Hoofdstuk 1 - Opgaven



Vergelijkbare documenten
Inleiding tot Recht. Uit Praktisch Burgerlijk Recht

1

Basisbegrippen in het burgerlijk recht

2.3.3 Overeenkomst is in strijd met de wet, goede zeden of openbare orde 58

ECLI:NL:RBAMS:2015:5812

Samenvatting Maatschappijleer Inleiding recht

Verbintenissenrecht. Inleiding in het recht

I VERBINTENISSENRECHT 17

1 Inleiding recht. 1.1 Rechtsgebieden en rechtsbronnen. Inleiding

Hoofdlijnen Nederlands Recht Wolters-Noordhoff 1

Inhoud. Inleiding 13. Noordhoff Uitgevers bv

ECLI:NL:GHLEE:2007:BB0648 Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

Daarnaast brengt de makelaar/bemiddelaar ook courtage/kosten in rekening bij de verhuurder.

1 Rechtsgebieden en rechtsbronnen

Proefexamen JURIDISCHE KENNIS

Arbeidsrecht Juridische wegwijzer

De belangrijkste bron van het burgerlijk recht is het burgerlijk wetboek,

Afdeling I. Algemene beginselen van Unierecht en de relatie met het HGEU 11. Afdeling III. Onderzoeksvragen, onderzoeksdoelstelling en beperkingen 17

Onjuiste pensioenopgaven

ECLI:NL:RBARN:2010:BM1303

Nederland is een rechtsstaat. Een belangrijk onderdeel van een rechtsstaat is onafhankelijke rechtspraak. Iedereen heeft wel eens ruzie met een

1 Huurrecht is burgerlijk recht

1 Inleiding recht. 1.1 Inleiding. 1.2 Omschrijving en doel

ECLI:NL:RBNHO:2014:8414

Zwaarlijvigheid kan een handicap vormen in de zin van de richtlijn betreffende gelijke behandeling inzake arbeid

Verbintenissenrecht & ondernemingsrecht

Algemeen juridische beroepsvorming 4 ALGEMEEN JURIDISCHE BEROEPSVORMING 4 (CJU01.4/CREBO:50109)

Introductie in het recht

Bijlage Resultaten jurisprudentieonderzoek

Recht doen. mr. A.A. Huisman mr. T.G. Lautenbach mr J.C.W Meijer (eindred.) mr. J.M. Woertman-Bakker. Vierde druk

ECLI:NL:RBLIM:2014:7733

Ministerie van Arbeid, Technologische Ontwikkeling en Milieu

ECLI:NL:GHSHE:2017:3619

Inleiding. Definitie recht

Procedures tegen nieuwe 380 kv-hoogspanningsverbindingen van TenneT

Recht in je opleiding

Actualiteiten arbeidsrecht. 14 november 2011 Stephanie Profijt Astrid Riemslag

Inhoud 1 Recht Indelingen in het recht 3 Rechtsbronnen

Komt een wijkteammedewerker bij de burger en hij maakt en fout

ECLI:NL:RBDHA:2013:18614

ECLI:NL:RBMNE:2015:6266

Bijlage. Antwoorden op de vragen Wetsartikelenregister Jurisprudentieregister

Loondoorbetaling na 104 weken ziekte

ProDemos Huis voor democratie en rechtsstaat

Over ontslagvergoeding: ontbinding of opzegging?

Inleiding in het NEDERLANDSE RECHT

Opdrachten & docentenhandleiding

A. Arbeidsovereenkomst

Memorie van toelichting. Algemeen. 1. Inleiding

Ontslag na doorstart faillissement

Samenvatting Maatschappijleer Hoofdstuk 1 t/m 4

Wederindiensttredingsvoorwaarde Ontslagbesluit; zzp'er; stageovereenkomst

ECLI:NL:RBAMS:2016:1678

ECLI:NL:RBAMS:2016:6651

Het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen (BBA)

ECLI:NL:RBGEL:2016:7158

Inhoud. vii. Deel 1 Algemene inleiding 1. 1 Inleiding 3. Deel 2 De structuur Onderneming, eenmanszaak en personenvennootschappen 49

Het verschil tussen zorgplicht aanbieder en adviseur

Examenprogramma Burgerlijk Procesrecht 1

H3 De rechtsprekende taak van de overheid

ECLI:NL:RBARN:2010:BO4467

Ontslag wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid

Concurrentiebeding - werknemers

ECLI:NL:RBLEE:2009:BJ8522

A. Arbeidsovereenkomst

Griffierecht. Inhoud

ECLI:NL:GHLEE:2012:BX6197 Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

Jaap van Slooten. Welke bescherming heeft een ZZP er eigenlijk wèl? 9 juni 2017

7,2. Samenvatting door een scholier 1410 woorden 9 april keer beoordeeld. Maatschappijleer. Hoofdstuk 1

