EEN CULTUURLANDSCHAP UIT DE BRONSTIJD



Vergelijkbare documenten
Selectiebesluit archeologie Breda, Molengracht JEKA

Opgraving Hengelo Winkelskamp Grafveld

Bijlage 3. Vrijstellingen

Archeologie Deventer Briefrapport 27. November Controleboringen Cellarius - De Hullu (project 494)

Waarderend Archeologisch Onderzoek te Oudenburg, kantine voetbalplein (Bekestraat)

Archeologisch onderzoek te Macharen Kerkstraat

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK OP HET NOORDOOSTELIJKE

Archol bv. Ivo van Wijk. Voorlopig verslag Archeologische Opgraving Plangebied Joannes Riviusstraat te Elsloo, gemeente Stein

Archeologische Quickscan

Bijlage 1 Aanvullend advies archeologisch onderzoek, Wozoco Giessenburg, Neerpolderseweg 19, Giessenburg, Gemeente Giessenlanden

Evaluatiebrief Archeologisch onderzoek Sevenum-Beatrixstraat IVO-P

memo Locatiegegevens: Inleiding

Adviesdocument 768. Oranjerie landgoed Mattemburgh, gemeente Woensdrecht. Project: Projectcode: HOOM2. Opdrachtgever: Brabants Landschap

Locatie Zandoerleseweg, perceel 845 Datum onderzoek 21 Juni 2010 Datum evaluatieverslag 21 juni 2010 Opstelier evaluatieverslag

Publiekssamenvatting. Archeologisch onderzoek Groene Rivier Pannerden

Beulakerweg 127 te Giethoorn, gem. Steenwijkerland (Ov.)

Verkennend archeologisch onderzoek IVO Vorstenbosch-Bergakkers fase 2. R. Jansen, L.G.L. van Hoof

Archeologisch veldonderzoek Hoogheemraadschap van Delfland

no-hoek: / zw-hoek: / zo-hoek: /

INFORMATIERAPPORT EN SELECTIEADVIES

Project 434: Bureaustudie Actualisering archeologische verwachting nieuwbouwlocatie Stadhuiskwartier. Interne Rapportages Archeologie Deventer 55

Quick scan archeologie Vaartstraat Loonsevaert (perceel 2954), Kaatsheuvel gemeente Loon op Zand

Rotterdamseweg 202 in Delft

V&L. Selectiebesluit archeologie Breda, Klokkenberg. Bijlage 5 bij besluit 2017/2000-V1

Archeologisch onderzoek begeleiding Kevelderstraat Groenlo GRONTMIJ ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 68

Programma van Eisen AK PUTTEN T (0341) E mstruijs@putten.nl. Naam, adres, telefoon, datum paraaf. Regio Noord-Veluwe

De resultaten van het archeologisch onderzoek van Bovenkarspel-Het Valkje zijn

Antea Group Archeologie 2015/124 Adviesdocument bestemmingsplan Wateringse Veld vijf restlocaties, gemeente Den Haag.

Gageldijk. GAG: Archeologische begeleiding rond de aanleg van een fietsviaduct aan de Gageldijk, gemeente Utrecht. Basisrapportage Archeologie 109

6.3. Analyse en interpretatie van de grondsporen Algemeen

Papendrecht, Westeind 25, gemeente Papendrecht (ZH). Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek. Transect-rapport 528 (concept 1.

Averboodse Baan (N165), Laakdal

Bijlage 4 Archeologisch onderzoek

Bijlage 4 Bepaling archeologische verwachtingswaarden

8 QUICKSCAN 2017 ARCHEOLOGIE KLAVER Gemeente Horst aan de Maas

4 Archeologisch onderzoek

Een oppervlaktekartering in plangebied Barneveld-Noord. Archol. S. Baas

Nieuw Delft - Veld 2, 3, 6, 7, 8, 9, 10.2 en 11

Een Archeologisch Bureauonderzoek voor het bestemmingsplan De Grift 3 in Nieuwleusen (gemeente Dalfsen, Overijssel). Figuur 1.

Archeologie en cultuurhistorie Strijpsche Kampen

Locatie OPZ, Stelenseweg, Geel

Quick scan archeologie, gemeente Loon op Zand, Kaatsheuvel Van Heeswijkstraat / Horst

Afbeelding 1. De ligging van plangebied Kadijkweg te Lutjebroek (zwarte stippellijn).

Een leidingsleuf in Katwijk Klei-Oost Zuid. Een archeologische begeleiding aan de Trappenberglaan te Rijnsburg. A. Porreij-Lyklema. Archol.

Pagina 1 van 7 Archeologie West-Friesland, Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn, Postbus 603, 1620 AR Hoorn

ADVIES ARCHEOLOGIE 16 dec 2013

ADC Rapport 33 - Polder Breeveld. Archeologisch onderzoek in de polder Breeveld langs de spoorlijn Woerden-Harmelen. W.K.Vos

Plan van Aanpak. PvA A I / Johan de Wittlaan 13 te Woerden (gemeente Woerden) 1

Dordrecht Ondergronds / Briefrapport 1. Dordrecht - Meidoornlaan

Antea Group Archeologie 2015/124 Adviesdocument bestemmingsplan Wateringse Veld vijf restlocaties, gemeente Den Haag.

Quickscan Inleiding Resultaten quickscan

Nieuw Delft veld 3 en 8 (westelijk deel)

Figuur 1 Geulafzettingen (Bron: CHS)

Archeologienota: Het archeologisch vooronderzoek aan de Hoorn te Leuven Vanessa Vander Ginst Maarten Smeets Marjolein Van Der Waa

Programma van maatregelen: Ekeren Bredestraat 57

Archeologisch Onderzoek Uitbreiding Bestemmingsplan De Poel II, Goes, Vindplaats 10: een geactualiseerd overzicht. J. Ras

Nota van wijziging 2: Aanvulling op Programma van Eisen (Transect- PvE A.A. Kerhoven/ A. Hakvoort)

Ruimtelijke onderbouwing archeologie Vijf Akkers-Noord, Moordrecht (gemeente Zuidplas). Notitie TML554

RISICO-INVENTARISATIE DE WEID TE CASTRICUM

Het is van belang dat Archeologie West-Friesland minstens een week van tevoren wordt geïnformeerd over de start van de werkzaamheden.

CHECKLIST. 1. Het IVO-verkennend (voorzover booronderzoek) dient te zijn uitgevoerd door een instelling die beschikt over een opgravingsvergunning

QUICKSCAN N69 BRAAMBOSCHROTONDE, GEMEENTE BERGEIJK Arcadis Archeologisch Rapport 75 5 JANUARI 2016

Houtskool uit een kuil van een rivierduin bij Rotterdam-IJsselmonde 't Hart

Adviesdocument ten behoeve van selectiebesluit archeologie Oosterdalfsen, gemeente Dalfsen. Notitie TML520

: Archeologische begeleiding in Katwijk, Tweede Mientlaan

Archeologische Quickscan

Dordrecht Ondergronds Waarneming 2 DORDRECHT, SPUIBOULEVARD

Archeologisch bureauonderzoek & inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Sportlaan, Heerjansdam, Gemeente Zwijndrecht, B&G rapport 899

Opmeer, Hoogwoud-Oost rapport 401

Inventariserend Veldonderzoek (IVO) Opperdoes-Kluiten-Zuid. Peter Jongste, Sebastiaan Knippenberg

Archeologie West-Friesland, Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn, Postbus 603, 1620 AR Hoorn

Gerrit Rietveld College

Rapportage proefsleuvenonderzoek Borsbeek - Eugeen Verelstlei

OPGRAVING BEST-AARLE AFGEROND

Dennenstraat te Eksel (gem. Hechtel-Eksel) Programma van Maatregelen

Programma van maatregelen: Sint-Kwintens-Lennik (Lennik) Veldstraat

CLEMENT CATELINE, PEDE RUBEN, CHERRETTÉ BART. Het Domein Mesen: een historische kern te Lede (O.-Vl.)

