Factsheet. Voortijdig Schoolverlaten

Vergelijkbare documenten
Factsheets. Voortijdig Schoolverlaten

Factsheets. Voortijdig Schoolverlaten

In Tabel 2 zijn de 83 pc-gebieden nogmaals weergegeven, maar dan geclusterd naar de wijk waarin deze gebieden liggen.

/ & ) 2, ++ ( ) +$ /$ &1% + $) +, $$) 2, /++ 8(9 +( $, $/+, + +, $$1

Voorwoord. VSV-Atlas 2 de editie 1

Factsheets VSV. November 2005

Met een startkwalificatie betere kansen op de arbeidsmarkt

Geen baan, geen school, geen uitkering. Analyse van het onbenut arbeidspotentieel onder niet-uitkeringsgerechtigden in aandachtswijken

VSV-Atlas. Totaaloverzicht Nederland. Aanval op schooluitval. Definitieve cijfers. 6 e editie. Convenantjaar

Erratum Jaarboek onderwijs 2008

Stromen door het onderwijs

Aanval op schooluitval. Nieuwe voortijdige schoolverlaters Definitieve cijfers. 5 e editie. VSV-Atlas

Voortijdig schoolverlaters 0c van misdrijf in Nederland, naar woongemeente ente (G4) en schoolsoort

Factsheet Jongeren buiten beeld 2013

Langdurige werkloosheid in Nederland

Bijlage. Nieuwe voortijdig schoolverlaters. VSV-brief Convenantjaar Voorlopige cijfers.

Woningen Provincie/Gemeenten Marktgegevens en prognoses Prijzen en transacties. Prijs per m² GBO in mediaan 2017

Bijlage verzuimcijfers

Ouderen in aandachtswijken

Geen baan, geen school, geen uitkering. Analyse van het onbenut arbeidspotentieel onder niet-uitkeringsgerechtigden in aandachtswijken

Voortijdig schoolverlaten 0c het voortgezet et onderwijs in

Absoluut verzuim. Absoluut verzuim totaal verzuim. > 3 maanden. Opgelost in schooljaar

Hanzestad IJssel inwoners vijf oudste steden van Nederland Daventre portu stad stadsrechten

Jeugdwerkloosheid Nieuw-West

Voortijdig Schoolverlaters 2005 Toelichting bij de tabellen

Jongeren en ouderen zonder startkwalificatie op de arbeidsmarkt

Fact sheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2013

Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2016

Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014

VSV-Atlas, derde editie (incl. overzicht VO-scholen) VSV-Atlas Totaaloverzicht Nederland RMC-regio factsheets Aanval op schooluitval MBO-factsheets

LAAGGELETTERDHEID IN HAAGSE HOUT

LAAGGELETTERDHEID IN LEIDSCHENVEEN-YPENBURG

Aanval op schooluitval

Jongeren buiten beeld 2013

LAAGGELETTERDHEID IN LAAK

LAAGGELETTERDHEID IN DEN HAAG

Jongeren op de arbeidsmarkt

Toelichting gegevens waarstaatjegemeente.nl bij de thema s:

Outcomemonitor Krachtwijken brengt aandachtswijken in beeld

RMC Factsheet. RMC Regio 23 Kop van Noord-Holland

Aanval op schooluitval

Voortijdig schoolverlaters en Citotoets-gegevens,

Woningen. Prijzen en transacties. Provincie / Steden. Marktgegevens en prognoses. Transactieprijzen koopwoningen in mediaan 2016

Gelderse Aanval op de Uitval Cijfers over voortijdig schoolverlaten in de Gelderse regio s

RMC Regio 39 Gewest Zuid-Limburg. RMC Factsheet. Convenantjaar Nieuwe voortijdige schoolverlaters Voorlopige cijfers Uitgave: maart 2015

Factsheet Passend Onderwijs

RMC Factsheet. RMC Regio 20 Gooi en Vechtstreek

Nadere uitwerking definitieve Vsv Cijfers voor regio 36b

socio-demografie jongeren geslacht leeftijd woonplaats 4 grote steden en per provincie afkomst opleiding religie

Bijlage. Nieuwe voortijdig schoolverlaters. VSV-brief Convenantjaar Voorlopige cijfers.

