De Das. Meles meles (L). Systematiek. De das behoort tot de marterachtigen, de Musteliden. Binnen deze familie behoort hij tot de onderfamilie van de Melinae. Verspreiding. De das komt in Europa voor tot de 66e breedtegraad en de gematigde delen van Azië. Hij komt dus niet voor in de noordelijke delen van Skandinavië en niet in de toendra's. Ook ontbreekt hij in IJsland. In de Alpen komt hij nog voor tot 2000m en Rusland plaatselijk tot 4000m. In Nederland komt de das voornamelijk voor in Limburg en op de Veluwe. Verspreiding in Europa In Nederland In Limburg Verspreiding in Limburg. In Limburg vinden we de hoofdpopulatie (van Nederland) vooral ten zuiden van Geleen-Heerlen. Met uitzondering van de sterk bewoonde oostelijke gebieden komt hij daar overal voor. In Midden Limburg vinden we de das rond Weert en Roermond en in Noord Limburg het gebied rond Venray en langs de Maas tot Mook toe. Leefomgeving Territorium De das is vooral een bewoner van een rijk gestructureerd landschap, gemengde loofbossen, maar ook open landschap met kleine landschapselementen, die een aaneengesloten eenheid vormen. Een gebied met een niet te hoge grondwaterspiegel is voorwaarde. De das woont daar in een burcht (zie Fig.), gegraven in bossen, bosranden, kleine landschapselementen als graften, holle wegen, bermen, zelden in open gebied.. In het gebied dat een dassenfamilie bewoont (territorium), bewonen zij een hoofdburcht, waarin ze al heel, lang ( zelfs honderden jaren ) leven en die ook gedurende het gehele jaar bewoond blijft. Verder hebben zij een aantal bijburchten, die slechts een gedeelte van het jaar bewoond worden. Vaak door een wijfje uit de hoofdburcht om er haar jongen te werpen en te verzorgen, vaak het mannetje om er z'n rust te hebben. Aan de randen van hun territorium, maar ook op diverse plaatsen langs hun wissels liggen vluchtpijpen, die ze bij gevaar of in de zomer na een te korte foerageernacht opzoeken.
De territorium grootte ca.50ha en de bewoningsgraad van een burcht zijn afhankelijk van het voedselaanbod en de biotoopsamenstelling. Vandaar dat daarover verschillende onderzoeksresultaten gegeven worden. Bv. 1 das per 100 ha of 1 burcht per 350 ha. Ook de afstanden die dassen afleggen is afhankelijk van het voedselaanbod (bv. het aanbod regenwormen), de biotoopsamenstelling en het jaargetijde (1.5-5km per nacht).verschillende leden van een familie hebben verschillende activiteitenmaxima; Jaarlingen juli, oudere wijfjes midden juni, mannetjes april-mei.hun dagelijkse activiteiten worden geregeld door het fotoperiodiek (licht-donker ritme) Het woongebied zit vol met geurmarkeringen Maar ook de randen van hun territorium worden gemarkeerd met geuren uit de anaalstreek, met urine en door mestputjes. Morphologie De lengte van de das bereikt 70-90cm, met een staartlengte van ongeveer 15cm (11-17). De schouderhoogte reikt tot 30cm. Het gewicht schommelt rond de 20-23 kg. De das is een zoolganger. Aan de voorpoten heeft hij 5 sterke lange klauwen, aan de achterpoten 5 korte nagels. De lengte van de achtervoet bedraagt 10-11,5cm. Daardoor komen de typische dassenprenten en de verschillende varianten bij de voortbeweging tot stand Het skelet van de Das. De voorpoot van de Das. Een zoolganger. De prenten van de Das Lopend Huppelend Vluchtend De kop gaat zonder duidelijke overgang over in de hals. De schedel krijgt met het ouder worden een hoge kam uit bot (Crista sagittalis) voor de aanhechting van sterke spieren. De typische zwart-wit tekening van de kop dient vooral voor het onderling herkennen en is blijkbaar een waarschuwingsteken voor andere dieren. De oren zijn 4-5cm lang en hebben een witte rand. De tandformule van de das: 3141. boven en 3142 beneden, samen 38 tanden.
