Update KB arbeidsplaatsen

Vergelijkbare documenten
Arbeidsplaatsen Algemene basiseisen Wetgevende nota

Verlichting PREBES 04/12/2018. Enkele begrippen Wetgeving en normen Metingen Noodverlichting Blue Light Hazard

ARBEIDSPLAATSEN : ALGEMEEN

Nieuwe regelgeving Ir. Pieter De Munck Adviseur-generaal Directiehoofd RD Limburg - Vlaams-Brabant

Codex over het welzijn op het werk. Boek III.- Arbeidsplaatsen. Titel 1. Basiseisen betreffende arbeidsplaatsen

Voorstelling OCMW Waregem

ir Paul Van Haecke FOD WASO Toezicht op het Welzijn op het Werk, West-Vlaanderen 24 januari

Koninklijk besluit van 4 juni 2012 thermische omgevingsfactoren Koninklijk besluit van 14 oktober 2012 arbeidsplaatsen

Codex over het welzijn op het werk. Boek III.- Arbeidsplaatsen. Titel 1. Basiseisen betreffende arbeidsplaatsen

Verlichting en luchtverversing. K.B. algemene basiseisen waaraan arbeidsplaatsen moeten beantwoorden

Koninklijk besluit tot vaststelling van de algemene basiseisen waaraan arbeidsplaatsen moeten beantwoorden 10 OKTOBER 2012.

WELZIJNSWETGEVING CAMPAGNES

NBN-EN : Werkplekverlichting binnen

Levensduur en depreciatie van ledverlichting in lichtberekening. En wat met CLO? Ronde Tafel Lichtdag 12 september 2017

1 Beschrijving. Infofiche Nr /2017. Kleedkamers, refters, wastafels en toiletten in de werkplaatsen en burelen 1/5

1 Beschrijving. Infofiche Nr /2017. Kleedkamers, refters, wastafels en toiletten in de werkplaatsen en burelen 1/5

Intern transport. Ignaas Crombez Malle 31 maart 2015

Koninklijk besluit van 4 juni 2012 thermische omgevingsfactoren (Belgisch Staatsblad van 21 juni 2012)

Concordantietabel boek III Arbeidsplaatsen van de codex welzijn op het werk

Concordantietabel boek III Arbeidsplaatsen van de codex welzijn op het werk

Codex over het welzijn op het werk. Boek I.- Algemene beginselen. Titel 2. Algemene beginselen betreffende het welzijnsbeleid

Overheid verscherpt de binnenklimaat normen

Fiche 8 (Analyse): Eenheden

Koninklijk besluit van 4 mei 1999 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten (B.S )

Checklist beeldschermwerk: ontwerp en aankoop

Codex over het welzijn op het werk. Boek V.- Omgevingsfactoren en fysische agentia. Titel 1. Thermische omgevingsfactoren

NIVEAU 2: OBSERVATIE

Welzijn en opleidingen

FICHE UITRUSTING VAN DE ARBEIDSPLAATSEN

Het belang van lichtstudies

Koninklijk besluit van 4 juni 2012 betreffende de thermische omgevingsfactoren (B.S )

InfoRisk. Infofiche. Het nieuwe KB arbeidsplaatsen in een handig overzicht. Juni Periodieke informatie van de preventiedienst

Inhoudsopgave TITEL II: ORGANISATORISCHE STRUCTUREN TITEL I: ALGEMENE BEGINSELEN. HOOFDSTUK I: Welzijnswet werknemers

Inhoudsopgave TITEL I: ALGEMENE BEGINSELEN TITEL II: ORGANISATORISCHE STRUCTUREN. HOOFDSTUK IV: Maatregelen in verband met ernstige arbeidsongevallen

Koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk (B.S

Checklist beeldschermwerk: ontwerp en aankoop

Wat is de rol van een Externe Dienst voor Technische Controles/Erkend Organisme binnen het kader van het Koninklijk Besluit van

Arbeidsplaatsen Elektrische installaties - Algemeen. Infodocument

Pro_16_Opmaken van een risicoanalyse voor werkzaamheden met een verhoogd risico.

