's- Gravenhage, 20 februari 2007

Save this PDF as:
 WORD  PNG  TXT  JPG

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "'s- Gravenhage, 20 februari 2007"

Transcriptie

1 REGERINGSCOMMISSARIS VOOR DE ALGEMENE REGELS VAN BESTUURSRECHT Cïü de Minister van Justitie de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 's- Gravenhage, 20 februari 2007 Namens de Commissie wetgeving algemene regels van bestuursrecht bied ik U hierbij aan een advies omtrent de mogelijke invoering van een relativiteitsvereiste in het bestuursrecht. Zoals uit het advies blijkt, bestaat binnen de Commissie geen overeenstemming over de wenselijkheid van invoering van een dergelijk vereiste. Om die reden heeft de Commissie er van afgezien om een voorontwerp van wet op te stellen. ene recels van bestuursrecht. mr. M. Scheltema ':J G-J Posiadres: Minisierie van Jusiiiie. Posibus 20301, 2500 EH Den Haag

2 Overwegingen voor en tegen invoering van een relativiteitsvereiste in het bestuursrecht 1. Inleiding Eind 2001 deed de Commissie Evaluatie Awb II (de Commissie-Boukema) de aanbeveling om onderzoek te doen naar de voors en tegens van invoering van een relativiteits- of "Schutznorm"-vereiste in het bestuursprocesrecht.' In het kabinetsstandpunt "Naar een slagvaardiger bestuursrecht" heeft het kabinet deze aanbeveling overgenomen.^ Daarvoor reeds was een onderzoeksopdracht verstrekt aan de Universiteit van Tilburg en de Rijksuniversiteit Groningen. Dat heeft geresulteerd in een onderzoeksrapport^ dat op 16 juli 2004 aan de Tweede Kamer is aangeboden.'* Bij deze aanbieding kondigde de Minister van Justitie, mede namens zijn amblenoot van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aan dat hij de Commissie Wetgeving algemene regels van bestuursrecht (hierna: de commissie) zou vragen: a. te adviseren over de vraag of invoering van een relativiteitsvereiste in enigerlei vorm wenselijk is, en b. indien invoering wenselijk wordt geacht, daarvoor op de gebruikelijke wijze een voorontwerp uit te brengen. Naar aanleiding van deze adviesaanvraag heeft de Commissie enkele malen beraadslaagd. Uiteindelijk is gebleken dat binnen de Commissie geen overeenstemming kan worden bereikt over de vraag of ook in het bestuursrecht een relativiteitsvereiste zou moeten gelden. Enkele leden van de Commissie beantwoorden deze vraag bevestigend, maar een groter aantal beantwoordt haar ontkennend. Een deel van deze tegenstanders ziet vooral praktische bezwaren, een ander deel heeft ook principiële bedenkingen. Gelet hierop kon de Commissie geen voorontwerp tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht opstellen. In plaals daarvan volstaat zij in dit advies met het weergeven van de argumenten voor en tegen een relativiteitsvereiste. 2. Schets van de problematiek In het privaatrecht verplicht een onrechtmatige daad slechls tol vergoeding van de daardoor veroorzaakte schade, indien de geschonden rechtsnorm strekt tot bescherming tegen schade zoals de benadeelde die heeft geleden (art. 6:163 BW).' Dit wordt wel hel relativiteits- of Schutznorm-vereiste genoemd. Een dergelijke regel bestaat in het bestuursrecht niet. De bestuursrechter moet soms een besluit vernietigen omdat het in strijd is met een rechtsnorm, hoewel deze rechtnorm niet strekt lot bescherming van het belang waarin appellant is geschaad. ' Toepassing en effecten van de Algemene wet bestuursrecht , Den Haag: BJu 2001, p. 22. ^ Kamerstukken II 2003/ , nr. 16 (herdruk), p.7. * J.C.A. de Poorter, B.W.N, de Waard, A.T. Marseille, M.J. Zomer, Herijldng van het belanghebbendebegrip. Een relativiteitsvereiste in het Awh-procesrecht?, Den Haag: BJu 2004, verder aan te halen als De Poorter c.s * Kamerstukken II, 2003/04, VI, nr C-;> ' Zie voor een recent geval waarin de HR oordeelde dat aan dit vereiste hièt was voldaan HR 7 mei 2004, AB 2005, 127 m.nt. FvO, NJ 2006, 281 m.nt. J. Hijma (Duwbak Linda). O 1 t:'

3 In het bestuursrecht geldt wel de regel, dat slechts belanghebbenden toegang tot de bestuursrechter hebben. Een beroep bij de bestuursrechter is slechts ontvankelijk, als de indiener van het beroepschrift door het bestreden besluit rechtstreeks in enig belang is getroffen (art. 8:1 jo. 1:2 Awb). Dit is echter slechts een toegangsdrempel. Aannemelijk moet zijn, dat het voor appellant feitelijk verschil maakt of het bestreden besluit al dan niet in stand blijft. Als deze toegangsdrempel is genomen, kan naar vaste rechtspraak appellant zich op alle op het besluit toepasselijke rechtsregels beroepen. Er behoeft geen verband te bestaan tussen de bezwaren die hij aanvoert, en het belang dat hem toegang heeft verschaft. Als appellant terecht aanvoert dat het besluit in strijd is met rechtsnorm x, wordt het besluit vernietigd, ook als rechtsnorm x niet strekt tot bescherming van het belang waarin appellant is benadeeld. ^ Een en ander is niet nieuw. Ook in de pre-awb-jurisprudentie werd het belangvereiste feitelijk ingevuld. De Awb-wetgever heeft er bewust voor gekozen om deze lijn te handhaven.' Niettemin is deze keuze de laatste jaren^ is onder vuur komen te liggen. Naast de Commissie-Boukema hebben ook de VAR-Commissie rechtsbescherming^ en onder meer Schueler"*, Schlössels", Schreuder-Vlasblom'^, Pront-van Bommel'^, Scheltema en Scheltema''' en Verheij'^ vraagtekens geplaatst bij het ontbreken van enige relativiteitstoets. Veel van deze auteurs menen dat dit soms tot oneigenlijk gebruik van rechtsbeschermingsprocedures leidt. Een veelgehoord voorbeeld is dat van de concurrent die tegen de bouwvergimning voor een supermarkt opkomt met het argument dat het vergunde bouwwerk de achtergevelrooilijn zal overschrijden of niet voldoet aan de voorschriften ter bescherming van de luchtkwaliteit. Een ander voorbeeld is dat van de bewoners van een villawijk die - overigens zonder succes - tegen de vestiging van een woonwagenkamp opkwamen met als argument dal de woonwagenbewoners teveel geluidsoverlast zouden ondervinden van een nabijgelegen zwembad.'^ Maar er is in de literatuur ook een tegengesteld geluid te horen. Onder meer De Poorter'\ Zijlstra'\ Jurgens'^ en De Waard^ hebben zich uitgesproken tegen een ^ Zie over dit belangvereiste recent J.C.A. de Poorter, De belanghebbende, (diss. Tilburg), Den Haag: BJu 2003; dez. Het belangvereiste in bestuursrechtelijke procedures, preadvies Jonge VAR, Den Haag: BJu 2004; R.J.N. Schlössels, De belanghebbende, Deventer: Kluwer ' Zie expliciet PG Awb I, p. 153 = Kamerstukken II 1990/91, , nr. 8. ^ Incidenteel was ook veel eerder al kritiek te horen: reeds P.J.J. van Buuren, Kringen van belanghebbenden, (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 1978, pleitte voor het eisen van "congruentie" tussen de bezwaren die in rechte mogen worden aangevoerd en het belang dat toegang tot de rechter verschaft. Dat is niet helemaal hetzelfde als een relativiteitsvereiste, maar gaat wel in die richting. ^ VAR-Commissie Rechtsbescherming, De toekomst van de rechtsbescherming tegen de overheid. Van toetsing naar geschilbeslechting, Den Haag: BJu 2004, blz "* B.J. Schueler, Het zand in de machine. Over de noodzaak tot beperking van de rechtsbescherming, oratie UvA 2003, Deventer: Kluwer " R.J.N. Schlössels, a.w. '^ M. Schreuder-Vlasblom, Kroniek Bestuursprocesrecht, NTB 2003, blz '^ S. Pront-van Bommel, Bestuursprocesrecht, diss. UvA 2002, Den Haag: BJu ' * M.W. Scheltema, M. Scheltema, Gemeenschappelijk recht, Deventer: Kluwer 2003, blz '^ N. Verhei], 'Uil zuinigheid naar relativiteit. Naar een Schutznormvereiste in het bestuursrecht' in: A.W. Heringa, A.M.L. Jansen, E.C.H.J. van der Linden, L.F.M. Verhey, Het bestuursrecht beschermd (liber amicorum F.A.M. Stroink), Den Haag: Sdu 2006, blz '^ ABRS 19 maart 2003, AB 2003, 191 m.nt. deo. '^ J.C.A. de Poorter, De belanghebbende, (diss. Tilburg), Den Haag: BJu 2003, blz '^ S.E. Zijlstra, 'De toekomst van de rechtsbescherming', NTB 2003/6, blz. '1:58. '^ G.T.J.M. Jurgens, Relativiteit in het bestuursrecht, oratie UU 2004, nog rijet gepubliceerd. ^ B.W.N, de Waard, 'Relativiteit en rechtsbescherming', NTB 2007/1. C:> 2 '^-o