De typische zwart-wit tekening. De schedel van de das. De haarwisseling vindt plaats in april-mei, in sept.-okt. ontstaat het wollige onderhaar. Dassen haren hebben een typische tekening nl. een wit uiteinde, dan een zwart stukje en verder naar onder weer lichter van kleur. Vooral jonge dieren krijgen daardoor een grijze waas over de vacht, die bij oudere dieren verdwijnt, het wollige onderhaar is vooral in het najaar als lichte ondervacht goed zichtbaar, waardoor de das lichter van kleur lijkt. Een typisch dassenhaar. Haren aan het prikkeldraad De vacht van een Das.. De das heeft 2N=44chromosomen. Dassen hebben twee grote anaalklieren, bovendien boven de anaalopening een 3 cm diepe klierbeudel, het Supra-anaal- of Subcaudaalorgaan. Jonge dassen nemen na het drinken van de moedermelk onmiddellijk het vocht op uit de subcaudale beudel, zodat te denken valt aan een enzymatische, fermatieve werking. De Penis De zaadballen. De De Anusopening. Vagina-opening. De Subcaudale buidel.
De Burcht. Klauwen om te graven. De dassenburcht met stortberg, wissels nestbolletje en krabboompje De burcht. 1,4 De dekking 2 Slaaphol, 3 Gang. De das graaft z'n burcht het liefst onder een goede bovendekking in opgaande begroeiing, echter liever niet tussen laag struikgewas en/of een kruidenvegetatie. Vandaar dat het kaalkappen van de dekking van een burcht een ernstige verstoring vormt. De burcht bestaat uit een heel systeem van zelfgegraven gangen (tot honderden meters) en holen (90cm ) onder de grond. In een hellend gebied loopt de burcht tot 10-15 m diep onder het maaiveld door, de gangen liggen op een diepte van 0,5-4m. Bovendien heeft de burcht aan de bovenzijde 1 of enkele ventilatieopeningen voor de zuurstof voorziening. Omdat de das een honkvast dier is worden burchten vaak honderden jaren bewoond, waarbij de burcht voortdurend opgeschoond en uitgebreid wordt. Voor de ingangen vinden we de uitgegraven grond in de vorm van stortbergen (tot enkele m3) met daarin vaak oud nestmateriaal. Vooral voor de winter en voor de geboorte van de jongen wordt veel vers nestmateriaal verzameld. Of een burcht bewoond is, is aan de hand van de volgende zaken vast te stellen: vers uitgeworpen grond eventueel met oud nestmateriaal, prenten, klauwsporen, wissels, krabboompjes, nestbolletjes, in de winterkoude opstijgende warme lucht evt. damp. Familieverband. Dassen leven in familieverband, in een familie of clan bestaande uit 2-12 dieren, waarbij de families elkaar bezoeken. Zij hebben daardoor geen echte territoria. Vroeg in het voorjaar bewonen zelfs drie generaties de burcht, die daarna vaak gedeeltelijk uiteenvallen, omdat dieren de burcht verlaten; tijdelijk, wijfjes om jongen te werpen of voorgoed, de jaarlingen (de jongen van het afgelopen jaar). Familieleden markeren elkaar onderling door het zg.stempelen met de anaalstreek, om de familiebanden te bevestigen en elkaar te bevestigen, vooral moeder en jongen en de jaarlingen onderling. Ook mannetje en vrouwtje markeren elkaar tijden de bronstijd met de subcaudale klier. Het markeergedrag begint onmiddellijk na de zoogtijd. De das houdt geen winterslaap maar een winterrust, waarbij hij meerdere dagen onder de grond kan blijven. Het verblijf buiten de burcht is dan beperkt. De das vertoont bij sneeuwval en bij temperaturen beneden -10 o C nog steeds activiteit. Zijn hartslag is en blijft het gehele jaar 179 slagen per minuut. De vetvoorraad is na de winter tot 7 pond afgenomen.