De aanpak van psychosociale aspecten: praktijkvoorbeeld. OCMW Kortrijk de nieuwe lente 07/09/2016

Hoofdstuk I. - Bepalingen betreffende de collectieve beschermingsmiddelen. Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities

Tabel B: Omzetting van de Richtlijnen "Veiligheid en gezondheid van de werknemers" (artikel 137)

Codex over het welzijn op het werk. Boek IX.- Collectieve bescherming en individuele uitrusting. Titel 1. Collectieve beschermingsmiddelen

WS 3.8 Arbeidsplaats & Intern verkeersplan

Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 betreffende het werken met beeldschermapparatuur (B.S )

Pijn aan mijn lijf! Praktische tools ter voorkoming van overbelastingsletsels in de bouwsector

Codex over het welzijn op het werk. Boek VIII.- Ergonomische belasting. Titel 2. Beeldschermen

Circulaire THERMISCHE OMGEVINGSFACTOREN

Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 betreffende het werken met beeldschermapparatuur (B.S )

Kantoorinrichting en lichamelijke klachten

Moeilijk te lezen wanneer het contrast slecht is

Hoe veiligheidsverlichting toepassen? EN Hoe veiligheidsverlichting controleren en onderhouden? EN 50172

4 MEI Koninklijk besluit betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen voor het hijsen of heffen van lasten. Belgisch Staatsblad 04 juni 1999

Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 betreffende het werken met beeldschermapparatuur (B.S )

Hierna volgt een beknopt overzicht van de nieuwe regelgeving.

27 MAART KONINKLIJK BESLUIT BETREFFENDE HET BELEID INZAKE HET WELZIJN VAN DE WERKNEMERS BIJ DE UITVOERING VAN HUN WERK

Arbeidsplaatsen Elektrische installaties Minimale voorschriften voor de oude installaties. Infodocument

Arbeidsparticipatie en re-integratie. Hans Ritmeester Manager Visio Zicht op Werk Ton van Schie Arbeidsdeskundige Koninklijke Visio

Toelichting KB 25/03/2016 tot wijziging v/h KB 10/10/2012 tot vaststelling v/d algemene basiseisen waaraan arbeidsplaatsen moeten beantwoorden

Niet residentiële ventilatie

Het kader van het Welzijn op het Werk Toelichting bij de wet van 4 augustus 1996

Circulaire BRANDPREVENTIE

NOODVERLICHTING INFORMATIE BLAD

4 MEI Koninklijk besluit betreffende het gebruik van mobiele arbeidsmiddelen.

Afdeling I. - Toepassingsgebied en definities

Codex over het welzijn op het werk. Boek IV.- Arbeidsmiddelen. Titel 5. Arbeidsmiddelen voor tijdelijke werkzaamheden op hoogte

Checklist beeldschermwerk : ontwerp en aankoop

1. ORGANISATIE VAN DE PREVENTIE EN BESCHERMING

Effectiviteit van mechanische ventilatie met filtertoepassing in scholen langs drukke wegen. Dr. Maciek Strak GGD Amsterdam Afd. Milieu en Gezondheid

Circulaire ETIKETTERING VAN CHEMISCHE PRODUCTEN

8.2 Bestelprocedure installaties, machines en gemechaniseerde werktuigen

Circulaire BRANDPREVENTIE

Welkom. Kennisplatform OV. 10 januari 2014

KB van 28 maart 2014 Brandpreventie op de arbeidsplaatsen

8.1.1 Arbeidsmiddelen (K.B. 12/08/93, B.S. 28/09/93) - synthese

Risicoanalyse van de elektrische installatie. Praktische werkwijze

RICHTLIJN VAN DE RAAD

1 Beschrijving. 2 Risico s. 3 Wetgeving. Preventiefiche O /2017. Kleedkamers, refters, wasplaatsen en toiletten op bouwplaatsen 1/6

Codex over het welzijn op het werk. Boek III.- Arbeidsplaatsen. Titel 2. Elektrische installaties

Prebes Kring Zuid 12/04/2012 EHBO

Vlaams Elektro Innovatiecentrum. Werkplekverlichting. Algemeen:

Het K.B. eerste hulp in de praktijk

Hoe moet het: gokt u ernaar of weet u het?

Veiligheidsinstructiekaart Rolsteiger ARAB - artikel 54 quater 4. en het KB Arbeidsmiddelen (Codex Titel VI Hoofdstuk I artikel 7)

Transcriptie:

