag 1.1 (5 punten) Er staan geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen open. Het voorbereidingsbesluit van artikel

Nadere informatie

Tussen rechtszekerheid en gemeenschapstrouw De gevolgen in Nederland van de arresten Kühne en Heitz en Köbler. ICER 04-05.b

Tussen rechtszekerheid en gemeenschapstrouw De gevolgen in Nederland van de arresten Kühne en Heitz en Köbler. ICER 04-05.b Tussen rechtszekerheid en gemeenschapstrouw De gevolgen in Nederland van de arresten Kühne en Heitz en Köbler ICER 04-05.b ICER 04-05.b Inhoudsopgave Pagina 1 Inleiding 5 1.1 Opdracht van de werkgroep

Nadere informatie

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Uitspraak 201103208/1/V1. Datum uitspraak: 10 april 2012 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger

Nadere informatie

Doorwerking van Europees recht

Doorwerking van Europees recht Doorwerking van Europees recht De verhouding tussen directe werking, conforme interpretatie en overheidsaansprakelijkheid Jolande M. Prinssen KLUWER Deventer - 2004 INHOUD Lijst van gebruikte afkortingen

Nadere informatie

18 december 2007 Uitspraak Raad van State 31 oktober 2007; nieuwe beslissing op bezwaar

18 december 2007 Uitspraak Raad van State 31 oktober 2007; nieuwe beslissing op bezwaar Stichting Algemene Programma Raad (APR) p/a Hellingman Bunders advocaten t.a.v. mr. M. Bunders Postbus 75401 1070 AK AMSTERDAM Datum Onderwerp 18 december 2007 Uitspraak Raad van State 31 oktober 2007;

Nadere informatie

Vertaling C-441/13-1. Zaak C-441/13. Verzoek om een prejudiciële beslissing

Vertaling C-441/13-1. Zaak C-441/13. Verzoek om een prejudiciële beslissing Vertaling C-441/13-1 Zaak C-441/13 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 5 augustus 2013 Verwijzende rechter: Handelsgericht Wien (Oostenrijk) Datum van de verwijzingsbeslissing:

Nadere informatie