Voeding. De das is geen jager maar een verzamelaar. Dit wordt onmiddellijk duidelijk als we naar zijn voedsel kijken. 50% van de voeding bestaat uit regenwormen, 20% uit insecten en kleine knaagdieren. Plantaardig voedsel zoals paddestoelen, wortels, vruchten, fruit, eikels en veldvruchten staan eveneens op het menu. Ook wespenen hommelnesten worden niet ontzien. De das is een omnivoor die geen voedselconcurent van de mens is. Hij heeft ook geen bijzondere voorkeur voor bodembroeders. Het eten van eieren moet dassen geleerd worden is experimenteel ontdekt. De regenwormen vormen een stabiel hoofdbestanddeel van de voeding, de rest zal varieert afhankelijk van de seizoenen. Door het eten van jonge (bejaagbare) vogels, eieren of jongen van bejaagbare zoogdieren (konijnen) wordt Het voedselspectrum van de das de das algemeen als schadelijk gezien! Een dier dat eet wat de natuur als voedsel levert, is dus schadelijk? Of juist niet? Dat de das een kippenhok bezoekt om daar kippen te halen, is volstrekt onjuist. Een wespennest Voedsel Regenwormen Het hoofdvoedsel van de das. Voortplanting. Het wijfje kan van januari tot oktober bevrucht worden. Het is 5 dagen vruchtbaar en kan in die periode met verschillende mannetjes paren. De mannetjes verlaten dan ook de burcht om met wijfjes van andere burchten te paren. Mannetjes hebben het grootste testisgewicht van ongeveer 8.5 gram in januari-februari. Dit wordt ongeveer 5 gram in okt-nov. De spermatogenese vindt het hele jaar plaats. 80% van de wijfjes worden na de geboorte van de jongen bevrucht. Jonge dassen zijn met 13 maanden volwassen De wijfjes zijn met 13 maanden geslachtsrijp en de mannetjes met 13 tot 18 maanden.. Parende dassen met de typische marterbeet 5
Het wijfje. Een tweede drukke periode voor de mannetjes ligt in juli en augustus, dan worden de jonge wijfjes bevrucht. De paring duurt 20 tot 90 minuten en vindt in, op of rond de burcht plaats in stilte.. De bevruchte eicel komt als blastocyste in de baarmoeder om dan van februari tot december door in rust te verblijven, waarna de innesteling volgt. De innesteling vindt plaats onder invloed van het langer worden van de dagen. Er vindt dan een snelle embryonale ontwikkeling plaats, want de jongen worden in februari, maart, zelden in april geboren. De wijfjes dragen dus 11 tot 12 maanden. Het gewicht van de pasgeborenen is 110-130 gram, ze zijn 17-18 cm lang en hebben een dun witte haarvacht. Ze zijn bij de geboorte blind en blijven dat 28-35 dagen. Gemiddeld worden 2-3 jongen per wijfje geboren (1-5 max.). De voortplantingquote bedraagt 30-40%. Er heerst een hoge perinatale mortaliteit. Dit blijkt, omdat niet zogende wijfjes vaak toch placentalittekens dragen. Een wijfje heeft 3 paar tepels, een enkel 4 paar. De zoogtijd bedraagt 16 weken, na 17 dagen wordt ook ander voedsel opgenomen, na 5 maanden begint het zelfstandig voedsel zoeken. In de regel overwinteren de jongen in ieder geval met de ouders. Gedrag. De uitwerpselen en de urine worden op diverse plaatsen in het territorium afgezet in latrines of mestputjes.. Soms (in de winter) worden in de burcht niet gebruikte gangen als mestplaatsen gebruikt. De uitwerpselen van de das zijn meestal donker-zwart van kleur Latrines (mestputjes) en zijn afhankelijk van het voedsel: zeer week en vormloos van de das. (dierlijk voedsel, bessen en vruchten) of harder en worstvormig (tot 2 cm dik) en heeft dan de nijging uiteen te vallen en loopt uit in een lang spits uiteinde. In de uitwerpselen bevinden zich vaak voedselresten zoals botjes, haren, zaden (maiskorrels, kersenpitten) en andere insekten. Met nestmateriaal slepende das Oud nestmateriaal in de stortberg. Als nestmateriaal voor de grote woonholtes wordt gebruikt wat in de omgeving te vinden is. Tussen voorpoten en kop wordt het nestmateriaal achteruitlopend, vaak daardoor tot een bolletje gedraaid, naar binnen gesleept. Na verloop van tijd, in ieder geval voor de winter en voordat de jongen geboren worden wordt het oude nestmateriaal naar buiten gewerkt en ligt dan in de storthoop. 6