4 relativiteitsvereiste. Zij menen dat in de genoemde voorbeelden helemaal geen sprake is van oneigenlijk gebruik van de rechtsbescherming, omdat zij menen dat een ieder die door een besluit feitelijk in zijn belang wordt getroffen, recht heeft op een in alle opzichten rechtmatig besluit. In hun visie behoeven de villabewoners uit het zojuist aangehaalde voorbeeld niet te dulden dat bijvoorbeeld hun woningen in waarde verminderen door een onrechtmatig besluit, ook niet als deze onrechtmatigheid slechts schuilt in de schending van een voorschrift dat niet strekt tot bescherming van de vermogensbelangen van de villabewoners. 3. De omvang van het probleem 3.1 Inleiding Als gezegd hebben de Universiteit van Tilburg en de Rijksuniversiteit Groningen in opdracht van de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een onderzoek verricht naar de voor- en nadelen van invoering van een relativiteitsvereiste.^' Dit onderzoek bevatte zowel een juridisch-normatief als een empirisch gedeelte. In deze paragraaf worden enkele hoofdpunten uit het onderzoek kort samengevat. 3.2 Varianten De onderzoekers onderscheiden drie varianten van een relativiteitsvereiste: De ruime relativiteitsleer. In deze leer zou een belanghebbende een besluit alleen in rechte kunnen aanvechten "als het doel van de regeling waar het besluit op berust geacht moet worden mede de strekking te hebben belangen als die van de appellant te beschermen." Hier wordt de vraag welke belangen worden beschermd dus beantwoord aan de hand van het globale doel van de regeling als geheel. De strikte relativiteitsleer. In deze leer zou een belanghebbende een besluit alleen in rechte kunnen aanvechten "als het concrete voorschrift waarvan de appellant stelt dat hel geschonden is mede de strekking heeft de belangen van de appellant te beschermen." Hier wordt de vraag welke belangen worden beschermd, dus niet op het niveau van de regeling als geheel, maar per afzonderlijk voorschrift beantwoord. Een verbod om zich te beroepen op contraire belangen. In de leer van de contraire belangen zou een belanghebbende, in vergelijking tot de heersende leer, alleen in zoverre beperkt worden in hetgeen hij kan aanvoeren, dat hij geen schendingen aan de orde kan stellen van normen die specifiek het - aan het belang van appellant tegengestelde - belang van de geadresseerde(n) beschermen."" In deze opvatting zou de concurrent dus nog steeds kunnen klagen over overschrijding van de rooilijn, maar de villabewoner niel meer over de geluidsoverlast voor de woonwagenbewoners. 3.3 Typen zaken en typen appellanten GI:- ^'De Poorter c.s De Poorter c.s. 2004, blz. 18. (-) 3 w K.)

5 De onderzoekers constateren dat de problematiek in de praktijk eigenlijk slechts speelt bij beroepen van derden tegen besluiten die tot een ander zijn gericht. Als de geadresseerde van een besluit in beroep gaat, zullen de normen waarop hij zich beroept, vrijwel altijd (mede) strekken tot bescherming van zijn belangen." Dit betekent ook, dat de problematiek zich bij twee-partijen-verhoudingen, zoals die bijvoorbeeld het financiële bestuursrecht kenmerken, eigenlijk nooit voortdoet. Bij twee-partijen-verhoudingen is de appellant immers vrijwel per definitie de geadresseerde van het besluil. Dit is een belangrijke constatering, want in de praktijk bestaat het werkaanbod van de bestuursrechter voor een zeer groot deel uit geschillen over twee-partijen-verhoudingen (belastingen, sociale zekerheid, vreemdelingenzaken). Een en ander betekent, dat de problematiek zich vooral voordoet op het terrein van het omgevingsrecht in ruime zin, want daar komen beroepen van derden veruit het meest voor. ^^ Er zijn op het terrein van het omgevingsrecht drie belangrijke categorieën "derden" die veelvuldig in beroep komen: omwonenden concurrenten belangengroepen Volgens de onderzoekers zouden de gevolgen van invoering van een relativiteitsvereiste waarschijnlijk het grootst zijn voor de categorie concurrenten. Voor omwonenden zouden de gevolgen minder groot zijn, omdat veel wetgeving in het omgevingsrecht mede strekt tot bescherming van de belangen van omwonenden. Ook belangengroepen beroepen zich volgens de onderzoekers doorgaans op bepalingen die mede strekken ter bescherming van de belangen die zij behartigen. 3.4 Kwantitatieve gegevens Tegen de achtergrond van het voorgaande hebben de onderzoekers gepoogd de omvang van de problematiek te kwantificeren. Daartoe hebben zij een steekproef onderzocht van 83 beroepsprocedures bij vijf rechtbanken (allemaal procedures waarbij derden waren betrokken) en 76 beroepsprocedures in milieuzaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarbij is geleld: 1. hoe vaak een partij deelneemt wiens belangen niet worden beschermd door het globale doel van de regeling waarop zij zich beroept, zodat deze beroepsgrond bij toepassing van een ruime relativiteitsleer buiten beschouwing zou moeten blijven; 2. hoe vaak een partij deelneemt die zich beroept op een specifiek voorschrift dat niet zijn belangen beschermt, zodat deze beroepsgrond bij toepassing van een strikte relativiteitsleer buiten beschouwing zou moeten blijven; 3. hoe vaak een partij zich beroept op voorschriften die een belang beschermen dat contrair is aan haar eigen belang; 4. hoe vaak de bestuursrechter een beroep gegrond verklaart op grond van argumenten die Ook in Duitsland, waar in beginsel wel een relativiteitsvereiste geldt, gaat men daar van uit. Zie R.P.B.A. Dingemans, R.J.G.M. Widdershoven, 'De Schutznormleer in communautair perspectief: het Duitse debat', NTB 2005,46. 0 ^* Incidenteel komen beroepen van derden ook wel eens voor op andere deelgebieden van bestuursrecht, zoals het economisch bestuursrecht. j--..^ 4 w G;> G:i

6 niet strekken tot bescherming van het belang van de partij die deze aanvoert. De resultaten zijn globaal als volgt: Vraag 1 Bij de Afdeling bestuursrechtspraak neemt in 11 % van de zaken een partij deel die een belang heeft dal niet wordt beschermd door het globale doel van de regeling waarop zij zich beroept. Bij de rechtbanken is dit slechts in 5 % van de zaken het geval. Vraag 2 De Afdeling bestuursrechtspraak moet in 18 % van de zaken (mede) argumenten beoordelen die bij een strikte relativiteitsleer buiten beschouwing zouden moeten blijven. Bij de rechtbanken is dat slechts in 4 % van de zaken het geval. Vraag 3 In géén van de onderzochte zaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak beriep een partij zich op voorschriften die een belang beschermden dat contrair is aan zijn eigen belang. Bij de rechtbanken deed zich dit in 2 (van de 83) onderzochte zaken voor. Vraag 4 Bij de Afdeling zijn 2 (van de 76) onderzochte beroepen gegrond verklaard op grond van argumenten die niet passen in een strikte relativiteitsleer. Bij de rechtbanken is dat in géén van de onderzochte zaken gebeurd. Eén conclusie dringt zich op: het probleem is niet groot. In ruim 80 % van de onderzochte beroepszaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak en 95 % van de onderzochte beroepszaken bij de rechtbanken is geen enkele relativiteitsvraag aan de orde. Bij laatstgenoemd cijfer moet nog worden bedacht, dat slechts zaken zijn onderzocht waarbij een derde was betrokken. Dergelijke zaken vormen slechts 5 tot 10 % van het totale zaaksaanbod bij de rechtbanken. Als daarmee rekening wordt gehouden, speelt het probleem volgens de onderzoekers slechts in hooguit 1 op de 250 rechtbankzaken. Dat zijn overwegend bouwzaken en zaken uit de categorie "overige" (kapvergunningen e.d). Deze schatting van de onderzoekers dateert echter uit Toen waren de rechtbanken nog niet bevoegd om belastingzaken te behandelen. Sedert 1 januari 2005 zijn zij dat wel. Nu belastingzaken zo goed als altijd twee-partijen-zaken zijn waarin zich dus geen relati viteits vragen voordoen, vormen de zaken waarin dergelijke vragen zich wél voordoen, inmiddels een nóg kleiner deel van het totale zaaksaanbod bij de rechtbanken. Kort samengevat: bij de rechtbanken speelt de problematiek slechts in een fractie van een procent van de zaken. Bij de Afdeling bestuursrechtspraak is het beeld anders. Daar neemt in tenminste drie van de vier milieuzaken een derde als partij aan het geding deel. Volgens de onderzoekers zouden zich in één op de zeven of acht milieuzaken relativiteitsvragen voordoen. De onderzoekers geven geen cijfers over het aandeel "relativiteitszaken" in het totale zaaksaanbod van de Afdeling bestuursrechtspraak. De Commissie wijst er echter op dat blijkens het Jaarverslag 2005 van de Raad van State^' het zaaksaanbod bij de Afdeling in dat Te vinden op 3 5 w

