NT00152_903 Nadere Toegang op inv. nr 903 uit het archief van het Stadsbestuur Rhenen, 1337-1851 (152) H.J. Postema Januari 2015
Inleiding Dit inventarisnummer bevat een pakket verzoekschriften van inwoners van Rhenen aan de Staten van Utrecht of de Gedeputeerde Staten van Utrecht (GS). Van deze verzoekschriften zijn regesten gemaakt. De datum van het regest is meestal de datum waarop beschikt is over het verzoekschrift. De verzoekschriften zelf zijn normaliter ongedateerd. 2
Regesten 28-11-1590 En 2-9-1591 Van burgemeesters en regeerders van Rhenen aan GS. In het verleden hebben de Staten de courwachters op de toren te Rhenen beloond uit het vendel dat op dat moment in de stad was. Maar de vendels wisselen vaak en sommige kapiteins zijn onwillig om te betalen. Behalve dat de stad sedert 28-7-1591, na de monstering van hopman Luijt Rijcksz op een rol heeft gestaan. GS beveelt dat deze betaling op de rol van de kapiteins moet staan. 16-9-1591 Van regeerders van Rhenen aan de Staten van Utrecht. De cameraar van 1578-1582, Henrick van Eck, weigert zijn rekeningen op te maken en aan de stad over te geven. 7-6-1595 Van regeerders van Rhenen aan de drie Staten van Utrecht. Het gasthuis heeft onlangs een huis geërfd. Dit moet nodig gerepareerd worden. Het gasthuis heeft hier geen geld voor. De stad wil het huis nu verkopen maar heeft hier toestemming van de Staten voor nodig. Die krijgt de stad. 30-10-1597 Van Mechtelt Keijsers, wed. dr. Henrick Lijster, aan GS. Anthonis van Dreuten heeft een aantal jaren geleden een rentebrief van 100 gulden gepasseerd t.b.v. het gasthuis te Rhenen. Daarvoor heeft Mechtelt zich borg gesteld. Anthonis is daarna overleden en heeft niet alleen deze 100 gulden nog als schuld maar ook vele jaren rente. Hij heeft weinig goederen nagelaten en Mechtelt is beducht dat zij hiervoor opdraait als erfgename van haar vader. GS stellen een commissie in om dit uit te zoeken, bestaande uit de schepenen Aert van Eck en Henrick Cornelisz van Amerongen. 31-7-1610 Van dijkgraaf en heemraden van de Grebbedijk aan de Staten van Utrecht. Volgens opdracht van de Staten hebben die van Rhenen de dijk die Wageningen moest maken gerepareerd. Hiervoor moet nog worden betaald. 14-9-1621 Van burgemeesters, schepenen en regeerders van Rhenen aan de Staten van Utrecht. Door de tijd heen is het altijd zo geweest dat vreemde potentaten op reis van Utrecht naar Arnhem of andere plaatsen boven Rhenen gelegen altijd door Rhenen passeren. De prins van Oranje is in augustus nog in Rhenen geweest. Dit kost de stad altijd veel geld. Vooral als de prins binnen de stad overnacht. In augustus is nog meer dan 52 gulden aan wijn geschonken. De stadsinkomsten zijn 3
zeer sober. De stad wil graag toegemoetkoming in de kosten. De Staten consenteren in restitutie van de 52 gulden. Overigens logeerde de prins in het klooster te Rhenen. De wijn werd geleverd door Jan Anthonisz. 4-7-1622 Van de regering van Rhenen aan de Staten van Utrecht. Twee maanden geleden is een stuk muur van 10 roeden omgevallen. Vorig jaar gebeurde dit ook al. Er moet nodig worden gerepareerd maar er is geen geld. 14-1-1624 Van Bartholomeus Breul, rentmeester van het Agnietenconvent te Rhenen, aan de Staten van Utrecht. Alle goederen zijn onlangs in beslag genomen en Breul heeft bevel gekregen zijn rekening op te maken. Dit in tegenstelling tot de resolutie van de Staten betreffende de geestelijke goederen van 6-10-1584, 27-10-1608 en 27-8-1619. [ca 1625?] [ca 1625?] [ca 1626] Van de gemene buren van Achterberg, beginnende van de Dijk af tot omtrent het gerecht Amerongen, aan GS. Zij worden door de pachters gevorderd tot betaling van het hoorngeld etc. Daar hebben ze bezwaar tegen. mr. Pieter Ploos, raad extra-ordinaris in het Hof van