Voorwoord 7. 1 De vaardigheden van de jurist Ongeveer zoals een kip een ei legt Instrumenten voor het oplossen van casusposities 10

1 Het recht. 1.1 Inleiding. 1.2 Omschrijving en doel van het recht

Het Concurrentiebeding

Casus 13 Kom op voor je recht

Hoofdstuk 3.0 Wat is een democratische rechtsstaat?

Versie Erkenning van je rechten en hoe kan je ze verdedigen?

Particulier onderzoeker Wettelijke kaders

ECLI:NL:GHLEE:2007:BA7844 Gerechtshof Leeuwarden Datum uitspraak Datum publicatie Zaaknummer

PRAKTISCH CONSUMENTENRECHT

Conform uw verzoek heb ik dit standpunt toegelicht in een aparte bijlage.

Toegang tot de rechter: strategisch procederen in het milieurecht

1 Het recht. 1.1 Inleiding. 1.2 Omschrijving en doel van het recht

Transcriptie:

Hoofdstuk 1 - Opgaven Algemeen Praktijkproblemen: opgaven 1.2-1.3 Plan van aanpak: opgaven 1.4-1.9 Juridisch kader: opgaven 1.10-1.26 Algemeen 1.1 a Zet voor uzelf op een rijtje welk beroep of welke functie u na uw studie wilt gaan uitoefenen. b Geef aan met welke juridische aspecten u in dat beroep of die functie in aanraking denkt te komen.praktijkproblemen 1.2 Geef gemotiveerd aan welk type werkzaamheden u het meest interessant vindt. 1.3 Waarom worden er bij werkzaamheden waarbij structurele oplossingen moeten worden gevonden, hogere eisen gesteld aan de terugkoppeling naar uw opdrachtgever? 1.4 In stap 1 moet u antwoorden vinden op de vraag binnen welk kader u uw werkzaamheden moet verrichten. Waarom is dat zo belangrijk? 1.5 In stap 2 gaat u informatie verzamelen. Waarom is het aan te bevelen niet te volstaan met informatie die door uw opdrachtgever is verstrekt, maar ook op zoek te gaan naar informatie bij andere personeelsleden van het bedrijf? 1.6 In stap 3 moet u informatie gaan selecteren. Dat houdt in dat u bepaalt welke informatie u op een of andere manier wel en welke informatie u niet wilt gebruiken. Kunt u aangeven welk selectiecriterium of welke selectiecriteria u daarbij kunt gebruiken? 1.7 In stap 3 moet u ook verschillende oplossingsmogelijkheden naast elkaar zetten, compleet met voor- en nadelen. Waarom kunt u niet volstaan met de uitwerking van één oplossing? 1.8 In stap 4 maakt u een beredeneerde keuze voor de beste oplossing. U zult in de praktijk echter ervaren dat niet altijd kan worden gesproken van een beste oplossing. Kunt u aangeven hoe dat komt? 1.9 Nadat uw opdracht is afgerond, moet u tijd nemen om te evalueren. Kunt u verklaren waarom er in feite sprake is van twee soorten evaluaties? Juridisch kader 1.10 a Noem twee verschillen tussen het publiekrecht en het privaatrecht. b Kunt u verklaren waarom het publiekrecht vooral dwingendrechtelijke regels bevat? 1.11 Noem met behulp van voorbeelden een aantal rollen (taken) die de overheid vervult. Recht doen 1