Archeologische Quickscan

Bronstijd-vindplaatsen te Hoogwoud-Oost

Ranst Vaartstraat, Pomuni Trade (gemeente Ranst)

RAAP België - Rapport 027 Rupelmonde Kleine Gaanweg, aanleg visvijver (gemeente Kruibeke)

RAAP-NOTITIE Plangebied Weideveld. Gemeente Bodegraven Een archeologische begeleiding

Verkennend en waarderend archeologisch. onderzoek. R. de Leeuwe. Erp Aa, plangebied EVZ Leigraaf, deeltraject Veluwe

18 AACnotities. Definitief archeologisch onderzoek in het kader van de aanleg van een riool op het stationsplein, Gemeente Heiloo (Noord- Holland)

SAMENVATTING GEOLOGIE / BODEM - BODEMKWALITEIT

Verslag proefonderzoek Noorddijkerweg 32. Dinsdag

Quick scan archeologie De Horst Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand

Heenvliet, Steenhoeck-Welleweg Gem. Bernisse (ZH.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek. Steekproefrapport /11Z

Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven in het plangebied Weert-Vrouwenhof. Proefsleuf

De Limfa zat er niet voor niets

QUICK SCAN OOSTELIJK WEST-FRIESLAND AAC PUBLICATIES 4 DRS. S. LANGE DRS. J.P. FLAMMAN DRS. E.A. BESSELSEN DRS. H. VAN LONDEN

Kampen Reevediep R.C.A. Geerts (ADC ArcheoProjecten)

Cultuurhistorische inventarisatiescan nieuwe scoutingterrein Broekpolder

Pagina 1 van 7. Archeologie West-Friesland Nieuwe Steen 1, 1625 HV Hoorn Postbus 603, 1620 AR Hoorn

ARC HAEO LOG I CAL SOLUTIONS

Plan van Aanpak. Archeologisch vooronderzoek, bureau- en inventariserend veldonderzoek. gemeente Nieuwkoop

Bijlage 11 bij toelichting Bestemmingsplan Verbreding N444 en reconstructie Nagelbrug, Voorhout

Adres: Derringmoerweg 7 Plaats: Arnemuiden Gemeente: Middelburg eventueel (centrum)coördinaat (en):

AWP-VERSLAG-WAARNEMING OCB (PURMEREND)

Buro de Brug Rapporten Quickscan Archeologie Kabeltracé Waarderpolder - Vijfhuizen B09-38

Transcriptie:

AACPUBLICATIES 6 EEN CULTUURLANDSCHAP UIT DE BRONSTIJD INVENTARISEREND ARCHEOLOGISCH VELDONDERZOEK VAN HET BEDRIJVENTERREIN ZWAAGDIJK-OOST, GEMEENTE WERVERSHOOF DRS. E.A. BESSELSEN DRS. S. LANGE DRS. J.P. FLAMMAN MET BIJDRAGEN VAN DRS. J. SLOPSMA EN DRS. C.D. TROOSTHEIDE DECEMBER 2002 AMSTERDAMS ARCHEOLOGISCH CENTRUM UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM

COLOFON AACPUBLICATIES 6 Een cultuurlandschap uit de Bronstijd Auteurs: Drs. E.A. Besselsen, Drs. S. Lange, Drs. J.P.Flamman Met bijdragen van: Drs. C.D. Troostheide en Drs. J. Slopsma Illustraties: Drs. J.Slopsma Foto s: AAC - projectenbureau In opdracht van Tweekant BV en WFO/ABC BV AAC, Amsterdam 2002 ISBN 90-77010-07-6 ISSN 1569-1411 Amsterdams Archeologisch Centrum Universiteit van Amsterdam Nieuwe Prinsengracht 130 1018 VZ Amsterdam 2

INHOUDSOPGAVE Voorwoord 4 Samenvatting 5 1. Inleiding 8 2. Onderzoeksgebied 9 2.1 Ligging 9 2.2 Regionaal kader 9 - onderzoeksgeschiedenis - bewoningsgeschiedenis 2.3 Onderzoeksterrein 12 - algemeen - vooronderzoek - verwachtingen - aard bedreiging 2.4 Onderzoeksvraagstelling en strategie 14 - AMZ - Wetenschappelijk 3. Methode van onderzoek 16 4. Geologie 18 4.1 Algemeen 18 4.2 Onderzoeksterrein 19 5. Resultaten 20 5.1 Algemeen 20 5.2 Bronstijd 23 - Cluster I - Cluster II - Cluster III - Cluster IV 5.3 Middeleeuwen/Nieuwe Tijd 36 5.4 Vondstmateriaal 36 - Aardewerk - Steen - Bot - Organisch materiaal 6. Aard, omvang, kwaliteit en datering van sporen en vondsten 39 7. Archeologische monumentenzorg 41 7.1 Algemeen 41 7.2 Advies ten aanzien van archeologische monumentenzorg 41 7.3 Advies ten aanzien van wetenschappelijk onderzoek 42 Literatuur 43 Verklarende woordenlijst 49 Lijst van afkortingen 51 Lijst van afbeeldingen 52 Bijlagen 1 t/m 5 54 3

VOORWOORD Naar aanleiding van de uitbreiding van het bedrijventerrein Zwaagdijk- Oost in gemeente Wervershoof is door Tweekant BV en WFO/ABC BV opdracht gegeven tot inventariserend archeologisch veldonderzoek. Een team van medewerkers van het Amsterdams Archeologisch Centrum (AAC), Universiteit van Amsterdam heeft van 12 november tot en met 10 december 2001 vijf weken in het veld gestaan. Aansluitend heeft op het AAC te Amsterdam de uitwerking van de verzamelde gegevens plaatsgevonden. Het team bestond uit: Drs. E.A. Besselsen junior projectleider, veldwerk, uitwerking en tekst Drs. S. Lange junior projectleider, veldwerk, tekst Drs. S. Gerritsen projectarcheoloog, veldwerk A. Numan veldtechnicus H. van Ramshorst veldtechnicus Drs. J. Slopsma projectarcheoloog, vondstverwerking en tekeningen Drs. J. Flamman senior projectleider, redactie Drs. L. Therkorn Wetenschappelijke begeleiding Dr. M. Diepeveen-Jansen eindredactie C.D. Troostheide heeft de macroresten geanalyseerd. De opdrachtgevers, de heren P. Aker en G. Reurink worden vriendelijk bedankt voor de soepele samenwerking. 4

SAMENVATTING Een team van medewerkers van de Universiteit van Amsterdam heeft in november en december 2001 een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in de gemeente Wervershoof, Noord- Holland. Plannen tot herinrichting van het agrarische gebied Zwaagdijk-Oost tot een bedrijventerrein vormden de aanleiding tot dit onderzoek. In vijf weken is ruim 6000 m2 onderzocht door middel van 7 proefsleuven. Op basis van de interpretatie van luchtfoto s en van booronderzoek werd in (vooral het oostelijk deel van) het gebied sporen van een Late Bronstijd nederzetting verwacht met mogelijk één of meerdere grafheuvels. Op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Noord-Holland heeft dit terrein (perceel A) een hoge archeologische waarde gekregen (CMA-code 19F-001). Het westelijk perceel B is lager gewaardeerd, omdat hier geen bewoningsresten worden verwacht. Het inventariserend archeologisch onderzoek in Wervershoof diende de volgende doelen: - inzicht verkrijgen in aard, omvang, kwaliteit en datering van de aanwezige archeologische waarden om een waardering en advies te kunnen geven ten aanzien van behoud en duurzaam beheer van het bodemarchief; - bestudering van de sporen en de landschappelijke context ervan. Uitgangspunt hierbij zijn de ervaringen en resultaten van het archeologische onderzoek in de jaren 70 (Bakker 1977, IJzereef/van Regteren Altena 1991). Resultaten Het terrein bestaat uit zandige, zavelige en kleiige delen. Het oostelijk deel is gemiddeld zo n 20 centimeter hoger gelegen dan het overwegend kleiige westelijke deel. In het gehele gebied zijn sporen van gebruik in de Bronstijd en Middeleeuwen aangetroffen. De sporen omvatten gebouwen, greppels (percelerings)sloten, kringgreppels, paalkuilen, kuilen en banen met hoefafdrukken van vee (mogelijke koeienpaden). De bronstijdsporen zijn, op basis van het type sporen en de spoorconcentraties, verdeeld in vier clusters. De clusters vormen geen daadwerkelijke begrenzingen binnen het gebied maar vormen conceptuele eenheden. In clusters I en II, respectievelijk in het noordoosten en zuidoosten van het onderzoeksterrein, zijn sporen van bewoning en landgebruik (akkers en weilanden) aangetroffen, alsook een cirkelvormige structuur die op basis van de luchtfoto s als mogelijke grafheuvel is geïnterpreteerd. Het zavelige deel in cluster III (zuidwesten) is mogelijk ook bewoond geweest en, net als de komgronden, zeker voor landbouw en veeteelt gebruikt. In een depressie binnen dit cluster werd een depot van stenen aangetroffen. In cluster IV, in het noordwesten, zijn alleen sporen van beweiding aangetroffen die mogelijk tot een bewoning ten noordwesten van het onderzoeksterrein behoren. Gezien de oversnijdingen van sporen is over het gehele gebied sprake van landgebruik in opeenvolgende bewoningsfasen. In het oosten van het onderzoeksterrein is een fasering aan te brengen door de aangetroffen diversiteit aan vullingen van sporen. De Middeleeuwse sporen betreffen voornamelijk een systeem van perceleringssloten met een noordoost-zuidwest en noordwest-zuidoost oriëntatie. Aanbevelingen ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg Uit het onderzoek is gebleken dat de kwaliteit van de sporen en het vondstmateriaal goed is. De sporen zijn door de donkere vulling goed te herkennen in het opgravingsvlak en zijn tot aanzienlijke dieptes bewaard gebleven. Toch kon het oorspronkelijke bewoningsniveau niet met zekerheid vastgesteld worden, met uitzondering van twee plaatsen waar het onder een donkere humeuze laag werd aangetroffen. De aangetroffen sporen, met een diepte van gemiddeld 25 centimeter, zijn afkomstig van de voormalige staanders van de boerderijen. In vergelijkbare context elders (bijvoorbeeld opgraving Het Valkje, IJzereef/Van Regteren Altena 1991) hebben deze een diepte van 5