Tabellenbijlage voortijdig schoolverlaten Regio Zuid-Holland Noord

FACTSHEET Verwante en niet-verwante doorstroom in de beroepskolom

RMC Factsheet. RMC Regio 39 Gewest Zuid-Limburg

monitor Marokkaanse Nederlanders in Maassluis bijlage(n)

Landelijke doelstelling

Voortijdig schoolverlaters: een kwetsbare groep op de arbeidsmarkt

FORUM Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt: effecten van de economische crisis 2 e kwartaal 2009

Transcriptie:

Factsheet Voortijdig Schoolverlaten November 2007 1

Voorwoord Deze factsheet hoort bij de brief aan de Tweede Kamer met kenmerk VSV/DIR/2007/48811 en geeft feiten en getallen over voortijdig schoolverlaters (vsv ers) in Nederland. Hiervoor zijn twee informatiebronnen gebruikt: gegevens op basis van het onderwijsnummer (ON) en informatie uit de Enquête beroepsbevolking (EBB) van het CBS. De onderwijsnummergegevens maken zichtbaar hoeveel leerlingen jaarlijks voortijdig uitvallen. De EBB geeft inzicht in de totale groep voortijdig schoolverlaters. Beide bronnen bieden tevens inzicht in kenmerken van vsv ers. Het onderwijsnummer biedt mogelijkheden om regionale informatie (RMC-regio, gemeente, wijken) in kaart te brengen en geeft de komende jaren geleidelijk beter zicht op de schoolloopbanen van vsv ers en niet-vsv ers. Door koppelingen met andere registers (door CBS) kunnen relaties worden gelegd met arbeidsmarkt en criminaliteit. Deze factsheet behandelt eerst de Nederlandse problematiek vanuit (inter)nationaal perspectief. Vervolgens geeft de factsheet inzicht in de persoonskenmerken van vsv ers en wordt hun arbeidsmarktsituatie vergeleken met niet-vsv ers. Daarna behandelt de factsheet de regionale en de gemeentelijke problematiek. Tot slot geeft de factsheet informatie over vsv ers in de 40 aandachtswijken en de vier grote steden. Bronnen en definities Bronnen De Enquête beroepsbevolking (EBB) van het CBS is een enquête onder de bevolking van 15-64 jaar. De ondervraagde zijn afkomstig uit een grote steekproef (ca. 90.000 personen). Het aantal vsv ers wordt afgeleid van de steekproef. Het onderwijsnummer (ON) m aakt het mogelijk groepen leerlingen te volgen tijdens hun onderwijsloopbaan. Ook is het mogelijk individuele leerlingen te identificeren op opleiding. Daardoor zijn er nu cijfers beschikbaar over het voortijdig schoolverlaten op landelijk, regionaal en instellingsniveau. Het onderwijsnummer brengt ook achtergrondkenmerken als geslacht, etniciteit, armoede en onderwijsniveau in beeld. Voor het onderwijsnummer wordt gebruik gemaakt van de bekostigingsgegevens over in- en uitschrijvingen die scholen leveren aan de IB-groep. De onderwijsnummermethode meet per jaar het aantal nieuwe vsv ers tussen twee peildata (1-10- t-1 en 1-10 t) Dit betekent dat vsv ers die binnen het schooljaar weer terugkeren niet worden meegenomen. Het onderwijsnummer levert een netto cijfer (terugplaatsingen binnen het schooljaar zijn al verwerkt). Praktijkonderwijs en vso werken nog niet (geheel) met het onderwijsnummer. Onderwijsnummercijfers zijn exclusief vsv ers vanuit deze onderwijsvormen. Gezien het karakter van deze opleidingen worden deze aantallen apart gepresenteerd. De niet-bekostigde onderwijsinstellingen werken niet met het onderwijsnummer. De cijfers zijn daarom exclusief het niet-bekostigde onderwijs. Dit betekent zowel een onderschatting als een overschatting van de vsvcijfers. Enerzijds geldt dat vsv ers uit het niet -bekostigd onderwijs niet mee tellen en anderzijds zijn overstappers naar niet bekostigd onderwijs niet te onderscheiden van vsv ers. Schooljaar 2005/2006 betreffen voorlopige cijfers. Begin 2008 komen de voorlopige cijfers 2006/2007 beschikbaar en worden de cijfers over 2005/2006 definitief. Doelen en definities Europa: In Europa is afgesproken (in het kader van het Lissabonproces) het aandeel 18-24 jarigen dat geen onderwijs volgt én geen startkwalificatie heeft tussen 2000 en 2010 met 50% te verminderen. Hiervoor is een EU-indicator afgesproken, die jaarlijks wordt gemonitord met de gegevens uit de Labour Force Survey (LFS). Het betreft jongeren van 18-24 jaar die op het moment van de enquête geen startkwalificatie hebben en de afgelopen 4 weken niet hebben deelgenomen aan regulier onderwijs, cursussen of andere korte opleidingen. Nederland: De nationale doelstelling is het terugdringen van de jaarlijkse nieuwe voortijdige uitval met 50% tussen 2002 en 2012. Het gaat om alle leerlingen van 12-22 jaar die zonder startkwalificatie in een 2

