Centrumlocatie Er is voor u een afspraak gemaakt om een prostaatoperatie via de plasbuis te verrichten, ook wel TURP-operatie genoemd. De uroloog heeft u daar reeds over ingelicht. In deze folder kunt u het een en ander over het onderzoek nog eens rustig nalezen. Bijzondere omstandigheden kunnen tot wijzigingen aanleiding geven. Dit zal altijd door uw uroloog aan u kenbaar worden gemaakt. Aan het begin van het onderzoek vertelt de uroloog wat er gaat gebeuren. Wanneer u op dat moment nog vragen heeft, kunt u ze tijdens dat gesprek stellen. In deze folder worden de ingreep, de oorzaken, het vooronderzoek, de voorbereiding, de nazorg, eventuele complicaties en gevolgen beschreven. Oorzaken De belangrijkste redenen om een prostaatoperatie uit te voeren zijn hinderlijke plasklachten en herhaaldelijk onvermogen om de blaas te ledigen. Bij plasklachten is een inwendige prostaatkliervergroting meestal de boosdoener. Doordat de blaas onvoldoende leeg loopt, blijft urine in de blaas achter. Dit kan leiden tot blaasontsteking en soms tot nierfunctieverlies. Een enkele keer lukt het plassen helemaal niet meer. In dat geval moet er acuut via de plasbuis of de buik een katheter (een dun kunststof slangetje) in de blaas worden geschoven. Zo kan de urine worden afgetapt uit de blaas. Dit kan ook een reden zijn om een prostaatoperatie te verrichten. Soms is de prostaatklier zo groot dat verwijdering via de plasbuis-methode niet meer mogelijk is. In dat geval moet er een operatie via de onderbuik plaatsvinden. Dit wordt de Millin-operatie genoemd, naar de Ierse uroloog. Vooronderzoek Via een aantal onderzoeken kan de uroloog bepalen of een prostaatoperatie bij u noodzakelijk en zinvol is. Prostaatoperatie
De uroloog stelt gerichte vragen over uw plasproblemen aan de hand van vragenlijsten. Daaruit wordt duidelijk of uw klachten ernstig genoeg zijn om een operatie te verrichten. Veel mannen hebben maar weinig klachten en kunnen gerustgesteld worden na enig aanvullend onderzoek, zonder verdere behandeling. Als de klachten voor u zeer hinderlijk zijn, is behandeling noodzakelijk. Vervolgens doet de uroloog bij u een inwendig onderzoek. Hij schat hiermee de grootte van uw prostaat en kijkt tevens of er andere problemen zijn, zoals ontstekingsverschijnselen en tumoren. Aanvullend wordt de urinestraal gemeten (flowmeting). Bij dit onderzoek moet u in een speciaal toilet plassen, waarbij het volume en de kracht van de urinestraal wordt gemeten. Na dit onderzoek zal de uroloog met een echo-apparaat de inhoud van uw blaas (het residu) bepalen. Zo nodig worden ook de nieren via een echo onderzocht op een eventuele stuwing door het chronisch achterblijven van urine in de blaas. Met deze twee onderzoeken wordt op een objectieve manier vastgesteld of u plasproblemen heeft. Soms worden plasklachten veroorzaakt door functiestoornissen van de blaas en zal een prostaatoperatie de klachten niet wegnemen. Wanneer er twijfel bestaat of een prostaatkliervergroting de oorzaak is van uw klachten, is het noodzakelijk om de druk van de blaas te meten. Dit onderzoek noemen we een urodynamisch onderzoek (zie folder). Bloed- en urineonderzoek worden altijd verricht. Hierbij wordt de nierfunctie en het prostaat specifiek antigeen (PSA) bepaald en de urine onderzocht op suiker, eiwit, ontstekingsverschijnselen en bloedcellen. De hoogte van de PSA-bepaling in uw bloed komt overeen met de grootte van uw prostaat. Een verhoging van de PSA kan ook worden veroorzaakt door