1.12 Op basis van welk criterium kunt u bepalen of een overheidsorgaan handelt als burger en dus een privaatrechtelijke handeling verricht? 1.13 Door bevoegde gemeentelijke organen van de gemeente Kostverloren worden verschillende handelingen verricht. Geef ten aanzien van elke handeling aan of het een publiekrechtelijke of een privaatrechtelijke handeling betreft. a De onteigening van een stuk grond van een boer. b Het verlenen van subsidie aan de FC KB (voetbalclub Kostverloren Boys). c Het verpachten van een gemeentelijk sportterrein aan de dameshandbalclub HVKGNV (Kostverloren Gaat Nooit Verloren). d Het vaststellen van het bestemmingsplan voor de wijk Ommelanden. 1.14 Bepaal ten aanzien van de volgende rechtsgebieden of ze publiek- of privaatrechtelijk zijn. a Milieurecht. b Arbeidsrecht. c Overeenkomstenrecht. d Faillissementsrecht. e Ruimtelijk ordeningsrecht. 1.15 Verklaar de volgende stelling: Subjectieve rechten ontstaan op basis van het objectieve recht. 1.16 De meeste regelingen zijn vrij snel in te delen in publiekrecht en privaatrecht. Binnen welk rechtsgebied behoren de volgende regelingen? Om de vraag te beantwoorden, mag u ten hoogste twee regelingen in uw wetteksteditie opzoeken. a Wet op de Raad van State. b Wet op de rechterlijke organisatie. c Handelsnaamwet. d Wet op de economische delicten. e Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen. f Wet op het algemeen verbindend en het onverbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten. 1.17 Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bevat bepalingen die strijden met bepalingen van Boek 6 Burgerlijk Wetboek. Welke bepalingen gaan voor en waarom? 1.18 Art. 6 van het Europees Sociaal Handvest (ESH; een verdrag) bevat de rechtsregel dat stakingen in principe zijn toegestaan. Het Burgerlijk Wetboek kent een dergelijke bepaling niet. Wel is uit verschillende BW-artikelen af te leiden dat de werknemer die opzettelijk zijn werk niet doet, ontslagen kan worden. Uit jurisprudentie is bekend dat art. 6 ESH directe werking heeft. Stel dat een werkgever een staker dreigt te ontslaan. De werknemer vecht dit dreigende ontslag aan in kort geding. Hoe moet de rechter het probleem van strijdige regels oplossen, met andere woorden: welke regeling gaat voor? Kunt u dit ook verklaren? 1.19 Sommige opleidingen kennen cursussen of modules waarin in de naam het woord wetskennis voorkomt. Waarom is dit eigenlijk een verkeerde term? 1.20 Waarom is in ons rechtssysteem jurisprudentie zo belangrijk? 1.21 Naast allerlei instanties spelen ook de media een rol bij het overdragen van juridische kennis. Kunt u daar een aantal voorbeelden van geven? 2 Opgaven hoofdstuk 1

1.22 Hierna worden enkele acties en vorderingen door elkaar genoemd. Maak een rijtje acties en een rijtje bijbehorende vorderingen. Gebruik de wetteksteditie indien u bepaalde begrippen niet kent. onrechtmatige daad ontbinding handelingsonbekwaamheid reclamerecht vernietiging schadevergoeding. 1.23 A, wonende te Groningen, heeft van B, wonende te Leeuwarden, een auto gekocht. Na de levering wil A niet betalen. De koopsom bedraagt 2.000. B wil tegen A procederen. a Welke rechter is absoluut en relatief competent? b Stel dat B geen gelijk krijgt. Hij wil hogerop. Kan hij in hoger beroep? Bij welke rechter? 1.24 Verklaar waarom het voorkomt dat een eiser die 5.500 heeft te vorderen, afstand doet van 500. 1.25 Is een vonnis uitvoerbaar is bij voorraad, wat wil dat dan zeggen? 1.26 Noem drie kenmerken van een kort geding. Kijk op de volgende pagina voor de antwoorden. Recht doen 3

