Ketenprotocol Vervroegde inzet partusassistentie Auteurs: Marjon Logtenberg Nancy Hospes-Clijnk Datum: 2 maart 2015
Algemeen Het Verloskundig Samenwerkings Verband Zoetermeer (VSV Zoetermeer ) is in 2012 opgericht ter verbetering van de verloskundige zorg in Zoetermeer. Het uitgangspunt is het bieden van een samenhangend zorgtraject waarbij alle ketenpartners verantwoordelijk zijn binnen hun eigen domein. Stroomdiagram verloskundige keten Verloskundige 1e lijn Gynaecoloog/ 2e lijns verl.k. Kraamzorg Cliënt/patiënt Kinderartsen Verpleging Doel van dit protocol Het doel van dit protocol is het maken van ketenafspraken die bijdragen aan het bewerkstelligen van een positieve bevallingservaring en het waarborgen van de kwaliteit omtrent het vroegtijdig inzetten van partusassistentie. Uitgangspunten De mogelijkheid van vervroegde inzet partusassistentie wordt tijdens de zwangerschap besproken met de zwangere en haar partner en opgenomen in haar dossier. De deskundigheid van de kraamverzorgende die vroegtijdig wordt ingezet dient gewaarborgd te zijn. Betrokken disciplines bij dit protocol zijn: Kraamzorg Verloskundigen 1 e lijn Verloskundigen 2 e lijn O/(G) Verpleegkundigen (i.o.) Gynaecologen Conceptversie 2.0 1
Inleiding In het rapport Een Goed Begin van de Stuurgroep zwangerschap en geboorte van december 2009 wordt geadviseerd dat iedere barende continue begeleid moet worden. Het rapport beschrijft dat, vanaf het begin van de bevalling, de zwangere niet meer alleen wordt gelaten. Zij wordt begeleid door een kraamverzorgende of een O&G verpleegkundige en bewaakt door een medisch professional. In het Verloskundig Samenwerkingsverband (VSV) Zoetermeer is gesproken over de mogelijkheid van vervroegde inzet van kraamzorg durante partu. Zowel de thuisbevalling als poliklinische bevalling vindt plaats onder leiding van de verloskundige. Hierbij is vroegtijdige aanwezigheid van de kraamverzorgende bij de baring gewenst, ten behoeve van de emotionele en fysieke ondersteuning van de barende (en haar partner). Uitgangspunt is de één op één begeleiding. Continue begeleiding is er op gericht de barende vrouw (en haar partner) tijdens de bevalling optimaal te ondersteunen. Uit onderzoek blijkt dat continue begeleiding veel voordelen heeft, namelijk: Vergroting van de waardering en tevredenheid van de barende vrouw Verkorting van de gemiddelde tijdsduur van de baring ; De baring eindigt minder vaak in een kunstverlossing of een sectio caesarea; Vermindering van gebruik van medicamenteuze pijnbestrijding. Goede samenwerkingsafspraken zijn nodig over de randvoorwaarden betreffende de vroegtijdige inzet tussen ziekenhuis, kraamzorginstellingen en verloskundigen. Voor alle betrokken disciplines bieden de randvoorwaarden en competenties houvast en richting voor het opzetten van gezamenlijke partusondersteuning In dit protocol zal worden beschreven hoe vervroegde inzet partusassistentie vormgegeven moet worden. De fysiologische bevalling De mogelijkheid van vroegtijdige ondersteuning kan worden geboden aan cliënten die zowel thuis als poliklinisch gaan bevallen. In de zwangerschap wordt door de verloskundige en de kraamzorg de mogelijkheid tot vroegtijdige ondersteuning besproken met de zwangere en haar partner. De kraamverzorgende kan al worden ingezet zodra de baring is begonnen. Conceptversie 2.0 2
Het oproepen van de kraamverzorgende Bij het eerste bezoek van de verloskundige aan de barende verricht de verloskundige onderzoek en registreert in welk stadium de bevalling zich bevindt. De verloskundige overlegt met de barende en haar partner en heeft een eerste indruk van de behoefte aan ondersteuning en draagkracht van de barende. Als de verloskundige inschat, dat vroegtijdige ondersteuning door een kraamverzorgende vanaf dat moment wenselijk is, dan belt ze naar de kraamzorgorganisatie waar de cliënt staat ingeschreven om een kraamverzorgende in te zetten. Deze beslissing kan ook tijdens één van de volgende bezoeken plaatsvinden. Als er intensieve ondersteuning