Utrecht, aan de Staten van Utrecht. In plaats van de overleden raadsheer Weede. Ploos verzoekt daarom dat zijn functie van extra-ordinaris wordt veranderd in ordinaris. Johan Snoeck, burger te Rhenen, aan GS. Drie weken geleden is hij van Rhenen naar Wageningen gereden. Hij is daar door de momber van Gelderland en rechter te Wageningen van zijn paard gehaald en gevangen genomen zonder dat zij enige actie op hem privé hadden. Hij heeft 2-3 dagen gevangen gezeten en is toen ontsnapt. Zijn mantel, bouget en rappier liggen nog in Wageningen. Bovendien heeft het Hof van Gelderland al zijn uitstaande credieten in Gelderland gearresteerd. Terwijl de kwestie niet hem maar de stad Rhenen en het dorp Bennekom aangaat. Hij tekent als Jan Snoeck. 9-8-1627 Van Joris Cornelisz Cleuver, kuiper en burger te Utrecht, aan GS. Om wanorde te voorkomen in de biermaat, volgens resolutie van de Staten van 6-9-1599, is bijgevoegd deze ordinantie en tot ijkmeester gecommitteerd Anthonis Philipsz van Ameijde, kuiper. Met beschrijving van de inhoud van de ordinantie voor de kuipers op het platteland. ca 1633 Van de inwoners van Veenendaal aan de Staten van Utrecht. In september 1630 hebben zij een verzoekschrift aan de Staten gericht over de desolate stand waarin zij in 1629 door de invasie van de vijand 4
zijn gesteld, door het verbranden van hun huizen en het wegdrijven van hun turven, waardoor zij hun huisgelden niet hebben kunnen betalen over 1629-1632. Zij verzoeken vermindering. 18-7-1644 Van de regeerders van Rhenen aan de Staten van Utrecht. De regering van Rhenen is nu verscheidene malen en onlangs opnieuw door dhr. Goswijn van Ommeren, schout te Ede, voorgedragen dat de inwoners van Gelderland in en omtrent Veenendaal wonende zeer doleren over het betalen van enige belastingen. Het gaat hen er om dat zij hun waren niet in het dorp mogen vermarkten en toch belasting moeten betalen. [ca 1644] Van de regering van Rhenen aan de Staten van Utrecht. Er komen dagelijks klachten dat de dijk genaamd de Speesdijk, gelegen omtrent een half uur boven de stad, die 2 jaren aaneen doorgebroken is en nu met zo n kade omvangen is, dat ze noch met wagens noch met karren kan worden gebruikt tot grote incommoditeit en nadeel van alle passagiers die op Nijmegen, Arnhem en andere plaatsen reizen. De drossaard van de Marsche moet de dijk maken maar weigert. De graaf van Culemborg heeft op verzoek van de stad de drossaard schriftelijk aangemaand, maar ook dat had geen effect. 3-12-1645 Van de gecommitteerden uit de raden en burgerij te Rhenen aan de Staten van Utrecht. Zij hebben in augustus 1644 een verzoekschrift aan de Staten geschreven. Zij willen ordonnantie op Johan Toll, toendertijd cameraar van Rhenen van 459-8 die zij hebben geleden in het verdedigen van de burgerij tegen de regering. Dat verzoekschrift is zoek geraakt. Daarom hebben de gecommitteerden in januari een nieuwe opgesteld ter somme van 500 gulden. Deze is ook zoek geraakt. Vandaar dit nieuwe verzoekschrift op de huidige cameraar Dirck Vonck van Lienden. 15-10-1662 Van dijkgraven en heemraden van de Marsche aan de Staten van Utrecht. Tot gerief van de passagiers hebben zij geen zandpaden gemaakt en als zij zand nodig hebben haalden zij dat van de Heijmenberg. Zij verzoeken toestemming hiervoor. De Staten consenteren hierin. [ca 1670?] Van de regering van Rhenen aan de Staten van Utrecht, dat gezien de zware conjunctuur van tijden de stad zich graag wil voorzien van kruit, lood, lont en andere ammonitie van oorlog. 14-7-1675 Van Frans van Helden aan GS. Hij heeft in pacht gehad de impost van de 8 en 4 stuivers op de bieren en de 12 e penning op het bestiaal van 1671-1672. Hij heeft hiervoor 300-16 betaald. Er resteert dus nog 199-5
