3 Interfacebeschrijvingen 3.1 VLCC VRI (OCIT-O) 3.1.1 Globale eigenschappen In dit hoofdstuk worden de globale eigenschappen voor het gebruik van OCIT beschreven. 3.1.1.1 Systeemarchitectuur Het systeem bestaat uit de volgende modules: Beschrijving 01 VTmanager Antwerpen 02 Verkeerscontrollers Tabel 1: Modules 3.1.1.2 OSI stack TCP/IP (gebruik makende van VCnet) voor communicatie tussen VRI en VLCC. 3.1.1.3 OCIT conformiteit 1. OCIT/OTS interfaces vormen de basis voor gegevensuitwisseling tussen de subcomponenten (zie 2.1). 1.1 De standardisatiedocumenten uitgegeven door de OCIT board zijn van toepassing. Een lijst van de betrokken documenten is opgenomen in hoofdstuk 0.5. 3.1.1.4 Adressering van de units in OCIT-I/OTS 2. Interpretatie Systeem, Subsysteem en Unit in OCIT-I/OTS De identificatie van units (devices en andere onafhankelijke systeemunits) zal gebeuren volgens de volgende regels. 2.1 Het systeem heeft altijd nummer 60 (voor Stad Antwerpen ). 2.2 The volgende subsystemen worden gebruikt: Devices in the field: Kruispuntsignalisatie 1 Macro-detectoren 2 VMS-borden 7 Hogere-niveau subsystemen: OCIT-O subsystemen 51 DOD2 Fase 1: uitvoering technische voorstudie 6/12/2016 68
Verkeerscentrale 101 2.3 Binnen een subsysteem zullen de bestaande nummerreeksen (1 n) opeenvolgend gebruikt worden als unit nummer (Voorbeeld: Unit met unit nummer 1 in subsysteem 1 is een kruispuntsignalisatie, unit met unit nummer 1 in subsysteem 7 is een VMS-bord). 2.4 De classificatie van de subsystemen is enkel een logisch criterium om de units te identificeren. Het heeft geen impact of de organisatie van subsystemen in OCIT-O. Meer specifiek heeft de subsysteemclassificatie geen enkele betekenis betreffende de fysische toewijzing van units, bvb de toewijzing aan de verkeerscomputer. 2.5 Nummer 0 zal niet voor identificatiedoeleinden gebruikt worden. 2.6 Een lijst van de units, objecten en gegevenstypes, inclusief IDs, zal opgemaakt worden door de gegevensleveranciers (data providers) in samenwerking met de klant. 2.7 Kruispuntsignalisatie: Een kruispuntsignalisatie is een OCIT unit. 2.7.1 Bestaande gebruikersnamen (voor VRIs) zijn: - K-nummer : String beginnend met de letter K, gevolgd door een getal van 3 cijfers en optioneel een extra letter. Voorbeelden: K005 of K010B - Installatiecode : String bestaand uit 3 cijfers, 1 letter, en 1 cijfer, optioneel gevolgd door een / -teken en een cijfer Een dergelijke installatiecode bestaat niet voor alle VRIs Voorbeelden : 062A4 of 007A6/2 - Volledige naam (plaats/straat): String met volledige benaming Voorbeeld : N10 Mayerlei 2.7.2 Definitie van unit short name ( OCIT-I <Kurzbezeichnung> ) Het K-nummer wordt als (OCIT-I) unit short name gebruikt. Deze benaming komt voor in de GUI. 2.7.3 Definitie van Unit long name ( OCIT-I <Name> )) : De unit long name wordt opgebouwd uit de installatiecode en de volledige naam. 2.7.4 Definitie van Unit number ( OCIT-I <UnitNr> ) Het unit number kan in theorie vrij gekozen worden (range 1 65535). Om de nummers consistent te houden wordt het unit-nummer gelijk aan het K-nummer gemaakt, uitzonderingen niet te na gesproken (waar er na het nummer nog een extra letter is). In deze uitzonderlijke gevallen wordt het nummer manueel toegekend, en wordt een getal boven 1000 gebruikt. Voorbeeld : K005 krijgt unit number 5, K010B krijgt unit nummer 1002. Dit unit nummer wordt in de communicatie gebruikt voor de adressering. 2.8 Signaalgroepen en detectoren: DOD2 Fase 1: uitvoering technische voorstudie 6/12/2016 69