Antwoorden opgaven hoofdstuk 1 1.1 a/b Deze vraag is het startschot van Recht doen. Weet u al waar u na uw afstuderen terecht wilt komen? Wijst de opleiding die u doet al in een bepaalde richting? Wordt u opgeleid voor een bepaald beroepenveld? Ook als u deze vragen (nog) niet kunt beantwoorden, is het zinvol stil te staan bij relevantie van juridische onderwerpen en vaardigheden. U moet immers aan de gang met Recht doen. Met andere woorden: het juridische is voor u op een of andere wijze van belang. Kunt al aangeven welke juridische aspecten vooral van belang zijn? Als u dat kunt, heeft u tevens vastgesteld dat u reeds bekend bent met juridische onderwerpen. 1.2 Bent u vooral geïnteresseerd in het oplossen van ad-hocproblemen of gaat uw voorkeur uit naar het leveren van een structurele bijdrage aan een organisatie? Van beide activiteiten een beetje kan natuurlijk ook. 1.3 Als uw opdracht gericht is op het voorkómen van problemen, is het bedrijfsbelang vaak groter dan bij een uitvoerende klus. Het management wil daarom gekend worden in de voorstellen die u doet. U moet dus (letterlijk) meer werk maken van de rapportage. Uw werkzaamheden zijn daarnaast veelomvattender en ook kostbaarder dan bij uitvoering. U moet uw tijd (is ook een kostenfactor!) kunnen verantwoorden. 1.4 Bent u in staat de vragen bij stap 1 te beantwoorden, dan heeft u uw opdracht voor uzelf beperkt of afgebakend. U bent beter in staat vast te stellen welke activiteiten u allemaal moet verrichten om tot een bevredigend resultaat te komen. Er is een kleinere kans dat u voor onaangename verrassingen komt te staan. 1.5 De informatie van uw opdrachtgever kan te globaal zijn. Mensen op de werkvloer hebben dagelijks te maken met de problemen waarvoor u een oplossing moet zien te vinden. Zij kunnen u in detail inlichtingen geven over de aard en omvang van de problemen en u misschien ook oplossingen aan de hand doen. 1.6 De criteria genoemd onder stap 2 zijn ook hier van belang. U kunt bijvoorbeeld selecteren op basis van tijd en kosten. Belangrijker is dat u zich de vraag stelt: welke informatie draagt bij aan het eindproduct van mijn opdracht? Er is geen algemeen antwoord te geven op deze vraag. Het hangt af van de opdracht die u heeft gekregen, van de complexiteit enzovoort. Als u een literatuuronderzoek moet doen, zult u andere bronnen raadplegen en anders selecteren dan wanneer u bijvoorbeeld een praktisch probleem moet oplossen. 1.7 Kern van vooral adviesopdrachten is dat het management zelf zicht wil krijgen op de omvang van het probleem en mogelijke oplossingen voorgelegd wil krijgen. Men moet de mogelijkheid hebben een andere oplossing te kiezen, waarbij u de voor- en nadelen al in kaart heeft gebracht. 1.8 Soms is er sprake van een minst slechte oplossing, dus een oplossing die de meeste voordelen biedt en de minste nadelen. Er moet gekozen worden tussen twee kwaden. Wat is in een concreet geval het belangrijkste criterium? Kwaliteit? Het kostenplaatje? Opbrengsten? Klanttevredenheid? Arbeidsmotivatie werknemers? Tijd? De beste oplossing komt vaak neer op een optimale in plaats van een ideale oplossing. 1.9 U moet zowel het product als het proces evalueren, dus: 1 het evalueren van de oplossing die u heeft geboden; 2 het evalueren van uw werkwijze. 4 Opgaven hoofdstuk 1

1.10 a Verschillen tussen publiekrecht en privaatrecht: 1 publiekrecht: relatie overheid-burger; privaatrecht: relatie burger-burger; 2 publiekrecht: overheid is overheersende partij; privaatrecht: gelijkwaardigheid van partijen; 3 publiekrecht: veel dwingend recht; privaatrecht: veel regelend recht. b Publiekrechtelijke normen zijn zo belangrijk dat afwijking niet is toegestaan. De overheid ordent de samenleving op een bepaalde manier. Stel dat er geen verkeersregels zouden gelden: dit zou tot een verkeerschaos leiden. Een meer fundamentele verklaring: de overheid moet ervoor zorgen dat een aantal basisprincipes gehandhaafd wordt, zoals grondrechten (onder andere het verbod van discriminatie). Verder heeft de overheid de plicht zich het lot aan te trekken van mensen die (extra) bescherming nodig hebben. Huurders, werknemers en consumenten zouden bijvoorbeeld maar weinig in te brengen hebben tegen verhuurders, werkgevers, producenten en winkeliers. Als mensen niet gedwongen worden tot bepaald gedrag, zou dat tot gevolg kunnen hebben dat het recht van de sterkste geldt. 1.11 Ordenende of regulerende rol, stimulerende rol, afremmende rol, verzorgende rol. 1.12 U moet zich de vraag stellen: kan ik dezelfde handeling onder dezelfde naam en met dezelfde rechtsgevolgen ook verrichten? 1.13 a Onteigening: publiekrechtelijk. b Subsidie: publiekrechtelijk. c Verpachten: privaatrechtelijk. d Bestemmingsplan: publiekrechtelijk. 1.14 a Milieurecht: publiekrechtelijk. b Arbeidsrecht: privaatrechtelijk. c Overeenkomstenrecht: privaatrechtelijk. d Faillissementsrecht: privaatrechtelijk. e Ruimtelijk ordeningsrecht: publiekrechtelijk. 1.15 Een subjectief recht betekent dat een individu een bepaalde bevoegdheid heeft. Een bevoegdheid komt niet uit de lucht vallen, maar komt voort uit rechtsregels, dus het objectieve recht. 1.16 a Wet op de Raad van State: publiekrecht (de Raad van State is een staatsorgaan). b Wet op de rechterlijke organisatie: publiekrecht (rechters behoren tot staatsorganen). c Handelsnaamwet: privaatrecht. d Wet op de economische delicten: publiekrecht. e BBA: publiekrecht (voor een ontslag van een werknemer is een vergunning vereist). f Wet AVV/OVV: publiekrecht (minister grijpt in). 1.17 Boek 7 gaat voor vanwege de conflictenregel: speciaal voor algemeen. Boek 7 BW bevat specifieke regels over bijvoorbeeld de koopovereenkomst, terwijl Boek 6 BW algemene regels over overeenkomsten bevat. U komt hierachter door de regelingen door te lezen. 1.18 Directwerkende verdragen of bepalingen daarvan gaan boven nationale wetgeving. De verklaring kan zijn dat de Grondwet dit zo bepaalt (in art. 94), maar dat antwoord is niet volledig genoeg. Waarom bepaalt de Grondwet dit? Binnen Nederland vinden we dat internationale afspraken zo belangrijk zijn dat ze zo mogelijk direct werken en in dat geval de hoogste rang hebben (conflictenregel: hoog voor laag). Recht doen 5