4. Hij heeft nog uitstaan de nevensgaande restantcedulle. Hij verzoekt toestemming om die te mogen innen. Dat is akkoord. Op de restantcedulle staan de volgende personen (namen enigszins genormaliseerd): Dirck Juchem, de post, Jan Petersen, Sanderes, Hendrick Elissen, Herman van Eden, Palmert, Roelof Verweij, Bruijn Cornelissen, jonker Vonck, Koenraet, Oot Reijersen, Jelis van Doesborgh, schepen Van Oort, Antonie Vereest, Willem Pickers, Jacob Gijsbertsen, schepen Van Varick, Dirck Pouwelsen, Arent Jansen, Joost Boonsaeijer, Jerefaes Hermansen, Jan Steck, Maeijlquderers, Herbert Krol, Adriaen van Dolder, Jacob Ersten, Adriaen Verhuet, Eijkepas, Willem Berendsen, meester Jan, juffr. van Huer?, Jan Berendsen, Jan Ost, kapiteint Rhe, Roelof Jacobsen, Roelof Wiggerden, Dirck Jansen van Lienden, Roelof Hendricksen, Hendrick Taets, Eijer Ebben, vrouw Van Brenck, Jantje Jaspers, Huijbert de kremer, Hendrick Woutersen, Rijck Hendricksen, Gerrit Evertsen, Adriaen Reijersen, Jan Teunissen op Hoogsteeg, Willem Eveden, Hendrick Rijcksen, Jan Aertsen, Gijsbert Willemsen, Willem Geurtsen, Bet Jans, Aelbert Jansen [doorgestreept], Evert Alers, Jan Gerritsen, Aelbert Cornelissen, Jan Willemsen, Jan van Kousteren. 15-10-1682 Van Philips Jacob van Spangen, heer van Spangen, Baudries, vrijheer van Niekoop, etc, als momber van het nagelaten kind van dhr. en mevr. van Alkemade, aan de Staten van Utrecht. Dhr. en mevrouw van Alkemade en hun kind hebben goederen te Zegveld. Daarvoor betalen zij jaarlijks 150 gulden belasting. In de jurisdictie van Rhenen ligt ook nog een partij land dat aangeslagen is op 13-4-8 en nog 30 morgen onder Ruwiel, belast met 35-19. Hij vindt dat hij genoeg betaalt te Zegveld en wil ontslagen zijn van de belasting in Rhenen en Ruwiel. Met bijgaande stukken tot 1688. 21-11-1689 Attestatie van Brandt van Pothoven op verzoek van cameraar Boonsaijer dat hij lange jaren (10 of meer) met Louw Jacobs en anderen pachter is geweest van de impost op de turf, waar tegenwoordig Govert Huijgen c.s. pachters van zijn, en dat gedurende die tijd de cameraar de turf altijd heeft opgedaan zo voor de kelder van de stad, de dienaars van de stad alsook voor de armen, zonder daarvan van tevoren aan de pachters aanbreng te doen. Met een verzoekschrift van de regering van Rhenen en cameraar Joost Boonzaaijer aan de Staten van Utrecht. 1-3-1692 Van Johan Carel Smissard, hoofd-schout van Rhenen en de vrijheid daarvan, aan GS. Op zijn vorige verzoekschrift is een commissie ingesteld bestaande uit de heren Schade, Van Schonauwen en Van der 6
Nupoort. Hij verzoekt nadere uitwerking van dat verzoekschrift. Met stukken vanaf 1689. 2-7-1695 Van de regering van Rhenen aan de Staten van Utrecht om vergunning op de heffing van de stadsimposten over Veenendaal. Dit wordt door de Staten geweigerd. 21-5-1697 Van de regering van Rhenen aan de Staten van Utrecht over de verpachting van het gemaal. 26-6-1697 Van de magistraat van Rhenen aan de Staten van Utrecht. De verpachtingen van de belastingen hebben nog niet de helft opgebracht van normale jaren. De stad heeft dus te weinig inkomsten. 18-7-1703 Van Francois van Helden aan de Staten van Utrecht. Hij heeft vier jaren de impost op de gebrande wijnen en gedestilleerde wateren gepacht. In de laatste twee jaren heeft hij hieraan veel schade geleden doordat de pachters in Veenendaal kelders met brandewijnen en wateren hebben opgericht en die waren bij avond en ontijden onder het district van Francois tersluiks werden gebracht. Hij wil de pacht graag continueren. Dat is akkoord. Hij moet nu jaarlijks i.p.v. 870 gulden 1000 gulden betalen. 