7 jaar voor ongeveer de helft bestond uit vreemdelingenzaken. Dat zijn typische twee-partijengeschillen, waarin dus geen relafiviteitsvragen zullen spelen. De andere helft bestaat uit milieuzaken, overige eerste aanlegzaken (waaronder veel bestemmingsplanzaken) en "gewone" hoger beroepszaken (waaronder een substantieel aanlal bouwzaken). Extrapolatie van het cijfer voor milieuzaken naar alle niet-vreemdelingenzaken zou opleveren dat bij de Afdeling bestuursrechtspraak in ongeveer 1 op de 15 zaken relativiteitsvragen spelen. Deze schatting is echter vrijwel zeker nog te hoog, omdat zich onder de "gewone" hoger beroepszaken ook een substantieel aantal financiële twee-partijenzaken bevindt (subsidies, schadevergoedingen). De conclusie kan hoe dan ook zijn, dat relativiteitskwesties zich bij de Afdeling bestuursrechtspraak in beduidend minder dan 10 % van de zaken voordoen. 4. Europees en internationaal recht 4.} Het Europese recht Diverse schrijvers^^ hebben de vraag opgeworpen of een relativiteitsvereiste zich verdraagt met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder met de daaruit voortvloeiende eis van een effectieve rechtsbescherming. Jans gaat in zijn Groningse oratie nog een stap verder: hij stelt zonder voorbehoud dat het Nederlandse debat kan worden gesloten omdal het gemeenschapsrecht geen relativiteitsvereiste toelaat." Dit is echter niet onweersproken gebleven. Centraal in dit debat slaat het arrest Streekgewest Westelijk Noord-Brabant.^^ Dit Streekgewest is een gemeenschappelijke regeling die onder meer huisvuil ophaalt en verwerkt. Terzake daarvan had het heffingen krachtens de Wet belastingen op milieugrondslag betaald. Van die heffingen kan onder bepaalde voorwaarden (gedeeltelijke) teruggave worden gevraagd. Daardoor is de Wbm aan te merken als een steunmaatregel in de zin van artikel 87 EG. Deze steunmaatregel was volgens de regels aangemeld bij de Europese Commissie en uiteindelijk ook goedgekeurd, maar - in strijd met de regels - reeds in werking getreden vóór de Commissie haar eindoordeel had gegeven. Dit laatste is in strijd met de "stand-stiir'-verplichting van artikel 88, derde lid, derde volzin, EG. Op die grond vorderde het Streekgewest de betaalde heffingen terug. De Hoge Raad zag daarin aanleiding om bij wijze van prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te vragen of het Streekgewest zich wel op de schending van de standstillverplichling kon beroepen, nu niet kon worden gezegd dat het Streekgewest het slachtoffer was geworden van een verstoring van de grensoverschrijdende mededinging. In zijn antwoord wijst het Hof er op dat in een geval als dit de heffing waaruit de steun wordt gefinancierd, een onderdeel van de steunmaatregel vormt, indien tussen beide een onlosmakelijke verband bestaat. In dat geval kan, aldus het Hof, niet alleen een concurrent die door de steun wordt benadeeld, maar ook iemand aan wie de heffing is opgelegd, zich op de ^^ Zie onder meer Ch. Backes in zijn noot onder HvJEG 7 september 2004, zaak C-127/02, Kokkelvissers, Jur. 2004, blz. I- 7405, AB 2004, 365; S. Prechal, R.H. van Ooik, J.H. Jans, K.J.M. Mortelmans, Europeanisation of the law: consequences for t/ie Dutch judiciary. Den Haag (Raad voor de rechtspraak) J.H.Jans, Doorgeschoten? Enkele opmerkingen over de gevolgen van de Europeanisering van hel bestuursrecht voor de grondslagen van de bestuursrechtspraak (oratie Groningen), Groningen: Europa Law Publishing 2005, blz. 6. GI? ^^ HvJEG 13 januari 2005, zaak C-174/02, Streekgewest Westelijk Nootd^Brabant, Jur. 2005, blz. 1-85; AB 2005, 118 m.nt. AdMvV. G;' 6 Ot)

8 schending van de standstillverplichfing beroepen. Jans trekt hieruit de conclusie dat het Hof een relativiteitsvereiste niet acceptabel acht. Kermelijk gaat hij er dus van uit, dat de standstillverplichling slechts beoogt te beschermen tegen vervalsing van de mededinging. De Moor-Van Vugt^' wijst er in haar noot echter op, dal het arrest ook anders kan worden gelezen. Het Hof zegt niet meer dan dat de slandstillverplichting ook de belangen beschermt van degenen aan wie in strijd met deze verplichting een heffing is opgelegd. Dat is dus een oordeel over de "omvang" van het beschermingsbereik van de standstillverplichting, hetgeen iets anders is dan een oordeel dat dit beschermingsbereik niet relevant is. Ook de andere zaken waarop Jans in dil verband wijst, kunnen naar hel oordeel van de Commissie niet de conclusie dragen dat een relativiteitsvereiste in strijd met het gemeenschapsrecht is. In het Kokkelvissersarrest^ zegt het Hof inderdaad dal niet kan worden uitgesloten dat particulieren een beroep kunnen doen op artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, maar ook dat is een oordeel over het beschermingsbereik van die bepaling, niet een algemeen oordeel over de toelaatbaarheid van een relativiteitsvereiste. Laatstgenoemde lezing vindt steun in hel arrest Österreichischer Zuchtverband fur Ponys.^' Deze zaak ging over een Commissiebeschikking over de erkenning van stamboekverenigingen voor paardachligen. De Oostenrijkse rechler stelde het Hof de vraag, of een bestaande stamboekvereniging in rechte moest kunnen opkomen tegen een erkenning van een nieuwe vereniging. Het Hof antwoordde dat dil niet nodig was, gelet op de beleidsvrijheid die de Commissiebeschikking aan de lidstaten liet. In dezelfde richting wijst het arrest-peter PauP^, waarin het Hof een Duitse bepaling inzake het toezicht op financiële markten aanvaardde, waarin uitdrukkelijk was bepaald dat dit toezicht slechts in het algemeen belang werd uitgeoefend. In het arrest-stadl Halle", een aanbestedingszaak, zegt het Hof slechts dat ook tegen een beslissing om een project niet openbaar aan te besteden rechtsbescherming moet openstaan. Nu de zaak is aangespannen door een concurrent van degene die het project heeft gekregen, kan daaruit niet worden afgeleid dat de rechtsbescherming ook moet openstaan voor mensen wier belangen niet door de aanbestedingsrichtlijnen worden beschermd. In dit verband is het interessant om kennis te nemen van de ontwikkelingen in de Duitse bestuursrecht. Naar Duits recht heeft slechls een burger die in een subjectief recht is getroffen, toegang tot de bestuursrechter. In verband daarmee kent het Duitse bestuursprocesrecht sinds jaar en dag een "Schutznorm"-vereiste. Dit heeft in Duitsland geleid tot een uitvoerig debat over de vraag, of dit Schutznormvereiste met het gemeenschapsrecht verenigbaar is. Dingemans en Widdershoven hebben dit Duitse debat onlangs samengevat. ^^ Daaruit blijkt, dat de Duitse literatuur over dil vraagstuk zeer verdeeld is. Duitsland is in de jaren negentig van de vorige eeuw een paar keer door het Hof veroordeeld wegens onjuiste omzetting van enkele milieurichtlijnen, waarbij de onjuistheid onder meer bestond in het te beperkl openstellen van rechtsbescherming. Sommige Duitse schrijvers hebben daaruit geconcludeerd dat een Schutznormleer als zodanig in strijd is met ^^ In haar noot in AB 2005, 118. ^^ HvJEG 7 september 2004, zaak C-127/02, Kokkelvissers, Jur. 2004, blz , AB 2004, 365 m.nt. ChB. ^' Zaak C-216/02, Jur. 2004, blz , AB 2005, 384 m.nt. AdMvV. ^^ Zaak C-222/02, Jur. 2004, blz , AB 2005, 17 m.nt. RW. " HvJEG 11 januari 2005, zaak C-26/03, jur. 2005, blz. I-l. O ^ ^ R.P.B.A. Dingemans, R.J.G.M. Widdershoven, 'De Schutznormleer in Communautair perspectief: het Duitse debal', yvr^ 2005, 46. G;' 7 K,o G;i GD