een ontsteking of een kwaadaardige tumor van de prostaat. Indien bij u het PSA in het bloed is verhoogd, zal aanvullend een echografisch onderzoek van de prostaat worden verricht. Dit wordt met name gedaan om een tumor uit te sluiten. Tevens kan door het uitvoeren van dit onderzoek de grootte van de prostaat nauwkeurig worden gemeten. Voorbereiding Een dag voor de operatie wordt u opgenomen. U ondergaat dan een algemeen lichamelijk onderzoek door de afdelingsarts. Hierbij wordt een hartfilmpje en aanvullend bloedonderzoek gedaan. Een dag voor de operatie komt tevens de anesthesist bij u langs. De anesthesist is een arts-specialist die tijdens de operatie zorg zal dragen voor de verdoving. Hij of zij vertelt u vooraf over de verschillen tussen een algehele narcose en een lokale verdoving. Van belang is dat u de specialist goed informeert over alle medicijnen die u gebruikt. Deze medicijnen kunnen van invloed zijn op de narcose en soms, bij gebruik van bloedverdunnende medicijnen en pijnstillers, bloedingen veroorzaken tijdens of na de operatie. Verder krijgt u een dag voor de operatie nogmaals informatie over de prostaatoperatie en de risico's. Tijdens dit gesprek krijgt u tevens de mogelijkheid om al uw vragen te stellen. 2
De ingreep De operatie wordt verricht met een kijkbuis (cystoscoop) die in de plasbuis van de penis wordt gebracht. Via een elektrisch lisvormig mesje kan al het klierweefsel van de prostaat worden verwijderd. De stukjes komen in de blaas terecht en worden aan het eind van de operatie uit de blaas gespoeld. Deze verwijderde stukjes weefsel worden voor microscopisch onderzoek ingestuurd. Tijdens de operatie worden de bloedvaatjes direct dichtgeschroeid. Het omhulsel van de prostaat wordt niet verwijderd. Op den duur kan hieruit nieuw klierweefsel gaan groeien. Echter slechts tien procent van de geopereerde patiënten krijgt hier later opnieuw last van. Aan het einde van de operatie wordt een blaaskatheter ingebracht en wordt de blaas continu zachtjes schoongespoeld. Na de operatie De blaas wordt na de operatie regelmatig gespoeld om verstoppingen van de blaaskatheter te voorkomen. Op de afdeling Urologie gebeurt dit door de verpleegkundigen. Meestal kan de spoeling na één of twee dagen na de operatie worden beëindigd als er geen bloed meer aanwezig is. Soms duurt het echter wat langer. U houdt nog enkele dagen na de operatie de blaaskatheter in. Deze dagen moet u goed drinken om de urine bloedvrij te krijgen. Als dit het geval is wordt meestal twee of drie dagen na de operatie de katheter verwijderd. Daarna wordt gecontroleerd of het plassen naar wens gaat. Vier of vijf dagen na de operatie kunt u weer naar huis. Na ontslag uit het ziekenhuis krijgt u wat leefregels mee voor de eerste zes weken thuis. Belangrijk is dat u gedurende drie tot zes weken, om nabloedingen te voorkomen, niet fietst en geen gemeenschap heeft. Verder moet u voldoende drinken om het genezingsproces te bevorderen. Na zes weken zijn er geen bijzondere maatregelen meer nodig. Het doel van de operatie is om uw plasklachten te verhelpen. Daadwerkelijke verbetering treedt pas enkele weken na de operatie op. In het begin plast u met een krachtige straal. Lang ophouden van de urine is echter nog niet mogelijk. Dit wordt veroorzaakt door de wond, die de blaas prikkelt. Na enkele weken is de wond geheeld en zijn de incontinentieklachten over. Omdat tijdens de operatie de blaashals wordt verwijd, kan het gebeuren dat u na de ingreep niet