bepaald schooljaar het onderwijs verlaten. Een startkwalificatie is minimaal een diploma van havo, vwo of niveau 2 van het mbo. Totalen nationaal en EU indicator Figuur 1: Doel en realisatie aantallen nieuwe vsv ers per jaar (bron: ON) Figuur 2: Percentage niet-schoolgaande jongeren tussen 18 en 24 zonder startkwalificatie, EUindicator (bron: Eurostat/CBS) 70 60 50 40 x 1.000 30 20 10 20% 15% 10% 5% 0 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 doelstelling realisatie ON 0% 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 Realisatie Doelstelling Nederland wil het aantal nieuwe vsv ers (12-22 jaar) in 2012 halveren ten opzichte van 2002. In 2002 waren alleen RMC-cijfers beschikbaar. Op basis daarvan zijn dat jaar 71.000 nieuwe vsv ers geteld. Het streven is het aantal jaarlijkse voortijdig schoolverlaters te reduceren tot 35.000 in 2012. Op basis van het onderwijsnummer valt het aantal nieuwe vsv ers hoger uit dan werd geschat op grond van de RMC-rapportages. Voor het jaar 2004-2005 is het aantal nieuwe vsv ers op basis van het onderwijsnummer vastgesteld op 62.500. Voor 2005-2006 ligt het voorlopige cijfer op circa 56.500. De EU-doelstelling richt zich op de voortijdige schoolverlaters van 18 tot 24. Het doel is het percentage voortijdig schoolverlaters binnen deze groep te halveren in de periode 2000-2010. Voor Nederland betekent dit een reductie van 15,5% in 2000 tot circa 8% in 2010. In 2006 was het aandeel vsv ers in deze leeftijdsgroep 12,9%. Persoonskenmerken voortijdig schoolverlaters Op basis van het onderwijsnummer volgen hieronder enkele typeringen van voortijdige schoolverlaters in het jaar 2005-2006. Mannen en jongens vormen de meerderheid, met 60%. In de totale populatie jongeren is het aantal mannen (51%) vrijwel gelijk aan het aantal vrouwen. Uitval komt het meest voor bij jongeren van 17 en 18 jaar. Het percentage vsv ers onder niet-westers allochtonen ligt twee keer zo hoog als onder autochtonen. Het aandeel van de niet-westerse allochtonen van het totaal van de vsv ers was in 2005-2006 27,1% Figuur 3: Nieuwe vsv ers naar leeftijd (bron: ON) Figuur 4: Nieuwe vsv ers als percentage van de deelnemers, naar etniciteit (bron: ON) 8% 7% 6% 5% 4% 3% 2% 1% 0% autochtoon westers allochtoon niet-westers allochtoon 3