Update KB arbeidsplaatsen Het Koninklijk Besluit arbeidsplaatsen van 10 oktober 2012 werd recent op een aantal punten gewijzigd, met name de criteria rond verluchting en verlichting van de werkplek werden aangepast. Zowel voor verluchting als verlichting werd een beperkt aantal wijzigingen doorgevoerd, die evenwel belangrijke implicaties met zich meebrengen. Onze leden Jan Van Bouwel en Anne Devolder (IBEVE-IDEWE) maakten een samenvatting. Verluchting Voor verluchting bestaat de voornaamste wijziging in de vervanging van de vereiste minimum debieten voor luchtverversing (30 m3 per uur aanvoer van verse lucht en afvoer bevuilde lucht) door kwaliteitseisen voor binnenlucht. De concentratie CO 2 in de binnenlucht dient onder 800 ppm te liggen tenzij de werkgever met objectieve en gegronde redenen kan aantonen dat dit niet mogelijk is. De CO 2 concentratie mag in elk geval nooit hoger zijn dan 1200 ppm. Een belangrijk detail hierbij is dat de term besloten werkruimten vervangen wordt door de term werklokalen, zodat er geen verwarring meer is met het begrip besloten ruimten uit andere wetgeving. De werkgever dient er dus voor te zorgen dat er voldoende verse lucht wordt aangevoerd naar de werklokalen in de ruime betekenis, zodat er aan de gestelde criteria voor CO 2 in de binnenlucht voldaan wordt. Er worden opnieuw eisen ingevoerd met betrekking tot relatieve luchtvochtigheid in de werklokalen, indien de luchtverversing niet of onvoldoende op natuurlijke wijze kan bekomen worden. In dat geval moet de installatie die geplaatst wordt (mechanische ventilatie of airconditioninginstallatie), immers zo gebouwd zijn dat ze voldoet aan een volgende criteria: de installatie verspreidt verse lucht die gelijkmatig verdeeld wordt over de werklokalen geen hinder voor de werknemers door tocht, lawaai, trillingen of temperatuurschommelingen een gemiddelde Relatieve vochtigheid over de werkdag tussen 40 en 60% (tenzij technisch niet mogelijk) wordt vereist. Deze grens kan verruimd worden tussen 35 en 70% Relatieve vochtigheid indien de werkgever aantoont dat de lucht geen chemische of biologische agentia bevat die een risico kunnen vormen voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezige personen op de arbeidsplaats Voldoende onderhoud en controle (controlesysteem + controle door bevoegd persoon) blijven vereist BSOH vzw/asbl p. 1 van 5

Verlichting Voor verlichting bestaat de voornaamste wijziging in het toevoegen van een bijlage met minimumvoorschriften voor verlichtingssterkte en een aantal voorschriften met betrekking tot de gelijkmatige verdeling, flikkering, verblinding, kleurweergave en kleurtemperatuur. Voor verlichting bepaalt de werkgever nog steeds op basis van een risicoanalyse aan welke voorwaarden de verlichting van de arbeidsplaatsen, al dan niet in open lucht, evenals van de werkposten moet beantwoorden teneinde ongevallen door de aanwezigheid van voorwerpen of hindernissen en vermoeidheid van de ogen te voorkomen. Als de werkgever hierbij de vereisten van de norm NBN-EN 124 64-1 en de norm NBN EN 124 64-2 toepast bij het bepalen van de voorwaarden inzake verlichting, dan gaat men er vanuit dat hieraan voldaan is. De voornaamste wijziging in het KB is evenwel de toevoeging van een bijlage (bijlage 2) met minimumvoorschriften voor verlichtingssterkte en een aantal algemene voorschriften met betrekking tot de gelijkmatige verdeling, flikkering, verblinding, kleurweergave en kleurtemperatuur, wanneer de werkgever bovenvermelde NBN-normen niet wenst toe te passen. Hierbij worden minimale lux-waarden opgegeven voor diverse werkposten, taken en sociale voorzieningen variërend tussen 200 en 1000 Lux. Ook voor plaatsen die enkel dienen voor verplaatsing worden minimale verlichtingssterktes opgelegd (5 tot 100 lux). De verlichtingssterkte wordt tevens aangepast in functie van de eventuele werknemers met een grotere lichtbehoefte (oogafwijkingen/leeftijd). Flikkering en verblinding (rechtstreeks of onrechtstreeks) dienen vermeden te worden en het licht dient gelijkmatig verdeeld te zijn zonder sterke en snelle overgangen in verlichtingssterkte van het werkvlak en de onmiddellijk aangrenzende zone. De kunstmatige verlichting mag de kleuren van de veiligheids- en gezondheids-signalering en de pictogrammen niet wijzigen. Voor de verlichting van het werkvlak worden lampen gebruikt met een kleurweergave-index van 80 of meer en een kleurtemperatuur die aangepast is aan de taak. De werkgever dient bij de keuze van de soort en de plaatsing van de lampen de veiligheidsrisico's die onderhoud en vervanging van lampen met zich meebrengen in rekening te brengen. Tot slot wordt ook een grens ingevoerd voor de noodverlichting die niet minder dan 10% mag bedragen van de normaal vereiste verlichting voor de betreffende taak om werknemers die een gevaarlijke activiteit uitvoeren of die zich in een noodsituatie bevinden toe te laten een gepaste afsluitprocedure uit te voeren. BSOH vzw/asbl p. 2 van 5