tenminste 60 centimeter, overeenkomend met de bijbehorende huissloten. Een deel van het oorspronkelijke loopvlak is dus duidelijk afgetopt door agrarische werkzaamheden. Bij de huisplattegronden ontbreken de sporen van (de meeste) wandpalen. Door de methode van het inventariserende onderzoek is weinig vondstmateriaal verzameld. De vlakvondsten, die het merendeel van het vondstenspectrum omvatten, zijn redelijk tot goed geconserveerd. Het gehele terrein is in gebruik genomen door een boerensamenleving uit de Bronstijd. Sporen van woonplaatsen, akkers en weidegronden geven aan dat onder het maaiveld een compleet cultuurlandschap ligt. De begrenzing van het bewoonde areaal kan alleen door middel van grootschalig onderzoek worden aangetoond. Op basis van de huidige kennis moet het gebied als een eenheid worden beschouwd en als zodanig worden gewaardeerd. Bewoningssporen hebben met name waarde indien zij in een bredere context van landschapsgebruik en beleving worden onderzocht. Het terrein van hoge archeologische waarde op de AMK moet daarom worden uitgebreid in westelijke richting en als één geheel worden behouden. Door de voortgang van de inrichtingsplannen van het bedrijventerrein en de kwaliteit van de sporen is het niet mogelijk alle archeologische waarden door planologische en technische aanpassingen in situ (ter plaatse) te behouden. Binnen het voorgestelde inrichtingsplan bestaan er mogelijkheden voor de inpassing van een groot deel van de archeologisch waarden in cluster I als mede in Cluster III en het behoud van de archeologische waarden in Cluster III en IV door technologische oplossingen, zoals archeologie-vriendelijk bouwen, en aanbrengen van een extra afdekkende laag grond (Soonius 2002). De archeologische waarden, die niet behouden kunnen worden, zullen daarom door middel van een archeologisch onderzoek ex situ worden veiliggesteld. De onderzoeken te Zwaagdijk-Oost moeten minimaal voldoen aan de voorwaarden volgens de standaard van de Kwaliteitsnormering Archeologie (KNA) en antwoord geven op vooraf gestelde onderzoeksdoelen. Advies ten aanzien van wetenschappelijk onderzoek Het voorkomen van verschillende landschapselementen en de omvang van het plangebied maken het terrein uitermate geschikt voor onderzoek naar het bronstijdcultuurlandschap, met de nadruk op de zogenaamde overgangsgebieden van hoog: laag; droog:nat; weide:akker, enzovoort. De verscheidenheid aan sporen biedt ook mogelijkheden tot het onderzoek van relaties tussen woonplaatsen en landbouwgronden, tussen grafheuvels en nederzettingen. Plaatsing van het onderzoeksterrein in een breder landschappelijk kader (bijvoorbeeld de grafheuvels en nederzettingen bij de Eendenkooi ten noorden van het terrein) biedt de mogelijkheid het bewoningsmodel van IJzereef/van Regteren Altena (1991) te toetsen waarin een diachrone ontwikkeling van bewoningsfasen wordt verondersteld. In het kader van landschapsarcheologie is binnen het onderzoeksterrein Zwaagdijk- Oost onderzoek gewenst naar: 6 - het type gebruik van de verschillende eenheden in de (pre)historie en het onderlinge verband daartussen, zowel synchroon als diachroon, door middel van het onderzoek van woonplaatsen, akkers, weilanden en speciale locaties zoals begravingen en deposities. - de bodemprocessen in verband met de verandering (vernatting) van het landschap. Aan de hand van de aard en het soort vulling van sporen kunnen uitspraken worden gedaan over de (geologische) omstandigheden waarin de sporen zijn opgevuld en dus onder welke omstandigheden bepaalde activiteiten hebben plaatsgevonden. - de periodisering en fasering van bewonings- en landschapsgebruik. Middels analyse van oversnijdingen en analyse van de verschillende vullingen van sporen, is het mogelijk het gebruik van het landschap te faseren.

- Nieuwe ontwikkelingen binnen de 14C dateringen bieden een kans de bewoningsfasen exacter te dateren. De vraagstelling komt voort uit de kennis die in de afgelopen 50 jaar is opgedaan door archeologisch onderzoek door het Instituut voor Pre- en Protohistorie (IPP) van de Universiteit van Amsterdam, de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), het Biologisch Archeologisch Instituut te Groningen (BAI) en het Instituut voor Prehistorie Leiden (IPL). Bij het onderzoek in oostelijk West-Friesland vond overleg plaats met J.A. Bakker, L.Therkorn, C. Soonius en R. van Heeringen. Voor toekomstig onderzoek zullen ook specialisten geraadpleegd worden zoals bijvoorbeeld voor de analyse van kookresten op aardewerk, fosfaatanalyse en 14C-dateringen. Voor continuering van het onderzoek is het gewenst oude gegevens aan de nieuw verkregen inzichten te toetsen. 7

1. INLEIDING Van 12 november tot en met 10 december 2001 hebben medewerkers van het AAC, in opdracht van Tweekant BV en WFO/ABC BV een inventariserend archeologisch veldonderzoek uitgevoerd op de uitbreiding van het bedrijventerrein Zwaagdijk- Oost in de gemeente Wervershoof. De analyse van luchtfoto s en het inventariserend onderzoek, uitgevoerd door het archeologische adviesbureau RAAP, hebben aangetoond dat binnen het gebied sporen te verwachten zijn van bronstijdbewoning en van middeleeuws landgebruik (De Vries-Metz 1993; Tol 2001). Het oostelijk perceel van het onderzoeksgebied is aangemerkt als terrein met hoge archeologische waarde, CMA-code 19F-001. Het onderzoek is uitgevoerd met als doel de archeologische waarden in het gebied in kaart te brengen en eventueel zorg te dragen voor behoud en duurzaam beheer van deze waarden. Het gaat hierbij met name om het vaststellen van het type vindplaats, de kwaliteit, de omvang en de datering ervan. Volgens de onderzoeksstrategie van het AAC worden de archeologische waarden binnen hun ruime landschappelijke context bestudeerd. In dit rapport wordt verslag gedaan van de werkzaamheden en resultaten van het veldonderzoek. In hoofdstuk 2 wordt het onderzoeksgebied beschreven, respectievelijk de ligging, het regionale kader, het onderzoeksterrein, vraagstelling en onderzoeksstrategie. In hoofdstuk 3 komt de methode van onderzoek aan de orde. De geologie van het gebied wordt in hoofdstuk 4 behandeld. In hoofdstuk 5 worden de resultaten per cluster en per periode beschreven. Een samenvatting van het onderzoek wordt in hoofdstuk 6 gegeven. Het laatste hoofdstuk bevat een advies ten aanzien van de archeologische monumentenzorg en het toekomstig archeologisch onderzoek in het betreffende gebied. 8