Signaalgroepen en detectoren zijn OCIT objecten van een OCIT unit. Het OCIT Outstation nummer wordt gebruikt als object nummer. Dit geldt ook voor andere signaalobjecten, meer bepaald voor signaalgroepen. 2.9 Voor de gebruikers zijn de korte identificaties van de units doorslaggevend. Vermits er geen identificatieschema mag opgemaakt worden is er geen formaatverificatie voor de gebruikte korte identificaties afgezien van het maximum aantal karakters bepaald door de OCITspecificatie of equivalent. Voor een invulling van de adressering zie bijlage 01. DOD2 Fase 1: uitvoering technische voorstudie 6/12/2016 70
Addressering units in OCIT-O 3. Interpretatie van ZNR, FNR in OCIT-O Elke controller en elk OCIT-O subsysteem krijgt een unieke set van een centraal nummer (ZNR) en een devicenummer (FNR) 3.1 Er worden 7 OCIT-O subsystemen gebruikt in de centrale van GEVAS. De OCIT-O subsystemen krijgen ZNR=1..7 en FNR=0. 3.2 Elke controller krijgt het ZNR van zijn subsysteem en een FNR=1..65535 dat uniek is in het systeem. Het Controller FNR van OCIT-O zal hetzelfde nummer zijn als het unit nummer van de kruispuntsignalisatie gebruikt in OCIT-I. 3.3 Elke controller heeft een eigen IP-adres en kan is via een DNS-naam toegankelijk. 3.4 Andere subsystemen: De OCIT-I subsystemen VMS en macro-detectoren gebruiken OCIT-O niet voor hun communicatie met de centrale computer. Voor een invulling van de adressering zie bijlage 01. 3.1.1.5 Actuatorschakeling 4. Sub-actuators Als een unit meerdere actuators omvat, worden deze sub-actuators genoemd. Voorbeeld: In een verkeerscontroller kunnen the sub-actuators Programmaselectie en toestand deelkruispunt onafhankelijk van mekaar geschakeld worden. 4.1 Voor verkeerscontrollers in Antwerpen zijn de volgende sub-actuators geldig: - Omschakeling van (signaal)programma (OCIT-O: ZSignalprogramm) - Aan/uitschakelen van volledige signalisatie van kruispunt (OCIT-O: ZKnotenEinAus) - Aan/uitschakelen van deelkruispunten (OCIT-O: ZTeilknoten) - Offset/split aanpassing (OCIT-O: APWertBlock) Andere sub-actuactors worden niet gebruikt voor Antwerpen, ook niet deze voor openbaar vervoer (Public _transport_onoff: OCIT-O ZOepnvEinAus). DOD2 Fase 1: uitvoering technische voorstudie 6/12/2016 71
3.1.1.6 Berichten n 5. Er is een datacataloog nodig die de definities van alle gebruikte berichten bevat. 5.1 Afhankelijk van de oorsprong van de berichten zijn dit: Berichten afkomstig van de centrale: AVT (Member 3) en GEVAS software (Member 63) Signaalberichten: Standaard OCIT-O berichten (Member 0/1) Messages from the signal: leverancier-specifieke OCIT-O berichten 5.2 De datacataloog wordt als XML meta file ter beschikking gesteld zoals bepaald in OCIT-I. Voor een invulling van de alarmberichten zie bijlage 02. 3.1.1.7 Configuratiebestanden n 6. Als configuratiegegevens voor een signal off-line als bestand uitgewisseld worden, gebeurt dit op basis van XML file OCIT-I VD-DM-LSA OCIT-I 1.1 KD0010, Version 109 (zie ook hoofdstuk 3.1.3). 3.1.2 AANPASSINGEN AAN OFFSETS en SPLIT (GROENTIJDEN) Zie bijlage 06 voor een exacte beschrijving van de OCIT extensie. 3.1.3 VERDUIDELIJKINGEN BIJ HET OIVD BESTAND De OIVD bestanden, afkomstig van LISA+, zijn te vinden op de fileserver. 