Met andere woorden: de internationale rechtsorde is belangrijker dan de nationale rechtsorde. Deze opvatting komt onder andere voort uit het belang dat Nederland hecht aan gezamenlijke afspraken tussen staten. Nederland is van oudsher internationaal georiënteerd en bijvoorbeeld een groot voorstander geweest van de totstandkoming van de EU. Deze organisatie is een zogenoemde supranationale organisatie, dat wil zeggen: de Nederlandse staat heeft bevoegdheden overgedragen aan een internationaal orgaan. 1.19 Wet is een te beperkte aanduiding voor het objectieve recht. Er zijn immers meer rechtsbronnen dan de wet alleen. 1.20 Rechterlijke uitspraken concretiseren abstracte rechtsregels. Door uitspraak te doen in een concrete casus, past de rechter het recht toe maar moet tegelijkertijd vaak de rechtsregel verduidelijken. Daarnaast is het zo dat rechters sneller kunnen opereren dan de wetgever. De rechter kan sneller inspelen op ontwikkelingen die de wetgever niet heeft voorzien. Het komt overigens ook voor dat de wetgever juist wil dat rechters eerst jurisprudentie scheppen, om die vervolgens in wetgeving vast te leggen. De abortuswetgeving is daar een voorbeeld van. Verder zien we dat de wetgever het soms niet nodig vindt regels in een wet vast te leggen, omdat jurisprudentie al regels heeft opgeleverd. Regels met betrekking tot stakingen bijvoorbeeld staan niet in een wet, maar zijn voortgekomen uit jurisprudentie. Het zogenoemde kort geding (zie par. 2.7) is een veelgebruikt middel om snel een uitspraak van een rechter te verkrijgen. 1.21 Voorbeelden zijn te vinden op de televisie (journaal, NOVA en andere actualiteitenprogramma s, programma s met een sterk juridische inslag), de dagbladen, de radio en internet. 1.22 Acties zijn rechtsgronden, vorderingen zijn eisen. Bij elkaar horen: Actie Vordering Onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) Schadevergoeding Handelingsonbekwaamheid (art. 1:234 BW) Vernietiging Reclamerecht (art. 7:39 BW) Ontbinding 1.23 a Kantonrechter (sector kanton rechtbank) in Groningen is absoluut en relatief competent, want het gaat om een bedrag tot en met 5.000 en de verkoop speelt zich af in de woonplaats van de gedaagde dus Leeuwarden. b Hoger beroep bij het Hof is mogelijk vanaf 1.751. In dit geval moet B naar het Hof Leeuwarden (Groningen kent geen Hof). 1.24 In dat geval kan er een kantonrechterprocedure worden gevolgd. Voordeel van deze procedure is onder andere dat een procureur niet verplicht is. 1.25 Een vonnis dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, kan direct ten uitvoer gelegd worden. Eiser hoeft niet te wachten of gedaagde een rechtsmiddel indient. 1.26 Kenmerken van een kort geding zijn ondere andere: kortdurend geding, altijd bij president van de rechtbank, uitvoerbaarheid bij voorraad, minder kosten. 6 Opgaven hoofdstuk 1