21 9% 22 6% <16 jaar 7% 16 9% 20 12% 17 20% 19 16% 18 21% Figuur 5: Aandeel van het laatst genoten type onderwijs onder de vsv ers Figuur 6: Stroomschema nieuwe vsv ers (bron: ON/Onderwijsmatrix) 1 vavo 2% havo/vwo 4% brug 8% vmbo 7% bol 12% 7% bbl mbo 2-4 54% vmbo met dipl. 12% vo zonder vmbo diploma vo met vmbo diploma 1% havo/vwo lj. 3 t/m 6 vmbo lj. 3+4 mbo 2% vo leerjaar 1+2 pro 3% met diploma 2% zonder diploma vso 2% 1% mbo 1 13% basisonderwijs (incl. sbao en so) Van de totale groep nieuwe vsv ers komt 19% zonder een diploma uit het voortgezet onderwijs. 12% heeft wel een vmbo-diploma, maar stroomt niet door naar een vervolgopleiding. 67% komt uit het mbo. 2% is uit het vavo afkomstig. De meeste nieuwe vsv ers komen van niveau 2-4 van het mbo (54% in totaal). Van de leerlingen (figuur 6) die het onderwijs instromen, verlaat 2% voortijdig het vmbo zonder diploma. Ruim 3% van hen verlaat voortijdig het onderwijs na het behalen van een vmbo-diploma en 19% verlaat voortijdig het MBO. De meerderheid van de leerlingen die in de brugklas uitvalt zit in een vmbo-brugjaar. In eerste instantie valt ongeveer 28 % van de jongeren uit in het vo en mbo zonder startkwalificatie (en nog eens 3% valt uit in het vso en het praktijk onderwijs). Een deel van deze leerlingen keert later wel weer terug in het onderwijs. Van de 18-24 jarigen heeft uiteindelijk 87,1% minimaal het niveau van de startkwalificatie behaald of volgt nog onderwijs (LFS, Eurostat). Figuur 7: Vertraging in het VO (bron: ON) Figuur 8: Criminaliteit, % verdachten (bron: HKS,ON) 100% 80% 60% 1 Het 40% stroomschema geeft aan waar in de 'doorlopende leerlijn' voortijdige schooluitval plaatsvindt. Jaarlijks starten circa 200.000 deelnemers de schoolloopbaan. Circa 56.500 van hen verlaat het vo en mbo zonder een startkwalificatie en er stromen 3000 leerlingen uit het 20% vso en 3500 uit het praktijk onderwijs. De percentages in het schema verwijzen naar het startaantal van 200.000 leerlingen. Het diagram is niet gecorrigeerd voor vsv ers die later nog terugkeren in het onderwijs. Het betreft een cohortsimulatie gebaseerd op doorstroomgegevens 0% van het schooljaar 2005-2006. geen 1 jr 2 jr 4 VSV-ers niet VSV-ers

30% 25% 20% 15% 10% 5% 0% vo totaal vo lj 1/2 vmbo havo/vwo mbo totaal mbo 1 mbo 2 vsv in HKS niet vsv in HKS mbo 3 mbo 4 Vsv ers hebben relatief vaker een vertraging in de schoolloopbaan opgelopen dan niet vsv ers. Circa 65% van de vsv ers heeft een vertraging van 1 of meerdere jaren. Bij niet-vsv ers geldt dit voor ongeveer 30%. Van het totale aantal vsv ers is 16% verdacht van een misdrijf. Bij niet -vsv ers is dat 3%. Het percentage vsv ers dat wordt verdacht van een misdrijf is hoger in het mbo (17%) dan in het vo (13%). Het percentage verdachten is vooral hoog op niveau 1 van het mbo (vsv: 28%, niet-vsv: 21%). De arbeidsmarktsituatie Figuur 9: Arbeidsmarktpositie van jongeren van 15 tot 22 die geen onderwijs volgen en geen startkwalificatie hebben (=VSV). Tussen haakjes percentage voor jongeren met startkwalificatie 2. Bron: EBB 2002-2006 Vsv 100% (sk 100%) Werkzaam 65% (81%) Niet werkzaam 35% (19%) Werkloos 12% (8%) Inactief 23% (11%) Wil werken 8% (3%) Wil / kan niet werken 15% (8%) Niet actief Gezocht 5% (2%) Niet beschikbaar op korte termijn 3% (1%) Vanwege zorg gezin / huishouden 3% (1%) Vanwege ziekte Arbeidsongeschiktheid 3% (1%) Andere reden 9% (6%) Van de vsv ers van 15-22 jaar heeft 65% werk en 35% geen werk. De groep niet -werkenden (=35%) bestaat voor 12% uit werklozen en voor 23% uit inactieven. Van de groep inactieven (=23%) wil 8% wel werken, maar is niet actief aan het zoeken of niet op korte termijn beschikbaar. De overige 15% inactieven wil of kan niet werken. Redenen hiervoor zijn onder meer zorg (3%) en ziekte/arbeidsongeschiktheid (3%). De groep van 3% die inactief is vanwege zorg voor een gezin of huishouden bestaat geheel uit vrouwen. 2 Van de vsv ers geeft een groep aan een andere reden te hebben waardoor ze niet willen of kunnen werken. Nader onderzoek moet uitwijzen wat die andere redenen zijn. 5