9 het gemeenschapsrecht. Dingemans en Widdershoven wijzen er echter, in navolging van andere Duitse schrijvers, op dat het probleem wellicht veeleer is dat de Duitse rechtspraak geneigd is het beschermingsbereik van voorschriften beperkt op te vatten, terwijl het Hof van Jusfitie juist vrij snel aanneemt dat een richtlijn (mede) beoogt belangen van particulieren te beschermen. Zo is het volgens het Hof denkbaar dat een richtlijn beoogt de gezondheid van alle individuele burgers te beschermen^*, terwijl naar Duits recht slechts een voorschrift dal een afgebakende en beperkte groep burgers beschermt door individuele burgers in rechte kon worden ingeroepen. Daaruit volgt echter niet dal een relativiteitsvereiste als zodanig in strijd is met het gemeenschapsrecht. Het betekent slechts dat de nationale rechter met deze lijn in de rechtspraak van het Hof rekening moet houden als hij het beschermingsbereik moet bepalen van communautaire voorschriften of van nationale voorschriften die strekken tot omzetting van richtlijnen. Maar dat is slechts een toepassing van de algemene plicht tot gemeenschapsrechtconforme uitleg. Zo nodig zal de nationale rechter over het beschermingsbereik van dergelijke voorlschriften ook prejudiciële vragen moeten stellen. Maar ook dat is niets bijzonders. Al met al concludeert de Commissie dat een relativiteitsvereiste op zichzelf niet in strijd zou zijn met het Europese recht, mits het beschermingsbereik van Europese voorschriften niet te beperkt wordt opgevat.^* 4.2 Het Verdrag van Arhus In de literatuur is voorts gesteld, dat het Verdrag van Arhus" zich tegen een relativiteitsvereiste in het omgevingsrecht verzet. ^^ Dit Verdrag garandeert in artikel 9 een recht op toegang tot de rechter in milieu-aangelegenheden. De bewoordingen van artikel 9 lijken zich op zichzelf niet legen een relativiteitsvereiste te vei'zetten. Echter, artikel 3, zesde lid, van het Verdrag bepaalt, kort gezegd, dat het Verdrag slechts minimumnormen bevat. De Lange'^ leest daar, met een beroep op de "Implementation guide" bij en de strekking van het Verdrag, een soort stand-still-verplichting in: een Schutznormvereiste mag wel worden gehandhaafd waar het al bestond, maar het mag niet meer worden ingevoerd waar het ten tijde van de inwerkingtreding van het Verdrag nog niet bestond. Maar, zoals ook de onderzoekers'"' opmerken, dat sladt er niet. Het gaat de Commissie dan ook te ver om te concluderen dat het Verdrag aan invoering van een relativiteitsvereiste in de weg staal. Wel moet worden toegegeven dal het Verdrag berust op de veronderstelling dal voor een effectieve handhaving van hel objectieve milieurecht een vrij ruime toegang tot de rechter noodzakelijk is. Het Verdrag noopt er dus wel loe om veiligheidshalve hel beschermingsbereik van milieuvoorschriften niel te beperkt op te vatten. ^^ Zie bijv. HvJEG 30 mei 1991, zaak C-361/88, TA Luft, Jur. 1991, blz , AB 1992, 453 m.nt. FHvdB. ^* Aldus onder meer ook De Poorter c.s en R.J.G.M. Widdershoven, M.J.M. Verhoeven, S. Prechal e.a.. De Europese agenda van de Awb. Den Haag: BJu 2007 (te verschijnen), par " Trb. 1998, 289 (Engels/Frans); Trb. 2001, 73 (Nederlandse vertaling). ^^ F. de Lange, 'Er is meer tussen EVRM en Awb', Tijdschrift voor omgevitt srecht 2004/6, blz "' T.a.p. '*'* De Poorter c.a. 2004, blz. 91. ^.,) ^^ 8 w G'J

10 5. Argumenten voor een relativiteitsvereiste Enkele leden van de Commissie zijn voorstander van invoering van een relativiteitsvereiste. Zij menen dal hel ontbreken van een dergelijk vereiste lot maatschappelijk ongewenste uitkomsten leidt. De eerder genoemde procedure van de villabewoners tegen een woonwagenstandplaats in hun wijk illustreert dil: daar werd een beroepsmogelijkheid min of meer oneigenlijk gebruikt om voorschriften le handhaven met een heel ander doel dan waarvoor deze voorschriften zijn geschreven. Hel is moeilijk uit te leggen waarom de villabewoners de woonwagenbewoners uil hun wijk zouden moeten kunnen weren met behulp van voorschriften die niet ter bescherming van de villabewoners, maar juist ler bescherming van de woonwagenbewoners zijn gesteld. Dit moei mede worden gezien legen de achtergrond van de maatschappelijke discussie over juridisering van het openbaar bestuur en van het imago van hel bestuursrecht. Hel beeld dat bestuurders en politici van hel bestuursrecht hebben, is niet altijd even posifief In bestuurlijke kring wordl het bestuursrechl nogal eens gezien als een factor die soms een adequate behartiging van het algemeen belang belemmert of vertraagt, doordat besluiten leiden lot eindeloze beroepsprocedures en sneuvelen op gronden die niet wezenlijk terzake doen. Dat is een karikatuur, maar dal neemt niel weg dat ons stelsel van rechtsbescherming wel degelijk schaduwzijden kent waarvoor de wetgever de ogen niet mag sluiten."*' De wetgever moet er zoveel mogelijk voor zorgen, dat besluiten slechts worden vernietigd als wezenlijke rechten van burgers zijn aangetast. Dil plaatst ook de omvang van het probleem in een iets ander licht. Uit het onderzoek blijkt weliswaar dat "relativiteilsproblemen" maar in een klein deel van de zaken spelen, maar ook dal deze zaken zich concentreren op hel gebied van het omgevingsrecht. Dat is nu juist hel terrein waarop ook de discussie over '"juridisering" zich concentreert. Besluiten - en dus ook vernietigingen van besluiten - op hel gebied van hel omgevingsrecht hebben relatief vaak relatief grote maatschappelijke gevolgen. In hel omgevingsrecht kan een vernietiging betekenen dal een belangrijk infrastructureel project jaren vertraging oploopt. Dal is ook als hel maar één of twee keer per jaar gebeuri slechts aanvaardbaar als het uit een oogpunt van rechtsbescherming echt nodig is. Het is niet echt nodig om voorschriften die de wetgever heeft gesteld om mensen legen geluidhinder le beschermen, le handhaven om villabewoners le beschermen tegen woonwagenbewoners, want voor laatstgenoemde bescherming heeft de wetgever uitdrukkelijk niet gekozen. Daarom is aan buitenstaanders moeilijk uit te leggen waarom in zo'n geval een vernietiging zou moeten volgen. Dat schaadt hel imago van het bestuursrecht. Ook in dal opzicht is van belang dat relativiteitskwesties zich vooral in hel omgevingsrecht voordoen. Juist omdat zij relatief vaak relatief grote gevolgen hebben, krijgen zij relatief veel aandacht van de buitenwereld en bepalen zij dus in belangrijke male het beeld dal de buitenwereld van hel bestuursrecht heeft. Anders gezegd: relativiteitskwesties spelen misschien in weinig zaken, maar dat zijn wel belangrijke zaken. Een tweede, meer systematisch argument om in hel bestuurrecht een relativiteitsvereiste in le voeren, is dat een dergelijk vereiste sedert jaar en dag in het privaatrecht bestaat. Het valt niet in le zien, waarom hel bestuursrecht op dil punl van het privaatrecht zou moeten verschillen. In het al meermalen gebruikte voorbeeld brengt het privaatrechtelijke relativiteitsvereiste mee. G:> *' B.J. Schueler, Het zand in de machine (oratie Amsterdam UvA), DejV^nter: Kluwer 2003, wijst in meer algemene zin op deze schaduwzijden. ^., Q')