8-10-1703 Van Frans van Helten, burger te Rhenen, aan de Staten van Utrecht. Hij heeft een jaar geleden van de weduwe van deurwaarder Lijster een boekje gekregen waarin de ordonnantien en privileges van de stad waren opgeschreven. De magistraat wil dit graag hebben en probeert hem gevangen te nemen. Hij beroept zich op de Staten. Mijns inziens betreft dit boekje inv.nr 93. 7-12-1703 Van Johan Georgh d Redligh aan de Staten van Utrecht. Hij heet van Jan Jaspersz, won. Achterberg, gekocht 5 morgen bouw- en weiland. Op dat land heeft een huis gestaan. Het is al meer dan 50 jaren geleden dat men hiervan iets heeft kunnen zien. Jan Jaspersz heeft dit goed geërfd van Geurt Jansz, die het had geërfd van Jan Tonissen, zijn vader. Dit goed is nog bezwaard met 2-16 van enkel- en dubbel huisgeld en 1 stuiver voor het billet. Hij wil van deze belasting af. Met een extract uit het manuaal van de huisgelden. Jan Thonissen Jaspersz, fol. 155, betaalde 1659 en 1660 14 stuivers. Met attestatie van Jasper Willemsz (64), won. Achterberg, en Steventje Cornelis (60), huisvrouw van Hendrik Breunissen, won. Achterberg, ten verzoeke van Johan Georgh Redligh, heer van de Schuijlenburgh. Jasper kwam in Achterberg wonen toen hij 9 jaar oud was. Hij woonde toen in de Dijk bij Jasper Reijers. Daar heeft hij 3 jaren gediend. Toen kwam hij werken bij Jan Tonissen aan de Dijk. Daar is hij 1 jaar geweest en toen weer 5 7
jaren bij Jan Tonissen. En later nog 8 jaar. Vandaar heeft hij 4 jaar gediend bij Dirck Jaspersz te Achterberg. Driekwart jaar daarna is hij getrouwd en heeft tot nu toe in de Dijk te Achterberg gewoond. Steventje heeft altijd in de Dijk te Achterberg gewoond, uitgezonderd 7 jaren dat zij bij Dirck Jaspersz heeft gediend. Zodat zij wel meer dan 50 jaren hebben gekend het bouw- en weiland dat Redligh onlangs van Jan Jaspersz heeft gekocht naast de hofstede van Jacob Gerritsz. Op dit land heeft ook een boomgaardje gestaan. Zij hebben nooit een huis daarop hebben zien staan. 2-11-1712 Van de regering van Rhenen aan GS. Exploicteur Doesburg heeft tot last van de stad 323-8 gevorderd als rest van gepachte imposten. Hierop is het een en ander betaald. [1764] Van de exploicteurs aan de Staten van Utrecht. Over de penningen die onder griffier Van den Heuvel zijn geconsigneerd van de vaste goederen van De Greef en compagnie admodiateurs van de impost op de gebrande wijnen en gedestilleerde wateren over Rhenen, volgens sententie van het Hof van 20-12-1764 met een somme van 18455-13-2 en bijgevoegde kosten. Met verdeling van de kosten. z.j. z.j. z.j. z.j. Van de burgerij van Rhenen aan de Staten van Utrecht na een eerder verzoekschrift. Over de dolle ijver van de magistraat die nog steeds niet is afgetreden. Ze hebben nu zelfs Willem Stenfoort aangesteld. Er is sprake van onbetrouwbare vrouwen die zich vol laten lopen met sterke drank. De deuren moeten zorgvuldig gesloten worden want het is niet veilig in de stad. Van Cornelis Abbinga, geöctrooieerde keethouder van de zoutkeet aan de Staten van Utrecht. Op het verzoekschrift van zijn moeder van 8-4- 1681 is besloten dat er belasting moet worden betaald over alle zout dat van buiten de provincie wordt ingevoerd. Van de regering van Rhenen aan de Staten van Utrecht. Volgens resolutie van 18-8-1663 heeft de stad het veer gepacht van de Staten, mitsgaders het veerhuis, behorende aan het convent van de Carthuizers. Door de vijanden is het veerhuis geruïneerd. De stad moet het huis onderhouden, maar dat is nu teveel gevraagd. Van Cornelis van Schoonhoven aan de Staten van Utrecht. Hij heeft bij decreet gekocht een leen. Hij weet van geen leenbrief omdat de boedel van Tijmen van Leeuwen insolvent is. Hij verzoekt brieven van investituur van dit leen. 8
z.j. Van burgemeesters en regeerders van Rhenen aan de Staten van Utrecht. Zij hebben lange jaren van de Staten de impost op de boter in pacht gehad. Zij verzoeken continuering hiervan. 9