Overzicht wijzigingen Art. 35.34.- De werkgever bepaalt, op grond van de resultaten van een risicoanalyse, aan welke voorwaarden de verlichting van de arbeidsplaatsen, al dan niet in open lucht, evenals van de werkposten moet beantwoorden teneinde ongevallen door de aanwezigheid van voorwerpen of hindernissen en vermoeidheid van de ogen te voorkomen. De werkgever die de vereisten van de norm NBN-EN 124 64-1 en de norm NBN EN 124 64-2 toepast bij het bepalen van de voorwaarden inzake verlichting wordt vermoed te hebben gehandeld in overeenstemming met het eerste lid. Wanneer de werkgever de normen bedoeld in het tweede lid niet wenst toe te passen, moet de verlichting tenminste beantwoorden aan de voorwaarden die zijn vastgesteld door de Minister van Werk. in bijlage 2. Art. 34.35 - Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van de kunstverlichting aan bijzondere risico s zijn blootgesteld, zijn uitgerust met een voldoende sterke noodverlichting. verlichting die bijdraagt aan de veiligheid van de personen die bezig zijn met een mogelijk gevaarlijke activiteit of zich in een mogelijk gevaarlijke situatie bevinden en die het hen mogelijk maakt een gepaste afsluitprocedure uit te voeren voor de veiligheid van de bediener en andere aanwezigen in het gebouw. De sterkte van deze verlichting mag niet minder zijn dan 10 % van de normaal vereiste verlichtingssterkte voor de betreffende taak. Art. 36.- De werkgever zorgt ervoor dat de werknemers in besloten werkruimten de werklokalen over voldoende zuivere verse lucht beschikken, rekening houdend met de werkmethoden en de door de werknemers te leveren lichamelijke inspanningen. Hiertoe worden de toevoer van verse lucht en de afvoer van bevuilde lucht verzekerd naar rato van 30 m³ lucht per uur en per in de besloten werkruimte aanwezige werknemer. Hiertoe neemt de werkgever de nodige technische of organisatorische maatregelen opdat de CO 2 -concentratie in deze werklokalen lager is dan 800 ppm, tenzij deze kan aantonen dat dit om objectieve en gegronde redenen niet mogelijk is. In elk geval mag de CO 2 -concentratie in deze werklokalen nooit hoger zijn dan 1200 ppm. Art. 37.- De luchtverversing gebeurt op natuurlijke wijze of door middel van een luchtverversingsinstallatie. Art. 38.- Indien een luchtverversinginstallatie wordt gebruikt, inzonderheid airconditioneringsinstallaties of mechanische ventilatie-installaties, moet deze beantwoorden aan de volgende voorwaarden: 1 ze is dermate gebouwd dat zij enkel zuivere verse lucht verspreidt, die gelijkmatig wordt verdeeld over de werklokalen; 2 ze is dermate gebouwd dat de werknemers niet blootgesteld worden aan hinder door temperatuurschommelingen, tocht, lawaai of trillingen; BSOH vzw/asbl p. 3 van 5