Tabel 1: Arbeidsmarktsituatie met/zonder startkwalificatie (bron: EBB 2003-2006) Hoogst behaald opleidingsniveau Werkend Niet werkend 15-22 jarigen 2003-2006 15-22 jarigen 2003-2006 Startkwalificatie 81% 19% MBO2/3 86% 14% MBO4 86% 14% HAVO/VWO 66% 34% HBO/WO bachelor 82% 18% Geen startkwalificatie 65% 35% Alleen basisonderwijs 47% 53% AVO 68% 32% VMBO/mbo1 69% 31% Het verschil op de arbeidsmarkt tussen jongeren zonder en met startkwalificatie is groot. Zo heeft slechts 65% van de vsv ers werk (tegen 81% van de jongeren met een startkwalificatie ) en is 23% van de vsv ers inactief (tegen 11% van de jongeren met startkwalificatie). Ongeveer tweederde van de nietschoolgaande vmbo - gediplomeerden heeft een baan. Minder dan de helft van de jongeren met alleen basisonderwijs heeft een baan. 6

VSV in RMC-regio s Nederland is ingedeeld in 39 Regionaal Meld- en Coördinatiecentrum (RMC)-regio s. Deze indeling is vrijwel gelijk aan de indeling volgens de Wet gemeenschappelijk regelingen (WGR). In onderstaande figuren worden het vsv-percentage en het aantal vsv ers per RMC-regio getoond. Figuur 10: Nieuwe vsv ers als percentage van het aantal deelnemers/leerlingen, in de RMC-regio s (bron: ON) Figuur 11: Aantal nieuwe vsv ers in de RMC-regio s (bron: ON) In het jaar 2005/2006 zijn verhoudingsgewijs de meeste vsv ers geregistreerd in de regio s Flevoland, Kop van Noord-Holland, Agglomeratie Amsterdam, Noord-Kennemerland, West-Kennemerland, Haaglanden, Rijnmond, Walcheren, Midden-Brabant, en Gewest Zuid-Limburg. Het vsv-percentage is laag in Noord- en Midden Drenthe, Zuid-West Drenthe, Ijssel-VechtOost- Gelderland en Noord-West Veluwe. In absolute zin worden de meeste vsv-er gevonden in de regio s Agglomeratie Amsterdam, Utrecht, Haaglanden, Rijnmond, West Brabant, Brabant Zuid-Oost en gewest Zuid Limburg. Samenhangende regiokenmerken Er zijn verschillende sociaaleconomische kenmerken op regioniveau die samenhangen met het percentage nieuwe vsv ers. Er wordt gekeken naar huishoudens met uitkeringen, huishoudens met lage inkomens en niet-westerse allochtonen. Deze kenmerken hangen onderling sterk samen: als een regio hoog op een kenmerk scoort, geldt dat ook voor de andere kenmerken. Het CBS en SCP noem en dergelijke regio s armoedeprobleemcumulatiegebieden 1. Hoe hoger het aandeel is van uitkeringen, lage inkomens en niet westers allochtonen in een regio, hoe hoger het percentage nieuwe vsv-ers. Datzelfde geldt voor de armoedeprobleemcumulatiegebieden: hoe meer leerlingen in een regio in een armoedeprobleemcumulatiegebied wonen, hoe hoger over het algemeen het percentage voortijdige schoolverlaters is. In de figuren 12-15 staan deze gegevens op RMCregio niveau aangegeven. 1 Een armoedeprobleemcumulatiegebied is een postcodegebied waarin zowel het percentage huishoudens met lage inkomens, als het percentage huishoudens met een uitkering én het percentage niet-westerse allochtonen hoger ligt dan 80% van alle postcodegebieden in Nederland (het zogenaamde 80 e percentiel). 7