nodig is, wacht de verloskundige bij de cliënt tot de kraamverzorgende is gearriveerd. Op dat moment bespreken zij de situatie en maken afspraken over de mogelijke manieren van ondersteuning. Als, in geval van nood, de verloskundige al vertrokken is als de kraamverzorgende arriveert, heeft de verloskundige een schriftelijke overdracht voor de kraamverzorgende klaarliggen en is er ten allen tijde telefonisch contact (geweest). De volgende punten worden in elk geval (schriftelijk) overgedragen: Fase partus Hoeveelste kind Verloop i.v.m. draagkracht Laatste keer urineren Ligging kind(rug) i.v.m. ondersteuningsadviezen Verloop vorige partus indien van belang Overige belinstructies, wanneer bellen met verloskundige? Indien geboorteplan aanwezig, dan op de hoogte brengen van de inhoud, zodat de kraamverzorgende aan de wensen en verwachtingen van de cliënt kan voldoen De kraamverzorgende neemt contact op met de verloskundige als: De vliezen zijn gebroken Er ruim vaginaal bloedverlies optreedt (zoals een menstruatie, grote stolsels, maandverband binnen een half uur vol) Er een complicatie optreedt De barende (of partner) dit wenst Als de positieve beleving van het bevallingsproces verstoort dreigt te raken (zoals bijv. bij paniek of onrust). Bij toenemend drukgevoel. Geeft iemand aan druk gevoel te hebben vraag dan door en observeer goed. De cliënt (reflectoire) persdrang krijgt De kraamverzorgende overleg nodig acht Als de cliënt ervoor heeft gekozen poliklinisch te bevallen, gaat de kraamverzorgende mee naar het ziekenhuis om de bevalling verder te kunnen begeleiden. Wanneer de kraamverzorgde pas nodig is als de cliënt (en haar partner) naar het ziekenhuis gaan voor een poliklinische partus, zal de verloskundige met het desbetreffende kraamzorgbureau contact opnemen om partusassistentie in te schakelen. Bij een normale baring zal de kraamverzorgende de cliënt (en haar partner) begeleiden vanaf het moment dat zij opgeroepen wordt, tot twee uur na de geboorte van de placenta. Conceptversie 2.0 3
De kraamverzorgende biedt professionele begeleiding, emotionele en praktische ondersteuning aan de barende (en haar partner). De kraamverzorgende dient haar observaties en acties te rapporteren in zorgplan/partusplan. Wenselijk is om digitaal een uitgebreid bevallingsverslag te kunnen maken, waarin onderscheid gemaakt kan worden in een stuk begeleiding van barende (en partner) en bewaking van het baringsproces. De kraamverzorgende voldoet aan competenties en randvoorwaarden, beschreven in kwaliteitskader Vervroegde inzet kraamverzorgende (zie bijlage 1 Randvoorwaarden). Daarnaast dient, bij het inzetten van partusassistentie door de kraamverzorgende, de arbeidstijdenwet in acht te worden genomen. Kraamverzorgenden mogen maximaal 10 uren achtereen werken, bij uitzondering 12 uren toegestaan volgens CAO. Complicaties durante partu Indien de thuis- of poliklinische bevalling door complicaties overgaat in een medische partusondersteuning, zal er een overdracht plaats moeten vinden. De partus ondersteuning zal worden overgenomen door de klinisch verloskundige en/of gynaecoloog en de O&G verpleegkundige. De verloskundige is verantwoordelijk voor de overdracht naar de klinische verloskundige of gynaecoloog. De kraamverzorgende zal overdragen aan de O&G verpleegkundige. Zodra de cliënt en haar baby het ziekenhuis kunnen verlaten zal desbetreffende verloskundige en kraambureau worden gebeld door de afdeling verloskunde, voor de continuering van de zorg thuis. Deze zorg wordt 24 uur per dag geboden. Overdracht Alle informatie tussen de betrokken disciplines, dienen zorgvuldig mondeling en schriftelijk overgedragen te worden. Voor de bevalling is het wenselijk dat het geboorteplan en de zwangerschapskaart beschikbaar zijn als informatiebron. Daarnaast wordt het bevallingsverslag uit het kraamzorgdossier en het formulier Overdracht van huis naar Lange Land Ziekenhuis gebruikt voor de overdracht. Het blijft belangrijk dat de cliënt haar wensen kenbaar kan