2. ONDERZOEKSGEBIED 2.1 Ligging Het onderzoeksterrein is gelegen binnen het uitbreidingsgebied van het bedrijventerrein Zwaagdijk-Oost, gemeente Wervershoof. Het onderzoeksterrein ligt ten westen van het veilingcomplex en de Markerwaarderweg en ten zuiden van de Zwaagdijk (afbeelding 1). Aan de zuidzijde ligt het reeds bestaande bedrijventerrein. De centrale RD- coördinaten zijn X= 138.625; Y= 524.200. De totale omvang van het plangebied is circa 27 hectare, verdeeld over twee percelen. In het schriftelijke advies van de Rijksdienst van Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) worden de percelen A en B genoemd. Perceel A is op de Archeologische Monumentenkaart aangemerkt als terrein met hoge archeologische waarde ; CMA- code 19F-001. 2.2 Regionaal kader Onderzoeksgeschiedenis West-Friesland kent een lange onderzoekstraditie binnen de archeologie. Van Giffen begon in 1944 met grafheuvelonderzoek, Modderman in 1961 met onderzoek naar nederzettingen. De ROB en de Universiteiten van Amsterdam, Groningen en Leiden hebben verscheidene uitgebreide nederzettingen onderzocht (met name J.A. Bakker, R. Brandt, W. Metz, J.F. van Regteren Altena en G. IJzereef). Opgravingen hebben voornamelijk plaatsgevonden in de polder Het Grootslag, vooral in verband met de grootschalige ruilverkavelingen in de jaren tussen 1972 en 1979. Deze waren ook de aanleiding voor de volgende opgravingen: Hoogkarspel ( Watertoren 1972-78; Tolhuis 1964-1968 en 1979; Tolhek 1964); Wervershoof ( De Ark ; Tumulus 1953, 1954, 1957); Bovenkarspel ( Het Valkje 1974-1978); Grootebroek (1948, 1972, 1974). Tijdens enkele opgravingen heeft uitgebreid ecologisch onderzoek plaatsgevonden (Buurman 1996). In het ruilverkavelingsgebied Het Westwoud (waar Zwaagdijk toebehoort) hebben vooral noodopgravingen plaatsgevonden. Door de Universiteit van Amsterdam zijn in 1984 kleinschalige opgravingen uitgevoerd (Westwoud I, II, III) waarbij nederzettingssporen uit de Bronstijd werden aangetroffen en sporen van agrarische activiteiten in de directe omgeving van een laat-neolithische en Vroege bronstijdnederzetting (De Vries-Metz 1993). Verder is door de ROB onderzoek verricht naar bronstijdnederzettingsporen in 1987 (Buurman 1989) en in 1992 (Woltering/Hagers 1993). Het onderzoeksgebied ligt ongeveer 800 meter ten zuidwesten van een bewoningscomplex bestaande uit vlakgraven, nederzettingssporen en een grafheuvelgroep gelegen op de percelen De Eendenkooi en De Ark, opgegraven onder leiding van Van Giffen (1942, 1953, 1954, 1957) en Modderman (1961). De grafheuvels vertegenwoordigen veelal meerdere fasen en zijn omgeven door ringsloten en/of paalkransen. Onder de heuvels zijn vaak ploegsporen aangetroffen. De sporen van de nederzetting bestaan uit paalkuilen, ploegsporen en greppels (De Vries- Metz 1993). Bewoningsgeschiedenis In oostelijk West-Friesland vindt vanaf ongeveer 1500 v. Chr. bewoning plaats op de brede en smallere, zavelige kreekruggen. Verondersteld wordt dat de kolonisten afkomstig zijn van het duingebied of t Gooi. Met de verlanding van het zeegat bij Bergen werd het gebied toegankelijker voor bewoning. In de Vroege Bronstijd zal het gebied waarschijnlijk ter verkenning zijn bezocht. De eerste kolonisten vestigden zich aan het begin van de Midden Bronstijd op de hoger gelegen kreekruggen en later op de flanken. Twee bewoningsfasen kunnen worden onderscheiden: een vroege fase gedateerd tussen 1600 en 920 v. Chr. en een late fase tussen 920 en 800 v. Chr. (IJzereef/van Regteren Altena 1991). 9

10 Archeologisch inventariserend veldonderzoek

De boerderijen zijn karakteristieke drieschepige woonstalhuizen, dwars op (west oost) of evenwijdig aan (noord zuid) de kreekrug georiënteerd (IJzereef/van Regteren Altena 1991). Om de boerderijen zijn sloten gegraven, waarschijnlijk voor de ontwatering van het erf. In de late fase wordt het gebied door zeespiegelstijging en wereldwijde klimaatsveranderingen natter en verslechteren de bewoningsomstandigheden (IJzereef/van Regteren Altena 1991; Buurman 1996). Als een reactie op de milieuveranderingen in de late bewoningsfase werden brede, diepe sloten om de huisplaatsen uit aangelegd. Ze worden ook wel terpsloten genoemd. De grond uit de sloten werd gebruikt om de woonplaats op te hogen. Deze fase heeft dan ook de benoeming terpfase verkregen (IJzereef/van Regteren Altena 1991). Van de late bewoning worden bijna geen sporen van huizen terug gevonden. Een uitzondering vormt de opgraving van een huisplattegrond uit de late fase bij Hoogkarspel (Bakker 1977). De terpen zijn, vooral door egalisatiemaatregelen in de latere 20igste eeuw, afgetopt. De terpsloten zijn echter vaak nog zichtbaar op luchtfoto s van het gebied en zijn onder ander gevonden bij de opgravingen Bovenkarspel Het Valkje (IJzereef/van Regteren Altena 1991). Sporen met betrekking tot landbouw en veeteelt, zowel uit de vroege als ook uit de late fase, betreffen grote aantallen kringgreppels en kuilenkransen met een gemiddelde doorsnede van vier meter, ploegsporen, lange greppels en sloten. De akkers zijn op de kreekruggen gelegen, de weidegronden ernaast in de komgronden. Sporen van dodenrituelen omvatten grafheuvels (inhumatie en crematie), vlakgraven met inhumaties en losse menselijke beenderen in nederzettingscontext. Aangenomen wordt dat vanaf 800 v. Chr. de bewoning door vernatting onmogelijk wordt. Als reden hiervoor wordt aangedragen de stijgende grondwaterspiegel, een ontoereikende waterafvoer (Roep/van Regteren Altena 1988) alsook een abrupte klimaatsverandering tussen 860-760 v.chr (Van de Geel et al. 1997). Pas in de Middeleeuwen (12 e /13 e eeuw) lijkt het gebied weer toegankelijk en vinden grootschalige ontginningen plaats. 11