Doodsoorzaken. 5% verlies onder de jongen in de eerste weken wordt veroorzaakt door ziektes als gevolg van vooral koude. Ook oudere dieren sterven door ziekten. Het verkeer vraagt ook een aandeel in de oorzaken. Daarnaast speelt het gebruik van chemicaliën in de landbouw een aanzienlijke rol. Insekticiden en rodenticiden werken door ophoping in het lichaamsvet en in de voedselketen sterk bij dassen. Vooral in de lente kan door het eten van vergiftigde muizen de gezondheid van de dassen sterk aangetast worden. Dan kan de moedermelk een groot gevaar vormen voor de zogende jongen. Maar ook infectieziekten kunnen door het dicht op elkaar leven in burchten de dassenstand sterk reguleren. Belangrijk is ook de hondsdolheid. Dassen kunnen zelf geen epidemie in stand houden. Zij kunnen de ziekte wel krijgen. Toch spelen dassen en andere marterachtigen geen beduidend rol en door hun beperkte bewegingsradius dragen ze niet wezenlijk bij tot de verspreiding. Waar het eigenlijke virusreservoir ligt is nog niet duidelijk. Een andere bekende ziekte onder de dassen is Pyämie, een hyperleukozytose van het bloed, waardoor de dassenpopulatie volledig kan uitsterven. Daarnaast zijn nog tal van andere ziekten beschreven zoals acute amandelontsteking e.a. Verder bezit de das tal van parasieten zoals een longwormziekte en tal van darm- en maagwormen. Ook in de vacht zitten vele parasieten zoals vlooien, teken en luizen. Door de vele huidparasieten maakt de das uitgebreid toilet. Bepaling populatieomvang. Om met enige zekerheid te kunnen schatten welke de populatieomvang in een bepaald gebied is, zijn de onderstaande waarnemingen strikt noodzakelijk: -Een exacte bepaling van alle burchtlocaties, hoofd- en bijburchten. -Bepaling van de bewoningsgraad in het voorjaar en het najaar. Dit is vooral van belang voor de bijburchten. -Tellingen van het aantal dieren per burcht in april t/m juni, omdat dan door de aanwezigheid van jongen er een relatieve stabiliteit in de bewoning bestaat. Een toevallige of eenmalige telling is absoluut ontoereikend, alhoewel vele verstrekkende uitspraken gebaseerd worden op eenmalige waarnemingen en daardoor op een tekort aan gegevens. Voor de exacte bepaling van het aantal dieren is het noodzakelijk een burcht 5-6 keer te bezoeken en de dieren te tellen. 7
Ouderdomsbepaling. Hierbij gaat men uit van drie leeftijdscategorieën: eenjarig, tweejarig, meerjarig. Als zekere criteria kunnen de slijtage van de tanden (het gebit) en de verbening van het penisbeentje in het eerste jaar gebruikt worden. -1e levensjaar. Met 4 maanden heeft de das zijn permanent gebit. Na 6 maanden zijn nog alle schedelnaden goed zichtbaar. Na 8 maanden wordt een geringe, maar wel duidelijke kam op de schedel zichtbaar. Een zeer geringe slijtage van de tanden begint met 8 maanden (bv. M 1 ). -2e levensjaar. De schedelkam (Cristae sagittalis) is met individuele verschillen goed zichtbaar. Dit kenmerk is echter door de individuele verschillen voor een exacte bepaling absoluut onbruikbaar. Het penisbeentje is nu al vol ontwikkeld. De onderste snijtanden vertonen een dwars ovaal gesloten slijtagevlak. Bij de M1 is het blootgelegd tandbeen nog niet tot een eenheid geworden. De schedel met kam. De schedelkam van de das. -Meer als 2 jaar. Het slijtagevlak van de snijtanden in de onderkaak is ± rond geworden. Overal op de kiezen bv. M 1 is tandbeen zichtbaar. Hoe ouder het dier hoe meer tandbeen (dentine) zichtbaar wordt. Tandslijtage van de M 1 en de onderste snijtanden van de das. 1. 7 tot 9 maanden. 2. 2. 19 tot 20 maanden. 3. 3-6. ouder dan 2 jaar. 8
Verbening en groei van het penisbeentje van de Das 1,2,3. 6 tot 8 maanden. 4. 12 maanden. 5,6. ouder mannetje zijaanzicht en bovenaanzicht. Omdat wijfjes in het 2e jaar geslachtsrijp worden en tegen het einde van het 2e begin 3e levensjaar jongen werpen, zijn deze dieren in deze categorie te plaatsen. ± 1/3 van een populatie bestaat uit eenjarige dieren. Een das kan 15-18 jaar worden. De gemiddelde leeftijd ligt duidelijk lager. Tenslotte. De das heeft economisch geen enkele betekenis voor de mens en wordt daarom vooral op basis van verkeerde gegevens zoals: voedselconcurrent voor de mens of ziektenverspreider of schadeveroorzaker voor de landbouw of jachtconcurrent, bejaagd. Veelal wordt alle of zoveel mogelijke schade aan landbouwgewassen zonder meer aan de das toegeschreven, omdat deze schade financieel vergoed wordt of om hem weer bejaagbaar te krijgen. Als de Das u iets doet, doe dan iets voor de Das. Stichting Dassenwerkgroep Limburg. (voor intern gebruik). 9