3.1.3.1 Versie De configuratie van het centrale system gebeurt op basis van XML-file OCIT-I VD-DM-LSA OCIT-I 1.1 KD0010, Versie 109, in het kort OIVD bestand genoemd. Het bestand maakt deel uit van standaard OCIT-I/OTS. De documentatie is te downloaden op http://www.ocit.org/downloadocit-i.htm. De volgende delen geven een kort overzicht van de belangrijkste objecten. Deze lijst is niet noodzakelijk volledig en exhaustief. 3.1.3.2 Nodige informatie 3.1.3.2.1 Header-gegevens De volgende header-gegevens uit OIVD bestanden wordt gebruikt voor de configuratie van het centrale system (zie <OIVD/GrundversorgungsdatenLSA/Kopfdaten> in het bestand) DOD2 Fase 1: uitvoering technische voorstudie 6/12/2016 72
OCIT short name of unit (<Kurzbezeichnung>) OCIT long name of unit (<Name>) OCIT system number (<Identifikation/UnitId/SystemNr>) OCIT subsystem number (<Identifikation/UnitId/SubsystemNr>) OCIT unit number (<Identifikation/UnitId/UnitNr>) 3.1.3.2.2 Signaalgroepen De volgende configuratiegegevens voor signaalgroepen uit het OIVD bestand worden gebruikt in het centrale systeem. (zie <OIVD/GrundversorgungsdatenLSA/SignalgruppenListe/Signalgruppe> in het bestand) OCIT short name van de signaalgroep (<BezeichnungKurz>) OCIT number van de signaalgroep (<OCITOutstationNr>), e.g. 1,2, 3, 3.1.3.2.3 Detectoren De volgende configuratiegegevens voor detectoren uit het OIVD bestand worden gebruikt in het centrale systeem. (zie <OIVD/GrundversorgungsdatenLSA/SignalgruppenListe/Signalgruppe> in het bestand) OCIT short name van de detector (<BezeichnungKurz>) OCIT number van de detector (<OCITOutstationNr>), e.g. 1,2, 3, 3.1.3.2.4 Meldpunten openbaar vervoer Voor meldpunten voor openbaar vervoer worden de volgende configuratiegegevens uit het OIVDbestand ingelezen: zie <OIVD/GrundversorgungsdatenLSA/OeVMeldepunktListe> en substructuren in het bestand zie <OIVD/GrundversorgungsdatenLSA/OeVMeldestreckeListe> en substructuren in het bestand 3.1.3.2.5 Signaalprogramma s Voor signaalprogramma s worden de volgende configuratiegegevens uit het OIVD-bestand ingelezen (zie <OIVD/GrundversorgungsdatenLSA/SignalprogrammListe/Signalprogramm in het bestand) OCIT short name van het signaalprogramma (<BezeichnungKurz>), e.g. P1, P2, P3, OCIT number van het signaalprogramma (<OCITOutstationNr>), e.g. 1,2, 3, OCIT name of het signaalprogramma (<BezeichnungLang>) DOD2 Fase 1: uitvoering technische voorstudie 6/12/2016 73
3.1.3.3 Speciale situaties Eén VRI die twee (of meer) kruispunten aanstuurt: Er wordt één OIVD bestand aangemaakt en er wordt dus één controller in VTmanager gedefinieerd. Deze controller (VRI) heeft één IP-adres en DNS-naam. Het tweede kruispunt wordt in de OIVD als deelkruispunt van de controller beschouwd. Het is mogelijk een deelkruispunt onafhankelijk van het hoofdkruispunt aan of uit te schakelen. In de controller is één signaalprogramma actief dat beide kruispunten aanstuurt. Twee VRI s die één (groot) kruispunt aansturen: In dit geval worden twee OIVD bestanden aangemaakt en er worden twee controllers in VTmanager gedefinieerd. Er zijn twee controllers (VRI s), elk met een eigen IP-adres en DNS-naam. Tussen de beide controllers moet directe communicatie opgezet worden. Het centrale systeem heeft geen kennis van de rechtstreekse verbinding tussen de beide controllers. DOD2 Fase 1: uitvoering technische voorstudie 6/12/2016 74