2.3 Onderzoeksterrein Algemeen Het onderzoeksterrein ligt in het tuinbouwgebied Zwaagdijk-Oost en heeft tot eind 2001 een agrarische bestemming gehad. Ten tijde van de opgraving werden de laatste kolen van het land gehaald. De geologische ondergrond bestaat uit kleiige, zavelige en zandige sedimenten. Volgens de kaart van Ente (1963) bevinden zich in het zuidoostelijk deel van het onderzoeksterrein geulafzettingen van oude kreken met een noordoost-zuidwestelijke oriëntatie. Ook de kaart van Hallewas geeft een beeld van dergelijke geulafzettingen (Hallewas in Buurman 1996) 1. De hoogte van het huidige maaiveld van terrein A varieert van 1.40 tot 1.60 meter NAP, van terrein B van 1.44 tot ca. 1.85 meter NAP. Het opgravingsvlak op het oostelijke terrein (terrein A) werd aangelegd tussen 1.97 en 2.25 meter NAP. De gemiddelde diepte van het vlak waarin sporen uit de Bronstijd konden worden waargenomen, ligt ongeveer bij 2.10 meter NAP op terrein A en op 1.85 meter NAP op terrein B. Het hoogste deel van terrein A bevindt zich ongeveer in het midden van het perceel, ter hoogte van de verbreding in de betonplaten weg. Hier kon een NAP waarde van 1.27 meter worden gemeten. Het reliëf van terrein B vertoont een grotere variatie. In het zuidelijke deel ligt het terrein relatief hoog (maaiveld 1.45 meter NAP). In noordelijke richting loopt het terrein duidelijk af. In het tussenliggende deel schommelen de waarden licht. Vooronderzoek Op de, door W. Metz (1993) geïnterpreteerde, luchtfoto s van de R.A.F. uit 1945, is op het oostelijk deel van het gebied een nederzettingsareaal als shadowmarks zichtbaar (afbeelding 2), veroorzaakt door het aanwezige reliëf. Het gehele complex bestaat uit sporen van een nederzetting, percelering en van een mogelijke grafheuvel. Twee rechthoekige slotenpatronen representeren mogelijk terpsloten. Naar aanleiding van deze waarnemingen zijn tijdens veldkarteringen diverse vondsten gedaan uit de Bronstijd (De Vries- Metz 1993). Op grond van deze gegevens is het oostelijk deel van het plangebied aangewezen als een terrein van hoge archeologische waarde (CMA- code 19F-001/afbeelding 1). Door het Archeologisch Adviesbureau RAAP is in maart 2001 een booronderzoek uitgevoerd. In het rapport wordt gesteld dat het gebied uit zandige, zavelige en kleiige afzettingen bestaat en dat de bodem weinig tot zeer weinig verstoord is. De aanwezigheid (in zeven boringen) van een venige overgangslaag ( baggerlaag 2 ) en/of een donkergrijs gevlekte vuile laag op de overgang van de bouwvoor naar de ondergrond geeft aan dat de ondergrond onverstoord is. In twee boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen in de vorm van fosfaatvlekken en fragmenten verbrand leem. Tijdens de oppervlaktekartering zijn drie donker gekleurde plekken waargenomen die als archeologisch relevant worden aangemerkt. Hier zou de baggerlaag aanwezig zijn en daarmee de ondergrond onverstoord. Op twee plaatsen zijn vondsten gedaan: drie fragmenten vuursteen, mogelijk bronstijdaardewerk en een botfragment (Tol 2001). Op basis van deze gegevens zijn door RAAP twee vindplaatsen aangewezen. Vindplaats 1 bevindt zich in het midden van perceel B en vindplaats 2 ligt in het noorden van perceel A (aangegeven met sterren in afbeelding 2). 1 Het huidige reliëf hangt nauw samen met de agrarische werkzaamheden op het terrein en spiegelt niet overal de oorspronkelijke ligging van de hogere geulruggen. Door veranderingen in de percelering, werden oude sloten met het zandige materiaal van de hoger gelegen kreekruggen dichtgeschoven, zoals onder ander op terrein B in het meest zuidelijke gebied kon worden vastgesteld. In het noordoostelijke deel van terrein A werd in de vorige eeuw een grote kuil gegraven in verband met kleiwinning. Deze kuil werd eveneens in de 60iger jaren van de vorige eeuw met zandig materiaal van elders dichtgeschoven. 2 een verploegde Middeleeuwse akkerlaag met veenrestanten, volgens Ente (1963). 12

13

Verwachtingen Op basis van de gegevens uit luchtfotografie, veldverkenningen en booronderzoek zijn de verwachtingen voor het oostelijk perceel A hoog. Hier wordt een nederzettingscomplex uit de Late Bronstijd vermoed waaronder mogelijk één of meerdere grafheuvels. Op de AMK van Noord-Holland heeft dit terrein een hoge archeologische waarde gekregen. De kans op bewoningsresten in het westelijk deel wordt in het advies van de ROB veel lager geschat. Aanwijzingen via luchtfotografie ontbreken eveneens, maar door RAAP wordt tenminste één vindplaats verondersteld op basis van fosfaatvlekken, een fragment verbrand leem in een boring en drie fragmenten riviervuursteen verzameld tijdens de oppervlaktekartering. Het is niet uitgesloten dat hier meer vindplaatsen aanwezig zijn (Tol 2001). Middeleeuwse bewoningsporen worden in het onderzoeksgebied niet verwacht. Deze bevinden zich ten zuiden van het terrein (Tol 2001). Uit de periode na 800 n. Chr. denkt men voornamelijk ontginningssporen in de vorm van noord-zuid georiënteerde afwateringssloten aan te treffen. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de bewoningsresten uit de Bronstijd en Middeleeuwen ondanks de grootschalige ruilverkavelingen in de jaren 70 toch op veel plaatsen bewaard zijn gebleven (o.a. Lange e.a. 2000, Tol 2001). Voor zowel perceel A als B wordt dan ook verwacht dat de grondsporen redelijk tot goed bewaard zijn gebleven. Aard van bedreiging De gemeente Wervershoof heeft het voornemen het uit te breiden in westelijke en noordelijke richting. Bij de toekomstige herinrichting van het gebied, van een oorspronkelijke agrarische bestemming tot een bedrijventerrein, wordt het landschap geheel veranderd. Met de aanleg van gebouwen, wegen, waterpartijen en groenvoorzieningen zal het bodemarchief verstoord worden. In het concept Bestemmingsplan Zwaagdijk-Oost. Bedrijventerrein WFO/ABC van de gemeente Wervershoof (code 99-75-06/08-01-02) wordt het ontwerp van het bedrijventerrein uiteengezet. Er worden drie typen bedrijfslocaties onderscheiden. Langs de Markerwaarderweg komen zogenaamde zichtlocaties (zone I), bestaande uit veel water en parkachtige groene zones. Hier komen de bedrijfsgebouwen. Het meest noordwestelijke deel van het plangebied wordt ingedeeld als werk/ woonlocaties (zone II). Ook in dit gebied is veel water en groen gepland in de vorm van vijvers en parken. Hier komen de kleinere kavels met lichte bedrijvigheid waarbij ook gewoond kan worden. Het overige deel wordt het bedrijventerrein (zone III). Het is niet bekend welke gevolgen de bebouwing voor het archeologisch bodemarchief heeft. De dichtheid van de heipalen, de zwaarte van de gebouwen, de aanleg van de wegenstructuur en de aanleg van grote waterpartijen in het noordelijk deel van het plangebied vormen een bedreiging ofwel een zekere aantasting van de aanwezige archeologische waarden. 2.4 Onderzoeksvraagstelling en strategie Archeologische Monumentenzorg Het doel van het AAO op het is inzicht te verkrijgen in de aard, omvang, kwaliteit en datering van de aanwezige archeologische waarden. Het verkregen inzicht tijdens de inventarisatie, door middel van een stelsel van proefsleuven, dient als uitgangspunt voor de waardering ten aanzien van de aangetroffen archeologische waarden en adviesvorming voor toekomstig beleid. Indien mogelijk en wenselijk, kunnen vindplaatsen worden beschermd door planaanpassing. Wanneer dit niet te verwezenlijken is, kan worden besloten tot nader archeologisch onderzoek om de informatie ex situ te behouden, hetzij door middel van een opgraving, hetzij door een archeologische begeleiding van de werkzaamheden. Indien de kwaliteit onvoldoende is en/of nader onderzoek geen meerwaarde aan de bestaande kennis van de bewoningsgeschiedenis oplevert, kan ook besloten worden geen vervolgstappen te ondernemen. 14

Wetenschappelijk kader Het onderzoek wordt uitgevoerd binnen het wetenschappelijk kader van het AAC. Dit houdt in dat archeologische waarden binnen een wijder landschappelijk kader worden bestudeerd. In mei 2001 is een Quick Scan van oostelijk West-Friesland uitgevoerd door het AAC (Lange e.a. 2001). Dit is een inventarisatie van bekende archeologische vindplaatsen, archeologische opgravingen, bewoningsmodellen, hypothesen en vraagstellingen, kennis en kennislacunes van de bewoningsgeschiedenis van de regio en van de (mate) van verstoring van het archeologisch bodemarchief. In de Quick Scan staat het gebied als +/+ gebied aangegeven. Dit houd in dat er vooral behoefte bestaat aan hypothese toetsend onderzoek van het bestaande bewoningsmodel (IJzereef/van Regteren Altena 1991). Aandachtspunten zijn onder andere de onderlinge relatie van de grafgegevens, de nederzetting(en) en het landschapsgebruik binnen het onderzoeksgebied en de relatie tot de reeds onderzochte nederzettingen in de directe omgeving (Bakker 1977, Therkorn 1980, IJzereef/van Regteren Altena 1991). Bewoningsmodel van IJzereef/van Regteren Altena Het bewoningsmodel van IJzereef/van Regteren Altena veronderstelt een diachrone ontwikkeling van de bewoning in de Bronstijd binnen het gebied. Volgens de onderzoekers kwamen de eerste bewoners in een open gebied terecht, dat aantrekkelijk was voor veeteelt. De weide- en hooilanden lagen vooral in de lager gelegen komgebieden, de hogere kreekruggen werden als akkerland in gebruik genomen. In verloop van tijd zijn de akkers steeds meer naar de flanken van de kreekruggen verplaatst. Dit zou te maken hebben met bevolkingsgroei en, een daaraan gerelateerde, behoefte aan akkerareaal. De huizen waren aanvankelijk vooral gesitueerd op de hoge kreekruggen, later op de zavelige flanken. Met de toenemende vernatting van het gebied bouwden de bewoners hun huizen weer op de kreekruggen, waarbij diepe sloten om de bewoning werden gegraven. Met de grond uit deze sloten werden de woonplaatsen opgehoogd. De sloten worden ook wel terpsloten genoemd, corresponderend met de terpfase, de laatste 3 bewoningsfase in de Late Bronstijd. Enkele bewoningskernen lagen rondom het open water (rondom de huidige Wieringermeer) op een onderlinge afstand van drie tot vier kilometer. Alleen de eerste kolonisten en hun nakomelingen hebben grafheuvels gebouwd. Later zijn de doden in vlakgraven bijgezet. Volgens de onderzoekers geven de verschillen in huisplattegronden, het grafbestel en de economie aan dat er een verandering plaatsvond van een hiërarchische naar een meer egalitaire samenleving (IJzereef/van Regteren Altena 1991). Het bewoningsmodel van IJzereef en Van Regteren Altena berust met name op de resultaten van de opgraving bij Bovenkarspel Het Valkje (1974-1978) en op de verspreiding van grafheuvelgroepen in de polder Het Grootslag. 3 Volgens Therkorn moeten er vragen bij deze interpretatie worden gesteld. Als het noodzakelijk zou zijn geweest de huizen op verhoogde woonplaatsen aan te leggen in de Late Bronstijd, was er op dat moment ook geen areaal meer beschikbaar voor veeteelt en akkerbouw. Therkorn vraagt zich af of de diepe sloten op de kreekruggen mogelijk in verband staan met seizoensgebonden activiteiten in het gebied, nadat de bewoners zijn weggetrokken. De greppels zouden dan een functie als tijdelijke veekralen kunnen hebben gehad (Therkorn/Abbink 1987). 15