11 dat de villabewoners de overheid niel kunnen aanspreken lot vergoeding van de schade die als gevolg van hel besluit tot aanwijzing van de woonwagenstandplaats lijden, ook al is dat besluil in sirijd met de wettelijke voorschriften ter voorkoming van geluidhinder. Waarom zouden zij dan wel vernietiging van dat aanwijzingsbesluit moeten kunnen vorderen? Waarom zou een belang dal privaatrechtelijk niet wordt beschermd, wel bestuursrechtelijk moeten worden beschermd? 6. Argumenten tegen een relativiteitsvereiste Een meerderheid van de Commissie is evenwel tegen invoering van een relativiteitsvereiste in hel bestuursrecht. Deze meerderheid valt in twee delen uiteen. Enkele leden delen niet alleen de hierna te noemen praktische bezwaren legen een relativiteitsvereiste, maar achten invoering van een relativiteitsvereiste ook principieel onjuist. Zij onderschrijven hel argument van Jurgens, dat burgers allijd recht hebben op een in alle opzichten rechtmatige besluitvorming door de overheid. Burgers moeten er op kunnen vertrouwen dat de overheid zich aan de wet houdt. Daarom behoeven zij nimmer te dulden dat zij nadeel lijden als gevolg van een besluit dat in sirijd met de wel is. De villabewoners uit het voorbeeld behoeven bijvoorbeeld niet te dulden dat hun woningen in waarde verminderen door de vestiging van een woonwagenstandplaats op een plaats waar die volgens de wet niel mag komen. Dal de desbetreffende wet burgers niet legen waardevermindering maar tegen geluidhinder wil beschermen, doet in deze visie niet ter zake. Waar het om gaat is dat de woonwagenstandplaats er volgens de wet niet mag komen en dat burgers er op mogen vertrouwen dat de overheid deze wet naleeft. Enkele andere leden van de Commissie hebben vooral praktische bezwaren legen de invoering van een relativiteitsvereiste. Zij wijzen erop dat hel voor de rechter doorgaans verre van eenvoudig is om vast le slellen welke belangen een wettelijk voorschrift precies beoogt te beschermen, omdal de wetgever zich daar zelden expliciet over uitlaat. Zij vrezen dat bij invoering van een relativiteitsvereiste verwerende bestuursorganen in tal van zaken zullen gaan aanvoeren dat hel voorschrift waarop een appellant zich beroept, niet beoogt diens belangen te beschermen. Op een dergelijk betoog zal telkens een gemotiveerde beslissing moeten worden gegeven. Dit zal leiden tol een extra werklast voor de rechterlijke macht die onevenredig is in verhouding tot de ernst en omvang van het probleem. Voorzover een relativiteitsvereiste ook in de bezwaarschriftprocedure zou gelden, zou hel bovendien een extra werklast voor het besluur meebrengen. Daarbij komt, dat invoering van een relativiteitsvereiste lot rechtsonzekerheid zal leiden. Omdat veelal niet aanstonds duidelijk is welke belangen een wettelijk voorschrift precies wel en niel beoogt te beschermen, zal uiteindelijk de jurisprudentie daarover uitsluitsel moeten bieden. Omdat men over het beschermingsbereik van een voorschrift gemakkelijk van mening kan verschillen, is de kans grool dal daarover aanvankelijk uiteenlopende jurisprudentie van verschillende eerstelijnsrechlers ontslaat. Bij ieder nieuw wettelijk voorschrift zal er dus een periode van rechtsonzekerheid over het beschermingsbereik van het voorschrift ontslaan, die pas eindigt als de rechtspraak van de hoogste rechler op dal punl is uitgekristalliseerd. Dat kan jaren duren. Ook deze rechtsonzekerheid slaat niet in een redelijke verhouding tot de ernst van het probleem. Q.\> 10 u> O Ql>

12 20februari Samenvatting en conclusie Het komt betrekkelijk weinig voor dat partijen in een bestuursrechtelijke beroepsprocedure zich beroepen op voorschriften die niet de strekking hebben om hun belangen te beschermen en waarop zij zich derhalve bij invoering van een relativiteitsvereiste in het bestuursrecht niel meer zouden kunnen beroepen. De zaken waarin hel wel voorkomt liggen vooral op hel terrein van het omgevingsrecht. De Commissie is van oordeel dat invoering van een relativiteitsvereiste in hel bestuursrecht in hel licht van het Europese en internationale recht op zichzelf toelaatbaar zou zijn, mits dit vereiste niet te strikt wordl opgevat. Over de wenselijkheid van invoering van een dergelijk vereiste lopen de meningen binnen de Commissie uiteen. Een deel van de Commissie ziet praktische bezwaren in de gedaante van een toenemende rechtsonzekerheid en een extra werklast voor de rechterlijke machl de niet in een redelijke verhouding staan lol de ernst en omvang van hel probleem dal een relativiteitsvereiste zou moeten oplossen. Andere leden van de Commissie achten invoering van een relativiteitsvereiste wenselijk, deels op rechtssyslemalische gronden, deels om te voorkomen dal de rechter besluiten moet vernietigen in gevallen waarin daarvoor maatschappelijk onvoldoende begrip en rechtvaardiging bestaan. Weer andere leden achten een relativiteitsvereiste juist maatschappelijk ongewenst, omdat daardoor soms onwettige besluiten in stand zouden moeten blijven, ook als burgers daarvan wel degelijk nadeel ondervinden. GJ 11 U' GI' Gli

M.G.O. de Lange. 1 C.L.G.F.H. Albers, De Gemeentestem, Het wetsvoorstel aanpassing bestuursprocesrecht, 2011/50.

M.G.O. de Lange. 1 C.L.G.F.H. Albers, De Gemeentestem, Het wetsvoorstel aanpassing bestuursprocesrecht, 2011/50. M.G.O. de Lange Wet aanpassing bestuursprocesrecht In deze korte bijdrage een bespreking van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (hierna: Wab). Beoogd is een contourschets, waarin een aantal highlights

Nadere informatie

Actualiteiten rechtspraak bestuursprocesrecht. 2 september :00 uur - 17:00 uur Online

Actualiteiten rechtspraak bestuursprocesrecht. 2 september :00 uur - 17:00 uur Online Actualiteiten rechtspraak bestuursprocesrecht 2 september 2015 16:00 uur - 17:00 uur Online Wat gaan we doen: rechtspraak over.. 1. De 3 B s (bestuursorgaan-, belanghebbende- en besluitbegrip) 2. Schadevergoeding

Nadere informatie

vanstate /1/V2. Datum uitspraak: 27 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

vanstate /1/V2. Datum uitspraak: 27 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201104354/1/V2. Datum uitspraak: 27 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK MigratieWeb ve12000040 201102012/1/V2. Datum uitspraak: 13 december 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger

Nadere informatie

DEEL III. Het bestuursprocesrecht

DEEL III. Het bestuursprocesrecht DEEL III Het bestuursprocesrecht Inleiding op deel III In het voorgaande deel is het regelsysteem van art. 48 (oud) Rv besproken voor zover dit relevant was voor art. 8:69 lid 2 en 3 Awb. In dit deel

Nadere informatie

Actualiteiten bestuurs(proces)recht

Actualiteiten bestuurs(proces)recht 1 Actualiteiten bestuurs(proces)recht VMR Actualiteitendag 2017 Prof. mr. K.J. (Kars) de Graaf 2 Onderwerpen Organisatie hoogste bestuursrechtspraak Einde ne bis in idem-rechtspraak (art. 4:6 Awb) Inherente

Nadere informatie

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: 200907796/1/V2. Datum uitspraak: 7 juli 2010 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

Relativiteit in het bestuursrecht. Het bepalen van het beschermingsbereik van publiekrechtelijke normen

Relativiteit in het bestuursrecht. Het bepalen van het beschermingsbereik van publiekrechtelijke normen Relativiteit in het bestuursrecht Het bepalen van het beschermingsbereik van publiekrechtelijke normen Masterscriptie Rechtswetenschappen Open Universiteit Nederland Auteur: Mw. M. Wartena Studentnummer:

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 200705297/1. Datum uitspraak: 31 januari 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

Evaluatie artikel 8:69a Awb en artikel 6:22 Awb Een onderzoek naar het relativiteitsvereiste en het passeren van gebreken in de (rechts)praktijk

Evaluatie artikel 8:69a Awb en artikel 6:22 Awb Een onderzoek naar het relativiteitsvereiste en het passeren van gebreken in de (rechts)praktijk Evaluatie artikel 8:69a Awb en artikel 6:22 Awb Een onderzoek naar het relativiteitsvereiste en het passeren van gebreken in de (rechts)praktijk A.G.A. Nijmeijer (RU) B.J. Schueler (UU) F.A.G. Groothuijse

Nadere informatie

2. Bij besluit van de d-g NMa van 5 september 2001 (hierna: het bestreden besluit) is de klacht afgewezen.

2. Bij besluit van de d-g NMa van 5 september 2001 (hierna: het bestreden besluit) is de klacht afgewezen. BESLUIT Nummer 2600/ 41 Betreft zaak: Ralet vs CZ en VGZ Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit tot ongegrondverklaring van het bezwaar gericht tegen zijn besluit van

Nadere informatie

BESLUIT. 2. Bij brief van 21 oktober 2002 heeft P. Abegg tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