meer merkt dat u een zaadlozing heeft. Dit kan gevolgen hebben voor de kwaliteit van uw seksuele activiteit. Toch blijft alles zoals het was voor de operatie. Alleen komt er soms geen sperma meer naar buiten. Het sperma verdwijnt namelijk naar de blaas en wordt later uitgeplast. Uiteraard heeft dit wel gevolgen voor uw vruchtbaarheid. Deze neemt af. Soms keert na verloop van tijd de zaadlozing weer terug en is er weer sprake van vruchtbaarheid. De erectie blijft aanwezig zoals voor de operatie. Soms treedt een tijdelijk potentieverlies op als gevolg van de ingreep. Het klaarkomen verandert meestal niet, maar in sommige gevallen is de intensiteit wat afgenomen. 3
Mogelijke complicaties en gevolgen Soms gaat de wond opnieuw bloeden. Meestal kan dit worden opgelost door spoelen via de blaaskatheter. Het kan zijn dat de katheter op het been wordt vastgeplakt om zo de katheterballon tegen de wond te duwen. Als gevolg hiervan ontstaat dan een stolsel, waarna de bloeding meestal stopt. Een flinke bloeding kan aanleiding zijn tot stolselvorming in de blaas en tot bloeddrukdaling. In deze situatie kan het nodig zijn opnieuw een blaasonderzoek te verrichten met de kijkbuis op de operatieafdeling en de bloedende vaatjes nogmaals dicht te schroeien. Gelukkig gebeurt dit zelden. Een andere complicatie is het zogenoemde TURP-syndroom: tijdens de operatie kan het gebeuren dat spoelvloeistof in de bloedbaan terechtkomt, waardoor bloedvaten 'overvol' raken. Deze complicatie wordt meestal snel ontdekt, doordat de anesthesist de zoutdeeltjes (electrolyten) in uw bloed controleert. Door u een plastablet toe te dienen wordt de overvulling snel en effectief bestreden. Ook deze complicatie treedt zelden op. Tijdens het opereren kan het gebeuren dat er een gaatje in het prostaatkapsel ontstaat. Zo kan wat spoelvloeistof buiten de prostaat terechtkomen en wat pijnklachten geven in de onderbuik. De uroloog zal in deze situatie de operatie beëindigen en een katheter inbrengen. Zo nodig krijgt u wat extra pijnstillers. Tot slot kan er een infectie van de blaas en de prostaat optreden als gevolg van de behandeling van de blaaskatheter. Dit kan leiden tot koorts en pijn bij het plassen. Een antibioticakuur kan hier oplossing bieden. Soms treedt er door de operatie een vernauwing op van de plasbuis (strictuur). Als het gaat om een flinke vernauwing, kan de plasbuis poliklinisch onder plaatselijke verdoving of door een kleine operatieve ingreep via de kijkbuis worden opgerekt. Daarna is het vaak nodig om de plasbuis regelmatig zelf wat op te rekken met een soepele katheter om een nieuwe vernauwing te voorkomen. Met de huidige instrumenten en katheters is deze complicatie gelukkig vrij zeldzaam geworden. Tot slot Als u door ziekte of een andere reden niet op de afspraak kunt komen, neem dan zo snel mogelijk contact op met de polikliniek Urologie. In uw plaats kan dan een andere patiënt worden geholpen. Meer informatie Deze brochure beschrijft de algemene procedure en is bedoeld als extra informatie naast het gesprek met uw behandelend arts. Bijzondere omstandigheden kunnen tot wijzigingen aanleiding geven. Dit zal altijd door uw uroloog aan u kenbaar worden gemaakt. 4
Heeft u na het lezen van deze folder behoefte aan meer informatie, dan kunt u op werkdagen contact opnemen met de afdeling Urologie, telefoonnummer: (010) 463 31 22. 5
6
7
Erasmus MC Dr. Molewaterplein 40 3015 GD Rotterdam Tel (010) 463 92 22 5804007 Erasmus MC - Patiëntencommunicatie - 07/98