3. METHODE VAN ONDERZOEK In maart 2001 heeft het Archeologisch Adviesbureau RAAP een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd in het onderzoeksgebied. Op basis van de uitkomsten van het booronderzoek, de bodemkartering en een literatuuronderzoek werd geadviseerd tot een AAO om de kwaliteit (gaafheid en conservering), datering, diepteligging, aard en omvang van de vindplaatsen te bepalen. De ROB heeft dit advies overgenomen en gesteld dat het oostelijk gedeelte van het gebied met drie proefsleuven van 4 tot 6 meter dient te worden onderzocht en het westelijk gedeelte met 2 meter smalle zoeksleuven, met de mogelijkheid tot verbreding (brief men. Teters, beleidsmedewerker Planvorming en R.O., regio West, ROB, dd. 16/08/01). In totaal is 6115,7 m2 opgegraven door middel van 7 werkputten (afbeelding 5). Op perceel A zijn uiteindelijk vier proefsleuven aangelegd. Werkput 1 is noordwest-zuidoost aangelegd (parallel aan de huidige percelering) over de door RAAP gekarteerde donkere plekken in het landschap en over vindplaats 2. Werkput 1 is op enkele plaatsen verbreed tot 6 meter om de aard van de sporen te kunnen achterhalen. De verspringende werkputbegrenzingen in werkput 1 zijn gemaakt om te voorkomen dat alleen een Middeleeuwse sloot in het opgravingsvlak zichtbaar was. Werkput 2 is dwars op werkput 1 aangelegd ter hoogte van een concentratie paalkuilen. Werkput 3 is parallel aan werkput 2 gegraven, ter hoogte van de donkere plek (een natuurlijke depressie) in werkput 1. Tenslotte is op dit perceel een extra proefsleuf aangelegd op de plek waar, op basis van luchtfoto s, een grafheuvel wordt verondersteld (werkput 7). Op perceel B zijn drie noordwest-zuidoost gerichte, 2 meter brede zoeksleuven gegraven (werkput 4-6). Geen van de zoeksleuven is uitgebreid, daar zij voldoende inzicht verschaften in de aard, omvang, kwaliteit en datering van de grondsporen en vondsten (afbeelding 5). Alle sporen en vlakvondsten zijn getekend op vlaktekeningen (schaal 1:50), gewaterpast en beschreven. Er is getracht met zo min mogelijk destructief werk inzicht te verkrijgen in de archeologische waarden. Daarom is slechts een deel van alle sporen verticaal onderzocht. Sporen zijn zijn selectief gecoupeerd en/of helemaal opgegraven om het type spoor, de diepte en de mate van conservering te kunnen bepalen. De coupetekeningen zijn op schaal 1:10 uitgevoerd. Van enkele sporen zijn zowel gedetailleerde vlak- als profieltekeningen gemaakt (schaal 1:20 en 1:10). Omdat de geologische opbouw relatief constant was, zijn geen lange profielen gedocumenteerd maar is de stratigrafie in smalle profielkolommen vastgelegd. Alleen het profiel van de proefsleuf over de grafheuvel in werkput 7, werd over een lengte van 10 meter getekend (afbeelding 13). De vondsten werden gewassen en gedetermineerd in de uitwerkruimte van het AAC. Spoorformulieren en vondstenlijsten zijn ingevoerd in databestanden (bijlagen 1-5). Vervolgens zijn de sporen en vondsten geanalyseerd en zijn alle gegevens gekoppeld. De vlaktekeningen zijn eveneens gedigitaliseerd en de gegevens zijn gekoppeld aan de overige databestanden. Tenslotte zijn in deze rapportage de onderzoeksdoelen beantwoord en is advies uitgebracht ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg en het toekomstige wetenschappelijke onderzoek. 16

17

4. GEOLOGIE 4.1 Algemeen Het ontstaan van het Westfriese landschap stond sterk onder invloed van de zee. Via het zeegat van Bergen en een wijdvertakt krekensysteem drong de zee West-Friesland binnen. Tussen 2200-1500 v. Chr. vonden via de noordelijke hoofdgeul afzettingen plaats onder invloed van de Calais IVA-transgressie fase (Zagwijn 1991). Hierna nam de invloed van de zee geleidelijk af en ontstond door differentiële klink een omgekeerd reliëf van zandige ruggen en kleiige kommen (afbeelding 3A- 2150 v. Chr.). Tijdens de Calais IVB transgressie fase ontwikkelde zich een gebied van uitgestrekte kwelders. Na deze transgressie fase verminderde de invloed van de zee wederom maar het gebied bleef te nat voor bewoning (afbeelding 3B- 1650 v. Chr.). Tussen 1500-1000 v. Chr. werden sedimenten behorende tot de Duinkerke 0-transgressie fase afgezet via het nog bestaande Calais IVB geulensysteem. Na deze transgressie werd het zeegat van Bergen langzaam definitief afgesloten. De zee heeft geen invloed meer uitgeoefend op het gebied en West-Friesland kwam geleidelijk droog te liggen. De geulen, die door differentiële klink als zandige banen hoger kwamen te liggen dan de kleiige kommen, werden vanaf ongeveer 1300 v. Chr. door de mens intensief bewoond en gebruikt (3C - 1050 v. Chr.). De sluiting van het zeegat van Bergen had tot gevolg dat de waterafvoer in het achterland stagneerde. Het binnenmeer ten noordoosten van West-Friesland werd daarom steeds groter. De verslechterde afwatering en de stijgende zee- en grondwaterspiegel veroorzaakte vanaf het einde van de Late Bronstijd een vernatting van het gebied, resulterend in veengroei, op sommige plaatsen tot een vier meter dik pakket. Bewoning was vanaf 800 v. Chr. dan ook onmogelijk (afbeelding 3D - ca. 500 BC). Pas in de Middeleeuwen (12 e /13 e eeuw) was het gebied weer toegankelijk voor bewoning. Dijken werden gebouwd ter bescherming van het land en sloten gegraven om het land te draineren. Een dalende grondwaterspiegel en grootschalige ontginningen veroorzaakten een snelle oxidatie van het veen. Het veenpakket is bijna overal verdwenen door drainage, oxidatie en turfsteken. Na de Bronstijd heeft nauwelijks sedimentatie plaatsgevonden. 18