BESLUIT. 2. Bij brief van 21 oktober 2002 heeft P. Abegg tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Nederlandse Mededingingsautoriteit BESLUIT Nummer 2960/ 24 Betreft zaak: Abegg - CZ Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit tot ongegrondverklaring van het tegen zijn

Nadere informatie

AKD Gemeentedag 2014 Prof. mr. G.A. van der Veen Rotterdam 20 maart 2014

AKD Gemeentedag 2014 Prof. mr. G.A. van der Veen Rotterdam 20 maart 2014 AKD Gemeentedag 2014 15 maanden Wet aanpassing bestuursprocesrecht Prof. mr. G.A. van der Veen Advocaat bestuursrecht/omgevingsrecht AKD Advocaten en notarissen Rotterdam Bijzonder hoogleraar milieurecht

Nadere informatie

Uitspraak 201403254/1/A4

Uitspraak 201403254/1/A4 1 van 7 8-3-2015 21:16 Uitspraak 201403254/1/A4 Datum van uitspraak: woensdag 14 januari 2015 Tegen: het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig Rechtsgebied:

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 20Ï1Ö6836/1/V2. Datum uitspraak: 6 februari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201111794/1 A/2. Datum uitspraak: 12 oktober 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

»Samenvatting. Wetsbepaling(en): AWB artikel 3:15, AWB artikel 6:13 Ook gepubliceerd in: ECLI:NL:RVS:2016:99, JIN 2016/116, JOM 2016/505

»Samenvatting. Wetsbepaling(en): AWB artikel 3:15, AWB artikel 6:13 Ook gepubliceerd in: ECLI:NL:RVS:2016:99, JIN 2016/116, JOM 2016/505 JB2016/45 RvS, 20-01-2016, nr. 201504247/1/A4, ECLI:NL:RVS:2016:99 Plaatsingsplan van ondergrondse restafvalcontainers, Zienswijze, indienen, Zienswijze, indienen via website, Bewijs indiening, Bewijslast

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad van State 201200615/1/V4. Datum uitspraak: 13 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

Petra Vries Trainingen. Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter. de wijzigingen in de Awb

Petra Vries Trainingen. Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter. de wijzigingen in de Awb Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter & de wijzigingen in de Awb Introductie Dit document is een bijlage bij de presentatie over Het Nieuwe Procederen bij de bestuursrechter. Hierin bespreek ik

Nadere informatie

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen:

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2004 in het geding tussen: LJN: AT7485, Raad van State, 200405147/1 (Printbare versie) Datum uitspraak: 15-06-2005 Datum publicatie: 15-06-2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht overig Soort procedure: Hoger beroep Inhoudsindicatie: Bij

Nadere informatie

De bestuursrechter en de bestuurlijke lus

De bestuursrechter en de bestuurlijke lus De bestuursrechter en de bestuurlijke lus Prof. dr. A.J.C. de Moor-van Vugt 3-4-2014 pag. 1 Einde Afdeling bestuursrechtspraak? Regeerakkoord : De Raad van State wordt gesplitst in een rechtsprekend deel

Nadere informatie

Aansprakelijkheid en schadevergoeding Awb

Aansprakelijkheid en schadevergoeding Awb Aansprakelijkheid en schadevergoeding Awb Contactgroep Algemeen Bestuur Prof. mr. G.A. van der Veen AKD Rotterdam Rijksuniversiteit Groningen 9 april 2014 Inhoud lezing 1. Inleiding: de nieuwe regeling

Nadere informatie

Art. 8:69a (1) 328 Art. 8:69a Awb C. 8. Bijzondere bepalingen beroep bij rechtbank. Awb

Art. 8:69a (1) 328 Art. 8:69a Awb C. 8. Bijzondere bepalingen beroep bij rechtbank. Awb 328 Art. 8:69a Awb C Art. 8:69a (1) Awb De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstatc 201106725/1/V1. Datum uitspraak: 3 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het

Nadere informatie

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9580

ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9580 ECLI:NL:RBSGR:2006:AY9580 Instantie Datum uitspraak 05-09-2006 Datum publicatie 06-10-2006 Rechtbank 's-gravenhage Zaaknummer AWB 05/37675 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Vreemdelingenrecht

Nadere informatie

Bestuurs(proces)recht II- B Samenvatting van de stof - Bestuursrecht in het Awb- tijdperk, T. Barkhuysen e.a., Kluwer 2014.

Bestuurs(proces)recht II- B Samenvatting van de stof - Bestuursrecht in het Awb- tijdperk, T. Barkhuysen e.a., Kluwer 2014. AthenaSummary Universiteit van Amsterdam Faculteit der Rechtsgeleerdheid Bachelorjaar 2 Bestuurs(proces)recht II- B Samenvatting van de stof - Bestuursrecht in het Awb- tijdperk, T. Barkhuysen e.a., Kluwer

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2015:3233

ECLI:NL:RVS:2015:3233 ECLI:NL:RVS:2015:3233 Instantie Raad van State Datum uitspraak 21-10-2015 Datum publicatie 21-10-2015 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201500429/1/A2 Eerste

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201109405/1 /V4. Datum uitspraak: 20 september 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak

voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak Aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie De heer mr. dr. K.H.D.M. Dijkhoff Turfmarkt 147 2511 DP Den Haag Betreft: consultatieverzoek naar aanleiding

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201100976/1/V2. Datum uitspraak: 18 september 201 2 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2017:2833

ECLI:NL:CRVB:2017:2833 ECLI:NL:CRVB:2017:2833 Instantie Datum uitspraak 09-08-2017 Datum publicatie 18-08-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 15/8007 ZVW Socialezekerheidsrecht

Nadere informatie

Mandaat en delegatie. mr. M.C. de Voogd

Mandaat en delegatie. mr. M.C. de Voogd Mandaat en delegatie mr. M.C. de Voogd Artikel 1:1 Awb 1. Onder bestuursorgaan wordt verstaan: a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of b. een ander persoon of college,

Nadere informatie

Actualiteiten Awb. Liesbeth Berkouwer, Kennedy Van der Laan 29 oktober 2013

Actualiteiten Awb. Liesbeth Berkouwer, Kennedy Van der Laan 29 oktober 2013 Actualiteiten Awb Liesbeth Berkouwer, Kennedy Van der Laan liesbeth.berkouwer@kvdl.nl 29 oktober 2013 Programma Gewijzigde Awb aanpassing bestuursprocesrecht schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten

Nadere informatie

Het bestuursrechtelijk relativiteitsvereiste. Doet de bestuursrechter wat de wetgever wil en houden rechter en wetgever voldoende rekening met Europa?

Het bestuursrechtelijk relativiteitsvereiste. Doet de bestuursrechter wat de wetgever wil en houden rechter en wetgever voldoende rekening met Europa? . Het bestuursrechtelijk relativiteitsvereiste Doet de bestuursrechter wat de wetgever wil en houden rechter en wetgever voldoende rekening met Europa? Masterscriptie Rechtsgeleerdheid Accent Staats- en

Nadere informatie

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard.

De Rechtbank te 's-gravenhage (nr. AWB 10/5062) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. 11 Oktober 2013 nr. 12/04012 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage van 10 juli 2012, nr. BK-11/00544,

Nadere informatie

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K

CENTRALE RAAD VAN BEROEP U I T S P R A A K CENTRALE RAAD VAN BEROEP 02/2895 AOW en 05/6118 AOW in het geding tussen: [appellant], wonende te Spanje, appellant, en U I T S P R A A K de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201112017/1/V2. Datum uitspraak: 4 januari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201 201474/1 A/4. Datum uitspraak: 23 juli 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 2011001 33/1/V6. Datum uitspraak: 20 april 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het

Nadere informatie

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Datum 27 januari 2016 ECLI:NL:RVS:2016:155

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Datum 27 januari 2016 ECLI:NL:RVS:2016:155 M en R 2016 afl. 5 Eventuele toekomstige gaswinning hoeft niet te worden betrokken bij de beoordeling of in verband met de exploratieboring een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Instantie Afdeling

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstate 201112631/1/V2. Datum uitspraak: 22 januari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

VNG Juridische 2-daagse. Actualiteiten Awb Liesbeth Berkouwer 11 oktober 2011

VNG Juridische 2-daagse. Actualiteiten Awb Liesbeth Berkouwer 11 oktober 2011 VNG Juridische 2-daagse Actualiteiten Awb Liesbeth Berkouwer Liesbeth.berkouwer@kvdl.nl 11 oktober 2011 Programma Finale geschilbeslechting - toepassing 8:72 - bestuurlijke lus - zaaksdifferentiatie Wetsvoorstel

Nadere informatie

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:7924, Meerdere afhandelingswijzen. Algemene wet bestuursrecht 8:4 Gemeentewet Gemeentewet 83 Kieswet