3 ze houdt rekening met de wetenschappelijke normen betreffende de relatieve luchtvochtigheid; ze is dermate ingesteld dat de over een werkdag gemiddelde relatieve luchtvochtigheid, tussen 40 en 60 % ligt, tenzij dit om technische redenen niet mogelijk is; 4 ze wordt dermate onderhouden dat elke afzetting van vuil en de verontreiniging of besmetting van de installatie wordt voorkomen of dat dit vuil zo snel mogelijk wordt verwijderd of de installatie gereinigd, zodat elk risico voor de gezondheid van de werknemers door de verontreiniging of besmetting van de ingeademde lucht wordt voorkomen of beperkt; 5 storingen worden door een controlesysteem gemeld; 6 de werkgever treft de nodige maatregelen opdat de installatie regelmatig wordt gecontroleerd door een bevoegd persoon, zodat zij te allen tijde gebruiksklaar is. De relatieve luchtvochtigheid bedoeld in het eerste lid, 3 mag tussen 35 en 70 % liggen indien de werkgever aantoont dat de lucht geen chemische of biologische agentia bevat die een risico kunnen vormen voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezige personen op de arbeidsplaats. Art. 39.- De bepalingen van de artikelen 36 tot 38 doen geen afbreuk aan de verplichting te voorzien in specifieke ventilatie- of afzuigingsystemen in de gevallen bedoeld in de bepalingen van de andere uitvoeringsbesluiten van de wet die betrekking hebben op specifieke risico s. BIJLAGE 2 BIJ HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 10 OKTOBER 2012 TOT VASTSTELLING VAN DE ALGEMENE BASISEISEN WAARAAN ARBEIDSPLAATSEN MOETEN BEANTWOORDEN MINIMUMVOORSCHRIFTEN WAARAAN DE VERLICHTING VAN DE ARBEIDSPLAATSEN MOET BEANTWOORDEN ALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 33 TOT 35 Op de werkposten is de gemiddelde verlichtingssterkte van het werkvlak voldoende voor de uit te voeren taken, en is, gemeten op het werkvlak, of bij afwezigheid van een werkvlak op een horizontale hoogte van 0,85 meter van de grond, ten minste: - 200 lux voor refter, kleedkamer, wasplaats, landbouwactiviteiten, brouwerij, ruw assembleerwerk; - 300 lux voor bakkerij, machinewerk, middelmatig precies assembleerwerk, fruit sorteren, wasserij, lassen, garage, receptie, kopieerwerk, kinderopvang, klaslokaal, auditorium, sporthal; - 500 lux voor EHBO-lokaal, laboratoria, controleruimten, precisie machinewerk, fijn assembleerwerk, autoassemblage, keuken, slachthuis, productcontrole, kapsalon, schoenmakerij, boekbinderij, drukkerij, spinnerij, weverij, houtbewerking, bureauwerk, vergaderzaal; - 750 lux voor glasbewerking, materiaalinspectie, precisie-assemblage, naaiwerk, verfspuiten, technisch tekenen; - 1000 lux voor precisiewerk, kleurinspectie, juweelproductie, medisch onderzoekslokaal. BSOH vzw/asbl p. 4 van 5

Op plaatsen die enkel dienen voor verplaatsing is de verlichtingssterkte gemeten op de vloer ten minste : - 5 lux voor kolenopslag, houtopslag, stapelplaatsen met occasioneel verkeer, buiten gelegen doorgangen voor voetgangers, autoparking; - 10 lux voor algemene verlichting van havens, risicovrije zones in de petrochemie en gelijkaardige industrieën, opslag van verzaagd hout, wegen voor traag verkeer (minder dan 10 km per uur) van bijvoorbeeld fietsen of heftrucks; - 20 lux voor auto- en containeropslagplaatsen in havens, normaal autoverkeer, in- en uitritten van parkings; - 50 lux voor industrieterreinen, opslagzones buiten, risicogebieden in havens, olieopslagtanks, koeltorens, pompgemalen, waterzuiveringsinstallaties, plaatsen voor laden en ontladen, materiaalbehandeling in havens, bouwwerf, opslaghal zonder manueel werk; - 100 lux voor verplaatsingszones in het bedrijf, gangen, trappen, magazijnen. Indien er werknemers zijn met een grotere lichtbehoefte omwille van oogafwijkingen of leeftijd moet de verlichtingssterkte hieraan aangepast worden. De verlichting van het werkvlak moet gelijkmatig verdeeld zijn. Snelle en sterke overgangen in de verlichtingssterkte van het werkvlak en de onmiddellijk aangrenzende zone moeten vermeden worden. De lampen mogen geen flikkering of stroboscopieverschijnselen vertonen. Er mag geen hinderlijke verblinding door directe of indirecte waarneming van heldere lichtbronnen in het gezichtsveld optreden. Indien op een werkvlak een gemiddelde verlichtingssterkte groter dan 200 lux nodig is mag zij bekomen worden door middel van een plaatselijke verlichting, mits de installatie voor de algemene verlichting alleen reeds, in elk geval, op dezelfde plaats een gemiddelde verlichtingssterkte van minimum 200 lux verzekert. De kunstmatige verlichting mag de kleuren van de veiligheids- en gezondheidssignalering en de pictogrammen niet wijzigen. De lampen die gebruikt worden voor de verlichting van het werkvlak hebben een kleurweergave-index van 80 of meer en een kleurtemperatuur die aangepast is aan de taak. Bij de keuze van de soort en de plaatsing van de lampen moeten de veiligheidsrisico's die onderhoud en vervanging van lampen met zich meebrengen in rekening gebracht worden. BSOH vzw/asbl p. 5 van 5