4.2 Onderzoeksterrein Het onderzoeksterrein bestaat uit zandige en zavelige hogere kreekruggen en kleiige komgebieden. Dit is te zien op de bodemkaart van Ente (1963) en van Hallewas (in Buurman 1996) en blijkt tevens uit het booronderzoek door RAAP (Tol 2001). Gedurende de AAO konden in de werkputten ook zavelige en kleiige delen worden onderscheiden. Door de grote afstand tussen de verschillende proefsleuven is het echter niet mogelijk om met zekerheid aan te geven hoe de hoge, droge en lage, natte delen hebben gelegen. In afbeelding 4 is een poging gedaan op basis van de huidige kennis het landschap te interpreteren. Het gebied is te verdelen in noordoost-zuidwest georiënteerde zavelige arealen met daartussen kleiige kommen. Veenrestanten van na de Bronstijd komen in het gebied niet als laag voor, wel in een enkel vertrappingsspoor (werkput 5). Op drie locaties bevond zich tussen de bouwvoor en het sporenvlak een dikke, donker grijze tot zwarte, humeuze laag. Deels aangetroffen met spit- en ploegsporen (zoals laag 232), deels resterend als opvulling van een depressie (spoor 3, 254, 355). Zowel de bronstijd- als de Middeleeuwse sporen bevonden zich in laag 2. Algemeen geldt voor het onderzoeksterrein een volgende stratigrafie: Spoornr. Laagdefinitie dikte in centimeter Hoogtematen 1 bouwvoor terrein A 30-50 terrein A tussen 1.27 4 en 1.94 m NAP bouwvoor terrein B 27-42 terrein B tussen 1.44 en 1.91 m NAP 3 laag ( baggerlaag ) 5-20 2 zavel/klei >20 - klei-zand gelaagd n.b. 4 NAP 1.27 meter gemeten in werkput 3 (meest oostelijke deel, richting betonpad/midden terrein A). 19

5. RESULTATEN 5.1 Algemeen De sporen tekenen zich af als donker grijsbruin tot zwarte vlekken in de lichtgekleurde, roestige zavel. De vulling van de sporen varieert van zandige zavel tot vette klei. Sporen uit zowel Middeleeuwse, (sub)recente als de prehistorische periode bevinden zich in dezelfde horizont, vrijwel direct onder de 30-50 centimeter dikke bouwvoor, op sommige plaatsen gescheiden van de bouwvoor door een 10-20 centimeter dikke laag. Een overzicht van de sporen is opgenomen in bijlage 1. De Middeleeuwse en de (sub)recente sporen konden soms van de prehistorische sporen worden onderscheiden door een iets bruinere en meer heterogene vulling. Indien dit niet het geval was boden oversnijdingen, het vondstmateriaal en soms de oriëntatie van de sporen uitsluitsel voor de datering. Er zijn 375 spoornummers uitgedeeld, hiervan zijn 290 sporen gedateerd in de Bronstijd, 31 in de Middeleeuwen en 38 in (sub)recente periode (zie bijlage 2: vondstenlijst van het aardewerk). De hoogte van het gemiddelde opgravingsniveau ligt tussen 1.80 en 2.09 meter NAP. In verband met de erosieve eigenschappen van water, komen oppervlaktevondsten weinig voor bij dit type landschap. De 47 vondstnummers omvatten 5 ecologische monsters, 1929 gram aardewerk, 87 fragmenten bot en 17 stenen (bijlagen 2-5). Hieronder worden de bronstijdsporen besproken in 4 clusters. De clusters vormen conceptuele eenheden, gebaseerd op het type sporen en de hoeveelheid sporen, van elkaar gescheiden door relatief lege zones. 20

21

N.B. Afbeelding 5 is hier afgebeeld op 50 % van het oorspronkelijke formaat. Het oorspronkelijke formaat is apart te downloaden 22

5.2 Bronstijd Cluster I (vlak 1 tussen 2.05 en 2.38 m NAP, werkput 1: van zuid naar noord)) In het noordoostelijke cluster zijn drie concentraties sporen opgegraven. Twee concentraties zijn gelegen op zavelige afzettingen die tot één kreekrug behoren (afbeelding 6). De sporen omvatten tenminste 2 en mogelijk 3 huisplattegronden. Daarnaast komen ook greppels, kuilen en kringgreppels voor. (afbeelding 4, 5 en 8). Het verzamelde vondstmateriaal concentreert zich voornamelijk rondom de gebouwen b en c en de grafheuvel. Van structuur a (in werkput 1) werden zeven paalkuilen van een huisplattegrond opgegraven. Het huis werd begrensd door drie greppels (spoor 35,43,44) en is oostnoordoost-westzuidwest georiënteerd. De Afstand tussen beide palenrijen is 2,8 meter, de afstand tussen de huisgreppels bedraagt 10,5 meter. Beide buitenste greppels bevatten vondstmateriaal: in spoor 35 een witte steen en een spaakbeen van een middelgroot zoogdier; in spoor 44 een roze steen (een stukje graniet), 20 botfragmenten, afkomstig van rund, schaap/geit, varken en van een (niet exact te determineren) groot zoogdier. Het huis ligt op de rand van de zavelige rug naar de kleiige kom. Hier zijn verder geen sporen of vondsten gevonden. Circa 70 meter ten noorden van bovengenoemd huis ligt het tweede gebouw (huis b, afbeelding 7). Dit huis is west-oost georiënteerd, wordt eveneens begrensd door (twee) greppels (sporen 62 en 67) en heeft een overeenkomstige breedte tussen de huisgreppels van 10,5 meter. De noordelijke greppel bevat twee stenen; een witte doorboorde en een roze natuursteen en een (deel van een) spaakbeen van een schaap/ geit. Dit vertoont vooralsnog opmerkelijke overeenkomsten met het vondstmateriaal uit de huisgreppels van huis a. De breedte van het middenschip is iets smaller dan huis a, namelijk 2,3 meter. Hier zijn echter veel meer paalkuilen aangetroffen die niet allemaal een zelfde bewoningsfase vertegenwoordigen. Het huis kent dus meerdere fasen van gebruik en/of eventuele uitbreiding. In de nabijheid van de paalkuilen zijn elf bronstijdaardewerkscherven met granietmagering gevonden. Rondom het huis en de bijbehorende sporen zijn dagzomen aangetroffen die mogelijk op een (natuurlijke?) verhoging van 15 bij 15 meter duiden en verscheidene greppels, noord-zuid en oost-west georiënteerd. Deze greppels kunnen niet gevolgd worden in andere werkputten en buigen waarschijnlijk af. Het zijn wellicht terpsloten of erfgrenzen uit de Late Bronstijd, die ook al op de luchtfoto s als zodanig zijn herkend (afbeelding 2). 23

De ondergrond van het oostelijke deel van het huis oogde in het veld fosfaatrijk. Het daar genomen monster bevatte echter geen analyseerbare restanten. Oostelijk van het midden ligt haaks op het huis b een rechthoekige kuil met een omvang van 100 x 250 centimeter, en een diepte van 35 centimeter (spoor 65; afbeeldingen 8, 9 en 10) en één centrale paalkuil die 10 centimeter dieper is dan de onderkant van de kuil. De kuil bevat bronstijd aardewerk, fragmenten van wit-grijs natuursteen en botmateriaal van rund, paard, hond en varken. Opvallend zijn de fragmenten van elandgewei en van een mensenschedel in laag 3. Deze vondsten, evenals de haakse oriëntatie ten opzichte van de boerderij, suggereren een rituele functie. In het monster van een zwarte laag in de kuil werden verkoolde granen (tarwe en gerst) aangetroffen. De grote aantallen kafnaalden (>1000) van vooral gerst en in mindere mate tarwe wijzen op lokale verbouw van deze graansoorten. Kafnaalden komen vooral voor in het afval van de eerste dorsfase. Tevens werden in de kuil een aantal leemfragmenten met plantaardige indrukken gevonden (spoor 65, laag 5). Enkele aardewerkfragmenten die konden worden geborgen, vertoonden een speculaasachtige structuur: de scherven waren ca. 1,2 cm dik, geel-grijs van kleur met een grove steenmagering. De kuil heeft vijf verschillende lagen, waarvan één duidelijk een afdekkingslaag is. De kuil oversnijdt vier paalkuilen van de huisplattegrond. 24

N.B. Afbeelding 8 is hier afgebeeld op 50 % van het oorspronkelijke formaat. Het oorspronkelijke formaat is apart te downloaden 25