maken, dit om een optimale begeleiding te kunnen bieden. Het is wenselijk dat de verschillende zorgverleners het geboorteplan in gesprekken integreren, zoals tijdens de consulten door de verloskundige en gynaecoloog en tijdens het huisbezoek door de kraamzorg. Hierdoor weet de cliënt dat haar geboorteplan serieus wordt genomen en alle zorgverleners hiervan op de hoogte zijn. Wanneer de partus medisch wordt dient er overgedragen te worden naar de gynaecoloog en/of klinisch verloskundige in het ziekenhuis De verloskundige en kraamverzorgende dragen de zorg van de cliënt gezamenlijk en mondeling over. Alle bevindingen zullen hierbij schriftelijk gedocumenteerd zijn. De kraamverzorgende zal zorgdragen voor een overdracht aan de O&G verpleegkundige en de verloskundige draagt over aan de tweedelijns verloskundige of gynaecoloog. De kraamverzorgende wordt in deze situatie niet meer ingezet, omdat er sprake is van een medische bevalling. Hier is de kraamverzorgende niet voor opgeleid, maar een O&G verpleegkundige wel. Waarborging deskundigheid De kraamverzorgenden van de partusteams zullen, om goede begeleiding tijdens de ontsluiting te kunnen bieden, een theoretische en praktische scholing moeten volgen, waarvan de inhoud is vastgesteld door de projectgroep in het VSV. Jaarlijks wordt vervolgens elke medewerker die Conceptversie 2.0 4
partusassistentie verleent, verplicht gesteld om deel te nemen aan een bijscholing om de kennis op te frissen. Dit zal een door het kenniscentrum kraamzorg geaccrediteerde scholing moeten zijn. Goedgekeurd op : 02-03-2015 Ingangsdatum : 01-04-2015 Alle protocollen van het VSV Zoetermeer zijn terug te vinden op het besloten deel van onze website. In het Lange Land Ziekenhuis zijn zij gepubliceerd in idocuments. In idocuments is standaard een herzieningstermijn van 2 jaar ingesteld. Bijlage 1: Randvoorwaarden vervroegde inzet kraamzorg Conceptversie 2.0 5
Bijlagen Bijlage 1: Randvoorwaarden vervroegde inzet kraamzorg De kraamverzorgende heeft een training gevolgd waardoor zij bekwaam is, in het uitoefenen van de uitgewerkte competenties. De kraamverzorgende beschikt over voldoende ervaring en expertise en voelt zich bekwaam om een kwalitatief verantwoorde partusondersteuning te kunnen bieden. De verloskundige bespreekt prenataal ter voorbereiding op de bevalling met haar cliënten de voordelen van en mogelijkheden voor continue begeleiding waaronder de vroegtijdige inzet van de kraamverzorgende. De verloskundige is verantwoordelijk voor (de organisatie van) de begeleiding tijdens de baring en bewaakt de voortgang en conditie van moeder en kind. Ongeacht de fase waarin de bevalling zich bevindt kan er voor de verloskundige een aanleiding zijn om extra ondersteuning te geven dan wel te regelen. Bij de vraag wie deze ondersteuning biedt, wordt zowel de wens van de cliënt betrokken als de draagkracht van de verloskundige zelf. De verloskundige bepaalt samen met de cliënt en haar partner of en wanneer de kraamverzorgende wordt opgeroepen voor een vroegtijdige inzet. De partusondersteuning door de kraamverzorgende tijdens de bevalling, kan pas ingezet worden na een bezoek van de verloskundige aan de cliënt. Dit geldt voor zowel de latente als de actieve fase. De verloskundige zorgt voor een adequate schriftelijke en mondelinge (telefonische) overdracht, bijvoorkeur door middel van een zogenaamde warme overdracht. De kraamverzorgende kan reeds in de latente fase worden ingezet voor begeleiding. De verloskundige hoeft dan niet ook aanwezig te zijn, maar zorgt wel voor continue beschikbaarheid. Indien de verloskundige in de latente fase weggaat, laat zij duidelijke (bel)instructies achter aan de kraamverzorgende en een tijdstip waarop zij weer terugkomt. Tijdens de actieve fase is de verloskundige in principe aanwezig. De kraamverzorgende is aanvullend in de begeleiding, zij vervangt de verloskundige hierin niet. Indien de kraamverzorgende niet vroegtijdig wordt ingezet, dient zij op tijd opgeroepen te worden, zodat zij minstens een uur voor de verwachte partus aanwezig kan zijn. Competenties kraamverzorgende: De kraamverzorgende is voldoende geïnformeerd. 