Samenhangende regiokenmerken Figuur 12: Percentage deelnemers woonachtig in Figuur 13: Percentage niet-westerse allochtone een armoedeprobleemcumulatiegebied, per regio, deelnemers op vo en mbo, per regio, 2005/2006 2005/2006 (bron: ON) (bron: ON) Percentage woonachtig in armoedeprobleemcumulatiegebied minder dan 9% (20) 9-18% (15) 18-27% (5) Meer dan 27% (2) % Niet-Westers allochtonen minder dan 8% (16) 8% tot 12% (14) 12% tot 22% (9) meer dan 22% (3) Figuur 14: Percentage huishoudens met een Figuur 15: Percentage huishoudens met een laag inkomen 2003/2004 uitkering 2003/2004 % huishoudens met een laag inkomen Minder dan 6,5% (7) 6,5-7,5% (20) 7,5-8,5% (7) Meer dan 8,5% (8) % huidhoudens met een uitkering Minder dan 7% (11) 7-9% (22) 9-11% (6) Meer dan 11% (3) In de armoedeprobleemcumulatiegebieden is het percentage nieuwe voortijdig schoolverlaters twee keer zo hoog als in de andere gebieden: 7,2 % versus 3,7%. In deze armoedegebieden woont ruim een kwart van de jaarlijkse voortijdig schoolverlaters. In totaal woont één op de zes deelnemers aan het voorgezet en middelbaar beroepsonderwijs in armoedeprobleemcumulatiegebieden. In het noorden van Nederland liggen de percentages huishoudens met een laag inkomen en een uitkering hoog, er wonen echter weinig niet westerse allochtonen. Hierdoor is het aandeel huishoudens in een armoedeprobleemcumulatiegebied toch laag. Het aandeel vsv ers in deze noordelijke gebieden ligt relatief hoog (zie fig. 10). 8

VSV in gemeenten Het overzicht op regionaal niveau geeft goed inzicht in de achtergronden van het voortijdig schoolverlaten. Een aantal zaken blijft echter buiten beeld. Zo kunnen de vsv-percentages van de gemeenten binnen een regio onderling verschillen. Deze verschillen komen in de regionale overzichten niet naar voren. Figuur 16: VSV-percentage per gemeente (bron: ON) Figuur 17: Aantal vsv ers per gemeente (bron: ON) De hoge vsv-percentages worden veelal aangetroffen in de grotere gemeenten, maar ook in specifieke gebieden, zoals bij gemeenten op de grens van de provincies Zeeland en Noord-Brabant en in Groningen. Met uitzondering van een aantal gemeenten in het Groene Hart, scoren de gemeenten in de Randstad verhoudingsgewijs slecht. Het percentage vsv ers is in Nederland gemiddeld 4,2%. In vrijwel alle 36 grootste gemeenten van het land (behalve Zwolle en Hengelo) is het percentage hoger. Voortijdig schoolverlaten is met name een stedelijk probleem. Stedelijkheidsgraad Het CBS hanteert een stedelijkheidsindeling van gemeenten in een vijftal klassen. Die indeling is gebaseerd op de adressendichtheid van de gemeente. Figuur 18: VSV-percentage naar stedelijkheidsgraad Figuur 19: De 10 gemeenten met het hoogste absolute aantal vsv ers 2005/2006 (x1000) 7,0% 4,0 6,0% 3,5 5,0% 3,0 4,0% 2,5 3,0% 2,0 1,5 2,0% 1,0 1,0% 0,5 0,0% 0,0 Zeer sterk stedelijk Sterk stedelijk Matig stedelijk Weinig stedelijk Niet stedelijk Amsterdam Rotterdam s-gravenhage Utrecht Tilburg Almere Eindhoven Breda Haarlem Arnhem 9