26 Archeologisch inventariserend veldonderzoek

27

Op een afstand van ca. 13 meter ten oosten van huis b is wederom een palencluster aangetroffen. De grotere (paal)kuilen en kleine paaltjes vormen geen duidelijke structuur. In twee van de (paal)kuilen (spoor 90 en 91) werd gebakken leem aangetroffen met aan één zijde indrukken van twijgen. Op enkele leembrokken resteren deeltjes van verkoolde takken 5. De vondsten zijn waarschijnlijk restanten van een met leem besmeerde vlechtwerkstructuur (afbeeldingen 11 en 12). De palen vormen mogelijk een (bij)gebouw van structuur b. In het verlengde van huis b, ca. 125 meter ten westen (zie afbeelding 4, locatie c) ligt een derde concentratie van 15 paalkuilen met een onbekende functie. De onderlinge relatie is tot nu toe niet herkend. Rondom de gebouwen komen overal, maar vooral op de zavelige afzettingen, greppels voor en enkele (paal)kuilen. De (paal)kuilen liggen vrij geïsoleerd. De greppels zijn merendeels noordzuid georiënteerd maar ook alle andere oriëntaties komen voor. De breedte van de greppels varieert van 10 tot 100 centimeter, de diepte van 5 tot 50 centimeter. De sporen lopen niet door in andere putten waardoor het idee ontstaat dat de meeste greppels kleine percelen afbakenen. De verschillende oriëntaties en oversnijdingen geven aan dat het gehele gebied meerdere bewoningsfasen heeft gekend. Het is echter op grond van de beperkte ontsluitingen niet aan te geven hoeveel fasen er zijn en in welke tijdseenheden moet worden gedacht. Ten noorden van structuur c komen in de kleiige afzettingen naast greppels ook sporen van hoefafdrukken van vee voor. Tussen de gebouwen a en b werden vijf (delen van) elkaar oversnijdende kringgreppels aangetroffen, met een doorsnede van 3,5 tot 4,5 meter. Ten oosten van huis b en ten westen van huis c bevinden zich nog twee geïsoleerde kringgreppels, beide met een diameter van ongeveer drie meter. De (weliswaar zeer vage) kringgreppel ten zuiden van structuur c is als enige in een kleiige afzetting gelegen (zie verder kader kringgreppels ). 5 Deze zijn gedetermineerd ( 3 monsters) en blijken afkomstig te zijn van elzenhout (Alnus glutinosa/incarna). De monsters werden gedetermineerd met een doorvallend-licht microscoop met vergrotingen tot 250. Determinatie: Silke Lange. 28

Werkput 7 is aangelegd ter hoogte van de op basis van luchtfoto s veronderstelde grafheuvel. De eerste 15 meter van de sleuf bevat sporen en vondsten die de aanwezigheid van een grafheuvel noch uitsluiten noch bevestigen. De brede greppels vormen samen mogelijk een kring van circa 18 meter in doorsnede (afbeeldingen 5 en 13). De vondsten bestaan uit botmateriaal van rund (waaronder veel fragmenten scheenbeen en een hoornpit van een zeer groot rund), kiezen van schaap/geit, een deel van een rib van een paard en een kaakfragment van een varken. Op een groot deel van de botten zijn vraat-, hak- en/of snijsporen waargenomen. Verder werden aardewerkscherven, gebakken klei en een ronde steen gevonden. Ondanks dat het oude oppervlak is afgetopt zijn de sporen nog duidelijk te herkennen. Meestal zijn ze tot op aanzienlijke diepte bewaard gebleven. Alleen het oostelijk deel van werkput 2 is plaatselijk verstoord door (sub)recent ingrijpen. De enkele scherven, aangetroffen in de huisgreppels van gebouwen a en b, en de als terpsloten geïnterpreteerde sporen dateren cluster I in de Midden en Late Bronstijd (1800-800 v. Chr.). 29

30 Archeologisch inventariserend veldonderzoek

31

Cluster II (vlak 1 tussen 1.70 m en 2.09 m NAP/werkput 1: van zuid naar noord) Cluster II bestaat uit een concentratie bewoningssporen zowel op de zavelige, hogere delen alsook op de overgang naar een kleiiger depressie. In de overgangszone ligt een deel van een greppel met een diepte van 40 centimeter, mogelijk een areaal omsluitend van 11 bij minimaal 22 meter (spoor 142). Gezien de omvang en de oriëntatie (ONO-WZW) kan de greppel geïnterpreteerd worden als huisgreppel ( huis d). Er zijn geen paalsporen aangetroffen. Ter hoogte van deze greppel begint een zwarte humeuze laag (spoor 3) die zich in noordelijke richting voortzet. De laag is waarschijnlijk onder natte omstandigheden ontstaan. De natuurlijke bodemopbouw is hier onverstoord. Werkput 3 is op deze plaats aangelegd. De meest oostelijke sporen in deze werkput vertegenwoordigen mogelijk een andere bewoningsfase, omdat de aangetroffen greppels qua vulling afwijken van de overige bronstijdsporen binnen dit cluster. Er zijn geen dateerbare vondsten in deze sporen gevonden die uitsluitsel zouden kunnen geven over een exactere datering. 32

Ten noordwesten en ten zuiden van huis d liggen in werkput 1, 3 en 4 (delen van) kringgreppels en greppels. De 13 kringgreppels binnen dit cluster variëren in diameter van 2,75 tot 4 meter en liggen op de zavelige afzettingen. Binnen één kringgreppel (spoor 272) zijn ploegkrassen aangetroffen, de enige van de gehele opgraving. In de kleiige afzettingen zijn enkele greppels aangetroffen. De oriëntatie van deze greppels is wederom zeer gevarieerd (afbeelding 16). Een andere categorie sporen betreft de kuilen. Zowel in de kleiige als zavelige afzettingen worden deze sporen gevonden. In het zuiden van werkput 1 ligt een kuil (spoor 13) met de afmetingen van 1 bij 2,20 meter en een diepte van 40 centimeter. Deze kuil bevat geen vondsten. Op grond van de homogene samenstelling van de vulling blijkt deze in één keer te zijn dichtgegooid. In het meest westelijke deel van werkput 3 is een grote kuil (sporen 265, 266, 267) gelegen van circa 8 meter bij meer dan 6 meter (afbeeldingen 14 en 17). De kuil heeft een diepte van 76 centimeter waarin 7 lagen zijn te onderscheiden. De onderkant van de kuil is vertrapt, enige hoefafdrukken waren zichtbaar. Om de kuil heen ontbraken sporen van vertrapping. Mogelijk heeft deze kuil gediend als drinkplaats voor het vee. De kuil bevat enkele runderbotten, waarvan één fragment is aangepunt. Gezien de oversnijdingen bij de kringgreppels en greppels, zijn ook in dit cluster meerdere fasen vertegenwoordigd. Een tijdspanne is niet te geven. De sporen en spaarzame vondsten dateren cluster II in de Midden Bronstijd (1800-1100 v. Chr.). De sporen waren duidelijk te herkennen. Van de kringgreppels in het zuidelijk deel van werkput 1 zijn veelal slechts de onderkanten in vorm van spitsporen bewaard gebleven. Het enige vondstmateriaal binnen dit cluster bevond zich in de bovengenoemde drenkkuil. 33

Cluster III (vlak 1 tussen 2.00 en 2.16 m NAP) Cluster III bevindt zich, net als cluster IV, in het westelijke deel van het onderzoeksterrein. Ook hier is het landschap opgebouwd uit zavelige en kleiige afzettingen. De mogelijke sporen van bewoning en landgebruik omvatten greppels, (paal)kuilen, delen van kringgreppels en sporen van vertrapping (mogelijke koeienpaden). Midden op de zavelige rug is een concentratie paalkuilen aangetroffen. Het is mogelijk dat hier een deel van een gebouw is aangesneden (structuur e). Het cluster paalkuilen vertegenwoordigt meerdere fasen, gezien de ligging van de sporen en de variabele diameters van de paalkuilen. De perceleringsgreppels liggen zowel in de kleiige als in de zavelige afzettingen. De sporen komen met bovengenoemde overeen wat betreft de variabele oriëntaties, de verschillende fases en het dichtgooien van de sporen. In het laatste geval zijn de plaggen duidelijk zichtbaar in de vulling. De enkele kringgreppels liggen in het oostelijk deel van dit cluster, mogelijk in relatie tot de bewoningssporen van clusters I en II. In het zuidelijk deel van werkput 5 werd direct onder de bouwvoor een cultuurlaag aangetroffen, bestaande uit een zavelige laag met onregelmatig, humeuze vlekken. De cultuurlaag bevat botmateriaal van rund. Hoewel ploegsporen ontbreken, moet hier misschien toch aan een prehistorische ploeglaag worden gedacht. In het noorden van werkput 5 zijn in een depressie (spoor 254) een aantal stenen aangetroffen (afbeelding 18). Vijf vuursteenfragmenten, waarvan één mogelijk door mensen bewerkt, en een driehoekige bewerkte steen lagen op een hoopje bijeen in de zwarte vette kleilaag. Tijdens de 34