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2015:7924, Meerdere afhandelingswijzen. Algemene wet bestuursrecht 8:4 Gemeentewet Gemeentewet 83 Kieswet ECLI:NL:RVS:2016:934 Instantie Raad van State Datum uitspraak 06-04-2016 Datum publicatie 06-04-2016 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201600302/1/A2 Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2017:1318

ECLI:NL:RVS:2017:1318 ECLI:NL:RVS:2017:1318 Instantie Raad van State Datum uitspraak 17-05-2017 Datum publicatie 17-05-2017 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201607764/1/A2 Bestuursrecht Hoger

Nadere informatie

ECLI:NL:RBROT:2005:AT4996

ECLI:NL:RBROT:2005:AT4996 ECLI:NL:RBROT:2005:AT4996 Instantie Rechtbank Rotterdam Datum uitspraak 25-04-2005 Datum publicatie 03-05-2005 Zaaknummer 04/2882 Rechtsgebieden Bestuursrecht Bijzondere kenmerken Eerste aanleg - meervoudig

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2012:BX4621

ECLI:NL:RVS:2012:BX4621 ECLI:NL:RVS:2012:BX4621 Instantie Raad van State Datum uitspraak 08-08-2012 Datum publicatie 15-08-2012 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201205237/1/A4 en 201205237/2/A4

Nadere informatie

Date de réception : 18/10/2011

Date de réception : 18/10/2011 Date de réception : 18/10/2011 Resumé C-463/11-1 Zaak C-463/11 Resumé van het verzoek om een prejudiciële beslissing overeenkomstig artikel 104, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof

Nadere informatie

Uitspraak 200904084/1/R2 gevonden via '' d eze uitsp raa k il de ze uitsp ra ak Page 1 of 4 Uitspraken ZAAKNUMMER 200904084/1/R2 DATUM VAN UITSPRAAK woensdag 24 maart 2010 TEGEN het college van gedeputeerde

Nadere informatie

Advies van de Raad voor de rechtspraak over het ontwerp-wetsvoorstel tot uitvoering van Verordening (EG) Nr. 1/2003

Advies van de Raad voor de rechtspraak over het ontwerp-wetsvoorstel tot uitvoering van Verordening (EG) Nr. 1/2003 Advies van de Raad voor de rechtspraak over het ontwerp-wetsvoorstel tot uitvoering van Verordening (EG) Nr. 1/2003 1. Inleidende opmerkingen 1.1. Het advies heeft - uitsluitend - betrekking op: - het

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2013:1522

ECLI:NL:RVS:2013:1522 ECLI:NL:RVS:2013:1522 Instantie Raad van State Datum uitspraak 16-10-2013 Datum publicatie 16-10-2013 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201206838/1/A3 Bestuursrecht Tussenuitspraak

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken.

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, is het navolgende gebleken. RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2005.2662 (068.05) ingediend door: hierna te noemen 'klagers', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 I' Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer w ~e' {J.J ::li "~.8 ;.l_~ ( E..::r,",'_ t"::) ('0",,1 l:'jt:: ~~ ~ )(, ::li oe i~..- ~ c:: L'..J Nr. 12/03718 28 maart

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9709

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9709 ECLI:NL:RVS:2007:AZ9709 Instantie Raad van State Datum uitspraak 15-02-2007 Datum publicatie 07-03-2007 Zaaknummer 200607659/1 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Vreemdelingenrecht Hoger

Nadere informatie

Onrechtmatige overheidsdaad

Onrechtmatige overheidsdaad s tu diepock et s p r i v a a t r e c h t 28 Onrechtmatige overheidsdaad Rechtsbescherming door de burgerlijke rechter derde druk Prof. mr. G.E. van Maanen Prof. mr. R. de Lange 2000 W.E.J. Tjeenk Willink

Nadere informatie

BESLUIT. 2. Bij brief van 17 december 2001 is TDN verzocht informatie te geven naar aanleiding van de klacht.

BESLUIT. 2. Bij brief van 17 december 2001 is TDN verzocht informatie te geven naar aanleiding van de klacht. Nederlandse Mededingingsautoriteit BESLUIT Nummer: 2751/ 27 Besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse Mededingingsautoriteit tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen zijn besluit van 7

Nadere informatie

C.H. van Rhee, De aanvang van de appeltermijn in verzoekschriftprocedures, Bedrijfsjuridische Berichten, 12/1995, p

C.H. van Rhee, De aanvang van de appeltermijn in verzoekschriftprocedures, Bedrijfsjuridische Berichten, 12/1995, p C.H. van Rhee, De aanvang van de appeltermijn in verzoekschriftprocedures, Bedrijfsjuridische Berichten, 12/1995, p. 103-106. DE AANVANG VAN DE APPELTERMIJN IN VERZOEKSCHRIFTPROCEDURES C.H. van Rhee De

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2006:AY3839

ECLI:NL:RVS:2006:AY3839 ECLI:NL:RVS:2006:AY3839 Instantie Raad van State Datum uitspraak 04-07-2006 Datum publicatie 13-07-2006 Zaaknummer 200602107/1 Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Eerste

Nadere informatie

Na overleg met de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 1

Na overleg met de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 1 De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Dr. R.H.A. Plasterk Postbus 20011 2500 EA Den Haag bezoekadres Kneuterdijk 1 2514 EM Den Haag correspondentieadres Postbus 90613 2509 LP Den Haag

Nadere informatie

NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 25 november 2011 HOOFDSTUK 8 BIJZONDERE BEPALINGEN OVER DE WIJZE VAN PROCEDEREN BIJ DE BESTUURSRECHTER

NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 25 november 2011 HOOFDSTUK 8 BIJZONDERE BEPALINGEN OVER DE WIJZE VAN PROCEDEREN BIJ DE BESTUURSRECHTER 32 621 Aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201110635/1/V1. Datum uitspraak: 15 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4413

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4413 ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ4413 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 19-04-2011 Datum publicatie 13-05-2011 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie awb 09-5337 wwb en awb 10-4936

Nadere informatie

Zaak T-205/99. Hyper Srl tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen

Zaak T-205/99. Hyper Srl tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen Zaak T-205/99 Hyper Srl tegen Commissie van de Europese Gemeenschappen Douanerechten Invoer van televisietoestellen uit India Ongeldige certificaten van oorsprong Verzoek tot kwijtschelding van invoerrechten

Nadere informatie

ECLI:NL:RBDHA:2015:3059

ECLI:NL:RBDHA:2015:3059 ECLI:NL:RBDHA:2015:3059 Instantie Rechtbank Den Haag Datum uitspraak 10-03-2015 Datum publicatie 10-04-2015 Zaaknummer AWB - 14 _ 7359 Rechtsgebieden Belastingrecht Bijzondere kenmerken Bodemzaak Eerste

Nadere informatie

Feitelijke informatie De Afdeling bestuursrechtspraak heeft samengevat - het beroep gegrond verklaard op de volgende overwegingen.

Feitelijke informatie De Afdeling bestuursrechtspraak heeft samengevat - het beroep gegrond verklaard op de volgende overwegingen. Onderwerp Uitspraak RvS inzake wijzigingsbesluit Duinweg 56 Collegevoorstel Zaaknummer: OLOGMM27 Inleiding Op 30 november 2010 heeft uw college besloten het wijzigingsbesluit Duinweg 56, Drunen vast te

Nadere informatie

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge. Datum: 24 mei 2013. Rapportnummer: 2013/057

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge. Datum: 24 mei 2013. Rapportnummer: 2013/057 Rapport Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge Datum: 24 mei 2013 Rapportnummer: 2013/057 2 Klacht Verzoeker, een advocaat, klaagt erover dat het

Nadere informatie

Na overleg met de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 1

Na overleg met de gerechten, adviseert de Raad als volgt. 1 De minister van Economische Zaken De heer H.G.J. Kamp Postbus 20401 2500 EK Den Haag datum 11 mei 2017 doorkiesnummer 088-361 33 17 e-mail wetgeving.rvdr@rechtspraak.nl uw kenmerk WJZ/17038352 cc De Minister

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstatc 201112531/1/V1. Datum uitspraak: 11 september 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

Samenvatting. Inleiding

Samenvatting. Inleiding Samenvatting Inleiding In dit rapport wordt verslag gedaan van een onderzoek naar het functioneren van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures. De regeling trad in werking op 12 maart 2002. Tijdens de

Nadere informatie

LJN: BO7059, Rechtbank Amsterdam, AWB 09/3604 AOW. Datum uitspraak: Datum publicatie:

LJN: BO7059, Rechtbank Amsterdam, AWB 09/3604 AOW. Datum uitspraak: Datum publicatie: LJN: BO7059, Rechtbank Amsterdam, AWB 09/3604 AOW Datum uitspraak: 23-09-2010 Datum publicatie: 13-12-2010 Rechtsgebied: Sociale zekerheid Soort procedure: Eerste aanleg - enkelvoudig Inhoudsindicatie:

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: Raad vanstatc 201206551/1/V3. Datum uitspraak: 5 september 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep

Nadere informatie

Aansprakelijkheid van toezichthouders wegens inadequaat handhavingstoezicht

Aansprakelijkheid van toezichthouders wegens inadequaat handhavingstoezicht Aansprakelijkheid van toezichthouders wegens inadequaat handhavingstoezicht VIDE Jaarcongres 15 juni 2012 A.J. (Lian) van Poortvliet aj.vanpoortvliet@pelsrijcken.nl June 17, 2012 Programma Juridisch kader

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201104673/1 /V4. Datum uitspraak: 27 december 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht {hierna: de Awb) op

Nadere informatie

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ2099

ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ2099 ECLI:NL:RBSHE:2011:BQ2099 Instantie Datum uitspraak 19-04-2011 Datum publicatie 21-04-2011 Rechtbank 's-hertogenbosch Zaaknummer AWB 10-1012 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Bestuursrecht

Nadere informatie

vanstate /1 /V1. Datum uitspraak: 26 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

vanstate /1 /V1. Datum uitspraak: 26 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201110052/1 /V1. Datum uitspraak: 26 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201203791/1/V1. Datum uitspraak: 24 januari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201107998/1/V2. Datum uitspraak: 29 november 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie

AB 2015/165: Wns van toepassing op verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn; overgangsrecht. Analoge toepassing Wns.

AB 2015/165: Wns van toepassing op verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn; overgangsrecht. Analoge toepassing Wns. Page 1 of 6 AB 2015/165: Wns van toepassing op verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn; overgangsrecht. Analoge toepassing Wns. Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3580

ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3580 ECLI:NL:RBAMS:2011:BQ3580 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 22-02-2011 Datum publicatie 06-05-2011 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie AWB 10-504 AOW Bestuursrecht

Nadere informatie

BESLUIT. 3. De Raad heeft wegens de hiervoor in randnummer 1 genoemde overtreding aan Bouwbedrijf P. Moll B.V. een boete opgelegd.

BESLUIT. 3. De Raad heeft wegens de hiervoor in randnummer 1 genoemde overtreding aan Bouwbedrijf P. Moll B.V. een boete opgelegd. Nederlandse Mededingingsautoriteit BESLUIT Nummer 3938_650/35 Betreft zaak: B&U-sector / Beheermaatschappij P. Moll Besluit van de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit op de bezwaren

Nadere informatie

Leidraad voor het nakijken van de toets

Leidraad voor het nakijken van de toets Leidraad voor het nakijken van de toets BESTUURSPROCESRECHT 17 JUNI 2011 (Uit het antwoord moet blijken dat de cursist de stof heeft begrepen en juist heeft toegepast; een enkel ja of nee is niet voldoende)

Nadere informatie

TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL

TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL TWEEDE KAMER DER STATEN-GENERAAL 2 Vergaderjaar 2010-2011 32 856 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enkele andere wetten teneinde nader inhoud te geven aan het beginsel van openbaarheid

Nadere informatie

Noot onder Vzr. Rb. Amsterdam 25 november 2010, B (Nestlé/Mars)

Noot onder Vzr. Rb. Amsterdam 25 november 2010, B (Nestlé/Mars) De art. 6:193a e.v. BW, art. 6:194 BW en art. 6:194a BW Paul Geerts, Rijksuniversiteit Groningen Noot onder Vzr. Rb. Amsterdam 25 november 2010, B9 9243 (Nestlé/Mars) 1. In Vzr. Rb. Amsterdam 25 november

Nadere informatie

CM01-025 Utrecht, 23 oktober 2001. Betreft: implementatie Richtlijn 2001/55 inzake tijdelijke bescherming van ontheemden

CM01-025 Utrecht, 23 oktober 2001. Betreft: implementatie Richtlijn 2001/55 inzake tijdelijke bescherming van ontheemden Permanente commissie Secretariaat van deskundigen in internationaal vreemdelingen-, telefoon 31 (30) 297 42 14/43 28 telefax 31 (30) 296 00 50 e-mail cie.meijers@forum.nl postbus 201, 3500 AE Utrecht/Nederland

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2015:1768

ECLI:NL:RVS:2015:1768 ECLI:NL:RVS:2015:1768 Instantie Raad van State Datum uitspraak 03-06-2015 Datum publicatie 03-06-2015 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201407801/1/A3 Eerste

Nadere informatie

ECLI:NL:CRVB:2003:AF3863

ECLI:NL:CRVB:2003:AF3863 ECLI:NL:CRVB:2003:AF3863 Instantie Datum uitspraak 07-01-2003 Datum publicatie 04-02-2003 Zaaknummer Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Centrale Raad van Beroep 01/2345 WAO Bestuursrecht

Nadere informatie

Hierbij ontvangt u de beslissing op het bezwaarschrift.

Hierbij ontvangt u de beslissing op het bezwaarschrift. Bij faxbericht van 7 februari jl. (kenmerk JZ/CdM) heeft u namens KPN Telecom B.V. (hierna: KPN) bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit

Nadere informatie

ECLI:NL:RBAMS:2013:8696

ECLI:NL:RBAMS:2013:8696 ECLI:NL:RBAMS:2013:8696 Instantie Rechtbank Amsterdam Datum uitspraak 20-12-2013 Datum publicatie 03-04-2014 Zaaknummer AMS 13-2085 Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie Bestuursrecht Eerste

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 07/08/2014

Datum van inontvangstneming : 07/08/2014 Datum van inontvangstneming : 07/08/2014 Vertaling C-334/14-1 Zaak C-334/14 Verzoek om een prejudiciële beslissing Datum van indiening: 9 juli 2014 Verwijzende rechter: Hof van beroep te Bergen (België)

Nadere informatie

1.2. Het Gerechtshof heeft nagelaten te onderzoeken hoe de Belgische autoriteiten de beschikking hebben gekregen over de deze microfiches.

1.2. Het Gerechtshof heeft nagelaten te onderzoeken hoe de Belgische autoriteiten de beschikking hebben gekregen over de deze microfiches. MIDDEL 1 Schending en/of verkeerde toepassing van het Nederlands recht, waaronder mede begrepen schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201 204093/1/V3 Datum uitspraak: 1 augustus 2012 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's-gravenhage, nevenzittingsplaats

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201108181/3/V4. Datum uitspraak: 9 augustus 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen

Nadere informatie

Zaaknummer : CBHO 2015/083 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 26 januari 2016 Partijen : appellant en Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden :

Zaaknummer : CBHO 2015/083 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 26 januari 2016 Partijen : appellant en Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden : Zaaknummer : CBHO 2015/083 Rechter(s) : mr. Olivier Datum uitspraak : 26 januari 2016 Partijen : appellant en Hogeschool van Amsterdam Trefwoorden : collegegeld gegrond inschrijven ingetrokken inschrijving

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 467 Oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens) Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID HEIJNEN Ontvangen

Nadere informatie

1)estuursreclaqirA,IL

1)estuursreclaqirA,IL Raad vanstate 1)estuursreclaqirA,IL Raad van de gemeente Hof van Twente Postbus 54 7470 AB GOOR Gemeente Hof van Twente [Nr: [Afdeling: Bvo: a / nee lingekomen: 2 JULI 2015 Kopie aan: Archief: \N / NR

Nadere informatie

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom

Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom COUR DE JUSTICE BENELUX GERECHTSHOF ~ Zaak A 2005/1 - Bovemij Verzekeringen N.V. / Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom Nadere conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda (stuk A 2005/1/13)

Nadere informatie

JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611

JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611 JURISPRUDENTIE VAN HET HVJEG 1987 BLADZIJDEN 3611 ARREST VAN HET HOF (DERDE KAMER) VAN 24 SEPTEMBER 1987. BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK TEGEN J. A. DE RIJKE. VERZOEK OM EEN PREJUDICIELE BESLISSING,

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2012:BV6555

ECLI:NL:RVS:2012:BV6555 ECLI:NL:RVS:2012:BV6555 Instantie Raad van State Datum uitspraak 22-02-2012 Datum publicatie 22-02-2012 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201109131/1/A2 Eerste

Nadere informatie

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe,

Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, Edèlhoogachtbare Heer/Vrouwe, X Z (belanghebbende), \ beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 juli 2013. Bij brief van 11 oktober 2013 heeft de griffier mij

Nadere informatie

ECLI:NL:RVS:2017:1374

ECLI:NL:RVS:2017:1374 ECLI:NL:RVS:2017:1374 Instantie Raad van State Datum uitspraak 24-05-2017 Datum publicatie 24-05-2017 Zaaknummer Formele relaties Rechtsgebieden Bijzondere kenmerken Inhoudsindicatie 201601540/1/A1 Eerste

Nadere informatie

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK

AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Raad vanstate 201110961/1/V1. Datum uitspraak: 13 februari 2013 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op

Nadere informatie