In sterk stedelijke gebieden is de kans op voortijdige uitval twee maal zo hoog als in weinig en niet - stedelijke gebieden. Vrijwel alle grote steden vallen in de hoogste categorie met hun vsv-percentage. In absolute zin worden de meeste vsv ers gevonden in Amsterdam, gevolgd door Rotterdam en Den Haag. De andere gemeenten volgen op grote afstand. Van de gemeenten buiten de Randstad scoren Tilburg, Eindhoven, Breda en Arnhem hoog. Een kwart van de voortijdig schoolverlaters woont in de tien steden in de bovenstaande tabel. VSV in wijken Uit regioanalyses (zie boven) blijkt dat het voortijdig schoolverlaten in stedelijke gebieden samenhangt met meervoudige problematiek. Het kabinet heeft 40 aandachtswijken geïdentificeerd waar die problematiek ernstig is. In die wijken ligt ook het percentage vsv hoog. Tabel 3. VSV-percentages in de 40 aandachtswijken volgens de definitie van het Ministerie van WWI Gemeente Wijknaam Gemeente Wijknaam Vsv-percentage Vsv- percentage Alkmaar Overdie 8,8% Nijmegen Hatert 6,5% Amersfoort De Kruiskamp 7,6% Rotterdam Rotterdam West 8,4% Amsterdam Amsterdam Noord 8,0% Rotterdam Noord 7,5% Nieuw West 7,3% Bergpolder 7,7% Bos en Lommer 8,2% Overschie 5,7% Amsterdam Oost 6,7% Oud Zuid 8,0% Bijlmer 7,8% Vreewijk 6,2% Arnhem Klarendal 7,0% Zuidelijke Tuinsteden 8,6% Presikhaaf 7,9% Schiedam Nieuwland 9,0% Het Arnhemse Broek 7,8% Den Haag Stationsbuurt 8,9% Malburgen/Immerloo 8,6% Schilderswijk 6,7% Deventer Rivierenwijk 11,8% Den Haag Z-West 8,0% Eindhoven Woensel West 8,8% Transvaal 8,2% Doornakkers 8,4% Utrecht Kanaleneiland 6,9% Bennekel 8,3% Ondiep 10,2% Groningen Korrewegwijk 12,0% Overvecht 8,4% De Hoogte 7,7% Zuilen Oost 6,7% Heerlen Meezenbroek 5,7% Zaandam Poelenburg 7,5% Leeuwarden Heechterp/Schieringen 10,2% Dordrecht WielwijkCrabbehof 11,0% Maastricht Maastricht Noordoost 7,2% Enschede Velve-Lindenhof 8,3% De 40 aandachtswijken zijn gedefinieerd op basis van een aantal sociaaleconomische kenmerken. Het percentage vsv is daarbij buiten beschouwing gebleven. In tabel 2 is te zien dat de 40 wijken qua vsvpercentage boven het landelijk gemiddelde scoren. Gemiddeld ligt het percentage vsv in deze wijken twee keer hoger dan het landelijk gemiddelde. In de 40 wijken woont in totaal circa 9 van alle nieuwe voortijdig schoolverlaters. Dat is een belangrijke groep, maar het overgrote deel (91 %) van de vroegtijdig schoolverlaters woont niet in een aandachtswijk. De uitvoering van de aanval op de uitval richt zich op alle gebieden met (veel) vsv ers. 10

Vier grote steden Een wijk bestaat uit één of meer postcodegebieden. In onderstaande figuren is het percentage vsv ers in de postcodegebieden van de vier grote gemeenten zichtbaar gemaakt. De postcodegebieden die liggen in de 40 aandachtswijken (herkenbaar aan het witte vlaggetje) hebben vrijwel allemaal een hoog percentage vsv ers. Figuur 20: Amsterdam Figuur 21: Rotterdam Amsterdam In de aandachtswijken wonen relatief veel voortijdig schoolverlaters. De postcodegebieden in de probleemwijken Amsterdam Noord, Bos en Lommer, Nieuw West, Amsterdam-Oost en Bijlmer hebben vrijwel allemaal hoge percentages vsv ers. Amsterdam heeft ook wijken die niet tot de aandachtswijken behoren, maar wel in de hoogste categorie zitten met hun percentage vsv ers. Rotterdam Een vergelijkbaar beeld is zichtbaar in Rotterdam. Ook hier springen veel postcodegebieden in de aandacht wijken er negatief uit. Zowel in Rotterdam-West, Rotterdam-Noord, Bergpolder, Oud Zuid en Zuidelijke Tuinsteden worden postcodegebieden gevonden met gemiddeld meer dan 7 procent nieuwe vsv ers. De aandachtswijken Overschie en Vreewijk doen het relatief gezien iets beter. Rotterdam heeft ook wijken die niet tot de aandachtswijken behoren, maar toch in de hoogste categorie zitten met hun percentage vsv ers 11

Figuur 22: Den Haag Figuur 23: Utrecht Den Haag In Den Haag wonen in de aandachtswijken Stationsbuurt, Schilderswijk, Den Haag Zuid-West en Transvaal relatief veel voortijdig schoolverlaters. Den Haag heeft ook wijken die niet tot de aandachtswijken behoren, maar toch in de hoogste categorie zitten met hun percentage vsv ers Utrecht Eenzelfde beeld laten de postcodegebieden in de gemeente Utrecht zien. In de aandachtswijken Kanaleneiland, Ondiep, Zuilen Oost en Overvecht wonen relatief veel voortijdig schoolverlaters. Ook in Utrecht zijn wijken die niet tot de aandachtswijken behoren maar wel in de hoogste categorie zitten wat betreft het percentage vsv ers. Een algemene conclusie voor de vier grote gemeenten is dat het percentage vsv ers binnen de grote gemeenten fors verschilt per wijk. De aandachtswijken hebben hoge percentages voortijdige schoolverlaters, maar dat geldt ook voor een aantal ander e wijken. 12