1. Heeft voldoende informatie ontvangen over de cliënt. 2. Fase partus Vordering partus. Hoeveelste kind. Verloop i.v.m. draagkracht. Urineren laatste keer. Indaling baby. Ligging baby (rug) ivm ondersteuningsadviezen. Verloop vorige partus indien van belang. Overige belinstructies. 3. Neemt contact op met de verloskundige bij onvoldoende informatie. 4. Kent en begrijpt de termen uit het partogram voldoende. 5. Kan werken met een aanwezig geboorteplan i.v.m. afstemming op aanwezige wensen. Conceptversie 2.0 6
Samenwerking met de verloskundige De kraamverzorgende: 1. Bewaakt haar professionele grenzen als kraamverzorgende (komt alleen in actie als de situatie daar om vraagt). 2. Heeft duidelijkheid over bereikbaarheid en beschikbaarheid verloskundige. 3. En verloskundige spreken elkaar aan bij onduidelijkheden. Kennis en vaardigheden bij de start van een vroegtijdige partusondersteuning De kraamverzorgende: 1. Is zich bewust van haar houding bij binnenkomst. Biedt veiligheid en vertrouwen. Professionele houding. 2. Maakt kennis met de barende. Neemt kennis van de sfeer in huis, de houding van de partner, de instructies van de verloskundige. 3. Kent de observatiepunten m.b.t. de barende tijdens de verschillende fases en sluit daarop aan. 4. Sluit aan bij de situatie en specifieke wensen. Luistert naar de vrouw en haar partner. Observeert beiden. Let op lichaamstaal en andere signalen. Leest de overdracht en een eventueel geboorteplan. Gaat altijd na of er de juiste inschatting is gemaakt over de situatie. 5. Weet hoe te handelen na belinstructies. 6. Kent de instructies m.b.t. het klaarzetten materiaal e.d.. 7. Betrekt de partner bij de informatie en de ondersteuning. 8. Weet wanneer het proces goed verloopt en er geen actieve acties noodzakelijk zijn. 9. Weet hoe te handelen wanneer er angst en onzekerheid optreedt bij de barende en haar partner. 10. Weet dat er gebeld wordt met de verloskundige bij: Persdrang. Heftige drang/onzekerheid. Vruchtwaterverlies met een groene of bruine kleur of helder vruchtwaterverlies bij een multi. Helder bloedverlies zonder slijm bij signalen die de kraamverzorgende niet vertrouwt. Bij een complicatie. Op verzoek van de barende of haar partner. Emotionele en praktische ondersteuning en zo mogelijk acties om de pijn te verminderen. De kraamverzorgende: 1. Verstoort een goed verlopend baringsproces niet dmv praten of teveel handelen. 2. Maakt zonodig zorgen bespreekbaar en geeft informatie. 3. Stimuleert (zo nodig) de partner om actief deel te nemen aan de ondersteuning. 4.Beïnvloedt pijnbeleving door uitleg te geven en door het wegnemen van storende omgevingsfactoren. Geeft praktische ondersteuning en zo mogelijk pijnvermindering. Daar waar mogelijk betrekt zij de partner. 5. Heeft aandacht voor verandering van houding en kent de voordelen van verschillende houdingen. 6. Stimuleert zonodig baden of douchen ter ontspanning of voor pijnvermindering. 7. Kan massage of tegendruk geven in geval van rug en/of beenweeën. 8. Kent het gebruik van oefen/skippybal bij de opvang van de weeën. Voldoende kennis over geleerde technieken vanuit zwangerschapscursussen /begeleiding De kraamverzorgende heeft voldoende kennis van: 1. Algemene ademhalingstechnieken voor de opvang van de weeën. 2. Gebruikte Yogatechnieken. 3. De principes van de cursus Samen bevallen. 4. Haptonomie. Conceptversie 2.0 7
Voldoende toegerust zijn om met verschillende cliëntengroepen te kunnen communiceren De kraamverzorgende: 1. Hanteert een werkbare communicatie met aanwezigen. 2. Opbouwen van een vertrouwensrelatie met de vrouw en aanwezigen. 3. De vrouw aansporen vragen te stellen en te zeggen wat ze wil. 4. Kan een onvoldoende voorbereide thuissituatie hanteren. 5. Reageert professioneel op onbekende gewoonten (bewaakt veiligheid). 6. Weet rust te creëren. 7. Kan objectief blijven observeren. Conceptversie 2.0 8